Tag: NB202535

  • ‘Grootste bedreiging voor tekenaars zijn de kranten waarop zij parasiteren’

    ‘Grootste bedreiging voor tekenaars zijn de kranten waarop zij parasiteren’

    The New York Times stopt met het publiceren van politieke spotprenten. Verontwaardiging alom. Politiek tekenaar voor The Guardian Martin Rowson vindt het een laffe en hypocriete beslissing. ‘Dit is een zwaar overdreven reactie.’

    Keuze uit het archief

    Deze week werd in Frankrijk de brief openbaar gemaakt die Emmanuel Macron aan Netanyahu had geschreven als reactie op zijn beschuldigingen dat Frankrijk te laks is in de bestrijding van antisemitisme. Volgens de Israëlische premier heeft Macrons besluit om de staat Palestina te erkennen het antisemitisme in Frankrijk aangejaagd, een verwijt dat Macron in de brief in felle bewoordingen van de hand wijst.
    Zeker sinds 7 oktober 2023 en de daaropvolgende oorlog in Gaza is antisemitisme een frequent gebruikte term geworden waarmee al snel iedere vorm van kritiek op Israël het zwijgen wordt opgelegd. Toch was dit jaren voor 7 oktober ook al het geval, getuige dit artikel van The Guardian uit 2019 over cartoonist António Moreira Antunes. Hij tekende eens een spotprent van Netanyahu, en dat heeft hij geweten.

    April lijkt voor The New York Times echt de ‘wreedste maand’ te zijn [April is the cruellest month is de openingszin van T.S. Elliots The Wasteland]. Op donderdag de 25ste plaatste de internationale editie een spotprent van de Portugese tekenaar António Moreira Antunes, waarop de Israëlische premier Benjamin Netanyahu stond afgebeeld als een geleidehond die een blinde Donald Trump leidt. Zoals dat gaat bij spotprenten, bungelde er bij de hond Netanyahu een blauwe davidster aan de halsband, waarschijnlijk de Israëlische vlag voorstellend, en droeg Trump een keppeltje.

    Meteen ontstond er grote verontwaardiging over de vermeende antisemitische inhoud van de tekening. In reactie daarop heeft de krant besloten dat ze geen politieke spotprenten meer in haar internationale editie zal plaatsen, is huistekenaar Heng de laan uitgestuurd en is de band met de meermaals gelauwerde Patrick Chappatte verbroken. In een verklaring zei de krant dat ze zou ‘blijven investeren in vormen van opiniejournalistiek, waaronder visuele journalistiek, die de nuance zoeken, complexiteit laten zien en een scala aan diverse meningen de ruimte geven’.

    Uitdagend gezicht

    Dit is een zwaar overdreven reactie, al was de verontwaardiging tot op zekere hoogte gerechtvaardigd. The New York Times heeft – de niet bij naam genoemde – verantwoordelijke redacteur ‘tot de orde geroepen’ en besloten geen spotprenten van CartoonArts International meer te plaatsen. Maar zelfs dat bleek niet voldoende en nu zijn spotprenten in de NYT verleden tijd. Natuurlijk mag de krant, net als elk ander commercieel bedrijf, doen wat ze wil, en ik hoop nog scherp satirische tie-dyes in de kolommen van de internationale editie tegen te komen.

    Maar dit gaat veel verder dan een overdreven reactie op een foute spotprent. Spotprenten zijn waar dan ook ter wereld al eeuwenlang het grove en uitdagende gezicht van het politiek commentaar. Ongeacht hun politieke kleur worden kranten daar beter door, of ze nu opereren in vrije en tolerante democratieën of in repressieve totalitaire dictaturen. En iedereen weet dat ze daar soms mensen mee shockeren of beledigen. In feite is dat precies de bedoeling, ze hanteren een vorm van zwarte, mimetische magie vermomd als grap.

    Daardoor zit de Turkse tekenaar Musa Kart nu gevangen, dreigde de Maleise tekenaar Zunar een straf van 43 jaar cel te krijgen wegens opruiing, totdat hij onverwacht vrijkwam, werden er in januari 2015 vijf tekenaars op de redactie van Charlie Hebdo vermoord, stonden er tientallen Britse tekenaars – waaronder William Heath Robinson – op de dodenlijst van de Gestapo. En daardoor werd, toen de London Evening Standard eind jaren vijftig een cartoon plaatste van haar joodse tekenaar Vicky met kritiek op de doodstraf, een arts uit Harrow zo woest en verontwaardigd dat hij de krant schreef het jammer te vinden dat Vicky en zijn familie de nazi’s hadden overleefd.

    cartoon

    Politiek tekenaars zijn, zoals Kart al opmerkte tijdens zijn proces, als kanaries in de kolenmijn – zodra wij doelwit worden, weet je dat het politiek klimaat vergiftigd is. Maar we hebben niet alleen ijdele dictators of woedende menigten te vrezen. De grootste bedreiging voor tekenaars zijn altijd de kranten waarop zij parasiteren. Toen de accountants begin deze eeuw de Amerikaanse pers onder handen namen, waren de eerste ontslagen werknemers de politiek tekenaars, precies zoals kranten over het algemeen niet door regeringen maar door hun eigenaars worden opgedoekt.

    Ook gaat het lang niet altijd om geld. Ik ben al vaker ‘bedankt voor mijn diensten’ dan ik kan tellen (De ergste keer was toen The Times me ontsloeg om meer ruimte te geven aan Julie Burchills column, alhoewel ik ook de keer niet licht zal vergeten dat ik bij een herindeling van de pagina over persoonlijke financiën van The Guardian moest wijken voor wat men doodleuk een ‘creatief gebruik van de witte ruimte’ noemde).

    Kortom, we zijn vervangbaar. Toch is deze beslissing van de krant der kranten nog ergerlijker dan anders, door de giftige combinatie van lafheid, opgeblazenheid, overdrevenheid en hypocrisie die eruit spreekt. Zoals ik al schreef is april voor de NYT de wreedste maand: in april 2003 kreeg het predicaat ‘consciëntieus’ dat de krant zichzelf toedeelde een bijna fatale klap toen bleek dat sterverslaggever Jayson Blair meermaals plagiaat had gepleegd en veel van zijn verhalen compleet had verzonnen.

    Toen besloot de redactie overigens niet om dan maar nooit meer met verslaggevers in zee te gaan teneinde haar bezoedelde reputatie op te vijzelen. Ook ging er geen verklaring uit waarin stond dat het zou ‘blijven investeren in vormen van nieuwe journalistiek, waaronder geschreven journalistiek, die de nuance zoeken, complexiteit laten zien en een scala aan diverse meningen de ruimte geven’ om vervolgens de kolommen te vullen met, pakweg, accountants en astrologen. Alhoewel je daar, na de stupiditeit van deze beslissing, eigenlijk alleen maar op kunt wachten.

    De tekening waarmee het allemaal begon

    Al direct na publicatie, op 25 april in de internationale editie van The New York Times, maakte de karikatuur van de Portugees António Moreira Antunes felle reacties los. Zelfs in de krant zelf was men er niet over te spreken – de conservatieve columnist Bret Stephens noemde het een ‘abjecte antisemitische tekening’. De redactie sprak van een haastige ‘inschattingsfout’ van een redacteur, bood excuses aan en verbrak het contract met het bureau CartoonArts, van wie ze de tekening had overgenomen.

    Niet lang daarna besloot de krant om helemaal geen politieke tekeningen meer in de internationale editie te plaatsen. In de Amerikaanse editie stonden die sowieso al niet meer. Een paar weken daarvoor had de spotprent in Expresso gestaan, het meest gelezen weekblad van Portugal. ‘António’s spotprent is aanstootgevend en objectief antisemitisch,’ oordeelde de intellectueel Esther Mucznik toen in het dagblad Público. Het tijdschrift verdedigde de plaatsing met: ‘De tekenaar geeft zijn visie op de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten.’

    Een politiek standpunt over de daden van de Israëlische regering en absoluut geen aanval op een religie: zo omschreef António zelf zijn tekening. Tegen CNN zei hij dat ‘Israëlisch rechts geen kritiek duldt; krijgt het die wel, dan noemen ze het automatisch antisemitisme’. Ook de Israëlische tekenaar Michel Kichka mengde zich in het debat, in een blog op zijn eigen website: ‘Ik steun en verdedig António’s vrijheid van meningsuiting. Wij leveren niet minder harde kritiek op Netanyahu, maar geen van ons heeft hem ooit met een davidster om zijn nek getekend, die kan namelijk zowel “jood” als “Israëliër” betekenen, vaak beide. Als je Israël bekritiseert, moet je dat wel met de nodige intelligentie en tact doen.’