De blijvende les van Weimar is: extremisme triomfeert nooit op eigen kracht, de democratie wordt uitgehold doordat anderen het mogelijk maken – vanuit ambitie, angst of concessies en lijfbehoud.
Op 23 maart 1933, in een sche- merige kamer die blauw stond van de sigarenrook, probeerde Ludwig Kaas zichzelf ervan te overtuigen dat hij de juiste beslissing nam. De katholieke priester en leider van de Duitse Centrumpartij stond op een kruispunt. Al enkele jaren probeerde zijn partij de opkomst van Adolf Hitler tegen te gaan, maar in 1932 waren Hitlers nationaalsocialisten (NSDAP; de nazi’s) uitgegroeid tot de grootste partij in het parlement, en in januari 1933 werd Hitler zelf kanselier. De Centrumpartij was het laatste obstakel op Hitlers weg naar totale macht in Duitsland.
Hij had de Machtigingswet geïntroduceerd, die hem en zijn kabinet verstrekkende bevoegdheden zou geven om per decreet te regeren en daarmee de democratie tot in haar wezen af te breken. De wet had een tweederde-meerderheid nodig om te slagen. De sociaaldemocraten, de enige andere belangrijke groep parlementariërs die de democratie nog steeds fundamenteel steunden, waren te klein om de maatregel in hun eentje te stoppen. Alleen als de Centrumpartij zich ook verzette, kon deze worden voorkomen. Maar Kaas aarzelde. Hij vreesde wat er zou gebeuren als zijn partij de nazi’s zou trotseren. Zou ze het overleven? Kon de democratie standhouden als zijn partij zich verzette? Hitlers knokploegen waren al begonnen politieke tegenstanders te arresteren. Kaas overtuigde zichzelf ervan dat samenwerken de beste optie was: binnen de nieuwe realiteit werken in plaats van zich erdoor laten verpletteren. ‘We moeten onszelf trouw blijven,’ zei hij tegen zijn collega’s, ‘maar een verwerping van de Machtigingswet zal resulteren in onaangename gevolgen voor onze partij.’ De wet werd aangenomen met 444 tegen 94 stemmen, waarmee de weg naar Hit- lers dictatuur was geëffend.
Dit voorval illustreert de gevaarlijke logi- ca van overgave: de overtuiging dat, wanneer de democratie wordt bedreigd, toegeven de beste strategie is, dat je met een autocraat moet samenwerken om te overleven en dat het vermijden van onmiddellijke consequenties voor de eigen partij belangrijker is dan dan het afwenden van langdurige autoritaire heerschappij. Kaas was niet de enige die zo dacht. In de jaren die aan dit moment voorafgingen, effenden drie rampzalige misrekeningen, elk geworteld in kortetermijndenken en zelfrechtvaardiging, het pad voor Hitlers opkomst.
Vandaag de dag zou dit hoofdstuk uit de geschiedenis van de Weimarrepubliek opnieuw moeten worden bekeken. Nu de democratie aan kracht verliest op uiteenlopende plekken als Hongarije, India, Turkije en de Verenigde Staten, herinneren deze gebeurtenissen ons eraan dat de afbrokkeling vaak geleidelijk gaat, door de stapsgewijze overgave van degenen die haar zouden moeten verdedigen. Met elke concessie worden autocraten brutaler, verdedigingen zwakker en wordt terugdraaien moeilijker. Reacties die in een vroeg stadium nog pragmatisch kunnen lijken – afwachten, zwijgen, een compromis sluiten – werken in het voordeel van de autocraten en leiden uiteindelijk tot de algehele ondergang van de democratie.
Fatale misrekeningen
De noodlottige beslissingen waaraan de Weimarrepubliek ten onder ging, werden genomen na de Eerste Wereldoorlog, kort na het ontstaan van een nieuwe democratie in Duitsland. In de Grondwet van Weimar, opgesteld in 1919 onder invloed van vooraanstaande personen als de rechtsgeleerde Hugo Preuss en socioloog Max Weber, werden burgerlijke vrijheden verankerd, de rechten voor vrouwen uitgebreid en arbeidswetten geïntroduceerd. Dankzij de steun van een al stevig maatschappelijk middenveld kon een brede, zelfverzekerde coalitie van progressieven, liberalen, sociaaldemocraten en de katholieke Centrumpartij na de Eerste Wereldoorlog de Duitse republiek oprichten. Maar die republiek was nog kwetsbaar. Ze werd geteisterd door wijdverspreid politiek geweld, veelvuldige politieke moorden en straatgevechten tussen communisten en fascisten, die beide het nieuwe regime afwezen. Pas na drie turbulente jaren van hyperinflatie en onrust brak in 1924 in de Weimarrepubliek een periode aan van betrekkelijke stabiliteit.
Maar vanaf 1929 kwam daar weer verandering in, toen de Amerikaanse beurscrash een catastrofale economische neergang en massale werkloosheid veroorzaakte. De communistische partij en de nazi’s wonnen terrein bij de verkiezingen, waardoor het vormen van coalities moeilijk werd en de president zijn toevlucht moest nemen tot het benoemen van kanseliers zonder parlementaire steun – een buitengewone maatregel. De daaruit voortvloeiende politieke impasse vergrootte de aantrekkingskracht van de nazi’s.
Maar de ondergang van de Weimarrepubliek was niet alleen aan de Grote Depressie te wijden. Veel andere geteisterde staten in Europa en Noord-Amerika wisten deze periode van economische en politieke onrust te doorstaan, waaronder jonge democratieën als Tsjechoslowakije en Finland. Het ging niet zozeer om de tegenslagen zelf, het waren de reacties van de Duitse leiders daarop die het lot van de republiek bepaalden.
hij bedacht een plan – niet om Hitler te stoppen, maar om hem te gebruiken
De conservatieve bovenklasse beging de eerste fout. Eind jaren twintig had de grote rechtse partij, de Duitse Nationale Volkspartij, het zwaar. Haar leider, Alfred Hugenberg, was een machtige zakenman en mediamagnaat, maar het ontbrak hem aan charisma en aantrekkingskracht. Toen Hugenberg zag hoe Hitlers nazibeweging bij de deelstaat- en landelijke verkiezingen eind jaren twintig aan populariteit won, bedacht hij een plan – niet om Hitler te stoppen, maar om hem te gebruiken.
Hugenberg betrok de nazi’s bij een campagne om de Duitse herstelbetalingen voor de Eerste Wereldoorlog af te schaffen. Hij hoopte dat hun gedrevenheid de conservatieve zaak nieuw leven zou inblazen. Het referendum van 1929 waarmee steun moest worden verkregen van de Duitse bevolking voor het opheffen van de terugbetalingsverplichting – en waarbij politici die met betaling instemden als verraders werden bestempeld – pakte niet goed uit, maar de samenwerking veranderde alles. Het verhief de nazi’s van een groep marginale extremisten tot een politieke kracht die door een van de invloedrijkste politieke figuren van Duitsland was erkend.
En daar hielden Hugenbergs misrekeningen niet op. In 1931 organiseerde hij een grote rechtse manifestatie in kuuroord Bad Harzburg, waar Hitler werd uitgenodigd om zich aan de zijde van de nationalistische elite van Duitsland te scharen. Het idee was om een verenigd conservatief front te presenteren; in plaats daarvan stal Hitler de show. Terwijl zijn paramilitaire troepen door de straten marcheerden als vertoon van discipline en macht, verdween Hugenberg naar de achtergrond. In 1933 realiseerde laatstgenoemde zich de volledige omvang van zijn fout. Hij zou tegen een conservatieve collega hebben gezegd: ‘Ik heb de grootste dwaasheid van mijn leven begaan; ik heb me verbonden aan de grootste demagoog uit de menselijke geschiedenis.’ Maar tegen die tijd was het al veel te laat. Op een cruciaal moment had Hugenberg Hitler gegeven wat hij het hardst nodig had: aanzien.
Afwendbare ondergang
De volgende misrekening van het Duitse politieke establishment was nog ernstiger: Hitler rechtstreeks aan de macht brengen. In 1932 was het Duitse parlement nog steeds verlamd. Het lukte niet een regerende meerderheid te vormen. Conservatieven waren wanhopig op zoek naar een stabiele regering die de sociaaldemocraten en communisten uitsloot, maar ze hadden te weinig stemmen om zonder hen te kunnen regeren. President Paul von Hindenburg, een wat oudere oorlogsheld, bleef maar kanseliers vervangen omdat hij niemand kon vinden die de steun van een meerderheid van de parlementariërs genoot of de steeds dieper wordende economische crisis in Duitsland kon indammen. De toenmalige voormalige bondskanselier Franz von Papen deed een gewaagde suggestie: bied Hitler het kanselierschap aan, maar omring hem met conservatieve ministers om hem te controleren. Von Papen had er vertrouwen in dat Hitler in het gareel kon worden gehouden. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij tegen zijn rechtse collega’s. ‘Binnen twee maanden hebben we Hitler zo ver in het nauw gedreven dat hij gaat piepen.’ In januari 1933 keurde Hindenburg het plan goed, in de overtuiging dat Hitler slechts een boegbeeld zou blijven.
Het tegenovergestelde gebeurde. Hitler begon onmiddellijk zijn macht te consolideren, zette zijn bescherm- heren buitenspel en schakelde de oppositie uit door leidende figuren te arresteren, onder wie de voormalige Pruisische minister van Binnenlandse Zaken en andere sociaaldemocratische en communistische parlementsleden. De nazipartij was geen keuze van de meerderheid: bij de verkiezingen van 1932 kregen ze maar ongeveer een derde van de stemmen, en Hitlers gewelddadige pogingen om zijn macht uit te breiden veroorzaakten een nieuwe golf van angst in het land. Het idee dat antidemocraten onder controle gehouden konden worden als ze eenmaal macht hadden, pakte desastreus uit.
De Rijksdagbrand van februari 1933, die zo veel schade aan het parlementsgebouw veroorzaakte dat de volksvertegenwoordiging tijdelijk moest uitwijken naar het Kroll-operagebouw enkele straten verderop, bood het perfecte voorwendsel voor repressie. Hitlers nieuwe regering gaf de communisten de schuld van de brand en beweerde ook bewijs te hebben dat ze explosieven opsloegen. De naziregering verrichtte massaal arrestaties, waarna Hitler de Rijksdagbrandverordening afkondigde: een draconische wet die de persvrijheid en het recht op vergadering inperkte en de politie machtigde verdachten voor onbepaalde tijd en zonder proces vast te houden.
Tijd kopen voor krachtig verzet? Ze hadden het allemaal mis
Dit door de noodverordeningen veroorzaakte klimaat bood Hitler de mogelijkheid om de Machtigingswet in te dienen. Kaas en zijn collega-leiders van de Centrumpartij debatteerden er urenlang over, verscheurd tussen principe en zelfbehoud. Sommigen riepen op tot verzet en waarschuwden dat Hitlers macht in bedwang gehouden moest worden. Maar de meesten vreesden de gevolgen van verzet. Weer anderen hielden vast aan de hoop dat ze Hitler van binnenuit konden beïnvloeden, bijvoorbeeld door hun sociaaldemocratische rivalen te verzwakken of door garanties voor de Centrumpartij en katholieke leiders zeker te stellen. Bij de uiteindelijke stemming gaven alle 73 parlementsleden van de Centrumpartij zich gewonnen en rechtvaardigden ze hun overgave als een noodzakelijk kwaad om de partij te redden. Zoals Kaas zelf tegen zijn collega’s zei: ‘Als er geen tweederdemeerderheid wordt bereikt, zal de regering haar plannen wel op andere manieren doorvoeren.’
Maar de gekozen strategie werkte ave- rechts. Net als alle andere oppositiepartijen in Duitsland werd de Centrumpartij binnen enkele maanden ontbonden. Haar steun voor de nieuwe wet remde Hitler niet af, maar gaf hem volledige macht. Dit was de laatste, fatale misrekening: het idee dat de democratie kon overleven terwijl haar beschermingsmechanismen werden wegonderhandeld.
Gevaarlijke gok
Geen enkele democratische grondwet handhaaft zichzelf, ook niet als deze veel ouder is dan de Weimarrepubliek begin jaren dertig. Burgers en leiders moeten voor democratische instituties opkomen zodra ze worden bedreigd – hoe groot of klein die dreiging ook is.
De instorting van de Weimarrepubliek was niet onvermijdelijk. De NSDAP verwierf nooit de steun van een meerderheid van het Duitse electoraat. Voor de gevestigde politieke leiders waren er vele kansen om terug te slaan. Maar Hugenberg dacht dat hij Hitler kon inzetten om zijn conservatieve beweging nieuw leven in te blazen. Von Papen dacht dat hij Hitler in het gareel kon houden nadat hij hem kanselier had gemaakt. Kaas dacht dat toegeven aan Hitlers wensen zijn partij zou beschermen en hij op die manier tijd kon kopen voor een krachtiger verzet. Ze hadden het allemaal mis. Een democratie gaat zelden van de ene op de andere dag ten onder. Ze wordt geleidelijk uitgehold door overgave: rationalisaties en compromissen van machthebbers die zichzelf wijsmaken dat een klein beetje toegeven veiligheid biedt, of dat meebewegen met een ontwrichter praktischer is dan hem te weerstaan. Dit is de blijvende les van Weimar: extremisme triomfeert nooit op eigen kracht. Het slaagt doordat anderen het mogelijk maken – vanuit ambitie, angst of een verkeerde inschatting van de gevaren van een kleine concessie. Uiteindelijk verliezen degenen die een autocraat macht geven niet alleen hun democratie, maar ook juist de invloed die ze dachten veilig te stellen.
De schijnbare tegenstelling tussen goed en kwaad in de Tweede Wereldoorlog is het perfecte speelterrein voor de Duits-Amerikaanse schrijver Anna Winger, de vrouw achter de serie Transatlantic. Via haar vader kwam ze op het spoor van het verhaal van de Amerikaanse Varian Fry, die in Zuid-Frankrijk veel Joodse migranten, onder wie kunstenaars en intellectuelen, heeft gered.
Marseille, 1940. In een elegante, enigszins vervallen villa aan de rand van de stad geeft de Duitse kunstenaar Max Ernst een chic verjaardagsfeestje. Zelf draagt hij een hoofdtooi van paarse veren, zijn gasten dragen papieren hoedjes, maskers en absurde brillen. Eén vrouw ziet eruit alsof ze zo uit een surrealistisch schilderij van Ernst is gestapt, met haar tooi die lijkt op een hand. Er wordt getafeld, gepraat en gedanst alsof er geen zorgen zijn. Je zou bijna vergeten dat de feestgangers op de vlucht zijn voor het fascisme, dat ze hun vaderland kwijt zijn en in levensgevaar verkeren. Dat ze in Zuid-Frankrijk wachten om te kunnen vertrekken naar Amerika, waar ze eindelijk veilig zullen zijn.
De Netflix-serie Transatlantic speelt zich af aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, toen allerminst was te voorzien dat het Duitsland van Hitler die oorlog zou verliezen. Integendeel, alles wees erop dat de Duitse opmars amper te stuiten zou zijn. De VS waren nog neutraal en deden niet mee aan de oorlog. Ondertussen veroverde de Wehrmacht de buurlanden: eerst Polen, daarna Noorwegen, Denemarken, België en Nederland. Frankrijk capituleerde in juni 1940 en werd opgedeeld: in het noorden en westen regeerde de Duitse bezetter, in het zuiden het door de nazi’s geïnstalleerde Vichy-regime. In Italië, Spanje, Portugal en Griekenland heersten fascistische dictaturen.
Gouden gloed
Transatlantic speelt zich dus af in een van de donkerste periodes uit de Europese geschiedenis, en toch wordt er gelachen en gedronken. Niet alleen op die feestavond, maar ook op andere momenten dragen mensen elegante jurken en pakken. Ze filosoferen en wandelen door de overwoekerde tuin van de villa, zwemmen naakt in het zwembad en drinken rode wijn. Boven dit alles schijnt de Zuid-Franse zon met zijn weergaloze licht, dat zelfs de grootste menselijke verdorvenheid nog in een gouden gloed zet. Die schijnbare tegenstelling is het perfecte speelterrein voor de Duits-Amerikaanse schrijver en serieproducent Anna Winger, die achter dit project schuilgaat. Winger weet het een en ander over personages op de vlucht – in haar bekroonde series wordt de wereld van de hoofdpersonen altijd op z’n kop gezet.
Het verhaal van Transatlantic begint in Berlijn, de stad waar Winger al vele jaren woont. ‘Jaren geleden liep ik met mijn vader door Berlijn, en toen wees hij me op de Varian-Fry-Strasse, een zijstraatje vlak bij de Potsdamer Platz,’ vertelt ze. ‘De naam zei me niets, maar mijn vader vertelde hoe Fry in Zuid-Frankrijk veel migranten, onder wie kunstenaars en intellectuelen, had geholpen om Europa te ontvluchten.’ Wingers vader, hoogleraar antropologie aan Harvard, had jaren eerder twee van deze vluchtelingen ontmoet: sociaal wetenschapper Albert Hirschman en verzetsstrijdster Lisa Fittko. Zij hadden hem verteld over hun wilde ontsnapping. ‘Zou dat geen materiaal zijn voor een televisieserie?’ vroeg Winger senior zijn dochter.
Enige tijd later moest Winger terugdenken aan dat gesprek. Ze begon onderzoek te doen en stuitte op het verhaal van een grootschalige hulpactie die bijna vergeten was, ook al waren er veel bekende namen aan verbonden.
Nog voor de oorlog begon, in de jaren dertig, verlieten honderdduizenden mensen Duitsland. Velen van hen vluchtten naar Parijs. Toen Duitsland in de zomer van 1940 Frankrijk bezette, werd die ballingschap een val: volgens de wapenstilstandsovereenkomst waren de Fransen verplicht iedereen uit te leveren die op de opsporingslijst van de Gestapo stond. In het zuiden van Frankrijk, waar het Vichy-regime nog enkele ontsnappingsmogelijkheden bood, verzamelden zich wanhopige vluchtelingen, op zoek naar een uitweg. Het werd vooral druk in Marseille, waar een mogelijke doortocht per schip naar de VS lonkte. Maar er mochten maar weinig mensen aan boord, want ondanks de dramatische situatie bleven de VS uiterst restrictief met het afgeven van visa.
Joodse emigranten
Het Emergency Rescue Committee, opgericht in New York door Amerikanen en Joodse emigranten, wist uiteindelijk met behulp van Eleanor Roosevelt, de vrouw van de president, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zover te krijgen om ten minste tweehonderd mensen uit Frankrijk toe te laten tot de VS. Varian Fry, die als redacteur werkte voor een non-profitorganisatie, moest het plan in goede banen leiden. Eenmaal in Marseille realiseerde Fry zich dat er nog veel meer mensen in nood verkeerden en dat het Amerikaanse consulaat niet mee zou helpen om hen te redden.
Ondanks de dramatische situatie bleven de VS uiterst restrictief met het afgeven van visa
Samen met andere Amerikanen en vluchtelingen in Frankrijk begon hij in het geheim mensen het land uit te smokkelen. Soms over land via de Pyreneeën naar Spanje en vandaar naar Portugal, soms vermomd als soldaten op een Frans legervaartuig. Een voormalige cartoonist werd ingehuurd om documenten te vervalsen en een medewerker van het Amerikaanse consulaat gaf stiekem visa af.
Fry en zijn medewerkers wisten op deze manier uiteindelijk meer dan tweeduizend mensen te helpen ontsnappen, onder wie veel prominente kunstenaars en intellectuelen zoals Hannah Arendt, Max Ernst en Marc Chagall. Uiteindelijk werd Fry in december 1940 door de Franse politie gearresteerd. Na zijn vrijlating zette hij zijn werk voort, totdat hij in 1941 opnieuw werd opgepakt en het land uit werd gezet.
Hoe kijkt Anna Winger, als Amerikaanse die in Duitsland woont en werkt, naar dit verhaal? ‘Het verhaal van Varian Fry herinnert ons eraan hoe moeilijk de VS het vonden om zich in de oorlog te mengen, vanwege de nazidreiging,’ zegt ze. Dit is waarschijnlijk de reden, denkt Winger, waarom Fry tijdens zijn leven niet werd geëerd voor zijn prestaties. ‘Ik denk dat men, toen de oorlog was afgelopen, vooruit wilde kijken en zich niet bezig wilde houden met de terughoudendheid van de VS.’ Varian Fry stierf in 1967 op 59-jarige leeftijd, vrijwel vergeten door het publiek. Pas in 1994 kende Yad Vashem hem de eretitel ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ toe.
Varian Fry wist meer dan tweeduizend mensen te helpen ontsnappen
Fry werd in het verleden al wel eens herdacht met een documentaire en een tentoonstelling, maar door Transatlantic wordt hij nu ook bekend bij een breder publiek. De zeven afleveringen van de serie volgen niet de conventionele dramaturgie waarmee historisch materiaal vaak in een vertelling wordt geperst, met doorgaans de opdracht om de geschiedenis als een beknopt, afgesloten hoofdstuk te presenteren. Winger kiest voor een speelsere benadering. Zo kan ook een schurk als de Amerikaanse consul-generaal Graham Patterson schitteren in zijn rol als geldwolf die probeert munt te slaan uit de verwarrende omstandigheden. Ze gunt de jonge Albert Hirschman een liefdesrelatie met de Amerikaanse miljonairsdochter Mary Jayne Gold, laat Lisa Fittko verliefd worden op een zwarte hotelconciërge en speelt met diverse aspecten uit het spionage- en gevangenisgenre.
Sluier van melancholie
Winger vertelt dat films uit de vroege jaren veertig haar schrijfproces hebben beïnvloed. Zoals Casablanca, de klassieker uit 1942 waarin Humphrey Bogart een nachtclubeigenaar speelt die niet betrokken wil worden bij de strijd tegen de nazi’s en daarmee symbool staat voor de houding van de VS aan het begin van de oorlog. Veel personages in die film werden gespeeld door echte Duitse en Oostenrijkse emigranten. ‘Een opmerkelijke mix van genres,’ zegt Winger. ‘En daardoor spannend, grappig, tragisch en romantisch tegelijk. Ik vind het ontroerend dat dit soort films gemaakt kon worden terwijl de wereld aan het instorten was.’
In haar eigen serie vermijdt Winger gelukkig het didactische aspect dat inherent kan zijn aan historisch materiaal. Tegenover de duisternis van de tijd stelt ze de viering van het leven en de creativiteit, zonder de dramatische situatie te bagatelliseren. Over alles ligt een sluier van melancholie, omdat iedereen weet dat thuis – in geografische en geestelijke zin – voorgoed verloren is. ‘Ik mis zelfs het Duitse weer,’ laat ze filosoof Hannah Arendt op een bepaald moment zeggen.
Ondanks alle somberheid heeft Winger aan het verhaal van het Emergency Rescue Committee ook een positieve draai gegeven. Ze laat zich voor haar series graag inspireren door de blinde vlekken van de geschiedenis, zegt ze, door liefdesaffaires en gesprekken die voor het nageslacht onbekend zijn gebleven. In Transatlantic heeft Varian Fry – net als in de roman The Flight Portfolio (2019) van de Amerikaanse auteur Julie Orringer, die Winger gebruikte als basis voor haar serie – een affaire met een andere man. Toen het boek werd gepubliceerd zorgde dat voor een kleine controverse, omdat sommige historici betwijfelden of Fry, die twee keer getrouwd was en drie kinderen had, werkelijk homo was. Een van Fry’s zonen stuurde daarop een brief aan The New York Times waarin hij schreef dat zijn vader homoseksueel was, en dat de noodzaak om daarover te zwijgen diens leven had verwoest.
In Transatlantic staan de liefde tussen hetzelfde geslacht en de liefde in het algemeen symbool voor de innerlijke vrijheid van de personages, ondanks – of juist dankzij – de moeilijke levensomstandigheden. In die zin kun je de serie zien als een historische utopie, niet in de laatste plaats tegen de achtergrond van de nieuwe vluchtelingengolf als gevolg van de oorlog in Oekraïne. In de woorden van Anna Winger: ‘Ik wilde een verhaal vertellen dat van de duisternis naar het licht voert.’
De nazi’s hadden haar vader vermoord. Vervolgens werd ze verliefd op een van hen. En nu moeten haar steenrijke nakomelingen, die in het bezit zijn van Douwe Egberts, Krispy Kreme en andere merken, in het reine zien te komen met het onuitsprekelijke geheim dat aan het licht is gekomen.
Keuze uit het archief
Na ruim 75 jaar spreekt de Tweede Wereldoorlog onverminderd tot de verbeelding, en nieuwe verhalen blijven komen. Daarbij is steeds meer oog voor de niet zwart-witte kanten van de oorlog. Zo bleek de verrader van Anne Frank (het verhaal werd later ingetrokken) ‘gewoon’ iemand te zijn die zijn eigen dochters moest beschermen – vanuit de Joodse gemeenschap klonk teleurstelling omdat zo’n handeling weinig te maken had met goed en kwaad.
Dat ook de liefde blind is voor dergelijke grote begrippen, blijkt maar weer eens uit dit ongelooflijke en ontroerende verhaal over de half-Joodse vrouw die voor een nazi viel.
Emilie Landecker was negentien toen ze ging werken voor Benckiser, een Duits bedrijf dat industriële reinigingsmiddelen produceerde en dat er prat op ging het personeelsbestand te hebben gezuiverd van niet-Arische elementen.
We schrijven 1941. Emilie Landecker was half-Joods en als de dood om te worden gedeporteerd. Albert Reimann junior was een vroege aanhanger van Hitler en omschreef zichzelf als een ‘overtuigd aanhanger’ van de rassentheorie van de nazi’s.
Op de een of andere manier, haast onverklaarbaar, werden ze verliefd.
Het verhaal van de liefde tussen Emilie Landecker, wier Joodse vader was vermoord door de nazi’s, en Albert Reimann, wiens fanatieke nazistische denkbeelden en zijn inzet van dwangarbeiders de familie er niet van weerhield om na de oorlog een ongekend vermogen te vergaren, is een vertelling van dood en toewijding, van menselijke tegenstrijdigheden. Het is ook een verhaal van bedrijfsmatige boetedoening in onze moderne maatschappij.
Een gruwelijke geschiedenis
Tientallen jaren na de Tweede Wereldoorlog groeide Benckiser uit tot een van grootste consumentengoederenconglomeraten ter wereld. Het bedrijf, dat tegenwoordig bekendstaat als de JAB Holding Company en dat nog altijd wordt geleid door de familie Reimann, is meer dan twintig miljard dollar waard en omvat onder meer Krispy Kreme Doughnuts, Peet’s Coffee, Einstein Brothers Bagels, Stumptown Coffee Roasters, Pret A Manger, Keurig en andere ontbijtmerken.
De relatie van Reimann en Landecker is vele jaren geheim gebleven. Hij was getrouwd maar had geen kinderen met zijn vrouw. Reiman en Landecker hadden samen drie kinderen, die hij in de jaren zestig adopteerde; momenteel hebben twee van die kinderen samen ongeveer vijfveertig procent van de JAB-aandelen in handen. Ze zeggen tientallen jaren niets te hebben geweten van hun vaders nazistische denkbeelden, noch van de misstanden in het bedrijf dat ze hebben geërfd: de vrouwelijke dwangarbeiders die naakt buiten voor hun barakken moesten staan. Een krijgsgevangen die uit een schuilkelder was gestuurd en om het leven kwam.
In het tijdperk van Trump, Brexit en Matteo Salvini kunnen bedrijven niet langer voorwenden in een “waardenvrije ruimte” te opereren
Reimann en Landecker, die respectievelijk in 1984 en 2017 zijn overleden, spraken nooit over die tijd. Belastende documenten werden vernietigd of weggestopt in een kluis. In een tweedelig boekwerk over de geschiedenis van het bedrijf wordt de naziperiode in een paar pagina’s afgedaan. Maar naarmate Benckiser aan de weg timmerde en uiteindelijk uitgroeide tot het wereldwijde JAB, werd het steeds ondoenlijker het verleden te negeren. Peter Harf, die in 1981 bij het bedrijf kwam werken en sinds dit jaar aan het hoofd staat van de raad van bestuur, en wiens eigen vader een nazi was, zegt er nooit echt in te hebben geloofd dat het bedrijf niets te verbergen zou hebben. ‘Ik kende de verhalen die werden verteld,’ zei hij. ‘Daar zat een luchtje aan.’
Rond 2012, toen JAB wereldwijd de aandacht trok met de overname van enkele belangrijke koffiemerken, drong Harf erop aan dat de familie een onafhankelijke partij zou inschakelen om de familiearchieven uit te pluizen. In 2016 nam Paul Erker, een geschiedkundig econoom verbonden aan de universiteit van München, die taak op zich.
Pas nu, vierenzeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, proberen zowel de familie als het bedrijf in het reine te komen met de duistere en ingewikkelde geschiedenis. In maart lekten de eerste bevindingen uit in een Duitse tabloid, over de manier waarop het bedrijf misbruik had gemaakt van dwangarbeiders. Nazi-activiteiten binnen bedrijven waren niet ongebruikelijk in de geschiedenis van het Duitse bedrijfsleven en de misdaden van de Reimanns waren minder erg dan die van veel grotere bedrijven, die banden hadden met de dodenkampen en direct betrokken ware bij de onteigening van Joodse ondernemingen. Maar doordat in JAB’s portfolio veel zonnige koffie- en donutmerken uit de Verenigde Staten zitten, haalden de onthullingen wereldwijd de voorpagina’s.
De medewerkers van JAB – wereldwijd zo’n honderdtachtigduizend mensen – hebben laten weten dat klanten hen voor de voeten werpen dat ze ‘voor de nazi’s werken’. Er is gedreigd met boycots; onlangs stond er nog een vlammend artikel in The Boston Globe, met als titel: ‘Ik ben tot de ontdekking gekomen dat mijn lievelingskoffie wordt gefinancierd met nazigeld. Kan ik het nog wel drinken?’
De verontwaardiging is opgelaaid zonder dat men precies weet wat de nazisympathieën van Reimann in de praktijk behelsden – en zonder dat men het hele verhaal kent, inclusief de hartverscheurende twist aan het einde: uiteindelijk was de familie Reimann zowel dader als slachtoffer. De erfgenamen dragen beide kanten met zich mee. In een reeks interviews met The New York Times hebben leden van de familie Reimann zich voor het eerst in het openbaar uitgelaten over het nazischandaal. Ze hebben het verhaal naar buiten gebracht van Alfred, de Joodse vader van Emilie Landecker, en verteld hoe de moord op Alfred de familie ertoe heeft gedwongen niet alleen het verleden onder ogen te zien, maar ook de toekomst.
“Reimann sr. en Reimann jr. waren niet zomaar opportunistische volgelingen van het regime,” zegt Harf. “Ze waren het naziproject met hart en ziel toegedaan”
De familie Reimann zegt er een deel van hun privévermogen voor te willen uittrekken om eer te bewijzen aan de nagedachtenis van Alfred Landecker. Ze willen een eenmalige schenking doen van tien miljoen euro aan instellingen die steun bieden aan voormalig dwangarbeiders en hun gezin. De Reimanns willen ook de Reimann Foundation vernoemen naar Alfred Landecker en het budget verhogen tot vijfentwintig miljoen euro, terwijl ze de leiding willen overdragen aan een onafhankelijk bestuurslichaam.
De stichting zal projecten financieren die ‘eer bewijzen aan de slachtoffers van de Holocaust en de naziterreur’. Ook zijn er plannen om tenminste één leerstoel in Duitsland op te richten in naam van de heer Landecker.
Op de nieuwe website van de Alfred Landecker Foundation staat te lezen dat de stichting als doelstelling heeft om onderricht te geven ‘over de Holocaust en de verschrikkelijke prijs die wordt betaald wanneer onverdraagzaamheid en fanatisme de overhand krijgen’. Even verderop staat: ‘Het uitgangspunt is ons kritisch vermogen aan te scherpen zodat we de wortels van een dergelijke haat leren herkennen en kunnen voorkomen dat dergelijke verschrikkelijke gebeurtenissen zich herhalen.’
In een interview merkt Harf op dat hij op drie plekken woont – New York, Londen en Milaan – waar nationalisme en etnische tegenstellingen om zich heen grijpen. Het grootste deel van zijn lange carrière, zegt hij, is hij van mening geweest dat het aandeelhouderskapitalisme waardenvrij zou zijn. Dat idee heeft hij inmiddels losgelaten. In het tijdperk van Trump, Brexit en Matteo Salvini, zegt hij, kunnen bedrijven niet langer voorwenden in een ‘waardenvrije ruimte’ te opereren.Ook nu weer leven we in een tijd waarin mensen stelling moeten nemen, aldus Harf. ‘Ik ben heel bang voor wat ons te wachten staat.’
In juli 1937 schreef Albert Reimann jr. een brief aan Heinrich Himmler, het hoofd van de SS, die later de leiding zou hebben over de Holocaust.
‘We zijn een zuiver Arisch bedrijf van meer dan honderd jaar oud,’ schreef Reimann, die destijds negenendertig jaar oud was, en senior executive in het bedrijf van zijn vader. ‘De eigenaars zijn overtuigd aanhanger van de rassentheorie.’De familie Reimann had zich lang voordat de nazi’s de macht grepen al achter het nationaalsocialisme en het antisemitisme geschaard, zo valt te lezen in een tussentijdse rapportage van Erker, de historicus. De jongere Reimann had Hitler in 1923 in München horen spreken en was een van zijn eerste aanhangers.
Zijn vader, Albert Reimann senior, die destijds aan het hoofd stond van Benckiser, hoorde Hitler vier jaar later spreken in Mannheim, niet ver van het Zuid-Duitse hoofdkwartier van het bedrijf. Reimann sr. sloot zich in 1931 aan bij de nazipartij. Een jaar later volgde zijn zoon zijn voorbeeld.
In 1943 bestond een derde van het personeelsbestand uit dwangarbeiders: 175 mensen, van wie de meesten afkomstig uit Frankrijk en Oost-Europa
Rond die tijd reorganiseerden de mannen het bedrijf, in overeenstemming met de nazi-richtlijnen.
Tegen de tijd dat Hitler aan de macht kwam, was er bij Benckiser al een nationaalsocialistische bedrijfsorganisatie opgericht – een soort ondernemingsraad die probeerde de nazi-ideologie door te voeren.
Later zou Benckiser ‘een nationaalsocialistisch modelbedrijf’ worden.‘Reimann sr. en Reimann jr. waren niet zomaar opportunistische volgelingen van het regime,’ zegt Harf. ‘Ze waren het naziproject met hart en ziel toegedaan.’Benckiser was destijds een gemiddeld groot chemisch bedrijf, waar onder meer citroenzuur werd vervaardigd, een chemisch middel om water te verzachten, maar ook supplementen voor babyvoeding en fosfaten die werden gebruikt voor de fabricage van worst. In 1933 had het bedrijf 181 mensen in dienst. Benckiser was een belangrijke leverancier voor de voedselindustrie en gedijde uitstekend onder het nazibewind: in tien jaar verdriedubbelde de winst. Albert sr. stond aan het hoofd van de regionale kamer van koophandel, die hielp bij de Arische zuivering binnen het bedrijfsleven en bij het verdrijven en onteigenen van Joodse bedrijven.
Benckiser heeft zelf niet geprofiteerd van de bedrijven die werden overgenomen van Joodse eigenaren, en ook heeft Benckiser geen gebruik gemaakt van arbeidskrachten uit de concentratiekampen, wat wel gebruikelijk was binnen veel grotere bedrijven, zoals Messerschmitt, een voorloper van Airbus, of IG Farben, dat later is opgesplitst in bedrijven als BASF en Bayer. Maar vanaf eind 1940 hebben de Reimanns wel structureel hun voordeel gedaan met dwangarbeid: mannen en vrouwen die uit hun huis waren gehaald in door nazi’s bezet gebied, of krijgsgevangenen die door de nazi’s werden tewerkgesteld op boerenbedrijven en fabrieken verspreid over heel Duitsland.
Ergens in deze periode begon Emilie Landecker op de boekhoudafdeling van het bedrijf. Er is maar weinig bekend over Landeckers tijd bij Benckiser tijdens die oorlogsjaren, behalve dat ze onder de jongere heer Reimann werkte. Volgens Harf nam het gebruik van dwangarbeid al snel zo’n omvang aan dat het niet anders kan of ze moet op de hoogte zijn geweest van deze wantoestand.
In 1943 bestond een derde van het personeelsbestand uit dwangarbeiders: 175 mensen, van wie de meesten afkomstig uit Frankrijk en Oost-Europa.
Benckiser had twee werkkampen. In een daarvan zwaaide Paul Werneburg de scepter, een wrede voorman die al sinds 1910 bij het bedrijf in dienst was. Tijdens zijn bewind werden vrouwelijke arbeidskrachten gedwongen om naakt voor hun barakken in het gelid te staan, en wie dat weigerde riskeerde nog meer seksueel misbruik. Arbeidskrachten werden geschopt en geslagen, zoals een Oekraïense vrouw die ook schoonmaakte in de privévilla van de Reimanns.
“Mijn lieve kind”, schreef hij in december 1938, een maand nadat tijdens de Kristalnacht in heel Duitsland synagogen en Joodse huizen waren geplunderd en in de as gelegd. “De tijden zijn veranderd en daarmee ook de mensen”
Tijdens een bombardement op 7 januari 1945 joeg Werneburg tientallen arbeiders de schuilkelder uit. Dertig mensen raakten gewond en een iemand vond de dood. De verhalen over de wreedheid van Werneburg deden de ronde en zelfs de plaatselijke nazi-officier die was belast met de toewijzing van dwangarbeiders sprak de Reimanns aan op de manier waarop hun arbeidskrachten werden behandeld.
Emilie Landecker zou hier allemaal getuige van zijn geweest, schrijft haar zoon, Wolfgang Reimann, in een mail. ‘Ze heeft zich staande gehouden in het gruweltheater binnen ons eigen bedrijf,’ zei hij.‘
Waarschijnlijk zat zij ook in die bunker toen Werneburg de arbeiders naar buiten joeg.’
De Reimanns bleven fervent aanhanger van de nazi-ideologie, blijkt uit het onderzoek van Erker. Zelfs eind februari 1945 geloofde de jonge Reimann nog in de ‘Endsieg’, Hitlers eindoverwinning. Datzelfde jaar in mei werd de oorlog beslecht; een maand later werd Reimann opgepakt en geïnterneerd door de geallieerden, als onderdeel van het de-nazificeringsproces. Albert jr., die in blok A van kamp 73 werd vastgehouden, met als gevangenennummer 2228, schreef op 22 september een brief aan de officier die de leiding had over het kamp, waarin hij de aantijging dat hij ‘al van begin af aan een fervent nazi was geweest’ van de hand wees als ‘niet meer dan verdachtmakingen’, en waarin hij stelde zelf slachtoffer te zijn geweest van de nazi’s.‘In deze omstandigheden tast ik in het duister omtrent de oorsprong van bovengenoemde aantijging,’ schreef hij. ‘Ik ben geneigd te geloven dat ik zelf scherp in de gaten werd gehouden door de Gestapo.’
Het werkte. Terwijl de Fransen Reimann jr. aanvankelijk hadden verboden zijn bedrijf voort te zetten, draaiden de Amerikanen die beslissing terug en registreerden hem niet als nazi, maar als meeloper van de nazi’s.In 1947 bedroeg het vermogen van de familie Reimann 686.000 Rijksmark, wat vandaag de dag zou neerkomen op zo’n 2,4 miljoen dollar. Het vermogen groeide mee met Benckiser en haar dochterondernemingen, en momenteel wordt het familievermogen geschat op zo’n 33 miljard euro. Op een lijst van de rijkste families in Duitsland, die onlangs is uitgebracht, staan de Reimanns op de tweede plaats.
Volgens Wolfgang Reimann heeft zijn vader de kinderen nooit veel over de oorlog verteld, behalve dat de dwangarbeiders zo aan het bedrijf waren gehecht dat ze moesten huilen toen de strijd was beslecht en ze weg moesten.‘
Hij beweerde dat de Franse arbeidskrachten op zaterdag meestal een glas rode wijn kregen,’ vertelt Wolfgang, ‘en dat mensen die waren overgeplaatst uit andere kampen zeiden dat Benckiser het beste kamp was waar ze ooit hadden gezeten of van hadden gehoord.’ ‘Nonsens,’ zegt hij en vloekt.
Laatste brief uit het getto
Emilie Landecker was bij Benckiser aan het werk toen de Gestapo haar vader kwam ophalen. Dat was op 24 april 1942. Rond het middaguur stonden er twee agenten op de stoep van het appartement waar het gezin woonde.
Haar jongere broer, Wilhelm, die dit moment later beschrijft in nooit gepubliceerde memoires, deed open. ‘Is de Jood Alfred Israel Landecker thuis?’ vroeg een van de agenten.
Wilhelm bracht de agenten naar hun vader, die al klaar zat. Hij had eerder die maand een brief gekregen met daarin de datum van zijn deportatie. Met de Duitse precisie was hem opgedragen één stel kleren in te pakken, wat ondergoed en een jas met een gele jodenster. Hij mocht geen geld of waardevolle spullen meenemen.
‘Zo, vuile Jood,’ zei de agent. ‘Ben je klaar voor de reis?’ Alfred Landecker deed zijn koffer dicht en trok zijn jas aan. Toen omhelsde hij voor de laatste keer zijn zoon en gaf hem een kus. ‘Willi, blijf binnen, zodat niemand mijn davidsster met jou in verband brengt,’ zei Landecker, waarna hij hem vroeg zijn liefde over te brengen aan zijn zussen. ‘Neem namens mij afscheid van Emmi en Gerdele. Gedraag je, en wees gehoorzaam aan God.’
Een paar weken later arriveerde er een laatste brief van Landecker, maar daarvan is alleen de envelop overgebleven. Uit de envelop blijkt dat hij in blok III 416/2 zat, in Izbica, een getto dat dienstdeed als doorgangsstation voor de deportatie van Joden naar de dodenkampen Belzec en Sobibor in het door de nazi’s bezette Polen.
Bijna elk Duits bedrijf dat al een tijdje meedraait, heeft wel een verhaal over het naziverleden
Landecker, een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog en een geslaagd accountant, was een liefdevolle vader geweest. Nadat zijn vrouw, een katholiek, in 1928 was overleden had hij in zijn eentje voor hun drie kinderen gezorgd.
Emilie, de oudste, was destijds zes geweest. In 1933 kregen de nazi’s de macht in handen. Twee jaar later werd met de Neurenberger-wetten de rassenleer van de nazi’s geïnstitutionaliseerd en werd de Joden hun burgerrechten ontnomen. Rond die tijd deed Alfred Landecker twee dingen die van een vooruitziende blik getuigden. Hij zorgde ervoor dat zijn kinderen in de katholieke kerk werden gedoopt, zoals ook zijn overleden echtgenote was gedoopt. En hij zette al zijn bezittingen, ook het appartement waar het gezin woonde, officieel op hun naam, zodat ze niet onteigend konden worden.
Maar Landecker kon zijn kinderen niet beschermen tegen een algehele vijandigheid die in hoog tempo escaleerde, van dreigend naar levensbedreigend – een verschuiving die hij vastlegde in een reeks brieven aan zijn jongste dochter, die problemen had met haar gezondheid en destijds bij de zus van zijn vrouw verbleef, op het Beierse platteland.‘
Mijn lieve kind,’ schreef hij in december 1938, een maand nadat tijdens de Kristalnacht in heel Duitsland synagogen en Joodse huizen waren geplunderd en in de as gelegd. ‘De tijden zijn veranderd en daarmee ook de mensen.’
‘We hebben vijf jaar gestreden en kijk in wat voor tijd we nu leven,’ schreef hij, doelend op de Eerste Wereldoorlog. ‘Ik hoop dat jullie, mijn dierbare kinderen, jullie goed zullen blijven gedragen en mij in jullie hart zullen meedragen, al zullen jullie het zwaar krijgen vanwege mij.’ Landecker was op zoek naar een manier om te ontsnappen uit Duitsland – misschien naar Amerika, waar hij een broer en een schoonzus had wonen. ‘Tante Pauline heeft ons geschreven vanuit Amerika,’ schreef hij dat jaar december. ‘Ze doet haar uiterste best voor ons, misschien komt het allemaal goed.’ Maar er was niet genoeg geld. Alfred Landecker mocht niet werken, wat betekende dat Emilie, destijds nog een puber, de kostwinner werd.
Toen Alfred Landecker in april 1942 bericht ontving dat hij gedeporteerd zou worden, deed het gezin nog een laatste wanhopige poging om dat te voorkomen. Ze namen de trein naar Berlijn, om naar het hoofdkantoor van Joodse zaken te gaan, waar de kinderen van Landecker hun katholieke papieren toonden. Ze werden weggestuurd.
‘Huilend gingen we terug naar het hotel, waar onze vader zat te wachten,’ schreef Wilhelm Landecker later. Ondanks de teleurstelling had hun vader theaterkaartjes gekocht voor het hele gezin, die avond in Berlijn. Een paar dagen later schreef hij zijn laatste brief naar Beieren.
‘Lieve Gerdele,’ schreef hij. ‘Zoals je kunt zien, ben ik nog hier, maar dat zal niet lang meer duren. Ik heb vandaag bericht gekregen dat ik op de 24e van deze maand wordt gedeporteerd – dus over twee dagen. Dit is dus de laatste brief die je van mij zult ontvangen vanuit hier, of misschien wel de laatste brief ooit. We weten niet wat ons te wachten staat. Ik wens jullie het allerbeste voor de toekomst. Zorg dat jullie gezond blijven en uitgroeien tot fatsoenlijke mensen,’ drukte hij haar op het hart. ‘Als het kan, schrijf ik zo snel mogelijk weer en ik hoop dat jullie me nooit helemaal zullen vergeten.’
‘Hier in Duitsland zul je niet kunnen trouwen,’ vervolgde hij. ‘Leer andere talen!! Je hebt je hele toekomst nog voor je – maak er iets moois van.’‘Vergeet niet, mijn liefste kind, om God te gehoorzamen, en geef iedereen veel liefs van mij. Een heel warme groet van je papa.’
Nadat haar vader was gedeporteerd bleef Emilie Landecker bij Benckiser werken en groeide uit tot een gewaardeerde werkneemster. Toen de oorlog was afgelopen, ging Emilie Landecker geregeld met papieren die Albert jr. moest tekenen naar Heidelberg – een gevaarlijke tocht door platgebombardeerde gebieden en via een noodbrug over de Rijn.Niemand weet precies hoe hun verhouding is begonnen. Maar in 1951 werd hun eerste kind geboren. Er zouden er nog twee volgen. Twee keer per week, op zondag en woensdag, liet Reimann jr. zijn vrouw alleen om naar Emilie Landecker te gaan.
“Het gaat er niet alleen om dat we onderzoek doen en zorgen dat we het verleden niet vergeten. Het gaat er ook om dat we onze huidige democratie stabiliseren en overeind houden”
Ze werkte voor Benckiser tot 1965. In dat jaar adopteerde Albert jr. officieel hun kinderen. (Zijn vrouw, Paula, was al een tijdje op de hoogte van de verhouding.) De Duitse autoriteiten hadden Emilie Landecker lange tijd onder druk gezet om de naam prijs te geven van de vader van haar kinderen, maar dat had zij altijd geweigerd. Jaren later biechtte ze in een brief aan de jongere Reimann op dat ze het zo erg had gevonden dat ze nooit zijn vrouw had kunnen zijn – en dat ze nooit een gewoon gezin waren geweest.
‘En nu wil ik ook graag iets zeggen over onze relatie,’ schreef Emilie Landecker. ‘Ik denk dat ik jou veel meer nodig heb dan jij mij, aangezien ik slechts een klein deel van jouw leven uitmaak.’
‘Ondanks alles ben ik een vrouw,’ schreef ze. ‘Jij was en bent de enige met wie ik kan praten.’‘Inmiddels weet ik natuurlijk dat het geen onwil was van jouw kant, maar desondanks heb ik het gemist. Ik wilde geen eisen stellen die in de gegeven omstandigheden onmogelijk konden worden ingewilligd.’
Emilie Landecker was een stille vrouw. Ze zei maar weinig. Maar als we haar kinderen mogen geloven, hield ze van hun vader, ondanks alles.
‘Ik heb nooit goed begrepen waarom,’ zegt Wolfgang Reimann. ‘Voor zover ik hem heb meegemaakt, was het niet echt een man om van te houden.’
De kinderen wisten tientallen jaren niet beter dan dat de ouders elkaar hadden ontmoet ‘op het werk’. Ze wisten dat hun opa van moederskant, Alfred, door de nazi’s was vermoord. Maar ze zijn er pas dit jaar achter gekomen dat hun vader een fervent nazi was. Wanneer de kinderen informeerden naar de Joodse wortels van de familie, zo vertelt Wolfgang, draaide Emilie Landecker om de hete brei heen, zei dat ze was opgegroeid in ‘een Joodse omgeving’ en drukte de kinderen op het hart geen ‘oude koeien’ uit de sloot te halen.
‘Mijn moeder zei nooit veel,’ aldus Wolfgang Reimann. ‘Ik heb heel lang gedacht dat ze gewoon zo in elkaar zat.’ Maar inmiddels kijkt hij er anders tegenaan: ‘Als ik met mijn grote liefde zou moeten leven zoals mijn moeder dat heeft gedaan, en diegene was ook nog eens verantwoordelijk voor de verschrikkingen van de oorlog, zou ik denk ik ook niet zo veel zeggen.’
Bijna elk Duits bedrijf dat al een tijdje meedraait, heeft wel een verhaal over het naziverleden. Veel van die verhalen zijn verteld. Maar niet allemaal. Bahlsen, de koekjesfabrikant, heeft eerder dit jaar een onderzoek aangekondigd naar de oorlogsjaren van het bedrijf, nadat een jonge erfgename zich nogal laconiek had uitgelaten over de inzet van dwangarbeiders.
Internationale uitbreiding is voor Duitse bedrijven geregeld de aanleiding om het verleden onder ogen te zien. Zo is het ook gegaan met het vermogen van Reimann. In de loop der jaren zijn er bij Benckiser verschillende overnames geweest en nieuwe vestigingen gekomen; Benckiser is met een ander bedrijf in zee gegaan, waardoor het megaconcern Reckitt Benckiser is ontstaan, dat bekend is van merken als Lysol en Durex. En uiteindelijk hebben de Reimanns een groot deel van hun vermogen in JAB gestoken. De afgelopen jaren heeft de holding miljarden geïnvesteerd om de strijd aan te binden met bedrijven als Starbucks en Nestlé door ketens op te kopen zoals Panera Bread, Krispy Kreme en Pret A Manger. Vorig jaar hebben ze ook Keurig Green Mountain geholpen om Dr Pepper Snapple over te nemen voor een kleine negentien miljard. JAB heeft ook cosmeticagigant Coty in handen, de eigenaar van de Calvin Klein-geuren.
Toen het bedrijf steeds meer onder vuur kwam te liggen heeft Harf er bij de familie Reimann op aangedrongen om zelf het voortouw te nemen en onderzoek te doen naar het verleden – voordat iemand anders hen voor zou zijn.
De nazi-onthullingen hebben veel teweeggebracht bij de jongste Reimanns. ‘Ik moest bijna overgeven toen ik hoorde en las over de gruweldaden die, met medeweten van mijn grootvader, hebben plaatsgevonden bij Benckiser,’ zegt Martin Reimann (30), een kleinzoon van Emilie Landecker en Albert Reinmann junior. ‘Tot die tijd hield ik me eerlijk gezegd maar weinig met politiek bezig. Maar door wat er is gebeurd, is dat allemaal veranderd. Ik moet iets doen. In ons familieberaad heeft de jonge generatie voor een soort opstand gezorgd.’
Bij elke beslissing die belangrijke industriëlen nemen, moeten ze zich volgens hem afvragen: “Wat betekent dit voor onze kinderen? Wat betekent het voor onze toekomst?”
Door de stichting te vernoemen herstelt de familie Reimann de naam in ere van Alfed Landecker – een van de miljoenen mensen die door de nazi’s zijn omgebracht. Maar ook wordt er een expliciete link gelegd tussen de misdrijven uit het verleden en de strijd van vandaag de dag om de liberale, democratische waarden hoog te houden.
‘Welke lessen we kunnen trekken uit het verleden, en hóé, die vraag ligt ten grondslag aan deze stichting,’ zegt Norbert Frei, de voorzitter van de wetenschappelijke raad van de stichting. Frei is een gerespecteerd historicus verbonden aan de universiteit van Jena, en hij heeft onderzoeken geleid naar het naziverleden van andere bedrijven, zoals Bertelsmann. ‘Het gaat er niet alleen om dat we onderzoek doen en zorgen dat we het verleden niet vergeten,’ voegt hij eraan toe. ‘Het gaat er ook om dat we onze huidige democratie stabiliseren en overeind houden.’
Harf, de directeur van JAB, is het met hem eens. Hij zegt dat hij onlangs De orde van de dag heeft gelezen, een historische roman van Éric Vuillard die speelt in de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog. Een van de scènes in het boek is gesitueerd in februari 1933, toen Hitler samen met de voorzitter van de Rijksdag vierentwintig industriëlen wist over te halen geld te doneren aan de nazipartij. De zakenlieden – die bedrijven vertegenwoordigden die nog altijd grote spelers zijn op de markt, zoals Siemens, Bayer en Allianz – trokken braaf de portemonnee.
Harf zegt dat hij zich daardoor realiseerde dat in het zakenleven onvoldoende mensen zich uitspreken tegen de opkomst van het nationalisme en het populisme, zoals we dat momenteel zien in Europa en de Verenigde Staten. Bij elke beslissing die belangrijke industriëlen nemen, moeten ze zich volgens hem afvragen: ‘Wat betekent dit voor onze kinderen? Wat betekent het voor onze toekomst?’
‘In het verleden heeft de industrie populisten ruim baan gegeven,’ voegt hij eraan toe. ‘Die vergissing moeten we nu niet weer maken.’ Vervolgens citeert hij Holocaust-overlevende Simon Wiesenthal: ‘Om het kwaad te laten gedijen, volstaat het dat goede mensen niets doen.’
Daar voegt hij aan toe: ‘Als opvolgers en afstammelingen van mensen die verschrikkelijke daden hebben gepleegd, is het van wezenlijk belang dat onze generatie accepteert wat er is gebeurd en dat we al het mogelijke in het werk stellen om te zorgen voor verdraagzaamheid en gelijkwaardigheid in de gemeenschappen waarin we leven, dat we ons ervan verzekeren dat de daden van Albert Reimann sr. en Albert Reimann jr. deel uitmaken van een geschiedenis die zich nooit meer zal herhalen.’
Over de Tweede Wereldoorlog leek alles wel zo’n beetje uitgeplozen. Toch ontdekte Die Zeit een goedbewaard geheim: in een militair kamp aan de Amerikaanse oostkust verhoorden Duitse Joden de moordenaars van hun familie. In plaats van hen te folteren, gingen ze samen schaken en winkelen.
Keuze uit het archief
Net na de oorlog werden drie Duits-Joodse vrienden woonachtig in de Verenigde Staten aangesteld om Duitse krijgsgevangen te verhoren, nazi’s. Peter Weiss, Henry Kolm en Arno Mayer doen decennia later hun verhaal aan de Duitse krant Die Zeit. Tijdens de ondervragingen zetten ze hun gevoelens van haat en wraak opzij en proberen ze juist met vriendelijkheid de waarheid boven tafel te krijgen. Een bijna onmenselijke prestatie als je bedenkt dat diezelfde nazi’s veel van hun familieleden hebben vermoord.
De drie vrienden trekken hun uniformen aan en stappen vanuit de barak aan de Amerikaanse oostkust de aangenaam warme ochtendzon in. Ze hebben geen idee dat ze nog diezelfde dag tegenover nazi’s zullen staan.
Als Amerikaanse soldaten verheugen ze zich op dit moment. Ze hebben er maandenlang voor getraind. Als Europese vluchtelingen jubelen ze vanbinnen. Het waren immers de nazi’s die hen uit hun vaderland verdreven. En als Duitse Joden is er niets dat ze heviger verlangen. Ze haten de nazi’s om hun antisemitisme, om hun beestachtige bruutheid.
De drie jongemannen waren enthousiast over het nieuws dat de Verenigde Staten zich mengden in de oorlog tegen het Duitse Rijk. Nauwelijks meerderjarig, meldden ze zich aan bij het Amerikaanse leger, waar ze elkaar leerden kennen. Peter Weiss, de intellectueel die Kant las en Machiavelli. Arno Mayer, de provocateur die nooit om een kwinkslag verlegen zat. En Henry Kolm, de knutselaar die als kind al wetenschappelijke tijdschriften las.
Ze zaten nog in de basisopleiding toen het Amerikaanse leger de stranden van Normandië veroverde. Kregen een speciale training van de militaire geheime dienst terwijl hun kameraden de Rijn overstaken. En oefenden verhoormethoden tijdens de laatste dagen van Hitler. Vlak voordat de drie hun opleiding afrondden in de bossen van de Amerikaanse staat Maryland, bereikte hun het bericht van de capitulatie. De oorlog in Europa was voorbij, en zij, de drie vrienden, waren hem misgelopen.
Als ze dus op die ochtend van de 9e juni 1945 een legerbus instappen, weten ze niet dat het oorlogsgeweld, dat tot in alle uithoeken van de planeet voelbaar is geweest, hen alsnog zal bereiken. De bus rijdt
richting de hoofdstad Washington, en stopt voor een gebouw dat de jonge soldaten met verbazing bekijken. Een vijfhoekig blok beton, het grootste gebouw ter wereld, hoofdkwartier van de grootste strijdmacht van de wereld. Een uur wachten ze op de parkeerplaats. Dan krijgen ze het bevel over te stappen in een tweede bus, die er heel anders uitziet dan de eerste.
Peter Weiss: De ruiten waren met triplex dichtgetimmerd. Alleen de chauffeur vooraan kon naar buiten kijken. We stopten bij een kamp. Er stond geen bord, alleen een slagboom en een man van de militaire
politie. Iemand vroeg hem: ‘Hoe heet het hier?’ Hij zei alleen maar: ‘Nothing.’ Een naamloze plek.
Henry Kolm: Ze zeiden tegen ons: dit kamp is hoogst geheim. Praat er met niemand over.
Arno Mayer: Het was volkomen krankzinnig. Jullie lezers denken waarschijnlijk: die Mayer heeft ze niet meer allemaal op een rijtje, maar zoiets kun je niet verzinnen.
Decennialang lag hun verhaal verborgen in stoffige kisten in het Amerikaanse Nationale Archief.
Honderdduizend bladzijden akten, sommige getypt, vele met de hand geschreven, in kriebelig handschrift. Op elke bladzijde het stempel secret. Geheim. Pas een paar jaar geleden gaf het leger de documenten vrij, aanvankelijk onopgemerkt door
de media. Nu kan men de akten inzien, in een stad
in Maryland die College Park heet.
Lang zwegen de mannen over hun missie, zoals
het leger hen had opgedragen – ook tegenover hun vrouwen en kinderen. Maar nu, eindelijk, spreken de weinigen die nog in leven zijn, onder wie Arno Mayer en Peter Weiss, beiden negentig jaar oud. Henry Kolm stierf in 2010, hij liet autobiografische notities achter en een zes uur durend interview met een
historicus, waaruit hier geciteerd wordt.
Mensen willen altijd laten zien hoeveel ze weten, schrijft Griffith. Dat geldt in het bijzonder voor Duitsers
Die Zeit heeft zes veteranen van dit geheime project opgespoord. Daarnaast is dit artikel gebaseerd op een twintigtal gesprekken die wetenschappers gevoerd hebben met intussen gestorven soldaten, plus een dagboek en documenten uit het archief. Dat alles samen vormt een tot dusver onbekend hoofdstuk van de Tweede Wereldoorlog – dat van het ‘naamloze kamp’, of, zoals de veteranen het noemen: Eleven Forty-Two.
Zo luidt het officiële adres van het geheime kamp, een paar mijl ten zuiden van Washington: P.O.Box 1142, postbus 1142.
Wie nu naar de plek rijdt waar destijds dit kamp was, stuit op een park met een keurig gemaaid grasveld. Tussen 1942 en 1946, zo blijkt uit foto’s en plattegronden, stonden er houten barakken waar nu een parkeerterrein is. Twee met prikkeldraad omheinde rijen cellen waar nu jongelui softbal spelen en wandelaars in een openbaar toiletgebouwtje verdwijnen. Verborgen in het plafond van de cellen had het leger microfoons geïnstalleerd, zo groot als kerkklokken. Ook dat is op foto’s te zien. Het hele kamp was voorzien van een kabelnetwerk. Men zou de gevangenen niet alleen verhoren, zo was het idee. Men zou ze ook afluisteren als ze na het verhoor in de cellen met hun medegevangenen praatten. Daarvoor hadden de Amerikanen vooral één ding nodig: veel personeel dat perfect Duits sprak: Hoogduits, Berlijns, Saksisch, Badisch, Beiers, Oostenrijks.
Peter Weiss: Tijdens mijn artillerietraining werd ik bij de kolonel geroepen. Hij zei: ‘Ik heb gehoord dat je Duits spreekt?’ – ‘Yes, sir.’ – ‘Zeg eens iets.’ – ‘Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater mit seinem…’ – ‘Oké, genoeg. Ik heb een job voor je.’
Het Amerikaanse leger doorzoekt alle eenheden naar soldaten die Duits spreken. Ze vinden Peter Weiss, geboren in Wenen; Henry Kolm, ook geboren in Wenen; Arno Mayer, geboren in Luxemburg. En enkele tientallen anderen, gevlucht uit alle hoeken van het Groot-Duitse Rijk. Ze zijn pas sinds kort Amerikaans staatsburger. En het zijn bijna allemaal Joden.
In de idylle van de Amerikaanse oostkust, vredig en groen, ver weg van het gebulder van de oorlog, werd de verhouding van macht en onmacht omgekeerd. De almachtige nazi’s, vertegenwoordigers van het regime dat miljoenen Joden vermoord had, waren opeens uitgeleverd aan hen, de jonge Joodse mannen. Alsof iemand hier het verhaal van de volmaakte wraak schreef. 3451 gevangenen. 3451 doelwitten om neer te schieten, af te ranselen, te kwellen.
Maar juist dat hebben de instructeurs de jonge Amerikaans-Duitse soldaten verboden. In de weken voordat Arno Mayer, Henry Kolm en Peter Weiss naar Eleven Forty-Two komen, zijn ze gedrild in verhoortechnieken. De instructeurs hebben hun geleerd hoe je de vijand informatie ontlokt: Niet dreigen! Niet slaan! Niet folteren!
Dat vonden de rekruten vreemd. Moesten ze, geconfronteerd met de grootste misdadigers, vriendelijk tegen ze zijn? Hun belangrijkste instructeur is een verhoorspecialist die Sanford Griffith heet. Al in de Eerste Wereldoorlog heeft hij Duitse gevangenen verhoord. En zoals scherpschutters technieken ontwikkelen om mensen te doden op honderd meter afstand, zo heeft hij methoden uitgedacht om mensen die tegenover hem zitten aan het praten te krijgen. Belangrijkste regel: vriendelijk zijn. Niet alleen omdat dit past in het volkenrecht, zoals het in de Geneefse Conventie van 1929 is vastgelegd, en opgenomen in het militaire instructieboek van de U.S. Army, bladzij 33, punt 45. Maar vooral omdat het werkt.
Griffith heeft hierover een opstel geschreven dat hij uitdeelt aan de soldaten. Mensen willen altijd laten zien hoeveel ze weten, schrijft Griffith. Dat geldt in het bijzonder voor Duitsers. Die hebben een schoolmeesterneiging. ‘Duitse krijgsgevangenen zullen proberen ons de les te lezen,’ aldus Griffith. Dus moest je bij het verhoor de rol van de domme leerling spelen.
Henry Kolm: Arno en ik werden zogeheten moraalofficieren. Het was onze taak belangrijke gevangenen te verhoren zonder dat ze het merkten. We moesten met ze schaken of tafeltennissen. Een van mijn eerste ‘klanten’ was nazipropagandist Kurt Hesse. Die zei eens tegen mij: ‘Jouw land, Oostenrijk, is prachtig.’ Hij had mijn accent herkend. Hij vertelde dat hij eens vakantie gevierd had aan een bergmeer op de Turracher Höhe, in een plaatsje dat zo afgelegen was dat ik het in geen geval zou kennen. Maar toevallig was ik daar eens geweest, er waren maar twee hotels. Dus ik vroeg: ‘O, was je in de Sieglerhof of in het Seehotel?’ Vanaf dat moment dacht hij dat ik alles over hem wist. God, wat heb ik daarvan genoten!
Belangrijke gevangenen als Hesse wonen niet in de cellenblokken, maar in houten huizen in het bos, met meerdere kamers, een keuken en een bad. De Amerikanen noemen het ‘villa’s’. Op de veranda staan stoelen, zodat de nazi’s in de zon kunnen zitten. De strategie van het vleien, paaien, verstrikken leidt tot surreële scènes: jongensachtige, Joodse Amerikanen, van wie velen zich nog Duits voelen, geanimeerd in gesprek met officieren van de Wehrmacht. Op zomerdagen zwemmen ze in het zwembad. ’s Avonds gaan ze naar de kampbioscoop.
Peter Weiss: Het zag eruit als een vakantiekamp.
Anders dan zijn beide vrienden is Weiss geen moraalofficier; zijn werkplek is een centraal gelegen barak, waarin de onderaardse afluisterkabels samenkomen. Weiss zit aan een tafel en luistert met zijn koptelefoon. Voor hem staat een bandrecorder. Weiss kan van cel naar cel, van hut naar hut schakelen. Hoort hij iets interessants, dan neemt hij het op.
De afluisterprotocollen die Weiss en zijn collega’s opstellen, zullen zeventig jaar later een inkijkje geven in het dagelijks leven van Duitse frontsoldaten. De gevangenen spreken over nachten doorzakken, over vrouwen, over de oorlog en oorlogsmisdaden.
‘S.: Dat was in de herfst van 1941. De hele Joodse bevolking van een stad werd in een massamoord doodgeschoten.
P.: Heb je dat gezien?
S.: Ik niet. Maar twee mannen van mijn peloton. Die hebben zelf mee geschoten. Dat is onweerlegbaar. Daar was ook geen Jood meer te vinden. Dat is door de SS uitgevoerd.
P.: Hoeveel?
S.: Ze hadden het toen over achthonderd. Naar schatting. Dat zei een korporaal tegen me. Die zei uit zichzelf: Daar had ik graag aan meegedaan. Een oude nazi. Terwijl de anderen allemaal zeiden dat het een rotstreek was. Alleen daarom al, dat is niet gelogen.’
Geen haat
Peter Weiss: Wij vermoedden alleen maar dat
sommige familieleden in de kampen gestorven waren. Had ik toen al geweten dat mijn grootvader vergast was, dan had ik dit werk misschien niet
kunnen doen.
Arno Mayer: Soms had ik een gevoel alsof ik moest kotsen, omdat ik vriendelijk tegen deze types moest zijn. Ik vroeg me af: wat hebben die in de oorlog gedaan? Ik haatte de Duitsers met elke vezel van mijn lijf. Maar ons was bevolen dat we die haat moesten onderdrukken.
Soms verzetten soldaten in Eleven Forty-Two zich tegen hun instructies. Maar het is geen haat of wraak die ze de grenzen laat overschrijden, maar
de wens om belangrijke informatie los te krijgen.
Zo pogen officieren een gevangene aan de praat te krijgen door hem te injecteren met cocaïne. Een andere keer proberen ze het met hypnose. Beide pogingen mislukken. Een poging om een gevangene dronken te voeren eindigt ermee dat de verhoorofficieren zo dronken worden dat het verhoor moet worden afgebroken. Maar iets anders lukt wel.
Henry Kolm: Wij hadden zo’n SS-type dat ondanks alle vriendelijkheid niet wilde praten. Op een bepaald moment waren we het zat, en zeiden tegen hem: Dan geven we je aan de Russen. We brachten hem naar een ruimte waarin een van onze kameraden wachtte: Alex. Hij sprak net zo goed Russisch als wij Duits, en droeg een Sovjetuniform. Alex zei: ‘Oké, je wilt niet praten. Dan vergassen we je.’ Hij sloot de deur en liet met een ventilator stof door een ventilatiegat blazen. Toen begon de nazi te praten.
Maar deze pogingen om uitspraken af te dwingen zijn zeldzaam, net als zwijgzame gevangenen. De strategie van de gespeelde vriendelijkheid werkt.
De Duitsers leveren de Amerikanen de gewenste inlichtingen. De Tweede Wereldoorlog werd op vele plaatsen gewonnen. Eleven Forty-Two, zo weten we nu, was er een van. Gedurende de oorlog tekenen Duitse gevangenen voor hun verhoorders kaarten van wapenfabrieken, en schetsen ze constructietekeningen van wapensystemen. De Amerikanen krijgen gegevens over hoe diep de Duitse onderzeeërs duiken en over de precieze locatie van een Hamburgse scheepswerf, die ze vervolgens vernietigen. Nu, in juni 1945, gaat het niet meer om militaire geheimen; de Wehrmacht is verslagen. Nu gaat het om het
achterhalen van oorlogsmisdaden.
En dan zegt Peter Weiss, na een urenlang gesprek, met zachte stem iets zo ongehoords dat je hem in eerste instantie niet wilt geloven
Peter Weiss: Iedereen probeerde ons wijs te maken dat hij geen echte nazi was. Sommigen geloofde ik. Dan lag ik ’s nachts wakker en pijnigde mijn hersens af: heb ik me laten beetnemen?
En dan zegt Peter Weiss, na een urenlang gesprek, met zachte stem iets zo ongehoords dat je hem in eerste instantie niet wilt geloven.
Peter Weiss: Af en toe ontstond er sympathie tussen sommigen van hen en sommigen van ons.
Sympathie met de moordenaars? Een andere veteraan van Eleven Forty-Two, die twee jaar lang in het kamp diende, zegt over een van de gevangen Duitsers in alle ernst: ‘Hij was een van de goede nazi’s.’
Goede nazi’s. Het zijn twee woorden die in volstrekte tegenspraak met elkaar lijken. Woorden die bewijzen dat de strategie van de vriendelijkheid niet alleen de Duitse gevangenen veranderde, die steeds praatgrager werden. Ze veranderde ook de Amerikaanse soldaten, die door al hun afschuw en hun haat heen opeens niet alleen monsters voor zich zagen, maar mensen, in al hun complexiteit, met alle tegenstrijdigheden.
En in Eleven Forty-Two verandert nog iets anders. De interesse van de Amerikanen in de Duitse schuld duurt niet zo lang. Of preciezer: die wordt, eerst maar een beetje, dan steeds sterker, overvleugeld door de interesse in Duitse kennis, Duitse techniek, die nuttig kan zijn voor het volgende conflict, de volgende grote oorlog. Techniek zoals de Amerikanen die op de U-234 aantreffen. De bemanning van deze Duitse U-Boot heeft niets meegekregen over het einde van de oorlog. Als Duitsland capituleert, vaart de onderzeeër juist door de Atlantische Oceaan op weg naar Japan, van alle berichtgeving afgesneden. De Führer persoonlijk heeft de U-234 daarheen gestuurd, volgepakt met Duitse militaire techniek voor de Japanse bondgenoten. Ook een van Hitlers beste wetenschappers is aan boord, ingenieur Heinz Schlicke.
Als de kapitein van de U-234 het bericht van de capitulatie verneemt, verandert hij van koers. Hij stuurt aan op de Amerikaanse oostkust en geeft zich over aan een schip van de US Navy. De Amerikanen slepen de U-234 naar de haven van Portsmouth in New England.
Henry Kolm: Ze hadden iemand nodig die verstand had van techniek. Dus reed ik erheen. De U-234 lag in het dok. Onze mensen laadden de vracht uit met een kraan. Het was ongelofelijk: V2-motoren, kisten vol tekeningen en documenten, een gevechtsvliegtuig van het type Messerschmitt Me 262 in onderdelen, en een pallet met een soort tank erop. Later heb ik gehoord dat daarin 560 kilo uraniumoxide zat, de grondstof voor een atoombom. De Duitse wetenschap was de Amerikaanse indertijd jaren, en op sommige gebieden decennia vooruit. Ons geluk was dat er zelfs iemand aan boord was die die techniek begreep, dr. Heinz Schlicke. We brachten de crew naar Eleven Forty-Two.
Een van de gevangenen van 1142.
In die zomerdagen van 1945 rijdt bijna dagelijks een wagen het kamp uit, meestal tegen de middag, om uren later terug te keren. Erin zitten een Amerikaanse officier en steeds dezelfde gevangene: Heinz Schlicke. Vijftien kilometer naar het noorden, in het Pentagon, houdt Schlicke voordrachten over radar- of infraroodtechniek en geeft hij Amerikaanse officieren advies, aanvankelijk aarzelend, dan steeds vrijmoediger. Al snel ontstaat daaruit een nauwe samenwerking.
Zo ontstaat in de loop van het jaar 1945 in Eleven Forty-Two uit het verhoorprogramma een wervingsprogramma. Doel: nieuw personeel aanwerven voor het Amerikaanse leger. Vooral Duitse wetenschappers zijn bijzonder gewild, niet zelden zijn zij in hun discipline de meest toonaangevende in de wereld.
De belangrijkste onder hen is Wernher von Braun (bedenker van de V2, een voor die tijd revolutionaire ballistische raket).
Kort voor de Duitse capitulatie meldt Wernher von Braun zich in de Allgäu bij de Amerikanen. Hij treedt daar met veel zelfvertrouwen op. Iemand van het Amerikaanse leger zal over hem zeggen: ‘Hij behandelde onze soldaten met de minzame neerbuigendheid van een congreslid op werkbezoek.’
Von Braun weet dat hij iets te bieden heeft. Hij kan nieuwe raketten ontwikkelen voor de Amerikanen. Raketten die – destijds onvoorstelbaar – hele continenten en zeeën over kunnen vliegen.
In de Amerikaanse regering ontbrandt een strijd. De militaire geheime dienst wil Wernher von Braun en zijn wetenschappers naar Amerika halen en van hun kennis profiteren. Maar op het State Department is de boodschap: geen sprake van, ze moeten bestraft worden.
De militairen wachten de uitkomst van deze strijd niet af. In juni geven ze Wernher von Braun een arbeidscontract, buiten medeweten van grote delen van de Amerikaanse regering. Samen met 115 andere wetenschappers, onder wie zijn belangrijkste medewerkers, stapt Wernher von Braun een vliegtuig in.
Henry Kolm: Arno, Peter en ik kregen het bevel naar Boston te rijden en het Von Braun-gezelschap te ontvangen. Omdat alles zo geheim was, richtten we op een verlaten eiland in de haven een provisorisch steunpunt in. Niemand mocht deze lui zien, dat zou een reusachtig schandaal zijn geweest. Op het eiland stond een groot huis, waarin wij met die wetenschappers woonden. Wij noemden het ‘Huis van de Duitse Wetenschap’. Ze gaven lezingen; Von Braun sprak over zijn droom om naar de maan te vliegen. Op een keer zeiden ze tegen mij: ‘We hebben al zo lang geen Mendelssohn meer gehoord. Dat was verboden.’ Dus zorgde ik voor een grammofoonplaat. Later brachten we de wetenschappers naar Eleven Forty-Two.
Arno Mayer: Ik was Von Brauns moraalofficier. Gelukkig wist ik niet wat hij in de oorlog gedaan had. Maar niettemin had ik er geweldig de pest in deze types te moeten paaien. Achter mijn rug noemden de wetenschappers mij ‘mijn kleine Jodenjongen’. Een keer ben ik kwaad geworden, toen Von Braun zei: ‘Hitlers enige fout was dat hij de Joden vermoordde.’ Ik zei: ‘Als je nu in Rusland was, zou je zeggen dat zijn enige fout was dat hij de Sovjet-Unie binnenviel.’ Later werd ik berispt door mijn meerdere. Als ik dat nog eens deed, zou ik voor een militaire rechtbank komen.
Lingerie
Op een zeker moment gaf mijn commandant mij een paar honderd dollar en stuurde mij met vier wetenschappers uit winkelen, Von Braun was er ook bij. Ze wilden hun vrouwen kerstpakketten sturen. Ik reed deze vier naziwetenschappers naar de grootste Joodse zaak van de stad, Lansburgh’s. Ze kochten cacao, suiker, koffie. Toen gingen ze naar de afdeling lingerie. Ik was negentien en had nog nooit damesondergoed gekocht. Ik zal het tafereel nooit vergeten: die vier figuren met hun leren jassen en Tiroler hoedjes op de afdeling lingerie. Toen de verkoopster met nylon slipjes aankwam, gooide Von Braun zijn handen in de lucht en zei: ‘O nee! Wollen onderbroeken met lange pijpen!’
Wernher von Brauns contract wordt verlengd. Hij werkt voor het leger, daarna voor de nieuw opgerichte NASA. Hij bouwt de raketten voor de maanlanding en raakt bevriend met John F. Kennedy. Hij sterft in 1977 als een Amerikaanse held. In totaal brengen de Amerikanen meer dan zestienhonderd Duitse wetenschappers het land in, onder wie oorlogsmisdadigers, artsen die op mensen experimenteerden en chemici die gifgassen voor de Wehrmacht ontwikkelden. Allemaal beginnen ze een nieuw leven in Amerika.
In de VS nemen de drie vrienden Henry Kolm, Arno Mayer en Peter Weiss in het jaar 1946 ontslag uit het leger. Weiss wordt een succesvolle advocaat, Mayer historicus, en Kolm fysicus aan het Massachusetts Institute for Technology in Boston. Ze blijven hun leven lang bevriend.
In het jaar 2007 treffen de veteranen van Eleven Forty-Two elkaar na meer dan zestig jaar voor het eerst weer op de plek waar ze destijds dienden. Mayer, Weiss en Kolm zitten voor een speciaal gebouwd podium in het park. Een legerofficier legt in een toespraak een verband tussen de Tweede Wereldoorlog en Irak. Als hij de veteranen op het podium roept voor een eerbetoon, blijft Arno Mayer zitten. Uit protest tegen de Amerikaanse verhoormethoden van tegenwoordig. Kort tevoren zijn de beelden uit de foltergevangenis van Abu Ghraib gepubliceerd.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.