Tag: nb

  • 75 jaar zonder oorlog, wat hebben Europeanen geleerd?

    75 jaar zonder oorlog, wat hebben Europeanen geleerd?

    Onze zwakke en sterke kanten ontdekken en ook anderen beter leren kennen, daartoe dient de geschiedenis, zegt Géraldine Schwarz. Als we naar een betere toekomst willen, helpt het volgens haar niet om standbeelden en straatnamen weg te halen. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid van miljoenen medeplichtige burgers ontkend.

    Keuze uit het archief

    Dit weekend herdenken we in Nederland de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding van ons land, dit jaar 79 jaar geleden. Zo’n nationale herdenking is een ideale gelegenheid om stil te staan bij de lessen die we persoonlijk en als land van 79 jaar vrijheid geleerd hebben.
    In dit artikel van vier jaar geleden analyseert de Duits-Franse journalist en documentairemaker Géraldine Schwarz het koloniale verleden van Europese landen en de manier waarop ze met de zwarte bladzijdes van deze periode zijn omgegaan. Welke lessen kunnen we daaruit trekken als het gaat om de verwerking van de Tweede Wereldoorlog en hoe kunnen we invulling geven aan de woorden ‘nooit meer’?

    Tot aan de Tweede Wereldoorlog diende de geschiedschrijving louter ter glorificatie van de natie, om revanchisme aan te wakkeren of nationale helden te vereren. Het trauma van de oorlog leidde na 1945 in Europa tot een nieuwe missie: leren van het verleden.



    Als we door het verleden te onderzoeken een beter heden willen creëren, volstaat het niet om een paar schuldigen uit de geschiedenis aan te wijzen en hun standbeeld omver te trekken. Natuurlijk wekken standbeelden van controversiële figuren zonder begeleidende tekst woede – zoals van koning Leopold II van België, de Britse slavenhandelaar Edward Colston in Bristol of de Nederlander Jan Pieterszoon Coen, die in 1621 met geweld de Banda-eilanden veroverde. Maar iconoclasme biedt vaak slechts een illusie van gerechtigheid. Daarna komt het vergeten en wat overblijft is de gemiste kans dat we ons verleden hadden kunnen benutten om onszelf beter te leren kennen.



    ‘Onze geschiedenis toont ons waar de mens toe in staat is. We moeten niet denken dat wij anders of beter zijn,’ zei de toenmalige West-Duitse president Richard von Weizsäcker in 1985 in een historische rede voor de Bondsdag.



    Onze zwakke en sterke kanten ontdekken en ook anderen beter leren kennen – dat zouden we van de geschiedenis moeten willen leren.

    Verlichting

    Als we standbeelden en straatnamen weghalen, begraven we ook de verantwoordelijkheid van miljoenen medeplichtige burgers die een misdadig systeem aan de macht hielpen en in stand hielden. Koloniale leiders konden hun gang gaan omdat complete samenlevingen in Europa, in de Amerika’s, maar ook in de Arabische wereld en het Ottomaanse rijk dachten zoals zij. Die burgers hadden misschien geen bloed aan hun handen, maar velen profiteerden wél van de wrede overheersing van de ene mens door de andere – want dat is de kern van slavernij en kolonialisme. Deze medeplichtigheid van de massa is volgens mij een veel fundamenteler vraagstuk dan de schuld van een individuele slavenhandelaar of sadistische koloniaal.

    Deze medeverantwoordelijkheid lijkt minder relevant in het obscurantistische tijdperk van Christoffel Columbus, toen analfabetisme, bijgeloof en het dictaat van de kerk weinig ruimte lieten voor zelfstandig denken, dan tijdens de Verlichting in Frankrijk, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland. Daar is het argument dat je het verleden ‘niet langs de meetlat van het heden kunt leggen’ moeilijker te verdedigen. Die landen waren volgens onze huidige normen weliswaar geen democratieën, maar ze gingen toch prat op hun burgerlijke vrijheden en tolerantie – terwijl ze die beginselen in hun koloniën aan hun laars lapten.

    De Nederlanden maakten als eerste kennis met de Verlichting. In de zestiende eeuw verwierpen ze het goddelijk recht op koningschap, waarbij een vorst geen verantwoording schuldig is aan aards gezag. De Tachtigjarige Oorlog tegen het Spanje van Filips II, die uiteindelijk leidde tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, vormde de inspiratie voor de grote revoluties in Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten.

    Dubbele moraal

    De Republiek was haar tijd ook echt vooruit, met haar drang tot autonomie, saamhorigheid en een verlichte burgermaatschappij die autoritair bestuur en obscurantisme afwees. Maar ver weg voerde de Republiek meedogenloze, gewelddadige koloniale oorlogen en bedreef ze slavenhandel.

    Later zouden de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk zich ook bezondigen aan een dubbele moraal. Ondanks de revoluties van de Verlichting bleven ze volkeren op grote schaal onderdrukken en uitbuiten door slavernij, rassensegregatie en kolonialisme. Dat ging door na de Tweede Wereldoorlog, nadat de overwinnaars hun morele superioriteit over het fascisme hadden geproclameerd. De vraag is in hoeverre deze dubbele moraal de denkbeelden van de Verlichting ongeloofwaardig maakt. Immers, miljoenen Franse, Britse, Nederlandse, andere Europese en Amerikaanse staatsburgers deden mee aan dit immorele, ondraaglijk hypocriete gedrag.

    Dit fundamentele inzicht doet ons onze huidige verantwoordelijkheden beseffen, de tegenstrijdigheden en de consequenties van ons handelen en onze consumptiepatronen. Zo kunnen we onze eigen feilbaarheid en meegaandheid onder ogen zien, in plaats van de verantwoordelijkheid altijd af te schuiven op onze leiders, op anderen, en beseffen dat je een perfide systeem niet actief hoeft te dienen om toch medeplichtig te zijn.

    Meelopen met de menigte uit onverschilligheid, opportunisme of conformisme is ook een vorm van medeplichtigheid. Alleen vanuit dit perspectief kunnen we van het verleden leren – en beseffen dat we meestal wél een keuze hebben.

    Het vermogen om excuses aan te bieden is geen wijdverbreid talent

    Om van de geschiedenis te kunnen leren moeten we ook ons vermogen ontwikkelen om empathie te voelen, ons in te leven in het perspectief van het slachtoffer, de onderdrukte, de vernederde.

    Maar de duistere kanten van het verleden erkennen moet niet resulteren in een schuld- of slachtoffercultuur, noch moet het worden gebruikt om haat of sektarische sentimenten op te stoken, of een anachronistische of manicheïsche visie op het verleden te propageren. Geen verzoening is echter blijvend, geen vrede is stabiel, geen verleden kan worden afgesloten zonder die ene essentiële stap: de bereidheid om excuses aan te bieden. Hoeveel mensen deinzen hier echter niet voor terug! Groot-Brittannië, dat ooit een vijfde deel van de wereld overheerste, weigert nog steeds excuses aan te bieden voor de economische uitbuiting en rassensegregatie in zijn kolonies. En ook voor de goed gedocumenteerde slachtpartijen zoals die in India of in de jaren vijftig in Kenia tijdens de opstand van de Mau Mau-beweging plaatsvonden.

    Daarbij sloten de Britten bijna de hele Kikuyuaanse gemeenschap [de grootste etnische groep van Kenia] op in detentiekampen en reservaten, waarbij tienduizenden doden vielen. Toen de nabestaanden de Britten in 2000 aanklaagden, betuigde de regering ‘spijt’, maar bood geen excuses aan. Als Londen wordt geconfronteerd met deze wandaden, wordt aansprakelijkheid voor de wandaden van het koloniale bewind stelselmatig afgewezen. Alsof de plaatselijke gouverneurs destijds volkomen op eigen gezag handelden – terwijl ze in werkelijkheid nauwgezet de instructies van de regering in Londen volgden.

    In Britse scholen, musea en de meeste media lijkt weinig aandacht te bestaan voor stilstaan bij de fouten uit het verleden. En hoeveel straten en standbeelden zijn er niet die nog steeds de leiders van het oude Empire eren! Een deel van de elite die zo ijverde voor de brexit, komt uit families die hun fortuin maakten in de kolonies. Ze gingen naar elitescholen waar de tradities van het Empire nog levend worden gehouden. Zo bleef de illusie in stand dat Groot-Brittannië wereldwijd genoeg invloed heeft om op eigen houtje te kunnen handelen – terwijl die invloed in werkelijkheid gestaag is afgekalfd.

    Excuses

    De Britten zijn niet de enigen. Het vermogen om excuses aan te bieden is geen wijdverbreid talent. Toen Mexico in 2019 excuses vroeg aan Spanje vanwege de wrede onderdrukking van de inheemse bevolking tijdens de Spaanse veroveringen in de zestiende eeuw, reageerde Madrid verontwaardigd; het verleden mocht niet beoordeeld worden naar hedendaagse maatstaven.

    Nu kan men het obscurantisme dat destijds in Spanje en Portugal heerste inderdaad aanvoeren als verzachtende omstandigheid. Met dergelijke argumenten moet je echter voorzichtig zijn, want er kunnen allerlei misdaden mee worden goedgepraat die onder invloed van een fanatieke ideologie zijn gepleegd. Het Spaanse argument wordt minder geloofwaardig, omdat Madrid ook de ogen sloot voor de misdaden van het Franco bewind. Na Franco’s dood in 1975 werd er een amnestiewet uitgevaardigd waardoor iedereen die aan die misdaden had deelgenomen, ongestraft bleef. De slachtoffers bleven achter met hun pijn, moesten zelf op zoek naar de stoffelijke resten van de 140.000 mensen die tijdens de dictatuur waren ‘verdwenen’.

    In 2007 werd in Spanje de ‘Wet op de Historische Herinnering’ aangenomen, die onder andere beoogde de slachtoffers van het Franco-regime te steunen en de symbolen van de dictatuur uit de openbare ruimte te verwijderen. Echter pas in oktober 2019 werd Franco’s stoffelijk overschot opgegraven uit het mausoleum in de Valle de los Caídos [Vallei van de gevallenen] en kwam er een eind aan dit onverdraaglijke eerbetoon van staatswege. Het onvermogen om het verleden onder ogen te zien heeft in sommige delen van de Spaanse samenleving geleid tot een gevaarlijke relativering van Franco’s wandaden, met als uitvloeisel de opkomst van een antidemocratische, extremistische partij.

    Italië heeft de talloze slachtoffers van zijn gewelddadige kolonialistische buitenlands beleid onder het fascisme nooit herdacht: wreedheden en bloedbaden in Libië, Ethiopië, Griekenland en Joegoslavië en de internering van tienduizenden mensen in fascistische concentratiekampen. Er is amper een zuil, gedenkteken of museum te vinden waarmee deze historische verantwoordelijkheid recht wordt gedaan.

    De ontkenning van deze misdaden heeft geleid tot een opkomst van racisme en populisme

    Weinig Italianen kennen deze misdaden – toen Italië de Aksum-obelisk teruggaf die Mussolini tijdens zijn bloedige veroveringsoorlog uit Ethiopië had geroofd, reageerden veel Italianen verontwaardigd. En bijna niemand stoort zich aan de grote obelisk – met het opschrift ‘Mussolini Dux’ (leider) – die nog steeds in Rome staat, zonder enige begeleidende tekst. Net als in Spanje heeft de ontkenning van deze misdaden in delen van de samenleving geleid tot een rehabilitatie van het fascisme en bijgedragen tot de opkomst van racisme en populisme.

    In Frankrijk zijn niet alle aspecten van het koloniale tijdperk belicht. Dat geldt vooral voor de wreedheden die zijn begaan tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog, waarna 800.000 Fransen van Algerijnse afkomst het land werden uitgezet. De herinnering aan die oorlog voedt nog steeds wrok, vooral onder de nazaten van de Algerijnse immigranten – van wie er velen in de troosteloze banlieues wonen.

    Maar in Frankrijk is ontkenning niet langer het overheersende sentiment in het onderwijs, musea of in de media. Ook de meeste politici veroordelen het kolonialisme als een onrechtvaardig en wreed systeem. President Macron noemde het in 2017 zelfs een ‘misdaad tegen de mensheid’. Desondanks weet Frankrijk dit inzicht niet goed om te zetten in een vorm van democratische verantwoordelijkheid, noch bij het bestuur noch bij de burgers.

    Spijt

    In 2013 betuigde de Nederlandse ambassadeur in Indonesië ‘spijt’ voor de excessen van de Nederlandse troepen tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog van 1945 tot 1949. Dit gebaar volgde op de juridische procedure die de weduwen van de slachtoffers hadden aangespannen tegen de Nederlandse staat. In maart 2020 herhaalde koning Willem-Alexander onverwacht deze excuses tijdens een staatsbezoek aan Indonesië. Toch worstelt Nederland nog steeds met zijn koloniale verleden. In excuses maken zijn de Nederlanders niet goed. In januari 2020 waren ze een van de laatste landen in Europa die excuses maakten voor het feit dat de overheid de joodse gemeenschap tijdens de bezetting door de nazi’s niet heeft beschermd. Van de Nederlandse joden werd bijna 80 procent weggevoerd en vermoord.

    Het lijkt of Nederland nu beter begrijpt hoe je de last van het verleden ten goede kunt keren – kijk de demonen uit het verleden in de ogen, in plaats van ze te negeren. En het laat zien dat in het reine komen met het verleden belangrijk is voor de democratische volwassenwording van een land.

    Onderdrukte geschiedenis is als een boemerang. Ze komt terug in de vorm van spanningen en verdeeldheid in de samenleving, populisme, antisemitisme en racisme. Internationale betrekkingen lopen schade op en de vrede staat onder druk.

    Als Europa in de wereld een normatieve invloed wil uitoefenen, als het op een geloofwaardige manier zijn model van een open, democratische samenleving tegenover de opkomst van autoritaire, onderdrukkende regimes wil plaatsen, dan moeten de voormalige koloniale mogendheden hun historische verantwoordelijkheden nemen.

    Collectief geheugen

    Koloniale geschiedenis is de belangrijkste verbinding tussen ‘autochtone’ Europeanen en Europeanen met een migratieachtergrond. Als we vreedzame betrekkingen willen en een inclusieve Europese identiteit, moeten we die geschiedenis integreren in het collectieve Europese geheugen.

    Misschien is het koloniale verleden wel zo verdrongen omdat een ander verleden een zwaarder stempel drukte: de Tweede Wereldoorlog, het totalitarisme en de Holocaust. Europa is gebouwd op de belofte ‘nooit meer’ en heeft een ongelooflijke hoeveelheid energie besteed aan de concrete invulling van die twee woorden.

    Het is nu 75 jaar na de oorlog, wat hebben wij Europeanen geleerd?

    Aan de coronapandemie kunnen we afmeten hoeveel we zijn opgeschoten. Enerzijds wordt duidelijk dat we niet zo goed zijn in leren van de geschiedenis. Het gemak waarmee zogenaamde ‘vrije’ samenlevingen elementaire vrijheden opgaven, zoals de vrijheid van reizen of vergadering, heeft opnieuw duidelijk gemaakt hoe effectief de ‘angstfactor’ is. Niet dat de lockdown niet gerechtvaardigd was, maar hoeveel Europeanen accepteerden zonder publiek debat, zonder discussie alle maatregelen, ook de disproportionele of onlogische? Dit blind voorrang geven aan veiligheid ten koste van vrijheid is een gevaarlijke reactie. Het heeft al de deur opengezet voor een zorgwekkende ontwikkeling: onze toenemende bereidheid om in naam van een betere aanpak van de pandemie allerlei surveillancemiddelen te accepteren.

    Solidariteit

    Maar de pandemie heeft ook laten zien dat we van de catastrofes van de twintigste eeuw een essentiële les hebben geleerd: als de mens ophoudt mens te zijn, richt hij zichzelf te gronde. In een tijd waarin een technologische, economische visie mensen reduceert tot algoritmes, consumenten, vervangbare modellen zijn de meesten van ons er juist van doordrongen geraakt dat ieder mens uniek en onvervangbaar is en een fundamenteel recht op leven heeft.

    Toen utilitaire opvattingen over de logica van natuurlijke selectie en het opofferen van de minderheid ten bate van het zogenaamde algemeen welzijn de kop opstaken, triomfeerde de weigering om de mens het recht te geven om te beslissen over leven en dood, om de waarde van het ene leven af te wegen tegen het andere – oud tegen jong, gezond tegen ziek, maar ook ingezetene tegen vreemdeling, Frans tegen Italiaans, Duits tegen Frans. Het duurde even, maar Europese solidariteit bleek te bestaan.

    Deze lessen van de geschiedenis zijn er niet voor de bühne van het moreel besef. Solidariteit tussen generaties en tussen Europese landen is geen kwestie van humanistische idealen, maar is onmisbaar voor de mensheid zelf, dus voor ons allemaal. Want morgen, wanneer vele uitdagingen ons wachten, zal het overleven van de enkeling afhangen van het vermogen van anderen om mens te zijn.

  • De lange weg van politieke wonderboy Pedro Sánchez

    De lange weg van politieke wonderboy Pedro Sánchez

    Hoe de leider van de Spaanse Socialistische partij, die ten dode was opgeschreven, zich in een jaar tijd ontpopte tot de politicus die het kabinet van premier Rajoy omver heeft geworpen.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen woensdag kondigde de premier van Spanje, Pedro Sánchez, aan dat hij overweegt ontslag te nemen, nadat een rechtbank een onderzoek was gestart naar zijn vrouw wegens vermeende beïnvloeding en corruptie. In een brief die hij op X plaatste zei hij onder meer dat de aanklacht tegen zijn vrouw op valse berichtgeving was gebaseerd.
    In dit artikel van El Mundo van zes jaar geleden wordt de opkomst van ‘wonderboy’ Sánchez in de politiek geanalyseerd. Journalist Raúl Conde gaat stap voor stap na hoe deze ‘vastberaden rebel’ met een master in Economie en Bedrijfskunde het tot premier van Spanje schopte nadat oud-premier Mariano Rajoy wegens een corruptieschandaal moest aftreden.

    In januari 2013 kreeg Pedro Sánchez een telefoontje. Hij was op weg naar Huesca, zijn vrouw zat achter het stuur. Cristina Narbona zou de Tweede Kamer verlaten en iemand van de socialistische partij (PSOE) liet hem weten dat hij haar Kamerzetel kon krijgen. Nog diezelfde avond nam hij het besluit. ‘Als ik de Tweede Kamer inga wil ik het maximale eruit halen, als ik terugkeer ga ik het groots aanpakken,’ zei Sánchez tegen zijn vrouw Begoña Gómez. Hij besloot zich kandidaat te stellen voor de lijsttrekkersverkiezingen van de PSOE. Daar begon zijn reis naar de macht.

    Het was geen gemakkelijke tocht. ‘Ik heb hard moeten buffelen,’ krijgen journalisten altijd te horen. Niets wat Sánchez in de politiek aanpakte lukte meteen. Bij de verkiezingen in 2008 stond hij voor Madrid op de eenentwintigste plek van de kandidatenlijst van de PSOE, maar hij haalde het niet. Een jaar later kreeg hij de vrijgekomen Kamerzetel van Pedro Solbes en stelde zich opnieuw verkiesbaar in 2011, maar ook toen greep hij naast het pluche. Pas twee jaar later bood het vertrek van Narbona Sánchez een nieuwe kans.

    Politieke wonderboy

    Zijn tocht naar het premierschap verliep ongeveer net zo. In december 2015 tekende lijsttrekker Sánchez voor het slechtste resultaat dat de PSOE ooit had gehaald bij algemene verkiezingen: negentig parlementsleden. Toen er vanwege een mislukte kabinetsformatie een halfjaar later opnieuw verkiezingen werden uitgeschreven raakte de partij onder zijn leiding nog verder in het slop. Met pijn en moeite wisten de socialisten 85 zetels binnen te slepen, het aantal zetels waarmee Sánchez wil regeren nu premier Rajoy een motie van wantrouwen niet heeft overleefd. Het maakt de kersverse premier weinig uit. Hij staat inmiddels bekend als een doorbijter, gehard door de ongezouten kritiek die hij van zijn partijgenoten te verduren heeft gekregen.

    Twintig maanden nadat hij door zijn eigen partij was platgewalst keert Sánchez nu terug naar het parlement met een fractie die dit keer met ijzeren hand door hem wordt geleid en die haar euforische stemming nauwelijks weet te verbergen. Niemand betwist zijn status van de politieke wonderboy meer die zich in een jaar tijd van een politiek leider die ten dode was opgeschreven heeft ontpopt tot de politicus die het kabinet van premier Rajoy omver heeft geworpen.

    ‘Ik zou liegen als ik zeg dat ik niet ambitieus ben, maar ik ben niet iemand die zich door ambitie laat verblinden,’ zei hij aan de vooravond van de laatste verkiezingen. Wraak op de socialisten die hem een mes in zijn rug staken, kwam in drievoud: hij is premier geworden, is een alliantie aangegaan met Podemos en hij heeft de steun van de Catalaanse independistas. Zijn overwinning is het resultaat van een lange en pijnlijke weg.

    De toen nog leider van de Spaanse Socialistische Partij, Pedro Sánchez op de Dag van de Arbeid in Madrid. – © Oscar Gonzalez / Getty
    De toen nog leider van de Spaanse Socialistische Partij, Pedro Sánchez op de Dag van de Arbeid in Madrid. – © Oscar Gonzalez / Getty

    Pedro Sánchez groeide op in de Madrileense wijk Tetuán. Hij is getrouwd en vader van twee dochters. Toen hij op de middelbare school ‘Ramiro de Maeztu’ zat kon hij tegelijkertijd zijn talent als basketbalspeler ontwikkelen bij de jeugd van club Estudiantes [hij is 1 meter 90] . Hij heeft een master in Economie en Bedrijfskunde aan de Universidad Complutense in Madrid en promoveerde aan de Universidad Camilo José Cela.

    Zijn werkend leven verdeelde hij over de politiek en een docentenbaan aan de Madrileense universiteit waar hij promoveerde. Sánchez is een vastberaden rebel, een knappe man om te zien maar saai om naar te luisteren. Zonder kennis van de context is de stap die Sánchez heeft gezet moeilijk te bevatten. Het ontbrak de partijleiding aan pragmatisme, en de harde interne strijd binnen de partij tastte de fundamenten van de sociaaldemocratie aan.

    Zonder te beschikken over de leiderschapskwaliteiten van een politiek zwaargewicht als Felipe González (premier van 1982 tot 1996) of het charisma van José Luis Zapatero (premier van 2004 tot 2011) werd de bestuurder uit Madrid in 2014 tot partijleider van de PSOE gekozen met steun van Susana Díaz en het partijestablishment. Hij kreeg 48,6 procent van de stemmen. De gemeente- en regionale verkiezingen in mei van datzelfde jaar waren koren op de molen van de partijleider, want de PSOE kreeg een deel van de institutionele macht terug die ze hadden verloren.

    De vreugde was van korte duur. Bij de verkiezingen van 2015 ging hij met Rajoy de strijd om het premierschap aan. Tijdens een verkiezingsdebat verweet hij de premier dat hij geen fatsoen had. Rajoy maakte hem op zijn beurt uit voor inconsistent, beperkt houdbaar, kleinzielig en vals. De slechte stembusuitslag en de duizelingwekkende opkomst van Podemos verdeelde de Socialistische Partij. Sánchez aanvaardde de opdracht van koning Felipe om zich op 2 maart 2016 kandidaat te stellen voor het premierschap. Hij kreeg onvoldoende steun van het parlement. Slechts 130 stemden vóór (PSOE, Ciudadanos en Coalición Canaria) en 219 parlementsleden stemden tegen.
    Hierdoor kwamen de socialisten voor het duivelse dilemma te staan om al dan niet mee te werken aan de kandidaatstelling van Rajoy, leider van de Partido Popular. Sánchez zou in dat geval zijn campagneslogan ‘nee is nee’ moeten intrekken. Er ontstond in het hart van de partij een schisma dat haar partij nog steeds verdeelt. De historische leiders en de kopstukken uit de regio, waaronder Susana Díaz, wilden dat de partij deze draai maakte. Sánchez slaagde er niet in om met zachte hand deze crisis te managen en heel Spanje was er getuige van dat er op 1 oktober 2016 een oorlog uitbrak in de partijtop. De bloedige strijd die volgde eindigde met het aftreden van Sánchez als partijleider.

    Door zijn val had hij in elk geval een goed verhaal voor zijn medestanders: hij was slachtoffer geworden van de mensen die de touwtjes in handen hebben en van de socialistische mastodonten. Tijdens een persconferentie waarbij hij zijn tranen niet kon bedwingen gaf hij zijn parlementszetel op om te voorkomen dat hij blanco moest stemmen bij de kandidaatstelling van Rajoy.

    Zijn overwinning is gebaseerd op het ‘nee is nee’ in de kwestie Rajoy, waar hij onverschrokken achter is blijven staan. In bijna al het andere is hij van mening veranderd

    Hij stapte zijn Peugeot weer in en reed naar alle uithoeken van het land om te spreken op partijbijeenkomsten. Zijn wederopstanding werd een feit op 21 mei 2017. Met meer dan 50 procent van de stemmen won hij de lijsttrekkersverkiezingen van Susana Díaz (39,9 procent) en Patxi López (9,8 procent). Opnieuw werd hij leider van de PSOE. Hij was niemand van de partij meer iets verschuldigd, maar hij zat wel met een partij die werd verscheurd door interne twisten.

    Zijn overwinning is gebaseerd op het ‘nee is nee’ in de kwestie Rajoy, waar hij onverschrokken achter is blijven staan. In bijna al het andere is hij van mening veranderd: hij wilde een constitutionele hervorming waar hij het nu niet meer over heeft; hij beloofde bepaalde wetten – over de arbeidshervormingen of de pensioenen – af te schaffen, maar daar heeft hij tijdens de motie van wantrouwen niet meer over gerept; hij was voorstander van een plurinationaal Spanje maar verdedigt nu met hand en tand artikel 155 van de grondwet.

    Sánchez, basketballiefhebber en fan van bands als Love of Lesbian en Supersubarina, heeft nooit onder stoelen of banken gestoken wat hem drijft. ‘Politiek zit in je bloed. Het maakt deel uit van mij, ook al heb ik niet altijd in de frontlinies gestaan,’ zei hij op een politieke bijeenkomst. Nu wel. Hij is premier van Spanje.

    CONTEXT: Sánchez: een overgangsfiguur?

    De nieuwe leider van de Spaanse regering, de socialist Pedro Sánchez, bekleedt de functie sinds zaterdag 2 juni als gevolg van zijn geslaagde motie van wantrouwen die Mariano Rajoy van de rechtse Volkspartij (Partido Popular), al zesenhalf jaar aan het bewind, tot aftreden dwong. Maar de partij (Partido Socialista) van Sánchez beschikt in het parlement slechts over 84 van de 350 zetels. De motie tegen Rajoy werd aangenomen door een absolute, maar veelkleurige meerderheid van 180 afgevaardigden, qua politieke herkomst variërend van radicaal links (Podemos) tot de Catalaanse onafhankelijkheidspartij en de regionale partijen uit Baskenland en de streek rond Valencia.

    Sánchez heeft ‘op middellange termijn’ nieuwe verkiezingen toegezegd, maar de Spaanse pers is unaniem van mening dat hij onmogelijk lang aan de macht kan blijven. ‘De huidige crisis zal heviger worden naarmate Sánchez volhardt in zijn streven om voorlopig te regeren met de geringe ondersteuning van slechts 84 parlementsleden’, schrijft de linkse krant El País. ‘Alleen de stembus kan de sociaaldemocraten de noodzakelijke legitimiteit bezorgen om de veranderingen in gang te zetten waar Spanje behoefte aan heeft. (…) De regering die Sánchez nu vormt, met een meerderheid van vrouwelijke ministers (elf) – een unicum in Europa maar niet in Spanje, waar het kabinet van premier Zapatero ook voor de helft uit vrouwen bestond – kan noodzakelijkerwijs slechts gedurende een korte overgangsperiode aan het bewind blijven.’

    De politieke toekomst van ex-premier Rajoy blijft in nevelen gehuld

    De nieuwe regeringsleider ‘is afhankelijk van degenen die hem aan de macht hebben gebracht en die daarvoor hun rekening zullen presenteren’, luidt het commentaar in het conservatieve dagblad ABC.

    De leden van de nieuwe Catalaanse regering zijn eveneens sinds 2 juni in functie, waarmee automatisch een einde is gekomen aan het rechtstreekse bestuur vanuit Madrid over Catalonië, zoals dat sinds 27 oktober vorig jaar bestond als antwoord op de eenzijdige Catalaanse onafhankelijkheidsverklaring.

    De politieke toekomst van ex-premier Rajoy blijft inmiddels in nevelen gehuld. Sommige kopstukken in zijn partij eisen het bijeenroepen van een buitengewoon partijcongres om een nieuwe secretaris-generaal te kiezen.

  • Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Een halve eeuw na de strijd om gelijke burgerrechten staan de Amerikaanse universiteiten weer in vuur en vlam.
De inzet dit keer: racisme, diversiteit en vrijheid van meningsuiting. Onze zwartepietendiscussie is er kinderspel bij.

    Keuze uit het archief

    Al wekenlang vinden er op verschillende universiteiten in de Verenigde Staten protesten plaats tegen de oorlog in Gaza. De afgelopen week sloegen de demonstraties ook over naar de campussen van de Universiteit van Amsterdam en Utrecht. Studenten protesteerden tegen de oorlog in de Gazastrook en riepen op tot vrede. Maar het protest mondde uiteindelijk uit in een confrontatie met de politie.
    Er wordt verschillend tegen deze protesten aangekeken. Demonstreren? Prima, maar hou je gedeisd, zullen sommigen denken. Anderen zullen weer van mening zijn dat de urgentie van de situatie in Gaza om drastische maatregelen vraagt.
    In dit artikel van New Republic uit 2015 over de studentenprotesten in de VS van tien jaar geleden, breekt journalist Roxane Gay een lans voor kritische studenten die hun stem laten horen, een fenomeen dat al teruggaat op de jaren zestig. ‘Studenten begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken.’

    Studentenactivisme is niets nieuws. Soms is het ondoordacht, soms wordt het van tafel geveegd, maar het is altijd oprecht. In 1960 vormden jonge zwarte studenten, die genoeg hadden van rassenongelijkheid en de inbreuk op hun burgerrechten, de Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC), een geweldloze studentenbeweging. Uiteindelijk werden ze de radicale tak van de Amerikaanse beweging voor gelijke burgerrechten en coördineerden ze de zogenoemde Freedom Rides tegen de segregatie in het openbaar vervoer
en campagnes voor een betere kiezersregistratie. Ze waren gepassioneerd.
Ze waren provocerend. Ze zetten hun leven op het spel. De SNCC toonde aan dat jonge mensen een integraal onderdeel zijn van een participatiedemocratie.



    Nu, na de gelijktijdige en vergelijkbare studentenprotesten aan de Universiteit van Missouri (Mizzou) en Yale University, hebben we opnieuw reden om na te denken over studentenactivisme, ras en de voortzetting van de beweging voor burgerrechten. Er is de laatste tijd veel geschreven over studenten en hun eigenaardige gewoonten, over het feit dat ze uiterst politiek correct zijn, overdreven gevoelig en verwend. Sommigen hebben gesuggereerd dat studenten pietluttige activisten zijn, dat ze geen gevoel voor humor meer hebben en dat het liberalisme op hol is geslagen op de campussen, en dat dit de studenten noodlottig is geworden.

    Dat is een kleinerende en nogal luie kijk op het studentenactivisme. Tijdens de protesten op Mizzou en Yale en ook elders hebben studenten duidelijk gemaakt dat de huidige situatie onverdraaglijk is. Of we het nu met ze eens zijn of niet, we moeten wel luisteren.

    Op 7 november werd bekend dat de zwarte leden van het footballteam 
van Mizzou van plan waren te staken. Ze schaarden zich als laatsten achter promovendus Jonathan Butler, die in hongerstaking was gegaan, en de activistische groepering Concerned Student 1950, die aandrongen op het vertrek van universiteitsbestuurder Timothy Wolfe. Hun protest was het gevolg van Wolfes laksheid en vermeende onverschilligheid ten aanzien van een aantal rassenincidenten op de campus van Mizzou, waaronder een met menselijke uitwerpselen getekend hakenkruis op een muur. Toen de footballspelers zich eenmaal achter zaak hadden geschaard, ging het snel. Er kwamen meer promovendi in opstand. Op 9 november nam zowel Wolfe als R. Bowen Loftin, de bestuursvoorzitter van Mizzou, ontslag. De overige bestuurders kondigden een reeks initiatieven aan om een beter rassenklimaat op de campus te scheppen.

    Halloween

    Bij Yale stuurde de Commissie voor Interculturele Zaken, bestaande uit diversiteitsbestuurders van alle geledingen van de universiteit, vlak voor Halloween een e-mail aan de studenten waarin ze hun smeekten beter na te denken over de keuze van hun kostuums tijdens Halloween, om daarmee beledigende cultuuruitingen of onjuiste voorstellingen van zaken te voorkomen. ‘Halloween is helaas ook een tijd waarin de gebruikelijke bedachtzaamheid en gevoeligheid van de studenten soms uit het oog worden verloren en er betreurenswaardige beslissingen kunnen worden genomen, zoals het dragen van verentooien, tulbanden, “oorlogsverf”, het aanbrengen van een andere huidskleur dan wel zwarte of rode schmink op het gezicht’, aldus een deel van de mail.

    Dit advies doet misschien paternalistisch aan, maar als je bedenkt hoeveel studenten zich in het verleden met zwarte gezichten hebben getooid en op andere manieren culturen en het gezond verstand met voeten hebben getreden, was de mail ongetwijfeld goed bedoeld en niet zo buitengewoon. Desondanks waren er studenten die klaagden.

    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images
    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images

    Erika Christakis, bestuurder van het Silliman College van Yale, schreef een e-mail waarin ze betoogde dat studenten het recht hebben om studenten te zijn en fouten te maken – met andere woorden, om kinderen te zijn. ‘Ik vraag me af, en ik probeer niet te provoceren, of er geen ruimte meer is voor een kind of jongere om een klein beetje aanstootgevend te zijn, een klein beetje ongepast of provocerend, of zelfs beledigend. Amerikaanse universiteiten waren ooit een veilige haven, niet alleen om volwassen te worden maar ook om enige regressieve of zelfs grensoverschrijdende ervaring op te doen. Nu lijken ze steeds meer plekken te zijn geworden waar censuur en verbods‑
bepalingen de boventoon voeren.’


    Theoretisch is het verleidelijk: waarom zouden mensen hun kwalijke oprispingen níét mogen botvieren?

    Maar Christakis las de e-mail van de Commissie voor Interculturele Zaken opzettelijk verkeerd. De commissie 
verbood helemaal niets, en suggereerde evenmin dat ze dat wilde. Ze deed alleen een aantal suggesties om voor Yale-studenten een betere wereld te scheppen dan die waarin we leven.

    Toen ik aan Yale studeerde, werd ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond beschouwd

    Ik heb van 1992 tot 1994 aan Yale gestudeerd. Toen ik daar was, begreep ik dat ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond werd beschouwd. Niemand kon geloven dat ik daar alleen maar was, net als de anderen, om te leren. Het was niet ongewoon om het doelwit van racistisch gemompel te zijn, van gefluister over positieve discriminatie, en om elke dag minuscule uitingen van agressie [microagressie] te ondergaan. De campuspolitie maakte er een sport van om mij en andere zwarte studenten naar onze studentenkaart te vragen. Mijn ervaring was allesbehalve uniek.



    De huidige protesten zijn het symbool van een veel ingewikkelder probleem: een verstoord rassenklimaat op de campus van Yale dat al vele jaren domineert. De meeste andere overwegend blanke campussen in de Verenigde Staten hebben daar ook last van. Ik heb het grootste deel van mijn volwassen leven op universiteitscampussen doorgebracht, eerst als student en later als docent. Op elke campus was het rassen‑
klimaat altijd gespannen – in het gunstigste geval. Wat er op Yale gebeurt verbaast me niets.

    Op Mizzou is een banale en voorspelbare tegenbeweging op gang gekomen. De studenten zijn door de conservatieve media afgeschilderd als laffe baby’s, kwezels of regelrechte leugenaars. Ze zijn ondankbaar, onverantwoordelijk. Als het om racisme gaat, moeten mensen met een kleurtje kennelijk alles maar zonder klagen slikken.

    Uiterste grens

    Er wordt vaak neerbuigend gedaan over deze zogenaamd kwetsbare jongeren die de echte wereld niet begrijpen. Maar studenten begrijpen de echte wereld wel degelijk, want ze zijn niet alleen maar studenten: ze laten hun sociale achtergrond, seksualiteit, ras
of etniciteit niet achter zich als ze zich aanmelden als student, en hun problemen verdwijnen niet wanneer ze zich inschrijven voor colleges. We mogen hun terechte zorgen niet van tafel vegen. Amerikaanse universiteiten zijn altijd kraamkamers voor de bevoorrechten geweest, en de enigen wier fysieke en emotionele veiligheid daar enigszins is gegarandeerd zijn blanke, heteroseksuele mannen. Is het dan verwonderlijk dat studenten een minimale veiligheidsgarantie eisen? We moeten niet vergeten dat voor de zwarte studenten op zowel Mizzou als Yale de uiterste grens is bereikt. Zij kunnen niet langer verdragen wat ondraaglijk is. Ze zeggen: het is genoeg geweest.



    Studentenactivisme is wijdverbreid omdat sommige studenten hun universitaire ervaring ten volle benutten. Ze begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken in een omgeving waar ze gedwongen zijn mensen te ontmoeten die er anders uitzien dan zij, die anders denken dan zij, een omgeving waar verandering nog mogelijk is. De SNCC en de demonstranten op campussen in het hele land, inclusief Yale en Mizzou, maken deel uit van een krachtige, vitale traditie die we niet over het hoofd mogen zien.
De huidige studentenactivisten 
verrichten het noodzakelijke werk om ervoor te zorgen dat de volgende generatie die deelneemt aan de traditie van studentenactivisme een andere strijd zal voeren.