Tag: nobelprijs

  • De Nobelprijs voor Machado verandert weinig aan de staat van de democratie in Venezuela

    De Nobelprijs voor Machado verandert weinig aan de staat van de democratie in Venezuela

    De Vredesnobelprijs voor de Venezolaanse oppositieleidster María Corina Machado markeert een zeldzaam moment van internationale aandacht voor Latijns-Amerika. Maar net als de recente begrafenis van paus Franciscus illustreren deze gebeurtenissen minder de kracht van het continent dan wel haar zwaktes.

    Dat personen uit Latijns-Amerika ook maar voor een kort moment in de schijnwerpers van de wereldopinie staan, komt in tijden van elkaar overlappende mondiale crises nog zelden voor. Toen een politica uit Venezuela met de Vredesnobelprijs werd bekroond en in mei de eerste Latijns-Amerikaan aan het hoofd van de katholieke kerk in Rome ten grave werd gedragen, illustreerden deze gebeurtenissen dan ook minder de kracht van deze wereldregio als wel haar zwaktes.

    Met zijn mix van paternalisme, populisme en autoritarisme had niemand de ondeugden van het caudillismo beter op het wereldtoneel kunnen ensceneren dan de Argentijn Franciscus, die graag koketteerde met zijn afkomst ‘van het einde van de wereld’ – het negeren van het (in zijn geval kerkelijk) recht inbegrepen. Tegen die achtergrond ogen de ontwikkelingen die de democratie in Latijns-Amerika sinds het tijdperk van de militaire dictaturen heeft doorgemaakt ronduit opmerkelijk.

    Afgezien van Venezuela, Nicaragua en Cuba zijn democratische machtsoverdrachten inmiddels de regel. Dat daarbij telkens weer ook politici zegevieren die zelfs naar Europese maatstaven allerminst als rasechte democraten kunnen gelden, heeft vooral te maken met de teleurstelling over een staat die het op het gebied van publieke voorzieningen altijd al aan veel heeft laten ontbreken. Het wantrouwen jegens politieke instituties als parlementen en partijen is de laatste tijd zelfs weer toegenomen.

    Vertrouwen in democratie

    Maar zoals in Argentinië een Milei werd gekozen, zo werd in Brazilië een Bolsonaro weggestemd. In El Salvador is het vertrouwen in de democratie paradoxaal genoeg hoger dan ooit, nadat de burgers in de persoon van Bukele voor een perfecte dictator hebben gekozen die het land uit het rijtje van landen met de hoogste moordcijfers ter wereld heeft doen wegvallen. Iets dergelijks is de Morena-partij in Mexico niet gelukt. Daarvoor heeft het land wel, voor het eerst sinds de onafhankelijkheid, een vrouwelijke president.

    Aan de Stille Oceaan gaat het nog het meest volgens het boekje. In Peru is het nauwelijks nog mogelijk overzicht te houden over het aantal afgezetten en/of wegens corruptie gearresteerde presidenten. In Chili worstelt een altijd al extreem gepolariseerde samenleving al decennia in het medium van grondwetsdebatten om haar ziel, terwijl het al eeuwenlang endemische geweld in Colombia en inmiddels ook Ecuador wordt aange- wakkerd door de inbedding in de mondiale drugseconomie.

    VENEZUELA EN SPANJE OVER DE KEUZE

    Wordt in de diaspora van Venezuela openlijk feestgevierd, binnenlandse reacties op de Nobelprijs voor María Corina Machado blijven gedempt. Volgens nieuwssite Runrun wordt de prijs ‘in stilte gevierd’, de site La Patilla roemt Machado’s moed, de krant El Nacional noemt de prijs een ‘morele verademing’. Aan regeringszijde zet de zender Telesur haar neer als ‘extremist’ en ‘golpista’, passend in het door de staat gedomineerde omroeplandschap dat kritische media heeft teruggedrongen.

    Vooral in Spanje klinken felle reacties. Pablo Iglesias (Podemos) sneerde dat je de prijs dan ‘net zo goed aan Trump of zelfs postuum aan Hitler’ kunt geven; partijleider Ione Belarra sprak van prestigeverlies en vond dat Francesca Albanese de prijs had moeten krijgen. Javier Sánchez Serna noemde de keuze ‘tussen Netanyahu, Trump en een Venezolaanse golpista’, terwijl IU-leider Antonio Maíllo en Enrique Santiago stelden dat de prijs beter echte vredesinitiatieven in oorlogssituaties kon belonen.

    Van de toekenning van de Vredesnobelprijs in 2016 aan de Colombiaanse president Santos wegens zijn verdiensten voor het vredesproces met de FARC-guerrilla loopt dan ook een directe lijn naar de bekroning van María Corina Machado. Hoe handig de Venezolaanse oppositiepolitica er het afgelopen jaar ook in slaagde om de machthebber Maduro onder het oog van de wereld als verkiezingsfraudeur te ontmaskeren, zo weinig zal de bekroning vermoedelijk veranderen aan de desolate toestand van de Venezolaanse oppositie – zoals ook de prijs voor Santos niets heeft veranderd aan het onvermogen van de regeringen om zelfs maar het geweldsmonopolie te veroveren in de immense staat- en rechteloze gebieden van het land. In Venezuela staan de meeste overgebleven oppositieleden voor een traditionele elite die zich in een door immense olievoorraden aangejaagd rentekapitalisme uitstekend had weten in te richten – totdat een aanvankelijk door een brede massa gedragen en door de Europese linkerzijde bejubelde ‘bolivariaanse revolutie’ de oude tijd van wanbeheer, corruptie en onderwijsarmoede leek weg te vagen. Inmiddels zijn de armen er nog ellendiger aan toe dan tevoren. Maduro zit dankzij geopolitiek gemotiveerde steun van Rusland en China, evenals de tolerering door landen als Brazilië en Colombia, nog altijd stevig in het zadel.

    In deze situatie is het een grote politieke fout dat Machado de prijs niet alleen opdroeg aan het lijdende Venezolaanse volk, maar ook aan de Amerikaanse president Trump. De laureate, die ook goedkeurt dat Trump ‘schepen tot zinken brengt’ in het Caribisch gebied, wekt de herinnering aan de vele decennia waarin de gringo’s in hun achtertuin met ijzeren bezem alles uitkeerden wat hun niet welgevallig was.

  • Nobelprijs voor Natuurkunde gaat naar drie kwantumwetenschappers

    Nobelprijs voor Natuurkunde gaat naar drie kwantumwetenschappers

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: Hooggerechtshof wil verbod op conversietherapieën aanvechten

    » Denemarken gaat sociale media verbieden voor kinderen onder de vijftien

    Ze krijgen ongeveer een miljoen euro aan prijzengeld

    De Koninklijke Zweedse Academie van Wetenschappen heeft op 7 oktober de Nobelprijs voor Natuurkunde toegekend aan John Clarke, Michel Devoret en John Martinis ‘voor de ontdekking van het macroscopische kwantumtunneleffect en de kwantificering van energie in een elektrisch circuit’, aldus het persbericht. ‘Baanbrekende experimenten die de weg hebben vrijgemaakt voor de volgende generatie kwantumtechnologieën’, met name ‘kwantumcryptografie en kwantumcomputers’, benadrukt The Guardian.

    De Britse krant legt uit dat het trio, bestaande uit een Brit, een Fransman en een Amerikaan, sinds de jaren 1980 ‘een reeks experimenten heeft uitgevoerd die hebben aangetoond dat de vreemde eigenschappen van de kwantumwereld (dat wil zeggen het oneindig kleine) zich kunnen vertalen in meetbare effecten in macroscopische elektrische circuits (op onze schaal)’.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Clarke, Devoret en Martinis, die in de Verenigde Staten gevestigd zijn’, zoals de Amerikaanse zender NBC News trots vermeldt, zullen 11 miljoen Zweedse kronen (iets meer dan een miljoen euro) onder elkaar verdelen. Toen het Nobelcomité hem op zijn mobiele telefoon belde om de prijs bekend te maken, zei de 83-jarige John Clarke dat hij ‘volledig verbijsterd’ was, zelfs verbaasd dat zijn werk ‘met een Nobelprijs zou worden beloond’.

    De Britse onderzoeker, die het grootste deel van zijn carrière in Berkeley, Californië, heeft doorgebracht, maakte van de gelegenheid gebruik om de twee andere laureaten te eren en noemde hun bijdragen ‘ronduit overweldigend’. In een interview met AFP noemde Clarke het beleid van de regering-Trump ‘rampzalig’ voor de wetenschap. ‘Het zou wel eens tien jaar kunnen duren voordat we terug zijn op het niveau van zes maanden geleden.’ Hij had vooral kritiek op de drastische bezuinigingen op onderzoeksfinanciering en het ontslag van wetenschappers bij federale instanties. Beslissingen die volgens hem ‘volstrekt onbegrijpelijk zijn voor iedereen die wetenschapper is’, aldus Mercury News.

  • De Ig Nobelprijs beloont grappige wetenschap met een serieuze ondertoon

    De Ig Nobelprijs beloont grappige wetenschap met een serieuze ondertoon

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Overlevenden van atoombom op Nagasaki strijden voor erkenning

    » Manneken Pis krijgt na tachtig jaar eindelijk nieuw kostuum

    De onderscheiding wordt toegekend aan maffe en vindingrijke ontdekkingen

    Onlangs vond aan Universiteit van Boston in de Amerikaanse staat Massachusetts de uitreiking van de Ig Nobelprijs plaats, een parodie op de Nobelprijs die toegekend wordt aan mensen die maffe en vindingrijke wetenschappelijke ontdekkingen hebben gedaan. De naam is een zinspeling op het Engelse woord ignoble, dat ‘onedel’, ‘platvloers’ betekent. ‘Iedere Ig Nobelprijswinnaar heeft iets gedaan wat mensen eerst aan het lachen maakt en vervolgens aan het denken zet,’ aldus oprichter Marc Abrahams, geciteerd door BBC.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Zo ging de prijs voor biologie naar mensen die koeien met zwart-witte strepen hadden beschilderd om te kijken of vliegen ze dan minder vaak zouden bijten. Dit zou een alternatief voor pesticiden kunnen bieden.

    Een andere groep wetenschappers kreeg een prijs voor de ontdekking dat regenbooghagedissen in Togo een voorliefde hebben voor de pizza quattro formaggi. Tevens werd er een prijs uitgereikt aan twee kinderartsen die ontdekten dat de moedermelk van een moeder die knoflook eet, ook naar knoflook gaat ruiken. Baby’s blijken dit zelfs nog lekkerder te vinden.  

  • Nobelprijs voor Economie gaat naar onderzoek over ongelijkheid tussen landen

    Nobelprijs voor Economie gaat naar onderzoek over ongelijkheid tussen landen

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » NASA-sonde gaat onderzoek doen naar leven op een maan van Jupiter

    » Crisis India-Canada: Ottawa en New Delhi zetten verschillende diplomaten uit

    ‘Toekomstige economen kunnen hierop voortbouwen’

    De Nobelprijs voor de Economie gaat dit jaar naar een onderzoek over ongelijkheden in rijkdom tussen landen. Maandag werd de prijs toegekend aan de Turks-Amerikaanse Daron Acemoglu en de Brits-Amerikaanse Simon Johnson en James A. Robinson.

    ‘Door de verschillende politieke en economische systemen te onderzoeken die door Europese kolonisatoren over de hele wereld werden geïntroduceerd, toonden de Amerikaanse onderzoekers het verband aan tussen de aard van politieke instellingen en welvaart’, legde de jury uit.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Samenlevingen met een slechte rechtsstaat en uitbuitende instellingen genereren geen groei of positieve verandering’, aldus de jury. ‘Het onderzoek van de laureaten vormt een breuk met theorieën die uitgaan van een onvermijdelijke, deterministische weg naar modernisering op basis van de historisch ongebruikelijke ervaringen van West-Europa’, merkte The Economist op.

    ‘Acemoglu, Johnson en Robinson zijn misschien niet in staat geweest om een volledige verklaring te geven waarom sommige landen rijk zijn en andere arm, maar toekomstige generaties economen hebben een solide basis waarop ze kunnen bouwen’, concludeert het tijdschrift.

  • Winnaars Nobelprijs krijgen prijs uitgereikt

    Winnaars Nobelprijs krijgen prijs uitgereikt

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Onderzoek naar corruptie in Europees Parlement

    » Mediamagnaat Jimmy Lai krijgt bijna zes jaar

    De Nobelprijs voor de Vrede ging naar een drietal uit Sovjetlanden

    De winnaars van de Nobelprijs voor de Vrede hebben zaterdag bij een ceremonie in de Noorse hoofdstad Oslo hun prijs in ontvangst genomen, schrijft Deutsche Welle. De winnaars uit drie voormalige Sovjetlanden konden niet allemaal aanwezig zijn bij de uitreiking: de Belarussische mensenrechtenactivist Ales Bialiatski werd opgepakt in de nasleep van de protesten tegen de Belarussische leider Aleksandr Loekasjenko en zit in de gevangenis. Zijn vrouw verving hem tijdens de uitreiking.

    De twee andere winnaars kwamen uit Rusland en Oekraïne. De Russische mensenrechtenorganisatie Memorial zet zich in voor mensenrechten in meerdere voormalige Sovjetlanden, waar het Oekraïense Center for Civil Liberties (CCL) zich bezighoudt met het verdedigen van de democratische rechtstaat in Oekraïne. De oorlog tussen Rusland en Oekraïne speelde vanzelfsprekend een rol bij de uitreiking. Alle prijswinnaars refereerden aan de Russische agressie en riepen op om mensenrechtenschendingen door het land te vervolgen.

    De Nobelprijs wordt ieder jaar uitgereikt in Oslo, alleen in 2021 en 2020 vond er vanwege de pandemie geen ceremonie plaats. De prijswinnaars uit dit jaren waren er deze zaterdag ook bij. Ook de andere Nobelprijzen werden dit weekend uitgereikt. Alle winnaars ontvangen 900.000 euro aan prijzengeld, een medaille en een diploma.

    Lees ook:

  • Rus Moeratov veilt Nobelprijs voor Oekraïense kindvluchtelingen

    Rus Moeratov veilt Nobelprijs voor Oekraïense kindvluchtelingen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Colombia kiest voor het eerst linkse president en zwarte vicepresident

    » Pro-Europese Georgiërs eisen hervormingen van hun regering

    Veiling bracht recordbedrag van 103,5 miljoen dollar op

    De medaille van de Russische Nobelprijswinnaar Dmitri Moeratov heeft op een veiling in New York ruim 103,5 miljoen dollar (98 miljoen euro) opgebracht, waarmee het oude verkooprecord voor een Nobelprijs werd verbroken, meldt Politico. Dmitri Moeratov, oprichter en hoofdredacteur van de Russische onafhankelijke krant Novaja Gazeta, veilde zijn Nobelprijs om geld in te zamelen voor Oekraïense kindvluchtelingen. Moeratov ontving de Nobelprijs voor de Vrede in 2021.

    Een woordvoerder van Heritage Auctions, die de verkoop afhandelde, kon de identiteit van de koper niet bevestigen, maar zei dat het winnende bod bij volmacht was uitgebracht. De verkoop van 103,5 miljoen dollar vertaalt zich naar 100 miljoen Zwitserse frank, wat erop wijst dat de koper uit het buitenland komt.

    Moeratov gaat het volledige bedrag doneren aan UNICEF

    De liveveiling vond plaats op Wereldvluchtelingendag. Voorheen was de hoogste verkoopprijs van een Nobelprijsmedaille 4,76 miljoen dollar. Voor dat bedrag verkocht James Watson in 2014 het eremetaal dat hij in 1962 als de medeontdekker van de structuur van DNA ontving.

    Moeratov gaat het volledige bedrag doneren aan UNICEF, dat het zal gebruiken voor Oekraïense kinderen die op de vlucht zijn. ‘Het is voor ons essentieel dat deze organisatie bij geen enkele overheid hoort. Ze kan boven de regeringen werken,’ aldus Moeratov.

    Lees ook:

  • ‘Ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’ Philip Roth, de biografie

    ‘Ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’ Philip Roth, de biografie

    Op 22 april verschijnt de Nederlandse vertaling van de biografie van Philip Roth door Blake Bailey. Met dank aan De Bezige Bij publiceren wij alvast de proloog. Over Portnoy’s Complaint, waar Roth naar eigen zeggen best zonder had gekund, de Nobelprijs, die hij uiteindelijk nooit kreeg en Roth als brave jongen.

    Op 23 oktober 2005 werd in Newark Philip Roth Day gevierd. Twee bussen vol fans deden de Philip Roth Tour en reden langs betekenisvolle plekken – Washington Park, de openbare bibliotheek, Weequahic High School – waar de inzittenden om beurten relevante passages uit zijn werk voorlazen. De rit eindigde bij Summit Avenue 81, het huis van zijn vroegste jeugd, waar iedereen uitstapte en Roth luid werd toegejuicht toen hij zelf in een limousine arriveerde.

    ‘Kom hier en geef me een kus!’ zei Roberta Harrington, de huidige eigenares van het huis, en Roth liet haar de rest van de dag niet meer van zijn zijde wijken. Na enkele woorden van burgemeester Sharpe James, voor wie Roth grote bewondering had (‘typische burgemeester van een grote stad, met alle bluf en sluwheid die daarbij horen’), trok Roth de zwarte doek weg om de plaquette te onthullen die op het huis was aangebracht: ‘In dit huis speelden zich de eerste levensjaren af van Philip Roth, een van de grootste Amerikaanse schrijvers van de twintigste en eenentwintigste eeuw.’ Daarop stak het gezelschap de straat over naar de kruising met Keer Avenue, waar een groen straatbord op de hoek aangaf dat dit kruispunt voortaan Philip Roth Plaza heette. 

    Vervolgens was er een receptie in het bibliotheekfiliaal uit Roths kindertijd, aan Osborne Terrace, waar de burgemeester plaatsnam achter het spreekgestoelte: ‘Jullie jochies van Weequahic denken dat wij van de South Side niet kunnen lezen,’ zei hij tegen Roth, doelend op de overwegend zwarte school waarop hijzelf had gezeten in de tijd dat Roth naar Weequahic High ging. En hij las (‘heel mooi’) iets voor uit The Counterlife

    ‘Als je uit New Jersey komt,’ had Nathan gezegd, ‘en je schrijft dertig boeken en je wint de Nobelprijs, en je eindigt je leven als een man van vijfennegentig met witte haren, dan is het hoogst onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk dat ze na je dood besluiten een parkeerplaats langs de Jersey Turnpike naar je te vernoemen. En dan wordt er inderdaad misschien nog lang na je overlijden aan je gedacht, maar vooral door kleine kinderen achter in een auto als die zich naar voren buigen om tegen hun ouders te zeggen: “Stop eens, alsjeblieft, stop eens bij Zuckerman – ik moet plassen.” Op meer onsterfelijkheid moet je als romanschrijver uit New Jersey realistisch gezien echt niet hopen.’ 

    Tot slot nam Roth zelf het woord: ‘Vandaag is Newark mijn Stockholm en die plaquette mijn prijs. Ik zou niet blijer kunnen zijn met eender welk eerbewijs me waar ook ter wereld ten deel zou kunnen vallen. Meer valt er niet te zeggen.’ Een paar dagen eerder had zijn vriend Harold Pinter de Nobelprijs gewonnen. 

    De grote Israëlische filosoof Gershom Scholem ging zelfs zover om te opperen dat Portnoy’s Complaint de opmaat zou vormen naar een tweede Holocaust

    ‘Roth is een schrijver wiens kracht en vaardigheid veel groter zijn dan zijn toch al niet geringe reputatie,’ had de vooraanstaande Britse criticus Frank Kermode acht jaar eerder geschreven na lezing van American Pastoral, de roman over de verloedering van Newark en het grotere verlies van Amerika’s onschuld in de jaren zestig die Roth de Pulitzer Prize had opgeleverd. Misschien dacht Kermode aan een oudere roman, die zich ook in Newark afspeelt en waarop Roths reputatie nog steeds voor een groot deel berust: Portnoy’s Complaint, zijn bestseller uit 1969 over een joodse tiener met een moedercomplex en een voorliefde voor blonde sjikses, die zich aftrekt in een stuk lever (‘Ik heb het avondeten van mijn eigen familie genaaid’). Veel van Roths latere werk was mede een reactie op de verlammende roem van dat boek – op de wijdverbreide gedachte dat dit geen fictie was maar bekentenisliteratuur, en de in sommige delen van het joodse establishment vigerende opvatting dat Roth een antisemitische propagandist was van het kaliber Goebbels en Streicher. De grote Israëlische filosoof Gershom Scholem ging zelfs zover om te opperen dat Portnoy’s Complaint de opmaat zou vormen naar een tweede Holocaust. 

    Gezien de magistrale omvang van zijn uiteindelijke oeuvre – eenendertig titels – begon Roth op den duur oprecht te wensen dat hij Portnoy nooit gepubliceerd had. ‘Ik had ook zonder dat boek best een serieuze carrière kunnen hebben, en dan was ik ontkomen aan die stortvloed aan krenkende bagger’ – al die verwijten van joodse zelfhaat, vrouwenhaat en algehele frivoliteit. ‘Ik had een boek geschreven over seks en aftrekken en zo, dus nu was ik een potsenmaker of een pornoschrijver. Maar ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’ 

    ***

    Roth was een van de laatsten van een generatie hemelbestormende romanschrijvers, onder wie zulke vrienden en deels ook rivalen als John Updike, Don DeLillo en William Styron (zijn buurman in Litchfield County, Connecticut), en het is aannemelijk dat zijn werk de meeste kans maakt om de tand des tijds te doorstaan. In 2006 legde The New York Times Book Review aan zo’n tweehonderd ‘schrijvers, recensenten, redacteuren en andere literatuurkenners’ de vraag voor wat zij ‘het beste Amerikaanse fictieboek van de afgelopen vijfentwintig jaar’ vonden. Zes van de tweeëntwintig boeken op de uiteindelijke ranglijst waren van Roth: The Counterlife, Operation Shylock, Sabbath’s Theater, American Pastoral, The Human Stain en The Plot Against America. ‘Als we ze naar de beste fictieschrijver van de afgelopen vijfentwintig jaar hadden gevraagd,’ schreef A.O. Scott in het begeleidende essay, ‘had Roth gewonnen.’ 

    Maar Roths schrijversloopbaan omspande natuurlijk een veel langere periode dan die vijfentwintig jaar, want die was al in 1959 begonnen met Goodbye, Columbus, waarmee hij op zijn zesentwintigste de National Book Award won. Zijn derde roman, Portnoy’s Complaint, prijkte op de in 1998 door de Modern Library uitgebrachte lijst van de honderd beste Engelstalige romans van de twintigste eeuw, en zowel American Pastoral als Portnoy haalde in 2005 ook de door het weekblad Time samengestelde ranglijst van de honderd beste Amerikaanse romans. In de vijfenvijftig jaar van zijn schrijversloopbaan heeft Roth in zijn ontwikkeling een verbluffende veelzijdigheid aan de dag gelegd: na de rake satire van zijn vroege verhalen in Goodbye, Columbus schreef hij eerst twee sombere realistische romans (Letting Go en When She Was Good) die vooral sterk onder de invloed stonden van respectievelijk Henry James en Flaubert – curieuze leerjaren als je dat werk vergelijkt met de bizarre kluchtigheid van de Portnoy-periode die erop volgde (met Our Gang en The Great American Novel), het kafkaëske surrealisme van The Breast, de virtuoze komedie van de Zuckerman-reeks (The Ghost Writer, Zuckerman Unbound, The Anatomy Lesson, The Prague Orgy), het onnavolgbare metafictionele spel van The Counterlife en Operation Shylock, en de uiteindelijke synthese van al zijn kwaliteiten in de meesterlijke en in essentie tragische Amerikaanse trilogie American Pastoral, I Married a Communist en The Human Stain. En in de laatste tien jaar van zijn schrijverschap bleef hij romans afleveren – bijna elk jaar nog één – met indringende bespiegelingen over sterfelijkheid en noodlot. Al met al biedt zijn oeuvre ‘het meest ware beeld van het leven in onze tijd’, zoals de dichter Mark Strand het in 2001 verwoordde bij de uitreiking aan Roth van de Gold Medal van de American Academy of Arts and Letters. 

    Roth betreurde de misvatting dat hij in de kern een autobiografische schrijver was

    Roth betreurde de misvatting dat hij in de kern een autobiografische schrijver was, al schiep hij daarover zelf ook graag verwarring door zijn romans vol te stoppen met allerhande fictieve alter ego’s die sterk op hem leken, tot het terugkerende personage ‘Philip Roth’ aan toe. Sommige romans waren allicht iets autobiografischer dan andere, maar Roth zelf was een veel te ongrijpbare figuur om hem op één enkel personage vast te pinnen, en er is betrekkelijk weinig bekend over het werkelijke leven waarop heel dat enorme oeuvre dan zou zijn gebaseerd. Tot op zekere hoogte zat die verwarring hem erg dwars. ‘Ik ben evenmin “Alexander Portnoy” als ik de “Philip Roth” ben van het boek van Claire [Bloom],’ somberde hij na de publicatie van Leaving a Doll’s House, de smadelijke memoires van de actrice van wie hij was gescheiden. Als hij dat Portnoy-imago niet had gehad, zou zijn ex het volgens Roth ‘nooit gewaagd hebben om op de proppen te komen’ met een portret van hem dat zo’n schril contrast vormt met het beeld van de ‘gedisciplineerde, stabiele en verantwoordelijke’ persoon dat hij altijd van zichzelf had. 

    Interview met de auteur

    In ons aankomende meinummer, dat 29 april verschijnt, publiceren wij een interview met Blake Bailey, de befaamde biograaf, waarin hij onder andere ingaat op de vraag hoe autobiografisch Roths werk eigenlijk was.

    Dat is beslist ook de manier waarop Roth geportretteerd is in de postume sleutelroman van Janet Hobhouse, The Furies, waarin een van de personages een op Roth geënte beroemde schrijver is. Midden jaren zeventig had hij een affaire met Hobhouse – ze woonden toen in hetzelfde gebouw, niet ver van het Metropolitan Museum – en zij heeft misschien wel het meest afgewogen portret geschetst van deze man die, hoe beroemd hij ook was, de publiciteit vooral schuwde. De verteller in haar roman beschrijft ook de conventionelere kanten van de charme van deze Jack/Roth (‘niet alleen zijn snelheid van denken, maar die speelsheid, die bereidheid om te springen en duiken en met een soepele polsbeweging het spel op gang te houden’), maar ze valt toch vooral voor zijn ‘monnikenleven’, de mate waarin ‘zijn hele bestaan draait om de twee pagina’s die hij van zichzelf elke dag moet schrijven’: ‘Ik zat hunkerend te denken aan dat gereguleerde, bijna ascetische leven dat zich twee verdiepingen lager afspeelde: het ernstige geblader in literaire tijdschriften als de schemering viel, het geritsel van buitenlandse correspondentie in een jamesiaanse gewijde stilte.’ 

    Roth beschouwde zichzelf juist als het tegendeel van antisemitisch en misogyn, en hij had sowieso weinig op met dat soort hokjesdenken. Over het zogenaamde ‘monnikenleven’ van hem schreef hij bijvoorbeeld aan een vriend: ‘Mijn reputatie als “kluizenaar” was altijd al belachelijk.’ Het kwam er vooral op neer dat hij liever ‘zalig’ aan het werk was in een landelijke omgeving dan dat hij ‘over [zich]zelf zat te kletsen met mensen in New York of in praatprogramma’s op tv’. Maar hij was vaak zeer betrokken bij de buitenwereld: in de jaren zeventig reisde hij herhaaldelijk naar Praag en sloot daar vriendschap met dissidente schrijvers als Milan Kundera en Ludvík Vaculík, wier boeken hij in het Westen onder de aandacht bracht in de jarenlang door hem geredigeerde Penguin-reeks Writers from the Other Europe. Toen hij een relatie had met Bloom, verdeelde hij zijn tijd tussen Londen, New York en zijn buitenhuis in Connecticut, en was hij daarnaast af en toe wekenlang in Israël om stof op te doen voor zijn romans The Counterlife en Operation Shylock. En in de jaren daarna reisde hij waar hij maar heen wilde om informatie te vergaren over onderwerpen die varieerden van het maken van handschoenen tot taxidermie en grafdelven; voor zijn boek Patrimony ging hij zelfs op een voorleestournee om dat ook eens te ervaren. Maar het grootste deel van zijn schrijversloopbaan zag er wel zo uit als Hobhouse het beschreef: overdag noest aan de arbeid achter zijn bureau, ’s avonds in gezelschap van een vrouw – liefst ook verdiept in een boek, als het aan Roth lag. ‘Wat had ik anders moeten doen om niet voor kluizenaar te worden uitgemaakt?’ schreef hij. ‘Elke avond uit eten in Elaine’s?’ 

    Roth wist er wel een kleurrijk liefdesleven op na te houden, waarover hij vaak sprak ‘met een soort beminnelijke dromerigheid’, zoals Samuel Johnson volgens zijn biograaf Boswell mijmerde over zijn lievelingskat Hodge. Maar hij bleef toch ook altijd de geliefde zoon van Herman en Bess – een ‘innemende, analytische, brave jongen die iedereen zo charmant naar zijn hand wist te zetten’, zoals zijn alter ego Zuckerman hem afkeurend beschrijft in The Facts – een man zo rechtschapen dat hij tweemaal een rampzalig huwelijk aanging met vrouwen die volstrekt niet bij hem pasten, niet in de laatste plaats omdat zij het zo graag wilden. (En dat terwijl hij een hele reeks partners afwees die veel beter bij hem zouden hebben gepast.) Ondertussen bleef hij zich ook steeds afzetten tegen zijn eigen braafheid, precies zoals omschreven in de klinische definitie van ‘Portnoy’s klacht’: ‘een aandoening waarin intens beleefde ethische en altruïstische impulsen voortdurend strijden met extreme seksuele, vaak perverse verlangens’. Nogmaals, Portnoy is nog de minst autobiografische figuur in die galerij, die onder meer ook Zuckerman, Kepesh en Tarnopol omvat, maar al die personages zijn wel behept met een vergelijkbare gespletenheid. De grootste drijfveer van Roth zelf was echter altijd het dienen van zijn eigen genie – in weerwil van alle vurige verlokkingen des vlezes die hem ook niet vreemd waren. ‘Philip zei een keer iets over Willy, de man van Colette,’ zei zijn vriendin Judith Thurman. ‘Hij had het over het fin de siècle, die hele wereld die bol stond van de erotiek, en hij zei: “Dat was wel zo mooi! Ze liepen de godganse dag rond in een roes.” En hij bedoelde een seksuele roes. Stel je voor dat je heel muzikaal bent en op straat de taxi hoort rijden in C-klein en de bus in G-groot, en je hóórt dat allemaal – en vertaal dat dan naar een antenne voor erotiek.’ 

    ***

    Een jaar na de voltooiing van zijn Amerikaanse trilogie ontving Roth, net als Willa Cather, William Faulkner en Saul Bellow voor hem, de hoogste onderscheiding van de Amerikaanse Academy of Arts and Letters, de gouden medaille voor fictie. Het jaar daarop, in 2002, ontving hij tijdens de uitreiking van de National Book Awards de Medal for Distinguished Contribution to American Letters, en hij gebruikte die gelegenheid om ‘een hardnekkig misverstandje’ recht te zetten: ‘Ik heb mijzelf nooit, nog niet één zin lang, als een Amerikaans-joodse of een joods-Amerikaanse schrijver beschouwd,’ zei hij in een goed voorbereide toespraak, ‘net zomin als ik denk dat Theodore Dreiser of Ernest Hemingway of John Cheever zichzelf beschouwden als Amerikaans-christelijke of christelijk-Amerikaanse schrijvers.’ Susan Rogers, zijn voornaamste vriendin in die tijd, herinnerde zich dat Roth wel twee of drie maanden aan die toespraak had zitten schaven en hem ‘minstens zes keer’ aan haar had voorgelezen. Na zijn Amerikaanse trilogie – door sommigen zijn ‘brief aan Stockholm’ genoemd – groeide de consensus dat Roth als romanschrijver op eenzame hoogte stond. Maar dat liet Stockholm onberoerd. ‘Het kind in mij is er dolblij mee,’ had Bellow over literaire prijzen in het algemeen en de Nobelprijs in het bijzonder gezegd, ‘de volwassene in mij blijft sceptisch.’

    Roth maakte die leus tot de zijne, maar kon toch ook niet de gedachte verdringen aan het opvallendste verschil tussen zijn schrijverschap en dat van Bellow – zeker niet nadat Bellows weduwe hem de hoge hoed cadeau had gedaan die haar man in Stockholm had gedragen, en die een vaste plaats kreeg op een luidspreker van de stereo-installatie in Roths apparte ment. (Toen hem werd gevraagd of de hoed hem paste, zei hij: ‘Nee, Sauls hoed past mij niet. Hij is een veel betere schrijver.’) Aan het einde van zijn leven wandelde Roth af en toe (uiterst langzaam) van zijn appartement in de Upper West Side naar het Museum of Natural History en terug, en rustte dan op bijna alle bankjes onderweg even uit – ook het bankje bij de roze gedenksteen waarop het museum alle Amerikaanse winnaars van de Nobelprijs laat graveren. ‘Wat is die eigenlijk foeilelijk, hè?’ merkte een vriendin een keer op. ‘Ja,’ zei Roth, ‘en hij wordt met de dag lelijker.’ ‘Waarom hebben ze die steen hier eigenlijk gezet?’ Roth lachte: ‘Om mij te pesten.’

    Philip Roth. De biografie, door Blake Bailey, verschijnt op 22 april bij De Bezige Bij in een vertaling van Lidwien Biekmann en Frank Lekens.

  • Moet Aung San Suu Kyi de Nobelprijs inleveren?

    Moet Aung San Suu Kyi de Nobelprijs inleveren?

    Aung San Suu Kyi ligt onder vuur vanwege de Rohingyacrisis in Myanmar. Volgens critici laat ze na het geweld te veroordelen en het leger ter verantwoording te roepen. Amnesty heeft haar hoogste onderscheiding al ingetrokken. De roep zwelt aan om haar ook de Nobelprijs voor de Vrede te ontnemen.

    JA

    De enige verklaring dat een vrouw van zulke goede komaf zo hard van haar voetstuk is gevallen, is dat zij altijd iedereen voor de gek heeft gehouden. Zij is de facto de leider van Myanmar, een land dat tienduizenden onschuldige Rohingya vermoordde, hun huizen platbrandde zodat ze in hun slaap omkwamen, hen door mijnenvelden liet lopen om ze bruut en efficiënt neer te maaien. Figuren als Pol Pot, Stalin en Hitler zouden goedkeurend hebben geknikt.

    Volgens de Verenigde Naties waren de acties van Suu Kyi’s regering, die onder één hoedje speelde met het leger en boevenbendes die het op de Rohingya-bevolking gemunt hadden puur en alleen omdat zij moslims waren, een schoolvoorbeeld van etnische zuivering. Naar schatting zijn er in een paar dagen tijd honderdduizend mensen vermoord.

    Toch geniet Suu Kyi nog steeds de grote eer een Nobelprijslaureaat te zijn. De vraag is waarom het Nobelprijscomité haar die prijs niet heeft ontnomen. Iemand die in de nabije toekomst waarschijnlijk aangeklaagd gaat worden voor genocide, verdient die eer niet. Amnesty International had gelukkig wel de moed om haar het hoogste eerbewijs te ontnemen dat deze organisatie verleent: de Ambassador of Consciousness Award.

    Suu Kyi’s vader werd in juli 1947 vermoord, toen Myanmar bezig was zich aan de Britse overheersing te ontworstelen. Een halfjaar later was het land onafhankelijk; zij was toen twee jaar oud. In 1960 ging zij naar India met haar moeder Daw Khin Kyi, die in New Delhi ambassadeur van Myanmar werd. Vier jaar later vertrok Suu Kyi naar Oxford om filosofie, politicologie en economie te studeren. Toen zij in 1988 terugkwam om voor haar ernstig zieke moeder te zorgen, heerste er grote politieke onrust in Myanmar.

    Figuren als Pol Pot, Stalin en Hitler zouden goedkeurend hebben geknikt

    Het leger sloeg de demonstraties met geweld neer en pleegde op 18 december 1988 een coup. Eén jaar later werd Suu Kyi onder huisarrest geplaatst. De nieuwe militaire regering organiseerde in mei 1990 verkiezingen, die overtuigend werden gewonnen door Suu Kyi’s partij. De junta weigerde echter de controle uit handen te geven en Suu Kyi bleef onder huisarrest staan. In 1995 werd ze vrijgelaten, maar in 2000 werd ze opnieuw onder huisarrest geplaatst.

    Dat bleef ze met tussenpozen tot november 2010, toen ze werd vrijgelaten en haar zoon Kim Aris haar voor het eerst in tien jaar weer mocht opzoeken. Terwijl de nieuwe regering een proces van hervormingen begon, wonnen Suu Kyi en haar partij aan macht, wat in 2015 resulteerde in een eclatante meerderheid bij de eerste vrije verkiezingen sinds lange tijd.

    Jammer alleen dat deze overwinning betekent dat het ene brute regime door het andere is vervangen.

    Auteur: Mick O’Reilly

    Mick O’Reilly is senior associate editor bij Gulf News en verslaat buitenlands nieuws vanuit Dubai.

    Gulf News | Verenigde Arabische Emiraten | dagblad | oplage 91.000
    Meest vooraanstaande Engelstalige krant van de Verenigde Arabische Emiraten, met veel ruimte voor economische onderwerpen en financieel nieuws.

    1. Mick O’Reilly; 2. Abhijt Dutta
    1. Mick O’Reilly; 2. Abhijt Dutta

    NEE

    Het belasteren van Aung San Suu Kyi gaat onverminderd door. Of het nu Amnesty International is of de Amerikaanse vicepresident Mike Pence, niemand kan het laten om de eigen deugdzaamheid te bewijzen door haar reputatie te besmeuren. De ernstigste beschuldiging aan haar adres is dat zij zich niet uitspreekt tegen de gewelddadigheden van het leger van Myanmar. Wat een lage verwachtingen heeft men van haar. Toen Suu Kyi onder huisarrest stond, deed zij niet anders dan zich uitspreken.

    Maar nu staat haar iets te doen: een land heropbouwen dat de afgelopen vijftig jaar zijn instellingen systematisch heeft uitgehold, en ervoor zorgen dat de democratische transitie er niet ontspoort. Waarom moet zij zich uitspreken? Een veroordeling van het leger helpt de doodsbange vluchtelingen niet om naar hun land terug te keren, of hun toekomst ook maar een klein beetje beter te maken. Een veilige en harmonieuze omgeving en het vooruitzicht op staatsburgerschap doen dat wel.

    Hoe creëer je een veilige en harmonieuze omgeving? Door wetteloosheid te bestrijden en ieders veiligheid te garanderen. En hoe bestrijd je wetteloosheid in een gebied dat geplaagd wordt door etnisch wantrouwen en haat, waar bovendien de wetshandhavers zelf zich aan geweld schuldig maken? Je vraagt je allereerst af hoe het komt dat dit wantrouwen en deze haat bestaan en waarom wetshandhavers overgaan tot moord, brandstichting en verkrachting.

    Hoe creëer je een veilige en harmonieuze omgeving?

    Suu Kyi’s officiële functie is die van staatsadviseur, maar in de internationale pers wordt zij meestal ‘de facto de leider van Myanmar’ genoemd. Dat impliceert dat ze weliswaar niet het officiële staatshoofd is, maar wel de regering leidt. En dat doet ze inderdaad – ze leidt de regering binnen de grenzen die de Grondwet van 2008 haar stelt – maar haar bewegingsruimte is minimaal. Suu Kyi heeft geen controle over het leger; de hoogste generaal beperkt haar handelen daarentegen wel aanzienlijk.

    Om het wankele evenwicht in de relatie tussen burgers en militairen niet te verstoren, heeft zij welgekozen allianties gesmeed, onder andere met voormalige generaals, en probeert ze via politieke en juridische weg fundamentele hervormingen door te voeren. Dit is een lastig proces, dat nog lang niet klaar is, niet in de laatste plaats omdat er in Myanmar maar weinig sympathie bestaat voor de Rohingya. Als Suu Kyi zich uitspreekt, maakt ze vast goede sier bij de internationale pers, maar het zal haar niet helpen bij de grote uitdagingen waar Myanmar voor staat. De internationale gemeenschap moet haar positie versterken, niet verzwakken.

    Auteur: Abhijit Dutta

    Schrijver en journalist Abhijit Dutta reisde vele malen door het veranderende Myanmar, en schreef Myanmar In The World: Journeys Through a Changing Burma (november 2018).

    Hindustan Times | India | dagblad | oplage 1.032.000
    De populairste krant in New Delhi, naast grote rivaal Times of India. Nuchtere toon. Redactioneel schurkt de krant tegen de macht aan.

  • Ellen Johnson Sirleaf bewaarde de vrede in Liberia

    Ellen Johnson Sirleaf bewaarde de vrede in Liberia

    In Liberia is een spannende presidentsrace gaande tussen ex-voetballer George Weah en voormalig vicepresident Joseph Boakai. Daarmee komt binnenkort een einde aan het bewind van Ellen Johnson Sirleaf, Afrika’s eerste vrouwelijke president en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. Over haar nalatenschap zijn de meningen verdeeld.

    Langs de zandweg waar Anthony Chea staat loopt een rijtje zingende kinderen voorbij, de gezichten beschilderd met witte verf. Niet ver daarvandaan staat een handvol volwassenen in een tent waar traditionele Liberiaanse muziek uit de speakers schalt. Een oudere man danst in zijn eentje. De campagne voor de presidentsverkiezingen op 10 oktober is begonnen, en Chea en zijn dorpsgenoten maken zich op voor het bezoek van Alexander Cummings, een van de kandidaten die de huidige president, Ellen Johnson Sirleaf, hoopt op te volgen.

    Chea woont in een klein plaatsje in de provincie Grand Kru. Hoewel het 560 kilometer van de hoofdstad Monrovia ligt, het centrum van de politieke macht, is de staat waarin kleine plaatsjes in het achterland verkeren illustratief voor de gemengde nalatenschap van Liberia’s eerste vrouwelijke president. Chea laat zijn blik dwalen over de zandweg vol kuilen die door het centrum van het dorp loopt, en wijst naar een waterpomp die een paar jaar geleden door een hulporganisatie is aangelegd. Het is een van de weinige waterpompen in het dorp – maar deze is defect.

    Chea hoopt dat de volgende president meer kan betekenen voor dorpen als het zijne. Hij en zijn dorpsgenoten zijn van mening dat de huidige regering meer had kunnen doen om de provincie te ontwikkelen. Ze willen betere wegen, scholen, medische voorzieningen, water. Maar Johnson Sirleaf heeft het proces wel in gang gezet, geeft Chea toe. ‘Ze kan het niet in haar eentje afmaken. Nu is het de beurt aan iemand anders om de draad op te pakken.’

    Ellen Johnson Sirleaf tijdens het U.S.-Africa Business Forum in New York, 2016. – © Michael Nagle / Bloomberg via Getty Images
    Ellen Johnson Sirleaf tijdens het U.S.-Africa Business Forum in New York, 2016. – © Michael Nagle / Bloomberg via Getty Images

    Sirleaf legt in januari, na twee ambtstermijnen van zes jaar, haar functie neer. Haar nalatenschap is lastig te duiden. Ze heeft vrouwen vooruitgeholpen, ze heeft wonden verzacht die door de burgeroorlog waren geslagen, maar haar critici vinden dat de politieke vooruitgang ten koste is gegaan van de ontwikkeling op korte termijn, en dat haar bewind wordt gekenmerkt door corruptie en nepotisme.

    Had ze het beter kunnen doen? Misschien. Maar ze had het ook veel slechter kunnen doen.

    Als eerste democratisch gekozen leider sinds het einde van de bloedige burgeroorlog stond Johnson Sirleaf bij haar aantreden in januari 2006 voor de moeilijke taak de zieltogende economie, de verwoeste infrastructuur en de lamgelegde instituties weer op te bouwen. Na twaalf jaar wordt ze alom geprezen voor het bewaren van de nog altijd kwetsbare vrede, maar veel Liberianen vinden dat ze op andere vlakken niet genoeg heeft gedaan.

    Niet dat die kritiek haar raakt.

    Op een donderdagavond zit Johnson Sirleaf aan het hoofd van een vergadertafel op de zesde verdieping in het gebouw van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Tubman Boulevard, de hoofdstraat van Monrovia. Op de muur tegenover haar hangt een geborduurde kaart van het land met daarop, keurig genaaid, alle vijftien provincievlaggen. ‘Ik kan er kort over zijn,’ zegt het 78-jarige staatshoofd luid om de herrie van een nabijgelegen bouwplaats te overstemmen. ‘Ik laat Liberia in veel betere staat achter dan waarin ik het aantrof.’

    Het land was er nog slechter aan toe dan ze zich had gerealiseerd, bleek al snel toen Johnson Sirleaf als president was geïnstalleerd – en ze moest haar ambities noodgedwongen terugschroeven. ‘We hebben niet de doelen gehaald die ik voor ogen had.’

    Haar ene zoon is bestuurslid van een oliebedrijf en een ander van de centrale bank. De kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter: je bent óf rijk óf straatarm. Er bestaat geen middenklasse

    De nieuwe president, in de jaren zeventig in de VS als econoom afgestudeerd, richtte zich eerst op de opbouw van de kwijnende economie. Een van haar grootste successen betrof de toekenning van een noodpakket van 4,6 miljard dollar van het Internationaal Monetair Fonds, in 2010. Tijdens de eerste jaren van haar regeerperiode trok de economie geleidelijk aan, met een groei van 6 procent in 2013. Maar in 2014 sloeg het noodlot toe met de uitbraak van het ebolavirus in West-Afrika. Bijna de helft van de meer dan tienduizend doden viel in Liberia. De vooruitgang stagneerde. ‘Investeerders verlieten het land, aannemers, onze eigen inwoners – er was een enorme leegloop. Daarbovenop kwam een scherpe prijsdaling van twee van onze belangrijke exportproducten, rubber en ijzererts,’ vervolgt Johnson Sirleaf, druk gebarend. Hoewel het land langzaamaan weer opkrabbelt, zijn de vooruitzichten op groei voor dit jaar gedaald naar 2 procent.

    Maar de president is er stellig van overtuigd dat de vrede haar belangrijkste nalatenschap is, en niet zozeer het overwinnen van de ebolacrisis of de economische ontwikkeling van het land. Vrede was bij al haar beslissingen altijd de hoogste prioriteit, benadrukt ze, zelfs als dat inhield dat haar ontwikkelingsdoelen in gevaar kwamen. Op dat front is Johnson Sirleaf niet tekortgeschoten, en haar leidende rol in het bewaren van de vrede werd in 2011 erkend door het Nobelprijscomité. Samen met landgenoot Leymah Gbowee en de Jemenitische journaliste Tawakkul Karman kreeg ze de Nobelprijs voor de Vrede toegekend voor ‘de vreedzame strijd voor de veiligheid van vrouwen en het recht van vrouwen om volwaardig deel te nemen aan de vredesopbouw’.

    Op andere gebieden heeft Johnson Sirleaf minder succes geboekt. Ze had beloofd corruptie uit te roeien, maar liep daarbij tegen een muur aan. ‘De culturele wortels van corruptie heb ik ook zwaar onderschat.’ Het werkte ook niet in haar voordeel dat ze zelf ook van nepotisme werd beticht: in 2012 benoemde ze haar zoon, Robert Sirleaf, tot algemeen directeur van het staatsoliebedrijf National Oil Company of Liberia, en ook twee andere zonen kregen lucratieve baantjes toegeschoven.

    Zoals te verwachten was, barstte na Roberts benoeming een storm van kritiek los, niet alleen onder haar tegenstanders maar ook onder een aantal van haar vrienden. Mede-Nobelprijswinnaar Gbowee stapte uit protest uit de Waarheids- en Verzoeningscommissie. ‘Haar ene zoon is bestuurslid van een oliebedrijf en een ander van de centrale bank. De kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter: je bent óf rijk óf straatarm. Er bestaat geen middenklasse,’ aldus Gbowee.

    Johnson Sirleaf reageerde gepikeerd op de kritiek en beet fel van zich af. ‘Was de benoeming fout? Ik vind van niet, ik sta volledig achter mijn beslissing. Mijn zoon heeft de juiste kwalificaties.’ En ze voegt eraan toe dat ze hoopt dat het onderzoek snel openbaar wordt gemaakt zodat blijkt dat haar zoon ten onrechte van corruptie werd verdacht. Maar ze geeft toe dat de beschuldiging van nepotisme hout sneed. ‘Nepotisme is niet in de haak en we moeten allemaal ons best doen om het tegen te gaan. Maar laten we wel zijn: het komt in veel Afrikaanse landen voor, en echt niet alleen in Liberia. Dus waarom valt iedereen over ons heen? Waarom worden de VS niet op de vingers getikt?’

    Vrouw als president

    De verkiezing van Johnson Sirleaf in 2005 tot de eerste vrouwelijke president van Liberia, en zelfs de eerste vrouwelijke president in heel Afrika, was een gebeurtenis van grote betekenis. Zowel bij de verkiezingen van 2005 als van 2011 brachten vrouwen in het hele land massaal hun stem op haar uit. Gemobiliseerde marktkoopvrouwen speelden daarbij een belangrijke rol. ‘Ik heb mijn verkiezing aan hun vertrouwen en vastberadenheid te danken,’ zegt Johnson Sirleaf, ‘en een van de pilaren van mijn beleid was dan ook het versterken van de positie van de vrouw en de bevordering van vrouwenparticipatie. Dat is ons gelukt.’

    Maar hoewel haar beleid vrouwen ontegenzeglijk vooruit heeft geholpen, is het tegelijkertijd koren op de molen van critici. ‘Ik denk dat we vooral op het gebied van vrouwenproblematiek extra kritisch zijn vanwege haar symbolische functie,’ zegt Lakshmi Moore, de interimdirecteur van ActionAid International in Liberia. Niet dat er geen successen waren: tijdens Johnson Sirleafs presidentschap werd verkrachting voor het eerst strafbaar gesteld, en dit jaar zal in Liberia eindelijk een wet tegen huiselijk geweld van kracht worden.

    De armste wijk van Liberia, West Point in Monrovia, werd zwaar getroffen door de ebolauitbraak in 2014, die ongeveer 11.300 doden in West-Afrika tot gevolg had. – © John Moore / Getty Images
    De armste wijk van Liberia, West Point in Monrovia, werd zwaar getroffen door de ebolauitbraak in 2014, die ongeveer 11.300 doden in West-Afrika tot gevolg had. – © John Moore / Getty Images

    Maar Moore, en anderen, vinden dat er niet genoeg is gedaan. Er is bijvoorbeeld nog geen verbod op vrouwenbesnijdenis. Ook zijn vrouwenrechtengroepen bezorgd over wat vrouwen te wachten staat als Johnson Sirleaf haar ambt neerlegt. Veel mensen wijten de toestand waarin het land verkeert aan het feit dat de president een vrouw is. ‘Er komt zeker een terugslag, vooral op het gebied van vrouwenrechten. Johnson Sirleaf krijgt als vrouwelijke president allerlei misstanden in de schoenen geschoven,’ zegt Moore.

    Die tegenreactie is al merkbaar in het slaperige kustplaatsje Harper, in de zuidoostelijke provincie Maryland. Straatverkoopster Eleano Cooper zit met twee vriendinnen langs de kant van de weg. Achter hen rijst een grote, verlaten villa op – een overblijfsel van Harpers hoogtijdagen tijdens de lange regeerperiode van William Tubman (van 1944 tot 1971), toen de elite strandhuizen in het stadje liet bouwen. Broodwinner Cooper verkoopt geroosterde maïskolven voor 20 à 50 Liberiaanse dollar [15 tot 35 eurocent]. Van haar schamele inkomen kan ze nauwelijks rondkomen.

    De kosten van levensonderhoud zijn alleen maar gestegen,’ zegt ze. Het leven als straatverkoper en kostwinner is zwaar, en ze wijt dat aan het feit dat het land wordt geleid door een vrouw. ‘Ik heb liever een man aan het roer,’ antwoordt Cooper als haar wordt gevraagd of ze op een vrouwelijke kandidaat zou stemmen. ‘We hebben nu een vrouw als president en de prijzen rijzen de pan uit – dus geef mij maar een man.’ Ondanks haar frustratie geeft ze toe dat ze zich als vrouw wel gesterkt voelt. Ze voorziet in het onderhoud van haar gezin en heeft het idee dat ze beter is opgewassen tegen haar man.

    Niet iedereen deelt Coopers zorgen over vrouwelijke leiders. Op een drukke markt in Monrovia vertelt Rebecca Kaley dat Johnson Sirleaf haar heeft overtuigd. Omringd door andere vrouwen die, net als zij, gedroogd bush meat, kippenbouillonblokjes en zoeteaardappelbladeren verkopen, denkt Kaley terug aan 2005, toen ze voor het eerst hoorde dat een vrouw zich kandidaat had gesteld. ‘Vrouwen zijn niet tegen de taak opgewassen, dacht ik. Ik stemde niet op haar.’ Maar in 2011 was ze van gedachten veranderd en stemde ze voor Johnson Sirleaf. ‘Dankzij Ellens beleid zijn we sterker geworden,’ zegt Kaley trots. ‘Wij vrouwen zijn sterker geworden.’

    Auteur: Clarissa Sosin
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Openingsbeeld: Kinderen spelen basketbal voor hun school en voormalig ebolacentrum in de sloppenwijk West Point in Monrovia. – © John Moore / Getty Images

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube.