Tag: omkruid

  • Onkruid bestaat niet

    Onkruid bestaat niet

    Veel stadsbewoners beschouwen de plantjes die groeien tussen tegels en muren als onkruid. Maar volgens wetenschappers draagt deze ‘voegenvegetatie’ bij aan de verbetering van de lucht en de regulering van de waterhuishouding in de bodem.

    De eerste die het bijzondere ervan inzag, was de Britse wetenschapper Richard Deakin. Toen hij in 1855 het afbrokkelende Colosseum in Rome bezocht, ging zijn aandacht uit naar wat andere onderzoekers negeerden of waar ze geërgerd aan voorbij liepen. Nauwgezet registreerde hij al het groen dat in het oude gebouw woekerde – en dat anderen als onkruid beschouwden. Hij kwam tot 420 plantensoorten die de muren hadden veroverd: grassen, varens, rozen, struiken.

    Botanicus Dietmar Brandes heeft er onlangs bij zijn zoektocht in voegen en spleten bijna vijfhonderd gevonden – alleen in Braunschweig. Dat is de helft van alle plantensoorten die in de stad voorkomen. Brandes is professor en zet aan de plaatselijke universiteit het werk van Deakin voort: hij onderzoekt welke planten zich thuisvoelen in de steden van Europa, noordelijk Afrika en westelijk Azië, en welke plekjes ze hebben gevonden. ‘Spleten in muren,’ zegt hij, ‘zijn een belangrijke levensruimte voor planten, die je niet zomaar moet aantasten.’

    Wilde bloemen langs een stoeprand. – © Getty
    Wilde bloemen langs een stoeprand. – © Getty

    Voegenvegetatie is de verzamelnaam van de plantjes die zich in die speciale levensruimte nestelen. Die niet alleen in muurspleten leven, maar ook op de bodem van de stad, onder schoenzolen, autobanden en hondenpoten, die hardnekkig door voegen van trottoirs omhoogkruipen en zelfs uit spleten in het asfalt steken. De levensruimten zijn krap bemeten en bieden bovendien maar weinig voedingsstoffen. En toch zijn die kleine ruimten geknipt voor zowel oersterke als specialistische plantjes; de laatste hadden anders waarschijnlijk geen plekje in de stad weten te vinden. De spleten bieden namelijk omstandigheden die voor sommige soorten perfect zijn. Uit onderzoek blijkt dat de flora in de meeste steden zelfs veel diverser is dan die in de regio. Hoe groter de stad, des te meer plantensoorten er groeien. Dat komt vooral door de voegenvegetatie: die benut elke kans die ze krijgt, hoe klein die ook is.

    Oude, vervallen gebouwen als het Colosseum en stadscentra als die van Braunschweig bieden heel verschillende omstandigheden voor planten. Hetzelfde geldt voor parken, industriegebieden, nieuwbouwwijken, begraafplaatsen, autowegen en rangeeremplacementen: stuk voor stuk zijn ze meer of minder rijk aan voedingsstoffen, vochtig, kwetsbaar of belopen. Elke plant kan een plekje zoeken dat zo veel mogelijk aan zijn eisen voldoet. Er zijn altijd wel hoekjes waar nauwelijks of helemaal geen licht komt en die daardoor vaak koel en vochtig zijn, of juist oppervlakken die nooit in de schaduw liggen.

    Ook de bodemgesteldheid varieert, zelfs binnen kleine afstanden: nu eens is het hard gesteente dat slechts door een dunne laag zand wordt bedekt, dan weer een gelijkmatig poreus oppervlak of zelfs een paar centimeter diepe, vruchtbare bodem. Al deze levensruimten hebben een tegenhanger in de vrije natuur. De Russische ecologe Maria Ignatieva vergelijkt bijvoorbeeld de straatstenen in de steden met rotswanden of rotsplateaus zoals ze in de natuur voorkomen. Voor al die verschillende levensruimten blijken er specialisten te zijn, die goed gedijen in de betreffende omstandigheden. Of het nu gaat om het kruipende varkensgras, dat op woeste, braakliggende terreinen te vinden is, om eetbare wilde kruiden zoals de bijvoet, die een voedingsrijke bodem prefereert, of om gewassen als klaver en vogelmuur, die in elke muurspleet uit de voeten kunnen.

    Soortenrijkdom

    Omdat het in steden door bodembedekkers als asfalt of betonplaten gemiddeld warmer is dan in de provincie, nestelen zich daar ook vaak planten die oorspronkelijk alleen in zuidelijker gelegen gebieden voorkwamen. Tot die planten, die ‘cultuurvolgers’ worden genoemd, behoren bijvoorbeeld de muizengerst of de schijnacacia, die soms in muurspleten ontspruiten. Daarnaast komen in steden steeds meer speciaal aangeplante, soms exotische tuin- en sierplanten voor.

    Ze dragen allemaal bij aan de grote soortenrijkdom in de steden, zoals bleek uit een onderzoek van Duitse ecologen in Saksen-Anhalt: in steden zijn er niet alleen meer inheemse soorten dan in de provincie, ook plantensoorten die oorspronkelijk alleen elders groeiden, komen er vaker voor. Bovendien krijgen inheemse en exotische soorten vaak gezelschap: door de beperkte levensruimte in muurspleten en op andere plaatsen in de stad komen gelijksoortige planten naast elkaar te staan en bevruchten ze elkaar – iets wat in de natuur niet zo snel zou gebeuren.

    De drievingerige steenbreek, een roodachtig kruidje met witte bloempjes, is zo’n plant die oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied stamt, maar inmiddels ook in Duitsland groeit. Voor de steenbreek zijn muurspleten de ideale levensruimte, omdat het plantje niet veel voedingsstoffen nodig heeft om te groeien. Andere planten, zoals de klaver of het herderstasje, hebben weer heel veel stikstof nodig en daarvan wordt de bodem in steden rijkelijk voorzien door bijvoorbeeld hondenpoep.

    ‘De Duitsers zetten tuinkabouters neer en trekken de hele dag onkruid’

    Brandes, de botanicus uit Braunschweig, is zeer gefascineerd door dit alles. Al dertig jaar houdt hij zich bezig met de verscheidenheid aan planten in Duitse en Europese steden en hij leert nog altijd bij. Bijvoorbeeld dat enkele soorten voegen als zaadbank gebruiken, een soort toevluchtsoord in de grond, een voorzorgsmaatregel voor het moment dat de plantjes nergens anders meer een plekje kunnen vinden.

    Hij vindt het ook belangrijk om te benadrukken dat de kleine bewoners van de stad waarin ze leven beslist nuttig zijn. Zo dragen de plantjes in de voegen bij aan de verbetering van de lucht en de regulering van de waterhuishouding in de bodem. ‘Voegen zijn belangrijk omdat neerslag zo kan wegsijpelen in de bodem,’ zegt hij. En plantjes die er groeien nemen ook water op. Hun wortels zorgen er bovendien voor dat de bodem wordt versterkt en er minder snel erosie zal optreden.

    Brandes mag nog zo enthousiast zijn, bij andere mensen is van een fascinatie voor de wildgroei maar weinig te bespeuren. Vooral Duitse hobbytuiniers beschouwen alles wat ongepland groeit eenvoudigweg als onkruid, zegt hij.

    ‘De Duitsers zetten tuinkabouters neer en trekken de hele dag onkruid,’ constateerde ook de Russische auteur Wladimir Kaminer al in zijn boek Mein Leben im Schrebergarten [Mijn leven in een volkstuin]. De voegenvegetatie die zelf een plekje in de tuin zoekt, wordt platgelopen, uitgetrokken of zelfs verbrand. ‘Sommige volkstuinverenigingen hebben een haast beangstigend idee van netheid en denken daarmee ook nog eens de biodiversiteit te bevorderen,’ zegt Dietmar Brandes. De kleine drievingerige steenbreek was in enkele regio’s van Duitsland zelfs enige tijd met uitsterven bedreigd, omdat de mensen het zo consequent verwijderden. Inmiddels heeft het plantje zich weer enigszins hersteld.

    Klaprozen bij een ruïne op het tempelcomplex in het Griekse Selinunte. – © Getty
    Klaprozen bij een ruïne op het tempelcomplex in het Griekse Selinunte. – © Getty

    Dat komt ook doordat de gemeenteraden de strijd tegen de wildgroei ondertussen op een laag pitje hebben gezet. Enkele decennia geleden zag dat er nog heel anders uit. ‘In de jaren zestig en zeventig,’ vertelt Brandes, ‘hebben de plantsoenendiensten in alle grote Duitse steden geprobeerd van al het onkruid af te komen. Het was gewoonweg onacceptabel om tussen het onnuttig geachte onkruid te leven.’

    Met breed werkzame bestrijdingsmiddelen ging men het ongewenste groen te lijf, het liefst met glyfosaathoudende chemicaliën als de veel gebruikte onkruidverdelger RoundUp. Nog altijd is dit het meest gebruikte middel in steden, zij het met steeds meer beperkingen; zo is in steden in Noordrijn-Westfalen het gebruik van glyfosaat sinds 2014 verboden. Plaatsen als Witten en Iserlohn proberen zich zelfs helemaal zonder herbiciden te redden.

    Daar wordt onkruid uitgetrokken, weggeborsteld of verbrand – of geprobeerd om met hete waterdamp rechtstreeks tot de wortels door te dringen. Helemaal geen wildgroei is een utopie, daarvan is Dietmar Brandes overtuigd. ‘Een stad zonder voegenvegetatie wordt op den duur heel kostbaar,’ zegt de botanicus. ‘Bovendien zijn de effecten ook niet van lange duur.’ Wat je ook doet, de voegenvegetatie komt steeds weer terug – op zijn laatst volgend jaar.

    Auteur: Caroline Ring
    Vertaler: Pieter Streutker

    Beeld bovenaan: Citroenmelisse (geliefd bij bijen) op een trottoir. – © Getty

    Welt am Sonntag
    Duitsland | weekblad | oplage 250.000

    Zondagseditie van het liberaal-conservatieve dagblad uit Duitsland, dat vlak na de Tweede Wereldoorlog door de Britten in Hamburg werd opgericht.