Israëli’s, Palestijnen, Oekraïners en Armeniërs over de hele wereld waren op afstand getuige van de meest afschuwelijke gebeurtenissen. De Armeense Anoosh Chakelian kan erover meepraten. ‘Het is moeilijk om het land van onze voorouders uiteen te zien vallen, juist omdat onze identiteit uit brokstukken bestaat.’
Een heuveltop in Dilijan, het weelderige berggebied van Armenië, is niet echt een voor de hand liggend decor voor een identiteitscrisis. Maar daar zat ik, drijfnat van het zweet, te onderhandelen over potten honing met een meedogenloze baboesjka die bijen hield in de buurt van het middeleeuwse Haghartsin-klooster. Ik voelde me een oplichter. Na een klamme wandeling van twee uur bergopwaarts en met het weinige Armeens dat ik als kind op de zondagsschool had geleerd, bleef ik maar hakkelen.
Tijdens mijn vakantie deze zomer in Armenië – ik kwam er pas voor de tweede keer – maakte ik regelmatig iets mee wat me reduceerde tot een simpele toerist in het land van mijn voorouders. Een ‘vertrouwde vreemdeling’, zoals Stuart Hall het in zijn memoires noemt. Het is een veelvoorkomend gevoel onder biculturelen en enigszins tweetaligen. Maar dit jaar voelde het afstandelijke ongemak van de diaspora intenser dan anders.
Het was een vreugdevolle reis met volop abrikozenbier en zwempartijen in bergmeren. Maar ik was nog maar enkele dagen uit Armenië weg, toen Azerbeidzjan de etnisch Armeense enclave Nagorno-Karabach binnenviel. In één etmaal kwam er een grimmig einde aan de dertig jaar durende bloedige oorlog over het gebied, die door zowel de Amerikanen als de Russen als een verloren zaak werd beschouwd. Azerbeidzjan won. Ongeveer honderdtwintigduizend burgers uit de zelfverklaarde republiek, die door Armeniërs Artsakh wordt genoemd, moesten het land als vluchteling verlaten. Een rij Lada’s en Sovjet-marshrutka-minibusjes reed door de Lachin-corridor, de enige weg naar Armenië die nog open was.
Andere zorgen
Dit jaar zagen Israëli’s, Palestijnen, Soedanezen, Oekraïners en Armeniërs verspreid over de hele wereld wat zich afspeelde in het land van hun voorouders. Velen van hen hebben er nooit zelf gewoond. Alles wat ze erover weten, hebben ze geleerd in het comfortabele nieuwe thuisland dat hun ouders en grootouders zich eigen hadden gemaakt. Contact houden met familieleden, doneren aan goede doelen, protesteren en berichten plaatsen op sociale media is alles wat ze kunnen doen.
Tijdens mijn vakantie liepen de spanningen in de zuidelijke Kaukasus op. De Armeense regering had gezamenlijke militaire oefeningen met de VS aangekondigd, klaarblijkelijk als reactie op het falen van de Russische vredesmacht om de Armeniërs in Karabach te beschermen. ‘Het zijn maar een paar bergen; mensen zijn belangrijker,’ zei een jonge inwoner toen tegen me. ‘Te veel mannen hebben ervoor gevochten en zijn ervoor gestorven. We willen vrede.’ Mijn perspectief, die ver weg van hier tot stand was gekomen, hield geen rekening met het feit dat de jongere generatie andere zorgen had (de gemiddelde leeftijd van de Armeense soldaten die in 2020 tijdens het meest recente conflict werden gedood, was 23).
In mijn jeugd had ik geleerd over Nagorno-Karabach en ik had erover geschreven voor The New Statesman. Nu was ik verdrietig dat ik er nooit was geweest en dus ook nooit meer zou komen. Tegen een berghelling ligt het Dadivank-klooster – een plek waarover mijn vader boeken las, ervan dromend het ooit te bezoeken; het was nu onbereikbaar. Ik zou nooit de lokaal gemaakte jingalov hatz proeven, een plat brood gevuld met wilde kruiden dat in een ondergrondse oven wordt gebakken.
‘In dit huis woonden hardwerkende en fatsoenlijke mensen. Houd het schoon. En geef mijn bloemen alsjeblieft water’
Velen in Nagorno-Karabach konden het niet verdragen hun onderkomen aan het lot te moeten overlaten en staken daarom voordat ze vluchtten hun huis en tuin in brand. ‘Ik heb overwogen mijn huis in brand te steken, maar ik deed het niet,’ vertelde een vluchteling in een interview. ‘Ik heb de afwas gedaan en de vaat op een schap gezet, alsof ik bezoek verwachtte. De dadeloogst is dit jaar erg goed. Laat de Azeri’s ze maar opeten. Ik heb een brief voor ze achtergelaten: “In dit huis woonden hardwerkende en fatsoenlijke mensen. Houd het schoon. En geef mijn bloemen alsjeblieft water”.’
Ik hoor van Britse Palestijnen en Israëli’s dat ze een vergelijkbare pijn voelen als ze de beelden zien van Gaza-Stad dat tot puin is gebombardeerd, of van kibboetsen vol bloed en kogelgaten. De bescheiden Armeense diaspora van ongeveer achttienduizend mensen in Groot-Brittannië klaagt dat de Britse regering en media onze zaak hebben genegeerd. Het was ongepast dat de snelle etnische zuivering van Nagorno-Karabach nauwelijks de krantenkoppen haalde.
Maar ik ben niet jaloers op degenen die hun pijn wel in het publieke debat opgepikt zagen worden, om deze vervolgens verdraaid te zien worden. In Groot-Brittannië – op duizenden kilometers afstand van het Midden-Oosten – nemen aanvallen op Joden en islamofobe haatmisdrijven toe en is het gevoel van diaspora intens. De spanningen worden misbruikt voor eigen gewin. Extreemrechts zet de verdediging van Israël in als wapen, terwijl antisemieten de pro-Palestijnse zaak uitbuiten. Misschien moeten wij, Armeniërs, voorzichtig zijn met wat we wensen.
De gevoelens van degenen die ver verwijderd zijn van hun familiegeschiedenis zijn complexer dan de ideologische grenzen die worden getrokken door bijvoorbeeld een Britse minister van Binnenlandse Zaken, die graag wil bewijzen dat ‘het multiculturalisme heeft gefaald’. Het is moeilijk om het land van onze voorouders uiteen te zien vallen, juist omdat onze identiteit uit brokstukken bestaat: liedjes en recepten die we leerden toen we opgroeiden, het aanwijzen van plekken op de kaart aan onze Engelse vrienden, de stroperige korst op het deksel van de granaatappelmelasse in mijn keukenkastje, de gekartelde gouden ‘A’ – de eerste letter die ik leerde in het Armeense alfabet – die ik elke dag om mijn nek draag.
Daar, op die berghelling, kwam ik dan eindelijk op het woord voor honing: meghr. Ik herinnerde me de middagen die ik op de Armeense school doorbracht met het woord voor woord opzeggen van de fabel ‘Een druppel honing’. Het verhaaltje begint met een vlieg die landt op gemorste honing. Een hagedis eet de vlieg op, een kat eet de hagedis op en zo verder tot het ontaardt in een compleet bloedbad. Mijn klasgenoten uit West-Londen en ik, die geïrriteerd waren dat we het uit ons hoofd moesten leren, zeurden altijd dat we dit later niet nodig zouden hebben. Maar misschien waren de lessen van ‘Een druppel honing’ toch nuttiger dan ik als tiener dacht – en dan niet alleen om honing te kopen.
Door internationale onverschilligheid eindigde het conflict in Nagorno-Karabach niet met onderhandelingen, maar met een gewelddadig slotoffensief van Azerbeidzjan. Duizenden Armeniërs zijn de regio ontvlucht, maar het ziet er niet naar uit dat Azerbeidzjan ze ooit nog terug wil hebben.
Het waren amper tieners, maar ze hoestten als echte volwassenen. In het pension – met te veel bedden in een te kleine ruimte – stonden ze als eersten op. Nog voor hun trainer. Dan staken ze het fornuis aan met lucifers uit een doosje met het opschrift ‘Trojka’. Op het ene vuur kookten ze water voor thee, boven het andere hielden ze met een vork hun sokken, die vochtig waren geworden tijdens de nacht in Stepanakert. Met het resterende vlammetje van de lucifer staken ze hun eerste sigaret van de ochtend aan en begonnen meteen te hoesten.
Hun voetbalteam, afkomstig uit een vallei waar de helft van de huizen door oorlog was verwoest, deed mee aan een toernooi in de hoofdstad van een land dat niet op landkaarten voorkomt. Ze streden om een trofee die niets voorstelt in de wereld en waar niemand van wakker ligt. Maar die ondanks alles de moeite waard was om voor te strijden. Ze verdroegen de koude ochtenden in dit gammele pension, de springveren van de bedden die in hun ruggen prikten, de toiletten die altijd naar stront roken, de stroomstoringen… Ze regelden alles zonder op instructies van de trainer te wachten. Ze verdeelden de kleding en maakten die zo goed mogelijk droog. Daarna zorgden ze voor het ontbijt: volkoren macaroni, gekookte aardappelen en brood dat ze in een pittige saus doopten. Als kleine volwassenen.
Maar als ze spraken, klonken ze als de kinderen die ze nog steeds waren. En ze droomden ervan te worden als hun idolen van Real Madrid: Cristiano Ronaldo, Kaká, Casillas.
Stille belegering
Dat was in 2010. Een deel van hen leeft waarschijnlijk niet meer. Want toen zij dienstplichtig werden, is hun land Nagorno-Karabach, dat in feite een enclave op Azerbeidzjaans grondgebied is maar onder Armeens gezag valt, verwikkeld geraakt in schermutselingen en oorlogen. In april 2016 vochten het Azerbeidzjaanse leger en Armeense strijdkrachten uit Karabach vier dagen lang om de controle over een aantal hooggelegen gebieden. Daarbij vielen aan beide kanten meer dan tweehonderd doden, waaronder veel jonge dienstplichtigen.
In september 2020 begon Azerbeidzjan, goed bewapend door zijn bondgenoten Turkije en Israël en geholpen door Syrische huurlingen, een grootschalig offensief. Daarbij heroverde het een groot deel van de gebieden die sinds de jaren negentig door Armeniërs werden gecontroleerd. Het grondgebied van de zelfverklaarde Republiek van Artsach (zo noemen de Armeniërs de enclave) werd tot een minimum gereduceerd. De strijdkrachten van de naburige Republiek Armenië – tot dan toe de belangrijkste steun voor de Karabachis – werden gedwongen zich terug te trekken naar hun land. Ongeveer zevenduizend mensen werden gedood en meer dan twintigduizend raakten gewond.
Vorige week lanceerde Azerbeidzjan zijn slotoffensief: na een etmaal bombarderen besloten Armeense troepen zich over te geven, zich bewust van hun militaire inferioriteit en het gebrek aan internationale steun. Het Russische leger, dat na de oorlog van 2020 als vredesmacht in Nagorno-Karabach was gestationeerd, stak geen vinger uit om het conflict te voorkomen en de VS en de EU deden niet veel meer dan hun bezorgdheid uitspreken en oproepen tot het staken van de vijandelijkheden.
Deze laatste aanval kwam na negen maanden van stille belegering. In december blokkeerden vermeende Azerbeidzjaanse milieuactivisten – in werkelijkheid mensen die banden hebben met de regering in Bakoe, waaronder zelfs enkele leden van de veiligheidsdiensten – de Lachin-corridor. Na de oorlog van drie jaar geleden was deze kronkelige weg de enige verbinding van Nagorno-Karabach met de buitenwereld: 90 procent van het voedsel voor de Armeense enclave kwam via deze weg, en zieke mensen die niet in de ziekenhuizen van de enclave konden worden behandeld, gebruikten hem om naar Armenië te gaan.
‘Genocide kan ook gepleegd worden door omstandigheden te creëren die tot fysieke vernietiging van een groep leiden’
Later, in april, toonde de Azerbeidzjaanse regering haar ware gezicht door een controlepost op te zetten in Lachin. Dat deed ze ondanks het feit dat de corridor volgens de wapenstilstandsovereenkomst van 2020 onder toezicht van het Russische contingent moest blijven. Zelfs de doorgang van humanitaire konvooien – van Rusland en het Rode Kruis – werd belemmerd. Zonder materialen, reserveonderdelen of voorraden kwam de economie in de enclave tot stilstand. Zonder brandstof vielen transporten stil. Scholen zaten zonder verwarming. Ook de elektriciteit viel uit, doordat de kabels naar Armenië werden gesaboteerd. Medicijnen werden schaars. Voedselvoorraden raakten op. In augustus werd de eerste hongerdode geregistreerd.
Sinds december onderhoud ik contact met verschillende mensen in Stepanakert, de hoofdstad van Karabach. Nona Poghosián is een Karabachse lerares met twee kinderen. Eind vorig jaar wilde ze zich voorbereiden op de Armeense kerstviering die op 6 januari valt, maar dat bleek onmogelijk. Na een blokkade van bijna drie weken werden veel producten schaars. ‘Vandaag zijn we twee uur lang van winkel naar winkel gegaan. Er was alleen mayonaise en chocolade. Geen olie, geen suiker, geen groenten… zelfs geen aardappelen’, schreef ze in een bericht aan mij. Macaroni werd het belangrijkste voedsel. ‘Als mijn kinderen hun moeder een appel zien schillen alsof het de laatste is die ze ooit zullen eten, dan beseffen ze dat er iets mis is.’
In februari werd het nog erger. De lokale overheid greep in om voedsel te rantsoeneren. ‘We hebben vouchers gekregen voor basisproducten, waaronder groenten en fruit. Maar het zijn waardeloze stukjes papier, je kunt er niets mee kopen’, schreef Poghosián. Als er met een humanitair konvooi een zending wortelen arriveerde, dan was die al binnen een paar minuten verdwenen. De prijs van de eerste aardappelen van het seizoen verdrievoudigde. Russische vredeshandhavers werden ervan beschuldigd een deel van de uit Armenië meegebrachte producten te verkopen op de zwarte markt.
Toen de lente kwam en alles weer ging groeien, verbeterde de situatie enigszins. ‘We kunnen tenminste wilde kruiden verzamelen en die eten met eieren,’ aldus Poghosián. Maar in de zomer, toen Azerbeidzjan Russische konvooien en konvooien van het Rode Kruis tegenhield, werd de situatie nijpend. Bij het krieken van de dag stonden de inwoners van Stepanakert uren in de rij voor een brood, niet wetend of ze die dag aan de beurt zouden komen. ‘Genocide kan ook gepleegd worden door omstandigheden te creëren die tot fysieke vernietiging van een groep leiden. Daar hoeven geen crematoria voor gebouwd te worden, of aanvallen met machetes voor te worden uitgevoerd; honger is een onzichtbaar genocidaal wapen. Zonder substantiële verandering zal deze groep Armeniërs binnen enkele weken zijn vernietigd’, schreef Luis Moreno Ocampo, Argentijns jurist en voormalig aanklager bij het Internationaal Strafhof in een rapport van 7 augustus.
Zes weken later begon Azerbeidzjan zijn laatste offensief tegen de uitgehongerde en uitgeputte enclave.
De sirenes in Stepanakert begonnen te loeien op dinsdag 19 september om één uur ’s middags. In de hoofdstad waren schoten en artillerievuur uit de nabijgelegen valleien te horen. Tegen de tijd dat de kinderen van Nona Poghosián terugkwamen van school, bereikten de gevechten Stepanakert. Haar man was niet thuis. Een paar uur lang waren ze allemaal van elkaar gescheiden, opgesloten in verschillende kelders en schuilkelders, niet wetend hoe het de anderen verging.
‘Hoe we ons voelen? We zijn omsingeld, en we zijn heel erg bang.’
De clichévragen van journalisten klinken dan heel dom. Hoe voelt een moeder zich, gescheiden van haar kinderen terwijl er bommen vallen?
Amnestie
Precies vierentwintig uur nadat de Azerbeidzjaanse aanval begon, capituleerden de Armeense troepen. De volgende dag kwamen afgezanten van beide partijen bijeen. De eerste eis van de Azerbeidzjaanse autoriteiten na het staakt-het-vuren was ontwapening van de Karabachse milities; de eerste eis van de Karabachse autoriteiten was levering van brandstof en brood.
Beide partijen hebben hieraan voldaan. De Armeniërs in Nagorno-Karabach droegen hun arsenaal in het weekend van 23 september over aan de Azerbeidzjaanse strijdkrachten: tanks, granaatwerpers, raketten. Toen konden humanitaire konvooien met tonnen voedsel Stepanakert weer binnenrijden.
De Azerbeidzjaanse regering heeft amnestie beloofd voor alle Armeense strijders die de wapens neerleggen (behalve voor degenen die oorlogsmisdaden hebben begaan tijdens het conflict in 1990). Zij verzekert dat de ‘culturele, religieuze en democratische’ rechten van de Armeense bevolking van Karabach zullen worden gerespecteerd tijdens het proces van ‘re-integratie’ van de enclave in de bestuurlijke structuur van Azerbeidzjan.
Maar de meesten zijn op hun hoede.
In de straten van Stepanakert lopen honderden bange mensen die niet weten wat ze moeten doen – ze hebben al hun bezittingen in een tas gepropt. Velen koken op straat en schuilen waar ze maar kunnen. Zo’n tienduizend mensen zijn geëvacueerd uit de dorpen die het dichtst bij de frontlinie liggen. Sommigen hebben het contact met hun familie verloren. Internet is beperkt en het is niet bekend wat er is gebeurd in sommige van de dorpen die zijn omsingeld door Azerbeidzjaanse troepen.
Bulldozers graven in de verse aarde om plaats te maken voor de doden. Het meest recente officiële dodenaantal van de gevechten van 19 september – tweehonderd – is al dagen niet meer bijgewerkt door de autoriteiten van de enclave. Aangenomen wordt dat het inmiddels veel hoger ligt. Elke dag zijn er nieuwe begrafenissen, groepsgewijs. Sommigen vragen zich af wat ze moeten doen: de doden begraven of hun lichamen meenemen? Want het enige waar ze aan kunnen denken is vluchten naar Armenië.
Anderen verwijderen openbare foto’s en posters met de namen van ‘martelaren’ – zij die sneuvelden bij de verdediging van Nagorno-Karabach tijdens eerdere oorlogen. Het is onduidelijk wat er zal gebeuren als Azerbeidzjaanse troepen Stepanakert binnenvallen.
Het enige vliegveld in Nagorno-Karabach ligt naast Khoyali, een dorp met een bloederige geschiedenis. De grootste slachting van de Eerste Karabachoorlog (1991-1993) vond er plaats, toen Armeense troepen een genocide aanrichtten onder Azeri’s die het belegerde dorp probeerden te ontvluchten: 613 burgers werden gedood, waaronder 106 vrouwen en 63 kinderen.
Het vliegveld is klaar: er is een nieuwe terminal gebouwd en in 2009 is er personeel aangenomen. Maar het is nooit in gebruik genomen, aangezien Azerbeidzjan dreigde elk vliegtuig neer te schieten dat er zou landen of opstijgen. Wel is het de belangrijkste basis voor Russische vredeshandhavers. Nu hebben duizenden mensen er hun toevlucht gezocht, op zoek naar bescherming.
99,9 procent van de 120.000 Armeniërs die nog in de enclave wonen, wil vertrekken
Op zondag 24 september, na opnieuw een ontmoeting tussen vertegenwoordigers van Karabach en Azerbeidzjan, ging Samvel Shahramanian, president van de zelfverklaarde Republiek Artsach, naar het vliegveld en verzekerde zijn medeburgers ervan dat de evacuaties zouden beginnen: eerst van degenen die door de gevechten ontheemd waren geraakt, daarna van alle anderen die wilden vertrekken. Diezelfde dag staken duizend mensen de grens over naar Armenië. Vroeg in de ochtend die maandag waren het er al drieduizend. Woensdagnacht naderde het aantal de vijftigduizend.
‘Natuurlijk wil ik weg. Er zijn duizenden mensen in mijn omgeving die wachten op de opening van een corridor naar Armenië,’ zegt Poghosián. ‘Hoe zouden we moeten leven met de Azeri’s? Mensen vertrouwen Azerbeidzjan niet, want het zou niet de eerste keer zijn dat het ons afsluit, uithongert en bombardeert.’
In de tuin bij de familie Poghosián staat een moerbeiboom. Een grote, wijdvertakte boom die zo hoog reikt dat hij het licht wegneemt. De man van Nona wilde hem begin maart snoeien. ‘Zondag begin ik eraan,’ zei hij nog. Maar op vrijdag kregen ze een telefoontje: de auto waarin haar zwager David, een agent van de douane, naar zijn werk reed, was beschoten door Azerbeidzjaanse troepen. Hij en twee andere agenten werden gedood. Volgens de Azerbeidzjaanse pers waren het ‘saboteurs’.
‘Ik weet niet hoe ik zijn drie kinderen in de ogen moet kijken’, schreef Poghosián op haar Facebook-account. ‘Ik weet niet hoe ik zijn dappere twaalfjarige zoon moet kalmeren, die huilt onder de dekens om zijn zussen niet ongerust te maken. Ik weet niet wat ik moet zeggen tegen zijn achtjarige dochter die vraagt hoe lang haar vader nog wegblijft. Hoe moet Eteri haar drie kinderen opvoeden zonder David?’
De moerbeiboom blijft zoals hij was: met ongesnoeide takken. Hoewel de internationale gemeenschap en het buurland Armenië erop hebben aangedrongen dat Azerbeidzjan voorwaarden schept voor Armeniërs om in Karabach te kunnen blijven, hebben die na een eeuwenlang verblijf de moed opgegeven. Een van de adviseurs van Shahramanián vertelde aan Reuters dat 99,9 procent van de 120.000 Armeniërs die nog in de enclave wonen, wil vertrekken.
‘Geen wonder dat de haat na twee oorlogen en dertig jaar conflict wortel heeft geschoten,’ zegt Zaur Shiriyev, analist bij de International Crisis Group in Bakoe. ‘Armeense en Azerbeidzjaanse ontheemden die terugkeren naar het gebied zijn getraumatiseerd. Sinds 2020 is er geen echte poging meer gedaan om beide partijen te verzoenen. Eerst en vooral moet het gebied gestabiliseerd worden en de meest acute humanitaire problemen worden opgelost. Daarna moet het vooral gaan om coëxistentie. Dat is een lang proces dat een sterke politieke wil vereist, vooral van de kant van Azerbeidzjan.’
Verlangen naar wraak
De eerste jaren van het conflict en de oorlog in de jaren negentig hebben zo’n dertigduizend mensen het leven gekost. Het conflict leidde daarnaast tot etnische zuiveringen op grote schaal, zeker als je bedenkt dat Azerbeidzjan en Armenië samen nauwelijks tien miljoen inwoners telden: 350.000 Armeniërs werden verdreven uit Azerbeidzjan en nog eens 150.000 Azeri’s uit Armenië. En een half miljoen Azeri’s moesten Karabach en de omliggende door Armeniërs bezette provincies ontvluchten.
‘Mijn vroegste herinneringen hebben met oorlog en verwoesting te maken’, schreef advocaat Rauf Azimov op X, het vroegere Twitter. Hij werd geboren in een gebied in de buurt van Karabach. Zijn familie – half Azeri, half Koerdisch – werd verdreven uit door Armenië veroverde gebieden, met als gevolg dat ze jarenlang in tenten en pakhuizen leefden. ‘Mijn oom stierf tijdens de oorlog toen hij op een mijn stapte. Ik viel altijd in slaap met geweerschoten. Ik stikte ooit bijna in mijn eten toen er vlakbij een bom ontplofte. Tijdens mijn jeugd keek ik verlangend naar het spectaculaire Murovgebergte, en ik vroeg me af waarom mijn vader er wel heen kon en ik niet. Ik wenste dat ik op bezoek kon in het land van mijn voorouders in Lachin. En dat de huizen van mijn grootouders niet vol zaten met kogelgaten en granaten. Ik wenste dat het dorp van mijn vader geen kunstmatige heuvel langs de weg moest opwerpen om te voorkomen dat sluipschutters op burgers zouden schieten. Maar bovenal wenste ik dat iemand onze pijn zou erkennen. In plaats daarvan ontmoette ik meestal mensen die lachten om onze tragedie, die deze rechtvaardigden of negeerden.’
‘Ik kijk nu met afschuw naar wat er gebeurt met de Armeniërs van Nagorno-Karabach,’ zegt Azimov. ‘Elke Azeri die getuige is geweest van oorlog, of die heeft geleden onder etnische zuiveringen moet hiertegen in opstand komen, ook al vertellen onze meest elementaire instincten ons iets anders. Zo niet, dan zal de geschiedenis ons niet vergeven.’ Hij kan dit eervolle standpunt uitdragen omdat hij in Canada woont. De weinige activisten in Azerbeidzjan die zich tegen de oorlog hebben uitgesproken, zijn gearresteerd.
Veel Azerbeidzjaanse vluchtelingen daarentegen koesteren een verlangen naar wraak. ‘Ik wil dat ze evenveel lijden als wij,’ zei een Azeri vluchteling tegen mij in 2020, toen veel Armeniërs de door Azerbeidzjan heroverde gebieden ontvluchtten, terwijl zij ervan droomde om na dertig jaar ontheemding terug te kunnen keren naar haar geboortestad.
‘Coëxistentie tussen de twee gemeenschappen in de nabije toekomst is ingewikkeld. Er moeten speciale maatregelen komen voor verzoening en voor interetnische communicatie,’ stelt de Azeri mensenrechtenactivist Anar Mammadli. Analist Shiriyev is optimistischer en verwacht dat de vlucht van de Armeniërs een ‘tijdelijke’ oplossing is en dat ze, als Bakoe de juiste maatregelen neemt, geleidelijk terug kunnen keren naar Karabach.
‘Maar is er iemand die serieus denkt dat Armeniërs kunnen integreren in Azerbeidzjan?’ vraagt Azimov zich af. ‘Decennialang werden ze afgeschilderd als de vijand, de schurk die verantwoordelijk is voor al onze ellende. Hun geschiedenis is uitgewist en hun tragedies werden ontkend, inclusief onze verantwoordelijkheid ervoor.’ Hoe kan Azerbeidzjan de mensenrechten van Armeniërs garanderen, vragen velen zich af, als het niet eens de rechten van zijn eigen bevolking respecteert?
‘Van zowel de oorlog van 2020 als van de recente aanvallen is de les hetzelfde: de verleiding om geweld te gebruiken in plaats van diplomatie is groot. Dat komt door de afwezigheid van mechanismen ter afschrikking. En dat schept een gevaarlijk precedent,’ stelt Richard Giragosian van het Centrum voor Regionale Studies in Jerevan, de hoofdstad van Armenië.
Het risico van bevroren conflicten is dat ze er ogenschijnlijk niet meer zijn. Al die jaren van winterslaap zijn er niet genoeg doden gevallen om de voorpagina’s te halen. Het gevolg is dat onderhandelingen over een oplossing worden uitgesteld, totdat een van de partijen sterk genoeg is om haar eigen voorwaarden op te leggen.
Ruim veertig landen zijn aanwezig in Granada voor de top
Leiders van ruim veertig Europese landen die onderdeel vormen van de Europese Politieke Gemeenschap (EPG) zijn bijeengekomen in de Zuid-Spaanse stad Granada. Het is de derde keer dat de landen bijeenkomen. Uiteraard wordt er op de top gesproken over Oekraïne, schrijft Reuters, maar ook andere thema’s, zoals Nagorno-Karabach, worden besproken.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
President Ilham Aliyev van Azerbeidzjan is echter niet aanwezig. Hij zegt dat er sprake is van ‘anti-Azerbeidzjaanse’ sentimenten, mede vanwege de aanwezigheid van de Franse president Emmanuel Macron, die aankondigde wapens naar Armenië te sturen. Zijn bondgenoot Recep Tayyip Erdogan uit Turkije komt ook niet.
Met de EPG wil de Europese Unie landen die lid willen worden van de unie alvast betrekken in politieke dialogen, omdat het toelatingsproces tot de EU jaren kan duren. De vorige bijeenkomsten stonden met name in het teken van de oorlog in Oekraïne, maar tijdens deze top zullen aanzienlijk minder steunpakketten gepresenteerd worden.
De Armenen hebben donderdag een decreet ondertekend
Het etnisch Armeense bestuur in Nagorno-Karabach heeft donderdag aangekondigd dat het zichzelf zal opheffen en dat de niet-erkende republiek tegen het einde van het jaar zal ophouden te bestaan. Dat meldt The Guardian. Inmiddels is al een helft van de etnische Armenen in de enclave gevlucht.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Het decreet werd ondertekend door de separatistische president van de regio, Samvel Shakhramanyan. Volgens de voorwaarden in het decreet wordt het etnische Armeniërs uit de bergachtige regio toegestaan om naar Armenië te vertrekken. Op donderdagavond hadden meer dan 78.300 mensen – meer dan 65 procent van de 120.000 inwoners van Nagorno-Karabach – dat gedaan.
Zij laten huizen, familiegraven en andere bezittingen achter in een gebied dat dertig jaar als onafhankelijk werd gezien, ondanks dat de internationale gemeenschap het erkende als Azerbeidzjaans grondgebied. Azerbeidzjan had na hun bliksemoffensief vorige week geëist dat separatistische troepen zouden vertrekken, maar zei dat etnische Armenen wel konden blijven.
Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar Nagorno-Karabach, waar duizenden etnische Armeniërs op de vlucht zijn geslagen uit angst voor een etnische zuivering door Azerbeidzjan. Hoe is dit conflict ontstaan?
Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief Buiten de grenzen, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – al vanaf €5 per maand – op 360 Magazine en abonneer je op de nieuwsbrieven.
Wat is er aan de hand in Nagorno-Karabach?
‘We wachten niet alleen op onze families; we wachten op heel Nagorno-Karabach,’ zei een Armeniër tegen persbureau AFP.Hij stond bij een controlepost vlak bij de enclave Nagorno-Karabach, waar 120.000 etnische Armeniërs wonen, onder andere enkele familieleden van hem. Inmiddels hebben ruim 14.000 van deze Armeniërs het gebied verlaten, uit angst voor een etnische zuivering door Azerbeidzjan.
Dit is het laatste hoofdstuk in een voortslepend en sluimerend conflict dat vorige week tot uitbarsting kwam, toen Azerbeidzjaanse troepen een offensief lanceerden op de enclave. Internationaal wordt het gebied erkend als Azerbeidzjaans grondgebied, historisch en cultureel gezien zijn er veel banden met Armenië vanwege de aanwezigheid van deze Karabach-Armenen.
Het offensief, door Azerbeidzjan een ‘militaire operatie’ genoemd, was gericht op separatistische leiders in het gebied, die streden voor de onafhankelijkheid van Nagorno-Karabach. Binnen 24 uur vielen er zeker tweehonderd doden, met name Armeense militairen. Een wapenstilstand volgde, en Azerbeidzjan eiste dat Armeense strijders in het gebied hun wapens inleverden. Intussen kwam er een vluchtelingenstroom op gang, ondanks Azerbeidzjaanse beloften om de rechten van Armeense burgers in het gebied te respecteren.
Financial Timessprak met enkele vluchtelingen, die zeiden ‘dat ze de voorkeur gaven aan ballingschap boven een leven onder de heerschappij van hun historische vijand’. Anderen zeiden dat ze niet zouden terugkeren uit angst voor hun leven. Nikol Pashinyan, de premier van Armenië, zei eerder dat de Armeniërs Nagorno-Karabach ontvluchtten om ‘hun leven en identiteit te redden’.
Pashinyan gaf volgens Politicoaan dat de Armeniërs in de enclave garanties voor hun veiligheid nodig hadden, nadat hij eerder deze week had opgeroepen tot een VN-veiligheidsmissie.
Luis Moreno Ocampo, de eerste hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof, verklaart in een opiniestuk in The Washington Postdat hij de angst van de Karabach-Armenen begrijpt. Moreno wijst erop dat Azerbeidzjan al sinds december 2022 de Laçin-corridor blokkeert, wat de enige verbinding is tussen Armenië en Nagorno-Karabach. Het Internationaal Gerechtshof kwam eerder dit jaar tot de uitspraak dat de blokkade de volksgezondheid van Armenen in gevaar bracht, en eiste dat deze werd opgeheven.
‘In plaats van te voldoen aan het bindende bevel van de rechtbank om de blokkade te beëindigen, gingen de veiligheidstroepen van Azerbeidzjan in juni nog verder en sloten de enclave volledig af, waardoor zelfs het vervoer van voedsel, medische voorraden en andere essentiële zaken onmogelijk werd’, schrijft Ocampo. ‘Sindsdien heeft Aliyev [de president van Azerbeidzjan] herhaaldelijke oproepen van de secretaris-generaal van de VN en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken genegeerd om te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank.’ Volgens Ocampo komen de acties van Azerbeidzjan neer op genocide.
Waar komen de spanningen in Nagorno-Karabach vandaan?
Hoewel de oorlogen tussen Armenië en Azerbeidzjan om Nagorno-Karabach teruggaan naar het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, kent het daadwerkelijke conflict een veel langer verleden. Tegen het einde van de negentiende eeuw stortten de machtige Russische, Ottomaanse en Perzische rijk achter elkaar in, waardoor Armenië, gesteund door Rusland, en Azerbeidzjan, gesteund door Ottomaans Turkije, lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan in hun drang naar onafhankelijkheid.
Nagorno-Karabach was vanaf het begin een centrum van spanning, omdat het bergachtige gebied een gemengde gemeenschap van Armeniërs en Azeri’s herbergde en door beide naties werd gezien als een centraal onderdeel van hun nationale geschiedenis en identiteit. In de beginjaren van de Sovjet-Unie, onder leiding van Josef Stalin, werd Nagorno-Karabach een autonome regio met een meerderheid van etnische Armeniërs.
In de nadagen van de Sovjet-Unie verlangden de twee Sovjetrepublieken wederom onafhankelijkheid en werd Nagorno-Karabach, dat aansluiting zocht bij Armenië, opnieuw het epicentrum van het geweld. Tijdens een oorlog begin jaren negentig wist Armenië de controle over het gebied te veroveren. Niet alleen binnen de enclave werd gevochten: in Armenië werden Azeri’s het doelwit, en andersom werden Armenen vervolgd in Azerbeidzjan.
De BBCciteert redacteur Konul Khalilova, die zich nog goed herinnert hoe honderdduizenden etnische Azeri’s uit Armenië werden verdreven en vluchtten naar Azerbeidzjan. In 2020 kwam het opnieuw tot een treffen, en ditmaal veroverde Azerbeidzjan een groot deel van de enclave tijdens een 44 dagen durende oorlog. Nagorno-Karabach bleef echter onafhankelijk, mede door een vredesakkoord dat met de hulp van Rusland tot stand kwam.
De grote vraag is of het nu ook tot een directe oorlog tussen de twee landen kan komen. Volgens Benyamin Poghosyan, senior fellow voor buitenlands beleid aan het Applied Policy Research Institute of Armenia, is daar geen sprake van. Wel kan het conflict de regio verder destabiliseren, zegt hij tegenVox. Hij waarschuwt voor sluimerend nationalisme in Armenië, dat de komende jaren aan een sterker leger zal werken om mogelijk een nieuwe oorlog te beginnen om Nagorno-Karabach te veroveren.
Wat is de rol van de internationale gemeenschap?
Velen kijken naar Rusland, dat verschillende onderhandelingen tussen de twee landen leidde en vredessoldaten in Nagorno-Karabach had op het moment dat Azerbeidzjan zijn offensief lanceerde. De uitkomst is volgens internationale media symbolisch voor de rol die het land tegenwoordig speelt in wat de Russen cultureel en historisch gezien als hun invloedssfeer beschouwen.
‘Hoewel de enclave in theorie onder bescherming stond van Russische vredeshandhavers, bleken de garanties van Moskou uiteindelijk waardeloos’, schrijft Thomas de Waal, senior fellow bij Carnegie in Foreign Affairs.De banden tussen Rusland en Azerbeidzjan zijn daarmee hechter geworden, zegt de Waal.
Aliyev, de autocratische president van Azerbeidzjan, is ‘duidelijk van mening dat Turkije en Rusland, en niet de westerse landen, de enige machten zijn die hij serieus moet nemen’. The Guardianschrijft dat de historische alliantie tussen Turkije en Azerbeidzjan in 2020 nog een impuls kreeg, toen Turkije de Bayraktar TB2-drones leverde waarmee de oorlog werd gewonnen.
Maar volgens The New York Timesheeft Rusland met zijn rol tijdens het conflict één ding aangetoond: ‘Moskou, overbelast in Oekraïne, heeft niet langer de militaire of diplomatieke kracht’ om een doorslaggevende rol te spelen in de regio. Armenië, historisch gezien juist bondgenoot van Rusland, is onder premier Nikol Pashinyan meer naar het Westen gaan kijken.
‘Er is een geopolitieke verschuiving gaande in de zuidelijke Kaukasus’, schrijft Foreign Policy.‘Armenië twijfelt aan zijn langdurige partnerschap met Rusland en begint op niet zo subtiele manieren op te schuiven in de richting van het Westen, wat een pijnlijke tegenslag betekent voor het Kremlin in de strategische regio.’
Het land stuurde voor het eerst humanitaire hulp naar Oekraïne, die persoonlijk werd afgeleverd door de vrouw van Pashinyan, tijdens een bezoek aan Kyiv. ‘Vervolgens, om nog wat zout in de wonden van het Kremlin te strooien, kondigde Armenië een nieuwe gezamenlijke militaire oefening met de Verenigde Staten aan.’
Europa en de VS blijven de nadruk leggen op een diplomatieke oplossing. Azerbeidzjan is verworden tot een belangrijke strategische partner van de EU, vanwege de vele energiebronnen die het land heeft en door het wegvallen van Rusland als partner op gas- en oliegebied. Met name Frankrijk steunt Armenië, door de grote Armeense gemeenschap in het land.De grote vraag blijft: hoe nu verder met Nagorno-Karabach? Zaur Shiriyev, een analist van de International Crisis Group voor de zuidelijke Kaukasus, zegt tegen Al Jazeeradat lokale vertegenwoordigers van Armenië en Azerbeidzjan een dialoog moeten aangaan om de rol van de Azerbeidzjaanse autoriteiten in de regio te bespreken. ‘Discussies en afspraken over hoe de rechten van de lokale bevolking te behouden zijn cruciaal. Anders is een gedwongen integratie bij voorbaat gedoemd te mislukken.’
Er is angst voor een etnische zuivering in de enclave
Duizenden etnische Armeniërs in Nagorno-Karabach zijn maandag richting Armenië gevlucht, meldt de BBC, uit angst voor een etnische zuivering door Azerbeidzjan. Dat land lanceerde vorige week een aanval op de enclave om naar eigen zeggen separistische strijders in het gebied te verjagen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Journalisten maken melding van honderden auto’s die vanuit de hoofdstad Stepanakert richting Armenië rijden. Azerbeidzjan zegt te rechten van de Armeniërs te respecteren, maar volgens de Armeense regering zijn die beloften weinig waard. Het land heeft de Verenigde Naties gevraagd om toezicht te komen houden op de mensenrechtensituatie in het gebied.
In de afgelopen dertig jaar vochten Azerbeidzjan en Armenië meerdere oorlogen uit om Nagorno-Karabach. Tienduizenden mensen kwamen om het leven bij het oorlogsgeweld. Na de aanval van Azerbeidzjan vorige week werd een wapenstilstand afgesproken, en moesten Armeense troepen in het gebied hun wapens inleveren.
President Aliyev noemde het een ‘succesvolle antiterreuroperatie’
De president van Azerbeidzjan heeft de overwinning uitgeroepen na de aanval op enclave Nagorno-Karabach, die dinsdag begon. Dat meldt Politico. Ilham Aliyev zei in een toespraak op televisie dat de soevereiniteit van Azerbeidzjan is hersteld en dat er een ‘succesvolle antiterreuroperatie’ in de regio is gevoerd. Bij de operatie zouden zeker tweehonderd doden zijn gevallen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Volgens Aliyev hebben ‘separatistische troepen’ in Nagorno-Karabach zich ontwapend en het gebied verlaten. De president beloofde dat de regio een ‘paradijs’ zou worden. De etnisch-Armeense meerderheid, die overwegend christelijk is, mag hun eigen religie blijven uitoefenen en krijgt stemrecht in Azerbeidzjan, zo zei Aliyev.
Woensdag waren Armenië en Azerbeidzjan het na bemiddeling door Rusland al eens geworden over een wapenstilstand. Burgers in Armenië zijn woedend over de aanval en hebben dinsdag en woensdag gedemonstreerd bij de Armeense regering, die ze passiviteit in het conflict verwijten.
Inmiddels zijn er ruim 25 doden gevallen bij het conflict
Azerbeidzjaanse strijdkrachten hebben dinsdag de aanval ingezet op Nagorno-Karabach, waar de meerderheid etnisch-Armeens is. Dat meldt Al Jazeera. Het gebied wordt officieel erkend als onderdeel van Azerbeidzjan, maar er wonen veel Armeniërs die zich willen afscheiden.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De regering van Azerbeidzjan wil dat alle Armeense militairen het gebied verlaten. Ook het pro-Armeense regime, dat wil dat het gebied zich afscheidt van Azerbeidzjan, moet vertrekken. De aanvallende troepen zeggen steun te hebben van Rusland, dat met een vredesmacht aanwezig is in de regio. Onder meer de VS en de EU hebben opgeroepen tot een staakt-het-vuren.
Er zouden twee burgerdoden zijn gevallen bij het geweld. Langs de hele frontlinie zouden gevechten plaatsvinden. Armeniërs zouden een wapenstilstand hebben voorgesteld, maar dat zou zijn geweigerd door Azerbeidzjan. Gevreesd wordt voor een nieuwe oorlog in het gebied.
De wapenstilstand die vanaf 2020 gold in Nagorno-Karabach tussen Armenië en Azerbeidzjan is recent door de Azeri’s geschonden. Daardoor groeit in Rusland de vrees dat het troepen zal moeten inzetten in gevoelige regio’s die onder Russische verantwoordelijkheid vallen. Een scenario waar Oekraïne op hoopt.
Het grootste deel van de Russische strijdkrachten is momenteel in Oekraïne om versterking te bieden aan de ‘speciale operaties’. En daarvan heeft Azerbeidzjan geprofiteerd. Eind maart begonnen Azerbeidzjaanse troepen voor het eerst sinds het staakt-het-vuren waartoe in 2020 was besloten een klein offensief in Nagorno-Karabach. Met succes, want Rusland heeft momenteel geen tijd voor enige vorm van vredeshandhaving.
Het dorp waar het om draait heet in het Armeens Parukh. De Azeri’s, die het Farukh noemen, vielen het op 24 en 25 maart binnen, en hebben zich verschanst op een nabijgelegen heuvel om het gebied beter in de gaten te kunnen houden. De leiding van de niet-erkende republiek Nagorno-Karabach kondigde op 25 maart aan dat de vijand een aanval op haar grondgebied had uitgevoerd met Bayraktar-drones. Die drones werden twee jaar geleden ook al gebruikt, maar zijn inmiddels bekend als een van de belangrijkste wapens van de Oekraïners in hun verzet tegen de Russische inval.
Russische generaals ten einde raad
Het Westen juicht het gebruik van deze Turkse Bayraktars in Oekraïne toe, omdat ze de tanks van de bezetter op verantwoorde wijze vernielen. Maar in Karabach wordt er met afgrijzen naar gekeken. En die verdeling symboliseert hoe complex de huidige internationale betrekkingen liggen, en maakt duidelijk dat er nieuwe bondgenootschappen en conflicten ontstaan. De ontreddering onder de Russische generaals is ondertussen groot; zij weten niet langer tot wie ze zich kunnen wenden en wie er klaar staat om Rusland een mes in de rug te steken. Het is voor hen een moeilijke situatie – en daarvoor is Rusland in de eerste plaats zelf verantwoordelijk.
De bezetting van het dorp werd uiteindelijk bevestigd door Jerevan en Bakoe. De Armeniërs spraken van agressie, terwijl de Azeri hun actie een hergroepering noemden. Hoewel de Armeniërs zelfs verscheidene doden aan beide zijden meldden, grepen de Russen niet in en lieten ze de Azeri’s het dorp zonder slag of stoot innemen.
Het dorp ligt in een gebied dat door Russische vredeshandhavers wordt gecontroleerd
Toch is dit een serieus probleem. Het dorp ligt in een gebied dat door Russische vredeshandhavers wordt gecontroleerd; zij moeten ervoor te zorgen dat de twee partijen niet weer tegenover elkaar komen te staan. Ook zijn ze er verantwoordelijk voor dat de grens, die na het staakt-het-vuren van 9 november 2020 werd vastgesteld, niet wordt verplaatst.
Maar de Russen hebben wel wat anders aan hun hoofd. Het Armeense ministerie van Buitenlandse Zaken wendde zich vergeefs tot Moskou met het verzoek de orde in Nagorno-Karabach te herstellen: ‘Wij verwachten dat de Russische strijdkrachten maatregelen nemen om de onmiddellijke terugtrekking te bewerkstelligen van Azerbeidzjaanse strijdkrachten die een gebied zijn binnengedrongen dat onder Russische verantwoordelijkheid valt.’
Hoewel het Russische ministerie van Defensie erkent dat Azerbeidzjan de overeenkomst heeft geschonden, reageerde het met een vage oproep aan beide partijen om de vredesakkoorden te respecteren.
Moskou bekommert zich niet om een vredesmissie, aangezien alle beschikbare strijdkrachten in Oekraïne nodig zijn
Bakoe [de hoofdstad van Azerbeidzjan] antwoordde dat de Armeniërs hysterisch deden, dat niemand iets bezet had en dat het slechts ging om een tactische hergroepering van Azerbeidzjaanse troepen. In feite hebben de Russen niets gedaan om hen tegen te houden. Meer in het algemeen toont dit voorval aan dat Moskou zich op dit moment niet bekommert om een vredesmissie, aangezien alle beschikbare strijdkrachten in Oekraïne nodig zijn. Het is geenszins de bedoeling om nu verwikkeld te raken in een gewapend conflict in de zuidelijke Kaukasus.
Toen de Veiligheidsraad van Nagorno-Karabach op 26 maart het Russische ministerie van Defensie vroeg om het aantal troepen in de regio uit te breiden, werd duidelijk dat Rusland dat niet van plan is. ‘Deze vraag moet aan onze soldaten worden gesteld‘, reageerde Kremlin-woordvoerder Dmitri Peskov, die als het om de oorlog in Oekraïne gaat vaker namens het leger spreekt.
Tweede front
Turkije, de voornaamste bondgenoot van Azerbeidzjan, wordt er door sommige pro-Kremlinmedia van beschuldigd opzettelijk een tweede front te hebben geopend in Karabach. Dat zou niet alleen in hun eigen voordeel zijn, maar tot doel hebben Oekraïne te helpen. Ankara stuurt zijn Bayraktar-drones immers naar beide fronten, zo luidt de redenering.
‘Bovendien is Turkije lid van de NAVO’, benadrukte Tsargrad TV, dat eraan herinnert dat Rusland niet alleen tegen Oekraïne vecht, maar tegen het hele Westen. ‘Dit is echt niet het juiste moment voor kleine lokale conflicten’, aldus het nationalistische Russische tv-kanaal.
Vandaar dat de Zuidelijke Kaukasus Moskou momenteel veel zorgen baart. Iets dergelijks is in Karabach niet meer voorgevallen sinds de herfst van 2020. Er is regelmatig sprake geweest van wapengekletter, waarbij de ene partij de andere de schuld gaf. Maar niet eerder lanceerde Azerbajdzjan een tegenaanval ondanks de aanwezigheid van Russische soldaten. Karabach is weliswaar bijna 600 kilometer verwijderd van Vladikavkaz, de dichtstbijzijnde grote Russische stad, maar rust in de regio is momenteel van het grootste belang voor Moskou.
Vooralsnog hebben de Oekraïners hun hoop gevestigd op Karabach
Rusland zit sowieso niet te wachten op gewapende conflicten elders. Niet aan de Tadzjieks-Afghaanse grens, die geen Russische grens is maar toch door Russische grenswachten wordt bewaakt, en ook niet in Abchazië en Zuid-Ossetië, de Georgische gebieden die door het Russische leger worden bezet. En al helemaal niet in Transnistrië, een autonome regio binnen de internationaal erkende grenzen van Moldavië, waar een plaatselijke Russische ‘vredeshandhavingseenheid’ als het ware een openluchtmuseum uit het Sovjettijdperk in stand houdt.
In Kyiv juicht men daarentegen het ontstaan van andere fronten toe. Vooralsnog hebben de Oekraïners hun hoop gevestigd op Karabach. In Georgië, dat zij rechtstreeks hebben benaderd, is hun nogal gedurfde verzoek in die richting niet goed onthaald.
De secretaris van de Oekraïense Nationale Veiligheids- en Defensieraad, Oleksy Danilov, verklaarde zelfs dat als Georgië en Moldavië militaire operaties zouden starten met het doel de bezette gebieden Zuid-Ossetië, Abchazië en Transnistrië op de Russen te heroveren, de uitkomst van de oorlog in Oekraïne een uitgemaakte zaak zou zijn.
Want Rusland kan het zich niet veroorloven zijn bezettingsmacht in de voormalige Sovjetrepublieken aan te spreken om ze in te zetten in Oekraïne. Veel deskundigen, waaronder Russen, zijn van mening dat Rusland niet opgewassen zal zijn tegen een oorlog op meerdere fronten – die het land in het verleden zelf heeft gecreëerd om zijn militaire en politieke invloed uit te breiden.
Riskante strategie
Maar noch Tbilisi, noch Chisinau [de hoofdsteden van respectievelijk Georgië en Moldavië] zijn voorlopig van plan van de situatie te profiteren, omdat zij dit niet in hun belang achten. Georgië heeft zich zelfs niet aangesloten bij de sancties tegen Rusland en Russische burgers kunnen gewoon Georgisch grondgebied betreden. Hoewel Georgië gedeeltelijk door Rusland is bezet, is het land geen bondgenoot van Oekraïne geworden.
Rusland is daarom overgegaan op een nogal riskante strategie. Op Russischtalige sociale media zijn inmiddels video’s verschenen waarop te zien is hoe troepen die in Zuid-Ossetië en Abchazië gelegerd waren, naar het westen trekken. Die informatie is bevestigd door de onderzoeksjournalistieke website Russia Insider en door TheWashington Post, die bronnen uit het Pentagon citeren. Het exacte aantal soldaten en materieel dat de Russen uit de Kaukasus terugtrekken is onbekend. Manschappen en materieel zullen aan het Oekraïense front worden toegevoegd, waarschijnlijk via de Krimbrug en het bezette schiereiland, om daarna deel te nemen aan de gevechten in Zuid-Oekraïne.
Ondertussen maken Russische media melding van toenemende spanningen aan de Tadzjieks-Afghaanse grens, die wordt bewaakt door Russische grenswachten en soldaten van de 201e Divisie, die in Tadzjikistan zijn gestationeerd. Islamisten zouden een conflict willen uitlokken in de regio Gorno-Badachsjan (de oostelijke autonome provincie van Tadzjikistan). Deze informatie zou afkomstig zijn van een geheim rapport van de buitenlandse inlichtingendienst en werd zeer recentelijk verspreid op Russischtalige sociale netwerken.
Uiteraard kan niet al deze informatie door onafhankelijke bronnen worden geverifieerd. Maar het vooruitzicht van dit mogelijke nieuwe front wordt vanuit Kyiv niettemin met enige hoop gevolgd.
Tijdens besprekingen met Turkije weigerde Armenië onlangs in te gaan op een Turks voorstel voor een landcorridor naar Azerbeidzjan via Armeens grondgebied, aldus Armen Grigoryan, secretaris van de Armeense Veiligheidsraad. ‘We hebben al vaker gezegd dat Armenië niet heeft gesproken en niet zal spreken over alles wat te maken heeft met een corridor’, aldus Grigoryan in een interview met Ahfval News.
Turkse en Armeense gezanten hielden in de Russische hoofdstad Moskou een eerste ronde van verkennende gesprekken. Dit was gericht op het normaliseren van diplomatieke betrekkingen die al bijna drie decennia bevroren zijn, onder meer vanwege de militaire impasse met Azerbeidzjan over de regio Nagorno-Karabach.
Nagorno-Karabach in de Kaukasus is een machorepubliek. Maar doordat veel mannen zijn weggevallen door de oorlog met Azerbeidzjan, bekleden vrouwen er de machtige posities. ‘In de afgelopen tien jaar is het aantal vrouwen in leidinggevende posities met 300 procent toegenomen.’
Keuze uit het archief
Afgelopen week laaide het conflict tussen Azerbeidzjan en de Armeense inwoners van de regio Nagorno-Karabach weer op. Na een kortdurende aanval op de Armeense enclave riep de Azerbeidzjaanse president woensdag de overwinning uit. Volgens president Aliyev is de soevereiniteit van Azerbeidzjan weer hersteld en was de ‘antiterreuroperatie’ in de regio een succes.
Dit conflict sleept zich al voort sinds 1991, het jaar waarin de Sovjet-Unie uiteenviel en de voormalige autonome oblast Nagorno-Karabach zichzelf uitriep tot republiek. Toch brengt het gewapende conflict ook voordelen met zich mee. Zo blijkt uit dit artikel van Der Spiegel uit 2018 dat het in Nagorno-Karabach nu de vrouwen zijn die de lakens uitdelen en hoge posities bekleden, zij het omdat de mannen zijn gesneuveld, oorlogsinvalide geworden of naar Rusland vertrokken waar wel werk voor hen was. In dit artikel vertelt een aantal vrouwen over het leven in de regio, hun hoge functies en hoe de traditionele rolpatronen naar buiten toe nog altijd gehandhaafd worden, maar achter de schermen niet langer fungeren.
In een kelder in de Kaukasus staat een vrouw. Ze is begin veertig, met een spijkerbroek en loshangend zwart haar. Ze wijst op de hoek waar ze als kind met haar familie schuilde. Ze laat de trap zien waar een granaat een gat sloeg in het lichaam van haar broer. Wijst op de kist waar ze de Kalasjnikov uithaalde, iedere keer dat haar vader naar het front vertrok.
De vrouw in de kelder die oorspronkelijk voorraadkamer was, daarna schuilkelder, en die nu een pijnlijke herinnering is, is Armine Alexanjan, de nummer twee op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een vrouw met macht, trots en gescheiden.
Een historische beschikking van het lot maakte dat ze op een positie kwam die haar anders nooit was toegevallen. Niet hier, in deze machorepubliek, waar de mannen onder de wapens zijn, de grenzen bewaken en bevelen snauwen. Waar nog geen twee generaties geleden vrouwen hun gezicht bedekten, en waar ondanks zeventig jaar van Sovjetheerschappij de traditionele rolverdeling nauwelijks is verbeterd. Waar de geestelijke tot de dag van vandaag bij een huwelijksplechtigheid aan de bruidegom vraagt: ‘Spreekt u ook namens haar?’ en aan de bruid: ‘Zult u hem gehoorzamen?’ De afvallige republiek Nagorno-Karabach, volkenrechtelijk onderdeel van Azerbeidzjan, is gebrandmerkt door oorlog en armoede en streng patriarchaal. Desondanks zijn het de vrouwen die hier de laatste twee decennia aan de macht komen. Ze hebben leidinggevende posities ingenomen op ministeries en aan de universiteit, in het hooggerechtshof, bij politie-eenheden. Ze vullen de leemtes die zijn ontstaan doordat mannen zijn gesneuveld, oorlogsinvalide geworden of naar Rusland vertrokken omdat daar werk voor hen was.
‘In de afgelopen tien jaar is het aantal vrouwen in leidinggevende posities met 300 procent toegenomen’
Van de 150.000 inwoners van dit gebied tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee − kleiner nog dan de provincie Noord-Brabant − zijn 45.000 mannen onder de wapenen geroepen, actief of als reservist. Overal hangen aanplakbiljetten met propaganda, op gebouwen zitten borden met ‘Pas op, de vijand luistert mee’, op de basisschool leren kinderen hoe ze met wapens moeten omgaan, op tv is de ene militaire parade na de andere te zien. Allemaal gericht tegen buurland Azerbeidzjan, dat de grote vijand werd toen Nagorno-Karabach in 1991 de onafhankelijkheid uitriep en er een oorlog uitbrak die nog steeds nasmeult. In totaal zijn er 40.000 doden gevallen en zijn meer dan een miljoen mensen ontheemd geraakt.
Nagorno-Karabach werd daardoor een laboratorium waar de resultaten van deze proef zichtbaar zijn: wat gebeurt er als je vrouwen gewoon hun gang laat gaan en hen toegang geeft tot machtsposities? Geen van hen heeft dit lot zelf gekozen. Het zijn geen uitgesproken feministes, met het #MeToo-debat of gendervraagstukken willen ze net zomin iets te maken hebben als de Duitse puinruimsters vlak na de Tweede Wereldoorlog.
Maar wat doen de vrouwen met deze unieke kans? Kunnen andere vrouwen iets van hen leren?
Alexanjan leidt ons uit de kelder naar boven, naar het huis van haar ouders. In de keuken zit haar moeder met andere dames van een jaar of zeventig te kaarten: gouden tanden, zuurstokkleurige ochtendjassen ondanks de middag, wenkbrauwen zwart als die van Charles Aznavour. Er is moerbei-jam, en ingelegde augurken, ze praten over hun mannen die ze door ontrouw of oorlog zijn kwijtgeraakt. Ze hebben allemaal wel iemand verloren, maar verbitterd zijn ze niet. Tranen vloeien, de heerlijke Ararat-brandewijn eveneens, en al snel wordt duidelijk dat deze vrouwen heel wat vrolijker vertellers zijn dan de mannen. De enige man in het gezelschap, de vader van Alexanjan, heeft zich allang uit de voeten gemaakt, naar zijn koeien voor het huis.
In Stepanakert, de hoofdstad, bevindt het bureau van Alexanjan zich op de eerste verdieping van het ministerie van Buitenlandse Zaken, een klein huis tussen verwaarloosde prefab bouwsels. Boven haar bureau hangt een foto van een ezel.
‘Wilskrachtig en stijfkoppig,’ zegt Alexanjan, net als zijzelf. Die karaktereigenschappen moeten haar helpen in de strijd voor haar levensdoel: zelfbeschikkingsrecht en internationale erkenning. Want Nagorno-Karabach wordt internationaal niet erkend, zelfs niet door zijn beschermheer Armenië. Het is als het ware een Armeense enclave op Azerbeidzjaans grondgebied.
Alexanjan is de vertegenwoordigster van deze de-factostaat, geen geringe opgave, maar ze doet het met een ijzeren discipline, ondanks tegenslagen en isolement. Als er iemand is die kan uitleggen hoe vrouwen zich handhaven in een samenleving waar het adagium luidt ‘Vrouwen werken wel hard, maar mannen hebben meer hersens’, dan is zij het wel. Ze zegt dat dat hun lukt door diplomatieke vaardigheden, die zij ‘paradiplomatie’ noemt.
Vrouwen in Nagorno-Karabach zijn succesvol doordat ze behoedzaam zijn en tactisch. Zoals de plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken aan bezoekers van haar moeilijke land uiteenzet, is zij het die achter de schermen aan de touwtjes trekt, maar voor de buitenwereld laat ze de minister, haar baas, voorgaan, zodat hij de lauweren kan oogsten. Mannen, weet Alexjan, en weten alle andere vrouwen hier, moeten met zachtzinnigheid worden overtuigd, ze moeten niet het gevoel krijgen dat ze worden ingehaald of aan de kant geschoven. Daarom is het belangrijk dat naar buiten toe de oude rolpatronen gehandhaafd blijven. Dat zie je in Stepanakert [de hoofdstad] terug op straat: daar zijn vrouwen verlengstukken van hun man, ze doffen zich met kniehoge laarzen onder korte rokjes op, als de zusjes Kardashian, en paraderen aan hun arm van hun man, die een hoekige bontmuts draagt.
Als aanhangsel is Alexjan niet erg geslaagd, daar is ze te zelfbewust voor. Haar man was jaloers, ze heeft hem eruit gegooid en sindsdien voedt ze de kinderen alleen op. Veel vrouwen in Nagorno-Karabach hebben een eigen carrière en leiden een onafhankelijk leven. Maar dat wrijven ze hun mannen niet onder de neus. Zo heerst er, al is het dan niet in het land, in elk geval vrede tussen de geslachten en binnen de families.
Ministerie als gezin
Narine Agabaljan is een van die vrouwen. Broekpak, praktisch, kort haar, vijftig. Ze was de eerste minister van Cultuur van Nagorno-Karabach, en had een staf die voor 80 procent uit vrouwen bestond. Nu is ze minister van Onderwijs. Haar gezicht staat ernstig als ze ons ontvangt in een ijskoud kantoor met een vlag van Nagorno-Karabach. Ze zegt van zichzelf dat ze door de oorlog sterk geworden is. Toen ze 23 was stond ze als soldaat in de loopgraven, haar man sneuvelde aan het front, twee maanden later kwam haar zoon ter wereld. Ze noemde hem Edmon, naar zijn vader. Als ze een man was geweest, zou ze toen zijn begonnen met drinken.
Maar Narine Agabaljan vocht zich terug in het leven. Als tv-journaliste deed ze verslag van de vijandige linies, van de verliezen, over pogroms, maar daar had ze snel genoeg van. Ze zocht nieuwe wegen, ging de politiek in, werd minister van Cultuur, besteedde geld aan de renovatie van moskeeën in plaats van aan wapens. Tot nu toe doet ze het heel goed zonder man. Wat is het verschil tussen haar en haar mannelijke collega-ministers?
‘Twee dingen,’ zegt de minister, nog steeds zonder te glimlachen. ‘In de eerste plaats: flexibel blijven, niet vastzitten aan je positie en behoud van je macht.’ In de tweede plaats stuurt ze haar ministerie aan als een gezin. Dat wil zeggen: ‘Luisteren, laten uitspreken. Geen ellebogenwerk, niet pronken met je heldendaden, iedere dag compromissen sluiten.’
Over betuttelingen en handtastelijkheden van mannelijke collega’s hoor je hier niets. ‘We kennen hier geen geweld tegen vrouwen,’ zegt de minister van Onderwijs. Ze kan geen land ter wereld bedenken waar vrouwen veiliger zijn. Waarom, vanwege alle soldaten, de veiligheidsmensen? ‘Omdat we met zo weinigen zijn,’ zegt de minister, en bijna alle vrouwen die je in Nagorno-Karabach tegenkomt zeggen hetzelfde. Omdat iedereen iedereen kent en geen man zich een schandaal kan veroorloven.
Nog geen twee kilometer van het ministerie verwijderd doceert rekenwonder Manusch Minasjan, donker pagekopje, warme stem. Minasjan is de eerste vrouwelijke rector van de staatsuniversiteit. Getallen heeft ze altijd als een uitdaging gezien, niet als mannending. Ze heeft statistiek gestudeerd, was hoofd van de belastingdienst. Ze zegt: ‘Ons land biedt vrouwen enorme kansen.’ Ze leidt ons door lange gangen, doet deuren open. ‘Kijk maar, de collegezalen zitten vol met meisjes.’ Ze zoekt naar de cijfers, controleert de statistieken met een rekenmachine. ‘Van alle arbeidsgeschikte vrouwen werkt bijna 90 procent. In de afgelopen tien jaar is het aantal vrouwen in leidinggevende posities bij ons met 300 procent toegenomen. In de publieke sector is het ongeveer 60 procent. Wat vindt u daarvan?’
Zijn vrouwen betere leidinggevenden, gaan ze anders om met macht? Ze antwoordt dat ze daar vaak over heeft lopen denken. ‘Vrouwen zijn flexibeler en betrouwbaarder. Maar vooral: ze zijn beter opgeleid.’ Omdat meisjes niet in dienst hoefden hebben ze zich op hun studie geconcentreerd, waardoor ze zijn gekwalificeerd voor betere banen. ‘En ze zijn slim genoeg,’ zegt ook Minasjan, ‘om dat hun man niet de hele tijd in te wrijven.’
Vrouwen zijn flexibeler en betrouwbaarder. Maar vooral: ze zijn beter opgeleid’
Zijn vrouwen pacifistischer dan mannen? Welnee, antwoordt de rectrix, alsof dat een schande zou zijn. Ze vertelt dat de minister van Defensie onlangs de universiteit bezocht. De studentes vroegen hem waarom er geen dienstplicht voor vrouwen bestond. Tot grote ergernis van de studentes had de minister gezegd dat vrouwen in de keuken hoorden. ‘Persoonlijk vind ik,’ aldus de rectrix, ‘dat ze als ze dat willen in het leger moeten kunnen gaan.’ Bijna alle vrouwen in Nagorno-Karabach zeggen dat ze in een noodsituatie hun land ook gewapenderhand zullen verdedigen.
Hoezeer de langdurige oorlog ook kansen biedt voor vrouwen, aan de andere kant is het een catastrofe die hele families uiteenrijt. Dat blijkt als je buiten de hoofdstad komt. Hoe verder je naar het noorden komt, des te vaker zie je de met planken versterkte, mansdiepe loopgraven, of ze zijn dichtgegooid en een paar meter verder weer opnieuw uitgegraven. Het is een gevecht om iedere meter die je de vijand hebt afgedwongen, het lijkt op het vooruit en achteruit in een schaakspel dat geen winnaar kent.
In Talysch, een grensplaats onder aan een groene heuvelrij, staan de vijandelijke troepen tegenover elkaar, jonge mannen met vage baardjes en met hun bloedgroep op de borst van hun uniform geborduurd. Talysch ligt in puin, alle huizen zijn kapot, bomkraters in de tuinen. Bijna iedere nacht, vertellen ze, dondert aan de overkant de artillerie. Het is een mannendorp, ze sjouwen puin weg, bouwen de oude feestzaal weer op en drinken wodka uit limonadeflesjes. Hun vrouwen wonen een uur verderop in witte containers met gietijzeren allesbranders en sturen hun kinderen naar een provisorisch gebouwde school waar ze vijf uur per week les krijgen in wapenkunde.
Maar er zijn ook plaatsen waar, als een kasplantje, de hoop groeit, waar mensen wonen die niet zo verstrikt zitten in het eeuwige conflict tussen christenen en moslims in de Kaukasus. Mensen zoals Nana, 27, donkere krullen, pientere blik, nieuwsgierig naar alles wat nieuw is. Nana heeft politicologie gestudeerd en het is haar baan om de onderwijsinstellingen in Nagorno-Karabach te moderniseren, buitenlandse docenten aan te trekken en uitwisselingsprogramma’s te organiseren. Ze heeft in Armenië gestudeerd, had daar een carrière voor zich, maar is teruggekomen ‘omdat ze haar hier dringender nodig hadden’.
Als Nana het spreekwoord hoort dat iedereen hier kent: ‘Vrouwen zijn de ruggengraat, daarboven zit het hoofd, dat is mannelijk’, wordt ze woedend. Zeker, op feestdagen loopt ook Nana met de vlag van Nagorno-Karabach door de straten en staat ze in de houding als met onderscheidingen overladen veteranen rode anjers op oorlogsgraven leggen. Maar ze weet dat haar vaderland geen toekomst heeft als het in het verleden blijft steken. Ze loopt met ons door de hoofdstraat van Stepanakert, waar inderdaad soldaten flaneren met een meisje aan hun arm. ‘Hier ergens,’ zegt ze terwijl ze op de gevels wijst, ‘wil ik binnenkort werken. In het kantoor van de Verenigde Naties, dat er nog niet is, als politiek adviseur, als bemiddelaar tussen de verschillende werelden.’
Nana is ervan overtuigd dat ze ooit een vrij leven zal leiden, onafhankelijk van oorlogen en mannen. Kinderen? Natuurlijk wil ze kinderen. Bijna alle vrouwen hebben kinderen, en als ze die niet hebben zien ze dat als een groot ongeluk. Ze hebben kinderen omdat het land nieuwe generaties nodig heeft, om te kunnen voortbestaan en voor komende oorlogen. Maar vooral omdat ze dol zijn op kinderen.
Met Nana groeit een nieuwe generatie op, die een hele stap verder is dan vrouwen als de minister van Onderwijs en de onderminister van Buitenlandse Zaken. Hun idee van een vreedzaam Nagorno-Karabach gaat veel verder dan een oplossing voor het conflict met Azerbeidzjan. Deze vrouwen hebben de oorlog van de jaren negentig niet meegemaakt, de vierdaagse oorlog van april 2016 was voor hen slechts een korte, nare droom. Ze denken minder in termen van daders en slachtoffers en maken nauwelijks onderscheid tussen mannen en vrouwen.
Net als de jongeren in Bardak, een garage in Stepanakert, tegenwoordig een club, waar ’s avonds in het halfduister de jonge inwoners van Nagorno-Karabach flirten, roken, wodka drinken, dansen op Another Brick in the Wall van Pink Floyd en er niet aan denken een leven te gaan leiden als soldaat, om te lijden en te sterven uit haat. Maar zover is het nog lang niet, dit land is een gebarricadeerd eiland, met Armenië verbonden door een corridor waar tweemaal daags busjes met mensen en goederen doorheen hobbelen.
Niet ver hiervandaan staan zes vrouwen op een met sneeuw bedekte helling. Niemand heeft het over politiek. Het vrouwenteam spoort de vijand op en maakt hem onschadelijk. Deze vijand heeft zich niet in loopgraven verschanst, maar ligt al op de grond, een paar centimeter diep in de bevroren aarde. Deze vrouwen maken mijnen onschadelijk. In opdracht van de Amerikaanse hulporganisatie Halo ruimen ze het vuilnis op dat de oorlog heeft achtergelaten. Het is mannenwerk, en ze doen het heel goed.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.