Tag: nuchter

  • Hoe alcohol mijn leven overnam

    Hoe alcohol mijn leven overnam

    Journalist William Leith stopte elk jaar van 1 januari tot zijn verjaardag op 30 april met drinken, maar de overige maanden had hij nooit genoeg. Tot hij vijf jaar geleden onverwacht besloot ‘toch maar niet’ opnieuw te beginnen. Sindsdien probeert hij de magische aantrekkingskracht van zijn lievelingsdrug te doorgronden.

    Keuze uit het archief

    Journalist William Leith is een expert in Dry January – gedurende de hele maand januari geen alcohol nuttigen. Sinds 2013 drinkt hij zelfs helemaal niet meer. In dit essay lees je hoe hij het volhoudt en wat hij van zijn geheelonthouderschap heeft geleerd.

    Mijn laatste glas alcohol heb ik vijf jaar geleden genomen, in de heel vroege ochtend van 1 januari 2013. Het zal om een uur of twee zijn geweest. Ik zou mezelf toen niet dronken genoemd hebben. Ik zou zeggen dat ik er een paar op had. Maar ik was dronken. Als ik had geprobeerd auto te rijden of te schrijven of een praatje voor publiek te houden, had ik het er heel slecht vanaf gebracht. Niet gelukkig, maar ook niet verdrietig, hief ik het glas en slikte de drank door. Het was een soort vruchtenbowl.

    Op dat moment wist ik niet dat het echt mijn allerlaatste drankje zou zijn. Ik dacht dat ik niet meer zou drinken tot mijn verjaardag op 30 april. Tien jaar lang had ik ieder jaar de eerste vier maanden doorgebracht als geheelonthouder, op twee uitzonderingen na: ik ben een keer op 27 april begonnen, omdat ik op een woonboot was in een haven waar ik een glas wijn aangeboden kreeg. Ik haatte mezelf vanwege die drie dagen. Ook ben ik een keer pas in maart gestopt, maar toen heb ik mezelf gestraft door acht maanden droog te staan in plaats van vier.

    Maar misschien was dat droogstaan niet echt een straf, heb ik vaak gedacht. Ik vond het wel prettig. Ik sliep beter. Ik viel af. Mijn huid werd frisser. Ik voelde me echt fitter. Ik kon me beter concentreren, kon in een paar uur een boek uitlezen, mijn geest was scherper. Ik voelde me lichter, gelukkiger. Ik kwam niet meer zweterig en naar de drank ruikend te laat op afspraken. Ik had meer tijd. Ik herinner me een gesprek dat ik had na vijftien weken geheelonthouding; de man met wie ik sprak zei dat hij niet kon geloven hoe jong ik eruitzag. En dat meende hij echt. Droogstaan is de beste verjongingskuur.

    En dan kwam mijn verjaardag weer, mijn drankdag. Van tevoren was ik al zenuwachtig, een vervelend gevoel omdat ik eigenlijk niet meer wilde gaan drinken, gecombineerd met het vervelende gevoel dat ik toch weer begon. In ieder geval voelde ik een drang om weer te gaan drinken; dat behoorde tot de afspraak die ik met mezelf had gemaakt, want ik wilde heel graag drinken. Ik wilde drinken om precies dezelfde reden dat ik niet wilde drinken: omdat ik een drankprobleem had. Drank leek een vreemde, verstandsverbijsterende macht over me te hebben. Op mijn verjaardag werd ik altijd wakker met het soort onrust in me dat je ook hebt voor een date of een feest. Ik zou weer gaan drinken. Vanavond zou ik in een andere wereld zijn.

    Ik verlangde naar het tweede glas nog gretiger dan naar het eerste, en naar het vijfde nog gretiger dan naar het vierde

    Als ik mijn drankprobleem probeer uit te leggen, gaat dat als volgt: naar mijn idee was ik een matige drinker, maar als ik er een op had, was ik dat niet meer. Hoe meer ik dronk, hoe meer ik wilde drinken. Drinken vergrootte mijn dorst. Ik verlangde naar het tweede glas nog gretiger dan naar het eerste, en naar het vijfde nog gretiger dan naar het vierde. Mijn dorst nam in de loop van een avond altijd toe, maar op een subtielere manier ook in de loop van een maand, een jaar, een decennium. Drank voegde iets toe, maar leek ook altijd meer weg te halen dan toe te voegen, dus om alles weer normaal te krijgen moest ik meer drinken, en al die drank begon mijn geest aan te tasten. En dan stopte ik en was ik honderdtwintig dagen nuchter. En in die tijd voelde ik me altijd geweldig. Waarom begon ik dan altijd weer met drinken?

    De eerste dagen zonder drank gaven wel een begin van een antwoord op die vraag. De eerste dag werd ik wakker met een kater. De tweede dag werd ik wakker met een fantoomkater. En de dag daarna werd ik wakker en hield mijn hoofd onder het dekbed, in afwachting van de pijn en de misselijkheid. Even schoten mijn gedachten dan razendsnel heen en weer. Wat heb ik gisteravond gedronken? En zonder de waas van de kater voelde mijn geest zich vreemd weerloos; iedere emotie kon maar bij me binnendringen en urenlang in mij ronddenderen. Op die momenten begreep ik iets van mijn drankprobleem.

    Op slot

    In de tijden dat ik niet dronk, was ik me er niet van bewust dat ik wilde drinken. Ik snakte er niet naar en dronk ook niet stiekem. Het deed me denken aan kettingrokers die tijdens een lange vliegreis ook niet naar een sigaret snakken. Ze weten dat ze niet kunnen roken, dus zetten ze het ook uit hun hoofd.

    Marc Lewis, neuroloog en verslavingsdeskundige, legde me uit dat het net zoiets was als wanneer je een stuk vlees in de koelkast legt en je hond probeert jankend met zijn poot de deur open te krijgen. Maar als je de hond ervan overtuigt dat de deur op slot zit, houdt hij op met janken en loopt hij weg.

    Ieder jaar stopte ik met janken en liep ik weg. Ik bezocht cafés en bars en dronk bronwater. ’s Avonds dronk ik thee. Ik merkte dat het de meeste mensen, bijna iedereen eigenlijk, niet kon schelen of ik nu wel of niet dronk op hun feestje. Sommige mensen viel het niet eens op. Ik zei: ‘Ik ben van de drank af.’ Mensen zeiden dan alleen: ‘Cool.’ In een vliegtuig hoefde ik niet de kleine wijnflesjes te drinken. Ook geen zwak alcoholische dranken. Ik nam geen slokjes van het een of ander. Ik wist dat ik niet ging drinken en daardoor wilde ik ook niet drinken. Ik had alles onder controle. Ik wist dat ik op mijn verjaardag weer zou drinken. Ik maakte mezelf steeds weer wijs dat het allemaal veel beter zou gaan als ik straks weer ging drinken.

    Dat ging het nooit. Ik kon nooit met mate drinken. Ik kon er nooit eentje nemen, of een paar. Ik wilde altijd meer. Ik kon nooit maathouden, alsof mijn hersenen waren aangetast. Ergens voelde ik dat het verkeerd was, en dat gevoel werd sterker naarmate het jaar vorderde – ’s zomers sterker dan in de lente, in de herfst sterker dan in de zomer. In de periodes dat ik dronk kwam er ook steeds een fantasiebeeld in me op: een stevig, groot bekerglas met supersterke wodka, glinsterend onder een laag ijs, zo sterk dat het bijna naar benzine rook. De ideale borrel. Dat was mijn fantasie als ik dronk en dat was het nog steeds op de dag dat ik mijn laatste borrel achteroversloeg, een vruchtenbowl, in de vroege uurtjes van 1 januari 2013. Over honderdtwintig dagen staat dat stevige, grote glas wodka in een of andere hippe, minimalistisch ingerichte bar op me te wachten.

    In de vijf jaar daarna heb ik niet gedronken en heb ik er ook niet naar getaald. Mijn drankperiode lijkt ver weg, bijna als een leven geleid door iemand anders. Drank – alleen het idee al – lijkt me smerig. Zuur of scherp smakende vloeistoffen achteroverslaan, alleen maar om mezelf dommer te maken. Belachelijk! Ik heb dezelfde mening over alcohol als toen ik tien was. Het is gevaarlijk, het is smerig, het veroorzaakt kanker, het verziekt je lever en zorgt ervoor dat je eruitziet en ruikt als een veel ouder en zieker iemand. Toch heb ik me er altijd over verbaasd waarom ik zo stevig in de greep van de drank zat en zo lang, waarom ik delen van mijn leven heb laten verwoesten, delen die ik nooit meer terugkrijg. Wat had drank me te bieden dat zo veel beter was dan een leven zonder drank? Welke magische kracht had drank precies?

    Soms ging ik midden op de dag even naar een slijterij om met de man achter de toonbank een praatje te maken over wijn of whisky

    In het begin dronk ik omdat ik angstig was en omdat ik op een kostschool zat. Dat is het verhaal dat ik mezelf vertel en dat ik Colin Drummond vertelde, een psychiater bij het National Addiction Centre van King’s College in Londen. Ik zocht Drummond eind november 2017 op omdat ik de mening van een ter zake kundige wilde horen over mijn drinkgedrag. Hij luisterde en maakte aantekeningen in zijn werkkamer op de campus Denmark Hill van het King’s College. Op de kostschool, zo vertelde ik hem, word je voortdurend in de gaten gehouden; soms kun je er stiekem tussenuit glippen. Ik dronk vanaf mijn vijftiende. Extra sterk bier uit blik en wodka in kwartliterflesjes, verstopt in de stortbakken van het toilet, 
of pils in het café. Ik wilde voortdurend ontsnappen. Drank was geen echte ontsnapping, maar het leek er wel op.

    Op school voelde ik me vaak gevangen en kwetsbaar; met drank verbeterde mijn stemming een poosje. In mijn geest begon zich een patroon te vormen, een soort leerproces. Niet het leerproces dat je op school zou moeten doormaken, maar desalniettemin een leerproces. Drank bezorgde me ook slechte momenten: misselijkheid en hoofdpijn na afloop. Maar het goede begon het te winnen van het slechte. Ik herinner me de moutachtige smaak van extra sterk bier, het gevoel van het blikje in mijn hand, de belletjes 
in mijn neus, en ik herinner me de gouden kleur van het bier in cafés, hoe koud dat was als ik de eerste slok nam, hoe helder en vrolijk ik me voelde als het indaalde. Ooit nam ik als zestienjarige in een café een slok pils uit een groot glas en was alles perfect; die perfectie stond in mijn geheugen gegrift en tientallen jaren bestelde ik grote glazen bier en dronk daaruit om weer even dat draadje te voelen dat me verbond met mijn jongere ik.

    Na een tijdje, vertelde ik Drummond, ontstond er een patroon, een patroon dat me nu eigenlijk pas opviel. Mijn drankgebruik ontwikkelde zich in vlagen. Veel op school. Veel in mijn tussenjaar. Niet zo veel op de universiteit. Toen verhuisde ik naar Londen om er te gaan werken als freelancejournalist en begon ik zwaarder te drinken. Drie jaar later vertrok ik uit Londen en dronk ik veel minder, na zes jaar verhuisde ik weer naar Londen en begon weer veel meer te drinken. Mijn hele sociale leven speelde zich af in cafés en bars en bij mensen thuis die graag dronken. De drank had zich stevig in mijn leven genesteld. Eigenlijk kende ik niemand die niet dronk. Dat was de tijd dat ik pogingen ondernam om te stoppen.

    Al pratend tegen Drummond dacht ik na over dat patroon. Er waren drie periodes van zwaar drinken, elke periode weer ernstiger dan de vorige. In de eerste twee periodes, mijn schooltijd en rond mijn vijfentwintigste, was dat drinken een reactie op stress – schoolstress, werkstress. In de derde periode, toen mijn drankgebruik ernstig uit de hand liep, was het alsof de drank zelf de stressveroorzakende factor was geworden.

    Sommige mensen drinken en dan gaan ze meer drinken en op een bepaald moment raken ze geobsedeerd door de drank. Ik lette altijd op flessen, de vorm van een fles, het etiket en de kleur van het glas. Alleen al door te kijken naar flessen voelde ik het verlangen in me opkomen. Ik wist in welke cafés de sterkste bieren en ciders te krijgen waren, voor het geval dat. Ik kwam graag in slijterijen om een fles te pakken en vast te houden. Soms ging ik midden op de dag even naar een slijterij om met de man achter de toonbank een praatje te maken over wijn of whisky. Een jaar lang heb ik een wijncursus gevolgd, want wijn leek me beschaafd. Eén avond per week zat ik in een klas te praten over wijn, wijn te drinken en aantekeningen te maken. Na afloop ging ik dan met een of twee medecursisten nog een paar flessen wijn drinken. Er waren in mijn leven altijd flessen, overal flessen, meer flessen dan ik kon bevatten.

    Al die tijd had ik een relatie en we dronken allebei. Ik dronk meer dan zij. Onze vrienden dronken. Als we vrienden op bezoek hadden, maakte ik in de keuken de wijn open en schonk die uit in vier glazen. Ik bracht twee glazen naar de gasten. Dan liep ik terug naar de keuken en dronk zo vlug mogelijk een van de twee overgebleven glazen leeg. Razendsnel maakte ik een nieuwe fles open, schonk mijn glas weer vol 
en voegde me bij de anderen, die genoten van hun drankje. Maar tijdens het drinken nam mijn trek in drank altijd toe, dus ik had mijn tweede glas eerder leeg dan de anderen hun eerste. Dan ging ik terug naar de keuken en schonk nu mijn zogenaamd tweede glas in. Tegen de tijd dat de anderen drie glazen hadden gedronken, waren er vier flessen leeg. Er was natuurlijk een oplossing: vijf flessen kopen. Met drank lijkt er altijd een oplossing te zijn.

    ‘Drank neemt heel geniepig steeds meer bezit van je,’ zegt Drummond. ‘Ik wil er eigenlijk niet aan dat het ook wel eens te laat kan zijn, maar het wordt wel steeds moeilijker om er iets aan te doen als de drank je eenmaal in zijn greep heeft.’

    Drummond vroeg naar mijn familie. Kwam er in mijn familie alcoholisme voor? Soms is dat moeilijk te zeggen, want over alcohol en de hele cultuur eromheen hangt altijd een waas van geheimzinnigheid. Ik dacht na over mijn familie. Mijn opa, de vader van mijn moeder, dronk stevig, en dat is nog zacht uitgedrukt. Mijn broer drinkt stevig. Mijn moeder drinkt nauwelijks. Af en toe een glaasje wijn. Misschien twee op een bruiloft. Mijn vader dronk tot zijn vijftigste heel weinig. Daarna dronk hij een beetje. Toen hij met pensioen ging, begon hij meer te drinken. Toen hij in de veertig was en niet veel dronk, waarschuwde hij me altijd dat ik te veel dronk. Toen ik uiteindelijk stopte, was hij in de tachtig en dronk hij iedere dag. Ik heb hem nooit dronken gezien; hij beweerde dat hij nog nooit dronken was geweest. Maar ik maakte me zorgen over de cognac, de rum, de gin. De rollen waren omgedraaid; nu waarschuwde ik hem dat hij te veel dronk. Ik had zijn waarschuwingen altijd in de wind geslagen, ik denk dat hij dat ook met die van mij doet. Als je drinkt, denk je echt niet helder na over je eigen drankgebruik.

    Alleskunner

    Alcohol was de lievelingsdrug van zowel mijn zestienjarige ik als mijn zesentachtigjarige vader; dat zegt toch wel iets. Drummond noemde een paar redenen waarom alcohol zo aantrekkelijk is: ‘Drank ontspant, maakt je gezelliger, geeft je in gezelschap meer zelfvertrouwen, neemt de stress weg, je wordt er vrolijker van als je je wat down voelt, in het begin althans – dat zijn allemaal eigenschappen van drank.’ Hij dacht nog even na en zei toen: ‘Chemisch gezien is het een alleskunner.’

    Hoe krijgt alcohol al die dingen voor elkaar? Hoe kon ethanol, eenmaal opgenomen, mij zulke prachtige ontsnappingsmomenten bieden? En waarom veranderde mijn zoektocht naar die prachtige momenten in een levensgevaarlijke obsessie?

    Ik vroeg het aan Marc Lewis, hoogleraar neurologie aan de Radbouduniversiteit in Nijmegen. Lewis heeft in zijn boek Memoires van een verslaafd brein zijn eigen ervaringen met alcohol, opiaten en verscheidene andere drugs schitterend beschreven.

    Als de goudkleurige pils of glinsterende wodka door mijn keel gleed en mijn hersenen bereikte, zo legde Lewis uit, veranderde mijn stemming doordat er werd geknoeid met enkele neurotransmitters – de stofjes die neuronen, of hersencellen, in staat stellen met elkaar te communiceren. Als je een gedachte hebt, of een idee of een gevoel, komt dat doordat neuronen in je hersenen samenwerken en ketens vormen, gefaciliteerd door neurotransmitters. De neurotransmitters regelen het verkeer in de hersenen. Twee van de belangrijkste zijn glutamaat en gamma-aminoboterzuur, oftewel gaba. Glutamaat stimuleert de hersenactiviteit; gaba remt die activiteit. Drank zet voor glutamaat het licht op rood en voor gaba op groen.

    Laat dat even bezinken. gaba remt de communicatie en glutamaat stimuleert haar. Drank stimuleert de rem en remt de stimulant. In Memoires van een verslaafd brein beschrijft Lewis wat er gebeurde toen hij voor het eerst dronken werd: ‘De plekken waar glutamaat actief is vallen stil en werken niet meer, dus de informatiestroom is traag, alleen grote signalen komen nog door en kleinere signalen leveren alleen maar ruis op.’
    Bovendien: ‘Het is de taak van gaba om gedachten en waarnemingen precies af te stellen, om alles helder te krijgen, maar nu wordt alles helder op het karikaturale af… Met andere woorden, ik denk aan iets heel kleins, maar ik denk eraan met een overweldigende helderheid.’

    Alcohol verhindert dat je te veel denkt. Het vertraagt de tredmolen van de angst. Het versimpelt. Het redigeert. Natuurlijk doet het nog meer. Het knoeit ook met het beloningssysteem van de hersenen. Als je drinkt, verspreidt een andere neurotransmitter, dopamine, zich overal in je hersenen. Dopamine is 
de neurotransmitter van de verwachting, van de opwinding, van het meer willen.

    Dopamine overspoelt je hersenen met een soort opgewonden honger, de sensatie van door iets geobsedeerd te zijn. De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Wurtzel schreef een boek over haar verslavingen,_ More, Now, Again;_ dat ongepolijste verlangen is een adequate beschrijving van hoe je je voelt als de dopamine je brein overspoelt. Zoals de beruchte drinker Kingsley Amis ooit heeft gezegd: het gaat niet om dronken zijn, maar om dronken worden. Het gaat om dat magische moment waarop je wordt meegesleurd naar elders, naar die ideale plek waar verwachting en beloning perfect in balans zijn.

    Het liegen, de misleiding moet zijn begonnen toen ik een jaar of dertig was. Vijf flessen wijn kopen in plaats van vier. Overal in huis flessen verstoppen

    Mij begon iets op te vallen aan die perfecte balans. Die leek steeds vluchtiger te worden. De hoeveelheid euforie en opwinding die een borrel kon verschaffen, gemeten in tijd en intensiteit, leek af te nemen. Dat komt doordat als je zit te knoeien met je hersenen, die hersenen proberen dat geknoei ongedaan te maken. Als je ze in de maling neemt, worden ze wijzer. Als je ze overspoelt met stofjes om een gevoel van beloning op te roepen, vinden je hersenen een manier om die beloning wat minder intens te maken. Dus moet je iets meer drinken om dezelfde roes te krijgen. En daarna weer meer, en nog meer. Op de korte termijn, zo legde Drummond uit, neemt het verlangen toe naarmate de beloning dichterbij komt. Maar op de lange termijn wordt de eerste toevloed van dopamine nooit geëvenaard door de tweede toevloed, als je de drank echt doorslikt. Het verlangen neemt toe, terwijl de bevrediging afneemt; de verwachting vraagt, terwijl de beloning minder uitkeert.

    Er gebeurt iets in de prefrontale cortex, het beslissingscentrum van de hersenen. Stel je een gedachte voor als een smal paadje. Stel je nu een obsessieve, met dopamine doordrenkte gedachte voor die steeds maar opduikt. Dat wordt een hoofdweg en ten slotte een snelweg. Er zijn geen andere routes. Je zit in een lastig parket. Je wilt drinken, maar drinken maakt je ziek. Je voelt je ziek, maar je wilt drinken. Je voelt een intens verlangen. Dus je drinkt. En het werkt niet meer zoals het eerst deed.

    In haar autobiografische boek Drinken: Een liefdesverhaal vertelt de inmiddels overleden Amerikaanse schrijfster Caroline Knapp dat er een subtiele grens ligt tussen probleemdrinken en echt alcoholisme, maar dat je die als drinker niet ziet. Je gaat eroverheen zonder dat je weet dat je eroverheen gaat. Ik heb mensen gekend die op het punt stonden eroverheen te gaan of er al overheen waren. Ik heb met hen gesproken over hun drankgebruik. Ze zeiden steevast dat ze niet veel dronken of dat ze aan het minderen waren, kalmer aan deden, zich hielden het bij een of twee glazen. Ik wist dat ze de waarheid niet spraken. Ze logen tegen mij, ze logen tegen zichzelf. Die gesprekken maken me kwaad, vooral op mijn vroegere ik.

    Soms vraag ik me af wanneer ik tegen mezelf begon te liegen. Dat was niet op school. Daar was ik een en al bravoure: ‘Ik heb een flesje wodka op, een blik Breaker en daarna een halve liter Kronenbourg…’ Ook niet toen ik een jaar of vijfentwintig was. Ik was nog steeds vol bravoure, drinken verschafte je een zekere status. Het liegen, de misleiding moet zijn begonnen toen ik een jaar of dertig was. Vijf flessen wijn kopen in plaats van vier. Overal in huis flessen verstoppen. Bij iemand thuis een deel van zijn fles whisky opdrinken, en nog een beetje, en dan beseffen dat je een nieuwe fles moet kopen en hopen dat je daarmee wegkomt. Caroline Knapp beschrijft hoe ze bij iemand de port opdronk, een nieuwe fles kocht en vervolgens probeerde precies dezelfde hoeveelheid in de oude fles te gieten.

    Drink!

    Je gaat een grens over als je tegen jezelf begint te liegen. Maar je weet niet waar die grens ligt. Colin Drummond vertelde dat sommige mensen na het werk met collega’s nog even één glaasje drinken en daarna de hele avond in hun eentje doordrinken. Ik had iets vergelijkbaars gedaan, zij het net even anders. Ik ging uit met collega’s, die graag een paar borrels dronken, dan zocht ik vrienden op die nog wat wilden drinken en laat op de avond zat ik in een nachtcafé met mensen die ervan hielden om tot heel laat door te zakken. We snoven lijntjes coke om wakker te blijven en nog meer te kunnen drinken. Ik herinner me nog dat ik een keer uit zo’n nachtcafé kwam, de trappen van het keldercafé opging en dat het op straat al licht was. Niet alleen maar licht, maar ook zonnig. Dat was een treurig moment. Maar het was niet de laatste keer.

    Ik stopte niet met drinken. Toen niet. Ik ging door, al wist ik dat ik iets moest doen. Maar de drank had me in zijn greep. Het beslissingscentrum van mijn hersenen was ontzettend goed geworden in het nemen van één beslissing: drink! Ik liep over straat, probeerde weg te duiken in de schaduw. Ik hield een taxi aan, ging naar huis en viel in slaap.

    Op een gegeven moment begint de perfecte balans tussen verwachting en beloning te verdwijnen. Je gaat ernaar op zoek. Je gaat ernaar op zoek door meer te drinken. De katers worden erger. Uiteindelijk ben je de helft van de dag bezig met het vechten tegen je kater. Je blijft tot het allerlaatste moment in bed liggen. Je hebt stekende hoofdpijn achter je ogen. Je voelt je paranoïde en angstig. Je zweet. Je zweet ruikt naar de drank. Je krijgt steeds meer een hekel aan jezelf. Dus ga je drinken. Dat werkt, een beetje. Dan een beetje minder.

    En toen kwam vijftien jaar geleden het begin van het einde. Iedere probleemdrinker die besluit om te stoppen heeft zo’n verhaal. Ik was wezen stappen. Ik was dronken. Ik had het gevoel dat ik niet genoeg had gedronken, ik wilde nog meer en toen ik thuiskwam ging ik naar de keuken. Er stond een halfvolle fles wodka in de vriezer. Ik schonk wodka in een glas, deed er jus d’orange bij en dronk het op. Daarna schonk ik de rest van de wodka in het glas, deed er wat jus d’orange bij en dronk het op en toen was de wodka op. Ik had nog een enorme trek in nog meer drank, wilde die ideale balans opzoeken. Ik hoefde alleen maar de straat over te steken. Ik keek uit het raam: de winkel was dicht. Ik was vijf minuten te laat. De trek zakte af en ik ging naar bed.

    Weken, maanden zelfs dacht ik hier niet meer aan. maar ik herinnerde het me toen januari weer begon te naderen. Ik ga stoppen, dacht ik. En: Nu echt. En: Tot mijn verjaardag. Tien jaar later zou ik mijn laatste borrel drinken.

    ‘Hoeveel dronk je op je hoogtepunt?’ vroeg Colin Drummond. Daar hoefde ik niet lang over na te denken: twee flessen wijn per dag. Dat vertel ik mezelf. Acht grote glazen per dag. Zesenvijftig glazen per week. Ik herinner me dat iemand zei dat de aanbevolen hoeveelheid achtentwintig units was. ‘Dat kan niet kloppen,’ had ik gezegd. ‘Ik drink geen achtentwintig units per dag, eerder vijfentwintig.’ Die aanbevolen hoeveelheid was natuurlijk per week. Nu is het veertien. En dat is de bovengrens. Twee flessen wijn klinkt nog niet zo slecht. Maar in werkelijkheid dronk ik het tienvoudige van de aanbevolen hoeveelheid [een gemiddelde fles wijn bevat 12 units].

    Ik heb tien jaar van mijn leven veel te veel gedronken en ben tien jaar bezig geweest met stoppen.

    Ik heb de onthouding steeds een kans gegeven. En de onthouding heeft gewonnen

    Waarom dronk ik? Ik dronk omdat ik angstig was, omdat mijn tong dan wat losser werd, omdat als ik me zorgen maakte over mijn drankgebruik, ik me minder zorgen maakte over andere dingen, over dingen waar ik echt gestresst van raakte, zoals schrijven. Drank verlicht de stress, maar veroorzaakt daarna weer stress, maar die stress houdt, in elk geval een tijdje, je echte zorgen buiten de deur. En dan wordt je drankgebruik je grootste zorg. Je gaat over een grens heen, maar je ziet het niet, dus je gaat gewoon door.

    ‘Een bekend verhaal,’ zei Colin Drummond, toen ik hem alles had verteld. Ik was als puber niet echt gelukkig. Ik zat op kostschool. Ik begon al vroeg met drinken. Als ik naar mijn familie kijk, kan er een genetische component in zitten. Ik wilde graag aan de universiteit werken, maar werd uiteindelijk journalist, een beroep dat een vruchtbare bodem biedt voor drankproblemen. Een ontvankelijke geest was in de vuurlinie geplaatst. Een ideale voorgeschiedenis. Geen ontsnappen aan.

    Waarom ben ik gestopt? Die vraag wordt me vaak gesteld. Ik heb veel antwoorden. Om gezondheidsredenen. Om geestelijke-gezondheidsredenen. Omdat het het niet waard was. Omdat het welletjes was. Omdat ik me niet de hele tijd ziek wilde voelen. Omdat het me kapot had gemaakt. Omdat ik niet gewoon één glas kon drinken. Of twee. Of drie. Ik was erdoor geobsedeerd. Ik voorzag dat het verkeerd zou aflopen. Lang geleden kreeg ik er een goed gevoel van, maar er was iets veranderd. Stoppen is moeilijk, wordt gezegd. En dan vragen ze waarom het voor mij makkelijk was. Ik weet het niet, zeg ik dan. Ik heb de onthouding steeds een kans gegeven. En de onthouding heeft gewonnen.

    Ik sta nu vijf jaar droog. En het is heerlijk om nuchter te zijn. Daar ben ik diep vanbinnen echt van overtuigd. Het is veel beter dan ik vijf jaar geleden dacht dat het zou zijn, in die vroege uurtjes van 1 januari. Maar dat was niet het werkelijke keerpunt. Het werkelijke keerpunt lag honderdtwintig dagen later, op mijn verjaardag, de dag waarop ik weer zou gaan drinken. Ik zat met mijn vriendin in een restaurant. Ze vroeg of ik wijn ging bestellen. Tot op dat moment was ik dat ook van plan geweest. Maar er gebeurde iets in mijn hersenen. Een onverwachte beslissing.

    ‘Nee,’ zei ik. ‘Toch maar niet.’