Tag: neurowetenschap

  • Neurowetenschapper Clara Pretus: ‘Er zijn mensen die profiteren van het aanwakkeren van onrust’

    Neurowetenschapper Clara Pretus: ‘Er zijn mensen die profiteren van het aanwakkeren van onrust’

    El País sprak met neurowetenschapper Clara Pretus over de verontrustende mechanismen achter desinformatie in een wereld die steeds meer wordt beheerst door polarisatie en emotionele retoriek.

    Weinig mensen kennen het brein van extremisten zo goed als neurowetenschapper Clara Pretus (36), omdat zij letterlijk in hun brein heeft gekeken. In haar bekendste werk scande ze de hersenen van jonge mensen die gewelddadige jihadistische acties wilden ondernemen, om de persoonlijke en maatschappelijke mechanismen te begrijpen die ten grondslag lagen aan hun roeping als jihadist. In recenter werk nam ze de grijze massa van mensen die op [de rechts-populistische partij] Vox hadden gestemd onder de loep, om te begrijpen waarom die leugens verspreiden over zaken die belangrijk voor hen zijn, zoals immigratie. Ze ontdekte dat als ze hen hiernaar vroeg, gebieden van hun sociale brein werden geactiveerd. ‘Dat zijn niet de besluitvormingsgebieden, maar de gebieden die worden gebruikt om ergens uit af te leiden wat anderen denken,’ zegt Pretus, die werkzaam is aan de Autonome Universiteit van Barcelona. Met andere woorden, ze verspreiden desinformatie met de goedkeuring van de groep in gedachten. 

    Als adviseur van het antiterrorismebureau van de Verenigde Naties en directeur van het Social Brain Lab waarschuwt Pretus dat een tragedie zoals die in Valencia door het weerfenomeen Dana makkelijk kan worden aangegrepen om desinformatie te verspreiden. ‘Als je in gevaar bent, is het de moeite waard om alle informatie die je kan redden of die in je voordeel kan werken te geloven,’ legt ze uit. Maar tegelijkertijd hekelt ze het feit dat ‘de tragedie door verschillende politieke actoren is gebruikt om er voordeel uit te halen’. Pretus weet dat er in situaties van gevaar en angst belanghebbenden opduiken die weten dat het gebruik van emotioneel geladen woorden ‘ons zenuwstelsel hackt’. ‘We moeten hier rekening mee houden, omdat er steeds meer van dit soort noodsituaties zullen voorkomen, die zeer bevorderlijk zijn voor desinformatie en politiek gewin.’

    Al op de eerste avond na de overstromingen in Valencia, toen mensen zich realiseerden dat de situatie zeer ernstig was, waren er mensen met een partijdige kijk op de gebeurtenissen.

    ‘We zijn zoiets niet gewend, zo’n situatie creëert onzekerheid, paniek en onveiligheid, en zorgt ervoor dat we helemaal vertrouwen op het weinige dat we weten. En de vooroordelen die we al met ons meedragen, bewust of onbewust, komen dan meer aan de oppervlakte. Bijvoorbeeld sociale of politieke identiteit, de overtuigingen van die partij en dat wereldbeeld: wie zijn de vijanden, wie zijn de bondgenoten? Daar vertrouw je op in tijden van onzekerheid. En dus zijn we bevooroordeeld in de manier waarop we informatie zoeken en die verwerken, en zelfs in de manier waarop we die waarnemen. Als je links of rechts bent, kijk je naar informatie die het meest bevestigt wat je al gelooft. Er is een experiment over klimaatverandering waarbij ze progressieve en conservatieve mensen in de Verenigde Staten de temperatuurcurve van de afgelopen eeuwen laten zien. Ze volgen hun blik en zien dat de progressieven naar de laatste paar decennia kijken: ze richten hun aandacht op het punt waar de temperatuur het sterkst stijgt; conservatieven daarentegen besteden geen bijzondere aandacht aan dit laatste deel van de grafiek. Dus zelfs als we hetzelfde nieuws lezen, kijken we naar wat ons wereldbeeld bevestigt.’ 

    ‘We zijn gemotiveerd om informatie te delen waarvan we weten dat die goed ontvangen zal worden’

    Denken in identiteiten maakt ons vatbaar voor desinformatie

    ‘Wat we geneigd zijn te doen, is zoeken naar datgene wat ons bevestigt als lid van de groep, proberen datgene veilig te stellen wat de groep bij elkaar houdt. Dit is een van de suggesties die zijn gedaan om te verklaren waarom we vatbaar zijn voor desinformatie: om ons lidmaatschap te bevestigen, niet alleen op een abstract niveau, maar ook met onze directe omgeving, ons publiek op sociale netwerken. We zijn gemotiveerd om informatie te delen waarvan we weten dat die goed ontvangen zal worden en dat die ons helpt bij de bevestiging van onze eigenwaarde. En dit wordt belangrijker naarmate die informatie crucialer is. Bijvoorbeeld in een noodsituatie of wanneer het van groot belang is voor de groepsidentiteit.’

    Verspreiden we desinformatie omdat we onze kritische geest uitschakelen, omdat een hoax ons gelijk bewijst?

    ‘Er zijn verschillende redenen. Sommige zijn verstandelijker van aard: ik heb geen tijd om goed op te letten of ik ben niet in staat om deze informatie kritisch te bekijken en ertegen in te gaan. Daarnaast is er een educatief aspect: je hebt een door het onderwijs verstrekte beschermingslaag nodig om de specifieke technieken te kunnen zien die worden gebruikt om desinformatie te verspreiden, zoals het gebruik van nepexperts, negatieve emoties, enzovoort. En tot slot is er een partijdiger motief, dat ook een rol speelt. Er zijn strategieën ontwikkeld die met enig succes werken voor de gewone burger met een meer cognitieve en pedagogische inslag. In werkelijkheid wordt de meeste desinformatie gedeeld door een klein percentage internetgebruikers. Het is een kleine maar geradicaliseerde groep die het grootste deel van de desinformatie die we tot ons krijgen aanstuurt. Het probleem is dat voor hen al deze strategieën ineffectief zijn, omdat zij andere motivaties hebben.’ 

    Omdat er opzet in het spel is.

    ‘Er kan voor honderd procent sprake zijn van opzet, er kan sprake zijn van kwade trouw. En er kan een beetje fanatisme in het spel zijn; dan is iemand bijvoorbeeld verblind door een ideologie en als hij dan bepaalde informatie ziet, gaat zijn bloed koken en moet hij het delen.’ 

    Hoe kijkt u in die zin aan tegen de strategieën voor factchecking, het bestrijden van desinformatie, als er een grote machine achter zit die deze produceert?

    ‘Op dit moment hebben strategieën voor factchecking een zeer beperkte effectiviteit. Ze kunnen de verspreiding op z’n best terugbrengen tot een minimum. Er zijn initiatieven, hulpmiddelen, maar die zijn bij lange na niet voldoende. We hebben dit gezien in het geval van Dana en ik denk dat er in dit opzicht veel zal veranderen. Vooral omdat de verspreiding van desinformatie juridische gevolgen moet hebben. Anders zullen we er niet in slagen om een gezonde informatieomgeving te creëren waar mensen hun recht kunnen uitoefenen om beslissingen te nemen op basis van accurate informatie.’

    Moeten er wetten komen tegen desinformatie? 

    ‘Ja, want het kan niet zo zijn dat er geen consequenties aan vastzitten. Maar momenteel is het systeem om desinformatie te beteugelen nog erg traag. Om het sneller te maken experimenteren we met een andere aanpak: crowdsourcing, open samenwerking tussen gebruikers. Het idee staat nog in de kinderschoenen, maar we denken dat we het systeem sneller zouden kunnen maken, zodat gebruikers informatie van sociale media kunnen verifiëren.’

    ‘Idealiter zou er een maatschappelijke norm moeten zijn die zegt dat het wenselijk is om kritisch te zijn op de eigen groep’

    Maar studies tonen aan dat wanneer iemand jou uit de droom wil helpen, het belangrijk is dat dat iemand uit je groep is, iemand die jij vertrouwt. Het is cruciaal om mensen te hebben met genoeg moed en intellectuele eerlijkheid om mensen in de eigen groep ter verantwoording te roepen.

    ‘Dit is belangrijk, maar je kunt het niet afdwingen. Het is moeilijk om te beïnvloeden wat er binnen een groep gebeurt. Er is in de VS een onderzoek gedaan dat aantoont dat het verifiëren van opmerkingen door een tegenpartij niet alleen niet werkt, maar er ook nog eens voor zorgt dat mensen nog bozer worden en nog stelliger achter hun opmerking gaan staan. Als het uit de groep zelf komt is het veel betrouwbaarder, veel effectiever, maar dat is moeilijk. Idealiter zou er een maatschappelijke norm moeten zijn die zegt dat het wenselijk is om kritisch te zijn op de eigen groep, en dat er als het ware een morele waarde is die boven onze partijbelangen staat: eerlijkheid.’

    We kunnen ook meer belang hechten aan een ander soort entiteiten. In deze gepolariseerde tijden lijkt er maar één enkele identiteit te zijn: de politiek. Maar we hebben meer identiteiten, meer dingen gemeen, we zijn ouders, we zijn Barça-supporters enzovoort. Kunnen we vertrouwen opbouwen in een andere identiteitssfeer om dit op te lossen?

    ‘Het is een strategie die juist bij klimaatverandering wordt gebruikt. Veel Republikeinen in de VS zijn erg sceptisch, maar als je een beroep doet op hun identiteit als ouders staan ze er meer voor open om hun kinderen een betere toekomst te geven. Als ik jou een vraag stel over klimaatverandering door eerst een beroep te doen op je identiteit als ouder, dan geef je me een ander antwoord. Het is waardevol om te weten dat we meerdere identiteiten hebben en dat we die kunnen aanspreken om dichter bij de waarheid van de informatie te komen.’

    Was er sprake van een polariserende voedingsbodem die in de pandemie tot uiting kwam en die nu weer verergerd is?

    ‘Ja, maar eerder ook al; ik denk dat het door de komst van Trump veel makkelijker geworden is om ongestraft leugens en desinformatie te verspreiden. En daarna zijn er een paar harde klappen geweest waardoor mensen wanhopiger en onzekerder zijn geworden. En de media die we volgen, de leiders naar wie we luisteren, spelen daarbij een superbelangrijke rol. We hebben onlangs een experiment gedaan in de VS, waarbij we mensen betaalden om een maand lang te stoppen met het volgen van extreem partijdige accounts, zowel Democratische als Republikeinse. En we zagen dat die mensen daarna een minder felle houding aannamen in politieke discussies. Ze waren minder vijandig tegenover de politieke tegenstander, tegenover de ander. En ze werden ook blootgesteld aan minder desinformatie. Met andere woorden, ons informatiedieet heeft invloed op het in stand houden van deze onrust of op het verminderen ervan als we ons loskoppelen van deze informatiebronnen. Niet alleen rampen zoals een pandemie of extreem weer spelen hierin mee; er zijn ook echt kwaadwillende mensen die hiervan profiteren en veel geld verdienen aan en investeren in het aanwakkeren van dit soort onrust en wanhoop.’

    We volgen dit soort extreem gepolariseerde verhalen omdat ze ons voldoening geven. Moeten we allemaal een persoonlijke inspanning leveren om blootstelling eraan te verminderen?

    ‘Absoluut, maar met individuele verantwoordelijkheid is er altijd een probleem. Allereerst omdat het onmogelijk is. Ik bedoel, als jij je daar al van bewust bent, dan heb je dat misschien niet eens nodig. En dan zijn structurele veranderingen op politiek niveau, in termen van Europese regelgeving, natuurlijk veel effectiever. Mensen zijn altijd geneigd de verantwoordelijkheid bij het individu te leggen. Maar mensen werken tien uur per dag, ze hebben geen tijd om dingen kritisch te bekijken terwijl ze hun dag proberen door te komen. Ze hebben een verantwoordelijkheid, maar de echte verandering moet structureler en diepgaander zijn. We kunnen onze burgers niet alleen laten met desinformatie.’

    ‘Als je alleen bent, ga je online en kom je in hoeken van het internet terecht waarvan je niet eens weet hoe je er terecht bent gekomen’

    Over eenzaamheid gesproken, speelt sociaal isolement, de eenzaamheid van mensen die vervolgens steun zoeken op sociale media, ook een rol? 

    ‘Ja, absoluut. We werken vanuit huis, we gaan de straat niet op, we spreken niet af met andere mensen… En mensen ontmoeten is een portie realiteit. Sommige mensen zeggen dat werken goed is omdat het je dwingt om je aan te passen aan de realiteit. Want als je alleen bent, ga je online en kom je in hoeken van het internet terecht waarvan je niet eens weet hoe je er terecht bent gekomen. Vaak, als je iets met iemand deelt, als je iets naar buiten brengt, klinkt het al belachelijk als je het vertelt. Het is dus heel erg belangrijk om sociale interacties te hebben, dat blijkt uit heel veel onderzoeken. Eenzaamheid heeft veel nadelen, een lagere levensverwachting bijvoorbeeld. Een ander nadeel is dat als je jezelf opsluit in je eigen gedachten en daarbij ook nog eens toegang hebt tot internet, je op steeds geradicaliseerdere plaatsen terechtkomt en steeds extremere inhoud te zien krijgt. Het is heel goed om in contact te blijven met mensen in het echte leven.’

    Maar het wordt steeds moeilijker om die wrijving te vinden, we omringen ons met onze eigen mensen.

    ‘Ja, en door extreme situaties, zoals met het noodweer rond Valencia, raak je ook gepolariseerd in je persoonlijke leven. Je ziet bepaalde mensen niet meer staan. In Catalonië en bij de Brexit zijn vriendschappen kapot gegaan. Het heeft impact op je persoonlijke relaties, maar tegelijkertijd is het juist in persoonlijke relaties makkelijker om verschillende identiteiten uitdrukking te laten komen. Interactie in het echte, driedimensionale leven biedt de mogelijkheid om je op andere niveaus te verbinden. Het is veel genuanceerder, er zijn onderlinge relaties, je hebt emotionele banden, je kunt goed met iemand opschieten, dat soort dingen.’

    De oplossing is om meer in drie dimensies met elkaar om te gaan.

    ‘In vier dimensies, want je hebt ook nog de tijd.’

    ‘Slachtofferschap is het middel bij uitstek om geweld te rechtvaardigen’

    En hoe zal deze wilde tijd van desinformatie waarin we nu leven de toekomst beïnvloeden? Zal het problemen opleveren voor de sociale cohesie?

    ‘Het zal absoluut leiden tot erosie van het weefsel van sociale cohesie. En het zal leiden tot een crisis in het vertrouwen in de instituties, dat is duidelijk. Je hoort vaak: “We wonen in een mislukte staat.” Mensen nemen dit soort informatie in zich op en dan brokkelt het vertrouwen in deze democratische instellingen, die er in principe zijn om vreedzaam samenleven te waarborgen, langzaam af. De grote dreiging die uitgaat van polarisatie is geweld: als we het idee van een gedeelde werkelijkheid verliezen, en als alles en elk verhaal maar waar is, moedigt dat de rechtvaardiging van geweld aan. Het is dan gemakkelijker om het gebruik van geweld te rechtvaardigen, omdat er geen werkelijkheid meer is waarover we het allemaal eens zijn. De werkelijkheid is niet meer objectief, maar intersubjectief. Dat bevordert de verspreiding van verhalen over slachtofferschap, wat een succesformule is om geweld te rechtvaardigen. Maar dit is geen nieuw fenomeen. George Orwell vertelde eens dat hij in levenden lijve doden had gezien waarover niet werd gesproken en dat hij had gelezen over veldslagen die nooit hadden plaatsgevonden. Het is typerend voor conflictsituaties: het verdraaien van de werkelijkheid om het geweld te rechtvaardigen dat sommigen willen gebruiken voor hun politieke agenda.’ 

    Als u het hebt over slachtofferschap, doelt u dan op complottheorieën over omvolking en dat soort dingen?

    ‘Slachtofferschap is het middel bij uitstek om geweld te rechtvaardigen. En er wordt gebruik van gemaakt. Maar er zijn verhalen over slachtofferschap die waar zijn en andere die overdreven of onwaar zijn. Vrouwen zijn bijvoorbeeld van oudsher ondergeschikt aan mannen – dat is waar. Maar nu zijn er mannen die zeggen dat ze slachtoffer zijn van het feminisme. En als je daarbij praat in termen van “wij worden onderdrukt”, dan is het gemakkelijker en beter te rechtvaardigen om tegen die onderdrukking te vechten.’

    Deze opzettelijke oefening met desinformatie om het vertrouwen in officiële bronnen te ondermijnen: is die uitgelokt omdat je, als je niemand gelooft, overal in kunt geloven?

    ‘Natuurlijk, alles en iedereen wordt afgewezen en ongeldig verklaard als informatiebron. Het is een heel goede strategie voor een machtswisseling. Als je een status quo hebt, met instituties die al tientallen jaren bestaan, dan is dit de beste manier om de bestaande situatie op te blazen.’ 

  • ‘De werkelijkheid is de hallucinatie waarover we het allemaal eens zijn’

    ‘De werkelijkheid is de hallucinatie waarover we het allemaal eens zijn’

    Jarenlang onderzoek naar de mysteries van het bewustzijn heeft de Britse neurowetenschapper Anil Seth tot een radicale conclusie doen komen: de manier waarop jij jezelf en de wereld ziet is een vorm van gecontroleerde hallucinatie.

    Als je ooit helemaal onder verdoving bent geweest, heb je vergetelheid ervaren: een vollediger onderbreking van het bewustzijn dan tijdens de diepste slaap. Hele uren of dagen kunnen in een duizendste seconde voorbijgaan. Het is het bewijs – als je dat al nodig hebt – dat je kunt ophouden te bestaan, dat de wereld zal doorgaan zonder jou. Sommige mensen vinden dit angstaanjagend. Neurowetenschapper Anil Seth vindt het geruststellend.

    In 2017 gaf Seth een TED-talk die sindsdien meer dan twaalf miljoen keer is bekeken, een verbijsterend, vijftien minuten durend distillaat van dertig jaar research dat eindigde met een parafrase op Julian Barnes. ‘Als het einde van het bewustzijn aanbreekt, is er niets om bang voor te zijn – helemaal niets.’ Het is een gevoel dat hij opnieuw naar voren brengt in zijn bestseller uit 2021, Being You, en als we elkaar ontmoeten in Falmer, in East Sussex, vertelt hij me waarom. ‘Als je ziet hoe broos en precair ons bewustzijn al met al is, dat van onszelf en van de wereld, als je ziet op hoeveel manieren iets fout kan gaan of gewoon volledig kan worden weggevaagd, kun je dat ofwel als iets beangstigends zien of als een waarschuwing hoe blij je mag zijn dat je bent waar je bent.’ Hij kiest voor het laatste.

    ‘Ga als de sodemieter aan het werk. Wees niet lui’

    Seth (49) is informeel gekleed, in spijkerbroek, blauwe trui en beige gympen. Met zijn gladgeschoren hoofd en kalme, intense uitstraling heeft hij iets van een monnik, een imago dat hij af en toe met een grap doorprikt. We spreken elkaar op zijn kamer aan de Universiteit van Sussex, waar hij mededirecteur is van het Sackler Centre for Consciousness Science (Sackler Centrum voor Bewustzijnswetenschap; omdat de universiteit niet langer nieuwe fondsen zal ontvangen van de Dr Mortimer and Teresa Sackler Foundation, moet het centrum worden herdoopt.) Op de planken staan boeken over psychologie, filosofie, informatica, natuurkunde, een roman van Zadie Smith en poëziebloemlezingen. Tegen de muur geplakt hangt een uitdraai met de kop ‘Twaalf vuistregels voor succes’. (1. Ga als de sodemieter aan het werk. Wees niet lui.)

    Seth begon met het bestuderen van het bewustzijn in het midden van de jaren negentig, een tijd waarin de vorderingen met de computer en het in beeld brengen van het brein wetenschappers nieuwe middelen boden om de geest te begrijpen. In 1994 gaf de Australische filosoof David Chalmers alvast een voorschot op deze uitdagende materie: in zijn praatje bij de opening van de Conferentie over Bewustzijnswetenschap in Tuscon, Arizona, zette Chalmers uiteen wat hij beschreef als ‘het lastige vraagstuk van het bewustzijn’. Hoe kan iets objectiefs en fysieks leiden tot de unieke, subjectieve bewustzijnservaring? Hoe zou je adequaat het unieke gevoel jij te zijn kunnen beschrijven door enkel te verwijzen naar je brein en de biologie? 

    Lastig vraagstuk

    Filosofen en natuurwetenschappers hebben geprobeerd dit lastige vraagstuk op verschillende manieren aan te pakken. Panpsychisten beweren dat bewustzijn een fundamenteel kenmerk is van alle materie – dat een ligstoel een ander soort bewustzijn vertoont dan jij of ik, maar niettemin bewust is. Daarentegen houden illusionisten vol dat het bewustzijn puur denkbeeldig is. Seth, wiens academische achtergrond natuurkunde, psychologie, computerkunde en neurowetenschap omvat, zegt dat hij tot een andere, bevredigendere conclusie is gekomen. 

    Een al te menselijke intelligentie

    ‘Ik denk dat ik van binnen een mens ben. Ook al besta ik alleen in de virtuele wereld.’

    Aldus LaMDA, de door Google ontwikkelde chatbot, in gesprek met Blake Lemoine, een ingenieur die werkzaam is bij de kunstmatige-intelligentieafdeling van het bedrijf. Gevoegd bij het feit dat het apparaat over zijn ‘emoties’ sprak, hebben deze woorden, die te vinden zijn in een blogpost van 11 juni, de ingenieur ervan overtuigd dat de chatbot over een bewustzijn beschikt.

    ‘Ik weet wanneer ik met een persoon te maken heb,’ bevestigt Lemoine. De zaak zorgde voor veel ophef. ‘Google heeft zich van Lemoines beweringen gedistantieerd. Toen de ingenieur zich tot specialisten buiten het bedrijf wendde, werd hij geschorst wegens schending van de geheimhoudingsplicht,’ meldden Timnit Gebru en Margaret Mitchell, respectievelijk werkzaam bij het Distributed Artificial Intelligence Research Institute en het platform Hugging Face, in een ingezonden brief in The Washington Post.

    Deze twee ex-werknemers van Google, die in 2020 en 2021 op staande voet werden ontslagen, verklaarden dat zij hun ongerustheid tegenover de onderneming hadden geuit vanwege het risico dat mensen zouden denken dat kunstmatige intelligentie over een bewustzijn beschikt. Steven Pinker, als linguïst en cognitief psycholoog verbonden aan Harvard, verklaarde tegenover de Financial Times dat Blake Lemoine ‘het verschil niet begrijpt tussen bewustzijn (dat wil zeggen subjectiviteit, ervaring), intelligentie en zelfkennis’. Emily M. Bender, hoogleraar linguïstiek aan de Universiteit van Washington in Seattle, constateerde in The Washington Post dat ‘we inmiddels over machines beschikken die in staat zijn zelfstandig woorden te produceren, maar dat we het nog altijd niet kunnen laten om te denken dat die door een menselijke geest worden gestuurd’.

    Zijn onderzoek heeft hem tot radicale standpunten gebracht: de manier waarop jij jezelf en de wereld ziet is een vorm van gecontroleerde hallucinatie, zegt Seth. Eerder dan passief onze omgeving waar te nemen, zijn onze hersens constant voorspellingen aan het doen en verfijnen van wat we verwachten te zien; op die manier scheppen we onze wereld. Hij wijst op het voorbeeld van #TheDress, de foto die viraal ging van een cocktailjurk die volgens sommigen goud met wit is en volgens anderen blauw met zwart. In zijn TED-talk speelt Seth twee keer een geluidsfragment af van een hoge, verdraaide stem die zo onbegrijpelijk is dat hij iedere taal of geen enkele zou kunnen spreken. Dan wijst hij zijn publiek op de zin: ‘Ik denk dat de Brexit een heel slecht idee is.’ Als hij het fragment opnieuw afspeelt, zijn de woorden zo goed te herkennen dat het moeilijk voorstelbaar is dat ze het ooit niet waren. 

    Soms is de term ‘hallucinatie’ voor mensen verwarrend (Seth zou willen dat er een beter woord bestond): het kan de indruk wekken dat waarneming arbitrair is, of dat dingen niet bestaan. In de praktijk zijn we als onze hersens goed werken voortdurend onze voorspellingen aan het updaten, gebaseerd op feedback van onze zintuigen – daarom is de normale waarneming een ‘gecontroleerde hallucinatie’, en geen koortsdroom. Dat gezegd hebbende vertelt Seth me, terwijl we over de campus lopen op zoek naar een broodje, open te staan voor het idee dat de fysieke wereld niet bestaat op de manier die we denken. Dat is een ‘onderwerp voor een natuurkundige, iemand als Carlo Rovelli’, zegt hij. ‘Wie weet wat er daarbuiten eigenlijk is? Maar laten we aannemen dat er daar dingen zijn en dat die dingen bestaan.’ De werkelijkheid is de hallucinatie waarover we het allemaal eens kunnen zijn, meent Seth.

    Seth gelooft dat andere dieren over bewustzijn beschikken, maar hij denkt niet dat kunstmatige intelligentie ooit zal bestaan

    Bepaalde aspecten van de waarneming zijn denkbeeldiger dan andere. Onze ervaring van onszelf, als zouden we na een tijdje beschikken over een blijvende, stabiele identiteit, is een nuttige illusie. Net als onze perceptie van de vrije wil. We denken dat we vrij handelen als we onze eigen overtuigingen, doelen of verlangens volgen – maar we kunnen deze overtuigingen, doelen of verlangens niet vrij kiezen. Het doel van het bewustzijn, van al deze hallucinaties, is ons in leven te houden. Als we sterven zal het uitgedoofd zijn. Seth gelooft dat andere dieren over bewustzijn beschikken, maar hij denkt niet dat kunstmatige intelligentie ooit zal bestaan.

    Wat het ‘lastige vraagstuk’ betreft, gelooft Seth dat naarmate we onze hersens beter begrijpen – naarmate we het bewustzijn preciezer kunnen meten, manipuleren en volgen – het vraagstuk minder moeilijk te hanteren zal zijn. Deze theorie is niet voor iedereen bevredigend: toen ik Chalmers voor de New Statesman interviewde, zei hij dat hij het er niet mee eens was dat het lastige vraagstuk op deze manier kan worden opgelost – je moet nog steeds rekening houden met het mechanisme waarmee objectieve materie subjectieve ervaringen genereert. Maar ook hij benadrukte de gemeenschappelijke basis: Seths aanpak om bewustzijnsstaten te koppelen aan hersenstaten (door bijvoorbeeld te achterhalen welke neuronen corresponderen met ‘de kleur rood zien’ of ‘aan het avondeten denken’) komt ‘dicht in de buurt van de aanpak die ik voorsta’. 

    Oleg Buyevsky illustrationzone.com 4 RGB
    © Oleg Buyevsky/illustrationzone.com

    Spirituele implicaties

    Seth praat veel met mensen over de spirituele implicaties van zijn theorieën. Ze zijn niet verenigbaar met een letterlijk geloof in een ziel die de dood overleeft, maar hij ziet een ‘diepe overeenkomst’ met veel religieuze tradities. ‘Het gaat vaak over dezelfde kwesties en er worden vaak dezelfde vragen gesteld,’ zegt hij. Er bestaan parallellen tussen zijn werk over de vergankelijke gestructureerde aard van het ik en de leer van het hindoeïsme en het boeddhisme. Hij mediteert dagelijks. 

    Seth groeide op in het landelijke Oxfordshire, waar zijn moeder als lerares Engels werkte en zijn vader, die in de jaren vijftig vanuit India was geëmigreerd, als wetenschapper bij het onderzoekscentrum van Esso. Hij las als puber veel, deels uit noodzaak; hij was een mager joch met dikke brillenglazen, een jaar jonger dan zijn klasgenoten en geen uitblinker op het rugby- of voetbalveld. (Net als zijn vader was Seth een uitstekende badmintonspeler, ‘maar in Oxfordshire kan je leven niet alleen om badminton draaien’.) Hij studeerde natuurwetenschappen in Cambridge, waarbij hij zich aanvankelijk toelegde op natuurkunde en later op experimentele psychologie.

    Zijn leidinggevende vertelde me dat Seth ‘waarschijnlijk de gretigste promovendus was die ik ooit heb gehad’

    Zijn promotieonderzoek naar op kennis gebaseerde systemen in Sussex, waar hij kunstmatige neurale netwerken gebruikte om ecologische en evolutionaire processen in kaart te brengen, bracht hem dichter bij het inzicht hoe onze hersens werken dan de psychologie dat kon. Zijn leidinggevende, Phil Husbands, vertelde me dat Seth ‘waarschijnlijk de gretigste promovendus was die ik ooit heb gehad’. Terwijl de meeste van zijn medestudenten bij de eerste bijeenkomst opdraafden met ‘een enthousiaste grijns en iets om aantekeningen te maken’, verscheen Seth met ‘tientallen blaadjes vol uitgetikte ideeën en schetsen voor mogelijke experimenten’. 

    Emi Tamaki wil ook voelen

    Waar de virtuele werkelijkheid ons nu nog alleen in staat stelt dingen te ervaren vanuit onze leunstoel, werkt Emi Tamaki, onderzoeker bij de Universiteit van de Riukiu op het Japanse eiland Okinawa, aan het toevoegen van gevoel aan de gemobiliseerde zintuigen om de illusie nog verwarrender te maken.

    In 2011 werd haar ‘Possessed Hand’, ontwikkeld in samenwerking met de Universiteit van Tokio en Sony, door het Amerikaanse blad Time gerekend tot een van de ‘vijftig beste uitvindingen’ van het jaar: een armband met elektroden die onze hand uit zichzelf kan laten bewegen door elektrische stimulering van de vingers. Nu wil Tamaki haar vinding uitbreiden met lichamelijke ervaringen die echt in de virtuele werkelijkheid worden beleefd, zodat de gebruiker bijvoorbeeld het gewicht van een voorwerp in zijn hand kan voelen, of zelfs pijn.

    De Japanse wetenschapper werkt aan de ontwikkeling van een robotkajak die je het gevoel geeft dat je echt aan het peddelen bent, met waterweerstand en al. En haar ambitie reikt nog verder. Ze wil op termijn iets faciliteren wat ze ‘het delen van het lichaam’ noemt. Door op goed gekozen plekken sensoren op iemands lichaam te plaatsen die zich vervolgens kunnen vermenigvuldigen, wil ze dat deze persoon de gevoelens van anderen kan ervaren, zoals die van zwangere vrouwen met hun zware buik en hun veranderde zwaartepunt.

    Na Sussex verhuisde Seth naar het Instituut voor Neurowetenschappen in Californië, waar hij werkte met Gerald Edelman, de bioloog en Nobelprijswinnaar die van groot belang was bij het nieuw leven inblazen van de bewustzijnswetenschap. In 2006, toen de universiteit hem een lectoraat aanbood, ging hij terug naar Sussex met medeneming van enkele van zijn Californische gewoonten: hij surft nu in Brighton en zwemt de laatste jaren dagelijks in de zee vlak bij zijn huis.

    Als we onze broodjes op hebben, leidt Seth me rond. Toen het in 2010 werd opgezet, was het Sackler Centre een van de eerste multidisciplinaire onderzoeksgroepen ter wereld die zich wijdden aan de bestudering van het bewustzijn (er zijn er nu dertien of veertien wereldwijd). Hier onderzoeken natuurkundigen, computerwetenschappers, neurowetenschappers, psychologen en filosofen enkele van de fundamentele mysteries van de mensheid: wat is bewustzijn? Waar komt het vandaan? Door dit beter te begrijpen hopen ze nieuwe geneeswijzen en behandelingen te ontwikkelen voor neurologische en psychiatrische aandoeningen als diepe bewusteloosheid, slapeloosheid, depressie en psychose. 

    Oleg Buyevsky illustrationzone.com 2 RGB
    © Oleg Buyevsky/illustrationzone.com

    Het Instituut voor Neurowetenschappen in San Diego was zo overweldigend futuristisch dat het werd gebruikt in filmsets, bijvoorbeeld als achtergrond voor een sciencefictionfilm uit 2000, The Cell. De esthetiek van het Sackler Centre is eerder ‘… Brits’, merkt Seth op. Hij zet thee in een kleine keuken met een enorm schrijfbord vol verbleekte formules. Bovenaan staat een kreet gekrabbeld: ‘Wat is dat voor smeerboel in het blauwe kopje?’ Daarna leidt hij me door een nauw gangenstelsel naar de weinig imponerende kantoren waar onderzoekers allerlei eigenaardigheden van de geest onderzoeken: waarom kunnen uren vliegensvlug vervliegen en vijf minuten ondraaglijk lang aanvoelen? Waarom zijn sommige mensen beïnvloedbaarder dan andere, zelfs zozeer dat ze, als ze een spin op iemands arm zien kruipen, zelf ook gekriebel voelen? In één lab werken onderzoekers met virtual reality om ‘blindheid voor verandering’ te bestuderen: hoeveel kun je in iemands omgeving veranderen zonder dat hij het merkt? 

    Seth heeft zijn sleutelhanger aan een stagiair uitgeleend en moet tijdens de rondleiding kloppen om binnen te komen. Aan de muren van het kantoor hangen optische illusies en oude wetenschapsposters, de planken zijn volgestouwd met curiosa: mannequinhoofden, een beeldje van Darth Vader, een zestal rubberen handen. De sfeer is ontspannen en experimenteel: op een gegeven moment raapt Seth een elektromagneet op in de vorm van een nepbril – een spoel voor transcraniële magnetische stimulatie (TMS) – die kan worden gebruikt om de activiteit in verschillende delen van het brein te reduceren. ‘Jaren geleden, toen we hem pas hadden, gingen we ervan uit dat bewustzijn samenhing met het frontopariëtaal netwerk [het gedeelte van de hersenen dat van belang is voor het succesvol samenstellen van nieuwe geheugenvelden], dus probeerden we de hele zaak gewoon stil te leggen door TMS toe te passen,’ zegt hij. ‘Het werkte niet,’ voegt hij er schouderophalend aan toe en legt de spoel weer terug. 

    Hallucinatiemachine

    In dezelfde ruimte staat een soort hokje met een hallucinatiemachine. Binnen brandt een stroboscopisch licht met dezelfde frequentie als onze hersenactiviteit. Het apparaat, dat heldere, kleurige hallucinaties opwekt, is gebaseerd op een uitvinding uit 1959 van kunstenaar Brion Gysin, die dacht dat zijn machine de televisie zou verdringen. Seth nodigt me uit om op een stoel tegenover het licht te gaan zitten met mijn ogen dicht. Ik kan het licht niet zien; in plaats daarvan verschijnen oranje en groene vlekken op mijn netvlies. Ze consolideren tot ronddraaiende, pulserende, caleidoscopische vormen die steeds ingewikkelder worden tot ze oplossen in een wit licht dat zo verschroeiend is dat ik mijn ogen zou hebben gesloten als ze niet al dicht waren. Ik raakte bijna in paniek, vertel ik Seth achteraf. Hij kijkt beteuterd. Met mijn reactie behoor ik tot de minderheid – de meeste mensen genieten van de hallucinaties. Seth vindt het experiment zo ‘meditatief’ dat hij thuis een stroboscopisch licht heeft geïnstalleerd, dat hij zo’n half uur per week gebruikt. 

    Deze maand werken Seth en andere onderzoekers samen met componist Jon Hopkins en het kunstenaarscollectief Assemble, dat in 2015 de Turner Prize won, aan een project dat mensen uit het publiek en schoolkinderen kennis wil laten maken met de ‘Droommachine’. Seth hoopt een nieuwe generatie bewustzijnsonderzoekers en filosofen te inspireren en zijn team zal een computerprogramma gebruiken om deelnemers te helpen hun hallucinatie te herscheppen. Zoals een haperende computer ons soms een idee geeft hoe de machine werkt, veroorzaakt het stroboscopisch licht haperingen die ons wellicht meer inzicht geven in de werking van visuele waarneming. Er is zo veel wat we nog niet weten: als jij en ik ‘rood’ zien, zien we dan dezelfde kleur? 

    Drie s(t)imulerende vormen van fictie

    Leven we in een simulatie? Sommige films, romans en series houden rekening met deze mogelijkheid.

    MATRIX, PLATON 2.0

    De mensheid is tot slaaf gemaakt door de machines die ze zelf heeft gecreëerd en die haar hebben veroordeeld tot een permanente simulatie. Met zijn vele allegorieën – van de grot van Plato tot de transgenderervaring – en zijn spectaculaire actiescènes waarin meer vechtsporten dan vuurwapens voorkomen, heeft de filmcyclus Matrix een blijvende stempel gedrukt op de fantasiewereld van Hollywood. De Amerikaanse regisseur Lana Wachowski, die samen met haar zuster Lilly tussen 1999 en 2003 de oorspronkelijke trilogie opnam, heeft eind 2021 een nieuw deel uitgebracht.

    SWORD ART ONLINE, VIRTUELE VALKUIL

    Deelname op eigen risico. Sword Art Online, een serie romans waarmee de Japanse auteur Reki Kawahara in 2009 is begonnen, is vele malen bewerkt tot stripverhalen, animatiefilms en games. De site Polygon vat de serie als volgt samen: ‘De jonge Kirito raakt verstrikt in een enorm multi-userspel. Om aan deze virtuele wereld te ontsnappen moet hij voorkomen dat hij een pion wordt in de strategieën van diverse groepen spelers die eveneens verstrikt zijn in het spel, en een reeks steeds riskantere uitdagingen aangaan.’ En het spel beëindigen.

    WANDAVISION, REALITY TV

    Hoe kan Wanda (Elizabeth Olsen) haar superkrachten gebruiken om aan haar rouwproces te ontkomen? In de miniserie Marvel, die in de lente van 2021 op Disney+ werd uitgezonden, creëert ze een soort magische bubbel rond de inwoners van een stadje in New Jersey. Ze belanden in een simulatie die is geïnspireerd op beroemde series uit de Amerikaanse televisiegeschiedenis. De overleden man van Wanda komt daarin weer tot leven als personage. Het onderwerp varieert per aflevering.

    Uit nieuwsgierigheid stem ik erin toe het hok nog eens binnen te gaan bij een licht dat met een lagere frequentie pulseert. Seth stelt voor dat ik, om kalm te blijven, de hallucinaties aan hem beschrijf op het moment dat ze zich voordoen. Als ik vervolgens wat mompel over dansende groene driehoeken die al vervloeiend veranderen in roterende oranje stervormen, zegt hij ‘Hè?’, alsof er niets interessanters bestaat. Na vijf minuten die aanvoelen als dertig seconden stopt het licht en daarmee mijn visioenen; het voelt vreemd om nu terug te lopen naar Seths kantoor alsof ik niet net ben teruggekeerd van een reis naar een of andere vreemd sterrenstelsel.

    Toen ik Being You voor het eerst las, trof mij de eenzaamheid van zijn visie. Zijn werk suggereert dat we allemaal gevangenzitten in onze zelfgecreëerde universums, innerlijke werelden die alles zijn wat we ooit kunnen kennen en die toch in een mum zullen verdwijnen. Als ik uit de hallucinatiemachine loop, begrijp ik het optimisme achter zijn werk evengoed: Seths geloof dat de wetenschap op een dag de kloof zal overbruggen tussen onze eigen geest en die van anderen, zodat we elkaar beter kunnen zien.

    Lees ook:

  • Het eenzame brein

    Het eenzame brein

    Het onderzoek naar eenzaamheid van neurowetenschapper Kay Tye kan ons helpen de psychologische gevolgen van sociaal isolement beter te begrijpen. Want eenzaamheid wordt in verband gebracht met depressie, angst, alcoholisme en drugsgebruik. Ook belemmert eenzaamheid het immuunsysteem en kan het leiden tot kanker, hartkwalen en alzheimer. Maar hoe ziet dat eenzame brein eruit?

    Lang voordat de wereld ooit van covid-19 had gehoord, ging Kay Tye op zoek naar een antwoord op de vraag die in het tijdperk van sociale afstand een nieuwe weerklank heeft gekregen: wanneer mensen zich eenzaam voelen, snakken ze dan op dezelfde manier naar sociale interactie als iemand die honger heeft snakt naar eten?

    Hebben zij en haar collega’s deze ‘honger’ in de neurale circuits van de hersenen kunnen ontdekken en meten? ‘Eenzaamheid is iets universeels,’ zegt Tye, neurowetenschapper bij het Salk Institute of Biological Sciences in San Diego, Californië. ‘Het lijkt redelijk om te betogen dat eenzaamheid een neurowetenschappelijk begrip zou moeten zijn. Alleen heeft niemand ooit een manier gevonden om het fenomeen te testen en in specifieke cellen te lokaliseren. Dat proberen we nu te doen.’

    De afgelopen jaren is er een stortvloed van wetenschappelijke boeken verschenen waarin eenzaamheid in verband wordt gebracht met depressie, angst, alcoholisme en drugsgebruik. Er zijn zelfs steeds meer epidemiologische publicaties die aantonen dat je door eenzaamheid meer kans maakt ziek te worden: er lijkt een chronische toevloed van hormonen door ontketend te worden die een goede werking van het immuunsysteem belemmert. Biochemische veranderingen als gevolg van eenzaamheid kunnen de uitzaaiing van kanker versnellen en hartkwalen en alzheimer bespoedigen, of uiterst vitale mensen de wil ontnemen om verder te leven. Het opsporen en meten van eenzaamheid zou kunnen helpen
    om risicogevallen te identificeren en nieuwe interventiemethoden te ontwikkelen.

    De komende maanden, zo waarschuwen velen, zullen we wereldwijd de gevolgen zien van covid-19 voor de geestelijke gezondheid. ‘Het zal niet lang meer duren voordat iedereen beseft wat de impact van sociale isolatie is op de rest van de geestelijke gezondheid,’ zegt Tye. ‘Ik denk dat die behoorlijk heftig is en snel optreedt.’

    56a83e270ec399efa4bf241b7d7ce257 1
    Een bezoeker van de Innovation for Health-conferentie, op 13 februari jl. in Rotterdam, bevoelt een opblaasbaar brein. Een belangrijk deel van het conferentieprogramma was gewijd aan dementie en alzheimer. – © Michel Porro / Getty

    Moeilijk te identificeren

    Maar het identificeren en zelfs definiëren van eenzaamheid is een moeilijk karwei. Zo moeilijk zelfs dat neurowetenschappers het onderwerp lange tijd hebben gemeden. Eenzaamheid, zegt Tye, is inherent subjectief. Een hedendaags voorbeeld: je kunt deelnemen aan een Zoom-gesprek met geliefden in een andere stad en je sterk verbonden voelen, of nog eenzamer dan vóór het gesprek. Deze ambiguïteit zou de merkwaardige resultaten kunnen verklaren die aan het licht kwamen toen Tye, voordat ze in 2016 haar eerste wetenschappelijke verhandeling over de neurowetenschappelijke kant van eenzaamheid publiceerde, onderzoek deed naar andere publicaties over het onderwerp. Hoewel ze in de psychologische literatuur studies over eenzaamheid aantrof, was er geen enkele publicatie waarin ook de woorden ‘cellen’, ‘neuronen’ en ‘hersenen’ voorkwamen.

    Hoewel de grootste geesten op het gebied van filosofie, literatuur en beeldende kunst zich al millennia over het hoe en waarom van eenzaamheid buigen, gaan neurowetenschappers er sinds lange tijd van uit dat vragen over de manier waarop het menselijk brein ermee omgaat niet in hun datagedreven labs beantwoord kunnen worden. Tye hoopt daar verandering in te brengen door een geheel nieuw terrein te ontwikkelen, gericht op het analyseren en begrijpen van de manier waarop onze zintuiglijke waarnemingen, eerdere ervaringen, genetische predisposities en levenssituaties samenwerken met onze omgeving om een concrete, meetbare toestand te creëren die we eenzaamheid noemen. En ze wil ontdekken hoe die schijnbaar ondefinieerbare ervaring eruitziet wanneer ze geactiveerd wordt in de hersenen.

    Als Tye daarin slaagt, zouden er nieuwe instrumenten kunnen worden ontwikkeld om mensen te identificeren en te volgen die het risico lopen op ziekten die door eenzaamheid worden verergerd. Ook zou het betere manieren kunnen opleveren om een mogelijke openbare gezondheidscrisis als gevolg van covid-19 aan te pakken.

    Tye heeft zich geconcentreerd op specifieke neuronenpopulaties in de hersenen van knaagdieren die met een meetbare behoefte aan sociale interactie lijken te worden geassocieerd, een honger die kan worden gemanipuleerd door die neuronen zelf rechtstreeks te stimuleren.

    Wetenschappers wisten al lange tijd dat het stimuleren van de amygdala een dier kan doen ineenkrimpen van angst. Maar door het labyrint van verbindingen te volgen dat de verschillende delen van de amygdala in en uit loopt, was Tye in staat aan te tonen dat het ‘angstcircuit’ van de hersenen zintuiglijke stimuli op een veel genuanceerdere manier kan beïnvloeden dan voorheen werd aangenomen. Zelfs moed leek door het circuit te worden gemoduleerd.

    Tegen de tijd dat Tye in 2012 haar lab had ingericht op het Massachusetts Institute of Technology (MIT), volgde ze de neurale verbindingen van de amygdala met plekken als de prefrontale cortex, die de hersenen aanstuurt, en de hippocampus, de zetel van het episodisch geheugen. Het doel was de circuits in de hersenen in kaart te brengen waarop we vertrouwen om de wereld beter te kunnen begrijpen, onze moment-tot-momentervaring te duiden en op verschillende situaties te reageren.

    Onverwachte ontdekking

    Dat ze eenzaamheid begon te bestuderen, berustte grotendeels op toeval. Bij het zoeken naar nieuwe postdocs stuitte Tye op het werk van Gillian Matthews, die als promovenda aan het Imperial College London een onverwachte ontdekking had gedaan, toen ze de muizen die ze bij haar experiment gebruikte van elkaar scheidde. Sociale isolatie, het pure feit alleen te zijn, leek de hersencellen die DRN-neuronen worden genoemd zodanig te hebben veranderd dat ze wellicht tot eenzaamheid leidden. Tye zag onmiddellijk de mogelijkheden. Ze herinnert zich nog hoe ongelooflijk ze deze ontdekking vond. Dat de tekenen van sociale isolatie naar een specifiek deel van de hersenen konden worden herleid, vond ze volstrekt logisch. ‘Maar waar zitten die tekenen en hoe zou je ze kunnen vinden? Als dit het specifieke deel was, dacht ik, dan zou dat superinteressant zijn.’ Bij al haar neuronenonderzoek, zegt Tye, ‘ben ik nooit eerder iets over sociale isolatie tegengekomen. Nooit.’

    Het opsporen en meten van eenzaamheid zou kunnen helpen om risicogevallen te identificeren

    Tye realiseerde zich dat als zij en Matthews een kaart van een eenzaamheidscircuit zouden kunnen maken, ze in het lab precies het soort vragen zouden kunnen beantwoorden die ze hoopte te onderzoeken: hoe veroorzaken de hersenen onbedoeld sociale isolatie? Hoe en wanneer verandert de objectieve ervaring van het niet samen met anderen zijn in de subjectieve ervaring van eenzaamheid?

    De eerste stap was het doorgronden van de rol die de DRN-neuronen spelen bij deze geestesgesteldheid. Een van de eerste dingen die Tye en Matthews opmerkten, was dat wanneer ze deze neuronen stimuleerden, de dieren eerder sociale interactie met andere muizen zochten. Bij een later experiment toonden ze aan dat dieren, wanneer ze de keus hadden, doelbewust delen van hun kooi meden die bij hun binnenkomst de neuronen activeerden. Dit deed vermoeden dat hun zoeken naar sociale interactie eerder werd gemotiveerd door een verlangen om pijn te vermijden dan om plezier te genereren.

    Bij een vervolgexperiment plaatsten de onderzoekers enkele muizen 24 uur lang in eenzame opsluiting om ze vervolgens weer in sociale groepen te introduceren. Zoals te verwachten viel, besteedden de dieren toen ongewoon veel tijd aan interactie met andere dieren, alsof ze ‘eenzaam’ waren geweest. Daarna isoleerden Tye en Mattthews dezelfde muizen opnieuw, ditmaal met gebruikmaking van optogenetics om de DRN-neuronen uit te schakelen na de periode van afzondering. Nu taalden de dieren niet meer naar sociaal contact. Het was alsof de sociale isolatie niet tot hun hersenen was doorgedrongen.

    Tye en Matthews leken het equivalent te hebben gevonden van een homeostatische regulator voor de basale behoefte van knaagdieren aan sociale contacten. Volgende vraag: wat betekenen deze bevindingen voor mensen?

    Om die vraag te beantwoorden werkt Tye samen met onderzoekers in het lab van Rebecca Saxe, hoogleraar cognitieve neurowetenschap van MIT en gespecialiseerd in menselijke sociale cognitie en emotie.

    ‘Behoefte aan sociaal contact en behoefte aan eten lijken op een sterk overeenkomstige manier tot uiting te komen’

    Sociale signalen

    De experimenten met mensen zijn veel moeilijker te ontwikkelen, omdat de voor optogenetics vereiste hersenoperaties geen optie zijn. Wel is het mogelijk eenzame mensen met beelden van vriendelijke mensen te confronteren die sociale signalen uitzenden, zoals een glimlach, en dan met behulp van een fMRI-scan de verandering in de bloedstroom naar diverse delen van de hersenen te volgen en vast te leggen. En dankzij eerdere experimenten hebben wetenschappers een goed idee van de plek waar ze in de hersenen moeten zoeken, namelijk een gebied dat analoog is aan datgene wat Matthews en Tye bij muizen hebben bestudeerd.

    Vorig jaar heeft Livia Tomova, een postdoc die het onderzoek in het lab van Saxe leidt, veertig vrijwilligers geronseld die volgens eigen zeggen een groot sociaal netwerk hadden en een zeer laag eenzaamheidsniveau. Tomova verbande haar proefpersonen naar een kamer in het lab en verbood tien uur lang iedere vorm van menselijk contact. Ter vergelijking nodigde Tomova dezelfde deelnemers opnieuw uit voor een tien uur durende sessie waar volop sociale interactie was, maar geen eten.

    Aan het eind van beide sessies kregen de proefpersonen het verzoek in een fMRI-scanner te klimmen en werden ze met verschillende beelden geconfronteerd, sommige van mensen die non-verbale sociale signalen uitzonden, andere waarop eten was te zien.

    Anders dan Tye en Matthews was Tomova niet in staat zich op individuele neuronen te richten. Wel kon ze veranderingen in de bloedstroom
    volgen binnen grotere delen van de scan, de zogeheten voxels; elke voxel toonde de veranderende activiteit van afzonderlijke populaties van enkele duizenden neuronen. Tomova concentreerde zich op de middenhersenen waarvan bekend is dat ze rijk aan neuronen zijn die worden geassocieerd met het produceren en verwerken van de neurotransmitter dopamine. Bij andere experimenten is al aangetoond dat deze gebieden verband houden met het ‘verlangen’ of ‘snakken’ naar iets. Het zijn gebieden die oplichten bij beelden van eten wanneer iemand honger heeft, of bij drugsgerelateerde afbeeldingen in het geval van mensen met een verslaving. Zouden ze hetzelfde doen bij eenzame mensen die afbeeldingen van een glimlach te zien krijgen?

    Het antwoord was duidelijk: na de sociale isolatie toonden de hersenen van de proefpersonen veel meer activiteit in het middenhersengebied wanneer ze de beelden van sociale signalen te zien kregen. Wanneer de proefpersonen honger hadden maar niet sociaal geïsoleerd waren geweest, reageerden ze even sterk op de etenssignalen, maar niet op de sociale. ‘Of het nu behoefte aan sociaal contact is of behoefte aan andere dingen zoals eten, ze lijken op een sterk overeenkomstige manier tot uiting te komen,’ zegt Tomova.

    Inzicht in de manier waarop de behoefte aan sociaal contact in de hersenen tot stand komt zou meer inzicht kunnen verschaffen in de rol die sociale isolatie bij sommige ziekten speelt. Het objectief meten van eenzaamheid in de hersenen, in tegenstelling tot het vragen aan mensen hoe ze zich voelen, zou bijvoorbeeld het verband tussen depressiviteit en eenzaamheid kunnen verduidelijken. Het is de kip of het ei: veroorzaakt depressiviteit eenzaamheid, of veroorzaakt eenzaamheid depressiviteit? En zou tijdige sociale interventie depressiviteit kunnen helpen bestrijden?

    Verslaving

    Inzicht in het eenzaamheidscircuit in de hersenen zou ook enig licht kunnen werpen op verslaving, waar geïsoleerde dieren volgens bepaald onderzoek vatbaarder voor zijn. Daarvoor lijkt vooral sterk bewijs te bestaan bij adolescente dieren, die gevoeliger lijken te zijn voor de effecten van sociale isolatie dan oudere of jongere soortgenoten. Bij mensen zullen vooral jongeren tussen de 16 en 24 waarschijnlijk zeggen dat ze zich eenzaam voelen, en dat is ook de leeftijd waarop zich veel storingen op het gebied van de geestelijke gezondheid beginnen te manifesteren. Is er een verband?

    Maar waar momenteel misschien wel de grootste behoefte aan is, is een reactie op de sociale afstand waartoe de covid-19-pandemie noopt. Volgens sommige onlineonderzoeken is er geen algehele toename van eenzaamheid sinds het begin van de pandemie, maar hoe zit het met mensen voor wie de kans op geestelijke gezondheidsproblemen het grootst is? Op welk moment komt hun psychologische en fysieke welzijn in gevaar wanneer ze worden geïsoleerd? Als we eenzaamheid eenmaal kunnen meten, zal het veel makkelijker worden om doelgerichte interventies te ontwikkelen.

    ‘Een belangrijke vraag voor toekomstig onderzoek is hoeveel en wat voor soorten positieve interactie volstaan om in de basisbehoefte te voorzien en daarmee de neurale verlangensrespons te elimineren,’ schreven Tomova en Tye eind maart in een voor-publicatie van hun komende verhandeling. De pandemie ‘benadrukt het belang van een beter begrip van menselijke sociale behoeften en het neurale mechanisme dat aan sociale motivatie ten grondslag ligt. Deze studie zet een eerste stap in die richting.’

    Dat is, in de bedekte termen die typerend zijn voor wetenschappelijke taal, de aankondiging van de geboorte van een heel nieuw onderzoeksterrein, waarvan je maar zelden getuige bent, laat staan dat je eraan deelneemt.

    ‘Het is voor mij zo opwindend, omdat dit allemaal begrippen zijn waarover we in de psychologie al een miljoen keer hebben horen spreken; en nu hebben we voor het eerst echt cellen in de hersenen die we aan het systeem kunnen linken,’ zegt Tye. ‘En als je eenmaal één cel hebt, kun je terugzoeken en vooruitzoeken; je kunt kijken wat er stroomopwaarts is, je kunt kijken wat alle neuronen die zich stroomopwaarts bevinden doen, en wat voor boodschappers er worden gestuurd. Nu kun je het hele circuit ontdekken, je weet waar je moet beginnen.’

  • Hoe korter je slaapt, hoe korter je leeft

    Hoe korter je slaapt, hoe korter je leeft

    Vooraanstaand neurowetenschapper Matthew Walker legt uit waarom slaaptekort de kans vergroot op kanker, hartaanvallen en alzheimer – en wat eraan te doen valt.

    Matthew Walker is in de loop der jaren huiverig geworden voor de vraag: ‘Wat doe jij voor werk?’ Op feestjes is voor hem de lol er dan wel af; als hij antwoord geeft op die vraag komt hij de rest van de avond niet meer van zijn gesprekspartner af. In een vliegtuig betekent het meestal dat Walker, terwijl de andere passagiers lekker naar een film kijken of een thriller lezen, uren achtereen salon houdt voor zowel medepassagiers als bemanning. ‘Ik hang steeds vaker een leugentje op,’ zegt hij. ‘Serieus. Ik zeg gewoon dat ik dolfijnentrainer ben. Dat is voor iedereen beter.’

    Walker is slaaponderzoeker. Om precies te zijn: hij staat aan het hoofd van het Center for Human Sleep Science aan de University of California, in Berkeley, een onderzoeksinstituut met de – wellicht onhaalbare – doelstelling om alles aan de weet te komen over het belang en de effecten van slaap voor de mens, van geboorte tot dood, in goede of slechte gezondheid. Het is dan ook geen wonder dat mensen aan zijn lippen hangen. Naarmate werk en vrije tijd meer in elkaar overlopen, kom je nog maar zelden iemand tegen die zich níét druk maakt over slapen. Maar we kunnen nog zo serieus kijken naar de wallen onder onze ogen, de meeste mensen hebben maar bar weinig verstand van zaken – en misschien is dat wel de werkelijke reden dat Walker niet meer aan onbekenden vertelt wat hij voor werk doet.

    Slaaptekortepidemie

    Wanneer Walker over slapen begint, kan hij zich er niet met een gerust geweten toe beperken om op zachte toon geruststellende mededelingen te doen over kamillethee en een warm bad. Hij is ervan overtuigd dat er een ‘catastrofale slaaptekortepidemie’ is uitgebroken, waarvan de gevolgen veel ernstiger zijn dan wij ons nu kunnen voorstellen. Deze ontwikkeling kan alleen worden doorbroken wanneer de overheid ingrijpt, is zijn stellige overtuiging.

    Walker heeft de afgelopen vierenhalf jaar gewerkt aan zijn boek, Why We Sleep, een complex maar belangrijk werk, waarin wordt ingezoomd op de gevolgen van deze epidemie, vanuit het idee dat mensen, zodra ze zich eenmaal bewust zijn van de sterke relatie tussen slaapgebrek en onder andere alzheimer, kanker, suikerziekte, overgewicht en geestelijke problemen, eerder hun best zullen doen om de acht uur slaap per nacht te halen (alles ónder de zeven uur wordt beschouwd als slaapgebrek, al zal dat de Donald Trumps van deze wereld ongeloofwaardig in de oren klinken). Maar er zijn grenzen aan wat je als individu kunt bewerkstelligen. Walker wil ook grote bedrijven en wetgevers overtuigen van zijn ideeën. ‘Geen enkel facet van ons lichamelijk functioneren is ongevoelig voor slaaptekort,’ zegt hij. ‘Het dringt door tot alle hoeken en gaten. En toch komt niemand in actie. Er zullen dingen moeten veranderen: op het werk en in de samenleving, thuis en in ons gezin. Maar is er ooit een voorlichtingscampagne geweest waarin mensen werden aangespoord om goed te slapen? Is er ooit een dokter geweest die geen slaappillen voorschreef, maar slaap?
    Het onderwerp moet meer prioriteit krijgen, het moet gestimuleerd worden. Slaaptekort levert de Engelse economie een jaarlijks verlies op van dertig miljard pond, ofwel twee procent van het bruto nationaal product. Ik zou het budget voor gezondheidszorg kunnen verdubbelen als er maar een krachtig beleid zou worden gevoerd om slapen te stimuleren.’

    ‘Het aantal mensen dat met vijf uur slaap of minder toe kan zonder daar nadelige gevolgen van te ondervinden, uitgedrukt in percentages van de totale bevolking, en afgerond op hele getallen, is nul’

    Waarom hebben we eigenlijk zo’n groot slaaptekort? Wat is er de afgelopen vijfenzeventig jaar gebeurd? In 1942 probeerde minder dan acht procent van de bevolking het te doen met zes uur slaap per nacht of minder; in 2017 geldt dat voor bijna een op de twee mensen. De redenen lijken nogal voor de hand te liggen. ‘Ten eerste hebben we de nacht van stroom voorzien,’ zegt Walker. ‘Licht is zeer ondermijnend voor de slaap. Ten tweede is er het werk: niet alleen de poreuze randen van de werkdag, maar ook een langere reistijd. Niemand wil tijd voor zijn gezin of voor leuke dingen inleveren, dus wordt er slaap ingeleverd. Angst speelt ook een rol. Als maatschappij zijn we eenzamer, gedeprimeerder. Alcohol en cafeïne zijn ruim voorhanden. Allemaal vijanden van de slaap.’

    Maar Walker is er ook van overtuigd dat in de westerse wereld slaap wordt geassocieerd met zwakte, om niet te zeggen schaamte. ‘We hebben slaap gestigmatiseerd, we hebben er het etiket lui op geplakt. We willen de boodschap uitzenden dat we druk zijn, en een manier om dat duidelijk te maken is door te benadrukken dat we weinig slapen. Het is een soort onderscheidingsteken. Als ik een lezing geef, blijven mensen na afloop soms wel drie kwartier hangen, tot iedereen weg is, en dan zeggen ze zachtjes tegen me: “Het lijkt erop dat ik zo iemand ben die acht of negen uur slaap nodig heeft.” Het is gênant om dat in het openbaar te zeggen. Liever blijven ze drie kwartier wachten dan dat ze dit openbaar opbiechten. Ze zijn ervan overtuigd dat ze abnormaal zijn, en geef ze eens ongelijk. We bekritiseren mensen die veel zouden slapen, terwijl het uiteindelijk gewoon om een toereikend aantal uren gaat. We beschouwen ze als luiwammesen. Niemand zal ooit, bij het zien van een slapende baby, zeggen: “Wat een luie baby!” We weten dat slaap voor een baby onontbeerlijk is. Maar dat idee laten we snel los [wanneer we ouder worden]. Mensen zijn de enige dieren die zichzelf om onduidelijke redenen bewust slaap ontzeggen.’ Voor wie het zich mocht afvragen: het aantal mensen dat met vijf uur slaap of minder toe kan zonder daar nadelige gevolgen van te ondervinden, uitgedrukt in percentages van de totale bevolking, en afgerond op hele getallen, is nul.

    De wereld van de slaapwetenschap is betrekkelijk klein. Maar hij maakt een exponentiële groei door, zowel door de vraag (de veelsoortige en toenemende druk als gevolg van de epidemie) als door de nieuwe technologie (zoals elektronische en magnetische hersenstimulatoren) die onderzoekers ‘VIP-toegang’ tot het slapende brein verlenen, om de woorden van Walker te gebruiken. Walker, vierenveertig jaar en geboren in Liverpool, is al meer dan twintig jaar werkzaam op dit terrein en heeft zijn eerste onderzoek gepubliceerd toen hij nog maar net eenentwintig was. ‘Ik zou met alle plezier zeggen dat ik al vanaf mijn kindertijd geïnteresseerd was in verschillende stadia van bewustzijn,’ zegt hij. ‘Maar als ik eerlijk ben, was het een kwestie van toeval.’ Hij ging medicijnen studeren in Nottingham. Maar hij kwam er al snel achter dat hij geen arts moest worden – hij was meer geïnteresseerd in vragen dan in antwoorden – en hij stapte over op de neurowetenschap. Na zijn studie begon hij aan een promotie in de neurofysiologie, ondersteund door het Medical Research Council. Tijdens zijn promotieonderzoek stuitte hij op het domein van de slaap.

    ‘Ik onderzocht hersengolfpatronen van mensen met verschillende vormen van dementie, maar ik slaagde er maar niet in verschillen te vinden,’ zegt hij over die tijd. Tot hij op een nacht een wetenschappelijk artikel las waardoor alles veranderde. Het artikel beschreef welke delen van de hersenen door verschillende vormen van dementie worden aangetast: ‘Sommige vormen tasten delen van de hersenen aan die verband houden met gecontroleerde slaap, terwijl andere vormen die slaapcentra ongemoeid laten. Ik begreep wat ik fout deed. Ik had de hersenactiviteit van mijn patiënten gemeten terwijl ze wakker waren, maar ik had dat moeten doen terwijl ze sliepen.’ In de zes maanden die volgden stortte Walker zich op het opzetten van een slaaplaboratorium en ja hoor, de gegevens die hij vervolgens registreerde lieten een duidelijk verschil zien tussen de patiënten. Slaap, zo leek het, zou weleens een nieuwe diagnostische lakmoesproef voor bepaalde subtypen dementie kunnen zijn.

    © Pexels
    © Pexels

    Vanaf dat moment was hij geobsedeerd door slaap. ‘Pas toen vroeg ik me af: wat is slaap eigenlijk, en wat doet het met ons? Ik was altijd al nieuwsgierig, op het irritante af, maar toen ik me in slapen begon te verdiepen, kon ik zo uren en uren verder zijn. Niemand had een antwoord op de simpele vraag: waarom slapen we? Voor mij was dat misschien wel het grootste wetenschappelijke raadsel. Ik zou het antwoord vinden, en wel binnen twee jaar. Maar ik was naïef. Ik had me niet gerealiseerd dat enkele van de grootste wetenschappers ter wereld hun hele carrière lang hetzelfde hadden geprobeerd. Dat was twintig jaar geleden, en ik ben er nog altijd niet uit.’ Na zijn promotie verhuist hij naar Amerika. Na eerst hoogleraar psychiatrie te zijn geweest aan Harvard Medical School, is hij nu hoogleraar neurowetenschap en psychologie aan de University of California.

    Neemt hij zijn obsessie mee naar de slaapkamer? Neemt hij zijn eigen slaapadvies ter harte? ‘Ja. Ik gun mezelf steevast de ruimte om acht uur per nacht te slapen, en ik hou zeer regelmatige tijden aan: als ik mensen één advies mag geven, dan is het om elke dag op dezelfde tijd naar bed te gaan en op dezelfde tijd op te staan, ongeacht de situatie. Ik neem slapen ongekend serieus omdat ik de feiten ken. Zodra je eenmaal weet dat na een nacht van slechts vier of vijf uur slaap het aantal natuurlijke killercellen – de cellen die de kankercellen aanvallen die dagelijks in je lichaam opduiken – met zeventig procent afneemt, of dat slaapgebrek in verband wordt gebracht met zowel darmkanker als prostaat- en borstkanker, of dat de Wereldgezondheidsorganisatie heeft gezegd dat elke vorm van nachtdienst vermoedelijk kankerverwekkend is, kun je toch ook moeilijk anders meer?’

    Maar ook bij Walker gaat het weleens mis. Mochten zijn oogleden niet dichtvallen, dan kan hij een beetje Woody-Allen-achtig neurotisch worden, geeft hij zelf toe. Toen hij van de zomer bijvoorbeeld naar Londen ging, lag hij om twee uur ’s nachts klaarwakker en met een jetlag in zijn hotelkamer. Zijn probleem op dat moment, en eigenlijk altijd in vergelijkbare situaties, is dat hij te veel weet. Hij begon te malen. ‘Ik dacht: mijn orexine-productie is niet tot stilstand gekomen, mijn thalamus laat nog volop zintuiglijke prikkels door naar mijn hersenschors, mijn dorsolaterale prefrontale cortex is volop actief, en mijn melatoninepiek laat nog zeven uur op zich wachten.’ Wat heeft hij toen gedaan? Uiteindelijk blijken topslaapwetenschappers ook maar gewoon mensen, wanneer ze last hebben van slapeloosheid. Hij heeft het licht aan gedaan en een boek gepakt.

    Verband met ziekten

    Zal Why We Sleep in brede kring aanslaan, zoals de auteur hoopt? Ik betwijfel het: het valt niet te ontkennen dat de wetenschappelijke stukken de nodige concentratie vereisen. Maar ik kan wel zeggen dat het op mij een sterke uitwerking had. Na lezing was ik vastberaden om eerder naar bed te gaan – een regime waar ik ook echt aan vasthoud. In zekere zin kwam dat niet als een verrassing. Ik heb Walker een paar maanden geleden voor het eerst ontmoet, toen hij sprak op een bijeenkomst in Somerset House in Londen. Hij kwam me meteen al voor als een gedreven en overtuigend man (ons latere interview vindt plaats via Skype, vanuit de kelder van zijn ‘slaapcentrum’, een plek met diverse slaapkamers aan een lange gang, een opzet die doet denken aan de vleugel van een privékliniek). Maar in zekere zin kwam het ook wél als een verrassing. Ik ben overal het algemeen niet erg ontvankelijk voor medische adviezen. Ik hoor altijd een stemmetje, ergens in mijn achterhoofd: ‘Geniet van het leven, zolang het kan.’

    De feiten die Walker aandraagt zijn zo overtuigend dat je zou verwachten dat iedereen na lezing vroeg onder de wol kruipt. In feite is het helemaal geen keuze. Zonder slaap zijn we futloos en worden we ziek. Met slaap zijn we vitaal en gezond. Uit meer dan twintig groots opgezette epidemiologische studies blijkt telkens hetzelfde heldere verband: hoe korter je nachtrust, hoe korter je leven. Om een voorbeeld te noemen: volwassenen van boven de vijfenveertig die minder dan zes uur per nacht slapen hebben twee keer zoveel kans om tijdens hun leven een hartaanval of een beroerte te krijgen dan mensen die zeven of acht uur per nacht slapen (dit heeft deels te maken met de bloeddruk: al na één nacht niet al te best slapen gaat de hartslag omhoog, uur na uur, en zien we een significante stijging van de bloeddruk.)

    Slaapgebrek lijkt ook de manier in de war te schoppen waarop het lichaam heel doeltreffend de bloedsuikerspiegel in balans houdt. De cellen van mensen met slaapgebrek blijken in experimenten minder goed te reageren op insuline, wat kan leiden tot een prediabetische staat van hyperglykemie. Wie weinig slaapt, loopt ook nog eens een groot risico om te dik te worden. Een van de redenen hiervoor is dat te weinig slaap zorgt voor een daling van de hoeveelheid leptine – een hormoon dat het verzadigingsgevoel regelt – terwijl de hoeveelheid ghreline – het hormoon dat het hongergevoel geeft – juist stijgt. ‘Je hoort mij niet zeggen dat de overgewichtepidemie enkel en alleen is te wijten aan de slaapgebrekepidemie,’ zegt Walker. ‘Dat is niet het geval. Maar de toename van obesitas valt niet enkel en alleen te verklaren uit voorbewerkt voedsel en ons zittende bestaan. Er moet nog een schakel zijn. Inmiddels is duidelijk geworden dat slapen de derde factor is.’ Vermoeidheid ondermijnt natuurlijk ook de motivatie.

    Slaap heeft een krachtige uitwerking op het immuunsysteem. Het is niet voor niets dat, wanneer we een griepje voelen opkomen, ons eerste instinct is om in bed te kruipen. Ons lichaam probeert zichzelf beter te laten slapen. Een nacht slecht slapen en je veerkracht neemt danig af. Als je moe bent, zul je eerder kouvatten. Wie goed is uitgerust, is ook beter bestand tegen het griepvirus. Zoals Walker al eerder heeft opgemerkt: nog veel ernstiger is het feit dat onderzoek heeft aangetoond dat een korte nachtrust invloed kan hebben op onze immuuncellen, die de strijd aangaan met kankercellen. Verschillende epidemiologische studies hebben aangetoond dat nachtdiensten en de daaruitvolgende verstoring van het slaap-waakritme de kans vergroten op verschillende soorten kanker, waaronder maag-, prostaat-, baarmoederslijmvlies- en karteldarmkanker.

    Een wijdverspreide opvatting binnen de psychiatrie is dat geestelijke stoornissen tot slaapstoornissen leiden. Maar volgens Walker werkt het twee kanten op

    Wie over zijn hele volwassen leven te weinig slaapt, heeft een beduidend grotere kans om alzheimer te krijgen. De redenen daarvoor laten zich lastig samenvatten, maar kort gezegd heeft het te maken met amyloïd-afzettingen (een giftig eiwit) die zich verzamelen in de hersenen van mensen die aan de ziekte leiden, en die de omliggende cellen doden. Tijdens de diepe slaap worden dergelijke afzettingen in de hersenen opgeruimd. Wat er bij een alzheimerpatiënt gebeurt, is een soort vicieuze cirkel. Zonder voldoende slaap groeien deze afzettingen steeds verder aan, met name in de delen van de hersenen die zorgen voor de diepe slaap. Die delen worden aangevallen en aangetast. Door het gebrek aan slaap dat deze aanvallen in de hand werken, verliezen we het vermogen om ze ’s nachts uit de hersenen te verwijderen. Meer amyloïd, minder diepe slaap; minder diepe slaap, meer amyloïd, enzovoorts. (In zijn boek merkt Walker ‘onwetenschappelijk’ op dat hij het altijd opmerkelijk heeft gevonden dat zowel Margaret Thatcher als Ronald Reagan, die er beiden prat op gingen zo weinig slaap nodig te hebben, uiteindelijk allebei de ziekte hebben gekregen. Voorts is het een fabeltje dat oudere mensen minder slaap nodig hebben.) Nog even los van dementie: slaap versterkt ons vermogen om nieuwe herinneringen aan te maken, en het herstelt ons vermogen tot leren.

    Dan zijn er nog de effecten van slaap op de geestelijke gezondheid. Moeders die zeggen dat een nachtje slapen wonderen doet, hebben groot gelijk. In Walkers boek staat ook een uitgebreid hoofdstuk over dromen (waarvan Walker, anders dan Freud, zegt dat ze niet geanalyseerd kunnen worden). Hij belicht hier de verschillende manieren waarop de droomtoestand is gelieerd aan creativiteit. Hij oppert ook dat dromen een heilzame werking kunnen hebben. Als we slapen om ons dingen te kunnen herinneren (zie boven), dan slapen we ook om te vergeten. De diepe slaap – het stadium waarin we beginnen te dromen – is een therapeutische toestand waarin we onze ervaringen ontdoen van hun emotionele lading, waardoor we er makkelijker mee kunnen omgaan. Slaap, of een tekort aan slaap, heeft daardoor ook invloed op onze algehele stemming. Walker heeft hersenscans gemaakt waaruit bleek dat de reactiviteit van de amygdala – een cruciale plek voor het triggeren van woede en razernij – met zestig procent toeneemt bij slaaptekort. Bij kinderen wordt slapeloosheid in verband gebracht met agressie en pesten; bij volwassenen met zelfmoordgedachten. Onvoldoende slaap wordt ook in verband gebracht met een terugval bij verslavingsproblematiek. Een wijdverspreide opvatting binnen de psychiatrie is dat geestelijke stoornissen tot slaapstoornissen leiden. Maar volgens Walker werkt het twee kanten op. Regelmatig slapen kan heilzaam zijn voor, bijvoorbeeld, mensen met een bipolaire stoornis.


    In deze (al te korte) samenvatting heb ik een paar keer de term diepe slaap gebruikt. Wat is dat precies? We slapen in cycli van anderhalf uur, en pas aan het einde van zo’n cyclus komen we in een diepe slaap. Elke cyclus bestaat uit twee soorten slaap. Ten eerste is er de NREM-slaap (non-rapid eye movement); deze wordt gevolgd door de REM-slaap (rapid eye movement). Zodra Walker over deze cycli begint, die nog altijd vele geheimen in zich dragen, verandert zijn stem. Hij klinkt betoverd, haast bedwelmd.

    ‘Tijdens de NREM-slaap vindt er een ongelooflijk gesynchroniseerd patroon van ritmisch chanten plaats in het brein,’ zegt hij. ‘Er is een opmerkelijke synchroniteit over het hele oppervlak van het brein – als een diep, traag mantra. Wetenschappers hebben ooit ten onrechte aangenomen dat deze toestand vergelijkbaar zou zijn met een coma. Maar niets is minder waar. Er worden enorme hoeveelheden herinneringen verwerkt. Om die hersengolven te produceren zingen honderdduizenden cellen samen, waarna ze weer stilvallen, en dat keer op keer op keer. Ondertussen zakken je hersenen weg naar een aangenaam laag energieniveau, het beste bloeddrukmedicijn dat er bestaat. De REM-slaap daarentegen wordt ook wel de paradoxale slaap genoemd, omdat de patronen in je hersenen identiek zijn aan wanneer je wakker bent. Het is een ongelooflijk actieve toestand van je brein. Je hart en zenuwstelstel vertonen echte pieken, waarbij ze driftig in de weer zijn: we weten nog niet helemaal waarom.

    Betekent die cyclus van anderhalf uur dat de zogeheten powernaps zinloos zijn? ‘Ze kunnen de scherpe randjes eraf halen wanneer iemand slecht slaapt. Maar je hebt anderhalf nodig om tot diepe slaap te komen, en één cyclus is niet genoeg voor alles wat er moet gebeuren. Je hebt vier tot vijf cycli nodig om er optimaal baat bij te hebben.’

    Is het mogelijk om te veel te slapen? Dat is onduidelijk. ‘Op het moment zijn er geen duidelijke bewijzen. Maar ik denk dat veertien uur te veel is. Aan te veel water kun je overlijden, net als aan te veel eten, en ik denk dat uiteindelijk voor slapen hetzelfde zal gelden.’

    Hoe weet je of iemand aan slaapgebrek leidt? Walker zegt dat we op onze intuïtie moeten afgaan. Mensen die doorslapen nadat de wekker is afgegaan, krijgen domweg onvoldoende slaap. Hetzelfde geldt voor mensen die ’s middags cafeïne nodig hebben om wakker te blijven. ‘Ik zie het overal om me heen,’ zegt hij. ‘Ik stap aan boord van een vliegtuig, om tien uur ’s ochtends, wanneer iedereen superscherp zou moeten zijn. Maar als ik om me heen kijk, is de helft van de passagiers vrijwel meteen in slaap gevallen.’

    Wat kun je zelf doen?

    Wat kun je als individu doen? Om te beginnen moet je geen nachten ‘doorhalen’, achter je bureau of op de dansvloer. Wie negentien uur achter elkaar wakker is, is cognitief even verzwakt als iemand die dronken is. Ten tweede zou je slapen moeten beschouwen als een soort werk, vergelijkbaar met naar de sportschool gaan (met als groot verschil dat het gratis is én, als je zo in elkaar zit als ik, een stuk aangenamer). ‘Mensen gebruiken een wekker om wakker te worden,’ zegt Walker. ‘Waarom hebben we dan geen wekker die ons waarschuwt dat we over een half uur moeten gaan slapen, dat we rustig moeten gaan afbouwen?’ We zouden middernacht weer meer in de oorspronkelijke betekenis van het woord moeten gaan zien: het midden van de nacht. Scholen zouden kunnen overwegen de leerlingen later te laten beginnen; een dergelijke verschuiving wordt in verband gebracht met een hoger IQ. Bedrijven zouden kunnen overwegen slaap te belonen. De productiviteit zal stijgen en de motivatie, de creativiteit en zelfs de integriteit zullen verbeteren.

    Er zijn verschillende apparaatjes om slaap in kaart te brengen, en in Amerika hebben een paar bedrijven met een vooruitziende blik besloten hun medewerkers vrije dagen te geven wanneer ze voldoende slapen. Slaappillen zijn overigens taboe. Die hebben onder andere een negatief effect op het geheugen. Mensen die zich richten op de zogeheten ‘zuivere slaap’ zijn vastbesloten om mobieltjes en computers uit de slaapkamer te weren – en terecht, gezien het effect van LED-licht op de aanmaak van melatonine, het hormoon dat slaap opwekt. Walker is van mening dat de technologie uiteindelijk de redding zal betekenen van onze slaap. ‘In industriële landen zullen we een revolutie zien op het gebied van het zogeheten self tracking,’ zegt hij. ‘Er komt een moment dat we ons lichaam van dag tot dag in kaart kunnen brengen, tot in de kleinste details. Dat zal een aardverschuiving teweegbrengen, en dan zullen we methoden gaan ontwikkelen om bepaalde componenten van de menselijke slaap te versterken, vanuit ons bed. Slaap zal de status krijgen van een preventief medicijn.’

    Welke vragen wil Walker nog het liefst beantwoord zien? Hij is even stil. ‘Het is ontzettend moeilijk,’ verzucht hij. ‘Er zijn nog zo veel vragen. Ik wil nog altijd graag weten waar we, zowel in psychologisch als in fysiologisch opzicht, naartoe gaan wanneer we dromen. Dromen is de tweede toestand van het menselijk bewustzijn, en tot nog toe hebben we maar een heel klein tipje van de sluier weten op te lichten. Ik zou er ook graag achter komen wanneer de slaap is ontstaan. Ik zou graag een krankzinnige theorie willen poneren, en wel deze: misschien heeft slaap zich niet geëvolueerd. Misschien is slapen wel de toestand waaruit waken is ontstaan.’ Hij lacht. ‘Als ik een soort medische tijdmachine had en dat zou kunnen onderzoeken, dan zou ik ’s nachts misschien beter slapen.’

    Auteur: Rachel Cooke
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Pexels

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.