Tag: octopus

  • Natuurorganisatie roept 2025 uit tot ‘Jaar van de Octopus’

    Natuurorganisatie roept 2025 uit tot ‘Jaar van de Octopus’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Libische stafchef omgekomen bij vliegtuigcrash in Turkije

    » VS: Hooggerechtshof blokkeert inzet Nationale Garde in Chicago

    Het aantal octopussen was dit jaar in Engeland op zijn hoogst

    Een natuurbeschermingsorganisatie heeft 2025 uitgeroepen tot ‘het Jaar van de Bloeiende Octopus’ nadat recordaantallen octopussen werden waargenomen voor de zuidwestkust van Engeland, schrijft de BBC. In haar jaarlijkse rapport over de mariene flora en fauna meldt de Wildlife Trusts dat het aantal octopussen deze zomer het hoogste niveau sinds 1950 bereikte.

    Warmere winters, die verband houden met klimaatverandering, worden beschouwd als de oorzaak van de sterke toename van de populatie, ook wel een ‘bloei’ genoemd. De bevindingen van de organisatie worden ondersteund door officiële cijfers die aantonen dat er in de zomer van 2025 meer dan 1200 ton octopus door vissers in Britse wateren is gevangen.

    Dit is een drastische stijging ten opzichte van voorgaande jaren. Slechts één keer sinds 2021 werd er meer dan 200 ton octopus aan land gebracht.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Naast het goede nieuws voor octopusliefhebbers bevat het rapport van de Wildlife Trusts over de mariene flora en fauna ook minder fraai nieuws.

    Zo werd dit jaar volgens het rapport gekenmerkt door milieurampen, zoals een aanvaring tussen een olietanker en een containerschip op de Noordzee in maart, waarbij enorme hoeveelheden plastic korrels in het water terechtkwamen, en de lozing van bijna 4,5 ton biokorrels uit een waterzuiveringsinstallatie in Sussex in november.

    Er was ook beter nieuws voor de fauna elders: een recordaantal van 46.000 papegaaiduikers werd waargenomen op Skomer in Pembrokeshire, terwijl de charismatische zwart-witte vogel een comeback maakte op het Isle of Muck dankzij natuurbeschermingsinspanningen van de Ulster Wildlife Trust om de invasieve bruine rat te verwijderen.

  • Wordt de octopus het volgende slachtoffer van de bioindustrie?

    Wordt de octopus het volgende slachtoffer van de bioindustrie?

    De octopus is een schepsel met vele geheimen. Hij is intelligent, koppig – en totaal anders dan mensen. Maar het ziet ernaar uit dat het weekdier binnenkort hetzelfde doel zal dienen als zovele dieren voor hem: dat van grondstof voor de industriële massaproductie van vlees.

    Choco Frito is de Portugese versie van fish and chips. Het ligt in vette stapels op het bord van Lucas Martins. Rechts de reepjes gesneden aardappelen, links stukjes gesneden en gefrituurde inktvis. Een uur geleden hield Lucas op de bodem van de zee zijn korte, brede vingers naast de altijd kronkelende tentakels van een octopus, in de hoop hem aan te kunnen raken, maar het dier gunde hem dit plezier niet. In plaats daarvan maakte het een sprong, stootte een wolk inkt uit en zwom met de melkachtig witte huid weg als een speer.

    Wat wij inktvis noemen, verwijst naar verschillende soorten koppotigen: op het bord van Lucas ligt een sepia (in stukken gesneden), onder water kwam hij een octopus tegen (in één stuk). Dat het woord voor het ene dier vrouwelijk is en voor het andere mannelijk, is even irrelevant als de hond en het poesje, het is gewoon zo. Een sepia lijkt een beetje op een vliegende, of liever: zwevende schotel, met tien tentakels rond zijn mond, als een baard. Een octopus heeft een zakvormig lichaam, onderaan een mond die bek of soms snavel wordt genoemd, en acht tentakels die in alle richtingen uitwaaieren. ‘Ik vind het gaaf om de octopussen daar beneden te zien,’ zegt Lucas Martins. ‘Maar ik heb ze ook graag op mijn bord.’

    Dit is een verhaal over tegenstrijdigheden, onwetendheid en heimelijkheden. En het is een toenadering tot een dier waarop al zoveel werd geprojecteerd: de dood, monsterlijkheid, list en lust. Velen beschouwen de octopus als een wezen dat het dichtst in de buurt van een buitenaardse verschijning komt, of althans bij ons idee ervan. Omdat het totaal anders is dan wij.

    Dit verhaal gaat over de mens die denkt voldoende te hebben begrepen van onderwaterwezens om er een calculeerbaar product voor een kapitalistisch industrieel systeem van te maken.

    Industriële kweek

    De octopus ‘voldoet aan veel van de vereisten om in aanmerking te komen voor industriële kweek’, schreef het wetenschappelijke tijdschrift Aquaculture in 2004: ‘gemakkelijke aanpassing aan de omstandigheden in gevangenschap, hoge groeisnelheid, aanvaarding van laagwaardig natuurlijk voedsel, hoge reproductiesnelheid en hoge marktprijs’. Het was slechts een kwestie van tijd.

    Evolutionair biologisch gezien kunnen mens en octopus nauwelijks verder uit elkaar staan. Onze wegen gingen ongeveer zeshonderd miljoen jaar geleden uiteen, toen al het leven zich nog in zee afspeelde en geen enkel organisme nog voet op land had gezet.

    Onze meest recente gemeenschappelijke voorouder is een wormachtig wezen dat enerzijds uitgroeide tot gewervelde dieren, zoogdieren en bovengemiddeld intelligente mensen. Aan de andere kant ontstonden ongewervelden zoals mosselen, slakken en bovengemiddeld intelligente koppotigen. Ons bloed is rood omdat het ijzer bevat als zuurstofdragend molecuul; hun bloed is blauwgroen omdat ze koper gebruiken om zuurstof te transporteren. Dat we geboren worden, leven en sterven hebben we gemeen, evenals onze ogen, vreemd vertrouwd in dit vreemde lichaam. Afgezien daarvan is alles anders, alsof de evolutie twee keer de geest kreeg, maar wel twee keer totaal anders. Vandaar de vergelijking met een buitenaards wezen, afkomstig van de Britse zoöloog Martin Wells. Onze wens de octopus te begrijpen is een uitdaging voor onze eigen intelligentie.

    In de oudheid werden octopussen vereerd als symbolen van de liefde

    Is het altijd goed om alles te begrijpen? In ieder geval bewijzen we de octopussen er geen dienst mee. Tot op zekere hoogte verhinderen zij ons dat begrip dan ook: we weten nog steeds niet wat er in hun hoofden omgaat, omdat zij de elektroden waarmee we hun hersengolven proberen te meten, er binnen een mum van tijd aftrekken met een van hun acht armen.

    Met elk stukje informatie dat wij over hen krijgen, verliezen ze iets van hun geheimen. In de oudheid werden octopussen vereerd als symbolen van de liefde; in talloze verhalen zijn ze angstaanjagende, onaantastbare monsters; Victor Hugo beschrijft ze als ‘beesten van as’; in Japan heeft kunstenaar Katsushika Hokusai ze in een houtsnede vereeuwigd als de belichaming van wellust. Maar inmiddels weten we te veel om ze zomaar te gebruiken voor onze projecties.

    ‘[Dieren] zijn objecten van onze steeds uitbreidende kennis. Wat we over hen weten is een indicatie van onze macht en dus een indicatie van wat ons van hen scheidt. Hoe meer we weten, hoe verder weg ze zijn‘, aldus de Britse schrijver John Berger. ‘In de eerste fasen van de industriële revolutie werden dieren (…) gebruikt als machines. Tegenwoordig, in de zogenaamde postindustriële samenlevingen, worden ze behandeld als grondstoffen.’

    Octopuskwekerij

    Mensen vangen en eten al heel lang octopussen. Maar nu bouwt het Spaanse bedrijf Nueva Pescanova – een van de grootste visserijbedrijven ter wereld, met een vloot van meer dan zestig vaartuigen en een gecombineerd aquacultuurgebied van ongeveer zevenduizend hectare – ’s werelds eerste octopuskwekerij op Gran Canaria.

    De octopus wordt een industrieel product, zoals een chocoladereep. Om preciezer te zijn geldt dat voor de Octopus vulgaris, de gewone octopus. Dat is de kosmopoliet onder de octopussen, want hij leeft in alle oceanen van de wereld.

    De octopus is in staat tot buitengewone denkprestaties, niet alleen met zijn hersenen, maar met zijn hele lichaam. Drie vijfde van zijn neuronen bevinden zich in zijn armen, die zich onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen: de octopus leeft dus buiten de gangbaar geachte scheiding tussen lichaam en geest.

    De octopus heeft negen hersens en drie harten, zijn hele lichaam is geest

    Dit is een uitdaging voor het filosofische geest-lichaamprobleem, dat, eenvoudig gezegd, betrekking heeft op de vraag waar de geest zich in het lichaam bevindt. In de hersenen? In het hart? De octopus heeft negen hersens en drie harten, zijn hele lichaam is geest – of zijn hele geest is lichaam.

    Met zijn tentakels kan hij proeven en, in zekere zin, ook zien. In zijn huid zitten fotoreceptoren die hem helpen de kleuren van zijn omgeving aan te nemen, ook al is hij zelf kleurenblind.

    Hij kan deksels van potjes draaien en zich vijf maanden lang herinneren hoe hij dat deed. Hij kan mensen uit elkaar houden, zelfs als ze hetzelfde uniform dragen, en hij kan taken oplossen zoals een hendel overhalen om eten te krijgen. Maar bovenal heeft hij een persoonlijkheid. In het experiment met de hendel trokken twee octopussen zachtjes, maar de derde trok zo hard dat de hendel brak. Hij rukte ook de lamp los die boven de bak hing en belaagde de onderzoeksleider met waterstralen.

    Persoonlijkheid is een sterke indicator van hoge intelligentie, net zoals het vermogen om plannen te maken: meerdere octopussen zijn in het wild waargenomen met de schalen van een kokosnoot om als pantser te gebruiken in geval van gevaar. Een octopus wordt echter maar ongeveer twee jaar oud – dus wat is het nut van al deze vaardigheden als hij nauwelijks tijd heeft om ze te gebruiken? De meest sluitende verklaring: de octopus bestaat alleen uit zachte weefsels, wat hem tot een gemakkelijke prooi maakt. De drang om zich zo goed mogelijk voor aanvallers te kunnen verbergen en eraan te ontsnappen, schiep intelligentie als overlevingsstrategie. Er is nog zoveel dat we niet begrijpen, en daarom stelt zeebioloog Jean Boal terecht de vraag: ‘Zijn we eigenlijk wel slim genoeg om uit te vinden hoe slim ze zijn?’

    Vijftig procent overlevingskans

    Kan zo’n schepsel in een kwekerij leven? Aangezien de kwekerij in afwachting van de milieu-effectbeoordeling nog niet in aanbouw is, nodigt het bedrijf Nueva Pescanova SZ-Magazin uit in zijn onderzoekcentrum in Galicië.

    In Galicië, in het noordwestelijkste puntje van Spanje, is men gewend de zee te benutten. De batea’s, houten platforms waaronder oesters en mosselen aan grove touwen groeien, rijgen zich in de baaien aaneen.

    In hotels wordt op affiches reclame gemaakt voor het ‘Festa do Marisco’, met grote krabben die koffiedrinken uit kleine kopjes. En in de ochtenduren, wanneer bij laagwater de zeebodem komt bloot te liggen, gaan honderden in neopreen geklede figuren op zoek naar mosselen.

    Aan de oostkust van het schiereiland O Grove staat het Biomarine Centrum Pescanova, een doos van beton en glas, met daar bovenop een museum en eronder een onderzoekscentrum. Met een virtualrealitybril kun je van boven in de ruimtes eronder kijken en zo de tarbotten, de algenkwekerij en de waterzuiveringsinstallatie zien. Alleen van de tank met de octopussen zijn geen beelden. Hun kweek is een van de meest waardevolle geheimen van de visindustrie.

    Een paralarva staart ons aan – een octopus van minder dan 24 uur oud, een paar millimeter groot

    David Chavarrías Lázaro, directeur van het centrum, en Tesa Díaz-Faes Santiago, hoofd van de communicatieafdeling van Nueva Pescanova, leiden ons de trap af naar dit geheim – fotograferen is verboden. Op het mondkapje van de communicatiedeskundige prijkt een zwaaiende Rodolfo Langostino, een breed grijnzende langoustine met witte handschoenen en een blauwe sjaal; de mascotte van het bedrijf. We trekken fladderende witte plastic jassen en blauwe schoenovertrekken aan en beneden in het lab wacht een laborante ons al op bij de microscoop, waarvan het beeld zichtbaar is op een plat scherm erboven. Een paralarva staart ons aan – een octopus van minder dan 24 uur oud, een paar millimeter groot. Zijn lichaam is doorzichtig, en zijn pulserende organen steken er donker bij af.

    Als hij zich in open zee zou bevinden, zou hij nu ongeveer twee maanden min of meer willoos in het water ronddobberen om zich dan naar de bodem te laten zinken waar zijn levens- en voedselbehoeften volledig veranderen. En dat herhaal zich als hij tot een grote octopus is uitgegroeid. ‘Het zijn eigenlijk drie verschillende dieren,’ zegt Chavarrías.

    Dat een paralarva volwassen wordt, is in het wild al uiterst onwaarschijnlijk, omdat hij vanaf het begin alleen is. Een vrouwelijke octopus legt enkele honderdduizenden eieren per keer en steekt al haar energie in de verzorging ervan. Het nieuwe begin is haar einde: als haar kroost uitkomt, sterft de moeder.

    Weerloos blootgesteld aan de gevaren van de oceaan, overleeft slechts een fractie van de kleintjes de eerste weken. Lange tijd overleefde er in het laboratorium geen een. De paralarva die we nu op het scherm zien heeft vijftig procent overlevingskans, zegt David Chavarrías. ‘Maar dat kunnen we van generatie op generatie optimaliseren.’ Bedrijven en onderzoeksinstellingen over de hele wereld zijn al tientallen jaren in een race verwikkeld om als eerste een octopus in gevangenschap groot te brengen. Nueva Pescanova is het gelukt.

    Geen regelgeving

    Er is nu nog geen wet die dat kan verhinderen. Er bestaat zelfs geen regelgeving die voorschrijft hoe octopussen moeten worden gehouden of gedood – de EU-richtlijn inzake de bescherming van boerderijdieren sluit ongewervelde dieren uitdrukkelijk uit. Chavarrías legt uit dat Nueva Pescanova momenteel onderzoekt of het beter is de dieren eerst bewusteloos te maken met geleidelijke elektrische schokken of met kooldioxide om ze daarna te doden; hoe wil hij niet zeggen. Verschillende dierenbeschermingsorganisaties willen de bouw van de kwekerij tegenhouden, maar zonder rechtsgrond is dat moeilijk.

    Dierenrechtenorganisatie Peta deed in een open brief aan de minister van Landbouw van de Canarische Eilanden een oproep om de kwekerij te stoppen en verzamelde meer dan 25.000 handtekeningen. In Las Palmas demonstreerden dierenbeschermingsgroepen voor het stadhuis. Ze hadden borden met in grote letters ‘Stop de octopuskwekerijen’, één activist was verkleed als rode octopus.

    Een andere manier om de kwekerij toch te verhinderen is de milieu-effectbeoordeling. Honderdtien onderzoekers, dierenwelzijns- en milieuorganisaties ontrafelden die in mei 2022. Een van hun belangrijkste punten van kritiek: tot dusver onbekende ziekteverwekkers zouden zich vanuit de kwekerij kunnen verspreiden en Nueva Pescanova heeft geen adequate veiligheidsmechanismen om dat te voorkomen. Zij riepen de regering van de Canarische Eilanden op de milieuvergunning voor de kwekerij te verwerpen. Het is onwaarschijnlijk dat dit zal gebeuren – Nueva Pescanova heeft 65 miljoen euro geïnvesteerd in de bouw van de kwekerij en belooft honderdvijftig nieuwe banen op het eiland.

    En vanwaar al die ophef? De handel in octopus is een miljardenbusiness.

    Octopussen, inktvissen en sepia’s behoren tot de meest waardevolle zeedieren ter wereld

    Alleen al de diepgevroren octopus, die de Europese Unie vorig jaar uit Marokko importeerde, had een waarde van ongeveer 2,4 miljard euro. Wat de omzet is die Nueva Pescanova maakt en verwacht te maken wil het bedrijf niet zeggen. Maar octopussen, inktvissen en sepia’s behoren tot de meest waardevolle zeedieren ter wereld. Ze zijn populair in Hawaïaanse tako-pokébowls, in Spaanse tapas, als Japanse takoyaki-balletjes en in de Portugese versie van fish and chips.

    Van de 20,5 kilo vis die elk mens wereldwijd gemiddeld per jaar eet, is 0,5 kilo octopus, en die hoeveelheid neemt toe. Sinds de jaren vijftig zijn de vangsten wereldwijd verviervoudigd, maar van 2017 tot 2018 stortten daalde deze weer van 433.000 ton tot 322.000. In Europese wateren is de vangst niet gereguleerd; wereldwijd worden veel bestanden als overbevist beschouwd. En dat terwijl de octopus een van de weinige diersoorten is die goed kan omgaan met de veranderingen die de mens onder water heeft teweeggebracht.

    Nueva Pescanova verkoopt ook octopus uit de wateren voor de kust van Mauritanië, Marokko en Galicië; het bedrijf wil niet bekendmaken hoeveel, noch met welke vangst- en dodingsmethoden. David Chavarrías zegt er alleen dit over: ‘De wildbestanden in deze gebieden zijn volledig vernietigd.’ De kwekerij zal het probleem op een zeer duurzame manier oplossen, zegt hij. Met de geplande octopuskwekerij vraagt Nueva Pescanova EU-middelen aan in het kader van het programma Next Generation, dat tot doel heeft milieuvriendelijke technologieën na de pandemie te bevorderen. ‘Aquacultuur is een manier om de druk op de wildvisserij effectief te verminderen,’ zegt Tesa Díaz-Faes.

    Uit een studie die in 2019 in het tijdschrift Conservation Biology is gepubliceerd, blijkt echter het tegenovergestelde: aquacultuur zou de wilde visvangst niet vervangen, maar aanvullen. Ze kan zelfs bijdragen tot een stijging van de vraag, omdat de betreffende soorten ruimer beschikbaar en goedkoper worden. Meer dan de helft van de vis die vandaag wordt gegeten, komt al uit kwekerijen.

    Lourditas

    Maar het kweken van octopus blijkt uiterst moeilijk te zijn. In 2017 kondigde het Japanse bedrijf Nissui aan dat het met succes octopuseieren had uitgebroed en dat het in 2020 ’s werelds eerste gekweekte octopus op de markt zou brengen. Vervolgens gebeurde er niets. Tot Nueva Pescanova in 2019 met een soortgelijke aankondiging naar buiten kwam: de eerste gekweekte octopus zou in 2023 op de markt moeten komen. In samenwerking met het Spaans Nationaal Oceanografisch Instituut – Nueva Pescanova financiert het onderzoek en koopt de daaruit voortvloeiende octrooien – heeft het bedrijf voor het eerst octopussen in gevangenschap grootgebracht. Hoe precies, onthullen ze niet. Ze noemden het moederdier Lourditas, naar het mirakel van Lourdes, omdat ze het een mirakel vinden dat het hen is gelukt.

    De minioctopus die ze hier nu laten zien, behoort al tot de vijfde generatie. In zwarte tanks in de grote hal wordt de generatie ouders gehouden; de kleur wordt verondersteld hen te kalmeren. Ongeveer twintig mannetjes liggen in één pool – ze geven de voorkeur aan het begrip pool, zegt Chavarrías – met ongeveer hetzelfde aantal vrouwtjes in het bassin ernaast. Het mannelijk bassin is helemaal kaal, in het vrouwelijk bassin liggen twee korte buizen waaruit bleke tentakels steken. De octopussen liggen in hoopjes op elkaar, hun armen in kleine spiralen gedraaid, hun lichaamskleur melkwit. Slechts een van de mannetjes heeft een roestrode kleur gekregen en zwemt naar de rand van het bassin waar wij staan. Twee keer stoot hij met zijn zakachtige lichaam tegen de rand, dan vormt hij kleine stekeltjes op zijn huid en loopt langzaam achteruit met zijn tentakels, zonder zijn ogen van ons af te wenden. De anderen blijven op de bodem.

    De kwekerij zal er wat anders uitzien, leggen de in plastic gehulde communicatiemanager en de centrumdirecteur uit. Vanwege de goede waterkwaliteit en de milde temperaturen zal de kwekerij op Gran Canaria worden gebouwd, en er zal drieduizend ton octopus per jaar worden geproduceerd.

    ‘Het is een mythe dat octopussen zo intelligent zijn’

    In grote bassins zullen meerdere kooien drijven, zonder speelgoed, zegt Tesa Díaz-Faes. ‘Dat is er in de natuur ook niet.’ Antibiotica of herbicides zullen niet worden gebruikt. Momenteel wordt met biomarkers in de octopussen onderzocht of er sprake is van stress. Met behulp van kunstmatige intelligentie worden alle belangrijke parameters voortdurend gecontroleerd en aangepast en er wordt samengewerkt met Microsoft.

    Zes tot tien milligram zuurstof per liter, 27 tot 37 gram zoutgehalte, een pH-waarde van 7 tot 8,5, een temperatuur van 12 tot 21 graden Celsius. Die cijfers moeten hen vertellen of de octopussen gelukkig zijn.

    ‘Het is een mythe dat octopussen zo intelligent zijn,’ zegt Díaz-Faes. Het feit dat zij bijvoorbeeld een pot met schroefdop kunnen openen, is geen teken van intelligentie, zegt ze, maar eerder het resultaat van hun zenuwstelsel waardoor zij onophoudelijk al hun armen bewegen.

    In de experimenten deden de octopussen het echter op verschillende manieren, met slechts één arm of met meerdere: een duidelijk teken van doelgerichte actie.

    ‘De conclusie dat de intelligentie van octopussen een mythe is, vereist dat je meer dan tachtig jaar onderzoek terzijde schuift,’ zegt de Australische gedragsbioloog Alex Schnell als ze hoort van Díaz-Faes’ uitspraken.

    Vermogen om te voelen

    Schnell is expert op het gebied van koppotigen en doet al vijftien jaar onderzoek. ‘Honderden experimenten hebben objectief aangetoond dat octopussen intelligent zijn en gevoel hebben,’ zegt zij. Schnell heeft vorig jaar, samen met onderzoekers van de London School of Economics and Political Science, in een uitgebreide metastudie aangetoond dat octopussen gevoel hebben. ‘Wij zijn ervan overtuigd dat het kweken van octopussen met een hoog welzijnsniveau onmogelijk is’, concludeerde het team van deskundigen in hun rapport, en het stelde voor dat de Britse regering de invoer van gekweekte octopus preventief zou verbieden.

    Lange tijd werd octopussen het vermogen om te voelen ontzegd, omdat zij als ongewervelde dieren niet onder de regelgeving inzake dierenwelzijn vielen; daarom mochten ze in onderzoeksfaciliteiten zonder verdoving worden geopereerd. Inmiddels zijn ze ‘op eretitel’ in veel verordeningen opgenomen als ‘gewervelde dieren’, onder meer in de EU-richtlijnen betreffende bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt.

    Van een wezen dat zo anders is dan mensen, is het moeilijk om gevoelens te interpreteren. Nog maar twee jaar geleden kwamen onderzoekers erachter hoe zij emoties bij muizen kunnen aflezen uit hun gezichtsuitdrukkingen, maar dergelijke studies zijn er niet voor octopussen. Men kan proberen hun gedrag te interpreteren – zoals het gegeven dat de octopussen in Nueva Pescanova elkaar niet verscheuren. Het klinkt paradoxaal, maar dat is een slecht teken. Omdat octopussen solitaire dieren zijn, blijven de meeste zelfs tijdens het paren op veilige afstand. ‘We weten dat ze niet graag in een groep zijn, dan bijten ze of eten ze elkaar zelfs op,’ zegt labtechnicus Alix Harvey. Ze is verzorger van de onderzoeksaquaria van het Citadel Hill Laboratory in Plymouth, Zuid-Engeland, het hoofdkwartier van de Britse Marine Biological Association. Er zijn maar weinig mensen die zoveel ervaring hebben met koppotigen in gevangenschap als zij, en het feit dat de octopussen elkaar niet aanvallen in de groepshuisvesting in Nueva Pescanova, noemt ze zeer verontrustend. Ze liggen onder elkaar omdat dit de enige manier voor hen is om zich ergens onder te begraven, legt ze uit. ‘Octopussen kunnen depressief worden,’ zegt ze. Hun witte lichaamskleur is daar een aanwijzing voor; die krijgen ze alleen als ze gestrest, boos of ongelukkig zijn.

    Octopussen ontsnappen als het goed met ze gaat. Als ze niet ontsnappen, betekent het dat ze niet in orde zijn

    ‘Als het ze niet goed zou gaan, zouden ze voortdurend proberen te ontsnappen,’ had David Chavarrías gezegd bij het open bassin in de onderzoeksruimte. Maar het bassin is nooit afgedekt geweest.

    Door te vluchten zouden ze echter geheid hun dood tegemoet treden: octopussen kunnen korte tijd overleven op het land, maar ze drogen zeer snel uit. Meestal weerhoudt dat hen er niet van hun geluk toch te beproeven. Wetenschappers over de hele wereld kunnen de meest hilarische verhalen vertellen over hoe octopussen uit hun aquarium ontsnappen, hoe ze ’s nachts stiekem andere tanks binnensluipen om op vis te jagen, hoe ze hele laboratoria onder water zetten door de afvoer te blokkeren, of hoe ze kortsluiting veroorzaken met een waterstraal. ‘We verzwaarden de deksels van onze aquaria met betonblokken, maar die konden ze omhoogtillen,’ zegt Alix Harvey. ‘We hebben kleine exemplaren gehad die via de afvoer uitbraken en andere ontsnapte uit de ene emmer en klom een andere in.’ Octopussen ontsnappen als het goed met ze gaat. Als ze niet ontsnappen, betekent het dat ze niet in orde zijn.

    Nog een argument tegen de kwekerij: octopussen zijn – net als veel andere vissen die in kwekerijen worden gekweekt – carnivoren. Dit betekent dat er vis voor ze moet worden gevangen: aquaculturen maken de zee extra leeg. Van de wereldwijd gevangen of gekweekte vis is 88 procent bestemd voor menselijke consumptie, de rest wordt grotendeels gebruikt als voer in kwekerijen.

    David Chavarrías is zich van dit probleem bewust en legt uit dat de octopussen worden gevoed met visafval en algen. Hun FIFO (‘fish-in, fish-out’-ratio) laat zien hoe effectief ze dit voedsel omzetten in lichaamsgewicht. Het is 2,5:1 en moet worden teruggebracht tot 2:1, aldus Chavarrías. Dat betekent dat de octopussen 2 kilo voedsel omzetten in zo‘n 1 kilo lichaamsgewicht.

    Alex Schnell gaat eerder uit van een verhouding van 3:1. Voor labtechnicus Alix Harvey is het voedsel alleen al reden genoeg om tegen kwekerijen te zijn. ‘In het beste geval moeten octopussen levend voedsel krijgen,’ zegt ze. Uiteindelijk kunnen ze gewend raken aan dood voedsel, maar algen en visafval is weer een ander verhaal.

    ‘(…) de enige werkelijkheid in de leegte bestaat uit hun eigen lusteloosheid of hyperactiviteit’, schreef John Berger over dieren in gevangenschap. ‘Ze hebben niets om hun energie op te richten – behalve, even, het voer dat ze krijgen en, zo heel af en toe, de partner die men hun toewijst.’

    Octopus’s Garden

    Maar hoe leeft een octopus in vrijheid, van wie zwemt hij weg, wat verkent hij en hoe reageert hij op mensen? Om dat te ontdekken, ontmoet ik Lucas Martins in Sesimbra, zo’n veertig kilometer ten zuiden van Lissabon. Lucas duikt hier al jaren en hij zegt dat hij op deze plek altijd octopussen tegenkomt. We trekken dikke wetsuits aan, neopreen schoenen en neopreen mutsen, de Atlantische Oceaan is koud. Een motorboot brengt ons het water op, dan doen we zuurstofflessen en loodgordels om, zetten vinnen en brillen op en laten ons achterover in het water vallen.

    In de Oscarwinnende film My Octopus Teacher laat natuurfilmmaker Craig Foster het grootste deel van zijn uitrusting achterwege om dichter bij de octopus te komen, maar ik ben noch getraind voor de kou, noch voor apneuduiken. Luid borrelend zakken we naar de zeebodem, waar we op zoek gaan naar het dier dat zich beter kan camoufleren dan bijna elk ander dier.

    ‘We would sing and dance around / Because we know we can’t be found‘  [‘We zouden in de rondte zingen en dansen, want we weten toch dat we niet gevonden worden’] zingt Ringo Starr in het Beatles-nummer Octopus’s Garden. En inderdaad, eerst lijkt het erop dat de octopussen niet gevonden kunnen worden. Een half uur lang kijken we tevergeefs in elk gat en onder elke rots. Dan stopt Lucas voor iets dat in mijn ogen op een steen lijkt. Bij nader inzien herken ook ik de octopus, die perfect de kleur van de zandbodem heeft aangenomen. Als we dichterbij komen, realiseert het dier zich dat zijn camouflage niet werkt. Hij zweeft omhoog, verandert in bleekwit alsof hij zijn zandkleurige vacht heeft laten vallen, en schiet weg. Ik had mijn opwinding willen uiten, maar ik heb een ademautomaat in mijn mond en bevind me zo’n 15 meter onder het wateroppervlak. Dus Lucas en ik geven elkaar alleen het oké-teken: duim en wijsvinger gesloten in een cirkel.

    We komen een tweede, derde en vierde octopus tegen die dag. Ze persen zich in spleten, nemen de kleur aan van de rode algen die hier in het water dobberen, trekken zich met hun tentakels aan rotsen op, vormen kleine stekels over het hele oppervlak van hun lichaam om onmiddellijk daarna te veranderen in een diepe tint blauw.

    Hun hele wezen is ontworpen voor camouflage

    Hun hele wezen is ontworpen voor camouflage – camerabeelden met hoge resolutie lieten zelfs zien dat ze met hun inktwolken fantoombeelden van zichzelf creëren om hun aanvallers te verwarren.

    Met hun ogen, die zo vertrouwd menselijk lijken, taxeren ze Lucas en mij tijdens onze duiken. Maar Lucas’ hand aanraken, dat willen ze niet. Ik denk aan Alix Harvey, die mij vertelde dat ze er als kind van droomde een hechte vriendschap te sluiten met een wild dier, zoals waarschijnlijk veel kinderen. Zij gelooft dat we die droom nooit helemaal ontgroeien. Het is deze droom die filmmaker Craig Foster werkelijkheid heeft laten worden, of op z’n minst de illusie ervan. Hij hield van de octopus, maar hield die ook van hem?

    Het doet er niet toe. Een dier hoeft zijn genegenheid niet te tonen om respect te verdienen. Een octopus hoeft zijn tentakels niet uit te steken als wij hem onze hand reiken. Hij kan ook een wolk inkt uitstoten en wegzwemmen, zoals de meeste octopussen op een bepaald moment na onze ontmoeting doen.

    ‘Oh what joy for every girl and boy / Knowing they’re happy and they’re safe’ [‘Oh, wat een vreugde is het voor alle meisjes en jongens om te weten dat ze gelukkig zijn en veilig‘] zingt Ringo Starr tegen het einde van Octopus’s Garden. Hij schreef het in 1968 in Sardinië, waar een schipper hem had verteld hoe octopussen stenen en schelpen verzamelen om tuintjes aan te leggen voor hun holen. The Beatles lagen overhoop in die tijd en Starr droomde zichzelf naar deze fantastisch klinkende plek. Hij kon niet weten dat die tuintjes vierenvijftig jaar later zouden veranderen in kooien.

  • Louter weefsel

    Louter weefsel

    Qua intelligentie kan de octopus zich meten met zoogdieren en vogels. Maar van binnen zit het weekdier anders in elkaar dan gewervelden. Het hele lichaam van dit wonderlijke schepsel is vergeven van de neuronen. De octopus denkt met acht tentakels en ziet door zijn huid. Filosoof en Oxford-docent Amia Srinivasan schreef voor London Review of Books een allesomvattend essay over The Sucker.

    In 1815, vijftien jaar voor de publicatie van zijn beroemdste werk, De grote golf van Kanagawa, bracht Hokusai een driedelig boek met erotische prenten uit. Dat bevat een houtsnede die in het 
Westen bekendstaat als Droom van een vissersvrouw, de Japanse titel luidt Tako to ama: ‘Octopus en duikster’. Daarop ligt een naakte vrouw met de benen wijd en de ogen dicht op haar rug terwijl ze wordt gebeft door een enorme rode octopus. De ogen van het dier bollen op tussen haar gespreide benen en zijn tentakels kronkelen zich om haar sidderende lijf. Een tweede, kleinere octopus duwt zijn bek in de mond van de vrouw en krult het tipje van een tentakel om haar linkertepel. Europese critici zagen er een verkrachtingsscène in, maar zij konden geen Japans lezen.

    Volgens de tekst die de lege vlakken rond de figuren opvult, verzucht de duikster: ‘O, akelige octopus! Je laat me naar adem happen met je gesabbel aan de mond van mijn baarmoeder! O! Ja… dáár! Met de zuignap, de zuignap! (…) Daar, daar! (…) Voorheen werd ik juist door mannen voor octopus uitgemaakt! Een octopus! (…) Hoe doe je dat? (…) O! Grenzen en contouren vervagen! Ik verdwijn!’

    De octopus overschrijdt grenzen. Een lichaam van louter weefsel, één groot week deel zonder vaste vorm of beenderen. Zelfs grote octopussen – de grootste soort, de reuzenkraak, heeft armen van meer dan 6 meter en weegt bijna 50 kilo – passen door een spleet van krap 3 centimeter, ongeveer zo groot als hun ogen. Tel daarbij hun aanzienlijke spierkracht op – een volwassen reuzenkraak kan 
met elk van zijn 1600 zuignappen 15 kilo tillen – en je begrijpt dat octopussen moeilijk in gevangenschap te houden zijn.

    Ze weten vaak door de kleinste gaatjes uit een bassin te ontsnappen. Sommige dieren slagen erin het deksel van het bassin te tillen en over de vloer naar een ander bassin te kruipen op zoek naar een lekker hapje, of naar de dichtstbijzijnde afvoer, en van daaruit wellicht terug naar zee.

    Gewiekste probleemoplossers

    Octopussen hebben geen vaste kleur of textuur, 
die passen ze aan hun omgeving aan: een octopus met een schutkleur kan van een meter afstand al onzichtbaar zijn. Ze hebben net als mensen een centraal zenuwstelsel, maar bij deze dieren is er geen duidelijk onderscheid tussen lichaam en brein. De neuronen van een octopus zitten door zijn hele lichaam verspreid, twee derde ervan zit in zijn armen: die kunnen allemaal op eigen houtje handelen, prooien vangen en dingen vastgrijpen. Evolutionair gezien is de intelligentie van de octopus een abnormaliteit.

    De laatste gezamenlijke voorouder van de octopus enerzijds en mensen en andere intelligente dieren (apen, dolfijnen, honden, kraaien) anderzijds was waarschijnlijk een soort primitieve, blinde worm die zeshonderd miljoen jaar geleden leefde. Andere dieren die evolutionair zo ver van ons afstaan – kreeften, slakken, mossels – scoren vrij laag op denkvermogen. Maar octopussen, en tot op zekere hoogte ook hun koppotige 
neefjes de pijlinktvis en de zeekat, doorkruisen de overzichtelijke evolutionaire indeling tussen slimme gewervelden aan de ene en domme ongewervelden aan de andere kant.

    Octopussen zijn gewiekste probleemoplossers, geven blijk van lerend vermogen, kunnen werktuigen gebruiken en tonen zich in staat tot nabootsing, bedrog en volgens sommigen zelfs humor. Hoe verfijnd hun vaardigheden precies zijn, daarover is de wetenschap het nog niet eens: doordat ze zo zonderling zijn, zijn ze ook lastig te bestuderen. Hun intelligentie lijkt op de onze, maar is toch ook weer totaal anders. Wellicht komt dit wonderlijke wezen nog het meest overeen met hoe wij ons intelligent buitenaards leven voorstellen.

    De filosoof Peter Godfrey-Smith is ook een duiker die jarenlang octopussen 
en andere inktvissen in het wild heeft geobserveerd, vooral in zee bij Sydney, waar hij woont. Voor hem is het zonderlinge karakter van de octopus een ideaal uitgangspunt voor bespiegelingen over het wezen van intelligentie en bewustzijn zonder deze meteen te projecteren op menselijke vormen. Doordat deze soort evolutionair zo 
ver van ons afstaat, is de octopus een ‘onafhankelijk experiment in de evolutie van grote hersenen en complex gedrag’.

    Voor zover we er intelligent contact mee kunnen hebben – het dier kunnen begrijpen en 
zorgen dat het ons begrijpt – is dat niet vanwege 
‘een gezamenlijk verleden of natuurlijke verwantschap, maar doordat de evolutie tweemaal bezig is geweest met het ontwikkelen van hersenen’. Het grootste potentiële probleem is dat de evolutionaire kloof tussen ons en de octopus te groot is om wederzijds begrip mogelijk te maken. In dat geval leert de octopus ons iets over de grenzen van ons bevattingsvermogen.

    Met behulp van hun geheugen kunnen octopussen eenvoudige puzzels oplossen en een kindveilige dop van een fles draaien om aan eten te komen

    Een octopus is een weekdier met acht ledematen. Rond een scherpe, hoornachtige bek zitten acht armen, die van begin tot eind met zuignappen zijn bedekt. Elk daarvan kan een prooi vangen en die via de zuignappen, als over een lopende band, naar de bek voeren – in dat opzicht kun je de armen van de octopus ook als lippen beschouwen. Boven op de armen rust de kop, waar de hersenen zetelen, en twee grote ogen met als pupillen horizontale streepjes, als kattenogen die een kwartslag zijn gedraaid.

    Achter de kop zit de mantel, een zakvormige massa die de ingewanden en organen bevat, waaronder drie harten, die het blauwgroene bloed rondpompen. 
Aan de mantel hangt een buisvormig aanhangsel, 
de sifon, waarmee de octopus zichzelf voortstuwt, uitwerpselen loost en vijanden met inkt bestookt. Een volwassen octopus kan in grootte variëren van de reuzenkraak, met zijn armen van zes meter, tot 
de tweeënhalve centimeter grote Octopus wolfi, die nog geen gram weegt.

    Uniek monster

    Linnaeus noemde de octopus een singulare monstrum, ‘een uniek monster’. Erik Pontoppidan, de bisschop van Bergen, beschreef in zijn Natuurlijke Historie van Noorwegen (1755) de Kraken, een reusachtig zeemonster dat op een octopus leek en in staat zou zijn ‘het grootste slagschip’ naar de kelder te helpen met zijn tentakels of door de draaikolk die ontstond als het de diepte in dook. Een soortgelijk schepsel, de Akkorokamui, met enorme ogen en armen die het dier zelf kan afstoten en weer laten aangroeien, komt voor in de volksverhalen van de Aino en wordt overal in Japan nog in Shinto-tempels vereerd. Victor Hugo’s roman Les travailleurs de la mer bevat een lange beschrijving van de octopus of ‘duivelsvis’:

    Zou verschrikking het doel van de schepping zijn geweest, dan was er geen volmaakter schepsel dan de duivelsvis. (…) Deze vormeloze massa zwemt langzaam op je af. Ineens dijt die massa uit en schieten er acht stralen tevoorschijn uit een gezicht met twee ogen. Die stralen leven: ze kronkelen als likkende vlammen. (…) Gruwelijk groot zwelt het [beest] op! (…) Wurgende armen, verlammend huidcontact. Als schurftig of rottend vlees ziet het eruit. Een monsterlijke vleesgeworden ziekte. (…) Onder aan elk van die tentakels zitten twee rijen puistvormige pukkels, steeds kleiner naar het einde toe. (…) Weke massa’s zijn het, rond, eeltig en asgrauw. (…) Een kleverige dril, voorzien van een boosaardige wil: bestaat er iets verschrikkelijkers?

    Kleverig zijn octopussen inderdaad. Volgens Sy Montgomery, auteur van het voortreffelijke The Soul of an Octopus, voelt het slijm op de huid van een octopus aan als een mengsel van kwijl en snot. Maar boosaardig is de octopus allerminst, althans niet tegen mensen. Een doodenkele keer wordt een mens aangevallen, wordt een giftige beet uitgedeeld of een camera gestolen als ze zich bedreigd of geïrriteerd voelen, maar over het algemeen zijn het zachtaardige en nieuwsgierige dieren. (Vissers daarentegen doden octopussen vaak door de hersenen eruit te bijten, en in veel landen worden ze levend gegeten.)

    Duikers die octopussen in het wild tegenkomen, worden vaak met een of twee tentakels voorzichtig afgetast, en soms bij de hand genomen en meegetroond voor een rondleiding door de buurt. Aristoteles verwarde die nieuwsgierigheid met gebrek aan intelligentie en noemde de octopus een ‘dom schepsel’ omdat het dier zo gretig op de uitgestoken hand van een mens afkomt. Octopussen kunnen mensen herkennen en reageren vaak verschillend op verschillende personen: de een krijgt een aai van de armen, de ander wordt met de sifon bespoten.

    Dat is opvallend voor zo’n sterk solitair dier. Ze leven immers alleen en sterven vrij snel nadat hun jongen uit het ei komen. Het mannetje blijft tijdens de paring zo ver mogelijk bij het wijfje vandaan om te voorkomen dat hij door haar wordt opgegeten, hij strekt alleen één behoedzame arm met een pakketje sperma richting haar sifon.

    De droom van een vissersvrouw, erotische houtsnede van Katsushika Hokusai 1814.
    De droom van een vissersvrouw, erotische houtsnede van Katsushika Hokusai 1814.

    Maar hoe slim zijn octopussen precies? Ze hebben een half miljard neuronen, ongeveer evenveel als een hond. (Een mens heeft er honderd miljard.) Hun hersenen zijn ook vrij omvangrijk in verhouding tot hun lichaamsgrootte, een teken van hun ‘investering’ in intelligentie. Maar deze cijfers geven slechts een heel grove indicatie van dierlijke intelligentie. Het aantal neurale verbindingen en de complexiteit van dat netwerk spelen ook een rol. (Kraaien en papegaaien hebben kleine hersenen, maar zijn in recent onderzoek toch zeer intelligent gebleken.)

    En de verhouding tussen brein en lichaamsgrootte gaat voorbij aan het feit dat de meeste neuronen van de octopus zich buiten zijn hersenen bevinden. Bovendien hebben zijn hersenen een totaal andere structuur dan 
de onze. Zelfs de hersenen van vogels en vissen vertonen een sterke structurele gelijkenis met het menselijk brein, maar de hersenen van de octopus zijn naar een heel ander model gebouwd.

    Omdat de vergelijking met onze hersenen dus weinig zegt, wordt het gedrag van de octopus als de beste potentiële graadmeter voor zijn cognitieve vermogens beschouwd. Maar daarbij stuiten wetenschappers vaak op wat Godfrey-Smith de ‘discrepantie’ tussen anekdotisch bewijs en experimenteel onderzoek noemt. Octopussen presteren in het laboratorium redelijk goed: ze kunnen de weg vinden in een doolhof, met behulp van hun geheugen eenvoudige puzzels oplossen, een deksel van een potje of een kindveilige dop van een fles draaien om aan eten te komen. (Er is zelfs gefilmd hoe een octopus het deksel van een potje schroeft van binnenuit.)

    Maar het kost soms verrassend veel tijd om een octopus iets nieuws te leren, wat volgens sommige onderzoekers wijst op hun cognitieve beperkingen. Veel van het eerste onderzoek naar de intelligentie van octopussen is uitgevoerd in het Stazione Zoologica in Napels. Peter Dews, een psychobioloog van Harvard, leerde daar in 1959 drie octopussen een hendel over te halen om een stukje sardine te bemachtigen. Twee van de drie, Albert en Bertram, haalden de hendel ‘redelijk regelmatig’ over. De derde, Charles, deed het met veel kracht, door zich met zijn armen af te zetten tegen de zijkant van het bassin, tot hij de hendel uiteindelijk brak en het experiment voortijdig moest worden beëindigd.

    Dews wist ook te melden dat Charles herhaaldelijk een lamp het water in trok en ‘de sterke neiging vertoonde om water over de rand te spuiten; vooral (…) in de richting van de onderzoeker’. ‘Dit gedrag,’ schreef Dews, ‘stond een soepel verloop van de experimenten in de weg en (…) is duidelijk niet verenigbaar met het overhalen van hendels.’ Hij achtte zijn experiment deels mislukt. Volgens Godfrey-Smith typeert dit ‘het probleem met octopusgedrag’. Het zijn bijzonder nieuwsgierige beesten die er een handje van hebben om voorwerpen voor hun eigen doeleinden te gebruiken. Misschien hebben ze moeite met het aanleren van sommige handelingen. Of misschien hebben ze gewoon wel wat beters te doen.

    Als octopussen in gevangenschap leven, lijken ze zich daarvan bewust te zijn. Ze passen zich aan, maar bieden ook verzet. Als ze proberen te ontsnappen, wat ze veelvuldig doen, wachten ze vaak een moment af dat ze niet in de gaten worden gehouden. Octopussen hebben bassins in laboratoria laten overlopen door met hun tentakels de afvoer te verstoppen. Een octopus aan de universiteit van Otago veroorzaakte zo vaak kortsluiting – door water te spuiten naar de lampen boven de bassins – dat hij weer moest worden losgelaten in zee. Jean Boal, inktvisonderzoeker aan de Millersville University in Pennsylvania, beschreef wat er gebeurde toen ze een rijtje bassins afliep om octopussen ontdooide pijlinktvis te voeren, niet echt hun lievelingshapje.

    Toen Boal terugliep, zag ze dat de octopus in het eerste bassin de pijlinktvis niet had opgegeten, maar in zijn uitgestoken arm hield. Naar Boal kijkend kroop hij over de bodem van het bassin langzaam naar de afvoer en duwde de pijlinktvis daarin. (Volgens de Romeinse redenaar Claudius Aelianus uit de derde eeuw na Christus, die zich beter in de octopus kon verplaatsen dan Aristoteles, waren zijn twee hoofdkenmerken ‘ondeugd en sluwheid’.)

    Hoe voelt het om een octopus te zijn? Is dat überhaupt een gevoel? Of is de octopus, zoals Godfrey-Smith het uitdrukt, ‘gewoon een biochemisch machientje waarbinnen slechts duisternis heerst’? Zulke vragen – ‘hoe is het om een vleermuis te zijn?’ vroeg Thomas Nagel in een zeer invloedrijk essay uit 1974 – zijn alternatieve vormen van de filosofische vraag of een dier bewustzijn heeft. Voor veel filosofen is de bewustzijnsvraag een kwestie van alles of niets: je hebt het of je hebt het niet. Mensen hebben het, chimpansees en dolfijnen misschien ook.

    Muizen, mieren en amoebes vermoedelijk niet. Dat het zo’n alles-of-nietskwestie is, heeft ermee te maken dat we ons moeilijk kunnen voorstellen dat er verschillende gradaties van bewustzijn zijn. Andere cognitieve eigenschappen, zoals geheugen, taalvermogen en oplossend vermogen, zijn vaardigheden die van individu tot individu en van soort tot soort kunnen verschillen. Het is lastiger om je voor te stellen hoe de mate van bewustzijn kan variëren.

    Hoe voelt het om een octopus te zijn? Is dat überhaupt een gevoel?

    Zoals Godfrey-Smith het formuleert: ‘hoe kan een dier maar half voelen hoe het is om dat dier te zijn?’ Maar als bewustzijn iets natuurlijks is, iets wat mettertijd is geëvolueerd, is het ook niet waarschijnlijk dat het zich in de evolutionaire geschiedenis op enig moment zomaar ineens, volledig gevormd, heeft aangediend. Godfrey-Smith gaat ervan uit dat bewustzijn een product van de evolutie is en accepteert de logische gevolgtrekking dat er dan ook primitievere voorlopers moeten zijn: dat er dus toch gradaties van bewustzijn bestaan.

    In zijn ogen is bewustzijn – het bezit van een ‘inwendig’ model van de ‘uitwendige’ wereld, een geïntegreerd, subjectief wereldbeeld – niet meer dan een hoogontwikkelde vorm van wat hij ‘subjectieve ervaring’ noemt. Volgens Godfrey-Smith beschikken veel dieren over een zekere mate van subjectieve ervaring, al kun je dat nog geen volwaardig bewustzijn noemen. Hij wijst op wat de fysioloog Derek Denton de ‘oeremoties’ noemde: dorst, ademnood, fysieke pijn.

    Deze gewaarwordingen breken in onze hogere mentale processen in en laten zich niet onderdrukken. Ze grijpen terug op een meer elementaire ervaring van de wereld – een ervaring die volgens Godfrey-Smith geen verfijnd mentaal model van de wereld vereist. Denk je, vraagt hij, dat pijn, dorst of ademnood ‘alleen worden gevoeld bij de gratie van verfijnde cognitieve processen die pas in een laat stadium van de evolutie van zoogdieren zijn ontstaan? Lijkt me niet.’

    © Vlad Tchompalov
    © Vlad Tchompalov

    Zijn punt wordt onderstreept door het fenomeen pijn bij dieren. Simpele dieren lijken bij fysiek letsel een schrikreactie te vertonen, en er is experimenteel onderzoek dat erop lijkt te wijzen dat ze pijn ervaren, dat ze fysiek letsel onaangenaam vinden. Zebravissen die geïnjecteerd worden met een stofje waarvan wordt aangenomen dat het pijn veroorzaakt, verkiezen een minder aantrekkelijke omgeving als daar een pijnstillende stof in het water wordt verspreid. Ook kippen met letsel aan hun poten geven de voorkeur aan voer dat ze minder lekker vinden als daar een pijnstiller in zit.

    Insecten lijken geen pijn te voelen, die zwoegen zelfs bij ernstig letsel door alsof er niets aan de hand is. Maar garnalen en krabben wrijven over beschadigde lichaamsdelen, en ze doen dat minder als hun een pijnstiller wordt toegediend. Dit is allemaal geen sluitend bewijs dat dieren pijn ervaren – maar het is ook niet duidelijk wat wel sluitend bewijs zou zijn. Zoals Godfrey-Smith schrijft: ‘Je kunt nog steeds betwijfelen of deze dieren iets voelen, ja. Maar die twijfel kun je ook hebben over je buurman.’

    Als zelfs eenvoudige dieren al beschikken over elementaire vormen van bewustzijn of subjectieve ervaring, hoe zou dat dan kunnen voelen? Hoe voelt het om een gewonde krab te zijn? Daarvoor grijpt Godfrey-Smith naar een metafoor van de evolutietheoretici Simona Ginsburg en Eva Jablonka: witte ruis. Primitief bewustzijn, schrijft hij, is misschien zoiets als ‘geknetter van lichamelijke elektriciteit’, een ‘vaag gezoem’ dat in de loop van de evolutie aan complexiteit en helderheid wint.

    Menselijk bewustzijn

    Als er gradaties van bewustzijn bestaan, waar zit de octopus dan op die schaal? Het is vrijwel zeker dat octopussen pijn kunnen lijden. Ze wrijven over gewonde lichaamsdelen en schermen ze af, en ze worden daar niet graag aangeraakt. (Tot voor kort werden ze door onderzoekers zonder verdoving opengesneden, en bij oudere proeven werden vaak stroomstoten toegediend. Sinds 2010 is er een EU-richtlijn voor dierproeven, die inktvissen in dezelfde categorie plaatst als gewervelde dieren op grond van hun ‘vermogen om pijn, lijden, angst of blijvende schade te ervaren’.)

    Octopussen voelen niet alleen pijn, maar beschikken ook over verfijnde zintuiglijke vermogens: een uitstekend gezichtsvermogen en een scherpe smaak- en reukzin. Als je daarbij hun grote zenuwstelsel en hun complexe gedrag optelt, is het in de ogen van Godfrey-Smith vrijwel zeker dat octopussen een rijke subjectieve ervaring hebben. Maar misschien hebben ze meer dan dat. Sommige wetenschappers, met name Stanislas Dehaene, denken dat een bepaald type mentale processen, het type dat een rol speelt bij de uitvoering van nieuwe en langdurige taken, niet alleen hand in hand gaat met ons menselijk bewustzijn, maar zelfs helpt verklaren waarom wij over bewustzijn beschikken.

    De nieuwsgierigheid en het aanpassingsvermogen van de octopus doen Godfrey-Smith aan deze typisch menselijke vormen van intelligentie denken. En zo lijkt de octopus misschien meer op de mens dan we altijd dachten. De vraag hoe de subjectieve ervaring van een octopus eruit kan zien, wordt gecompliceerd door de vreemde relatie tussen zijn hersenen en zijn lichaam. Zijn armen bevatten meer neuronen dan zijn hersenen, zo’n tienduizend per zuignap. De armen hebben reuk- en smaakzin en een kortetermijngeheugen.

    En elke arm handelt met een grote mate van zelfstandigheid. Een geamputeerde arm kan nog steeds bewegen en dingen grijpen, pijnprikkels ontwijken en van kleur veranderen. (In The Soul of an Octopus fantaseert Montgomery over een octopus die de intelligentie van mensen onderzoekt door te kijken hoeveel kleurpatronen een afgehakte mensenarm in één seconde produceert.) Maar de hersenen van het dier kunnen de armen ook aansturen 
en ‘de touwtjes in handen nemen’ als dat nodig is, bijvoorbeeld om slechts één tastende tentakel uit te steken naar een vreemdeling.

    Godfrey-Smith oppert dat de octopus fenomenologisch hybride is: de armen zijn een deel van hemzelf, maar zijn in zekere zin ook ‘een ander’. Vandaar dat de octopus wel gezien wordt als mascotte van de ‘belichaamde cognitie’-beweging in de psychologie, die ervan uitgaat dat intelligentie iets is van het hele lichaam, door de wijze waarop dat lichaam bepaalde handelingen mogelijk of onmogelijk maakt. Dat de mens kan lopen, is in die zienswijze niet alleen een simpele functie van de hersenen die van bovenaf de ledematen aansturen, maar ook van onze gewrichten ten opzichte van elkaar. Zo bezien is ons lichaam een drager van informatie die ons handelen mogelijk maakt.

    Het lijdt geen twijfel dat het lichaam van een octopus radicaal van het onze verschilt, en dat de intelligentie van dat dier alleen kan worden begrepen door te begrijpen hoe die intelligentie is belichaamd. Maar door de octopus vanuit het standpunt van belichaamde cognitie te bekijken, doen we de vreemdheid van het dier misschien ook tekort. Over ons eigen lichaam denken we graag in termen van mogelijkheden en beperkingen, maar het lichaam van de octopus, zo zegt Godfrey-Smith, ‘is proteïsch, is een en al mogelijkheid’. Alleen al de vraag hoeveel zijn lichaam bijdraagt aan intelligent gedrag, veronderstelt een scheiding tussen lichaam en hersenen die voor de octopus niet lijkt op te gaan. Het hele lichaam van de octopus is vergeven van de neuronen. Het is geen object dat wordt aangestuurd door het denkende deel: zijn hele lijf is een denkend deel.

    © Elle Hughes
    © Elle Hughes

    Een andere eigenaardigheid die zich presenteert wanneer we ons proberen te verplaatsen in een octopus heeft te maken met hoe het dier zich verhoudt tot kleuren. De huid van een octopus is een soort gelaagd beeldscherm met kleurzakjes, zogenaamde chromatoforen, die de pixels zijn waarmee het dier naar believen van kleur kan veranderen, om op te gaan in zijn omgeving of juist een aanvaller af te schrikken. Eén soort, de Thaumoctopus mimicus, kan met wisselende vormen en kleuren meer dan vijftien verschillende dieren nabootsen, zoals platvissen, koraalduivels en zeeslangen.

    Ook lijkt de kleur van een octopus zijn stemming uit te drukken: sommige octopussen worden wit als ze lange tijd door een mens worden geaaid, of na de paring. Ze kunnen complexe patronen vertonen van stippels en strepen, knipperende kringen en golven van kleuren. Maar toch lijken de meeste inktvissen, en ook octopussen, kleurenblind te zijn. Hun ogen ontberen de fotoreceptoren die nodig zijn om kleur te kunnen waarnemen, en bij proeven blijken ze ook niet in staat verschillend gekleurde voorwerpen van elkaar te onderscheiden.

    Onderzoekers hebben onlangs ontdekt dat octopussen niet alleen fotoreceptoren in hun ogen hebben, maar ook in hun huid. Dat zou betekenen dat hun huid niet alleen kan ruiken en proeven maar ook kan zien, door visuele informatie naar de hersenen te sturen of zelf te verwerken. Beide mogelijkheden zijn even maf: ofwel de hele huid van de octopus functioneert als één groot oog, of het lichaam van de octopus ziet dingen buiten zijn hersenen om.

    En dat is nog niet het hele verhaal, want de fotoreceptoren in zijn huid kunnen evenmin kleuren zien als die in zijn ogen. De meest plausibele hypothese is voorlopig dat het dier dankzij een of andere complexe interactie tussen de fotoreceptoren en de chromatoforen kleuren kan vertonen die het zelf niet waarneemt.

    Het lichaam van de octopus is “proteïsch, is een en al mogelijkheid”

    Octopussen gebruiken hun vermogen om van kleur te veranderen voornamelijk ter camouflage en om te communiceren met andere octopussen. Maar soms vertonen ze ineens complexe kleurpatronen zonder schijnbare aanleiding, zonder dat er een natuurlijke vijand of andere octopus in de buurt is. Godfrey-Smith noemt zulke doelloze kleurveranderingen ‘chromatisch gebabbel’ en oppert dat het een onwillekeurige fysieke reflex is.

    Kan er toch iets van een bedoeling in schuilen? Zouden octopussen in zichzelf praten? Het probleem is dat octopussen geen taal lijken te hebben, en dus vermoedelijk evenmin in zichzelf kunnen praten als met anderen. (Wittgenstein poneerde immers dat het bestaan van een 
‘privétaal’, die slechts door één persoon gesproken en begrepen wordt, per definitie onmogelijk is. En of dat nu inderdaad categorisch onmogelijk is of niet, zo’n taal is in ieder geval evolutionair onwaarschijnlijk, want het vermogen om in jezelf te praten lijkt een latere internalisering te zijn van het vermogen om met anderen te praten.)

    Met de megapixels in zijn huid kan de octopus in theorie informatie van schier oneindige complexiteit uitbeelden – zijn lichaam heeft een expressieve bandbreedte waarvan een chimpansee of baviaan slechts kan dromen. Maar de meeste kleursignalen van octopussen lijken geen consistent effect op soortgenoten te hebben. Het zijn blijkbaar berichten zonder inhoud, woorden zonder betekenis.

    De meeste octopussen leven niet langer dan een jaar of twee. De reuzenkraak, de soort met de langste levensduur, leeft hooguit vier jaar. Zowel de wijfjes als de mannetjes paren maar één keer in hun leven en takelen daarna razendsnel af: ze krijgen witte plekken op hun huid, verliezen hun eetlust en vertonen klunzig en verward gedrag. De wijfjes verhongeren terwijl ze hun eitjes bewaken en de mannetjes dwalen doelloos door de oceaan tot ze ten prooi vallen aan roofdieren. De meeste intelligente dieren, maar ook sommige andere weekdieren, leven beduidend langer dan de octopus.

    Medawar-effect

    Waarom duurt het leven van de octopus zo kort? Evolutiebiologen verklaren veroudering doorgaans met het zogenaamde Medawar-effect: mutaties met een schadelijk effect dat zich vroeg in het leven manifesteert, worden door natuurlijke selectie geëlimineerd. Maar mutaties waarvan de schadelijke effecten zich pas op latere leeftijd aandienen, blijven in een populatie aanwezig. De meeste dieren zijn als gevolg van ziekte, ongevallen of natuurlijke vijanden al gestorven voordat ze de leeftijd bereiken waarop die ouderdomsmutaties kunnen optreden.

    Daardoor krijg je in elke dierenpopulatie een opeenhoping van mutaties met negatieve gezondheidseffecten op latere leeftijd, wat uiteindelijk de schijn van een voorgeprogrammeerde maximale levensduur wekt. Bij de octopus heeft dat Medawar-effect in combinatie met de excentrieke lichaamsbouw geresulteerd in deze ongewoon korte levensduur. Al vroeg in zijn evolutie heeft de octopus zijn beschermende schelp ingeruild voor een leven van onbegrensde mogelijkheden.

    De prijs daarvoor was een verhoogde kwetsbaarheid voor gewervelde roofdieren met tanden. Een dier met een week lichaam zonder schelp kan geen lang leven verwachten, dus mutaties met schadelijke effecten die zich al na enkele jaren manifesteren zullen zich gemakkelijk in de hele populatie verspreiden. Het resultaat is een leven dat rijk is aan subjectieve ervaring, maar opvallend kort van duur.

    Aquarium

    Deze zomer ben ik onderweg van San Francisco naar Los Angeles eens bij het Monterey Bay Aquarium gestopt om daar naar de octopussen te kijken. De permanente collectie bevatte toen twee reuzenkraken, maar er waren nog veel meer octopussen te zien in de tijdelijke show Tentacles, de grootste tentoonstelling van koppotigen ooit gehouden. Het was de tweede keer in mijn leven dat ik een levende octopus zag. (Aan de eettafel heb ik al meer dode octopussen gezien dan ik wil weten. Je kunt er heerlijke carpaccio van maken. Hoef ik nooit meer.)

    Mijn eerste keer was bij een strand op Mykonos, waar ik aan het snorkelen was. Er viel niet veel te zien op de zeebodem, alleen wat kleine kreeftjes en rondflitsende zilverkleurige visjes, tot ik een paar meter verderop ineens een rode massa zag, ongeveer zo groot als een kat, die me met één oog in de gaten hield. Ik bleef erboven hangen en staarde terug. De octopus maakte kleine, kalme bewegingen, strekte en krulde zijn armen, schuifelde over de bodem. Uiteindelijk kroop hij naar een stuk touw dat een eindje verderop lag en wikkelde zich daar omheen. Zijn lijf werd een bruin, pokdalig hoopje met één enkel spierwit oog, de pupil een zwart streepje. Toen ging dat oog dicht en was de octopus verdwenen.

    In Monterey zaten de twee reuzenkraken ieder in een bassin van enkele meters breed. De eerste was onstuimig, balde zijn lijf samen om het dan weer uit te rekken, strekte zijn armen en drukte zijn zuignappen tegen de wanden, bewoog zich spuitend en woelend door het water. Toeristen stonden druk te fotograferen, met flits, ondanks het bijschrift dat octopussen niet van fel licht houden. Kinderen gaven blijk van walging en bewondering. Bij zo’n octopus wordt je oog als vanzelf naar die kronkelende tentakels vol zuignappen en dat bobbelende lijf getrokken.

    De ogen lijken loom en lodderig. Alleen als je goed kijkt, zie je dat ze je in feite wijd open aanstaren. Ik keek de octopus in de ogen en zag dat hij me strak aankeek terwijl zijn lichaam achter hem opzwol en weer kromp. De tweede octopus was stiller, hing opgerold boven in haar bassin. Een paar doorzichtige strengen parelvormige eitjes zweefden ernaast, door haar gelegd en met veel moeite met de uiteinden van haar armen bijeengeveegd: het restant van de leg die de verzorgers uit het bassin hadden geschept. Haar huid was dof en wit. Ze lag op sterven.

    De logica van zo’n aquarium is net als bij een dierentuin de logica van de natuurbescherming: enkele dieren moeten hun vrijheid opofferen voor de bescherming van de hele soort. (‘Utilitarisme voor de dieren, kantianisme voor de mens,’ zoals de filosoof Robert Nozick schreef.) Dit principe wordt overtuigend gedemonstreerd in een aquarium zoals dat van Monterey, met zijn hypermoderne onderzoekscentrum, zijn beschermingsbeleid en zijn onderwijsprogramma. Veel dieren lijken het daar prima naar hun zin te hebben, voor zover te zien, en andere lijken niet eens te beseffen waar ze zijn.

    Veel van deze dieren leiden er ongetwijfeld een langer en gezonder leven dan ze in zee zouden hebben. Toch blijven er ethische vragen bestaan over dieren zoals octopussen, die zo duidelijk naar vrijheid verlangen. Vanuit ons gezichtspunt is het leven van een octopus in het wild misschien al inherent tragisch: sociale vermogens zonder sociaal verkeer, spreken zonder gehoord te worden, een leefwereld zonder levensduur. Een alien. Leek de octopus maar meer op ons, dan konden we hem misschien gemakkelijker met rust laten.

    Auteur: Amia Srinivasan

    Peter Godfrey-Smith: Other Minds: The Octopus and the Evolution of Intelligent Life, uitgever HarperCollins, 2017.

    Sy Montgomery: The Soul of an Octopus: A Surprising Exploration into the Wonder of Consciousness, uitgever
Simon & Schuster, 2016.

    London Review of Books
    Verenigd Koninkrijk | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 45.905

    Besteedt aandacht aan literatuur en politiek, in navolging van de prestigieuze New York Review of Books. Bij uitstek geschikt om op de hoogte te blijven van wat actueel is in de Angelsaksische letteren. Meer dan de helft van de oplage wordt in het buitenland verkocht.