Tag: nb39

  • ‘Argentinië, wat bezielde ons?’ Deze schrijver begrijpt niet waarom Milei zo populair is

    ‘Argentinië, wat bezielde ons?’ Deze schrijver begrijpt niet waarom Milei zo populair is

    Zondag zijn de presidentsverkiezingen in Argentinië. Schrijver Martín Caparrós is diep teleurgesteld over de opkomst van de radicaal-rechtse kandidaat Javier Milei. ‘Het verbijsterendst is het idee dat er acht of tien miljoenen Argentijnen rondlopen die hem kennelijk als president willen.’

    Keuze uit het archief

    In Argentinië is het armoedecijfer nu de 50 procent overschreden. 52,9 procent van de Argentijnen leeft in armoede als gevolg van het bezuinigingsprogramma van de regering, aldus Financial Times, die spreekt van ‘een wake-up call voor president Javier Milei, wiens populariteit begint af te brokkelen’.
    Dat was een jaar geleden wel anders: in dit artikel van El País van een jaar geleden beklaagt schrijver Martín Caparrós zich erover dat hij een van de weinige Argentijnen is die niet achter de extreemrechtse Milei aanlopen. De beroerde economische situatie in Argentinië hielp Milei in het zadel, maar de vraag is hoe lang hij nog in het zadel blijft zitten nu hij niet in staat blijkt te zijn het land uit het slop te trekken.

    Ik herinner me die zondagavond in Medellín, een paar jaar geleden, na afloop van het door president Santos uitgeschreven referendum om ja of nee te zeggen tegen het vredesakkoord dat hij met de FARC had gesloten. Ik kende niemand die tegen was: iedereen die ik in die tijd tegenkwam steunde hem – wie was er nu tegen vrede? Toch bleek uit de binnenkomende resultaten die avond dat maar een derde van de bevolking zijn stem had uitgebracht en dat Nee won. De verwarring was groot. Ik herinner me vooral het ongemak bij velen toen ze ontdekten dat hun land anders was dan ze dachten en beseften dat ze zich almaar hadden vergist. Zoiets doet zich vaak genoeg voor, en het is altijd schokkend: het moment dat de mensen om je heen anders blijken te zijn dan je  dacht dat ze waren. Dat je in zekere zin zelf anders was dan je dacht. 

    Dat heb ik nu, met permissie, met Argentinië. Iedereen heeft het over Milei, maar voor mij is hij niet het ergste. Dat is de bevreemding deel uit te maken van een land waar een derde – of zelfs de helft – van de bevolking bereid is de macht over te dragen aan een gestoorde geest. Het verbijsterendst is niet de verkiezingsuitslag maar de stemmers, het idee dat er acht of tien miljoenen Argentijnen rondlopen die hem kennelijk als president willen. Ik weet niet wie het zijn, ik snap de landgenoten niet die hem bij de eerste kiesronde van 22 oktober dreigen te kiezen. Natuurlijk snap ik dat ze wanhopig en ten einde raad zijn vanwege de armoede en de rechteloosheid; wat ik niet snap is dat ze geen beter alternatief zien om de problemen op te lossen. Ik snap dat zij – wij – ieder geloof in de politici en hun gesol met de democratie hebben verloren. Wat ik niet snap is dat ze een rare snuiter die met zijn dode hond praat, die iedereen beledigt die hem geen bwana noemt, die organen en wapens wil verkopen omdat de markt dicteert en die over straat gaat met een motorzaag, echt zien als de best denkbare – of enige – optie. Dat ze alles in feite kapot willen maken en er niet bij stilstaan dat er behoefte is aan opbouw. 

    Alles draait om hem en hem alleen. Deze week eindigt de lange provinciale verkiezingsronde die aan de landelijke voorafgaat en nergens hebben de kandidaten uit het kamp Milei meer dan 5 procent gehaald, ook niet op plekken waar hij zelf bij de voorverkiezingen 20 tot 30 procent haalde. De stemmen gaan dus niet naar de partij of haar rechts-populistische ideeën, ze gaan naar zijn dolzinnige getier. Het is deze operettefiguur die al die mensen in zijn ban heeft. (En die in het presidentsdebat van afgelopen zondag het lef had de woorden van stal te halen die admiraal Massera, het bloeddorstigste lid van de junta, sprak tijdens het proces waarbij hij in 1985 werd veroordeeld voor moord: de genocide van de militairen viel voor in ‘een oorlog, en dan heb je nu eenmaal excessen’, aldus de opperbevelhebber van de marine. Milei herhaalde het letterlijk.) 

    De stemmen gaan niet naar de partij of haar rechts-populistische ideeën, ze gaan naar zijn dolzinnige getier

    Ik kan er niet bij met m’n verstand. Ik ben nooit peronist geweest maar ik begreep het peronisme: het bood miljoenen betere leefomstandigheden. Ik ben nooit een Kirchner-aanhanger geweest maar ik begreep haar politiek na een zeer diepe crisis. Ze wist de juiste toon te vinden en de hervorming van de welzijnszorg hield haar in het zadel. Ik ben nooit een Macri-fan geweest maar ik begreep zijn beleid: het herinnerde een heleboel Argentijnen aan het oude misverstand dat rijken kunnen regeren zonder te willen stelen. Ik begreep het, ik meende het te begrijpen. Deze keer niet.

    En het valt me zwaar er werkelijk geen klap van te begrijpen. Het is voor iemand wiens globale wereldbeeld is gebaseerd op respect voor de meerderheid – zeg maar het volk – een hard gelag om te moeten erkennen dat hij niet begrijpt waar dat volk mee bezig is, waar die meerderheid voor kiest. Om te moeten accepteren dat hij niet meer weet wat hij dacht te weten, dat hij in het duister tast. En om diep in zijn hart, met permissie, te geloven dat wat al die mensen doen en kiezen een ramp is. Dat ze ons naar de afgrond voeren. Het verwart me en beschaamt me. Niets zo sneu of karikaturaal als beweren dat het volk een beroerde keus heeft gemaakt en dat proberen te rechtvaardigen vanuit de slechte invloed van de reclame, massamedia en sociale netwerken waarin de wereld bestaat uit blokjes van 20 seconden muziek en kleur, je reinste hersenspoeling. Of zeggen dat alles de schuld is van de marginalisering en achteruitgang van het onderwijs, de logische irritatie van wie geen uitweg of toekomst meer ziet, en beginnen over het zoeken naar een leider die zich onderscheidt van de verfoeide traditionele leiders en van een wereldwijde golf half gare schreeuwlelijken à la Trump, Bolsonaro, Poetin, Boris Johnson. 

    Minkukel

    Ik denk namelijk niet dat genoemde factoren, hoe valide op zich ook, de keus kunnen rechtvaardigen van zo’n lachwekkende minkukel. Dus moet ik – mezelf – toegeven dat ik geen flauw idee heb hoe zulke mensen denken: hoe ze hier in hemelsnaam toe komen, hoe het bestaat dat ze kiezen voor een uitweg die de neergang van een land dat allang langzaam maar zeker naar de bliksem gaat definitief bevestigt. Vervolgens betrap ik me op de gedachte dat ze totaal de kluts kwijt zijn: dat ze niet op de hoogte zijn, niet weten wat ze zeggen, geen idee hebben van de mogelijke gevolgen. Het zijn veronderstellingen die me vat moeten geven op de zaak, maar ik verwerp ze. Ik weet dat ze een hopeloze karikatuur laten zien van de falende intellectueel die er niet uitkomt met zijn intellect, begrip of zucht naar verbinding. Toch lijkt het me even makkelijk om te begrijpen dat hun keus rampzalig is, als het me moeite kost om te bedenken waarom. 

    Ik zou dus lang kunnen praten – of schrijven – over het ondoorgrondelijke karakter van de heer Milei en de gevaren die een regering onder zijn leiding met zich mee zou brengen, maar eigenlijk heb ik alleen vragen over zijn miljoenen aanhangers: wat bezielde hen, wat bezielde ons? Waren we altijd al zo, zijn we nu zo, zijn we niet zo? Wat willen we? En, vooral, wat voor ellende staat ons te wachten als we zijn waar het op lijkt?

    Laten we hopen dat we niet zo zijn, al lijken zeer velen overtuigd van wel. En maar een paar van niet, wat eens te meer het oude vraagstuk van de ‘voorhoede’ opwerpt: is het ergens goed voor dat er een kleine kern is die wel kennis van zaken heeft, die voorziet wat uiteindelijk kan gebeuren? Er zijn door de bank genomen twee opties: of niemand slaat acht op hen – zo gaat het meestal – of dat gebeurt wel, en dan komen ze aan de macht, wat bijna altijd leidt tot despotisme met als voorwendsel meer kennis dan de rest. Hoe speel je het dan klaar belangrijke veranderingen voor te stellen en door te voeren? Dat is momenteel de vraag. Het enige wat ik zeker weet is dat het antwoord niet Javier Milei is en door dit te zeggen verwijder ik me meer en meer van die miljoenen. Ik begrijp mijn eigen land niet meer en het maakt me bang.

    Lees ook: