Tag: nb202610

  • Een zomer lang vast in Teheran. ‘Ik was onderdeel van een politiek spel’

    Een zomer lang vast in Teheran. ‘Ik was onderdeel van een politiek spel’

    In juli 2019 ontving Nicolas Pelham, Midden-Oosten-correspondent van The Economist, een zeldzaam journalistenvisum voor Iran. Op de dag dat hij naar huis zou vliegen, werd hij tegengehouden. De langdurige gevangenschap die volgde, nam een verrassende wending. ‘Ik had het gevoel dat ik een sleutel tot een geheime tuin had gekregen, en er steeds weer uit werd weggetrokken.’

    Keuze uit het archief

    De oorlog tussen Israël en Iran heeft de spanningen in het Midden-Oosten verder doen escaleren. Terwijl internationale aandacht vooral uitgaat naar het militaire conflict en de geopolitieke gevolgen, blijft één aspect vaak onderbelicht: de manier waarop het Iraanse regime al jarenlang omgaat met journalisten.

    Dit archiefstuk van The Economist uit 2019 weerspiegelt het wantrouwen van de Iraanse autoriteiten tegenover buitenlandse verslaggevers. Midden-Oosten-correspondent Nicolas Pelham beschrijft hoe hij tijdens zijn verblijf in Teheran plotseling werd opgepakt en dagenlang werd vastgehouden door veiligheidsdiensten.


    Ik was net mijn hotelrekening aan het betalen toen ze aan kwamen lopen. Ze waren met zijn zevenen en gekleed in burger, maar ze gedroegen zich stijf en formeel. ‘Mijnheer Pelham?’ vroeg de kleinste en hij overhandigde me een handgeschreven document in het Perzisch. ‘Het is ondertekend door een rechter,’ zei hij. ‘Het geeft ons het recht u 48 uur vast te houden.’ Hij wachtte even tot er een reactie op mijn gezicht verscheen. ‘Misschien is het minder,’ voegde hij eraan toe. ‘We willen je alleen een paar vragen stellen.’



    Hij gaf me een keuze. Ofwel kon ik ondervraagd worden in het hotel, ofwel in hun auto op weg naar het vliegveld. ‘Misschien dat je zelfs het vliegtuig nog haalt,’ zei hij. Bijna automatisch vroeg ik om een ​​advocaat of een diplomatieke vertegenwoordiger. Hij wuifde mijn verzoek weg, om aan te geven dat dit niet nodig was. ‘We willen alleen iets meer over je reis weten. Er is geen reden voor onnodig oponthoud of complicaties.’



    Het was 19.30 uur. Mijn vliegtuig zou binnen vier uur vertrekken en het vliegveld bevond zich op meer dan een uur rijden van Teheran. De ambtenaren brachten me naar een klein kantoor in het hotel en verdrongen zich rondom mijn stoel.



    ‘Uw mobiele telefoon en laptop, alstublieft.’



    Ik wees naar de tas die tegen de muur tegenover ons lag.



    ‘Zijn er nog meer?’



    Ik haalde een tweede telefoon uit mijn zak.



    De kleinste man had de leiding. Hij droeg een donkere, te grote jas en broek. Zijn golvende haar was vettig en zijn gezicht getekend. Hij wipte op en neer op zijn stoel en klopte op mijn knie, maar ik wist niet zeker of hij me probeerde gerust te stellen of te intimideren.



    De bewakers gingen vliegensvlug door mijn boeken en aantekeningen. Ze hielden een stuk papier met notities van een vorige reis in de lucht en vroegen me uit te leggen wat er stond. Ik probeerde mijn schrik te verbergen toen ik zag dat mijn achtjarige zoon grote Hebreeuwse letters op de achterkant had gestencild. Hoe had ik dat kunnen meenemen? Maar als ze het Hebreeuws al opmerkten, zeiden ze er niets van.



    Ik vroeg of ik naar het toilet mocht. Als een klein kind wilde ik even ontsnappen aan de spanning in de kamer. Ik kalmeerde mezelf door diep in te ademen. Die dag, in de taxi terug naar mijn hotel, had ik mijn e-mails doorgenomen en gelezen dat een aantal reizigers, waaronder een Frans-Iraanse wetenschapper van Sciences Po in Parijs, onlangs in Iran waren vastgehouden omdat ze een gevaar zouden zijn voor de veiligheid van de staat. En nu zat ik hier.

    Ze wilden weten hoe vaak ik in Israël was geweest. En Palestina, voegde ik eraan toe

    De grootste van de mannen volgde me op de hielen terwijl we afdaalden naar het toilet in de kelder. Hij gebaarde dat ik de deur open moest laten.

    Toen ik weer boven was, werd ik naar de receptie geleid om mijn rekening te betalen. Twee zwarte sedans stonden buiten te wachten. Ik werd naar de achterste geleid. Nadat aan beide kanten van me een bewaker had plaatsgenomen, reden we weg.

    Gepromoveerd

    Het verhoor begon al onderweg. De belangstelling die de ambtenaren voor me toonden was eerder vleiend dan eng. Na tientallen jaren interviewer te zijn geweest, was ik gepromoveerd tot geïnterviewde. Nooit eerder had iemand me zo interessant gevonden.

    De kleine man vroeg me naar mijn familie, mijn opleiding, de landen die ik had bezocht en de talen die ik sprak. Ik antwoordde Arabisch, Frans en, na een pauze, Hebreeuws. Ik wist zeker dat dit niets nieuws voor hen was. Ze wilden weten hoe vaak ik in Israël was geweest. En Palestina, voegde ik eraan toe, om mijn onpartijdigheid te benadrukken. Uit de radio schalde ruis.

    Ik was opgelucht toen we op het vliegveld arriveerden, waar ik werd herenigd met mijn tassen. Er waren nog geen twee uur verstreken. Maar in plaats van in te checken, werd ik naar een kantoor aan de achterkant van de luchthaven gebracht dat een groot glazen raam had met uitzicht op de vertrekhal. Op de stoelen langs de muren lagen piepschuim bakken gevuld met half afgekloven kippenboutjes en korrels saffraanrijst.

    Nu werd me de status van degenen die mij hadden meegenomen duidelijk – zij gingen over de vitale infrastructuur van de staat. Een lange, forse man, wat netter dan de anderen, werd aan mij voorgesteld als ‘de dokter’. Hij oogde moe en geïrriteerd.

    ‘Je telefoonwachtwoord, alsjeblieft,’ zei de kleine.

    Ik vertelde hem dat ik altijd mijn duimafdruk gebruikte.

    Ik bespeurde een vleugje ongeduld.

    ‘Er is niet veel tijd als je je vliegtuig wilt halen.’

    Ik dacht demonstratief na over mijn code en deed verschillende suggesties, maar geen ervan werkte. Ik had een app op mijn telefoon, die veel door buitenlandse correspondenten wordt gebruikt en mijn editors elke 20 minuten op de hoogte stelde van mijn locatie, zodat ze ongebruikelijke activiteiten zouden opmerken. Ik vroeg me af of ze al iets doorhadden.

    ‘Laatste kans,’ zei de dokter.

    Dit keer was het de goede.

    ‘Je werkt niet mee,’ zei hij fronsend. ‘Het is geen spel. Er is niet veel tijd.’

    Ik hoorde de laatste oproep voor de Doha-vlucht. ‘We gaan,’ werd me verteld. Ik stond versteld van hoe gemakkelijk het allemaal was gegaan en dacht even na over waar mijn ticket was. De kleine man en zijn gevolg escorteerden me. De vertrekhal was links van de incheckbalies. Wij gingen naar rechts.

    Pelham maakte zelf de foto’s bij dit artikel. – © Nicolas Pelham
    Pelham maakte zelf de foto’s bij dit artikel. – © Nicolas Pelham

    Ik liep tussen een soort arrestatieteam. Twee mannen voor me, twee achter me, langs de plastic barricades die het incheckgedeelte van de vertrekhal scheidden, langs de röntgenapparatuur en naar buiten richting de drop-off van de auto’s. ‘Misschien kennen ze een snelle route’, dacht ik nog. Dit keer stond er een oudere, meer gehavende auto op ons te wachten. Ik was gedegradeerd.

    Toen we wegreden, kreeg ik een blinddoek om. Als ik mijn hoofd een beetje optilde, kon ik zo ongeveer mijn voeten onderscheiden. Na een wilde rit van 15 minuten werd ik uit de auto geholpen en over de drempel van een gebouw geleid. Toen mijn masker werd afgedaan, bevond ik me in een volgend kantoor. Ik deed een aantal pogingen te achterhalen waarom ik werd vastgehouden, maar elke vraag werd beantwoord met een bevel.

    ‘Praat Perzisch,’ kreeg ik steeds te horen. ‘Je spreekt toch Perzisch?’

    Ik bleef verontschuldigend volhouden dat dat niet zo was.

    ‘Ken je de koran?’ vroeg een norse bewaker, die ik later als Ali zou leren kennen.

    ‘Ik zoek mijn toevlucht bij Allah tegen de vervloekte satan,’ citeerde ik de liturgische Arabische woorden die voorafgaan aan de recitatie van de heilige tekst. Hij leek geamuseerd.

    ‘Jullie gijzelen buitenlanders,’ zei ik. ‘Waarom?’

    ‘Wacht,’ antwoordde hij (al snel ontdekte ik dat dit zijn favoriete woord was). Andere bewakers kwamen aanzetten met kebab in piepschuim bakken.

    ‘Ik eet geen vlees,’ zei ik gepikeerd.

    Als vervanging kreeg ik grove granenkoekjes en thee in een plastic beker die te heet was om vast te houden. Ik werd heen en weer geslingerd tussen angst en de noodzaak om deze mensen in te palmen. Ik bedankte voor het eten, maar de volgende keer dat Ali me thee gaf, nam ik die aan.

    Sprankje hoop

    De dokter kwam de kamer binnen en vroeg me om alles op te schrijven wat ik in Iran had gedaan, dag na dag, ontmoeting na ontmoeting. Wat ik ook opschreef, hij wilde meer details. Uiteindelijk werd ik ongeveer negen uur nadat ik was meegenomen weer naar buiten geleid. De bewakers zeiden dat ik omhoog moest kijken. Een vliegtuig van Qatar Airways doemde boven ons op, klaar voor de vroege vlucht. Blijkbaar hadden we het vliegveld nooit verlaten. De laatste passagiers gingen aan boord. Ik voelde een sprankje hoop, maar toen zag ik de bewakers grijnzen. Op het asfalt stond een auto klaar. Ze openden de deur en begeleidden me naar binnen.

    De warme gloed van de dageraad steeg uit boven de bergen ten noorden van Teheran. De bewaker vertelde me dat ik naar een plek werd gebracht die een rang hoger was dan de gevangenis. Hij blinddoekte me met een verontschuldigende glimlach, maar liet een iets grotere opening voor mijn ogen en ik mocht me vasthouden aan de stoel voor me. Aan de glimpen van de strepen zag ik dat de chauffeur de vluchtstrook op en af zigzagde. ‘Je moet me gevangenhouden, niet vermoorden,’ grapte ik. Hij lachte, maar we minderden geen vaart. We reden duidelijk terug naar de stad en ik probeerde onze route te traceren. Uiteindelijk daalden we een steile weg af en stopten. Ik schuifelde twee treden op. Eenmaal binnen werd mijn masker afgedaan.

    Ik werd opgewacht door een dickensiaans figuur: bleek, klein en licht gebogen. Op zijn hoofd zaten plukjes haar, zijn gezicht en handen zaten onder de wratten. Hij vroeg me mijn zakken te legen. Ik deed mijn riem af en, met meer tegenzin, mijn bril. Hij leidde me door een gang, ontgrendelde de laatste deur links en gaf aan dat ik naar binnen moest gaan. Het was een ruime cel, misschien 20 vierkante meter, met een dunne mat op de vloer. Hij wees naar een stapel stoffige bruine dekens die opgevouwen in een hoek lagen. Terwijl ik ernaartoe liep, hoorde ik hoe de deur achter me dichtviel en het geknars van de grendel die ervoor werd getrokken. Door een hoog raam kon ik het vroege ochtendlicht zien. Ik kleedde me uit en viel in slaap.

    Eerste soloreis

    De regering van Iran is zelfs in betere tijden gecompliceerd en soms paranoïde. De gekozen parlementsleden houden de schijn van democratie op, maar de macht berust uiteindelijk bij de hoogste leider, Ayatollah Ali Khamenei. De Islamitische Revolutionaire Garde, het militaire elitekorps van Iran, legt rechtstreeks verantwoording aan hem af. Rivaliserende takken van de staat, inclusief de veiligheidstroepen, strijden om invloed. En de regels zijn onduidelijk. Velen beschouwen westerse journalisten, vooral degenen die lastige vragen stellen, als spionnen. Er zijn altijd ‘oppassers’ aanwezig, met bandrecorders in de hand om geïnterviewden te intimideren.

    En dit was een slechte tijd wat de betrekkingen met het Westen betreft. In april 2019 riep Amerika de Revolutionaire Garde uit tot terroristische organisatie. De sancties werden aangescherpt, waardoor Iran niet in dollars kon handelen of olie kon verkopen.

    Ik was al drie jaar op een journalistenvisum aan het wachten toen de Iraanse autoriteiten me er op 1 juli 2019 onverwacht een verleenden. Bij eerdere bezoeken aan Iran maakte ik deel uit van een grotere groep die de verkiezingen versloeg, of ging ik samen met collega’s van The Economist. Ik wist dat de Iraanse autoriteiten vooral wantrouwend waren tegenover journalisten die naar Israël waren geweest of joods zijn. Ik had beide vakjes aangevinkt. Vandaar dat ik al niet helemaal gerust was op mijn eerste soloreis.

    Drie dagen voordat ik naar Iran vertrok, legden Britse mariniers beslag op een van Irans grootste olietankers omdat deze door de Straat van Gibraltar voer en olie naar Syrië zou verschepen, waarmee de Europese sancties werden geschonden. De Iraanse ambtenaars die ik kende verzekerden me dat ik veilig zou zijn. Maar de timing van mijn visum was opmerkelijk. Tijdens de week die ik voor mijn verslaggeving had uitgekozen vonden maar weinig van de ontmoetingen die ik had aangevraagd plaats, en als ze wel doorgingen, werd er in lijn met de regering op gehamerd dat Groot-Brittannië een daad van piraterij had begaan. Mijn hotel, ooit een favoriet bij buitenlandse journalisten, was donker en leeg. En toen ik naar het vrijdaggebed ging om te schrijven over een bijeenkomst voor de strikte handhaving van het dragen van de hijab, werd me toegang geweigerd omdat ik een Britse onderdaan was. Iran was niet in een gastvrije stemming.

    Mijn hotel, ooit een favoriet bij buitenlandse journalisten, was donker en leeg

    Ik was erheen gegaan om de impact van de door Amerika opgelegde sancties te onderzoeken. Volgens sommige nieuwsberichten stond Teheran op instorten, maar daar zag ik weinig van terug. Er werd niet paniekerig ingeslagen. De stad zag er schoner en moderner uit dan tijdens mijn bezoek drie jaar eerder. Teheran heeft de beste metro in het Midden-Oosten, met lokaal gemaakte treinen. Parken en musea waren er in overvloed en goed onderhouden, trottoirs werden geschrobd en de vele bloembedden van de stad waren perfect onderhouden.



    Natuurlijk hadden de sancties mensen getroffen. Een gemiddeld maandsalaris was lager dan de prijs van een paar geïmporteerde schoenen. Ik zag mensen op straat slapen en spullen verkopen. Een voormalig universitair docent die ik ontmoette was straatmuzikant geworden. Maar slechts weinig mensen hadden honger en onder de mensen die ik sprak leek een joie de vivre te bestaan. Cafés, theaters en muziekzalen zaten vol. Na eerdere sancties was Teherans Symfonieorkest opgeheven, maar ik had een kaartje voor de openingsavond van het nieuw opgerichte Filharmonische orkest.



    Enkele slimme ondernemers hadden zelfs manieren gevonden om van de sancties te profiteren. Toen Google en Apple Iran hun diensten ontzegden, ontstonden er lokale klonen. Snapp!, een taxi-app, beweert meer gebruikers in Teheran te hebben dan Uber in Londen. Tekorten aan bepaalde goederen, met name medicijnen, hadden geleid tot de toename van homeopathische winkels in de stad.



    Sommige Iraniërs met wie ik sprak pleitten voor strengere sancties om het regime ten val te brengen dan wel te dwingen zijn toevlucht te nemen tot diplomatie. Zelfs vermeende loyalisten zeiden in privégesprekken dat ze hoopten dat een verdere druk op de olieprijzen de regering zou kunnen dwingen van koers te veranderen. Anderen hadden minder geduld. De oppasser die de regering me had toegewezen om me de hele week te vergezellen, had net zo lang op datingsites gezocht tot ze een Algerijns-Franse student had gevonden die met haar wilde trouwen en haar een visum voor Frankrijk kon bezorgen. Ze was de helft van mijn leeftijd, maar gedroeg zich als een victoriaans kindermeisje en pakte mijn arm als we de weg overstaken. Toen ik in het hotel werd gearresteerd, zat ze aan een salontafel in de lobby een verklaring te schrijven en weigerde elk oogcontact.

    Akelig vertrouwd

    De zon stond al hoog toen ik op mijn eerste ochtend in detentie ontwaakte. Het was een broeierige dag, maar een halfslachtige airconditioner maakte de hitte wat draaglijker. Zodra ik was opgestaan, ontgrendelde mijn bewaker de deur om me een metalen dienblad met dun naanbrood, yoghurt en water te brengen. Hij gaf het me en wees me de weg door de gang naar de latrines. Boven een gat in de grond was een douchekop, maar ik zag geen handdoeken of zeep. Het koude water werkte verfrissend.

    Hoe wist de bewaker dat ik wakker was? Zonder bril was mijn zicht wazig, maar ik kon boven de deur een kleine camera onderscheiden. Eerdere inzittenden hadden op de muur geturfd, wat suggereerde dat ik hier misschien wel een tijdje zou moeten blijven. Ik liep door de cel en probeerde hem groter te doen lijken door me voor te stellen dat elke muur een weiland thuis in Gloucestershire begrensde. De nachtkastmuur liep langs de weiden naar de heg, die zich langs de muur met de deur uitstrekte. Ik draaide me om en liep door het bos, langs de rand van het schapenveld en terug naar mijn bed.

    De landelijke wandeling hielp me om mijn perspectief verruimen. Het was maandagochtend in Groot-Brittannië, maar ik wist niet of iemand mijn vermissing zou hebben opgemerkt. Mijn vrouw was nu onze kinderen aan het klaarmaken voor school, in afwachting van bericht van mij. Ze zou naar Parijs gaan voor research voor haar nieuwste boek en ik had beloofd op tijd terug te zijn om haar af te lossen. Opnieuw moest ik haar teleurstellen. Mijn collega’s begonnen zich misschien al zorgen te maken.

    De ervaring was niet geheel nieuw voor me. Ik had vaker een korte tijd in de gevangenis doorgebracht. In 1997 werd ik urenlang vastgehouden in Noord-Jemen, waar ik als verslaggever verbleef, en in 1999 bracht ik een lang weekend door in de cel op de kruising tussen Gibraltar en Spanje, op beschuldiging van het smokkelen van goederen naar Spanje (in werkelijkheid was ik er om mijn flat in Marokko in te richten). Als correspondent in Iran was ik akelig vertrouwd geraakt met gijzeling. En ik wist dat mijn omstandigheden hier, met het natuurlijke licht en de ruime cel, relatief goed waren.

    Er kwamen allerlei fantasieën bij me op. Ik probeerde een kosten-batenanalyse op te maken van mijn situatie. Als ik mijn arrestatie bekend zou maken, zou dat mijn kans op een vroegtijdige vrijlating kunnen verkleinen, maar de verkoop van een bijgewerkte versie van mijn boek kunnen bevorderen. Mijn gevangenisbewaarder, die me tot nu toe uitsluitend met gebrom te woord had gestaan, zou me Perzisch kunnen leren. Door het spartaanse dieet zou ik misschien wat afvallen.

    f78e808af5a0d9e9a45a8e8a87926c5e2cd68772

    Ik begon mijn oefeningen tegen heupjicht te doen, die eindigen op gebogen knieën en teraardewerpingen, met het voorhoofd op de vloer. De grendel schoot open en mijn bewaker tuurde naar binnen. Dacht hij dat ik me zo snel al had bekeerd? Of dat ik een hartaanval had? Sub bekheir (goedemorgen), stelde ik hem gerust, en hij antwoordde vriendelijk. Ik had hem zijn eerste woorden ontlokt.

    De komende uren maakte ik regelmatig gebruik van mijn toiletrechten. Dat de klop op de deur me in staat stelde zelf het moment van onze ontmoetingen te bepalen, gaf me een gevoel van controle. De bewaker leek blij van de verveling te worden verlost, gromde bij elke gelegenheid weer een andere zin – gromdekhosh bakhtam (leuk je te ontmoeten), asr bekheir (goede middag) – en wachtte steeds net iets langer met me weer opsluiten. ‘Wil je meer?’ vroeg hij, wijzend naar de waterkan, alsof hij me aanmoedigde de frequentie van mijn toiletbezoeken te verhogen.

    Op mijn tweede dag, toen de schemer inzette, deed mijn bewaarder me een blinddoek voor en leidde me onhandig door een gang. Toen hij het masker weer afdeed bevond ik me in een kamer die door een eenzijdige spiegel, waar ik niet doorheen kon kijken, in tweeën werd verdeeld. De dokter wachtte me op. Hij wierp me een vluchtige blik toe en verdween weer. Ik hoorde hoe iemand aan de andere kant van de spiegel de kamer binnen kwam en daarna het gepiep van stoelpoten. Een silhouet stelde zich voor als mijn tolk.

    ‘Het is mijn taak om agressief te klinken. Ik hoop dat u daar begrip voor heeft,’ zei hij verontschuldigend, voordat de arts was teruggekeerd. De tolk had me online opgezocht en wilde weten hoe hij aan mijn boeken kon komen. Hij klonk een beetje te vriendelijk en ik begon me zorgen te maken over welke wending dit zou nemen.

    Ik was een zwak aftreksel van een politiek gevangene

    De dokter verscheen opnieuw. Hij ging achter mijn stoel zitten en legde zijn handen op mijn schouders. ‘Het is belangrijk dat je meewerkt,’ zei hij.

    Ik antwoordde dat ik niets te verbergen had. Hij ging verder in het Perzisch, maar de tolk vertaalde niet.

    ‘Wat zegt hij?’ vroeg ik aan de spiegel. Er volgde nog meer Perzisch.

    ‘Antwoord in het Perzisch,’ beval de tolk.

    ‘Maar ik spreek geen Perzisch,’ protesteerde ik.

    ‘We weten dat je Perzisch spreekt.’

    Ik verontschuldigde me. ‘Ik zou het graag willen leren,’ zei ik, en ik stelde voor om Arabisch te spreken.

    De dokter zwichtte en ging verder in gebroken Engels, verfraaid door de tolk. Hij vertelde me dat ik naar een comfortabeler locatie zou worden overgebracht terwijl zij hun onderzoek uitvoerden en mij verder ondervroegen. Dit was een gunst, zei hij, maar de beslissing kon worden teruggedraaid als ik niet meewerkte, een dreigement dat ik nog vaak terughoorde. Hij hoopte dat hij me voor rechterlijke vervolging kon behoeden.

    Mijn solitaire opsluiting had minder dan 12 uur geduurd, vermoedde ik. Ik was een zwak aftreksel van een politiek gevangene.

    Nieuwe verblijfplek

    Ze namen me mee naar mijn nieuwe verblijfplek, een armoedige flat op de bovenste verdieping van wat een vervallen hotel leek te zijn. Er stonden twee banken, een fauteuil, een rechthoekige glazen salontafel en tegen de muur aan een tv. Vaaloranje gordijnen bedekten de ramen langs een kant van de kamer. Een houten kitchenette nam een van de hoeken in beslag. Aan de andere kant waren twee slaapkamers, en de bewakers gebaarden dat ik in een daarvan moest gaan rusten. Toen ik de deur achter me sloot, deden ze hem weer open. Die nacht moest ik op een matras in de zitkamer doorbrengen terwijl de bewakers met het licht aan over me waakten tot het ochtendgloren.

    Op mijn eerste avond in de flat kwamen de dokter, zijn assistent Ali en weer een andere tolk langs en bleven tot diep in de nacht. Opnieuw verzocht ik contact op te nemen met mijn ambassade en een advocaat. Dat was een netelige weg, adviseerden ze, die kon leiden tot een langdurige rechtszaak of opsluiting in de beruchte Evin-gevangenis. ‘En je weet wat er in Evin gebeurt,’ zei de dokter.

    Toen ik in Teheran aankwam, had ik gedineerd met een econoom die onlangs was vrijgekomen na een maand in wat alumni de Evin Universiteit noemen: 21 dagen in eenzame opsluiting. De marteling, vertelde hij me, was eerder psychologisch dan fysiek. Hij bleef volhouden dat hij ongedeerd was, maar sinds ik hem drie jaar eerder had gezien was zijn haar wit geworden.

    Dreiging

    De uniforms van mijn ontvoerders kon ik niet thuisbrengen, maar op de tweede dag vertelde de dokter me dat hij een officier was van de geheime dienst van de Revolutionaire Garde. De veiligheidsdiensten van Iran hebben veel verschillende takken. In 1979 hield de nieuwe Islamitische Republiek veel van het bestaande staatsapparaat in stand, waaronder het leger en een groot deel van de bureaucratie. Maar het voegde er een niveau aan toe, dat diende om de bestaande instellingen te controleren. Sindsdien zijn de verschillende afdelingen met elkaar in strijd. Het ministerie van Inlichtingen van de regering zou waarschijnlijk geen westerse journalist vasthouden waarvan de komst was goedgekeurd. Mijn belagers behoorden tot zijn krachtigere rivaal.

    Vanaf de eerste maanden van de revolutie van 1979, toen de Revolutionaire Garde 52 mensen gijzelde in de Amerikaanse ambassade, heeft het korps een record aantal buitenlanders vastgehouden. In de jaren tachtig van de vorige eeuw zette de Libanese Hezbollah, die wordt gesteund door Iran, westerse gezanten, leraren en journalisten gevangen. Iran zelf was ook opnieuw begonnen met arrestaties uitvoeren. Veel gedetineerden hadden een dubbele nationaliteit, waaronder Nazanin Zaghari-Ratcliffe, een Brits-Iraniër die sinds 2016 wordt vastgehouden. Maar sommigen hadden geen Iraanse nationaliteit. De dreiging naar mij toe was reëel.

    Ik was verrast toen de dokter zei dat ik een bericht aan mijn vrouw mocht dicteren, waarna zijn mannen het vanaf mijn telefoon zouden verzenden. De korte tekst was een getuigenis van mijn toewijding en schuldgevoel, gecombineerd met een roep om hulp die zo onderdrukt was dat hij toch zou worden verstuurd.

    ‘Liefste Lipika, het spijt me dat ik niet op tijd terug ben voor je reis morgen. Ik zit sinds gisteravond vast in Teheran en wordt ondervraagd. Ik ben ongedeerd en tot nu toe word ik goed verzorgd. Ik neem morgenochtend contact met je op. Maak je geen zorgen, het komt goed. Ik hou eindeloos van je, Nico.’

    In de dagen die volgden waren er steeds andere mannen om me in de gaten te houden; elke ploeg bleef 24 uur. Het was een verrassend intieme ervaring om samen met mijn bewakers in een kleine flat te worden gepropt en onze dagen dicht op elkaar door te brengen in T-shirt en onderbroek. Na verloop van tijd verdween veel van de argwaan van de bewakers en leken ze zich al minder zorgen te maken over dat ik misschien zou proberen te ontsnappen dan over dat anderen zouden proberen binnen te komen. Waren ze bang voor een Hollywoodachtige bevrijding door westerse handlangers, vroeg ik me af, of vreesden ze dat de Iraanse inlichtingendiensten hun nieuwste aanwinst wilden afpakken? Ze lieten de sleutel van het appartement verleidelijk in het slot zitten, maar één klop op de deur en ze waren volledig op hun qui vive, zelfs wanneer ze een maaltijd hadden besteld. Ze haalden hun pistolen uit hun achterzakken en gingen klaar staan achter de zware kast die ze voor de deur hadden geschoven. De ene bewaker schoof de kast een paar centimeter naar achteren, de andere hield zijn pistool in de aanslag en strekte zijn arm uit. Daarna openden ze de deur net ver genoeg om de bezorger te kunnen opdragen het eten op de gang te zetten. Pas als ze de lift hoorden dalen, haalden ze de buit binnen.

    Wanneer ik dacht dat de bewakers sliepen, gluurde ik door de opening tussen de gordijnen door

    Eén bewaker nam de rol van leraar op zich. Ik wees naar objecten en hij zei het betreffende woord in het Perzisch. Samen oefenden we de juiste uitspraak. We waren net aan zinnen toe, toen hij vertrok. Een ander stond erop dat we samen zouden trainen, zodat we uren op de vloer tegenover elkaar zaten met onze benen in elkaar geklemd en sit-ups deden. Na een dag stelde hij voor om te dansen op Iraanse liefdesliedjes, die hij op zijn mobiele telefoon afspeelde. Hij draaide rondjes door de kamer, zwaaide met zijn handen en zijn bekken. De rest van ons deed alsof ze meededen, vooral om hem aan te moedigen, en zette vervolgens een stap achteruit om van het spektakel te genieten. Steeds als ik het gevoel kreeg een band met een bewaker te ontwikkelen, werd hij alweer vervangen.

    De mannen brachten het grootste deel van hun tijd gekluisterd aan hun telefoonschermen door, en met het kijken naar Bollywood-films of Amerikaanse of Chinese pulp vol straatgevechten, waartoe ze toegang hadden via privénetwerken om de censuur te omzeilen die zij moesten handhaven. Ze bestelden kebabs, pizza’s en watermeloen en ruimden nooit iets op. Elke ochtend waste ik hun borden af, schraapte de overgebleven watermeloenschillen, pizzabodems en kebabkruimels in de prullenbak en zette thee. Ik zuchtte demonstratief, als een vader die zijn onhandelbare kinderen wanhopig iets probeert bij te brengen. ‘Bedankt,’ zeiden ze verontschuldigd.

    Ik doorzocht de flat op een teken waar in Teheran we ons zouden bevinden. Op het serviesgoed stond alleen ‘Made in China’. De afhaalmaaltijden kwamen van een restaurantketen die door heel Teheran opereerde. Wanneer ik dacht dat de bewakers sliepen of op hun telefoon zaten, gluurde ik door de opening tussen de gordijnen door. We zaten zes hoog en de smalle straat was omzoomd door hoge platanen, waarvan de uiteinden tot de grond reikten. De straat liep schuin omhoog naar rechts, maar niet steil, dus ik vermoedde dat we ergens in het lagere gedeelte van Noord-Teheran zaten. In een stad van 15 miljoen mensen had ik daar niet veel aan. Toen ik op een oude crèmekleurige föhn ‘Hotel Johnson’ zag staan, had ik een kortstondige opleving. (Later ontdekte ik dat een merk was.)

    Mijn ondervragers bezochten me elke ochtend, maar op de derde dag ging het er al wat luchtiger aan toe. Ik mocht in mijn kamer slapen, met de deur open. De dokter legde uit dat hij zijn ondervragingen moest voortzetten, maar dat ik in de tussentijd naar een comfortabeler hotel zou worden gebracht. Ik mocht geen journalistiek werk doen, maar wel door de stad zwerven, zolang ik Ali op de hoogte hield van wat ik deed en wie ik ontmoette. Als journalist had ik een oppas die me voortdurend in de gaten hield, nu mocht ik vrij rondwaren.

    Een uur later gaven de bewakers me mijn spullen terug. Mijn telefoons, laptop en notebooks ontbraken, maar het Hebreeuwse stencil van mijn zoon was er nog. De apparaten zou ik later terugkrijgen, beloofde Ali. Hij zou tijdelijk een vervangende smartphone voor me regelen.

    Ik schudde mijn ontvoerders de hand. Misschien zei ik zelfs ‘tot ziens’. Ik deed ervaren de blinddoek voor en werd het appartement uit geleid, de lift in. Toen we weer op de hoofdweg waren, werd het masker afgedaan. Het voelde als een avondritje met oude vrienden. Twintig minuten later kwamen we aan bij het Simorgh-hotel, waar ik eerder was verbleven, in het chique noorden van Teheran. De dokter wachtte me op bij de incheckbalie: $50 per nacht, zei hij. Voel je vrij om internationaal te bellen. De Revolutionaire Garde zou de rekening betalen.

    aa9161c5e5562d6b29e13ee1b1dbf50b04e89999

    Ik aarzelde even voordat ik de lobby van het hotel uit stapte. Als eerste ging ik naar de wasserette 50 meter verderop. Toen de eigenaar een praatje aanknoopte, ontdekte ik dat hij de broer was van een man die ik tijdens mijn verblijf had geïnterviewd. Ik vroeg hem mijn beste wensen door te geven en waagde me iets verder bergopwaarts, daarna het beeldenpark in. Ik vroeg me af of ik mezelf zou trakteren op een fatsoenlijke maaltijd, maar had geen zin om alleen te eten. En ik wist niet wat de grenzen die mij waren opgelegd eigenlijk inhielden. Mijn eerste uitstapje duurde amper een half uur.

    Daarna ging ik elke keer dat ik het hotel verliet een stukje verder voordat ik weer terugkeerde naar mijn toevluchtsoord; het hotel. Ik kende verschillende mensen die in de buurt woonden, maar vermeed contact met hen. Op een gegeven moment kwam ik iemand tegen die ik enkele dagen eerder had geïnterviewd (hij had me meegenomen naar een Perzische versie van Waiting for Godot). Hij leek geschrokken om me te zien, want wist dat ik van plan was geweest te vertrekken. Maar ik wimpelde zijn vragen af. Zelfcensuur geldt als een van de sterkste middelen van een autoritair regime, en nu was ik medeplichtig.

    Twee kanten

    Ondanks de vrome reputatie van Iran, is Teheran misschien wel de minst religieuze hoofdstad van het Midden-Oosten. Geestelijken domineren de nieuwskoppen en hebben een belangrijke rol in soapseries, maar ik heb ze nooit op straat gezien, behalve dan op billboards. In tegenstelling tot de meeste moslimlanden is de oproep tot gebed nauwelijks hoorbaar. Er was een uitgebreide campagne gevoerd voor de bouw van nieuwe moskeeën, maar kunstgalerijen worden op vrijdagen drukker bezocht dan een religieuze dienst. Met uitzondering van Tel Aviv ben ik nergens in het Midden-Oosten geweest waar mensen zo gulzig lazen als in Teheran. The Handmaid’s Tale, het dystopische verhaal van Margaret Atwood over vrouwen die in een theocratische samenleving tot slaaf zijn gemaakt, is in het bijzonder populair, vertelde de eigenaar van een boekhandel me.

    Hoe meer ik me verdiepte in het stadsleven, hoe kleurrijker ik het vond. Ik ontmoette een raver die in Los Angeles en Parijs had gefeest, maar, zei hij, ‘niets haalt het bij Iran’. Plastisch chirurgen waren zo succesvol dat een Engelse pornoster ervoor zou hebben gekozen haar nose jobs in Teheran te laten doen.

    ‘Het tastbare gevoel dat je zomaar ineens doelwit zou kunnen worden, draagt ​​bij aan de overgave waarmee sommige mensen leven’

    Het leven in Iran heeft altijd twee kanten gehad. Niets kan en alles kan. Alcohol is verboden, maar wijn wordt sneller aan huis bezorgd dan pizza. Een portret van Ayatollah Ruhollah Khomeini, die de Islamitische Republiek oprichtte en zich tegen muziek keerde, hangt boven het podium in concertzalen door het hele land heen, die zinderen van een uitgelaten publiek. Het tastbare gevoel dat je zomaar ineens doelwit zou kunnen worden, draagt ​​bij aan de overgave waarmee sommige mensen leven.

    De ruimte voor een sluiervrij bestaan was sinds mijn laatste bezoek toegenomen. Eenmaal veilig thuis ontdeden veel vrouwen zich van hun hoofdbedekking, om vervolgens op internet te chatten. Verduisterde bioscoopzalen boden ontsnapping aan de moraalpolitie, die de discipline moest bewaken. In cafés deden vrouwen hun sjaals af. De brutaleren vertoonden zich zelfs onbedekt op straat en riskeerden daarmee een gevangenisstraf. En, als een soort omgekeerde rebellie, is de stropdas zo’n 40 jaar nadat Ayatollah Khomeini deze als een symbool van het Britse imperialisme aan de kaak stelde weer terug. (De dirigent bij het Philharmonisch Orkest droeg een felrood exemplaar.)

    Veel regels hebben bovendien hun eigenaardigheden. Een vrouwelijke acteur mag haar eigen haar niet op het podium laten zien, maar wel een pruik dragen die haar fantastisch staat. Ze mag zingen maar geen solo spelen. Ze mag dansen, maar niet in het openbaar.

    Ik voelde me aangetrokken tot deze uitbundige kant van het leven in de hoofdstad. De lijst met toneelstukken in Teheran was bijna net zo lang als die in het Londense West End, en ik verslond ze. Regisseurs zijn bedreven in het vinden van manieren om censuur te ontwijken. Een opvallend aantal toneelstukken en films die ik zag, speelden in de gevangenis – als commentaar op de situatie in Iran –, maar dan onder vroegere regimes. Opera was taboe, maar het programma in het operagebouw van de voormalige sjah, dat werd aangekondigd als Koerdische volksmuziek, bevatte ook Verdi. Onder een enorme glinsterende kroonluchter gooide het publiek boeketten met bloemen naar de Iraanse zangeres, die zowel in Rome als in Berlijn wordt geprezen; als toegift waagde ze eindelijk een solo te zingen.

    De meest buitengewone uitvoering die ik gedurende deze vreemde weken bezocht was een versie van The Sound of Music. Ik dacht aanvankelijk dat het enthousiasme van het publiek getuigde van Teherans dorst naar Americana, maar het verhaal uit Oostenrijk uit de jaren dertig bleek vandaag de dag opvallend toepasselijk voor Iran. Het klooster had iets weg van een madrassa voor vrouwen in Qom, het religieuze centrum van het land, en het publiek was onder de indruk van de rebelse dame die de verstikkende sfeer probeerde te doorbreken. Ze zongen mee toen ze de heuvels in vluchtte en zuchtten toen ze, geplaagd door haar geweten, terugkeerde. Het einde kreeg een Iraanse wending. In het origineel ontsnappen Maria en haar pupillen aan de nazi’s, en is ze vrij. Hier liepen ze over het podium als stemloze vluchtelingen die gehavende koffers met zich mee sleepten, een bittere verwijzing naar het lot van de velen die hun vaderland ontvluchten. Niet de familie zong het laatste lied, maar een triomfantelijke falanx van geestelijken en Hitler Jugend. Op de achtergrond was een gigantische nazivlag te zien.

    Vrouwen zonder hoofdbedekking die op een van de vele bewakingscamera’s waren gespot, ontvingen een politieoproep

    Natuurlijk slaagde niet iedereen erin zich binnen de regels te bewegen. Tijdens mijn eerste week in Teheran hielden de autoriteiten een uitvoering tegen van Ibsens Hedda Gabler – over zelfmoord, wat in de islam verboden is – en nog een, over arme vrouwen die gaan stelen om hun families te voeden. Cafés waar live bands speelden liepen het risico te worden gesloten totdat ze een boete hadden betaald. Vrouwen zonder hoofdbedekking die op een van de vele bewakingscamera’s van Teheran waren gespot, ontvingen per sms een politieoproep. Maar de moraalpolitie, die in nieuwe, groen-witte busjes door de stad reed, was te verspreid om elke overtreding aan te kunnen pakken.

    Op een avond stuitte ik op een menigte die bij het optreden van een violist stond te klappen. Ze hadden een cirkel gevormd rond een paar mannelijke dansers die sensueel in de rondte draaiden en hun polsen heen en weer zwaaiden. De menigte juichte hen toe. En toen ineens gingen de lichten in het park uit. Het komt niet vaak voor dat de elektriciteit in de stad uitvalt, dus bestond het vermoeden dat de autoriteiten na een tip de stekker eruit hadden getrokken, of de bijeenkomst op een camera hadden opgemerkt. Uit de duisternis klonk gejoel. Iemand schreeuwde ‘Pahlavi’, de allang overleden sjah aanhalend. Een minuut later klonk het luide gezoem van een generator.

    Niet echt vrij

    Hoewel mijn middagen en avonden aangenamer waren geworden, werd ik op de meeste ochtenden nog altijd ondervraagd. Het ging er informeler aan toe dan vroeger. Ze vroegen me om mee te komen naar het hotel, boden koffie aan en terwijl we door de stad reden vroegen ze me van alles, van mijn opvattingen over Israël en Palestina tot de sancties en zelfs de Brexit.Soms raakten de vragen op en nam het gesprek een andere wending. De dokter vertrouwde me toe hoe moe hij was. Hij sliep slechts een uur per nacht, zei hij: hij was niet alleen een inlichtingenofficier, maar ook wetenschapper en hij had een krantencolumn.Naarmate de tijd verstreek, werden de bezoeken van de bewakers zeldzamer en korter. ‘Je mist me, hè?’ grapte Ali toen ik belde om te vragen waar hij was. Maar ik had ook mijn andere contacten: mijn vrouw en een hechte kring van collega’s in Londen die via WhatsApp en telefoontjes steeds meer betrokken raakten. Aanvankelijk dachten ze dat ik me verveelde en dat ze mijn moraal moesten opvijzelen. De een stuurde me ademhalingsoefeningen en de ander daagde me uit tot atletische zwem- en renprestaties. Soms vond ik deze afleiding ronduit vervelend. Ik had het gevoel dat ik een sleutel tot een geheime tuin had gekregen, en er steeds weer uit werd weggetrokken. Mijn collega’s waren bang dat mijn verkenningstochten me in gevaar brachten. Ik vond hun aandacht zowel geruststellend als belastend. Enerzijds wilde ik ze het gevoel geven dat ik hun steun waard was, anderzijds vond ik het moeilijk hun verlangen naar mijn spoedige terugkeer te beamen.

    Het was een zege om me vrij in Teheran te kunnen bewegen, zonder oppas, deadline of taak. Maar ik was natuurlijk niet echt vrij. Ik hield mezelf namens het regime in bedwang, censureerde en bewaakte mezelf in de wetenschap dat elke terugval gevolgen kon hebben. Soms probeerde ik door collega’s of familieleden heen te praten wanneer ze dingen zeiden waarvan ik vreesde dat ze mijn ontvoerders zouden tegenstaan. Het voelde alsof er honderden elektronische ogen op me gericht waren. Die allervriendelijkste gezichten die me begroetten, waren misschien wel informanten. En ik kon Iran niet verlaten. Het is een vreemd gevoel te weten dat je op elk moment betrapt kunt worden. Maar dit was hoe het in Teheran ging. Sommige wegen openen zich, andere sluiten. Iedereen voelt zich een gevangene. Er zijn mensen die zeggen dat dit alles de opzet was van de ayatollahs, om de mensen scherp te houden.

    Op de tiende avond van mijn gevangenschap kwam de dokter glimlachend naar mijn hotel. Uit hun onderzoek was gebleken dat ik inderdaad een verslaggever was. Ik was vrij om de dinsdag erna, over vijf dagen, te vertrekken. Ze hoefden alleen nog het papierwerk voor mijn uitreisvisum af te ronden. Hij hoopte dat ik terug zou komen naar zijn land en contact zou houden. Hij vroeg me om hem een ​​foto te sturen van het Emirates Stadium, waar Arsenal speelt. Ik zou op tijd thuis zijn voor een kampeervakantie met mijn gezin en kon mijn vader zien, die steeds verder achteruit ging. Ik zou mijn bezorgde collega’s kunnen ontlasten. Ik kon eindelijk het lot erkennen dat me bij dezen werd gespaard: ik had zomaar maanden, misschien jaren opgesloten kunnen worden.

    Maar toen ik Ali vroeg of het kantoor in Londen een vlucht voor me moest boeken, zei hij dat ik moest wachten. Het was moeilijk om met de verwachtingen van mijn familie en collega’s om te gaan, en met die van mezelf. Ik ging cadeautjes kopen. Ik kocht voor mijn vrouw een handgemaakte ring, een zilveren doorn die zich over meerdere vingers uitstrekte, en een schilderij van een slapende vrouw waarvan ik half vermoedde dat de autoriteiten het bij mijn vertrek beslag zouden nemen.

    Tot nu toe had ik het gevoel gehad dat mijn antwoorden op de ondervragingen ertoe deden, dat de revolutionaire bewakers me vasthielden omdat ze oprechte vraagtekens hadden bij mijn activiteiten. In een systeem waarin alle buitenlanders – en veel Iraniërs – als spion worden beschouwd totdat het tegendeel bewezen was, hoopte ik te kunnen overtuigen en zo de weg vrij te maken voor toekomstige journalistieke reizen naar Iran. Pas toen mijn uitreisvisum uitbleef, drong mijn naïviteit tot me door. Ik was onderdeel van een politiek spel waar tankers op zee en internationale diplomatie een rol in speelden, en dat ik op geen enkele manier beïnvloeden kon. Op 19 juli, twee weken nadat de Britse regering de Iraanse olietanker in beslag had genomen, legden de Iraniërs beslag op een onder de Britse vlag varende tanker, die de ‘maritieme wetgeving’ zou hebben overtreden.

    De dag van mijn veronderstelde vertrek kwam en ging – evenals de dokter. Hoewel hij mijn ontvoerder was, was hij voor mij ook een geruststellend figuur geworden. Door zijn verdwijning werd ik nerveus en angstig. Het thuisfront hield zich stil en mijn zaak leek in het ongewisse. Er gingen weken voorbij.

    Op 15 augustus liet de Britse regering het Iraanse schip vrij. Maar de bewakers gaven niet toe. De Iraanse tanker kon weliswaar verder varen, maar de lading kon niet worden gelost. Onder druk van de VS werd dit verzoek door mediterrane havens herhaaldelijk afgewezen. Ik vreesde dat de Revolutionaire Garde mijn aanwezigheid dacht te kunnen gebruiken om tot een soort deal te komen, of dat ik een pion zou worden in de onderlinge rivaliteit binnen de Iraanse regering. Uit eerste hand dacht ik nu de felle spanningen tussen de twee armen van de staat waar te nemen. Mijn hotel deed steeds moeilijker over het ontvangen van een gast zonder paspoort. In een poging zich van me te ontdoen, deden ze op een avond het licht uit en gaven de schuld aan een onstabiele elektrische kabel.

    De volgende ochtend kwamen de bewakers om me naar een andere locatie te brengen. Terwijl we door de steegjes van Noord-Teheran slingerden, werden we achtervolgd door twee motoren. Pas toen we in een doodlopende straat kwamen slaagde de Garde erin ze af ​​te schudden.Toen ik eenmaal in een ander hotel zat, dook Ali weer op, met een dit keer minder beschaafde troep ondervragers, ook van de Revolutionaire Garde. Hierbij zat ook de kleine man die me als eerste had opgepakt.

    De vragen werden zowel formeler als bedreigender. En in plaats van dat we elkaar in de muffige auto van Ali ontmoetten, moest ik naar een klein flatgebouw bij het Revolutieplein in het centrum van de stad toe komen.Een nieuwe ondervrager, die op een pad leek en in het leer was gestoken, vertelde me dat de bewakers belastend materiaal op mijn laptop hadden gevonden, dat betrekking had op kwesties van nationale veiligheid: hij had aantekeningen gevonden van een gesprek dat ik had gehad met een regeringsaanhanger, over smokkelbendes die waren verbonden aan de nakomelingen van voormalig Iraanse ambtenaren. Dit bewees, zei hij, dat ik de grens was overschreden van journalistiek naar spionage. Ze heropenden de zaak.

    Zowel gijzelaar als intermediair

    Ali’s glimlach was verdwenen. Hij bracht me van mijn à propos door briefjes door te geven of in het oor van zijn meerdere te fluisteren. De nieuwe ondervrager eiste informatie over een Iraanse journalist wiens naam hij op mijn computer had gevonden, en beschuldigde me van omkoping. Aantekeningen die hij had gevonden over de neerwaartse brain drain van Iran bevestigden in zijn ogen dat ik het nationale moreel wilde ondermijnen. Hij vroeg me wie ik had geprobeerd te rekruteren. Opnieuw dreigde hij me te laten berechten wegens spionage.

    Op een ochtend toen ik in mijn hotel aan het ontbijten was, las ik in de krant dat Iran een Iraniër die voor de British Council werkte tot tien jaar gevangenisstraf had veroordeeld wegens spionage. Het regime wilde Groot-Brittannië de inbeslagname van het schip flink betaald zetten. Hoe groter het probleem met de lading van de tanker werd, hoe sterker ik het gevoel had dat ik werd gebruikt om middels de telefoon die de bewakers me hadden gegeven hun spierkracht aan Londen te tonen. Nu was ik zowel gijzelaar als intermediair.

    Hoewel ik al een maand in het gezelschap van de Iraanse Revolutionaire Garde verkeerde, besefte ik hoe weinig ik eigenlijk van hun wereldbeeld begreep. Ik was niet erg overtuigd van de vroomheid van degenen die ik had ontmoet. Als we door de stad reden, sprak Ali over zijn studententijd, zijn jonge gezin en zijn passie voor Brits voetbal. Ideologie kwam zelden ter sprake. Binnen de beperkingen van de zedenpolitie was de dominante cultuur van Teheran behoorlijk seculier. Iran noemde zichzelf een theocratie, maar religie was ver te zoeken. De echt religieuzen leken een minderheid te vormen en buitenspel te staan.

    Het had net zo goed een SM-kelder kunnen zijn. Op een soort vreemde manier was het dat ook

    Maar toen augustus op zijn einde liep, zag ik ineens de volksreligie op straat exploderen. Muharram, de eerste maand van de islamitische kalender, naderde. In die periode wordt de dood van Hussein Ibn Ali, kleinzoon van Mohammed, herdacht. De herdenkingen bereikten hun hoogtepunt tijdens Ashura, op de tiende dag van de maand, waarop Hussein gemarteld was. Voor sjiitische moslims, die in Iran in de meerderheid zijn, is dit het belangrijkste ceremonie van het jaar. Gemeentewerkers verfraaiden wegen met vlaggen en versiering en op honderden podia in de stad werd de tragedie opnieuw uitgevoerd.

    Op de eerste dag van Muharram viel er een plechtige stilte over de stad. Van de flats achter de Universiteit van Teheran, waar de avond ervoor nog luide dansmuziek had geklonken, kon ik nu het zwakke geluid van borstgeklop en het gerinkel van kettingen horen. Ik volgde het geluid, ging een gang door, bekleed met een zwarte doek en foto’s van jonge martelaren die tijdens de oorlogen van Iran waren gedood, en daalde vervolgens een paar treden af ​​naar een klein gewelf, behangen met zwarte vlaggen en verlicht door een enkele rode lamp.

    Het had net zo goed een SM-kelder kunnen zijn. Op een soort vreemde manier was het dat ook. Ik zag een kamer vol schaduwen. Mannen zaten in kleermakerszit of hurkten op hun knieën in een halve cirkel rondom een klein podium, van waaruit de ceremonieleider ritmisch in de microfoon klaagde. De silhouetten sloegen op hun borsten, eerst voorzichtig met één vuist en vervolgens krachtiger met twee, terwijl de leider steeds harder en sneller begon te praten: ‘O jij, mathloum, jij onderdrukte.’ Hij begon te hyperventileren. Een paar rouwenden waren tot hun middel ontkleed. Ze schudden hun hoofden en sloegen met beide handen op hun schedels. De rouwende zong de naam van Hussein steeds opnieuw, hypnotiserend: ‘Husseyei, eeyei, eeyein,’ op het ritme van wat klonk als geselkettingen.

    Uiteindelijk kwam het verhaal op het punt waar de imam werd gedood. Toen gingen de lichten aan en was de voorstelling afgelopen. Opgelucht door de catharsis van het huilen liep een groep twintigers giechelend de straat op.Er bestaan door de overheid erkende Husseiniya’s, maar zo en was dit er niet. Ik veronderstelde dat de bezoekers zeloten waren, maar degenen met wie ik later sprak bleken computerprogrammeurs, internetmarketeers en advocaten in opleiding te zijn. Sommigen hadden de avond ervoor gefeest.

    Tijdens Muharram werden deze passiespelen gedurende tien nachten met toenemende overgave opgevoerd. Zelfs de losbol die me Perzisch leerde, en die in zijn vrije tijd veelal serveerster in cafés oppikte, vertelde dat Muharram de enige religieuze aangelegenheid was die hij bijwoonde. De straten waren bezaaid met mokebs; kraampjes met thee en dadels versierd met tragische voorstellingen van het slagveld, waarbij onthoofde speelgoedsoldaatjes werden gebruikt. Bij één mokeb trof ik een kameel aan die als offer werd bereid. Veel van deze riten waren gebaseerd op oude folklore in plaats van op moslimpraktijken, vergelijkbaar met de viering van Pasen in het Westen. Van meet af aan heeft het kerkelijk regime Iran geprobeerd te zuiveren van zijn niet-islamitische elementen, maar zonder succes.In de honingraat van steegjes die het oude Teheran vormen, bezocht ik een oude garage waarvan de muren met zwarte lakens waren behangen en zo in een geheime Husseiniya te veranderen.

    Opnieuw waren de rouwers snikkend aan het bidden. Achteraf bleef ik nog even om zoete citroenthee te drinken en te kletsen. ‘Je voelt hier een directe verbinding tussen mensen en God,’ vertelde een 40-jarige programmamanager me. Hij ging helemaal niet meer naar regeringsmoskeeën, zei hij. Net als sommige andere vrome Iraniërs die ik ontmoette, vreesde hij dat de politiek hun religie had bezoedeld in plaats van verheven.Op een ochtend ging ik in alle vroegte naar Alireza Panahian, een prediker die wordt beschouwd als de intellectuele leider van de Revolutionaire Garde. Hij staat bekend om zijn heldere, directe en harde opvattingen over liberalen en gladgeschoren ambtenaren: in 2009 riep hij op tot de eliminatie van kandidaten die het in de presidentsverkiezingen opnamen tegen Mahmoud Ahmadinejad, een collega-hardliner.

    Ik arriveerde aan de late kant voor zijn preek van 07.30 uur in een moderne Husseiniya, een betonnen gevaarte van zeven verdiepingen hoog, dat boven het oude Teheran uit rijst. De enorme arena op de begane grond was al vol. Panahian predikte vanaf een teakhouten troon met kussen onder een enorme kroonluchter terwijl zijn acolieten zich om hem heen op de vloer verdrongen. Hij straalde zo veel macht uit dat ik vermoedde dat als hij uit een telefoonboek had gelezen, zijn discipelen nog zouden zitten te snikken. ‘Bent u een dienaar van God of van de mens?’ vroeg hij, terwijl hij de menigte op verdachten afspeurde. ‘Kies tussen de tirannie van westernisering en God.’ Toen hij weg was werd ik apart genomen door een vrouw in een zwarte chador. Ik bereidde me voor op een donderpreek, in plaats daarvan hield ze een plastic zak met brood en een bakje bonen omhoog die de Husseiniya na de preek had uitgedeeld. ‘Dit is waarom we kwamen,’ zei ze. ‘Niemand kan u de inhoud van de preek navertellen. Maar het ontbijt weet iedereen zich te herinneren.’

    Het stond me vrij om de synagogen van Teheran te bezoeken, maar ik vroeg me af of het geen val was

    Ik was nu constant in contact met Londen en ik had het gevoel dat ik een parallel bestaan ​​leidde. Ik was geschrokken van de wending die mijn ondervragingen hadden genomen en had behoefte aan troost. Ali, mijn ondervrager, had me herhaaldelijk gezegd dat het me vrij stond de synagogen van Teheran te bezoeken, maar ik vroeg me af of het geen val was. Misschien dachten de Iraniërs wel dat ik een Israëlische spion was. Mijn collega’s in Londen drukten me verkapt maar duidelijk op het hart de Joodse gemeenschap van Teheran niet te verkennen. En toch werd ik erdoor aangetrokken.

    De helft van mijn moeders familie bestond uit welgestelde katoenhandelaars uit de Joodse gemeenschap van Alexandrië, de andere helft behoorde tot de eerste golf zionistische migranten die in de vroege jaren 1880 naar Palestina trokken. Hun geschiedenis behelsde de breuk die het moderne Midden-Oosten zo licht ontvlambaar heeft gemaakt, en bracht mij ertoe Arabisch en Hebreeuws te studeren, in een vergeefse poging me aan de ontwrichting van het verleden te onttrekken.

    Wanneer ik in de regio was probeerde ik tijd te maken om te zoeken naar overblijfselen van die verloren veelzijdige wereld. Maar in Teheran dwaalde ik af. Ik bracht uren door met zoeken naar een bril in het laagste gedeelte van Palestinastraat, waar bijna elke winkel een opticien was, terwijl ik de moed verzamelde om nog iets verder te gaan. In deze buurt woonden veel Joden en terwijl ik rondneusde, vroeg ik me af welke hoge muren aan weerszijden van de straat synagogen moesten verhullen.

    Op een vrijdagavond, in ongeveer de vijfde week van mijn gevangenschap, liep ik van Palestinastraat terug naar mijn hotel. De schemering had al ingezet. Bij een bankje waren drie mannen met zwarte vilten keppeltjes op in gesprek. Ik had nog steeds geen nieuwe bril uitgekozen en wist niet zeker of ik mijn ogen moest geloven. Nergens tussen de Jordaanoever en Bombay had ik joden gezien die zo openlijk voor hun religie uitkwamen, en al helemaal niet in Iran, de vijand van Israël.

    Aan de overkant van de straat stond een ijzeren hek op een kier. Ik tuurde door de opening naar binnen. Ik liep de trappen van het gebouw op en kwam in een ​​hal die was versierd met Hebreeuws schrift. Ik kon het podium zien van waaruit het gebed werd geleid en de nis waarin zich de Thorarollen bevonden. Mensen keken achterdochtig naar mijn uitpuilende zakken. In hun ogen moet ik ofwel een slechte Jood zijn geweest, om spullen naar de sabbat mee te brengen, ofwel helemaal geen Jood. Ze groetten me in het Hebreeuwse en ik antwoordde, alsof ik een wachtwoord uitsprak. Ze nodigden me uit voor de ochtenddienst de volgende dag, zolang ik niets mee zou nemen.

    Ik ben niet gegaan. Ik had tot 13.00 uur Perzische les. En ik maakte me nog steeds zorgen over de gevolgen. Ik vervolgde mijn zoektocht naar een nieuwe bril en vond een andere open deur aan de andere kant van de straat. Ik beklom twee trappen, passeerde een enorme geschilderde menora en ging een andere synagoge binnen. Een rabbijn richtte zich tot een volledig mannelijk publiek. Ik schoof naar voren. Een man met een borstelige baard zo lang als die van een ayatollah zat daar breed lachend, met meloen en cake. Hij stelde zich voor als Daniël.

    fa929f4ff948dd50c03337fee4a1e06a4ee3c719

    In de drie weken die volgden verwelkomde Daniël me in de grootste en levendigste joodse gemeenschap van de moslimwereld. Sinds de ayatollahs de sjah omver hebben geworpen, is de joodse bevolking in Iran gekrompen van 80.000 tot ongeveer een tiende daarvan. De ayatollahs hebben de overgebleven joden beschermd, maar ze hebben ook een deel van hun bezit in beslag genomen, met name van degenen die het land hebben verlaten. De spanningen tussen de Iraanse joden en het regime namen afhankelijk van de relatie van het land met Israël toe en af. Maar na verloop van tijd lijkt de Islamitische Republiek meer op haar gemak met de gemeenschap.

    Iran telt 22 mikva’ot – zwembaden voor rituele onderdompeling. Veel van de tientallen actieve synagogen van Teheran zijn gigantisch en zitten vol gelovigen. De synagoge waar ik Daniël aantrof, hield elke dag vier verschillende ochtenddiensten, vertelde hij me, alsof hij me aanmoedigde om me aan te melden.

    Er waren een joods café, twee koosjere restaurants en een kraamkliniek gefinancierd door de joodse gemeenschap in het zuiden van Teheran, waar nog geen 5% van de geborenen Joods is. Een joods sportcentrum was ook in aanbouw. Daniël sms’te me vaak ’s ochtends vroeg om te vragen of ik naar sjachariet, de ochtenddienst, zou komen en later om te controleren of ik die avond nog zou gaan. Hij nodigde me uit voor het avondeten in een uitbundig, grotachtig koosjer restaurant in de kelder van de synagoge waar we elkaar hadden ontmoet. Onze begroetingen in het Perzisch waren vermengd met Hebreeuws en Jiddisch: ‘Shalom bashid’.

    Ik ging naar een van de zes bruiloften die in de twee weken die volgden in een nabijgelegen synagoge werden gehouden. De vrouwen glinsterden van de pailletten en droegen torenhoge stiletto’s, waarmee ze flink boven de mannen uitstaken. Er was nauwelijks een sluier te zien. Op elke tafel stonden verschillende doorzichtige plastic flessen met een drank die doorging voor schnapps. Na het voorgerecht veranderde de trouwzaal in een disco. Jong en oud jivede op de Perzische en Hebreeuwse nummers. Er waren stroboscopen. Er laaide vuurwerk op. De Islamitische Republiek leek oneindig ver weg.

    De gemeenschap wist zichzelf goed te beschermen. Op de Engelstalige website van het Joodse Comité worden de wreedheden die Israël in 2008 in de Gazastrook had begaan nog altijd genoemd. Het interieur van elke synagoge was versierd met Joodse symbolen, maar de hoge buitenmuren waren onopgesmukt en de deuren bijna gesloten, zelfs op de sabbat. Daniël en zijn zonen liepen met hun hoofddeksels op naar huis, maar ze richtten hun blikken op de grond en ze vermeden contact met vreemden.

    Hoewel het gevoel van deze gemeenschap, of zelfs familie, het surrealistische kant van mijn gevangenschap nog eens versterkte, was het ook geruststellend. Door zeldzaam toeval begon de eerste dienst van selichot, de berouwvolle gebeden die gedurende een maand werden gehouden in de aanloop naar de Hoge Feestdagen, op de eerste dag van de heilige maand Muharram. De synagogen waren volgepakt. Om 1.00 uur krioelde de grootste synagoge van Iran nog steeds van de gezinnen. Om 2 uur ’s nachts deinde de gemeenschap in gebed voor Israël en zijn volk. Het gemeenschappelijke kloppen op de borst was zachter dan in de Husseiniya, maar vuriger dan in de westerse gemeenten. Vrouwen liepen naar de nis en kusten de gladde Isfahani-tegels beschilderd met menora en davidsterren, zoals Shia-pelgrims hun heiligdommen kussen. Buiten op straat liepen mensen te kletsen. Ik moet mijn gebeden om vergeving met overtuiging hebben opgezegd, want Daniël glimlachte naar me alsof hij een triomf had behaald.

    Nog steeds twijfels

    Ik was ongeveer zes weken in gevangenschap toen Ali belde en me opdroeg hem te ontmoeten op het Vanak-plein in het noorden van Teheran. Hij kwam aan in zijn auto, laat als altijd, en reed me naar een park. Het voelde als vanouds. We liepen naar de voetgangersbrug die twee van de noordelijke heuvels van Teheran met elkaar verbindt en hij verontschuldigde zich. De situatie duurde te lang, zei hij. De bewakers wisten dat mijn vader ziek was. Natuurlijk wilde hij dat ik mijn familie kon zien. Maar zijn superieuren hadden nog steeds hun twijfels over mij, zei hij. Hoewel hij hoop had dat hij hen op andere gedachten kon brengen, betwijfelde hij hoe snel het papierwerk zou kunnen zijn volbracht.

    Ali deed gewoon zijn werk. Ik had beter moeten weten dan me bedrogen te voelen. Maar toen augustus september werd, veranderde mijn perspectief. Voor het eerst nam mijn interesse in Iran af. De cafés leken allemaal op elkaar. Ik had bijna geen musea meer om te bezoeken. Toen een universiteit me afwees voor een cursus Perzisch omdat ik mijn paspoort niet kon laten zien, weigerden mijn bewakers te helpen. Ik miste het feest dat mijn vrouw en ik voor de negende verjaardag van onze zoon hadden gepland. Ik trok me een groot deel van de dag terug in mijn kamer en bracht de avonden alleen door.

    Mijn humeur hing af van de krantenkoppen in de Iraanse kranten. ‘Iran zoekt geen confrontatie, aldus Zarif in een bericht aan Johnson’ betekende een goede dag. ‘Majlis [het parlement] wil oliegeld van het VK terugnemen’ bracht me in mineur.

    De wandeling met Ali had duidelijk weinig uitgehaald. Kort erna vroeg hij me om weer naar de verhoorkamer ten zuiden van het Revolutieplein te komen. Ik stond op het punt naar binnen te gaan, toen mijn mobiel piepte. Het was een bericht van Ali: ‘Ga niet naar binnen.’ Nadere toelichting ontbrak.Drie dagen later, op 4 september, ontving ik tijdens mijn gebruikelijke ontbijt van dadels en yoghurt een volgende sms van Ali, waarin stond dat mijn uitreisvisum bij het buitenlandse immigratiekantoor in de binnenstad lag.

    ‘Ga er meteen naartoe en vraag naar kolonel Aroubi,’ droeg hij me op.

    ‘En mijn paspoort?’ vroeg ik.

    ‘Is in het hotel,’ antwoordde hij, alsof dat de vanzelfsprekendste zaak van de wereld was.

    Al weken vroeg ik naar mijn documenten. Nu ging ik naar de receptionist die ik elke ochtend zag. Hij verdween in een kamer achter de balie en kwam weer tevoorschijn met een vertrouwd, gehavend rood paspoort, zo versleten dat de woorden ‘Groot-Brittannië’ op de voorkant nauwelijks nog leesbaar waren. Hij gaf het me. Misschien had het daar al die tijd gelegen.

    Mijn beproeving was voorbij, zeiden ze. Maar konden ze eerst maar een paar vragen stellen?

    In het immigratiekantoor was het druk met mensen die nog voor het Iraanse weekend hun papieren in orde wilden maken. Ik vroeg naar kolonel Aroubi en werd naar een bijkantoor gebracht. We moesten de procedure volgen, zei de kolonel ferm. Hij wilde wel een uitreisvisum afgeven, maar omdat ik te lang was gebleven had hij de goedkeuring nodig van degenen die mijn reis hadden gesponsord. Hij was zich of niet bewust of niet onder de indruk van het feit dat mijn verlengde bezoek het gevolg was van gevangenname door de Revolutionaire Garde.

    ‘Maar ik heb al officiële toestemming om te vertrekken,’ protesteerde ik.

    ’Van wie?’ vroeg hij.

    Ik belde Ali, maar die nam niet op. De bewakers wilden niet toegeven dat ze me hadden vastgehouden. Het was nu elf uur en het visumbureau zou over drie uur sluiten. ‘Als je het vandaag nog wilt hebben, kan je maar beter naar je sponsor gaan,’ adviseerde de kolonel.

    Formeel was mijn sponsor het ministerie van Cultuur en Islamitische Regelgeving geweest, dat visa voor buitenlandse journalisten toekent. Ik nam een taxi naar het kantoor. Net toen ik op het punt stond de deur van de afdeling buitenlandse media binnen te gaan, belde Ali. ‘Een ogenblik geduld,’ zei hij. Hij wilde duidelijk niet dat ik me inliet met een rivaliserend machtscentrum was.

    Ik wachtte buiten op straat. Er ging nog een uur voorbij. Uiteindelijk belde Ali terug met de instructie weer naar het immigratiekantoor te gaan.

    Het was nu bijna twee uur ’s middags. Het papierwerk werd in orde gemaakt en het hoofd van het personeel bood me thee, koekjes en chocolaatjes aan uit de glazen kom op zijn bureau. Ik weigerde en gaf mijn paspoort zodat hij verder kon gaan met het afhandelen van de formaliteiten. Maar hij was in een spraakzame bui en leek geen haast te hebben. Mijn hoop om die dag nog te vertrekken begon langzaam te vervliegen.Hij nam een telefoontje aan en verliet het kantoor. Enkele minuten later kwamen twee mannen in het zwart binnen die zich voorstelden als officieren van een andere tak van inlichtingen. Ze verontschuldigden zich veelvuldig voor de moeilijkheden die ik had ondervonden en gaven de Garde de schuld van al het ongemak. Ze hoopten dat ik goed behandeld was en toonden zich verontwaardigd dat de bewakers me de hotelrekening hadden laten betalen. Ze verzekerden me dat ze er wekenlang alles aan hadden gedaan om het probleem op te lossen. Mijn beproeving was voorbij, zeiden ze. Maar konden ze eerst maar een paar vragen stellen?

    Nog één lastige kwestie

    Na 40 minuten ondervraging verdwenen ze. Tien minuten later keerden ze met een verlegen glimlach terug. Er moest nog één lastige kwestie worden opgelost. Omdat ik mijn visum had laten verlopen, moest ik een boete van 4 miljoen toman betalen, ongeveer 200 dollar.

    ‘Eigenlijk zou de Garde natuurlijk moeten betalen, omdat de vertraging hun schuld was,’ zeiden ze.

    Ik belde Ali en vroeg hem de boete op te heffen.

    ‘Zeker niet,’ antwoordde hij. ‘Kunnen ze daar niet van afzien?

    ’De inlichtingenofficieren verontschuldigden zich opnieuw, maar hielden vol. Er waren voorschriften. Zij konden niet opdraaien voor een fout van de Garde.

    ‘Ik regel het wel,’ zei ik.

    Maar ik had geen geld meer. Iraanse banken stonden op het punt om voor het weekend te sluiten, zodat niemand in Londen me geld kon sturen. Het was een zeer reële optie dat mijn vertrek zou worden uitgesteld wegens een gebrek aan 200 dollar. Ik smeekte de ambtenaren om het visum af te geven en gedurende twee uur voor de kosten garant te staan, terwijl ik achter het geld aan zou gaan. Ze aarzelden en gaven toe.

    Toen het eindelijk werd uitgegeven, was mijn uitreisvisum helemaal bezoedeld. Maar ik maakte eruit op dat het nog drie dagen geldig was.

    Net op tijd arriveerde er geld dat mijn kantoor in Londen een paar dagen ervoor had gestuurd. Ik vond een geldwisselaar die net aan het sluiten was en beloofde de benodigde middelen de volgende dag aan de immigratiepolitie over te dragen. Toen ging ik naar mijn hotel om mijn koffers op te halen en de rekening te betalen. Het was de vijfde dag van Muharram, de belangrijkste avond vóór Ashura. Ik keek uit het raam en dacht weemoedig aan de processies die ik zou missen. Ik overwoog om de drie dagen die ik had te blijven. Uiteindelijk bleef ik niet eens voor het avondeten.

    screenshot 2020 03 04 17 44 17

    Op de balie in de luchthaven vergat ik zowel mijn ticket als mijn paspoort. Misschien probeerde ik het onvermijdelijke onbewust uit te stellen. Ali zat me aan de andere kant van de beveiliging in een leunstoel op te wachten en glimlachte. Hij zei me dat hij blij was dat het allemaal voorbij was en bedolf me onder de excuses. Ik vroeg hem of ik ooit nog naar Teheran terug zou kunnen keren. ‘Ik hoop het,’ zei hij. Hij zei dat ik de Arsenal-foto niet moest vergeten. ‘Laten we elkaar snel weer ontmoeten, zo niet in Iran, dan in Europa of Irak.’

    ‘Kom een keer een Arsenal-wedstrijd kijken,’ zei ik, en ik probeerde zo veel mogelijk genegenheid in mijn stem te leggen. We schudden elkaar de hand. Hij raakte misschien zelfs even mijn schouder aan voordat hij wegliep. Toen herinnerde ik me mijn notitieblokken en rende hem achterna. Hij beloofde ze bij me terug te bezorgen. Toen hij weer vertrok, herinnerde ik me mijn Kindle en stormde hem weer achterna. Vond ik het zo moeilijk hem te laten gaan? Voor de derde keer schudden we elkaar de hand.

    Dit keer zag ik hem voorgoed weglopen. Eenmaal alleen in de vertrekhal, luisterde ik naar zakenmensen die het middelmatige aanbod van de luchthavenwinkels bespraken. Ik doorzocht de bovenste verdieping op het kantoor met glazen panelen waarin ik werd vastgehouden toen ik net was opgepakt, maar kon het niet vinden. Ik vroeg me af of de dokter naar beneden zou kijken. De vlucht van Qatar Airways stond net als zeven weken eerder op het asfalt geparkeerd. Maar deze keer stond ik op gelijke hoogte met de slurf die er naartoe leidde. Ik toonde mijn paspoort en ticket en liep ernaartoe.

    Een glas champagne

    Toen de stewardess me naar mijn stoel leidde, vroeg ik me even af of op mijn gezicht te zien was wat ik had meegemaakt, maar daarna bleek dat mijn kantoor business-class voor me had geboekt en dat dit de standaardbehandeling was. Het leek eindeloos te duren voor de deur van het vliegtuig sloot, en ik verwachtte half dat Ali met zijn medebewakers het gangpad op zou lopen en zou zeggen dat hij nog een paar vragen had. Zelfs toen het vliegtuig begon te taxiën keek ik door het raam om te zien of zijn auto niet verscheen om het vliegtuig tot stilstand te brengen. Pas toen op de plattegrond op mijn rugleuningscherm te zien was dat het toestel het Iraanse luchtruim in vloog, kon ik weer normaal ademhalen. De stewardess verscheen met een glas champagne. Ik stuurde een feestelijke selfie via wifi, als groet aan kantoor. Bij aankomst kwam er een foto terug. De redacteuren in Londen waren ook aan het proosten, op mijn veilige terugkeer.

    Na mijn terugkeer bevond ik me nog weken in Teheran. Ik werd om 4 uur wakker en ging aan mijn bureau zitten schrijven, opgelucht dat ik mezelf kon uitdrukken zonder rekening te houden met de bewakers. De ambtenaren van het inlichtingendienst bleven bellen om te informeren naar de overdracht van de 200 dollar, die hen uiteindelijk bereikte. Maar van Ali hoorde ik niks. Hij heeft mijn notitieboekjes nooit bij de ambassade afgegeven. En ik moet de foto van Arsenal nog opsturen.

    Mijn vrouw sprak tegen de paar mensen die wisten wat er was gebeurd over ‘haar angstige zomer’. Ik voelde enige druk om te beamen hoe angstig mijn gevangenschap inderdaad was geweest. Een van mijn vrienden bleef me maar de ‘getraumatiseerde gijzelaar’ noemen. Maar zo voelde ik me niet. Het liefst van alles wilde ik mijn beeld van het bruisende Teheran overbrengen: de muziek, de bruiloften en de warme, vreugdevolle nachten.

    Nicolas Pelham is correspondent Midden-Oosten van The Economist.