Tag: olie-industrie

  • Ondanks sancties blijft Europa olie van Rusland kopen – en financiert zo de oorlog

    Ondanks sancties blijft Europa olie van Rusland kopen – en financiert zo de oorlog

    Hoewel de EU nieuwe sancties heeft ingesteld tegen de handel in Russische fossiele brandstoffen, blijven Europese tankers olie uit Rusland verschepen – en dus de Russische schatkist vullen. Het land verdient nog steeds ongeveer 640 miljoen euro per dag aan olie, kolen en gas.

    Ondanks een EU-embargo exporteren Europese schepen nog steeds miljoenen tonnen fossiele brandstoffen vanuit Rusland. Zo financieren ze een aanzienlijk deel van de oorlog die Vladimir Poetin in Oekraïne begon. De sancties gelden sinds begin december en zijn bedoeld om Rusland minder te laten verdienen aan de oliehandel met Europa. Ook moeten ze Europese rederijen ontmoedigen om Russische olie naar andere landen te vervoeren.

    Uit nieuw onderzoek van Investigate Europe en Reporters United, in samenwerking met Der Tagesspiegel, blijkt dat het embargo grotendeels zonder effect blijft. Rusland blijft profiteren van de export van fossiele brandstoffen – en Europese bedrijven helpen daarbij. Dit blijkt uit scheepsgegevens die het team van journalisten vijf maanden lang heeft verzameld.

    Uit het onderzoek blijkt dat het gesanctioneerde Russische staatsbedrijf Sovcomflot nog altijd handelspartner van Europa is

    Nadat de sancties begin december werden ingevoerd, hebben Europese vrachtschepen en tankers met een capaciteit van bijna 16 miljoen ton draagvermogen olie, kolen en gas uit Rusland geëxporteerd. De schepen vervoerden ongeveer 40 procent van de fossiele brandstoffen die sindsdien de Russische havens zijn uitgevaren.

    Van alle Europese scheepvaartsmaatschappijen doen Griekse rederijen de meeste zaken met Rusland. Maar ook schepen uit Italië, Noorwegen en Duitsland blijven vanuit Russische havens exporteren. Uit het onderzoek blijkt dat ook het Russische staatsbedrijf Sovcomflot, dat door de EU is gesanctioneerd, nog altijd handelspartner van Europa is.

    Oorlogskas

    Vorig jaar hebben de EU-lidstaten de handel in fossiele brandstoffen vanuit Rusland grotendeels aan banden gelegd. Sinds augustus geldt er een verbod op het vervoer van Russische kolen naar Europa, en sinds begin december mogen bedrijven ook geen Russische ruwe olie meer naar de EU verschepen. Naar andere landen mogen Europese rederijen en handelaren alleen ruwe olie uit Rusland vervoeren als deze landen niet meer betalen dan een maximumprijs, die vooraf door de EU-staten is vastgesteld.

    Ondanks deze embargo’s blijven veel Europese bedrijven goed verdienen aan de handel met Rusland. Of de rederijen en handelaren daarbij gemaakte afspraken overtreden, kan niet worden aangetoond aan de hand van openbare gegevens. Duidelijk is in ieder geval dat ze met hun handel de Russische oorlogskas spekken.

    Volgens openbaar toegankelijke gegevens vervoerden zij geen ruwe olie, maar zogenaamde olieproducten

    Voor het onderzoek analyseerden Investigate Europe en Reporters United de databanken van het Centre for Research on Energy and Clean Air (CREA) en Equasis, leverancier van scheepvaartgegevens.

    Volgens de onderzochte data verlieten tussen 5 december 2022 en 5 januari 2023 in totaal 689 schepen beladen met olie, kolen of gas de Russische havens. Hiervan kwamen 250 schepen uit Europa. De meeste waren gedekt door Europese verzekeraars.

    In de eerste maand na de invoering van de nieuwe sancties hebben binnen de EU vooral Griekse rederijen olie, kolen en gas uit Rusland geëxporteerd. Hun schepen legden in totaal 161 keer aan in Russische havens, met een capaciteit van 12 miljoen ton. Ook Duitse rederijen bleven handel drijven met Rusland: er zijn meer dan twintig gevallen bekend van tankers, met een totale capaciteit van bijna 1 miljoen ton, die vanuit Russische havens fossiele brandstoffen vervoerden.

    De hoeveelheid Russische brandstof die door EU-lidstaten wordt verscheept, is nauwelijks afgenomen

    Onderstaande tabel toont de totale hoeveelheid gas, olie en steenkool die volgens de onderzoeksgegevens tussen 24 februari en eind december vorig jaar vanuit Russische havens naar andere landen is verscheept. De zendingen zijn geordend naar het land waar de betreffende rederij is geregistreerd.
    1. Griekenland                                               135,8 miljoen ton
    2. China                                                          53,8
    3. Verenigde Arabische Emiraten                 35,5
    4. Rusland                                                      18,9
    5. Singapore                                                  17,4
    6. Turkije                                                       17,4
    7. Duitsland                                                   14,2
    8. Japan                                                          12,5
    9. Groot-Brittannië                                        11,3
    10. Monaco                                                     9,9

    Voor zover bekend hebben de Duitse rederijen met hun leveringen niet het embargo geschonden. Volgens openbaar toegankelijke gegevens vervoerden zij geen ruwe olie, maar zogenaamde olieproducten – en de EU zou de handel in bepaalde olieproducten pas begin februari verbieden.

    Onderstaande gegevens hebben betrekking op de export vanuit Russische havens. Het kan daarbij gaan om olie, gas en steenkool, maar ook afgeleide of verwerkte producten. De onderzochte periode loopt vanaf het begin van het embargo (5 december) tot en met 5 januari.

    De in Bremen gevestigde rederij German Tanker Shipping is verantwoordelijk voor vijftien van de twintig transporten. Tegenover Investigate Europe verklaarde een woordvoerder van het bedrijf dat de rederij ‘alle geldende sancties’ naleeft.

    Maar Svitlana Romanko, directeur van de Oekraïense hulporganisatie Razom We Stand, maakt zich zorgen. ‘Ik ben geschokt dat Europese scheepvaartmaatschappijen Russische olie en gas blijven exporteren,’ zegt ze. ‘Ik eis dat de EU-functionarissen die hiervoor verantwoordelijk zijn onmiddellijk uitzoeken of sancties niet zijn nageleefd en of bedrijven hier illegaal hebben samengewerkt met de Russische staat.’

    Het kan zijn dat deze transacties toch legaal waren vanwege een maas in de sancties

    Volgens de data-analyse van Investigate Europe en Reporters United hebben schepen met een totale capaciteit van acht miljoen ton tussen 5 december 2022 en 5 januari 2023 olie, kolen en gas vanuit Russische havens naar Europa geëxporteerd. Sinds begin december vorig jaar geldt een EU-embargo op de invoer van Russische ruwe olie. Maar de analyse wijst uit dat ook na het begin van de sancties in ten minste dertig gevallen ruwe olie vanuit Rusland naar Europa is verscheept. In achttien van die gevallen gebeurde dat met Europese schepen.

    Het kan zijn dat deze transacties toch legaal waren vanwege een maas in de sancties: schepen mogen nog steeds ruwe olie vanuit Russische havens exporteren als die olie oorspronkelijk uit een ander land komt.

    Export via andere landen

    Vanuit Kazachstan worden grote hoeveelheden ruwe olie verscheept naar de Russische havens in Novorossiysk en Oest-Loega. Drieëntwintig van de dertig ladingen ruwe olie die vorige maand de EU bereikten, zijn afkomstig uit Kazachstan. De scheepsterminal in Novorossiysk is onderdeel van het Caspian Pipeline Consortium (CPC), dat via pijpleidingen olie vanuit het westen van Kazachstan naar de haven aan de Zwarte Zee vervoert. De Russische staat heeft 24 procent van dat consortium in handen.

    Naar verluidt blijft de Russische regering naar manieren zoeken om ondanks de sancties toch fossiele brandstoffen naar de EU te kunnen exporteren. De Russische rederij Sovcomflot zou al begonnen zijn een deel van haar vloot over te dragen aan een onderneming die geregistreerd is in de Verenigde Arabische Emiraten. De EU heeft Sovcomflot gesanctioneerd, maar de rederij kan dankzij deze truc handel blijven drijven.

    Vooraanstaande managers van Sovcomflot staan in openbare registers vermeld als bestuurders van de onderneming Sun Ship Management. Die onderneming heeft de afgelopen maand al 39 transporten uitgevoerd, met een capaciteit van 3,2 miljoen ton. Zeven van die verschepingen hadden een haven in de EU als bestemming.

    Rusland verdient nog steeds ongeveer 640 miljoen euro per dag aan export

    Ondanks de EU-sancties blijft Rusland dus enorme hoeveelheden fossiele brandstoffen exporteren. De totale exportcapaciteit is vorig jaar nauwelijks afgenomen, maar tankers uit Russische havens gaan de laatste tijd vaker naar China, India en Turkije in plaats van naar Europa. Waar hun ladingen uiteindelijk terechtkomen, is moeilijk te traceren.

    De EU heeft naast het exportverbod ook een prijsplafond ingevoerd. In januari publiceerde het Centre for Research on Energy and Clean Air een onderzoek waaruit blijkt dat de wereldmarktprijzen van olie en gas weer aanzienlijk zijn gedaald als gevolg van die maatregel. Maar Rusland verdient nog steeds ongeveer 640 miljoen euro per dag aan export.

    Het probleem is volgens deskundigen dat China, India en Turkije, de nieuwe handelspartners van Rusland, zich niet aan dat prijsplafond houden. Bovendien ligt het plafond van 56 euro hoger dan de gemiddelde prijs van Russische ruwe olie. De Oekraïense president Volodymyr Zelensky noemt de regeling dan ook ‘zwak’. Samen met Polen en de Baltische staten heeft hij voor een aanzienlijk lager plafond gepleit.

  • In de Ecuadoraanse Amazone voeren de bewoners een lange strijd tegen oliewinning

    In de Ecuadoraanse Amazone voeren de bewoners een lange strijd tegen oliewinning

    Een referendum moet uitsluitsel geven over de vraag of de Ecuadoraanse regering ruwe olie mag exploiteren in een gebied van ruim 1 miljoen hectare met de grootste biodiversiteit ter wereld. De oorspronkelijke bewoners, de Waorani, doen er alles aan om hun leefomgeving te beschermen.

    Op 15 augustus 2013 maakte de president van Ecuador, Rafael Correa, de stopzetting van het Yasuní ITT-initiatief bekend. Het betrof een project dat was opgezet om de aanwezige aardolie in blok 43 van Nationaal Park Yasuní in de grond te houden. Dit park, het grootste beschermde gebied van Ecuador, beslaat meer dan een miljoen hectare verdeeld over de provincies Orellana en Pastaza, in het noordoosten van het Amazoneregenwoud.

    De annulering van het project liep vooruit op de plannen van de regering om genoemd blok te exploiteren, ook al bevond het zich in een van de gebieden met de grootste biodiversiteit ter wereld; dit gebied is door de Unesco uitgeroepen tot biosfeerreservaat en is domicilie van de Tagaeri en de Taromenane, de laatste inheemse groepen die in Ecuador in vrijwillig isolement leven. Vanwege de stopzetting vroeg het milieucollectief Yasu­nidos om een referendum, met de bedoeling de burgers zelf te laten beslissen. Tien jaar later, na talloze juridische obstakels, gaf het Constitutioneel Hof toestemming; het referendum zal nu op 20 augustus worden gehouden.

    Een dag na de gunstige beschikking om een referendum uit te schrijven begon de minister van Energie, Fernando Santos, over de te verwachten verliezen voor de staat als de exploitatie van blok ITT zou worden geblokkeerd: ‘Het gaat om 1,2 miljard dollar aan (jaarlijkse) inkomsten in een land met enorme problemen,’ zei hij. De regering gaf te kennen dat er irrationele verlangens ten grondslag lagen aan het verzet tegen het genereren van inkomsten die overduidelijk hard nodig waren. Ze liet welbewust de schaduwkanten van haar eigen pleidooi buiten beschouwing.

    Koolstofdioxide

    Het Yasuní ITT-initiatief hield in dat Ecuador zich verplichtte 846 miljoen vaten in de grond te houden, wat de uitstoot van 400 miljoen ton koolstofdioxide moest tegenhouden. In ruil daarvoor zou het land een financiële compensatie van de internationale gemeenschap krijgen van 3600 miljoen dollar, 50 procent van wat, heette het, de baten zouden zijn als de olie wel werd geëxploiteerd. Toen het initiatief, zes jaar nadat het was gelanceerd, werd afgeblazen, was er 13 miljoen dollar binnengekomen, amper 0,37 procent van het verwachte bedrag.

    Het Nationaal Park Yasuní, dat in 1989 door de Unesco tot biosfeerreservaat werd verklaard, en het aangrenzende Voorouderlijk Leefgebied van de Waorani behoren tot de gebieden met de hoogste biodiversiteit ter wereld. In het park wees de Ecuadoraanse staat in 1999 een zona intangible aan, een ‘onaantastbare zone’ (ongeveer 74 procent van het totale oppervlak), die eeuwig moest worden gevrijwaard van oliewinning. Het aardolieblok ITT grenst aan een deel van de onaantastbare zone, waar de Tagaeri en Taromenane wonen; zij zijn verwant zijn met de Waorani, een van de veertien oorspronkelijke inheemse groeperingen van het land.

    Tot halverwege de jaren vijftig leefden alle stammen met een Waorani-origine in vrijwillig isolement. Ze kregen met gedwongen verhuizing te maken toen zendelingen van het Linguïstisch Zomerinstituut hen, met toestemming van de staat, uit hun gebied weghaalden en verplaatsten naar een bepaald stuk grond met de bedoeling hen te ‘kerstenen’. Een deel van het territorium dat ze achterlieten werd prompt ingepikt door Texaco, waarmee het begin van de ecologische verwoesting door aardoliewinning een feit was.

    Toen in 2008 de huidige grondwet werd opgesteld, werd revolutionair genoeg gedecreteerd dat de natuur moest worden erkend als rechtspersoon en dat de inheemse dorpen moest worden gegarandeerd dat ze tevoren zouden worden geraadpleegd over eventuele exploitatieplannen van hun territorium. Niettemin verzocht de toenmalige president Correa het parlement met een beroep op dezelfde grondwet, na de mislukking van het Yasuní ITT-initiatief te hebben afgekondigd, om de exploitatie van de aardolie in blok ITT van nationaal belang te verklaren.

    Jongeren

    Uit verontwaardiging over de teleurstellende beschikking vormden leden van mensenrechtenorganisaties, milieuactivisten en feministen, veelal jongeren tussen de zestien en dertig, het collectief Yasunidos, een onafhankelijk front dat inmiddels alle kritische geluiden tegen het grove verdienmodel bundelt en van de casus Yasuní ITT zijn speerpunt heeft gemaakt.

    Niet veel later later deponeerde Yasunidos een vraag bij het Constitutioneel Hof om het genoemde referendum uit te schrijven: ‘Bent u het ermee eens dat de regering van Ecuador de ruwe olie van het ITT, bekend als blok 43, voor onbepaalde tijd in de grond houdt?’

    Tegen april 2014 waren vrijwillige inzamelaars erin geslaagd 757.623 handtekeningen binnen te halen, veel meer dan het vereiste aantal. Ze werden diezelfde maand ter verificatie overhandigd aan de Nationale Kiesraad. Maar via een proces dat jaren later frauduleus zou worden bevonden schrapte dat instituut meer dan vierhonderdduizend handtekeningen en weigerde het toestemming tot het referendum. Er werden de idiootste redenen aangevoerd om de ongeldigverklaring van de handtekeningen te onderbouwen: dat er alleen met een blauwe balpen mocht worden ingevuld, dat de formulieren niet allemaal even groot waren of evenveel wogen, dat de kopie van de achterkant van het identiteitsdocument van de inzamelaars ontbraken, dat iemand die Batman heette niet mocht tekenen, al zijn er in Ecuador mensen die zo heten en had inderdaad een zekere Batman zich pro Yasuní uitgesproken.

    Er was een kronkelig proces begonnen, waarin vanuit vijf regeringsinstanties een onbeschrijfelijke wirwar aan juridische beletselen naar voren kwam om maar te verhinderen dat het referendum werd uitgeschreven. Het proces zou tien jaar duren en drie regeringen overleven. ‘Het is duidelijk dat de staat, onafhankelijk van het zittende staatshoofd, waakt over de belangen van de grondstofwinning die het levensbloed van het kapitaal zijn,’ zegt zegt Pedro Bermeo, juridisch adviseur en spreekbuis van Yasunidos.

    Uiteindelijk, in september 2022, toen het Constitutioneel Hof erkende dat de rechten van Yasuní en de ondertekenaars waren geschonden, gaf de Landelijke Kiesraad dan toch toestemming voor het uitschrijven van het referendum. Wel moest nog de vraag worden goedgekeurd die tien jaar eerder was voorgelegd.

    De grootste armoede heeft zich juist in het Amazonegebied geconcentreerd

    Als de uitslag ‘ja’ wordt, zou dat de geleidelijke ontmanteling moeten betekenen van de olievelden die daar al in werking zijn. Niets had kunnen verhinderen dat dat gebeurde. In 2016, zodra de verklaring over het vermeende nationaal belang van kracht werd, begon het staatsoliebedrijf Petroamazonas met de exploitatie van de velden Tiputini en Tambobocha, en in 2022 ging het een stap verder met het bodemonderzoek van het Ishpingo-veld.

    Alicia Cahuiya en haar voorouders werden geboren in de gemeenschap Ñuneno, in het hart van wat nu het huidige Nationaal Park Yasuní is, in de zona intangible. Halverwege de jaren zeventig, toen ze zes maanden oud was, werden zij en haar familie uit hun grondgebied gehaald en overgeplaatst naar wat door de zendelingen als een protectoraat werd betiteld. Meer dan tien jaar lang woonden ze ver van hun geboortegrond.

    Alicia, nu zevenenveertig en moeder van vijf kinderen, begon ze zich af te vragen hoe die ondernemingen hun land konden binnenkomen zonder de daar wonende gemeenschappen te hebben geraadpleegd. Op haar vijftiende kwam ze al met vrouwen van haar eigen stam samen te komen om het verzet te organiseren en begon een politieke loopbaan die ze tot nu toe vastberaden heeft volgehouden.

    Op een gegeven moment besefte ze dat het complot tussen de staat en de zendelingen uiteindelijk zijn beslag kreeg dankzij de medewerking van corrupte leiders van hun eigen mensen die, in ruil voor privileges, de plundering toestonden. Om het recht op financiële autonomie te verkrijgen en politieke bewegingsvrijheid af te dwingen richtte ze de Amwae op, het Verbond van Waorani-vrouwen uit het Ecuadoraans Amazonegebied; later werd ze de op een na belangrijkste persoon van de Nawe, de organisatie die de hele Waorani-gemeenschap van Ecuador omvat.

    Economisch profijt

    Sinds Ecuador in 1972 veranderde in een olie exporterend land, heeft in de collectieve verbeelding het argument postgevat van economisch profijt als gevolg van de oliewinning. Dat groeide langzaamaan uit tot een panacee van jewelste: het zou een einde maken aan honger en armoede. Dit is doel niet gehaald, sterker nog, de grootste armoede heeft zich juist in het Amazonegebied geconcentreerd.

    Wat betreft de bodemonderzoeken in het Ishipingo-veld, het kwetsbaarste omdat het grenst aan de zona intangible, zei minister Santos begin mei in een lokale krant dat ‘het een teleurstelling was, omdat er een heel dikke teer naar boven kwam’.

    Vanwege alle complicaties die samenhangen met het oppompen van ruwe olie in blok ITT heeft [de nationale oliemaatschappij] Petroecuador erop gewezen dat van de 846 miljoen vaten die in 2007 werden geacht nog als oliereserve aanwezig te zijn, er vandaag de dag nog maar 136 miljoen resteren. Ter verdediging voerde het bedrijf aan dat de winst de komende 33 jaar zo’n 4800 miljoen dollar zou bedragen, dat wil zeggen 148 miljoen per jaar, een bedrag dat hooguit 0,47 procent van de nationale begroting in 2023 bedraagt.

    ‘De plek met de meeste biodiversiteit ter wereld wordt vernietigd vanwege een verwaarloosbaar getal,’ zegt Pedro Bermeo. Fernando Benalcázar, de voormalige onderminister van Mijnbouw, verdedigt de exploitatie van blok ITT en houdt vol dat juist het deel van het Nationaal Park Yasuní dat aangetast zou worden te verwaarlozen is. ‘Voorkomen dat beslag wordt gelegd op 85 hectare ten behoeve van 18 miljoen Ecuadoranen lijkt mij niet op z’n plaats,’ zei hij.

    Als een van de alternatieven voor het oliewinningsmodel stelt Bermeo het schrappen van de belastingvrijstellingen voor de rijksten van het land voor. Volgens gegevens van de Dienst Interne Inkomsten liep Ecuador om die reden in 2021 6338 miljoen dollar mis, wat per jaar alleen al zo’n 30 procent meer is dan wat het in 33 jaar zou ontvangen met de exploitatie van blok ITT.

    Als de inkomsten door de aardolieverkoop niet ten goede komen aan ontwikkeling, als ze bijna gelijk zijn aan wat wordt besteed aan het importeren van derivaten, als de reserves afnemen, wie wordt er dan rijker van die handel? ‘Dat zijn de grote ondernemingen die de branche diensten verlenen,’ antwoordt Ramiro Ávila, een raadsman van Yasuní en universitair hoogleraar.

    Als de uitslag ‘ja’ is, zouden olievelden in werking ontmanteld moeten worden

    Ecuador zou in een ander land veranderen sinds het een aardolie-economie werd. ‘De staat werd pas corrupt doordat er veel geld in het geding was,’ zegt Ávila. ‘Het exploitatiemodel is aan alle kanten corrupt: er wordt gesjoemeld om een aanbesteding te bemachtigen, en de winst te verdelen. Het is een ramp.’ Minister Santos zelf deed er een schepje bovenop in zijn inaugurale toespraak in oktober 2022. ‘De olie heeft vooruitgang gebracht, maar ook de kanker van de corruptie.’

    Ondanks de bewijzen waaruit de huidige zwakte van de economie blijkt en ondanks de veelsoortige schade van ecologische aard die de exploitatie veroorzaakt, zal Ecuador in de nabije toekomst niet kiezen voor een verantwoordelijker en rechtvaardiger beleid. Toch kan het tegenhouden van de exploitatie van blok ITT wel degelijk symbolische betekenis hebben. ‘Het land stort niet in als blok 43 niet langer wordt geëxploiteerd,’ zegt Ávila. ‘Maar als we daarvoor kiezen, kiezen we voor een manier van leven die niet is gebaseerd op de exploitatie van de mens of de agressieve uitputting van de natuur. Dat is wat er op het spel staat.’

    Lees ook:

  • Hoe Orbáns Hongarije van twee walletjes eet

    Hoe Orbáns Hongarije van twee walletjes eet

    Hoewel Hongarije meerdere EU-sancties tegen Rusland heeft gesteund, verzet Orbán zich tegen nieuwe maatregelen om bij het Kremlin in de gunst te blijven. Russisch gas wordt er niet goedkoper door, maar de regering-Orbán lijkt wel op een andere manier te profiteren.

    ‘Ik heb nog nooit aan zo’n lange tafel gezeten,’ grapte Viktor Orbán na zijn ontmoeting met Vladimir Poetin op 1 februari 2022. De Hongaarse premier was in Moskou, naar eigen zeggen op een ‘vredesmissie’ om de spanningen tussen ‘het Westen en het Oosten’ te verminderen. (Op dat moment waren meer dan honderdduizend Russische troepen gestationeerd aan de grens met Oekraïne.) Orbán pleitte voor een dialoog en stelde het ‘Hongaarse model’ voor als een uitweg. ‘We zijn lid van de NAVO en de Europese Unie. Toch kunnen we uitstekende betrekkingen met Rusland onderhouden. Dat is mogelijk. Wat hebben we daarvoor nodig? Wederzijds respect,’ zo stelde hij.

    Nog geen maand later, op 24 februari, staken Russische troepen de grens met Oekraïne over. De omvang van de aanval verraste de Hongaarse regering. ‘Zelfs in de vierentwintig uur voorafgaand aan de invasie van Oekraïne waren de Hongaarse inlichtingendiensten ervan overtuigd dat een grootschalige invasie ondenkbaar was,’ vertelt Szabolcs Panyi, onderzoeksjournalist bij Direkt36. ‘Ze waren er zeker van dat Rusland de Oekraïense hoofdstad niet zou aanvallen.’

    Terwijl Russische soldaten raketten afvuurden op Kyiv en andere Oekraïense steden, verklaarde Orbán in een video dat hij de invasie veroordeelde. Hongarije zou aan Oekraïne alleen humanitaire hulp bieden – en geen militaire steun. ‘We moeten alles aanpassen,’ zei Orbán twee dagen later tegen verslaggevers, terwijl hij op bezoek was bij een grenspost waar Oekraïense vluchtelingen aankwamen. Hij vertelde dat er al EU-sancties tegen Rusland in de maak waren, die ook door Hongarije gesteund zouden worden. ‘We gaan niets verhinderen,’ verzekerde de premier. ‘Dit is niet het moment om het beter te weten, maar om eensgezind te zijn – het is oorlog.’

    Volgens Panyi geloofden velen dat Orbán door de grootschalige invasie eindelijk gedwongen zou worden zijn controversiële pro-Kremlinbeleid op te geven en Oekraïne van Hongaarse steun te voorzien. Maar met de parlementsverkiezingen in het verschiet kozen Orbán en zijn rechtse Fidesz-partij voor een andere aanpak.

    ‘Luister, Viktor, weet je wel wat er nu allemaal in Marioepol gebeurt?’

    Ze beloofden humanitaire hulp maar weigerden toe te laten dat wapens vanuit Hongaars grondgebied naar Oekraïne werden vervoerd. Die maatregel moest ‘de veiligheid van Hongarije en de Hongaarse gemeenschap in Transkarpatië’ (een regio in het westen van Oekraïne) garanderen. Orbán sloot vervolgens sancties tegen Russische olie en gas uit, met als argument dat de Hongaarse economie ‘simpelweg niet kan functioneren’ zonder. Hij zorgde ervoor dat Fidesz gepresenteerd werd als de ‘partij van de vrede’. ‘De regering is erin geslaagd de toon van het debat te bepalen. Ze heeft de oppositiepartijen in feite gedwongen ermee in te stemmen, door te zeggen dat zij Hongarije zouden meetrekken in de oorlog als ze aan de macht zouden komen,’ aldus Zsuzsanna Vegh, gastonderzoeker bij het German Marshall Fund van de Verenigde Staten en docent en onderzoeker aan de Europese Universiteit Viadrina.

    Vanzelfsprekend wordt dit dubbelzinnige buitenlandse beleid niet goed ontvangen in Kyiv. Eind maart drong de Oekraïense president Volodymyr Zelensky er bij de Europese Raad op aan dat Hongarije een kant zou kiezen. ‘Je moet zelf beslissen bij wie je hoort. Jullie zijn een soevereine staat,’ zei hij. ‘Luister, Viktor, weet je wel wat er nu allemaal in Marioepol gebeurt?’

    Fidesz sleepte op 3 april 54 procent van de stemmen binnen, waardoor Orbán voor een vierde keer tot premier werd verkozen en zich verzekerd wist van een tweederdemeerderheid in het parlement. In zijn overwinningstoespraak noemde Orbán onder andere de Oekraïense president en ‘Brusselse bureaucraten’ zijn tegenstanders.

    ‘Business as usual’

    Na de verkiezingen gingen Orbán en zijn regering zich nog harder verzetten tegen sancties op Russische energie. De betrekkingen met het Kremlin werden steeds beter. ‘De regering-Orbán deed er alles aan om grote veranderingen in de relatie met Rusland te voorkomen,’ aldus Vegh. ‘De regering bleef de prioriteit geven aan economische verhoudingen en energierelaties en probeerde los daarvan ook zaken te doen zoals voorheen.’

    Dat hield in dat Hongarije een vrijstelling moest zien te verkrijgen van het EU-embargo op Russische olie. Onderdeel daarvan was een overeenkomst met Gazprom om de levering van Russisch gas op te voeren. Bovendien ging de regering door met de bouw van Paks II, een door Rusland gefinancierde kerncentrale. (De Internationale Investeringsbank van Rusland, waarmee andere EU-landen na de invasie van februari niet meer samenwerken, blijft ook vanuit Boedapest opereren.)

    Hongarije is voor 65 procent van zijn olie en 85 procent van zijn gas en nucleaire brandstof afhankelijk van Rusland. Opeenvolgende regeringen hebben weinig moeite gedaan om daarin verandering te brengen. Op de vraag hoe de energierelatie tussen Rusland en Hongarije de afgelopen elf maanden is veranderd, antwoordt energieanalist Nicholas Birman-Trickett dat die ‘relatief hetzelfde is gebleven’. Hongarije blijft vasthouden aan Russische energie-import, onder andere vanwege infrastructurele beperkingen. ‘En natuurlijk zet Orbán zijn relatie met het Kremlin graag in om concessies van de EU te eisen,’ aldus Birman-Trickett.

    ‘Orbán is altijd vrij transparant geweest over [het feit dat] zijn voorwaardelijke steun voor de sancties [tegen Rusland] afhankelijk was van de vraag of de Europese Unie ook iets voor hem zou doen,’ zegt politiek analist András Tóth-Czifra. Volgens Direkt36 hoopten Orbán en zijn regering bijvoorbeeld aanvankelijk dat de Europese Commissie miljarden euro’s aan coronaherstelfondsen (die wegens corruptie werden achtergehouden) zou vrijgeven als ‘beloning’ voor het steunen van de sancties.

    ‘De Hongaarse regering heeft zichzelf in hoge mate padafhankelijk gemaakt’

    Toen dat niet gebeurde, begon de Hongaarse regering haar EU-vetorecht in te zetten. Dat was een probleem, aangezien belangrijke zaken in de EU unaniem moeten worden goedgekeurd. De situatie kwam afgelopen november op scherp te staan, toen Hongarije dreigde om een financieel steunpakket van achttien miljard euro voor Oekraïne te blokkeren. De patstelling werd opgeheven met een compromis: de EU verminderde de financiering.

    ‘Uiteindelijk is het positief geweest dat de Hongaarse regering het gemeenschappelijke Europese [steun]pakket niet gevetood heeft. In december waren er echter al aanwijzingen dat de zesentwintig resterende EU-lidstaten mogelijk een andere weg inslaan wanneer Hongarije dwarsligt,’ aldus Vegh. ‘Ik denk dus dat Hongarije dit niet nog een keer voor elkaar krijgt.’

    Dat betekent echter niet dat Hongarije het niet zal proberen. Vorige week nog zei Orbán dat Hongarije zijn veto zou uitspreken over eventuele sancties tegen de Russische nucleaire sector. Dergelijke sancties noemde hij ‘volstrekt uit den boze’. Ook in Hongarije zelf slaat de antisanctieretoriek van het Fidesz-regime aan. Dat blijkt uit de aanloop naar een recente ‘nationale consultatie’ over de EU-sancties tegen Rusland. Uit de resultaten bleek dat 97 procent van de respondenten tegenstander was van sancties tegen Russische olie en gas. Critici benadrukken hierbij dat de respons laag was (17 procent van de kiesgerechtigden). Bovendien vinden ze dat de vragen misleidend waren: zo werd er gesproken van ‘Brusselse sancties’, maar er werd niet bij vermeld dat alle EU-lidstaten, waaronder Hongarije, elk sanctiepakket tot nu toe hebben goedgekeurd.

    Over de kosten en baten van een nauwe band met Rusland zegt Vegh dat er wat buitenlands beleid betreft ‘vooral sprake is van kosten’. De betrekkingen met Oekraïne hebben een historisch dieptepunt bereikt en Hongarije is verder verwijderd geraakt van zijn westerse bondgenoten. Toch lijkt het onwaarschijnlijk dat Hongarije zijn beleid binnenkort zal wijzigen. ‘De Hongaarse regering heeft zichzelf in hoge mate padafhankelijk gemaakt,’ legt ze uit. ‘Het is niet onmogelijk, maar het zou ontzettend moeilijk voor Orbán zijn om nu nog terug te krabbelen.’

    Angst en gunsten

    Toen hij in februari 2022 met Orbán aan de lange tafel zat, beweerde Poetin dat Hongarije, dankzij het meest recente langetermijncontract met Gazprom, ‘Russisch gas koopt tegen een prijs die vijf keer zo laag is als de Europese marktprijs’. Tijdens de daaropvolgende persconferentie verklaarde Orbán dat het Russische gas de reden was dat Hongarije jarenlang de tarieven voor nutsvoorzieningen kon bevriezen. ‘Als we Russisch gas hebben, kunnen we de Hongaarse huishoudens goedkoop bevoorraden (…). Zonder Russisch gas kunnen we dat niet,’ aldus de premier.

    Het prijsplafond is een van de ‘belangrijkste en meest symbolische beleidsmaatregelen’ van de regering-Orbán in de afgelopen tien jaar, aldus Tóth-Czifra. Dat plafond werd voor het eerst ingevoerd vóór de verkiezingen van 2014 en was tevens een belangrijk speerpunt in de herverkiezingscampagne van Orbán in 2022. Maar het verhaal over ‘goedkoop Russisch gas’ werd al snel ontkracht. Kort na de verkiezingen meldden de Hongaarse media (op basis van gegevens over de buitenlandse handel) dat de prijsformule van het ‘goedkope’ gas gekoppeld bleek te zijn aan de marktprijzen van de voorgaande maanden. In juli kondigde de Hongaarse regering een ‘energienoodtoestand’ af. Bovendien was er sprake van een flinke koerswijziging: er werden plannen aangekondigd om de prijsplafonds voor huishoudelijk gas- en elektriciteitsverbruik boven het nationale gemiddelde af te schaffen.

    De economische situatie van Hongarije liep najaar 2022 uit de hand. In november waren de voedselprijzen op jaarbasis met 49 procent gestegen en tegen het einde van het jaar bedroeg de inflatie 25 procent. Volgens Tóth-Czifra was dit ook grotendeels te wijten aan het feit dat het regeringsbeleid een averechts effect had.

    In december zag de regering van Orbán zich genoodzaakt om het prijsplafond voor brandstoffen op te heffen vanwege tekorten in het hele land. Ondertussen leidde een poging om de prijzen van basisvoedingsmiddelen aan banden te leggen ertoe dat handelaren vlak voor de feestdagen hun producten gingen rantsoeneren. ‘Eind vorig jaar, toen de gasprijzen in Europa al daalden, betaalde Hongarije aanzienlijk meer voor Russisch gas dan consumenten elders in Europa,’ aldus Tóth-Czifra.

    ‘Dat de Hongaarse regering deze gunsten aan Rusland wil verlenen, toont aan dat ze enigszins wanhopig is’

    György Matolcsy, gouverneur van de Hongaarse centrale bank, heeft alarm geslagen over het economische beleid van de regering. Hij noemt de prijsplafonds een ‘gebrekkige crisisstrategie’ en een aanjager van de inflatie. Maar in plaats van het roer om te gooien, kiezen Orbán en zijn regering ervoor naar anderen te wijzen – de EU-sancties tegen Rusland, welteverstaan. Onlangs benadrukte Péter Szijjártó, de Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken, in een interview dat de sancties hebben gefaald en dat ze meer schade hebben toegebracht aan de Europese economieën dan aan Rusland.

    ‘De Hongaarse regering is in feite gewoon bang dat de Russen de gastoevoer zullen stopzetten,’ zegt Panyi. Dat maakt hij onder andere op uit de ‘gunsten’ die Hongarije verleent om in de gratie van het Kremlin te blijven. Als voorbeeld draagt hij aan dat Hongarije door te lobbyen voor elkaar heeft gekregen dat Kirill, de patriarch van de Russisch-orthodoxe kerk, vrijgesteld wordt van sancties. Onlangs vertelden diplomatieke bronnen aan RFE/RL dat Hongarije bij de EU een verzoek heeft ingediend om negen mensen (te weten oligarchen en hun familieleden) van de sanctielijst tegen Rusland te verwijderen. ‘Dat de Hongaarse regering deze gunsten aan Rusland wil verlenen, toont wat mij betreft aan dat ze enigszins wanhopig is,’ aldus Panyi.

    Het Hongaarse regime zal hier toch op de een of andere manier van profiteren. ‘Waar het hier echt om gaat, is dat er bij alle soorten zakendeals [met Rusland] beschuldigingen van corruptie zijn geweest – of het nu ging om olie of gas, nucleaire deals of zelfs de aankoop van metrostellen in Boedapest,’ aldus Panyi. Hij verwijst hiermee naar zijn eerdere rapportages. ‘Er loopt een duidelijk geldspoor vanuit de Russische staatskas naar de broekzakken van mensen in de inner circle van premier Orbán.’

    Lees ook:

  • Polen krijgt geen aardolie meer van Rusland

    Polen krijgt geen aardolie meer van Rusland

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » De VS en Canada verbieden ambtenaren om TikTok te gebruiken

    » Afrika getroffen door ‘beangstigende’ cholera-epidemie

    Geen olie meer voor Polen via Droezjba-pijpleiding

    Het Poolse olieconcern Orlen krijgt geen aardolie meer uit Rusland, zo bracht het bedrijf zaterdag naar buiten. De leveringen via de Droezjba-pijpleiding aan Polen zijn door Rusland stopgezet. Tegelijkertijd, zo benadrukte Orlen, is het bedrijf helemaal voorbereid op een dergelijke situatie en kunnen leveringen aan zijn raffinaderijen volledig over zee plaatsvinden, schrijft Onet Wiadomosci.

    Het stopzetten van de olietoevoer via de pijpleiding zal geen gevolgen hebben voor de levering van de bedrijfsproducten aan Poolse klanten, waaronder benzine en diesel, aldus Orlen. De Russische aardolieleveringen dekten sinds begin februari 2023, toen het contract met het bedrijf Rosneft verlopen was, nog maar zo’n 10 procent van de vraag van Orlen naar deze grondstof. Het betrof uitsluitend de toevoer via pijpleidingen, waarvoor geen internationale sancties werden opgelegd.

    Een belangrijke handelspartner van het Poolse bedrijf is Saudi Aramco, de staatsoliemaatschappij van Saudi-Arabië

    Het Poolse olieconcern benadrukte dat het sinds het begin van de oorlog in Oekraïne de overzeese invoer van aardolie en kant-en-klare brandstoffen uit Rusland had stopgezet, lang voordat de EU-embargo’s op dergelijke leveringen werden ingesteld. Orlen moet het nu vooral hebben van import uit gebieden als de Noordzee, West-Afrika, de Middellandse Zee en de Perzische en Mexicaanse Golf. Een belangrijke handelspartner van het Poolse bedrijf is Saudi Aramco, de staatsoliemaatschappij van Saudi-Arabië, waarmee het in 2022 een overeenkomst is aangegaan inzake de levering van aardolie.

    Het Poolse bedrijf heeft nog een contract voor de levering van aardolie met het Russische bedrijf Tatneft dat geldig is tot eind 2024. Maar nu Rusland de kraan van de Droezjba-pijpleiding heeft dichtgedraaid, ontvangt het geen olie meer. Orlen verklaarde al eerder dat het de invoer zal stopzetten indien de EU passende sancties oplegt. Het bedrijf wilde het contract niet ontbinden, omdat dat het risico met zich meebrengt dat het een schadevergoeding moet betalen.

    Lees ook:

  • Links wint Noorse verkiezingen | Syrische regime rukt op in regio Idlib

    Links wint Noorse verkiezingen | Syrische regime rukt op in regio Idlib

    Linkse oppositie wint de parlementsverkiezingen in Noorwegen

    De linkse oppositie won de parlementsverkiezingen die zondag en maandag in Noorwegen werden gehouden, ‘na een verkiezingscampagne die werd gedomineerd door vragen over de toekomst van de olie-industrie, een sleutelsector voor de grootste producent van West-Europa’, schrijft The Guardian.

    ‘De precieze samenstelling van de “rood-groene” coalitie is nog lang niet duidelijk’

    ‘Jonas Gahr Støre van de Arbeiderspartij is klaar om premier te worden, maar staat voor moeilijke keuzes bij het vinden van bondgenoten’, voegt de Britse krant toe. Want ‘de precieze samenstelling van de “rood-groene” coalitie die het Scandinavische land zal leiden, is nog lang niet duidelijk’.


    Syrische regime rukt op naar regio Idlib

    ‘Na Deraa is het de beurt aan Idlib’, schrijft het pan-Arabische dagblad Al-Araby Al-Jadid. Na de rebellen in Deraa na twee maanden van belegering en gevechten te hebben gedwongen zich over te geven, richten het Syrische regime en zijn bondgenoten zich op het laatste grote jihadistische en rebellenbolwerk in het noordwesten van het land.

    Sinds begin juni zijn de bombardementen op de aan Turkije grenzende regio Idlib geïntensiveerd, met name in het zuiden van de provincie. Op 7 september was de stad Idlib het doelwit van pro-Syrische strijdkrachten en de Russische luchtmacht. De aanval, waarbij vier burgers omkwamen, is volgens de Libanese krant L’Orient-Le Jour de dodelijkste in Idlib in ongeveer tien maanden.

    Lees ook:


    VAE investeren in technologie

    De Verenigde Arabische Emiraten (VAE) willen de komende negen jaar vijftig nieuwe economische initiatieven lanceren om de concurrentiepositie te vergroten, schrijft Al-Jazeera. Daartoe willen de Emiraten 550 miljard dirham (circa 27 miljard euro) aan directe buitenlandse investeringen aantrekken, aldus regeringsfunctionarissen.

    De projecten, waarvan sommige afgelopen weekend werden onthuld, omvatten grote investeringen in technologie. Zo zullen de VAE en de Emirates Development Bank 5 miljard dirham investeren in industriële technologie en andere technologische sectoren, aldus minister van Industrie en Geavanceerde Technologie Sultan al Jaber tijdens een persconferentie.

    ‘De VAE streven ernaar om de komende vijftig jaar een wereldspeler te worden in verschillende sectoren’

    Daarnaast wordt gedacht aan het beschikbaar stellen van nieuwe visa om geschoolde arbeiders van elders aan te trekken. ‘De VAE streven ernaar om de komende vijftig jaar een wereldspeler te worden in verschillende sectoren’, aldus staatssecretaris voor Geavanceerde Technologie Sarah al-Amiris.

    De ambities van de VAE kunnen worden gezien als het gevolg van de toenemende economische rivaliteit met buurland Saoedi-Arabië om het belangrijkste handels- en zakencentrum van de regio te worden, analyseert Al-Jazeera.

  • Algerije censureert internetmedia | Denemarken stopt per 2050 met olie en gas

    Algerije censureert internetmedia | Denemarken stopt per 2050 met olie en gas

    Vorige week werden in Algerije opnieuw verschillende nieuwssites gecensureerd. Nu het hardhandig optreden tegen journalisten de laatste maanden gestaag is toegenomen, zoeken Algerijnen naar andere manieren om onafhankelijke nieuwsites te raadplegen.

    De nieuwssite Observ’Algérie schrijft dat het land te maken heeft met een nieuwe golf van censuur, waarbij onafhankelijke online media het doelwit zijn van het regime. Het journalistieke platform Twala, dat onlangs door een groep journalisten is opgezet, werd zonder enige vorm van uitleg en zonder proces door de autoriteiten gecensureerd. Daarover zegt Twala in een verklaring: ‘Wij spreken ons krachtig uit tegen de arbitraire censuur die de afgelopen jaren verschillende Algerijnse media heeft geraakt. Het is een aanslag op de persvrijheid en op de vrijheid van informatie in Algerije.’

    Het zijn niet alleen pas opgerichte media die het slachtoffer zijn van de Algerijnse repressie. Nadat journalist Khaled Drareni (zie afbeelding) afgelopen augustus tot drie jaar gevangenisstraf werd veroordeeld voor ‘het aanzetten tot een ongewapende opstand en het ondermijnen van de nationale eenheid’, heeft het regime zijn greep nog verder verscherpt door de door hem in 2017 opgerichte website, Casbah Tribune, te blokkeren. Drareni leverde kritiek op de regering en berichtte bijvoorbeeld openlijk over de keren dat hij werd meegenomen voor verhoor.

    ‘Trieste dag’

    ‘Het is een trieste dag’, schreef het Algerijnse dagblad Liberté in augustus. ‘Door Khaled Drareni te veroordelen (…) heeft de regering zojuist op de meest brute wijze afstand gedaan van elke aanspraak op rechtvaardigheid en vrijheid.’

    Nadat Abdelaziz Bouteflika in 2019 aftrad als president, hoopten veel Algerijnse journalisten op een einde aan de mediarepressie. Maar zijn opvolger, voormalig eerste minister Abdelmadjid Tebboune, zette het beleid van Bouteflika, die al sinds 1991 aan de macht was, voort.

    Sinds het aantreden van Tebboune heeft de regering de toegang tot de sites als Observ’Algérie, Maghreb Émergent en Radio M afgesloten. Maar in het tijdperk van VPN, de vaak gratis tool waarmee gebruikers hun IP-adres kunnen wijzigen, lijkt de censuur een farce. Afgelopen juli rapporteerde Observ’Algérie een toename van het aantal bezoekers op haar site.

    Algerijnse journalisten en lezers hebben dus inmiddels geleerd om de censuur te omzeilen, aldus Twala. Maar de censuur heeft wel degelijk gevolgen voor de mate waarin een groot deel van de burgers toegang heeft tot informatie. Zolang er barrières zijn om bepaalde onafhankelijke nieuwssites te bezoeken, is er geen sprake van vrijheid van informatie.

    Zal olie- en gaswinning in Denemarken stoppen?

    De Deense regering en het parlement hebben een akkoord ondertekend dat het einde van de olie- en gasexploitatie in 2050 betekent. De Deense pers reageert overwegend positief op het akkoord, hoewel sommige commentatoren het besluit vooral zien als symboolpolitiek.

    De Deense regering kondigde op donderdag 3 december aan dat zij met het parlement een akkoord had bereikt over het stopzetten van de oliewinning in de Noordzee vanaf 2050. De regering presenteerde dit voornemen als een doorbraak op het gebied van klimaatbeleid, te meer nu Denemarken op 1 januari 2021, wanneer brexit van kracht gaat, de grootste producent van aardgas en aardolie van de EU zal worden.

    ‘Dit is een historisch besluit dat het in overeenstemming is met onze wens om tegen 2050 CO2-neutraal te zijn,’ aldus klimaatminister Dan Jørgensen tijdens de persconferentie na afloop, geciteerd door Information.

    Voor het eerst sinds de Klimaatwet zijn we oprecht trots op het vermogen van de regering

    Het dagblad deelt deze mening en is ervan overtuigd dat dit besluit andere landen zal inspireren het voorbeeld van Denemarken te volgen. Zelfs Greenpeace zegt tegen de krant optimistisch te zijn: ‘Het kan over de hele wereld een domino-effect in gang zetten en groot respect afdwingen. Voor het eerst sinds de Klimaatwet zijn we oprecht trots op het vermogen van de regering en het parlement om internationale verantwoordelijkheid te nemen in de strijd tegen klimaatverandering.’

    Deze beslissing zal een flinke kostenpost vormen, schrijft Information. Sinds 1972 is meer dan 500 miljard DKK (55 miljard euro) verdiend met de exploitatie van aardolie en -gas. Door hiermee te stoppen laat Denemarken zo’n 13 miljard Deense kronen liggen en zullen 4000 mensen hun baan verliezen.

    ‘Omgekeerd heeft Denemarken nu 30 jaar om zich aan te passen aan nieuwe groene kansen, die andere inkomsten voor de staat kunnen creëren,’ zegt Sebastian Mernild, hoogleraar klimaatverandering, tegen de krant.

    Symbolische waarde

    Maar Politiken is sceptisch over het akkoord. Volgens de burgemeester van Esjberg, de stad met de belangrijkste haven van Denemarken, zal de olie- en gaswinning hiermee niet stoppen. Na 2050 kunnen de in de stad aanwezige olie- en gasbedrijven op basis van de bestaande vergunningen hun activiteiten gewoon voortzetten.

    Het akkoord heeft ‘een klein effect op het klimaat, maar een grote symbolische waarde’, aldus het conservatieve dagblad Berlingske. ‘Het concrete effect op het klimaat wordt nergens in het akkoord vermeld’, stelt de krant. Voorafgaand aan de onderhandelingen was er een advies uitgebracht door de onafhankelijke Klimaatraad. Conclusie: het effect op het milieu van het stoppen van de olie- en gaswinning op de Noordzee zou slechts ‘een licht positief effect hebben op het klimaat’. Het dagblad schrijft dat het aandeel van Denemarken in de wereldwijde olieproductie maar 0,1 procent bedraagt. De Verenigde Staten nemen ter vergelijking 15 procent voor hun rekening en Saoedi-Arabië is goed voor 12,9 procent.

  • Olieproducenten draaien de kraan weer open. Japan kiest woord van het jaar

    Olieproducenten draaien de kraan weer open. Japan kiest woord van het jaar

    Aangemoedigd door de stijgende olieprijzen en het vooruitzicht van een coronavaccin hebben de olie-exporterende landen donderdag een voorzichtige verhoging van de productie vanaf januari aangekondigd.

    OPEC en zijn bondgenoten kwamen op donderdag met een ‘onverwachte beslissing: een verhoging van productie met 500.000 vaten per dag en een maandelijkse vergadering van energieministers om het evenwicht tussen vraag en aanbod opnieuw te beoordelen’, berichtte NPR. Veel deskundigen waren verrast door het bericht, de verwachting was dat de komende maanden de productie nog op hetzelfde niveau zou blijven.

    Het akkoord tussen OPEC en Rusland – OPEC+, in oliejargon – zorgt ervoor dat de drastische productievermindering die is doorgevoerd sinds het begin van de covid-19-pandemie enigszins wordt teruggeschroefd. ‘De productie zal vanaf januari slechts met 7,2 miljoen vaten per dag worden verminderd, vergeleken met de huidige 7,7 miljoen vaten per dag’, schrijft Al-Jazeera.

    Fox Business wijst erop dat het kartel in april vorig jaar zijn productie in historische proporties moest verminderen ‘om de markt te stabiliseren, terwijl de maatregelen die over de hele wereld werden ingevoerd om de verspreiding van covid-19 te vertragen, tot een vermindering van de vraag met 25 tot 30 miljoen vaten per dag’.

    De Amerikaanse zender CNBC meldt het bereikte OPEC-akkoord als breaking news.

    The Wall Street Journal schrijft dat het besluit van OPEC om de oliekraan weer voorzichtig open te draaien ‘suggereert dat de grootste producenten ter wereld van mening zijn dat de ergste vraagcrisis als gevolg van de pandemie achter hen ligt’.

    Het Amerikaanse zakenblad stelt vast dat ‘de internationale olieprijzen weer zijn gaan stijgen, met 25 procent sinds begin november, en dat de Aziatische economieën sterk zijn opgeveerd, waardoor de vraag is aangetrokken’. Investeerders verwachten een terugkeer van de vraag ‘in de rest van de wereld, na de veelbelovende resultaten van verschillende coronavaccins’.

    Maar de besprekingen die tot het besluit van de donderdag leidden gingen moeizaam en openbaarden ‘spanningen die het moeilijker konden maken’ om de outputdoelstellingen van het oliekartel ‘te halen als de wereldeconomie in de komende maanden weer opleeft’, aldus The New York Times.

    © Pxhere
    De olieprijzen zijn sinds november weer met 25 procent gestegen. – © Pxhere

    Volgens het financiële nieuwskanaal Bloomberg moest de OPEC+ genoegen nemen met een ‘compromis’ om ‘een breuk tussen de belangrijkste leden van het kartel: de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië’ te voorkomen. Laatstgenoemd land wilde de productievermindering op het huidige niveau handhaven, terwijl de Emiraten, waarvan de productiecapaciteit de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen, pleitten voor een versoepeling.

    ‘Tot voor kort bepaalden Saoedi-Arabië – dat de facto de OPEC runt – en zijn bondgenoten in de Golfstaten, de Verenigde Arabische Emiraten en Koeweit, samen het productiebeleid’, analyseert persbureau Reuters. Maar de groeiende onafhankelijkheid van Abu Dhabi, die nu op veel punten afwijkt van de politieke lijn van Riyad, ‘zou kunnen betekenen dat het tijdperk van automatische samenwerking voorbij is’.

    Sanmitsu, het Japanse woord dat de coronamaatregelen samenvat

    ‘Sanmitsu’ is in Japan geselecteerd als woord van het jaar 2020. Na veelvuldig gebruik door politici, vooral door de gouverneur van Tokio, Yuriko Koike, is het de standaardterm geworden in de strijd tegen de epidemie in Japan.

    Net als in Nederland (anderhalvemetersamenleving, blokjesverjaardag) hebben veel nieuwe Japanse woorden die zijn ontstaan in 2020 iets te maken met de coronapandemie. Op 1 december publiceerde de Japanse uitgeverij Jiyukokuminsha haar selectie van nieuwe woorden en trends van het afgelopen jaar, en werd de jaarlijkse hoofdprijs toegekend aan de uitdrukking ‘sanmitsu’ (三密), meldt de publieke zender NHK. Het karakter 三 (san) geeft het nummer 3 aan, en het karakter 密 (mitsu) betekent ‘dicht op elkaar zitten’. De woord-van-het-jaarverkiezing, die in 1984 voor het eerst plaatsvond, is een traditie geworden in Japan en kondigt de komst van de winter en het einde van het jaar aan.

    Het woord ‘sanmitsu’ is sinds het bedacht is tijdens de eerste golf van de epidemie een gordiaanse knoop geweest voor vertalers

    Het woord ‘sanmitsu’ is sinds het bedacht is tijdens de eerste golf van de epidemie een gordiaanse knoop geweest voor vertalers. Het karakter mitsu (密) is aanwezig in de volgende drie woorden: mippei (密閉), misshu (密集), missetsu (密接). De Engelstalige pers in Japan, zoals de Japan Times vertaalt het als de ‘Three C’s’ die de drie situaties aanduiden die vermeden moeten worden om het verloop van de epidemie te vertragen. Het eerste woord, ‘mippei’, verwijst naar afgesloten ruimtes (closed spaces). Het tweede, ‘misshu’, naar drukke plekken (crowded places), en het derde, ‘missetsu’, naar nauw contact (close contact).

  • Olie houdt Maduro op de been

    Olie houdt Maduro op de been

    Als de olieproductie in Venezuela verder verslechtert, zal de regering-Maduro vroeg of laat vallen, schrijft de Nicaraguaanse politiek analist Adolfo Miranda Sáenz. ‘De olie-industrie is de ruggengraat van de Venezolaanse economie.’

    Keuze uit het archief

    De Verenigde Staten vielen afgelopen week opnieuw een schip uit Venezuela aan, omdat het vaartuig drugs zou vervoeren. Zes mensen kwamen om het leven. Een dag later verklaarde Trump grondoperaties tegen drugskartels in Venezuela te overwegen. De Venezolaanse president Nicolás Maduro beschuldigde Trump ervan zijn regime omver te willen werpen. Uit het feit dat de Venezolaanse oppositieleider María Corina Machado de Nobelprijs voor de Vrede aan Trump opdroeg, blijkt dat ze de Amerikaanse president als een belangrijke medestander ziet in haar strijd tegen het dictatoriale regime van Maduro.
    In dit artikel van El Nuevo Diario uit 2018 legt de politiek commentator Adolfo Miranda Sáenz, die dit jaar overleed, uit hoe de VS het snelst een machtswissel in Venezuela tot stand kunnen brengen: de olie-import stopzetten. Maar dat kunnen de VS zich om economische redenen niet veroorloven, aldus Sáenz.

    In oliestaat Venezuela heeft het beleid van Hugo Chávez en zijn opvolger Nicolás Maduro voor een braindrain gezorgd. Hooggekwalificeerde werknemers en techneuten hebben het land verlaten omdat de Venezolaanse regering hun geen waardig bestaan kan bieden waarin ze hun gerechtvaardigde ambities kunnen verwezenlijken. De weggelopen vakmensen en technici van de olieboorputten en olieraffinaderijen zijn vervangen door personeel dat niet goed genoeg is opgeleid om de machines 
te bedienen en te onderhouden. Op de stoel van de vroegere managers zitten nu inefficiënte functionarissen. Een groot deel van de infrastructuur van de Venezolaanse olie-industrie blijft onbenut.

    Onlangs constateerde het Internationaal Energie Agentschap dat de olieproductie in Venezuela is gedaald van 3,4 miljoen vaten per dag in 1998 naar 1,5 miljoen vaten per dag in juni 2018. Met andere woorden, er worden 1,9 miljoen vaten minder per dag geproduceerd.

    Aangezien de olie-industrie de ruggengraat is van de Venezolaanse economie, is de terugloop in de olieproductie de belangrijkste oorzaak van de grote armoede, schaarste en ellende waar het Venezolaanse volk onder zucht. Bronnen bij Unopetrol (Honduras) en Puma (Zwitserland), oliemaatschappijen die in Nicaragua actief zijn, melden dat Venezuela nauwelijks meer profiteert van de speciale handelsvoorwaarden van de ALBA (Bolivariaanse Alliantie voor de Volkeren van Ons Amerika). De afspraak om 50 procent van de rekening binnen zestig dagen te voldoen en de resterende 50 procent uit te smeren over vijfentwintig jaar heeft geen enkel nut voor Venezuela. Nicaragua importeert nauwelijks meer ruwe olie
uit Venezuela en koopt vooral brandstoffen in de Verenigde Staten. Het samenwerkingsverband tussen Venezuela en een aantal landen in het Caribisch gebied, Petrocaribe genaamd, waarbij tot 40 procent van de olielevering voor één tot twee jaar wordt voorgefinancierd en een deel in natura kan worden betaald, blijft evenwel bestaan.

    Contant afrekenen

    Venezuela is het land met de grootste olievoorraden ter wereld, maar gezien de drastische daling in de olie-export doet het liever zaken met landen die contant afrekenen: de Verenigde Staten, India en China (die de rekening vooraf voldoen). Volgens gegevens van de EIA kopen de VS gemiddeld 790 miljoen vaten olie per dag van Venezuela, meer dan de helft van de totale productie. Venezuela is op twee na de grootste leverancier van olie aan de VS. Vanwege het disfunctioneren van de Venezolaanse raffinaderijen betrekt het land tegenwoordig een deel van zijn brandstof bij Amerikaanse raffinaderijen, en net als Nicaragua exporteert het land mais naar Costa Rica, dat het vervolgens weer terugkoopt in de vorm van Corn Flakes. Het Venezolaanse staatsoliebedrijf PDVSA
is eigenaar van CITGO, een belangrijke Amerikaanse oliemaatschappij met zetel in Houston, Texas, dat beschikt over drie raffinaderijen, achtenveertig outlets, zesduizend servicestations, met een totale jaaromzet van 400 miljoen dollar (www.citgo.com).

    Al produceert Venezuela dus weinig ruwe olie, toch ontvangt Maduro nog genoeg Amerikaanse oliedollars om in dit failliete land aan de macht te blijven. Met het oliegeld kan hij samen met zijn familie en zijn functionarissen een luxeleventje leiden en bovendien de militairen tevreden houden. Stel dat de Amerikaanse regering besluit om gedurende enkele maanden de olie-import uit Venezuela stil te leggen en de verkoop van petrochemische producten en de activa van CITGO te bevriezen. Dat zou de economische doodsteek zijn voor de regering-Maduro, die dan zou moeten aftreden. Maar dat zou de Verenigde Staten vele miljoenen dollars kosten omdat olie importeren uit bijvoorbeeld Saudi-Arabië een gigantische verhoging van de transportkosten zou betekenen en er inflatie zou optreden. Olie in Mexico kopen zou kwaliteitsvermindering en hogere kosten betekenen omdat er in Mexicaanse olie veel zwavel zit, waardoor het octaangehalte in de benzine daalt. Daarbij komt dat CITGO 3700 vaste arbeidsplaatsen en ontelbare indirecte banen oplevert, en miljoenen aan belasting betaalt. Bovendien zou het veroorzaken van een substantiële daling in het Venezolaanse olieaanbod de olieprijs internationaal opdrijven en dat zou zijn weerslag hebben op de Amerikaanse economie. Door de miljoenenstroom Amerikaanse oliedollars naar Venezuela is de politieke situatie van Maduro in de ogen van de Amerikanen niet te vergelijken met die van dictators die geen oliebronnen of iets vergelijkbaar bezitten.

    Dit zijn de redenen waarom beide landen, in weerwil van de politieke veroordelingen en sancties tegen de Venezolaanse dictatuur, belangrijke handelspartners blijven. Sommige analisten zeggen dat de Amerikanen dit doen om het particulier bedrijfsleven te ontzien, maar die overweging is in het verleden voor de VS nooit een hinderpaal geweest om andere landen economische sancties en andere belemmeringen op te leggen als ze dat nodig achtten.

    De Verenigde Staten – zoals alle landen – begrijpen dat zij de belangen van het eigen volk voorop dienen te stellen. En zowel Obama als Trump hebben de moed getoond om in het geval van Venezuela eerst
te kijken naar de effecten van bepaalde maatregelen op hun binnenlandse economie. Er moeten immers banen komen en op inflatie zit niemand te wachten. Ik probeer alleen maar uit te leggen hoe de vork in 
de steel zit, zodat we kunnen begrijpen dat dictators als Maduro zich vergissen als ze denken dat ze weerstand kunnen bieden aan de druk van de VS en kunnen blijven zitten waar ze zitten. Als de olieproductie in Venezuela verder verslechtert zal Maduro’s regering vroeg of laat vallen, ook al maakt de geldstroom van de VS naar Venezuela de positie van Maduro in de ogen van de VS onvergelijkbaar met welke andere dictatuur ook.