Tag: oceaan

  • De aardse aliens van de marianentrog

    De aardse aliens van de marianentrog

    Bepaalde delen van de wereld zijn naar menselijke maatstaven zeer vreemd. De diepzee bijvoorbeeld; we beginnen nog maar net te ontdekken wat zich daar bevindt.

    Wij mensen willen graag dat alles om ons draait. Dieren worden met ons vergeleken en beoordeeld op hoe goed of slecht ze het doen ten opzichte van de mens. Zijn ze nuttig? Kunnen we ze opeten, berijden of hun lichamen in kleren, wapens, vervoermiddelen of huizen veranderen? Hetzelfde geldt voor onze omgeving: kunnen we er leven? Is het er prettig? Zo niet, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat dat wel zo is? Als we ons voorstellen hoe het is om er te leven gebruiken we menselijke standaarden.

    Zelfs als we objectief proberen te blijven, als we het over wezens of habitats hebben die mensonvriendelijk zijn, gebruiken we nog steeds menselijke termen. Het moet herkenbaar zijn. Een walvis is twee keer zo groot als een bus of er passen er een x aantal op een voetbalveld. De diepzee is verschrikkelijk donker en koud en de waterdruk is verpletterend hoog. Het is een wezensvreemde en onherbergzame omgeving. Sciencefiction kan ons ertoe aanzetten om onze manier van denken te veranderen, onze aannames in twijfel te trekken, ons open te stellen voor een andere wereld, het vreemde te omarmen en het onbevooroordeeld te bestuderen.

    Als we het woord alien horen, denken we vaak aan buitenaardse wezens. Schepsels van een andere planeet. Toch zijn bepaalde delen van de wereld naar menselijke maatstaven zeer vreemd. De aarde is voor meer dan twee derde bedekt met water, dat op veel plekken kilometers diep is. We beginnen er nog maar net achter te komen wat zich daar allemaal bevindt. Het diepste stukje oceaan is de Marianentrog in de Stille Oceaan, met een diepte van 11 kilometer. 365 meter onder het oppervlak is er geen zonlicht meer en onder de 1000 meter is er helemaal geen licht, behalve van dieren die het zelf produceren, een verschijnsel dat bioluminescentie heet. Naarmate je dieper daalt, stijgt de waterdruk enorm. Er groeien geen planten meer. Er zijn alleen nog maar dieren, helemaal tot op de bodem.

    Zeenettel
    Zeenettel (Chrysaora) © Unsplash

    Het leven in de diepzee heeft zich aan deze omstandigheden aangepast. Organismen eten elkaar of ze leven van het bezinksel van organisch materiaal: van micro-organismen tot dode walvissen die de diepte in zinken, waar ze voedsel vormen voor een scala aan fascinerende dieren. De Osedax-worm, in het Engels ook wel de zombieworm genoemd, leeft van het vet in botten. Vanuit menselijk perspectief zitten er daar in de diepte allerlei nachtmerrieopwekkende beesten, enger nog dan geheime overheidsinstallaties, prehistorische megahaaien of buitenaardse indringers.

    Op de website die voorheen bekendstond als Twitter kwam ik een meme tegen uit 2023 van iemand genaamd Victoria:

    In de diepzee heb je twee soorten dieren:
    Moordbek: een vis van een meter lang met lichtgevende tanden die eruitziet alsof hij rechtstreeks uit de film Alien komt.

    Zeeliefje: een kwalletje van drie centimeter dat zichzelf met schattige scheetjes voortstuwt. Het lacht altijd en is Gods lievelingetje.

    Waarop een gebruiker genaamd gravityeyelids reageerde:

    Moordbek is overigens compleet ongevaarlijk, maar als je zeeliefje zelfs maar voor een honderdste seconde aanraakt kan hij vijfhonderd mensen doden.

    Dit is misschien ietwat overdreven (of niet…) maar er bevinden zich daarbeneden zeker angstaanjagende wezens, en de dieren die er het engste uitzien zijn niet per se het gevaarlijkst. Neem de diepzeehengelvis, die op 2 kilometer diepte leeft: een vis met een lantaarntje op haar kop, enorme uitstekende tanden en een kleine poliep die ooit haar man was, voordat hij letterlijk met haar vergroeide om nageslacht te verwekken. Ze is dodelijk voor andere vissen, maar niet voor al wat leeft. Onder het niveau van de diepzeehengelvissen zwemmen geen dodelijke maar schattige rare snuiters. Van alle diepzeeoctopussen leeft de Dombo-octopus op de grootste diepte, wel op tien tot dertien kilometer, en hij is zelfs een keer op 23 kilometer gesignaleerd. Deze octopussensoort heeft een andere mondvorm dan zijn verwanten; hij slokt zijn prooi volledig op zonder te bijten of te kauwen. Zijn lichaam heeft een skelet van kraakbeen waarmee hij bestand is tegen de immense waterdruk; in tegenstelling tot andere octopussen kan hij zich niet door kleine openingen wurmen. Hij beweegt zich voort met behulp van twee oorachtige vinnen (vandaar dat hij is vernoemd naar het Disney-olifantje dat zijn oren als vleugels gebruikt).

    Slakdolf

    De Dombo-octopus leeft op hetzelfde niveau als een ander snoezig dier, de slakdolf. Slakdolven komen voor op nog grotere diepte dan alle andere vissen die we tot nu toe in de diepzee zijn tegengekomen. Ze zijn aangetroffen op wel 8 kilometer diepte. Het zijn zachte, kikkervisachtige vissen met een gladde of bobbelige huid en een grote kop met een zuignap aan de onderkant, waarmee ze zich aan de zeebodem of een ander oppervlak kunnen hechten. Ze zijn niet zo groot, maximaal 30 centimeter. En er zijn er veel van, meer dan honderd verschillende soorten. De wetenschappers die de diepste krochten van de zee onderzoeken, ontdekken er steeds meer. Vanuit ons gezien leven al deze wezens in een donkere, koude hel met een ongelooflijk hoge waterdruk. Maar als we ze bij toeval op camera krijgen, zien ze er opgewekt uit; ze zwemmen rustig rond in een wereld die voor ons even buitenaards is als de stormen van Jupiter. Voor hen is het thuis. Ze hebben zich aangepast. Ze horen daar.

    Misschien komen we ooit buitenaards leven tegen en vinden we nog meer geweldige en fascinerende soorten. Maar tot dan zijn er nog hele werelden te ontdekken op onze eigen planeet, nieuwe levensvormen, nieuwe soorten of variaties op de organismen die we eerder ontdekten. Sommige leven in omgevingen waarvan we ons nooit een voorstelling hadden gemaakt, in omstandigheden die we voorheen onleefbaar achtten: de bodem van de zee, de gebieden rondom hydrothermale bronnen. Het inspireert en stemt nederig om te bedenken hoe weinig we eigenlijk weten van wat er zich daar beneden allemaal afspeelt, en hoeveel we nog te weten kunnen komen.

  • Wetenschappers roepen op tot ‘wereldwijde actie’ tegen microplastics

    Wetenschappers roepen op tot ‘wereldwijde actie’ tegen microplastics

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VK: Veel hogere concentraties pesticide toegestaan op voedsel sinds Brexit

    » Onderzoek: aarde in het verre verleden warmer dan gedacht

    Steeds meer microplastics in oceanen aangetroffen

    Twintig jaar nadat een groep wetenschappers het fenomeen microplastic voor het eerst beschreef in Science, roept dezelfde groep, die zich verenigd heeft in Scientists’ Coalition for an Effective Plastics Treaty, op tot een mondiaal verdrag om microplastics terug te dringen. ‘Microplastics zijn met het blote oog nauwelijks zichtbaar (zelfs de grootste deeltjes) en worden aangetroffen in de zee, rivieren en meren, maar ook in het ijs op de polen en in de meest afgelegen bodems van de planeet. Door hun grootte zijn ze zo biologisch beschikbaar dat ze opgaan in het zeeplankton en zo in de voedselketen terechtkomen waar de predatoren, vooral de mens, aan de top staan. Mensen eten, drinken en ademen al tientallen jaren plastic’, legt El País uit.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Richard Thompson, professor aan de Universiteit van Plymouth, was de hoofdauteur van dat eerste artikel uit 2004, dat een verklaring zocht voor de inconsistentie tussen de geproduceerde hoeveelheden plastic en het getelde plastic in de zee, en kwam met de belangrijkste bevinding: de aanwezigheid van talloze kleinere stukjes. ‘Na twintig jaar onderzoek is er duidelijk bewijs voor de schadelijke effecten van microplasticvervuiling op wereldschaal,’ zegt Thompson tegen El País. Hij en zijn co-auteurs publiceerde een overzicht in Science van de wetenschap, met meer dan zevenduizend gepubliceerde onderzoeken, heeft geleerd over deze minuscule, door mensen vervaardigde, deeltjes.

    ‘Er zijn nog steeds onzekerheden, maar in de twintig jaar sinds ons eerste onderzoek is de hoeveelheid plastic in onze oceanen met ongeveer 50 procent toegenomen, wat de dringende noodzaak voor actie alleen maar verder benadrukt,’ aldus Thompson.

  • Hoe onderzoek je de zeestroming bij Antarctica als het ijs meters dik is? Met een zeehond

    Hoe onderzoek je de zeestroming bij Antarctica als het ijs meters dik is? Met een zeehond

    In de Antarctische Weddellzee verhindert een ijsbarrière dat gletsjers terugstromen in de oceaan. Maar hoelang houdt die het nog uit? Een team van wetenschappers onderzocht het met medewerking van de bewoners van Antarctica.

    Hoe onderzoek je zeestromingen op plekken waar de oceaan meestal bedekt is met zulke dikke ijsschotsen dat het zelfs voor ijsbrekers moeilijk wordt? Horst Bornemann, een dierenarts aan het Alfred Wegener Instituut voor polair en zeeonderzoek (AWI) in Bremerhaven, heeft daarvoor een blaaspijp nodig met een verdovingspijl, een minisensor van slechts 600 gram met een satellietzender en een beetje tweecomponentenlijm. Én een geschikte zeehond. 

    In de ochtend hebben hij en zijn collega Mia Wege van de Universiteit van Pretoria aan de hand van satellietbeelden een gebied met ijsschotsen uitgekozen dat ze nu vanuit de lucht verkennen. ‘Robben op drie uur!’ zegt Bornemann, die vooraan naast de piloot het beste uitzicht heeft op de Weddellzee. De helikopter vliegt een flauwe bocht naar rechts en kantelt licht. Op de achterbank kijkt Wege door een verrekijker om de dieren die op het ijs dutten te determineren. ‘Twee krabbeneters,’ zegt ze met een wegwerpgebaar. De meest voorkomende robbensoort van Antarctica is te klein voor de zender en blijft meestal dicht bij het wateroppervlak. De piloot draait weg en vliegt naar de volgende ijsschol.

    Ze moeten een weddellrob zien te vinden – die soort is groter en jaagt tot op vele honderden meters diepte op vissen

    Ze moeten een weddellrob zien te vinden – die soort is groter en jaagt tot op vele honderden meters diepte op vissen. Met hulp van dat dier willen de onderzoekers belangrijke oceanografische data verzamelen in een onderzeese kloof die het continentaal plat in de Weddellzee doorsnijdt. Achter op de kop van het dier moet een sensor geplaatst worden die tijdens de duik het zoutgehalte en de temperatuur meet en de waarden via een satelliet doorgeeft wanneer het dier bovenkomt om adem te halen. Maar vandaag is hun zoektocht niet succesvol. Na drie dozijn krabbeneters maar geen weddellrob moet de helikopter terugkeren naar het schip omdat de brandstof begint op te raken.

    Kwetsbaar

    Beide robbenexperts maken deel uit van een expeditie van het AWI, die in de late Antarctische zomer van 2021 met de ijsbreker Polarstern tot in de Weddellzee is doorgedrongen, de grootste zee aan de rand van de zuidelijke oceaan die Antarctica omgeeft. De centrale vraag bij deze expeditie is: hoe kwetsbaar is het zogeheten Filchner-Ronne-ijsplateau, een enorme drijvende ijsplaat in het zuiden van de Weddellzee, als gevolg van de klimaatverandering? De honderden meters dikke ijsplaat bedekt bijna 450.000 vierkante kilometer, ongeveer de oppervlakte van Zweden, en wordt gevoed door gletsjers uit Oost- en West-Antarctica.

    Polarstern Expedition Weddell Sea TimK 008
    © Tim Kalvelage

    Tot op heden leek deze bevroren vesting onaantastbaar, dankzij zware koude watermassa’s die op het vlakke continentale plat in de Weddellzee circuleren. Die plaat is de onderzeese verlenging van de Antarctische landmassa. ‘De koude watermassa’s verhinderen dat warmer water uit de diepte van de open oceaan onder het Filchner-Ronne-ijsplateau stroomt,’ legt Hartmut Hellmer uit tijdens de vaart naar het onderzoeksgebied. Hij is fysisch oceanograaf bij het AWI en expeditieleider.

    De koudwaterbarrière beschermt het ijs van de plaat voor wegsmelten en verhindert tegelijkertijd het afglijden van de aangrenzende gletsjers in de oceaan. Metingen in de regio laten echter zien dat warmer water uit de diepzee af en toe door een scheur in de diepzeebodem, de Filchner-sleuf, op het continentale plat plenst. Het warme water heeft een hoger zoutgehalte dan het oppervlaktewater en is daardoor compacter. Via die sleuf vloeit het vlak bij de bodem naar de rand van de ijsplaat toe.

    Tijdelijk fenomeen

    ‘Wij willen uitzoeken of het een tijdelijk fenomeen is of dat er zich een trend aftekent,’ zegt Hellmer. Computersimulaties wijzen erop dat de koudwaterbarrière als gevolg van klimaatverandering op de lange termijn wel eens zou kunnen instorten en een smeltproces onder het ijs op gang zou kunnen brengen dat niet meer te stoppen zou zijn. Daardoor zou het continentale ijs van de gletsjers sneller wegvloeien en de zeespiegel verder stijgen. Bovendien zouden hierdoor een van de motoren van de mondiale circulatie in de oceanen en de opname van koolstof in de diepzee – belangrijk voor de daling van CO2 in de atmosfeer – worden afgeremd.

    IJsplaten steken als platte uitlopers van de Antarctische ijsmassa, die van het binnenland naar de kust schuift, op sommige plekken honderden kilometers de zee in. Steeds weer breken daar reusachtige platte ijsbergen van af. Driekwart van het continent van Antarctica is omgeven door ijsplaten; ze maken 12 procent uit van de door gletsjers bedekte vlakte van Antarctica. Hun massa bevindt zich grotendeels onder water. Contact met de zeebodem hebben ze alleen op plekken waar de bodem zich verheft.

    In de afgelopen dertig jaar heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton ijs verloren

    IJsplaten remmen de gletsjers af en daarmee het ijsverlies van de Antarctische ijskap. Tegelijkertijd zijn ze de achilleshiel ervan: als ze smelten of breken, komt er meer continentaal ijs in de oceaan. In de afgelopen dertig jaar heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton ijs verloren, vooral aan de westelijke kant. De jaarlijkse verliescijfers zijn in dezelfde periode verdrievoudigd.

    Polarstern Expedition Weddell Sea TimK 002
    © Tim Kalvelage

    Door het verdwijnen van de ijsplaten verliest Antarctica steeds meer massa en draagt op die manier meer bij aan de stijging van de zeespiegel. Prominente voorbeelden zijn het verval van de naast elkaar gelegen Larsen-ijsplaten A (1995) en B (2002) in het oosten van het Antarctische schiereiland, evenals de aanhoudende terugtrekking van twee gletsjers die in het Amundsenmeer in West-Antarctica uitmonden: Pine Island en Thwaites. Deze zijn verantwoordelijk voor 8 procent van de zeespiegelstijging. De gletsjers worden teruggedrongen door relatief warm diepzeewater uit de Antarctische circumpolaire stroom, dat steeds vaker op het continentale plat komt. Bovendien stroomt er ook steeds warmer water onder de ijsplaten, omdat de temperaturen in de circumpolaire stroom toenemen, zoals bijna overal in de oceaan.

    Kantelpunt

    Wetenschappers vrezen dat delen van de ijskap van West-Antarctica in de nabije toekomst een kantelpunt kunnen bereiken en op den duur volledig wegsmelten. Een actueel onderzoek naar de stabiliteit van de ijsplaten in het vakblad The Cryosphere ziet weliswaar nog geen tekenen dat het al zover is. Maar een onomkeerbare terugtrekking van de ijskap zou al bij actuele klimaatcondities mogelijk zijn, schrijven de onderzoekers. Want het ijs ligt in West-Antarctica grotendeels onder de zeespiegel.

    Bovendien loopt de ondergrond van de kust waarop veel gletsjers rusten landinwaarts af. Dat maakt ze bijzonder kwetsbaar voor warmere watermassa’s. Als die onder de ijsplaten doordringen tot waar ze contact maken met de zeebodem, dan vreten ze zich geleidelijk steeds dieper onder de gletsjers, zodat steeds meer ijs blootgesteld wordt aan warmte.

    IJsplateau

    Het Filchner-Ronne-ijsplateau bedekt 449.000 vierkante kilometer in de zuidelijke Weddellzee, net niet helemaal de oppervlakte van Zweden. De drijvende ijsplaat heeft na de Ross-ijsplaat de grootste oppervlakte van alle ijsplaten van Antarctica en het grootste volume. Hij is gemiddeld 700 meter dik; waar hij grenst aan het vasteland zelfs meer dan 1500 meter.

    Verdeeld over Duitsland zou het ijs optorenen tot 1 kilometer hoogte. In het noorden worden het oostelijke Filchner-deel en het westelijke Ronne-deel van elkaar gescheiden door het in het ijs ingesloten Berkner-eiland. De rand van de ijsplaat, die als een steile witte wand uit de zee oprijst, strekt zich uit over ongeveer 800 kilometer: van Oost-Antarctica tot het Antarctische schiereiland.

    Vervolgens trekken de gletsjers zich terug van de kust en glijden tegelijk sneller naar de oceaan.  Zoals de Pine Island- en de Thwaites-gletsjer. Alleen al deze twee gletsjers zouden de wereldzeeën in de komende eeuwen meer dan een meter kunnen laten stijgen. Een soortgelijk lot zou de gletsjers achter het Filchner-Ronne-ijsplateau kunnen bedreigen, ook daar loopt de ondergrond op veel plekken landinwaarts af. Tot nu toe behoedt de koudwaterbarrière op de Weddellzeeplaat het ijs voor smelten. Maar zal deze het in de toekomst houden? Meetinstrumenten die poolonderzoekers uit Duitsland, Frankrijk en Noorwegen op de zeebodem verankerd hebben, moeten deze vragen beantwoorden. 

    De watertemperatuur bedraagt -1,8 graden Celsius, het punt waarop zeewater bevriest

    Tijdens de expeditie met de Polarstern willen ze de instrumenten bergen om de batterijen te verwisselen en de data veilig te stellen. Maar ze moeten zich haasten: in de zuidoostelijke Weddellzee wordt tegen het einde van de zomer al nieuw zee-ijs gevormd. Binnenkort zullen de instrumenten en de schat aan gegevens door het ijs ingesloten worden. 

    ‘De schotsen zijn hier dik, die moeten we eerst verpulveren zodat de drijflichamen aan de oppervlakte komen,’ zegt kapitein Stefan Schwarz op de brug. Waar de verankering drie jaar geleden werd aangebracht, drijft dicht pannenkoekenijs – zo noemen ze pas gevormd zee-ijs dat uit min of meer ronde schotsen bestaat. De watertemperatuur bedraagt -1,8 graden Celsius, het punt waarop zeewater bevriest.

    Polarstern Expedition Weddell Sea TimK 006
    © Tim Kalvelage

    Nadat de Polarstern meerdere rondjes heeft gevaren, stuurt een hydrofoon een akoestisch signaal naar de verankering en maakt de kabel met de instrumenten en de drijflichamen los van het ankergewicht. De onderzoekers wachten in spanning af. Maar aan de oppervlakte is niets te zien, de verankering lijkt vast te blijven zitten onder het ijs. Schwarz neemt het roer over en schuift met het schip de brokstukken opzij. De manoeuvre slaagt, even later duiken vier rode ballen van kunststof naast het schip op.

    Meer dan een dozijn verankeringen staan er intussen op de zeebodem van de Weddellzeeplaat en op de helling van het continent. Op verschillende dieptes registreren ze het hele jaar door het zoutgehalte en de temperatuur, en ook stroomsnelheid en stroomrichting. De eerste werden door het AWI in 2013 geïnstalleerd in de Filchner-sleuf. De onderzoekers waren opgeschrikt door een studie die expeditieleider Hartmut Hellmer in 2012 met collega’s in het vakblad Nature had gepubliceerd: ‘We hebben toen het eerste computermodel voor heel Antarctica ontwikkeld waarin ook ijsplaten waren meegenomen,’ zegt hij. ‘In onze modelstudie schoot in een pessimistisch klimaatscenario in het jaar 2070 de smeltsnelheid onder het Filchner-Ronne-ijsplateau plotseling omhoog.’

    De resultaten van die studie waren een wake-upcall, zegt Hellmer. In de computersimulaties stroomde in de tweede helft van de 21e eeuw warmer water uit de diepte door de Filchner-sleuf onder de ijsplaat. Toen in 2016 de eerste data van de verankerde instrumenten werden uitgelezen, pasten de meetwaarden bij de voorspellingen van het model: in de zomer en herfst stroomde er soms warmer water op de Weddellzeeplaat. Maar het drong slechts door op het noordelijk deel van het continentale plat, dat vrij is van plaatijs. In 2017 stroomde het warme water zelfs het hele jaar door daarheen, zoals de volgende registraties van de verankeringen lieten zien.

    Weddellgyre

    Het warmere water uit de diepte van de Weddellzee komt uit de Antarctische circumpolaire stroom, die Antarctica omgeeft. Die voedt de Weddellgyre, en de zuidelijke arm daarvan vormt een kuststroming langs de continentale helling. Boven de warmwaterlaag in het diepe Weddellbekken bevindt zich een dikke laag van honderden meters koud, zoutarm water die ook het continentale plat bedekt. Daarom komt het zwaardere water uit de diepte maar moeilijk over de vlakke rand van de plaat heen. Maar de Filchner-sleuf, die tot ver onder de ijsplaat loopt, biedt het water uit de diepte een toegang. De stroming vergemakkelijkt bovendien de opwarming van de oceaan, ze verschuift de grens tussen het warme en het koude water naar boven.

    Dat de warmte tot op heden het Filchner-Ronne-ijsplateau in het zuiden nog niet bereikt heeft, heeft te maken met de vorming van het zee-ijs en de circulatie op het continentale plat. Samen scheppen ze een tot nu toe ondoordringbare barrière van zeer koude, zoutrijke en daardoor bijzonder zware watermassa’s vlak bij de bodem. Daar zoekt de expeditie naar. Regelmatig laten de onderzoekers op de Polarstern een meetsonde zakken in de diepte van de plaat. Op het beeldscherm kunnen ze volgen hoe de temperatuur in de onderste waterlagen afneemt en het zoutgehalte naar de bodem toe toeneemt. Soms worden ze bij hun werk vergezeld door keizerpinguins, die rond het schip jagen en uit de zee opschieten om op hun buik te landen op de ijsschotsen.

    Robben 

    Horst Bornemann en Mia Wege rekenen bij hun onderzoek op de medewerking van de bewoners van Antarctica. Terwijl vanaf het schip instrumenten in het water zakken, vliegen zij met de helikopter naar het zee-ijs om Weddellrobben uit te rusten met zendertjes. Die moeten veranderingen van de watermassa’s helpen begrijpen. Zojuist zijn de onderzoekers na een excursie op het ijs uitgeput weer geland op de Polarstern.

    ‘Vandaag hebben we twee Weddellrobben van zenders voorzien, een wijfje van meer dan 400 kilo en 3 meter lang en een kleiner mannetje,’ zegt Bornemann. De dieren lagen op een grote zee-ijsvlakte bij een ijsplaat in het oosten. Het was daar nogal onplezierig geweest, zegt hij, omdat er ijzige valwinden vanaf de randen van de ijsplaat over het ijs veegden.

    Zeespiegelstijging

    58 meter zou de zeespiegel stijgen als al het ijs op het continent Antarctica smelt. De gemiddeld 2,1 kilometer dikke ijskap van Antarctica bevat 90 procent van al het gletsjerijs op aarde. Omstreeks 14 procent daarvan in West-Antarctica, de rest in Oost-Antarctica.

    Sinds het begin van de jaren negentig heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton gletsjerijs verloren – een ijsklomp van ruim 14 kilometer lengte – en de zeespiegel ongeveer een centimeter verhoogd. Prognoses voor de bijdrage van Antarctica aan de zeespiegelstijging tot het einde van de 21e eeuw variëren, afhankelijk van het scenario, van een paar centimeter tot bijna een halve meter.

    Hij schiet de robben op het ijs van korte afstand een pijltje door het spek, om ze te verdoven. Zodra de verdoving werkt, ontvetten de onderzoekers de haren achter op de kop van de rob en plakken de sensor vast; bij de volgende verharing zal die eraf vallen. Tijdens de procedure houden ze de ademhaling en de lichaamstemperatuur van het dier in de gaten. Als het bijkomt is het nog een poosje suf, maar algauw waagt het zich in zee. Vandaag heeft de wijfjesrob al kort na terugkeer van de wetenschappers de eerste data over zoutgehalte en temperatuur geleverd.

    Af en toe mochten we niet aan dek komen, om geen bevriezingen op te lopen

    Data uit de met ijs bedekte gebieden van Antarctica zijn schaars. Maar in de laatste jaren is een steeds gedetailleerder beeld ontstaan van de processen op de Weddellzeeplaat. Zo hebben wetenschappers bijvoorbeeld met heet water door honderden meters dik ijs geboord en sensoren geïnstalleerd onder het Filchner-Ronne-ijsplateau. Bovendien hebben expedities met de Polarstern de regio verkend, voor het laatst in 2018.

    Polarstern Expedition Weddell Sea TimK 004
    © Tim Kalvelage

    Daar was ook Markus Janout bij, fysisch oceanograaf van het AWI, die ook nu aan boord is. ‘In 2018 hadden we enorm veel geluk en konden we langs de hele ijsplaat varen,’ zegt hij. Gewoonlijk belemmert dik pakijs de toegang, maar een sterke zuidenwind had de schotsen weggeschoven. ‘We hadden een koude wind tot wel 50 graden onder nul. Af en toe mochten we niet aan dek komen, om geen bevriezingen op te lopen.’

    Metingen

    Metingen tonen aan dat er tegenwoordig een stabiele circulatie van zeer koude watermassa’s bestaat op de Weddellzeeplaat – in tegenstelling tot de situatie op andere ijsplaatgebieden van Antarctica, die al van een koude naar een warme toestand gekanteld zijn. De circulatie begint met de vorming van zee-ijs. Daarbij ontstaat heel zout water, omdat het zout niet meebevriest maar als pekel door minieme kanaaltjes in het ijs de zee in sijpelt. Door een hoger soortelijk gewicht zinkt dat extra zoute water dan naar de zeebodem. 

    ‘Dit koude, zware water stroomt op het zuidwestelijke continentale plat onder het Filchner-Ronne-ijsplateau, koelt daar verder af en wordt dan plaatijswater,’ legt Janout uit. Het plaatijswater is met minus 2,5 graden het koudste water in de oceaan. Een paar jaar later vloeit het via de Filchner-sleuf naar de rand van het plateau, waar het in de diepzee stroomt.

    Maar de jongste metingen uit Antarctica zijn toch zorgelijk: in 2023 bereikte de zee-ijsbedekking een nieuw dieptepunt

    Maar de jongste metingen uit Antarctica zijn toch zorgelijk: in 2023 bereikte de zee-ijsbedekking een nieuw dieptepunt. Eind februari, in de Antarctische zomer, bedroeg die nog maar net 1,8 miljoen vierkante kilometer, ruim een miljoen minder dan het langjarig gemiddelde.

    Dat komt neer op een verlies van bijna drie keer de oppervlakte van Duitsland. Vooral aan de kust van West-Antarctica was de teruggang van het ijs dramatisch. Maar anders dan op de Noordpool, waar het zee-ijs in de zomer al tientallen jaren afneemt, bestaat er in Antarctica nog geen duidelijke trend. En de ijsbedekking in de winter is vooralsnog even groot, ook al heeft die zich dit jaar minder goed hersteld dan anders. Volgens actuele studies zou op de lange termijn ook het Antarctische zee-ijs kunnen verdwijnen, ook in de Weddellzee.

    Warmer water

    Een vermindering van het zee-ijs in de Weddellzee zou ernstige gevolgen kunnen hebben. Enerzijds zou er minder zwaar water ontstaan, water dat de koudwaterbarrière voor het Filchner-Ronneijsplateau in stand houdt. Warmer water uit de diepte zou dan makkelijker op het continentale plat kunnen komen en een zichzelf versterkend proces op gang brengen, waarbij steeds meer water uit de diepzee onder het plaatijs stroomt en het doet smelten.

    Anderzijds zou de circulatie in de diepzee vertraagd kunnen worden. Want de zware, koude watermassa’s op de Weddellzeeplaat zijn een belangrijke bron voor het water van de Antarctische bodem, dat zich in alle grote oceanen verbreidt. Minder zee-ijs en tegelijk meer zoet smeltwater zouden tot gevolg hebben dat het soortelijk gewicht van het plaatwater afneemt. De aanvoer van bodemwater zou stilvallen – en daarmee een belangrijke aandrijver van de mondiale circulatie in de oceanen.

    Polarstern Expedition Weddell Sea TimK 011
    © Tim Kalvelage

    De vorming van Antarctisch bodemwater speelt nog een andere rol: voor het klimaat. Rondom Antarctica lost vanwege de kou bijzonder veel CO2 uit de atmosfeer op in het oppervlaktewater, waarin het ten slotte naar de bodem zinkt. Bovendien komt koolstof in vruchtbare plaatgebieden met neerdwarrelende planktonresten in diepere waterlagen terecht. Op lange termijn zou de koolstofopname in de Weddellzee sterk afnemen, omdat er minder zwaar plaatwater in de diepzee stroomt.

    Eentje heeft al 1700 kilometer afgelegd, met als diepste duik van 775 meter

    Na zes weken op zee nadert de expeditie haar einde. De onderzoekers hebben alle verankeringen geborgen en de instrumenten, na deze te hebben nagekeken, weer uitgezet. Ook de van zenders voorziene robben verzamelen vlijtig gegevens; eentje heeft al 1700 kilometer afgelegd, met als diepste duik van 775 meter. Een eerste verwerking van de data uit de verankerde instrumenten laat geen buitengewone toestroom van warmer diepzeewater op het continentale plat zien. Begin 2025 zullen de onderzoekers terugkeren om te zien of de koudwaterbarrière voor het Filchner-Ronne-ijsplateau standhoudt.

    Voor de thuisreis aanvangt, is de expeditie nog getuige van een natuurspektakel: van de naburige Brunt-ijsplaat in het noordoosten van de Weddellzeeplaat is een tafelijsberg van 56 bij 33 kilometer afgebroken, die langzaam wegdrijft van de rand van de ijsplaat. De onderzoekers varen met de Polarstern de ontstane opening in. Ze willen de eenmalige gelegenheid benutten om dit eerder ontoegankelijke deel van de oceaan te verkennen. 

  • Colombia verklaart Stille Oceaan tot beschermd gebied

    Colombia verklaart Stille Oceaan tot beschermd gebied

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » DRC: blauwhelmen openen vuur aan de grens met Oeganda

    » Libanon: beschadigde silo’s in geplaagde haven van Beiroet storten in

    Visserij en oliewinning zullen verboden worden

    De Colombiaanse president Iván Duque heeft vlak voor zijn aftreden aangekondigd dat zijn land als eerste op het westelijk halfrond 30 procent van zijn oceaangebied tot beschermd gebied zal verklaren, wat betekent dat visserij en oliewinning verboden zullen worden, meldt Axios.

    Oceanen produceren de helft van alle zuurstof in de wereld

    Die stap is belangrijk, want volgens wetenschappers worden de oceanen aangetast door overbevissing, vervuiling, verblekende koraalriffen, zeespiegelstijging en hogere temperaturen als gevolg van klimaatverandering. De kans op sterfte, overstromingen en verlies van voedselbronnen gaat daardoor drastisch omhoog. Oceanen produceren de helft van alle zuurstof in de wereld en absorberen 31 procent van door de mens geproduceerde kooldioxide.

    Negen landen die grenzen aan de Stille Oceaan (VS, Mexico, Chili, Peru, Ecuador, Canada, Panama, Costa Rica en Colombia) hebben in juni op de top van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika een verklaring ondertekend waarin ze beloven meer samen te werken en sneller maatregelen te nemen voor de bescherming van oceaangebieden.

    Lees ook:

  • Science: klimaatopwarming heeft massa-extinctie oceaanleven tot gevolg

    Science: klimaatopwarming heeft massa-extinctie oceaanleven tot gevolg

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Taiwanezen gaan massaal op cursus zelfverdediging uit angst voor oorlog

    » Californië start groot onderzoek naar ‘misleiding’ plasticindustrie

    Stijgende uitstoot broeikasgassen is funest voor zeeleven

    Als de uitstoot van broeikasgassen blijft stijgen, kunnen het aantal diersoorten die in de oceaan leven tegen 2300 gedecimeerd zijn, zo waarschuwt een studie die donderdag in het prestigieuze tijdschrift Science is gepubliceerd. De massa-extinctie is vergelijkbaar met die van het Perm, die ongeveer 250 miljoen jaar geleden plaatsvond.

    Tijdens die catastrofale gebeurtenis is de biodiversiteit in de zee tot een absoluut minimum gereduceerd, als gevolg van een combinatie van stijgende temperaturen en afnemende zuurstof in de oceanen, een proces dat ook nu nog aan de gang is. Volgens de onderzoekers van de in Science gepubliceerde studie zou een beperking van de opwarming van de aarde tot 2 graden Celsius dit rampscenario helpen voorkomen.

    Lees ook:

  • Louter weefsel

    Louter weefsel

    Qua intelligentie kan de octopus zich meten met zoogdieren en vogels. Maar van binnen zit het weekdier anders in elkaar dan gewervelden. Het hele lichaam van dit wonderlijke schepsel is vergeven van de neuronen. De octopus denkt met acht tentakels en ziet door zijn huid. Filosoof en Oxford-docent Amia Srinivasan schreef voor London Review of Books een allesomvattend essay over The Sucker.

    In 1815, vijftien jaar voor de publicatie van zijn beroemdste werk, De grote golf van Kanagawa, bracht Hokusai een driedelig boek met erotische prenten uit. Dat bevat een houtsnede die in het 
Westen bekendstaat als Droom van een vissersvrouw, de Japanse titel luidt Tako to ama: ‘Octopus en duikster’. Daarop ligt een naakte vrouw met de benen wijd en de ogen dicht op haar rug terwijl ze wordt gebeft door een enorme rode octopus. De ogen van het dier bollen op tussen haar gespreide benen en zijn tentakels kronkelen zich om haar sidderende lijf. Een tweede, kleinere octopus duwt zijn bek in de mond van de vrouw en krult het tipje van een tentakel om haar linkertepel. Europese critici zagen er een verkrachtingsscène in, maar zij konden geen Japans lezen.

    Volgens de tekst die de lege vlakken rond de figuren opvult, verzucht de duikster: ‘O, akelige octopus! Je laat me naar adem happen met je gesabbel aan de mond van mijn baarmoeder! O! Ja… dáár! Met de zuignap, de zuignap! (…) Daar, daar! (…) Voorheen werd ik juist door mannen voor octopus uitgemaakt! Een octopus! (…) Hoe doe je dat? (…) O! Grenzen en contouren vervagen! Ik verdwijn!’

    De octopus overschrijdt grenzen. Een lichaam van louter weefsel, één groot week deel zonder vaste vorm of beenderen. Zelfs grote octopussen – de grootste soort, de reuzenkraak, heeft armen van meer dan 6 meter en weegt bijna 50 kilo – passen door een spleet van krap 3 centimeter, ongeveer zo groot als hun ogen. Tel daarbij hun aanzienlijke spierkracht op – een volwassen reuzenkraak kan 
met elk van zijn 1600 zuignappen 15 kilo tillen – en je begrijpt dat octopussen moeilijk in gevangenschap te houden zijn.

    Ze weten vaak door de kleinste gaatjes uit een bassin te ontsnappen. Sommige dieren slagen erin het deksel van het bassin te tillen en over de vloer naar een ander bassin te kruipen op zoek naar een lekker hapje, of naar de dichtstbijzijnde afvoer, en van daaruit wellicht terug naar zee.

    Gewiekste probleemoplossers

    Octopussen hebben geen vaste kleur of textuur, 
die passen ze aan hun omgeving aan: een octopus met een schutkleur kan van een meter afstand al onzichtbaar zijn. Ze hebben net als mensen een centraal zenuwstelsel, maar bij deze dieren is er geen duidelijk onderscheid tussen lichaam en brein. De neuronen van een octopus zitten door zijn hele lichaam verspreid, twee derde ervan zit in zijn armen: die kunnen allemaal op eigen houtje handelen, prooien vangen en dingen vastgrijpen. Evolutionair gezien is de intelligentie van de octopus een abnormaliteit.

    De laatste gezamenlijke voorouder van de octopus enerzijds en mensen en andere intelligente dieren (apen, dolfijnen, honden, kraaien) anderzijds was waarschijnlijk een soort primitieve, blinde worm die zeshonderd miljoen jaar geleden leefde. Andere dieren die evolutionair zo ver van ons afstaan – kreeften, slakken, mossels – scoren vrij laag op denkvermogen. Maar octopussen, en tot op zekere hoogte ook hun koppotige 
neefjes de pijlinktvis en de zeekat, doorkruisen de overzichtelijke evolutionaire indeling tussen slimme gewervelden aan de ene en domme ongewervelden aan de andere kant.

    Octopussen zijn gewiekste probleemoplossers, geven blijk van lerend vermogen, kunnen werktuigen gebruiken en tonen zich in staat tot nabootsing, bedrog en volgens sommigen zelfs humor. Hoe verfijnd hun vaardigheden precies zijn, daarover is de wetenschap het nog niet eens: doordat ze zo zonderling zijn, zijn ze ook lastig te bestuderen. Hun intelligentie lijkt op de onze, maar is toch ook weer totaal anders. Wellicht komt dit wonderlijke wezen nog het meest overeen met hoe wij ons intelligent buitenaards leven voorstellen.

    De filosoof Peter Godfrey-Smith is ook een duiker die jarenlang octopussen 
en andere inktvissen in het wild heeft geobserveerd, vooral in zee bij Sydney, waar hij woont. Voor hem is het zonderlinge karakter van de octopus een ideaal uitgangspunt voor bespiegelingen over het wezen van intelligentie en bewustzijn zonder deze meteen te projecteren op menselijke vormen. Doordat deze soort evolutionair zo 
ver van ons afstaat, is de octopus een ‘onafhankelijk experiment in de evolutie van grote hersenen en complex gedrag’.

    Voor zover we er intelligent contact mee kunnen hebben – het dier kunnen begrijpen en 
zorgen dat het ons begrijpt – is dat niet vanwege 
‘een gezamenlijk verleden of natuurlijke verwantschap, maar doordat de evolutie tweemaal bezig is geweest met het ontwikkelen van hersenen’. Het grootste potentiële probleem is dat de evolutionaire kloof tussen ons en de octopus te groot is om wederzijds begrip mogelijk te maken. In dat geval leert de octopus ons iets over de grenzen van ons bevattingsvermogen.

    Met behulp van hun geheugen kunnen octopussen eenvoudige puzzels oplossen en een kindveilige dop van een fles draaien om aan eten te komen

    Een octopus is een weekdier met acht ledematen. Rond een scherpe, hoornachtige bek zitten acht armen, die van begin tot eind met zuignappen zijn bedekt. Elk daarvan kan een prooi vangen en die via de zuignappen, als over een lopende band, naar de bek voeren – in dat opzicht kun je de armen van de octopus ook als lippen beschouwen. Boven op de armen rust de kop, waar de hersenen zetelen, en twee grote ogen met als pupillen horizontale streepjes, als kattenogen die een kwartslag zijn gedraaid.

    Achter de kop zit de mantel, een zakvormige massa die de ingewanden en organen bevat, waaronder drie harten, die het blauwgroene bloed rondpompen. 
Aan de mantel hangt een buisvormig aanhangsel, 
de sifon, waarmee de octopus zichzelf voortstuwt, uitwerpselen loost en vijanden met inkt bestookt. Een volwassen octopus kan in grootte variëren van de reuzenkraak, met zijn armen van zes meter, tot 
de tweeënhalve centimeter grote Octopus wolfi, die nog geen gram weegt.

    Uniek monster

    Linnaeus noemde de octopus een singulare monstrum, ‘een uniek monster’. Erik Pontoppidan, de bisschop van Bergen, beschreef in zijn Natuurlijke Historie van Noorwegen (1755) de Kraken, een reusachtig zeemonster dat op een octopus leek en in staat zou zijn ‘het grootste slagschip’ naar de kelder te helpen met zijn tentakels of door de draaikolk die ontstond als het de diepte in dook. Een soortgelijk schepsel, de Akkorokamui, met enorme ogen en armen die het dier zelf kan afstoten en weer laten aangroeien, komt voor in de volksverhalen van de Aino en wordt overal in Japan nog in Shinto-tempels vereerd. Victor Hugo’s roman Les travailleurs de la mer bevat een lange beschrijving van de octopus of ‘duivelsvis’:

    Zou verschrikking het doel van de schepping zijn geweest, dan was er geen volmaakter schepsel dan de duivelsvis. (…) Deze vormeloze massa zwemt langzaam op je af. Ineens dijt die massa uit en schieten er acht stralen tevoorschijn uit een gezicht met twee ogen. Die stralen leven: ze kronkelen als likkende vlammen. (…) Gruwelijk groot zwelt het [beest] op! (…) Wurgende armen, verlammend huidcontact. Als schurftig of rottend vlees ziet het eruit. Een monsterlijke vleesgeworden ziekte. (…) Onder aan elk van die tentakels zitten twee rijen puistvormige pukkels, steeds kleiner naar het einde toe. (…) Weke massa’s zijn het, rond, eeltig en asgrauw. (…) Een kleverige dril, voorzien van een boosaardige wil: bestaat er iets verschrikkelijkers?

    Kleverig zijn octopussen inderdaad. Volgens Sy Montgomery, auteur van het voortreffelijke The Soul of an Octopus, voelt het slijm op de huid van een octopus aan als een mengsel van kwijl en snot. Maar boosaardig is de octopus allerminst, althans niet tegen mensen. Een doodenkele keer wordt een mens aangevallen, wordt een giftige beet uitgedeeld of een camera gestolen als ze zich bedreigd of geïrriteerd voelen, maar over het algemeen zijn het zachtaardige en nieuwsgierige dieren. (Vissers daarentegen doden octopussen vaak door de hersenen eruit te bijten, en in veel landen worden ze levend gegeten.)

    Duikers die octopussen in het wild tegenkomen, worden vaak met een of twee tentakels voorzichtig afgetast, en soms bij de hand genomen en meegetroond voor een rondleiding door de buurt. Aristoteles verwarde die nieuwsgierigheid met gebrek aan intelligentie en noemde de octopus een ‘dom schepsel’ omdat het dier zo gretig op de uitgestoken hand van een mens afkomt. Octopussen kunnen mensen herkennen en reageren vaak verschillend op verschillende personen: de een krijgt een aai van de armen, de ander wordt met de sifon bespoten.

    Dat is opvallend voor zo’n sterk solitair dier. Ze leven immers alleen en sterven vrij snel nadat hun jongen uit het ei komen. Het mannetje blijft tijdens de paring zo ver mogelijk bij het wijfje vandaan om te voorkomen dat hij door haar wordt opgegeten, hij strekt alleen één behoedzame arm met een pakketje sperma richting haar sifon.

    De droom van een vissersvrouw, erotische houtsnede van Katsushika Hokusai 1814.
    De droom van een vissersvrouw, erotische houtsnede van Katsushika Hokusai 1814.

    Maar hoe slim zijn octopussen precies? Ze hebben een half miljard neuronen, ongeveer evenveel als een hond. (Een mens heeft er honderd miljard.) Hun hersenen zijn ook vrij omvangrijk in verhouding tot hun lichaamsgrootte, een teken van hun ‘investering’ in intelligentie. Maar deze cijfers geven slechts een heel grove indicatie van dierlijke intelligentie. Het aantal neurale verbindingen en de complexiteit van dat netwerk spelen ook een rol. (Kraaien en papegaaien hebben kleine hersenen, maar zijn in recent onderzoek toch zeer intelligent gebleken.)

    En de verhouding tussen brein en lichaamsgrootte gaat voorbij aan het feit dat de meeste neuronen van de octopus zich buiten zijn hersenen bevinden. Bovendien hebben zijn hersenen een totaal andere structuur dan 
de onze. Zelfs de hersenen van vogels en vissen vertonen een sterke structurele gelijkenis met het menselijk brein, maar de hersenen van de octopus zijn naar een heel ander model gebouwd.

    Omdat de vergelijking met onze hersenen dus weinig zegt, wordt het gedrag van de octopus als de beste potentiële graadmeter voor zijn cognitieve vermogens beschouwd. Maar daarbij stuiten wetenschappers vaak op wat Godfrey-Smith de ‘discrepantie’ tussen anekdotisch bewijs en experimenteel onderzoek noemt. Octopussen presteren in het laboratorium redelijk goed: ze kunnen de weg vinden in een doolhof, met behulp van hun geheugen eenvoudige puzzels oplossen, een deksel van een potje of een kindveilige dop van een fles draaien om aan eten te komen. (Er is zelfs gefilmd hoe een octopus het deksel van een potje schroeft van binnenuit.)

    Maar het kost soms verrassend veel tijd om een octopus iets nieuws te leren, wat volgens sommige onderzoekers wijst op hun cognitieve beperkingen. Veel van het eerste onderzoek naar de intelligentie van octopussen is uitgevoerd in het Stazione Zoologica in Napels. Peter Dews, een psychobioloog van Harvard, leerde daar in 1959 drie octopussen een hendel over te halen om een stukje sardine te bemachtigen. Twee van de drie, Albert en Bertram, haalden de hendel ‘redelijk regelmatig’ over. De derde, Charles, deed het met veel kracht, door zich met zijn armen af te zetten tegen de zijkant van het bassin, tot hij de hendel uiteindelijk brak en het experiment voortijdig moest worden beëindigd.

    Dews wist ook te melden dat Charles herhaaldelijk een lamp het water in trok en ‘de sterke neiging vertoonde om water over de rand te spuiten; vooral (…) in de richting van de onderzoeker’. ‘Dit gedrag,’ schreef Dews, ‘stond een soepel verloop van de experimenten in de weg en (…) is duidelijk niet verenigbaar met het overhalen van hendels.’ Hij achtte zijn experiment deels mislukt. Volgens Godfrey-Smith typeert dit ‘het probleem met octopusgedrag’. Het zijn bijzonder nieuwsgierige beesten die er een handje van hebben om voorwerpen voor hun eigen doeleinden te gebruiken. Misschien hebben ze moeite met het aanleren van sommige handelingen. Of misschien hebben ze gewoon wel wat beters te doen.

    Als octopussen in gevangenschap leven, lijken ze zich daarvan bewust te zijn. Ze passen zich aan, maar bieden ook verzet. Als ze proberen te ontsnappen, wat ze veelvuldig doen, wachten ze vaak een moment af dat ze niet in de gaten worden gehouden. Octopussen hebben bassins in laboratoria laten overlopen door met hun tentakels de afvoer te verstoppen. Een octopus aan de universiteit van Otago veroorzaakte zo vaak kortsluiting – door water te spuiten naar de lampen boven de bassins – dat hij weer moest worden losgelaten in zee. Jean Boal, inktvisonderzoeker aan de Millersville University in Pennsylvania, beschreef wat er gebeurde toen ze een rijtje bassins afliep om octopussen ontdooide pijlinktvis te voeren, niet echt hun lievelingshapje.

    Toen Boal terugliep, zag ze dat de octopus in het eerste bassin de pijlinktvis niet had opgegeten, maar in zijn uitgestoken arm hield. Naar Boal kijkend kroop hij over de bodem van het bassin langzaam naar de afvoer en duwde de pijlinktvis daarin. (Volgens de Romeinse redenaar Claudius Aelianus uit de derde eeuw na Christus, die zich beter in de octopus kon verplaatsen dan Aristoteles, waren zijn twee hoofdkenmerken ‘ondeugd en sluwheid’.)

    Hoe voelt het om een octopus te zijn? Is dat überhaupt een gevoel? Of is de octopus, zoals Godfrey-Smith het uitdrukt, ‘gewoon een biochemisch machientje waarbinnen slechts duisternis heerst’? Zulke vragen – ‘hoe is het om een vleermuis te zijn?’ vroeg Thomas Nagel in een zeer invloedrijk essay uit 1974 – zijn alternatieve vormen van de filosofische vraag of een dier bewustzijn heeft. Voor veel filosofen is de bewustzijnsvraag een kwestie van alles of niets: je hebt het of je hebt het niet. Mensen hebben het, chimpansees en dolfijnen misschien ook.

    Muizen, mieren en amoebes vermoedelijk niet. Dat het zo’n alles-of-nietskwestie is, heeft ermee te maken dat we ons moeilijk kunnen voorstellen dat er verschillende gradaties van bewustzijn zijn. Andere cognitieve eigenschappen, zoals geheugen, taalvermogen en oplossend vermogen, zijn vaardigheden die van individu tot individu en van soort tot soort kunnen verschillen. Het is lastiger om je voor te stellen hoe de mate van bewustzijn kan variëren.

    Hoe voelt het om een octopus te zijn? Is dat überhaupt een gevoel?

    Zoals Godfrey-Smith het formuleert: ‘hoe kan een dier maar half voelen hoe het is om dat dier te zijn?’ Maar als bewustzijn iets natuurlijks is, iets wat mettertijd is geëvolueerd, is het ook niet waarschijnlijk dat het zich in de evolutionaire geschiedenis op enig moment zomaar ineens, volledig gevormd, heeft aangediend. Godfrey-Smith gaat ervan uit dat bewustzijn een product van de evolutie is en accepteert de logische gevolgtrekking dat er dan ook primitievere voorlopers moeten zijn: dat er dus toch gradaties van bewustzijn bestaan.

    In zijn ogen is bewustzijn – het bezit van een ‘inwendig’ model van de ‘uitwendige’ wereld, een geïntegreerd, subjectief wereldbeeld – niet meer dan een hoogontwikkelde vorm van wat hij ‘subjectieve ervaring’ noemt. Volgens Godfrey-Smith beschikken veel dieren over een zekere mate van subjectieve ervaring, al kun je dat nog geen volwaardig bewustzijn noemen. Hij wijst op wat de fysioloog Derek Denton de ‘oeremoties’ noemde: dorst, ademnood, fysieke pijn.

    Deze gewaarwordingen breken in onze hogere mentale processen in en laten zich niet onderdrukken. Ze grijpen terug op een meer elementaire ervaring van de wereld – een ervaring die volgens Godfrey-Smith geen verfijnd mentaal model van de wereld vereist. Denk je, vraagt hij, dat pijn, dorst of ademnood ‘alleen worden gevoeld bij de gratie van verfijnde cognitieve processen die pas in een laat stadium van de evolutie van zoogdieren zijn ontstaan? Lijkt me niet.’

    © Vlad Tchompalov
    © Vlad Tchompalov

    Zijn punt wordt onderstreept door het fenomeen pijn bij dieren. Simpele dieren lijken bij fysiek letsel een schrikreactie te vertonen, en er is experimenteel onderzoek dat erop lijkt te wijzen dat ze pijn ervaren, dat ze fysiek letsel onaangenaam vinden. Zebravissen die geïnjecteerd worden met een stofje waarvan wordt aangenomen dat het pijn veroorzaakt, verkiezen een minder aantrekkelijke omgeving als daar een pijnstillende stof in het water wordt verspreid. Ook kippen met letsel aan hun poten geven de voorkeur aan voer dat ze minder lekker vinden als daar een pijnstiller in zit.

    Insecten lijken geen pijn te voelen, die zwoegen zelfs bij ernstig letsel door alsof er niets aan de hand is. Maar garnalen en krabben wrijven over beschadigde lichaamsdelen, en ze doen dat minder als hun een pijnstiller wordt toegediend. Dit is allemaal geen sluitend bewijs dat dieren pijn ervaren – maar het is ook niet duidelijk wat wel sluitend bewijs zou zijn. Zoals Godfrey-Smith schrijft: ‘Je kunt nog steeds betwijfelen of deze dieren iets voelen, ja. Maar die twijfel kun je ook hebben over je buurman.’

    Als zelfs eenvoudige dieren al beschikken over elementaire vormen van bewustzijn of subjectieve ervaring, hoe zou dat dan kunnen voelen? Hoe voelt het om een gewonde krab te zijn? Daarvoor grijpt Godfrey-Smith naar een metafoor van de evolutietheoretici Simona Ginsburg en Eva Jablonka: witte ruis. Primitief bewustzijn, schrijft hij, is misschien zoiets als ‘geknetter van lichamelijke elektriciteit’, een ‘vaag gezoem’ dat in de loop van de evolutie aan complexiteit en helderheid wint.

    Menselijk bewustzijn

    Als er gradaties van bewustzijn bestaan, waar zit de octopus dan op die schaal? Het is vrijwel zeker dat octopussen pijn kunnen lijden. Ze wrijven over gewonde lichaamsdelen en schermen ze af, en ze worden daar niet graag aangeraakt. (Tot voor kort werden ze door onderzoekers zonder verdoving opengesneden, en bij oudere proeven werden vaak stroomstoten toegediend. Sinds 2010 is er een EU-richtlijn voor dierproeven, die inktvissen in dezelfde categorie plaatst als gewervelde dieren op grond van hun ‘vermogen om pijn, lijden, angst of blijvende schade te ervaren’.)

    Octopussen voelen niet alleen pijn, maar beschikken ook over verfijnde zintuiglijke vermogens: een uitstekend gezichtsvermogen en een scherpe smaak- en reukzin. Als je daarbij hun grote zenuwstelsel en hun complexe gedrag optelt, is het in de ogen van Godfrey-Smith vrijwel zeker dat octopussen een rijke subjectieve ervaring hebben. Maar misschien hebben ze meer dan dat. Sommige wetenschappers, met name Stanislas Dehaene, denken dat een bepaald type mentale processen, het type dat een rol speelt bij de uitvoering van nieuwe en langdurige taken, niet alleen hand in hand gaat met ons menselijk bewustzijn, maar zelfs helpt verklaren waarom wij over bewustzijn beschikken.

    De nieuwsgierigheid en het aanpassingsvermogen van de octopus doen Godfrey-Smith aan deze typisch menselijke vormen van intelligentie denken. En zo lijkt de octopus misschien meer op de mens dan we altijd dachten. De vraag hoe de subjectieve ervaring van een octopus eruit kan zien, wordt gecompliceerd door de vreemde relatie tussen zijn hersenen en zijn lichaam. Zijn armen bevatten meer neuronen dan zijn hersenen, zo’n tienduizend per zuignap. De armen hebben reuk- en smaakzin en een kortetermijngeheugen.

    En elke arm handelt met een grote mate van zelfstandigheid. Een geamputeerde arm kan nog steeds bewegen en dingen grijpen, pijnprikkels ontwijken en van kleur veranderen. (In The Soul of an Octopus fantaseert Montgomery over een octopus die de intelligentie van mensen onderzoekt door te kijken hoeveel kleurpatronen een afgehakte mensenarm in één seconde produceert.) Maar de hersenen van het dier kunnen de armen ook aansturen 
en ‘de touwtjes in handen nemen’ als dat nodig is, bijvoorbeeld om slechts één tastende tentakel uit te steken naar een vreemdeling.

    Godfrey-Smith oppert dat de octopus fenomenologisch hybride is: de armen zijn een deel van hemzelf, maar zijn in zekere zin ook ‘een ander’. Vandaar dat de octopus wel gezien wordt als mascotte van de ‘belichaamde cognitie’-beweging in de psychologie, die ervan uitgaat dat intelligentie iets is van het hele lichaam, door de wijze waarop dat lichaam bepaalde handelingen mogelijk of onmogelijk maakt. Dat de mens kan lopen, is in die zienswijze niet alleen een simpele functie van de hersenen die van bovenaf de ledematen aansturen, maar ook van onze gewrichten ten opzichte van elkaar. Zo bezien is ons lichaam een drager van informatie die ons handelen mogelijk maakt.

    Het lijdt geen twijfel dat het lichaam van een octopus radicaal van het onze verschilt, en dat de intelligentie van dat dier alleen kan worden begrepen door te begrijpen hoe die intelligentie is belichaamd. Maar door de octopus vanuit het standpunt van belichaamde cognitie te bekijken, doen we de vreemdheid van het dier misschien ook tekort. Over ons eigen lichaam denken we graag in termen van mogelijkheden en beperkingen, maar het lichaam van de octopus, zo zegt Godfrey-Smith, ‘is proteïsch, is een en al mogelijkheid’. Alleen al de vraag hoeveel zijn lichaam bijdraagt aan intelligent gedrag, veronderstelt een scheiding tussen lichaam en hersenen die voor de octopus niet lijkt op te gaan. Het hele lichaam van de octopus is vergeven van de neuronen. Het is geen object dat wordt aangestuurd door het denkende deel: zijn hele lijf is een denkend deel.

    © Elle Hughes
    © Elle Hughes

    Een andere eigenaardigheid die zich presenteert wanneer we ons proberen te verplaatsen in een octopus heeft te maken met hoe het dier zich verhoudt tot kleuren. De huid van een octopus is een soort gelaagd beeldscherm met kleurzakjes, zogenaamde chromatoforen, die de pixels zijn waarmee het dier naar believen van kleur kan veranderen, om op te gaan in zijn omgeving of juist een aanvaller af te schrikken. Eén soort, de Thaumoctopus mimicus, kan met wisselende vormen en kleuren meer dan vijftien verschillende dieren nabootsen, zoals platvissen, koraalduivels en zeeslangen.

    Ook lijkt de kleur van een octopus zijn stemming uit te drukken: sommige octopussen worden wit als ze lange tijd door een mens worden geaaid, of na de paring. Ze kunnen complexe patronen vertonen van stippels en strepen, knipperende kringen en golven van kleuren. Maar toch lijken de meeste inktvissen, en ook octopussen, kleurenblind te zijn. Hun ogen ontberen de fotoreceptoren die nodig zijn om kleur te kunnen waarnemen, en bij proeven blijken ze ook niet in staat verschillend gekleurde voorwerpen van elkaar te onderscheiden.

    Onderzoekers hebben onlangs ontdekt dat octopussen niet alleen fotoreceptoren in hun ogen hebben, maar ook in hun huid. Dat zou betekenen dat hun huid niet alleen kan ruiken en proeven maar ook kan zien, door visuele informatie naar de hersenen te sturen of zelf te verwerken. Beide mogelijkheden zijn even maf: ofwel de hele huid van de octopus functioneert als één groot oog, of het lichaam van de octopus ziet dingen buiten zijn hersenen om.

    En dat is nog niet het hele verhaal, want de fotoreceptoren in zijn huid kunnen evenmin kleuren zien als die in zijn ogen. De meest plausibele hypothese is voorlopig dat het dier dankzij een of andere complexe interactie tussen de fotoreceptoren en de chromatoforen kleuren kan vertonen die het zelf niet waarneemt.

    Het lichaam van de octopus is “proteïsch, is een en al mogelijkheid”

    Octopussen gebruiken hun vermogen om van kleur te veranderen voornamelijk ter camouflage en om te communiceren met andere octopussen. Maar soms vertonen ze ineens complexe kleurpatronen zonder schijnbare aanleiding, zonder dat er een natuurlijke vijand of andere octopus in de buurt is. Godfrey-Smith noemt zulke doelloze kleurveranderingen ‘chromatisch gebabbel’ en oppert dat het een onwillekeurige fysieke reflex is.

    Kan er toch iets van een bedoeling in schuilen? Zouden octopussen in zichzelf praten? Het probleem is dat octopussen geen taal lijken te hebben, en dus vermoedelijk evenmin in zichzelf kunnen praten als met anderen. (Wittgenstein poneerde immers dat het bestaan van een 
‘privétaal’, die slechts door één persoon gesproken en begrepen wordt, per definitie onmogelijk is. En of dat nu inderdaad categorisch onmogelijk is of niet, zo’n taal is in ieder geval evolutionair onwaarschijnlijk, want het vermogen om in jezelf te praten lijkt een latere internalisering te zijn van het vermogen om met anderen te praten.)

    Met de megapixels in zijn huid kan de octopus in theorie informatie van schier oneindige complexiteit uitbeelden – zijn lichaam heeft een expressieve bandbreedte waarvan een chimpansee of baviaan slechts kan dromen. Maar de meeste kleursignalen van octopussen lijken geen consistent effect op soortgenoten te hebben. Het zijn blijkbaar berichten zonder inhoud, woorden zonder betekenis.

    De meeste octopussen leven niet langer dan een jaar of twee. De reuzenkraak, de soort met de langste levensduur, leeft hooguit vier jaar. Zowel de wijfjes als de mannetjes paren maar één keer in hun leven en takelen daarna razendsnel af: ze krijgen witte plekken op hun huid, verliezen hun eetlust en vertonen klunzig en verward gedrag. De wijfjes verhongeren terwijl ze hun eitjes bewaken en de mannetjes dwalen doelloos door de oceaan tot ze ten prooi vallen aan roofdieren. De meeste intelligente dieren, maar ook sommige andere weekdieren, leven beduidend langer dan de octopus.

    Medawar-effect

    Waarom duurt het leven van de octopus zo kort? Evolutiebiologen verklaren veroudering doorgaans met het zogenaamde Medawar-effect: mutaties met een schadelijk effect dat zich vroeg in het leven manifesteert, worden door natuurlijke selectie geëlimineerd. Maar mutaties waarvan de schadelijke effecten zich pas op latere leeftijd aandienen, blijven in een populatie aanwezig. De meeste dieren zijn als gevolg van ziekte, ongevallen of natuurlijke vijanden al gestorven voordat ze de leeftijd bereiken waarop die ouderdomsmutaties kunnen optreden.

    Daardoor krijg je in elke dierenpopulatie een opeenhoping van mutaties met negatieve gezondheidseffecten op latere leeftijd, wat uiteindelijk de schijn van een voorgeprogrammeerde maximale levensduur wekt. Bij de octopus heeft dat Medawar-effect in combinatie met de excentrieke lichaamsbouw geresulteerd in deze ongewoon korte levensduur. Al vroeg in zijn evolutie heeft de octopus zijn beschermende schelp ingeruild voor een leven van onbegrensde mogelijkheden.

    De prijs daarvoor was een verhoogde kwetsbaarheid voor gewervelde roofdieren met tanden. Een dier met een week lichaam zonder schelp kan geen lang leven verwachten, dus mutaties met schadelijke effecten die zich al na enkele jaren manifesteren zullen zich gemakkelijk in de hele populatie verspreiden. Het resultaat is een leven dat rijk is aan subjectieve ervaring, maar opvallend kort van duur.

    Aquarium

    Deze zomer ben ik onderweg van San Francisco naar Los Angeles eens bij het Monterey Bay Aquarium gestopt om daar naar de octopussen te kijken. De permanente collectie bevatte toen twee reuzenkraken, maar er waren nog veel meer octopussen te zien in de tijdelijke show Tentacles, de grootste tentoonstelling van koppotigen ooit gehouden. Het was de tweede keer in mijn leven dat ik een levende octopus zag. (Aan de eettafel heb ik al meer dode octopussen gezien dan ik wil weten. Je kunt er heerlijke carpaccio van maken. Hoef ik nooit meer.)

    Mijn eerste keer was bij een strand op Mykonos, waar ik aan het snorkelen was. Er viel niet veel te zien op de zeebodem, alleen wat kleine kreeftjes en rondflitsende zilverkleurige visjes, tot ik een paar meter verderop ineens een rode massa zag, ongeveer zo groot als een kat, die me met één oog in de gaten hield. Ik bleef erboven hangen en staarde terug. De octopus maakte kleine, kalme bewegingen, strekte en krulde zijn armen, schuifelde over de bodem. Uiteindelijk kroop hij naar een stuk touw dat een eindje verderop lag en wikkelde zich daar omheen. Zijn lijf werd een bruin, pokdalig hoopje met één enkel spierwit oog, de pupil een zwart streepje. Toen ging dat oog dicht en was de octopus verdwenen.

    In Monterey zaten de twee reuzenkraken ieder in een bassin van enkele meters breed. De eerste was onstuimig, balde zijn lijf samen om het dan weer uit te rekken, strekte zijn armen en drukte zijn zuignappen tegen de wanden, bewoog zich spuitend en woelend door het water. Toeristen stonden druk te fotograferen, met flits, ondanks het bijschrift dat octopussen niet van fel licht houden. Kinderen gaven blijk van walging en bewondering. Bij zo’n octopus wordt je oog als vanzelf naar die kronkelende tentakels vol zuignappen en dat bobbelende lijf getrokken.

    De ogen lijken loom en lodderig. Alleen als je goed kijkt, zie je dat ze je in feite wijd open aanstaren. Ik keek de octopus in de ogen en zag dat hij me strak aankeek terwijl zijn lichaam achter hem opzwol en weer kromp. De tweede octopus was stiller, hing opgerold boven in haar bassin. Een paar doorzichtige strengen parelvormige eitjes zweefden ernaast, door haar gelegd en met veel moeite met de uiteinden van haar armen bijeengeveegd: het restant van de leg die de verzorgers uit het bassin hadden geschept. Haar huid was dof en wit. Ze lag op sterven.

    De logica van zo’n aquarium is net als bij een dierentuin de logica van de natuurbescherming: enkele dieren moeten hun vrijheid opofferen voor de bescherming van de hele soort. (‘Utilitarisme voor de dieren, kantianisme voor de mens,’ zoals de filosoof Robert Nozick schreef.) Dit principe wordt overtuigend gedemonstreerd in een aquarium zoals dat van Monterey, met zijn hypermoderne onderzoekscentrum, zijn beschermingsbeleid en zijn onderwijsprogramma. Veel dieren lijken het daar prima naar hun zin te hebben, voor zover te zien, en andere lijken niet eens te beseffen waar ze zijn.

    Veel van deze dieren leiden er ongetwijfeld een langer en gezonder leven dan ze in zee zouden hebben. Toch blijven er ethische vragen bestaan over dieren zoals octopussen, die zo duidelijk naar vrijheid verlangen. Vanuit ons gezichtspunt is het leven van een octopus in het wild misschien al inherent tragisch: sociale vermogens zonder sociaal verkeer, spreken zonder gehoord te worden, een leefwereld zonder levensduur. Een alien. Leek de octopus maar meer op ons, dan konden we hem misschien gemakkelijker met rust laten.

    Auteur: Amia Srinivasan

    Peter Godfrey-Smith: Other Minds: The Octopus and the Evolution of Intelligent Life, uitgever HarperCollins, 2017.

    Sy Montgomery: The Soul of an Octopus: A Surprising Exploration into the Wonder of Consciousness, uitgever
Simon & Schuster, 2016.

    London Review of Books
    Verenigd Koninkrijk | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 45.905

    Besteedt aandacht aan literatuur en politiek, in navolging van de prestigieuze New York Review of Books. Bij uitstek geschikt om op de hoogte te blijven van wat actueel is in de Angelsaksische letteren. Meer dan de helft van de oplage wordt in het buitenland verkocht.

  • De man, de haai en de zee: wie wint?

    De man, de haai en de zee: wie wint?

    Diep onder het zeeoppervlak tussen Noorwegen en Groenland zwemt een monster dat vijfhonderd jaar geleden werd geboren. Een schrijver en een wetenschapper hebben beiden zo hun eigen redenen om de mysterieuze Groenlandse haai aan de haak te willen slaan.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week overleed een Duitse vrouw op de Canarische Eilanden aan de gevolgen van een haaienaanval. Het was de eerste dodelijke haaienaanval die ooit op de Canarische Eilanden is vastgesteld.
    Het voorval bewijst maar weer eens dat haaien en mensen beter niet bij elkaar in de buurt kunnen komen. Toch zijn er mensen die het gevaar bewust opzoeken, zoals bioloog Julius Nielsen en schrijver Morten Strøksnes. Dit artikel uit 2018 van het Deense dagblad Politiken beschrijft hun zoektocht naar de Groenlandse haai, het langstlevende gewervelde dier ter wereld.

    De Deense bioloog Julius Nielsen heeft al verscheidene Groenlandse haaien gevangen. Hij doet onderzoek naar dit oerbeest, het langstlevende gewervelde dier ter wereld. In mei 2017 ging hij met een internationale groep onderzoekers naar Groenland, om antwoord te vinden op de vraag hoe de Groenlandse haai zich voortplant.

    28 april 2017

    In de eerste 24 uur van de expeditie leren we het voorjaar in Zuidwest-Groenland van zijn slechtste kant kennen. We varen door windstoten van orkaankracht. Acht meter hoge golven slaan van alle kanten tegen het schip. De lunch gaat niet door, want de kok werd door de kajuit geslingerd, zodat al het eten op de vloer terechtkwam en alle borden van het schip met een enorme knal kapot vielen.

    Morgen eten we soep, dus is de kapitein eerst naar 
de dichtstbijzijnde stad gevaren om nieuwe soepkommen te gaan kopen. Nu moeten we de lange lijnen checken. Vanaf het land is het lastig te voelen of er iets aan de lijnen zit. Dus we staan allemaal in de boot naar het water te kijken en proberen te schatten of het touw zo gespannen is dat er een haai aan de lijn zou kunnen zitten. Maar de uitrusting is zo zwaar en de stroom zo sterk, dat het enorm moeilijk is om te beoordelen wat er aan de lijnen trekt.

    Het moeilijkst aan het vangen van Groenlandse haaien is om het roofdier naar de oppervlakte te krijgen. De haai stribbelt tegen, hij moet uitgeput worden en in dat proces kan de lange lijn als één grote knoedel eindigen. Opeens komt er 4 à 5 meter onder het schip een reusachtige schaduw tevoorschijn – een enorme haai. Hij meet 430 centimeter van zijn kop tot de punt van zijn staart en weegt wel zo’n 800 kilo. Met dat gewicht en die lengte is de haai vermoedelijk ouder dan honderd jaar. We barsten uit in spontaan gejuich.

    Als we al onze lange lijnen hebben gecheckt, hebben we wel zeven haaien. Een supervangst. Hoeveel eet hij?

    Slapende zeehonden

    De Groenlandse haai is het op een na grootste vleesetende dier ter wereld, maar de meest basale vragen over hem zijn nog niet beantwoord. Hoe vangt hij zijn voedsel?In 1924 beschreef de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen hoe hij in de maag van zo’n reuzenroofdier een hele zeehond vond – een mannetje van 1,3 meter – een grote kop van een heilbot en meerdere stukken walvisspek. Wij hebben het geluk twee volkomen intacte zeehonden in de maag van een van de haaien te vinden. De kop en de poten van de zeehond kunnen goed dienstdoen als aas aan de lange lijnen, en zeehonden zijn altijd moeilijk te pakken te krijgen. Zo eindigt het onverteerde diner van de haai meteen aan de haak, als lokaas voor zijn hongerige soortgenoten.

    De Groenlandse haai heeft complexe zintuigen. Vermoedelijk ziet hij niet zo goed, maar besluipt hij zijn prooi door af te gaan op diens geur en met behulp van zijn zijlijnzintuig, waarmee hij vermoedelijk drukveranderingen in het water kan onderscheiden. Ook heeft de haai een zintuig dat in zijn kop zit, vooral rond zijn bek. Daarmee voelt hij elektrische impulsen, bijvoorbeeld van een hartslag van een vis op de bodem.

    De Groenlandse haai is in verhouding tot zijn grootte de langzaamste vis ter wereld – hij beweegt zich voort met een vaartje van 2,6 kilometer per uur. Daarom is het enigszins een mysterie hoe dit schijnbaar slome roofdier levende zeehonden kan vangen.

    Volgens een theorie zoeken de haaien slapende zeehonden. Om veilig te zijn voor ijsberen, slapen zeehonden in de Noordelijke IJszee in het water, en een zeehond die echt diep slaapt, wordt bijna nergens wakker van.

    Een ander groot mysterie rond de Groenlandse haai is zijn leeftijd. Ik heb er ooit een onderzocht die volgens onze berekeningen minstens 272 jaar oud was, en mogelijkerwijs zelfs 512 jaar. Hoe dan ook was 
het het oudste gewervelde dier dat ooit is gevangen.

    6238581e4d3a4346b9dae29d239f7a1a 0

    Het hart van de haai is interessant voor onderzoekers, omdat het misschien licht kan werpen op de vraag hoe de Groenlandse haai zijn hoge leeftijd haalt. Het pompt langzaam – ongeveer één slag per 12 seconden. Onze haai heeft een verhoogde hartslag, omdat hij zojuist voor zijn leven heeft gevochten.

    Mijn collega Holly Shields van de Universiteit van Manchester doet onderzoek naar de vraag wat het hart van de Groenlandse haai honderden jaren lang gezond en sterk houdt. Als het lukt om uit te vinden hoe de haai hart- en vaatziekten vermijdt, kan dat misschien de weg openen voor een nieuw medicijn dat de verzwakking van het menselijk hart door ouderdom kan voorkomen.

    Het oog van de haai is interessant voor onderzoekers voor wat betreft het bepalen van de leeftijd van het beest. Als je de vele lagen van de ooglens afpelt – als een ui – kom je uiteindelijk in het centrum van de lens, en dat bestaat uit hetzelfde materiaal als toen de haai werd geboren. In dit binnenste materiaal van de ooglens meten we het koolstof 14-niveau. Vergelijk je dat met referentiemateriaal van dieren waarvan de leeftijd bekend is op verschillende plekken in de noordelijke Atlantische Oceaan, dan wordt het mogelijk het waarschijnlijke geboortejaar van de haai te berekenen.

    Sociale haaien

    De methode die wij gebruiken, is oorspronkelijk ontwikkeld om archeologische vondsten te dateren. We weten dat vrouwtjeshaaien geslachtsrijp worden als ze ten minste 134 jaar oud zijn. Er is echter maar één keer in de geschiedenis een haai gevangen met een jong in de baarmoeder, dus we weten niet zo veel over de biologie van de voortplanting van de haai.

    Een van de haaien die we vingen, is helaas doodgebeten door zijn soortgenoten terwijl hij aan de lange lijn hing. Het blijkt een geslachtsrijp mannetje te zijn en dat is een groots moment, want het is voor het eerst dat geslachtsrijpe mannetjes en vrouwtjes op dezelfde plek zijn gevangen.

    De mannelijke Groenlandse haai heeft twee geslachtsorganen, claspers, en als je in de buurt van een daarvan drukt, spuit daar een melkachtige vloeistof uit: het sperma van de Groenlandse haai. Dat is voor zover ik weet nog niet eerder geobserveerd en het is waanzinnig interessant. Het duidt er namelijk op dat de haaien misschien bezig zijn te paren, juist nu wij er zijn.

    Een van de doeleinden van onze expeditie is te begrijpen hoe haaien zich voortplanten. Daarom plaatsen we gps-zenders op alle vrouwtjeshaaien die we vangen. De zenders vertellen ons over de positie van de haai, drie, zes en twaalf maanden nadat we 
ze hebben losgelaten. Gedurende deze week brengen we zendertjes aan bij zes dieren. Als we de haaien vervolgens willen loslaten, zijn ze een ogenblik als versteend. Dan beginnen ze te duiken. Over een paar maanden, als de zenders zijn losgeraakt en naar de oppervlakte gestegen, zullen we meer weten over de verplaatsingen van de mysterieuze Groenlandse reuzenhaai, en dat kan ons misschien dichter bij hun voortplantingsgebied brengen.

    Als we data van de zender op de haai beginnen te ontvangen, is het duidelijk dat onze expeditie een succes is. Daarbij zijn vooral twee groepen data interessant. Gebleken is dat een van de vrouwtjeshaaien in drie maanden beduidend verder heeft weten te zwemmen dan haar soortgenoten. Zij zette koers naar een plek waarvan we van tevoren al vermoedden dat het een voortplantingsgebied was. Nu hebben we data die ons vermoeden bevestigen, en dat is geweldig.

    Onze data wijzen er bovendien op dat Groenlandse haaien socialer zijn dan vroegere onderzoeken hebben aangetoond. Over het algemeen wordt gedacht dat haaien alleen leven, maar vissers vertellen vaak dat ze tegelijkertijd meerdere haaien in hun netten krijgen. Zelf vangen wij ook meerdere haaien tegelijk. Daarom is het interessant om te zien dat twee van de haaien die we op onze tocht vangen, ook na drie maanden nog bij elkaar zwemmen – zo’n 700 km verderop, aan de oostkust van Groenland. Dat duidt erop dat de haaien zich in grote groepen van het ene gebied naar het andere kunnen bewegen.


    In zijn boek Haaienkoorts vraagt Morten Strøksnes zich af waarom hij zo graag een Groenlandse haai wil vangen. Is het om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen? Om zijn angst onder ogen te zien? Is het zijn jagersinstinct, de droom om de grootst mogelijke buit van de zee te vangen? En stel dat het niet volgens plan verloopt? Al die vragen doen er niet toe op het moment dat je een haai aan de haak hebt.

    Een zaterdag in juli

    Laat op een zaterdagavond in juli, 3,5 miljard jaar 
na het moment waarop in zee het eerste primitieve leven is ontstaan, zit ik bij een feestelijk etentje in het centrum van Oslo, als ik word gebeld door Hugo Aasjord. ‘Heb je het weerbericht voor de volgende week gezien?’ vraagt hij. We wachten allebei al lang op een bepaald type weer. Wat we nodig hebben, is 
zo weinig mogelijk wind op de zee tussen Bodø en de Lofoten. Eigenlijk heb ik een heleboel andere dingen te doen, maar ik antwoord zonder aarzelen: ‘Ja, laten we een Groenlandse haai gaan vangen.’

    De Groenlandse haai is een dier uit de oertijd, een reuzenhaai die rondzwemt over de bodem van de diepe Noorse fjorden en voorkomt tot aan de Noordpool. Deense zeebiologen hebben onlangs ontdekt dat de Groenlandse haai misschien wel vijfhonderd jaar oud kan worden; daarmee is hij verreweg het langstlevende dier dat er bestaat.

    Hugo’s vader had als jongen van acht al deelgenomen aan de walvisjacht. Hij vertelde altijd hoe ze een keer een opdringerige Groenlandse haai harpoeneerden en die ophesen aan zijn staartvin. Ook al was het beest halfdood en hing hij met zijn kop omlaag en met een harpoen dwars door zijn rug, toch slokte 
hij een groot stuk walvisvlees op dat op het dek lag.

    Als Hugo over de Groenlandse haai praat, krijgt hij een bepaalde gloed in zijn ogen en een bepaalde klank in zijn stem. De meeste soorten vissen en andere dieren in de zee heeft hij wel gezien, maar juist de reuzenhaai is hij nooit tegengekomen.

    Ik snijd de vijfde zak met slachtafval open. Er welt een sterke lijkgeur uit op, die zich over de fjord verspreidt

    En ik evenmin. Het kost Hugo dan ook geen moeite om me over te halen: ik hap instinctief toe, om het zo maar te zeggen. Ook ik ben opgegroeid bij de zee en ik vis al sinds ik een klein jochie was. Nog steeds krijg ik, altijd als ik beet heb, het gevoel dat bijna alles uit de diepte omhoog kan komen. Is er eigenlijk wel iemand die beseft dat er in het diepe water van de Vestfjord Groenlandse haaien rondzwemmen, haaien die tussen de 7 en 8 meter lang kunnen worden en 1200 kilo kunnen wegen? Afgezien van Hugo, natuurlijk.

    De boot schiet weg. Aan deze kant van het eiland is het volkomen stil, de enige rimpelingen op het water maken we zelf. We hebben geen idee wat zich onder het bijna witte oppervlak afspeelt. Op 150 à 200 meter diepte is bijna al het licht door het water geabsorbeerd. Daar is alleen nog een grijzig licht te onderscheiden, als van een oude tv die langzaam uitdooft. Op zo’n 500 meter diepte is het inktzwart. Er is geen fotosynthese meer, geen enkel plantenleven mogelijk. Die duistere, koude diepte is de wereld van de Groenlandse haai, daar glijdt hij rond, stil en geluidloos als een machine van vlees, met gif in zijn spek, in zijn bloed, in zijn lever, en met levenloze, halfblinde ogen waar parasieten uit hangen, lange larven die de oogappel doorboren. De enige levende wezens waarmee hij contact heeft, zijn de dieren die hij eet.

    Brakend maak ik een gat in de vuilniszakken die gevuld zijn met resten van Schotse Hooglanders: darmen, lever, kraakbeen, botten, vet, rafels vlees 
en maden. Dan gooi ik vier van de vijf zakken over 
de reling. Onder in de zakken zitten zware stenen, 
en alles zakt dan ook direct naar de bodem. In de vijfde zak zitten wat stevige botten met vlees eraan, die we als aas gaan gebruiken.

    Ik snijd de vijfde zak met slachtafval open. Er welt een sterke lijkgeur uit op, die zich over de fjord verspreidt. Nu maar hopen dat de Groenlandse haai niet over de reling springt terwijl ik net een heupbeen vol rood, rottend vlees aan de stevige, glanzende haak doe. Wat gebeurt er meer dan 300 meter onder ons? Begint het beest ons stinkende afval al te ruiken? De olieachtige stoffen van verrotting moeten ver verspreid raken in het water.

    Er zijn nog wat details die we nog niet hebben besproken. Wat doen we als we daadwerkelijk zo’n Groenlandse haai naar boven halen? Het is een soort angstig plezier om daarover na te denken.

    Bewegende boei

    ‘Wacht eens! Beweegt die boei?’ vraagt Hugo.

    Die lijkt inderdaad in een onnatuurlijk ritme op en neer te gaan, als een gigantische dobber. Een paar honderd meter van waar wij zitten, midden in een school makreel, is er duidelijk iets aan de hand. Hugo start de motor en binnen een minuut zijn we bij de lijn. Hugo begint hem in te halen. Dat wil zeggen: hij trekt aan de lijn en er is geen twijfel aan dat zich daaraan iets groots heeft vastgebeten. Na een tijdje neem ik het over. Dan gaat het nog langzamer. Heb je weleens geprobeerd een Groenlandse haai, die misschien wel 7 meter lang is en 700 kilo weegt, en die vastzit aan 350 meter touw met aan het eind een 6 meter lange ketting, op te halen van de bodem van de zee? De lijn bijt in je vingers en elke decimeter is loodzwaar, je verliest bijna het geloof dat het ooit nog ophoudt. Dat er kwallen vastzitten aan het touw en we geen handschoenen hebben, maakt de taak er niet aangenamer op. Mijn armen zijn gevoelloos, maar als er nog maar zo’n 50 meter te gaan is, wordt alles opeens veel gemakkelijker. Iedereen die weleens heeft gevist, kent dat gevoel van diepe teleurstelling. In een split second worden grote verwachtingen tenietgedaan. Hoe het touw ook in je handen snijdt, de afwezigheid van gewicht doet nog meer pijn.

    Nu zijn de ketting en de haak snel onder de boot en ik hijs verder, totdat de haak voor ons in de lucht bungelt. Aan die haak zat, toen we hem neerlieten, een bot vol rood vlees. Nu is dat bot volmaakt schoongeknaagd. Er kriebelen massa’s oranje diertjes op. Ze doen denken aan luizen of kleine insecten: dat moeten de diertjes zijn die in de buikplooien van de Groenlandse haai leven.

    In het bot en het vet zien we duidelijk de zaagvormige sporen van de beet. Ik had de haak door een peesopening gestoken en daardoor is het bot blijven zitten. Ik had verwacht dat de haai in elk geval het hele bot zou verbrijzelen als hij beet. Daarom hing de haai niet vaster aan de haak. Daarom raakte hij los. Daarom zitten we hier stommetje te spelen.

    Daar beneden zwemt ons monster, wachtend tot het weer wordt gevoerd.

  • We vissen steeds dieper en verder weg

    We vissen steeds dieper en verder weg

    Nu de populaire viswateren en -soorten vrijwel zijn uitgeput, moet de industriële visserij uitwijken naar alternatieven. Zo schuimt de Chinese vloot de kusten van Zuid-Amerika af op zoek naar inktvis.

    Zeemeeuwen zwenken krijsend rond de 
visserspier Caleta Portales in de Chileense havenstad Valparaíso, terwijl zeeleeuwen afwachtend op de golven drijven. Vissers sjorren 
hun boten uit het water, ontdoen hun netten van 
de magere vangst en sjokken naar een politieke bijeenkomst in een duistere ruimte die alleen verlicht wordt door een powerpointpresentatie. Vlakbij verkondigt een reeks witte spandoeken een uitdagende boodschap in grote rode letters: ‘NEE tegen de 
industriële inktvisvangst!’
    Tot een jaar of twintig geleden zouden deze Chileense vissers niet geïnteresseerd zijn geweest in inktvis. Voor hen telden alleen makreel en heek. Arme 
gezinnen in Valparaíso aten enchilada’s met loco, een groot zeeoorachtig schelpdier, dat op elke straathoek bij een karretje werd verkocht.

    Maar de zee is veranderd. Overbevissing bedreigt 
de eens zo overvloedige visvoorraden en de vissersgemeenschappen die daarvan afhankelijk waren. Inktvis is de nieuwste hulpbron in de oceaan die door mensen wordt geëxploiteerd – en het is ook een van de laatste.

    Afgelopen zomer schatte de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties dat van de 
commerciële visbestanden die het bijhoudt 90 
procent overbevist of geheel weggevist is, waaronder de tien commercieel meest productieve soorten. 
‘We vissen steeds dieper in de oceaan, en steeds 
verder weg,’ zegt zeebioloog Edgardo Fuentes van 
de Chileense Universidad Austral. ‘Wanneer de ene soort verdwijnt, gaan we de volgende overbevissen.’

    De Chileense loco, waarvan in de jaren tachtig ten behoeve van de export te veel werd gevangen, is vrijwel verdwenen. Aan het eind van de jaren negentig vingen Chileense vissers acht keer zoveel makreel 
als werd aanbevolen om de makreelstand op peil te houden. Over de hele wereld kwamen de makreelbestanden vanaf 2006 in een vrije val terecht. 
Ook bestanden van andere vissoorten zijn snel 
afgenomen.

    De oudere vissers van Valparaíso verdienden hun brood met het vangen van heek. Deze witte vis was een belangrijke pijler onder de Chileense export, 
tot de bestanden van deze soort begin deze eeuw werden gedecimeerd, als gevolg van overbevissing. ‘Tegenwoordig is er nog maar heel weinig heek. Niet alle schepen varen nog uit,’ klaagt Juan Gómez, die met zijn 64 jaar grotendeels is gestopt met vissen, maar de onofficiële dichter van de kades blijft. ‘Ik 
ben verliefd op de zee, ik ben een visserszoon. Het is moeilijk om voor andere dingen te werken.’

    Armeluisloco

    Inktvis neemt nu de plaats in van de verdwijnende vissoorten. In Valparaíso zijn de kleine vissers die vanuit Caleta Portales werken voor de helft van hun inkomen afhankelijk van inktvis. En bij de karretjes worden nu enchilada’s verkocht met inktvis, die 
de plaatselijke bewoners loco de los pobres noemen, 
oftewel armeluisloco. Zelfs Corpesca, het grootste visconglomeraat van het land, richt zich nu op 
inktvis. Tot woede van veel Chileense vissers kreeg Corpesca door een nieuwe visserijwet in 2012 een permanent quotum voor 20 procent toebedeeld.

    Visserijstatistieken zijn vaak onbetrouwbaar. In gebieden waar de visvangst is gereguleerd, geven vissers vaak te weinig vangst op, om de quota te 
ontduiken. Op de open oceaan telt niemand wat 
er gevangen wordt. En bedrijven in China, dat 
18 procent van de wereldwijde wilde visvangst voor zijn rekening neemt, geven soms te hoge vangsten op, om te voldoen aan de economische groeidoelstellingen van Beijing en zo in aanmerking te komen voor subsidies.

    Meer dan de helft van de vangst door de Chinese 
vissersvloot buiten de eigen territoriale wateren bestaat nu uit inktvis. Wat de Chinese schepen vangen, eet de wereld. De helft van alles wat Chinese vissers in internationale wateren vangen, wordt weer uitgevoerd, naar Europa, Noord-Azië, en Amerika. 
De FAO schat dat inktvis in 2013 ongeveer 6 procent van de wereldzeevoedselhandel vormde, terwijl dat volgens Chinese schattingen dichter bij de 9 procent ligt. De twee meest gevangen soorten inktvis stonden tussen 2003 en 2013 samen op de elfde plaats van 
de meest gevangen zeedieren; in 2014 was inktvis gestegen tot de op zes na meest gevangen soort.
    Omdat de bestanden in de wateren ten oosten van Siberië sterk zijn afgenomen, is de Chinese vissersvloot inmiddels al opgerukt tot Patagonië. Langere reizen hebben een uitbreiding in capaciteit met 
zich meegebracht. ‘De volumes zijn groot in Zuid-Amerika. We hebben grote volumes nodig om geld 
te kunnen verdienen, want de kosten zijn hoog,’ zegt Hu Shibao, directievoorzitter van CNFC Overseas 
Fisheries Co, een onderdeel van het grootste Chinese staatsvisconglomeraat. De bestanden van de Argentijnse kortvininktvis zijn sterk gaan fluctueren, waardoor de plaatselijke vissers gingen klagen dat 
de Chinese schepen die vlak buiten hun wateren werken, de vangst voor hun neus wegkaapten.

    Ondertussen heeft een deel van de Chinese vloot zijn werkterrein verlegd naar Peru en Chili, op zoek naar de vliegende jumbo-inktvis, een belangrijk exportproduct van Peru. Die smaakt minder lekker, maar Chinese verwerkers hebben een manier gevonden om het verschil te maskeren. Afgelopen maart vuurde de Argentijnse kustwacht in de eigen territoriale wateren op een 
Chinese vissersboot, en bracht die tot zinken.

    Chinese vissersschepen in de haven van Zhousan. – © Getty Images
    Chinese vissersschepen in de haven van Zhousan. – © Getty Images

    Een halve wereld verwijderd van Valparaíso is de dynamiek van de overbevissing en inktvis het 
duidelijkst zichtbaar in Zhoushan, de archipel aan 
de oostkust van China die de thuisbasis vormt voor 70 procent van de Chinese inktvisvloot. De eilanden liggen in een gebied dat ooit werd beschouwd als een van de rijkste visgronden ter wereld, op de plek waar het modderige water van de Hangzhoubaai de Oost-Chinese Zee ontmoet, even ten zuiden van Shanghai.

    ‘De afname van de visstand was hier extra opvallend,’ zegt Chen Wei, onderdirecteur van de goederenbeurs in Zhoushan. ‘Doordat de vis hier is verdwenen, zijn wij de afgelopen jaren het centrum van de overzeese visvangst geworden. Dit was in het verleden een groot vissersgebied en daarom is de verwerkingsindustrie sterk ontwikkeld, en zo is Zhoushan de belangrijkste plek voor het verwerken van inktvis geworden.’

    Beijing is bang dat de ineenstorting van de lokale visserij zal leiden tot banenverlies in de visverwerkende industrie in kustplaatsen als Zhoushan. Maar het antwoord van de Chinese overheid heeft de druk op de wereldwijde visbestanden alleen maar groter gemaakt. Strenge visverboden in het seizoen gaan gepaard met subsidies (voor diesel en scheepsbouw), waardoor de Chinese vissersvloot verder de internationale wateren in kan trekken. Deze subsidies hebben geleid tot een ‘ongebreidelde’ capaciteitsgroei van Chinese diepzeevisserij, zo meldde Greenpeace in een rapport uit 2016. De conclusie van het rapport is dan ook dat de Chinese industrie zich veel ‘verder heeft uitgebreid dan ze zich kan veroorloven’.

    Net als de vissers van Valparaíso hadden de dorpelingen van Zhoushan vóór de jaren zeventig weinig belangstelling voor inktvis. Toen beëindigde China zijn experiment met visserijcommunes en keerden families terug naar zee, om hun brood te verdienen in de nieuwe markteconomie. De bestanden van roodbaars, krab en inktvis in de Oost-Chinese Zee gingen hard achteruit en daarom gingen de vissersfamilies van Zhoushan samenwerken, om te kunnen investeren in grotere schepen. Ze volgden de zich verplaatsende baars noordwaarts, naar de koude wateren ten oosten van Vladivostok, en daar troffen ze inktvis aan. Conflicten met Koreaanse en Japanse schepen leidden tot een van de eerste zeeakkoorden van China, waarbij overlappende economische zones in de jaren negentig werden gedemarqueerd, volgens het zeerechtverdrag van de Verenigde Naties.

    Tegen die tijd stond de Japanse vliegende inktvis, die populair was in de Noord-Aziatische keuken, onder druk. De fabrikanten van Zhoushan investeerden in nog grotere schepen die nog langere reizen konden maken. Ze betaalden geld zodat hun zoons op school konden blijven en huurden boeren uit het arme 
binnenland in om de schepen te bemannen.

    De nieuwe haven moet in 2020 een miljoen ton zeevoedsel per jaar kunnen verladen, meer dan twee keer zo veel als de regio op dit moment binnenhaalt

    Naarmate de reizen duurder werden, vergrootten scheepseigenaren hun financiële armslag door samen conglomeraten te vormen als Ningtai Ocean, het grootste particuliere visserijbedrijf van China, met zestig schepen. Anderen financierden enorme transportschepen, waardoor de vissersvloot twee 
jaar lang weg kan blijven. Dat de Chinese schepen 
zo ver kunnen komen, is te danken aan een vertienvoudiging van de dieselsubsidies tussen 2006 en 2011, waarna Beijing volgens het Greenpeace-rapport deze cijfers niet langer vrijgaf.

    ‘Zonder die subsidies op diesel zouden de meeste 
vissers failliet gaan,’ zegt Wang Zhongxiao, directeur van Ningtai Ocean. ‘Vroeger waren de omstandigheden beter en waren we winstgevend zonder die subsidies; nu hebben we ze nodig.’ Het huidige Zhoushan is in de greep van de vreemde logica van de Chinese overcapaciteit: heb je ergens te veel van, bouw dan nog meer.

    Dat motto manifesteert zich in de nieuwe ‘nationale haven’ van Zhoushan, die voor een bedrag van 5,6 miljard renminbi (ruim 700 miljoen euro) is 
aangelegd om veel grotere oceaanschepen te kunnen bedienen. Nabijgelegen verwerkingsfabrieken 
worden gemoderniseerd en hun capaciteit wordt vergroot. De nieuwe haven moet in 2020 een miljoen ton zeevoedsel per jaar kunnen verladen, meer dan twee keer zo veel als de regio op dit moment binnenhaalt.

    De concurrentie van andere grote nieuwe havens 
die langs de Chinese kust zijn gepland, betekent 
dat de nieuwe haven van Zhoushan nog steeds bij lange na zijn doelstelling niet haalt, klaagt adjunct-directeur Lin Zhigang in het hoofdkwartier van het havenbouwbedrijf. Zijn oplossing: meer vis en inktvis uit verafgelegen zeeën binnenbrengen. ‘Iedereen moet eten, en men eet tegenwoordig steeds meer. Dus de voorraden moeten komen.’

    Auteur: Lucy Hornby
    Vertaler: Annemie de Vries

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • Milieuschade meten? Luister naar de oceaan

    Milieuschade meten? Luister naar de oceaan

    Het geluid van vissen en andere zeedieren blijkt veel te zeggen over de gezondheid van een kustecosysteem. Hoe stiller de dieren zijn, hoe slechter het gaat.

    In 2013 luisterde Katherine Indeck naar opnamen van geluiden uit een kanaal tussen de Golf van Mexico en Tampa Bay in Florida. Sommige van deze audiobestanden waren opgenomen in een periode in 2005 waarin er extreem veel algenbloei was geweest. Veel vissen, dolfijnen en zeeschildpadden hadden het niet overleefd. Andere opnamen waren gemaakt nadat het ecosysteem zich was begonnen te herstellen.

    Tijdens deze periode van herstel hoorde Indeck geluiden van dieren als pistoolgarnalen, die volgens haar nog het meeste klinken als bakkend ontbijtspek in een koekenpan. Maar tijdens de algenbloei heerste op haar opnamen een griezelige stilte. Het was alsof ‘er geen levende ziel te bekennen was’, vertelt Indeck, die nu als maritiem ecoloog werkt aan de Universiteit van Queensland in Australië. ‘Op die opnamen was vrijwel geen enkel omgevingsgeluid te horen.’

    In een verslag dat Indeck in 2015 van haar observaties publiceerde, beschrijft zij hoe uit een soundscape – het totaal aan geluiden van dieren, het weer, de golven en menselijke activiteiten – de gezondheid van een kustecosysteem valt op te maken. Onderzoekers hopen dat met akoestische bewaking milieuschade in de toekomst gemakkelijker en goedkoper kan worden ontdekt dan met visuele inspectie door duikers. Vissen produceren geluiden variërend van gekwaak tot geknal en snelle pulsen: veranderingen in deze geluidspatronen kunnen duiden op verschuivingen in hun aantallen, diversiteit of gedrag. Met behulp van deze data kunnen wetenschappers de effecten van menselijke activiteit op het zeeleven in beeld brengen. Zo nodig staaft dat hun argumenten, wanneer ze er bij politici en managers op aandringen om iets aan de oorzaken van deze bedreigingen te doen.

    Waarschijnlijk zal deze akoestische methode visuele inspectie niet geheel overbodig maken, maar een plotseling invallende stilte kan voor wetenschappers voldoende aanleiding zijn om poolshoogte te gaan nemen. ‘Als er iets is voorgevallen en vervolgens wordt het plotseling stil, dan is dat een goede reden om ter plekke meer data te verzamelen,’ aldus Indeck.

    Mensen denken vaak dat het in oceanen doodstil is, afgezien misschien van de geluiden van walvissen en dolfijnen, maar ook kleine dieren kwetteren wat af.

    Monnikvissen maken bijvoorbeeld een brrp-brrp-geluid bij het openen en sluiten van hun kaken, trekkervissen wrijven hun borstvinnen tegen hun lichaam, wat klinkt als kiek-kiek-kiek en ombervissen spannen spieren rondom hun zwemblaas aan en maken daarbij een dreunend geluid. ‘Sommige vissen zijn behoorlijk luidruchtig,’ vertelt bio-akoesticus Frédéric Bertucci van het Centre de Recherches Insulaires et Observatoire de l’Environnement in Perpignan.

    Voor een onderzoek waarover Bertucci en zijn collega’s vorig jaar publiceerden, onderzochten zij of akoestische metingen iets kunnen zeggen over de gezondheid van koraalriffen. Hiervoor maakten 
zij opnamen in vier onderwaterreservaten en vier andere, onbeschermde locaties onder water langs 
de kust van het Frans-Polynesische eiland Moorea. Daarnaast telden duikers de vissen, identificeerden soorten en namen de stand van het koraal op. Het bleek dat locaties met meer koraal meer lawaai produceerden. Het koor aan geluiden was overdag in gebieden met meer biodiversiteit over het algemeen gevarieerder. ‘Natuurlijk kun je het verschil horen,’ zegt Bertucci. ‘Koraalriffen waar het goed mee gaat zijn erg lawaaiig.’

    Van een bos naar een veld onkruid

    Andere onderzoekers wisten akoestische veranderingen te koppelen aan processen als oceaanverzuring, vervuiling en overbevissing. Eén onderzoeksgroep keek hoe de soundscapes van locaties in Italië en Nieuw-Zeeland verband hielden met de hoeveelheid opgeloste kooldioxide, en dus met verschillen 
in zuurgraad. Daarnaast keken ze naar gezonde zeewierbossen in Australië en naar vervuilde stukken zee niet ver daarvandaan die volledig overgenomen waren door algen.

    ‘Het is alsof je van een bos naar een veld onkruid gaat,’ vertelt co-auteur Tullio Rossi, een zeebioloog die nu als onafhankelijke wetenschapsjournalist werkt in Adelaide. In beide gevallen maakten pistoolgarnalen op de vervuilde plekken minder lawaai. Voor een in januari gepubliceerd onderzoek deden Franse wetenschappers eenzelfde soort analyse van kalkwiervelden, afzettingen van rode algen waarin dieren leven als zee-egels, zeesterren en mosselen. De onderzoekers merkten dat het in een kalkwierveld waarin gevist was, drie keer zo stil was als in een ongerept veld.

    Dit alles geeft hoop dat met akoestische bewaking 
de gezondheid van kustecosystemen kan worden 
gecontroleerd. Nu zijn het vooral duikers die deze ecosystemen in de gaten houden, maar dit is een tijdrovende methode, die bovendien de rust van de dieren verstoort. Daar komt bij dat visuele inspectie alleen bij daglicht in helder water en maar voor korte periodes kan gebeuren. Een alternatief is dat onderzoekers onderwatermicrofoons neerzetten en maandenlang gegevens verzamelen, zelfs in donker of 
ondoorzichtig water. ‘Je kunt er dag en nacht mee doorgaan,’ aldus Bertucci.

    Zodra de pistoolgarnalen weer van de algenbloei waren hersteld, overstemde hun onophoudelijke geplop de geluiden van de tuimelaars die ze eigenlijk wilde bestuderen

    Toch werkt deze aanpak misschien niet voor alle locaties. Akoestisch ecoloog Erika Staaterman van het Smithsonian Environmental Resource Center in het Amerikaanse Maryland kwam in de problemen toen zij met haar collega’s opnames wilde maken van rif-, mangrove-, zand- en zeegrashabitats in Panama. 
Op veel plekken kwaakte één kikvorsvissensoort zo 
luid, dat de wetenschappers de andere dieren nauwelijks meer konden horen. ‘Ze overheersten gewoon 
de hele soundscape,’ vertelt ze. Indeck merkte iets soortgelijks toen zij haar opnamen uit Florida beluisterde. Zodra de pistoolgarnalen weer van de algenbloei waren hersteld, overstemde hun onophoudelijke geplop de geluiden van de tuimelaars die ze eigenlijk wilde bestuderen.

    Maar volgens Indeck kunnen onderzoekers best locaties uitzoeken waar niet het geluid van één 
enkele soort alles overheerst. Nadat ze ter referentie de normale soundscape hebben leren kennen, kunnen ze daarna ongewoon stille momenten 
detecteren – en uitvinden hoe het komt dat het er zo stil is.

    Auteur: Roberta Kwok
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    Openingsbeeld: Een gezond koraalrif in de Rode Zee. – © Getty

    Ensia
    VS | ensia.com

    Gefinancierd door de Universiteit van Minnesota. Wil door middel van onderzoek concrete oplossingen ontwikkelen. Drie onderzoeken worden jaarlijks gepubliceerd.