Tag: omstreden

  • Heropening 
van een ‘gedekoloniseerd’ museum

    Heropening 
van een ‘gedekoloniseerd’ museum

    Westerse musea van Parijs tot Leiden worstelen met hun omstreden koloniale collecties. Wat moest het AfricaMuseum in Tervuren bijvoorbeeld doen met het ‘Afrikaanse dorp’, compleet met strooien hutten en opgezette dieren?

    Toen hij probeerde het Belgische Africa-
Museum te moderniseren, zat de directeur van het instituut, Guido Gryseels, met een delicaat probleem: wat te doen met de menselijke dierentuin? Als het museum deze maand weer 
opengaat, na een verbouwing van vijftien jaar, moet het een nieuw verhaal vertellen over Belgiës nalatenschap in Congo. Niet eenvoudig om dat goed te doen. Want het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, zoals het officieel heet, speelt een centrale rol in de bloedige koloniale bezetting.

    Het museum is gebouwd door koning Leopold II, 
met geld afkomstig van de exploitatie van de rubberplantages in Congo-Vrijstaat, dat hij aanvankelijk bestuurde als privéleengoed. Het begon in 1897 met een tijdelijke tentoonstelling die bedoeld was om de regering over te halen het bestuur van de kolonie 
(en haar schulden) over te nemen. Zo’n 1,3 miljoen Belgen, eenderde van de toenmalige bevolking, kwamen de menselijke dierentuin bekijken die de koning had opgezet op zijn landgoed in Tervuren, even buiten Brussel: een kopie van een ‘Afrikaans dorp’, compleet met strooien hutten, opgezette dieren en 267 mensen die voor de gelegenheid uit de Congo waren geïmporteerd.

    De grote belangstelling voor de tentoonstelling droeg ertoe bij dat België in 1908 het beheer over de kolonie overnam, waarna 
het museum een permanent instituut werd ter 
verering van het koloniale project – een periode uit de geschiedenis die gekenmerkt werd door dwang-
arbeid, massamoorden en stelselmatige verminking. Het aantal doden dat tijdens die bezetting is gevallen, loopt naar schatting op tot 10 miljoen.

    De tijden veranderden, maar het museum bleef hetzelfde. Sinds de jaren zestig waren de uitstallingen nooit veranderd. Het museum was een symbool geworden van Belgiës verouderde en verheerlijkte versie van het koloniale verleden – en van zijn 
onvermogen om af te rekenen met de uitbuiting 
van de Congo. Aan directeur Gryseels de taak dat 
probleem op te lossen. Op een recent rondje door de nog halflege zalen van het museum wijst Gryseels naar de insignes van Leopold II – twee hoofdletters L, met de ruggen tegen elkaar – op het plafond van de grote hal van het oude gebouw. ‘Kijk, hij houdt je altijd in de gaten’, zegt hij.

    Beschavingsmissie

    Een koloniale nalatenschap aanpakken in een gebouw dat juist is opgericht om dat te verheerlijken, was een ‘enorme uitdaging’, vertelt Gryseels, die in 2001 startte als directeur en het jaar daarop plannen begon te maken voor de renovatie. ‘Alles in dat museum herinnert je aan dat koloniale verleden.’ Het paleisachtige gebouw geldt bovendien als 
monument, wat de veranderingen die Gryseels kon aanbrengen nogal beperkte.

    In een lichte, marmeren gang die twee galerijen met elkaar verbindt, gedenkt een muurschildering de zestienhonderd Belgische mannen die in de begintijd van de kolonie de dood vonden. Een aantal nog recent opgepoetste, gouden standbeelden, die in 
de muren van de voormalige ingang zijn geplaatst, bewieroken Belgiës ‘beschavingsmissie’ in de 
voormalige kolonie.

    Om de galerijen – met zalen gewijd aan biodiversiteit, natuurlijke hulpbronnen, taal en muziek, 
rituelen en ceremonieën, en kunsthistorie – te moderniseren heeft het museum omstreden woorden geschrapt, zoals ‘hut’, ‘oerwoud’, ‘pioniers’ en ‘ontdekt’. Elke nieuwe tekst werd onderworpen aan een gedegen en deskundige toetsing. Het museum onderzocht ook de nog niet vertelde verhalen en kamde de kolossale archieven uit om de verhalen achter anonieme Afrikaanse gezichten op talloze foto’s en videobeelden samen te voegen. Alles werd uit de kast gehaald om een compleet beeld te geven van Afrikanen in België, wier aanwezigheid in het land teruggaat tot de zestiende eeuw, iets wat grotendeels onbekend is gebleven bij het grote publiek.

    Wat betreft Leopolds menselijke dierentuin: de 
staf van het museum heeft de kinderen die speciaal daarvoor naar Brussel werden gebracht een naam kunnen geven. Ze hebben ook bewijsmateriaal 
ontdekt van kinderen van gemengd ras uit Congo, Burundi en Rwanda, die na de onafhankelijkheid 
in de jaren zestig naar België werden gestuurd. 
Velen van hen proberen nu nog steeds hun ouders 
op te sporen.

    Gryseels vertelt dat hij een poging heeft gedaan de prekoloniale Afrikaanse geschiedenis te beschrijven – ‘want veel Belgen denken dat Congo is ontdekt door (de Britse koloniaal Henry Morton) Stanley, 
terwijl het land in feite een lange, eigen geschiedenis heeft, ook op cultureel gebied’ – en het kolonialisme toe te lichten als wereldwijd fenomeen dat globalisering, slavenhandel en postkoloniaal Afrika omvat.

    Om te vermijden dat het verhaal alleen vanuit een blank perspectief werd verteld, heeft het museum advies gevraagd aan een groep experts op het gebied van de Afrikaanse diaspora. ‘Die groep had bijvoorbeeld grote bezwaren tegen de zalen waarin dieren werden tentoongesteld’, zegt Gryseels. ‘Ze zeiden: 
“Jij laat dieren zien alsof Europa de cultuur heeft 
en Afrika de natuur, en wij moeten onze natuur in stand houden opdat de blanken hun eigen milieu niet meer hoeven te beschermen.”’

    De grootste verandering is misschien wel de verschuiving in het eigen ideologische standpunt van het museum. ‘Wij zien onszelf als een forum voor debat. We veroordelen kolonialisme als systeem. 
Dat wordt nu zeer duidelijk gemaakt.’ Het nieuwe verhaal kon niet helemaal binnen de vier muren van het museum worden uitgedragen, zegt Gryseels, terwijl hij naar een nieuwe, nog lege zaal wijst waarin hedendaagse kunst van Afrikaanse en in de diaspora levende kunstenaars tentoongesteld zal worden. Het museum zal steunen op ‘nieuwe stemmen’ om werken te creëren die ‘een contrast vormen’ met de kolonialere aspecten ervan.

    In de grote hal, onder een serie standbeelden die Leopold II bewieroken omdat hij ‘licht bracht waar slechts duisternis heerste’, staat een moderne sculptuur van een reusachtig menselijk hoofd van de Congolese kunstenaar Aimé Mpane op de marmeren vloer te wachten om aan de muur bevestigd te worden. 
‘Er zijn nog steeds veel vraagtekens’, zegt Christine Bluard, die als kunsthistoricus meewerkte aan de renovatie. ‘Het idee is om het langzaamaan te voltooien, om aandacht te schenken aan de diaspora, om informatie te corrigeren en aan te vullen.’

    Het 
is een poging die (op zijn best) gemengde reacties heeft gekregen vanuit de diaspora zelf. Het museum is ‘bereid te luisteren naar wat we te zeggen hebben, maar we hebben geen enkele beslissingsbevoegdheid’, zegt Mireille-Tsheusi Robert, activist en oprichter van de Afro-Belgische organisatie BAMKO. Zij noemt het feit dat het museum Afrikaanse kunstenaars en experts gebruikt een bewust geplande zet om het imago op te poetsen en internationale aandacht te genereren – wat niet zoveel verschilt 
van de menselijke dierentuin van Leopold II. ‘Als je mensen tentoonstelt, trek je meer bezoekers.’

    Buste van Koning Leopold II tussen een olifant en een leeuw, met achter hem drie Afrikanen in inheems tenue. 
–  © Eric Lalmand / 
Belga Photo.
    Buste van Koning Leopold II tussen een olifant en een leeuw, met achter hem drie Afrikanen in inheems tenue. 
– © Eric Lalmand / 
Belga Photo.

    In een onlangs gepubliceerde open brief bekritiseerde Robert het verzoek van een staflid dat haar 
‘off the record’ had gevraagd om advies over hoe de samenwerking met de diaspora eruit moest zien. Ze beschuldigde het museum ervan Belgisch-Afrikaanse experts niet serieus genoeg te nemen om hen te betalen voor hun advies. Voor Laura Nsengiyumva, een Belgisch-Rwandese architect en promovendus, 
is de vernieuwing van het museum ‘hetzelfde oude verhaal van gemiste kansen’. Het plan om een zaal in te richten om het verhaal van de Afrikaanse diaspora te vertellen, kwam te laat in het renovatieproces en kreeg maar een ‘belachelijk klein’ budget, zegt Nsengiyumva, die was aangesteld als adviseur maar zich terugtrok toen ze het gevoel kreeg dat haar suggesties in de wind werden geslagen.

    Een apart voorstel voor een performance waarin ze een ijssculptuur van Leopold II zou laten smelten – dat werd afgewezen – was ‘een test om te kijken hoe ver ze wilden gaan’. 
‘Ik voelde me gecensureerd. Als excuus gaven ze dat dit een etnografisch instituut was dat geen ervaring heeft met het tonen van hedendaagse kunst. Maar eigenlijk is het hetzelfde koloniale gezichtspunt, want het museum staat vol met Afrikaanse kunst.’

    ‘Zolang er nog steeds koloniale standbeelden in onze straten staan, of zelfs zolang er nog geen monument voor de slachtoffers van de kolonisatie is opgericht, hebben we geen echte vooruitgang geboekt’, vindt Nsengiyumva. ‘Alleen nog maar piepkleine stapjes.’ De verschuiving in het aandachtspunt heeft ook mensen aan de andere kant van het ideologische spectrum tegen de haren in gestreken.

    Voor de 
Belgische anciens coloniaux – die elke vrijdagmiddag 
in het museum bijeenkomen – is het een verraad aan de nalatenschap van Leopold II en het resultaat van een door de Afrikaanse diaspora geleide poging om de geschiedenis van België ‘zwart te maken’. ‘Dat dit museum vandaag nog bestaat, komt door Leopold II’, zegt Paul Vannes, voorzitter van Mémoire du Congo, die zegt dat zijn organisatie ‘Belgen hun echte koloniale geschiedenis wil laten zien’. ‘Dankzij Leopold II is Brussel nu de hoofdstad van Europa. Hij heeft België een grotere presentie gegeven, een grotere natie gemaakt wat invloed betreft.’

    De groep ‘vertegenwoordigt een segment van de 
Belgische maatschappij dat nostalgisch terugkijkt en te oud is om zijn opvattingen te veranderen’, volgens kunsthistoricus Bluard. De groep is niet geraadpleegd over het renovatieproces. De ‘oude kolonialen’ vormen een kleine minderheid, maar hun trouw aan de mythe van Leopold II als humanitaire koning – een heerser die de slavernij heeft afgeschaft, wegen en scholen heeft aangelegd en Congo het christendom en de democratie heeft geschonken – past in een Belgisch nationaal verhaal dat moeilijk de kop ingedrukt kan worden.

    In hun jeugd hebben veel oudere Belgen meegemaakt dat hun plaatselijke kerk donaties en kleren verzamelde voor ‘goede werken’ in de Congo. Tegenwoordig kent ongeveer een op de drie Belgen iemand die gewoond of gewerkt heeft in de voormalige kolonie. Het is een onderwerp waarover door de politiek liever niet wordt gepraat en dat geen deel uitmaakt van het officiële leerplan op scholen.

    Om de machtsdynamiek te veranderen van een belangrijk openbaar instituut als het museum, dat voor ongeveer 80 procent door de overheid wordt gefinancierd, ‘heb je een lobby nodig’, zegt Adam Hochschild, schrijver van De geest van koning Leopold II, een geschiedenis van de Belgische bezetting van de Congo. ‘Geschiedenismusea weerspiegelen de machtsdynamiek in de maatschappij waarin ze bestaan’, zegt hij. ‘Geen enkel land gaat behoorlijk om met musea of openbare ruimten die van doen hebben met pijnlijke of moeilijke perioden uit het verleden, tenzij het daartoe gedwongen wordt.’

    Gedekoloniseerd

    Samen met De moord op Lumumba van Ludo De Witte, over de rol van België bij de aanslag op Congo’s eerste, democratisch gekozen leider, veroorzaakte Hochschilds boek in de late jaren negentig protesten die leidden tot een kort openbaar onderzoek naar 
de koloniale geschiedenis van het land. Maar over het algemeen wordt het onderwerp beschouwd als behorend tot ‘het verleden’.

    Afrikanen vormen de op twee na grootste niet-
Europese gemeenschap in België, maar ze hebben erg weinig politieke macht en nauwelijks enige 
vertegenwoordiging in het parlement, ondanks hun bovengemiddelde prestaties in het middelbaar onderwijs, zegt Ilke Adam, professor migratie en diversiteit aan de Vrije Universiteit Brussel. ‘In de laatste twee tot drie jaar zie je een paar zwarte 
stemmen verschijnen’, zegt Adam. ‘Het komt nu voornamelijk van een tweede generatie, een tweede golf van antiracisme. En het is nog maar héél recent. Op politiek niveau is er helemaal geen debat, daar is niets gebeurd. Mijn tienjarige dochter leert op school nog steeds dat Afrikanen in hutten wonen.’

    Gryseels zegt dat hij en anderen zich terdege bewust zijn van de gecompliceerde relatie van het museum met het verleden, en met het heden. ‘We proberen daar iets aan te doen’, zegt hij. ‘Ruim honderd jaar lang heeft het museum in wezen de boodschap 
uitgedragen dat blanken superieur zijn aan zwarten. Hele generaties kregen dat beeld van blanke 
superioriteit voorgeschoteld. Dat leidt natuurlijk 
tot een bepaalde houding in de samenleving, en dat erkennen we nu.’

    Wat het werk moeilijker maakt, is dat het museum zelf daar niet immuun voor is, zegt Bluard. ‘De mensen die hier werken, vormen een weerspiegeling van de Belgische maatschappij. Sommigen zijn gevoelig voor het onderwerp, anderen willen het gewoon niet erkennen. Het museum is een symbool, maar het is niet het enige dat gedekoloniseerd moet worden. Het gaat om de hele publieke ruimte.’

    Auteur: Esther King

    Politico
    België | dagblad | oplage 28.000

    Europese editie van de Amerikaanse onlinekrant met politieke actualiteiten, voornamelijk gericht op de Europese Unie en haar lidstaten. Een papieren versie wordt wekelijks verspreid in Europese hoofdsteden.

  • 4. Ook Israël eert omstreden figuren

    4. Ook Israël eert omstreden figuren

    Standbeelden kent Israël nauwelijks, maar verschillende straten, parken en monumenten dragen de naam van rechtsextremisten, stelt de krant Haaretz spijtig vast.

    Ook al ontbreekt het Israël niet aan controversiële figuren, ons land kent nog geen conflicten zoals die in de Verenigde Staten zijn uitgebroken rond de standbeelden van geconfedereerden. Dat komt vooral doordat het standbeeld in de Israëlische cultuur maar een marginale rol speelt. Dat wil niet zeggen dat degenen die hun stempel op ons land hebben gedrukt niet op waarde worden geschat, gezien het aantal scholen, ziekenhuizen, snelwegen, bruggen, parken, openbare plekken, militaire bases en, uiteraard, straten die hun naam dragen.

    Net als in de Verenigde Staten worden enkele ronduit omstreden figuren in de openbare ruimte geëerd. Meir Kahane, de van oorsprong Amerikaanse racistische rabbijn wiens partij door Israël verboden werd, heeft zijn naam aan een straat in de stad Or Akiva gegeven, evenals aan een park in de zionistisch-Joodse nederzetting Kiryat Arba op de Westelijke Jordaanoever. In dit park vind je ook het graf van een andere beruchte figuur, Baruch Goldstein, de Amerikaans-Joodse arts die negenentwintig Palestijnen vermoordde die aan het bidden waren in Tombe van de patriarchen in Hebron. Ook al is het geen officieel monument, het graf van Goldstein is een bedevaartsplek geworden voor extreemrechtse militanten.

    Rehavam Zeevi, voormalig generaal, minister van Toerisme en leider van een extreemrechtse partij die de uitzetting van alle Palestijnen voorstond, heeft zijn naam gegeven aan een brug, een autosnelweg, verscheidene monumenten, een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever en talrijke Israëlische straten. Toen hij in 2001 door een Palestijns commando werd vermoord op het hoogtepunt van de tweede intifada, was Zeevi niet alleen omstreden vanwege zijn politieke standpunten, maar ook vanwege talrijke beschuldigingen van verkrachting. Enkele maanden geleden heeft de regering-Netanyahu onder druk van belangrijke veteranen en president Rivlin (Likoed) moeten afzien van haar plan om een monument ter nagedachtenis aan de Onafhankelijkheidsoorlog naar Zeevi te vernoemen.

    Minister van Binnenlandse Zaken Arie Deri gaf de stad 48 uur om de borden te verwijderen. Wat onmiddellijk gebeurde

    In maart werd bekend dat de Arabisch-Israëlische stad Jatt in Galilei al meer dan tien jaar geleden een straat naar Yasser Arafat had vernoemd, die door veel Israëliërs als het archetype wordt beschouwd van de terrorist die de Joodse staat van de kaart wil vegen. Minister van Binnenlandse Zaken Arie Deri gaf de stad 48 uur om de borden te verwijderen. Wat onmiddellijk gebeurde.

    Toch is Arie Deri volgens Maoz Azaryahou, geograaf aan de Universiteit van Haifa en gespecialiseerd in toponymisch beleid, buiten zijn boekje gegaan. ‘In Israël zijn, net als in de Verenigde Staten, alleen de plaatselijke autoriteiten bevoegd op dit gebied.’ Vandaar dat een nederzetting als Kiryat Arba de nagedachtenis aan zo’n controversiële figuur als Meir Kahane heeft kunnen eren zonder door de regering op het matje te zijn geroepen. En vandaar dat de Arabische stad Kafr Manda in Galilei een openbare plek naar Gamal Abdel Nasser heeft kunnen vernoemen, de voormalige Egyptische president die een van de geduchtste vijanden van Israël was.

    Vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen de Israëlische gemeenten herdenkingsmonumenten begonnen op te richten, werd duidelijk verordonneerd dat de kunstenaars de Joodse traditie moesten respecteren en niemand mochten beledigen. Volgens professor Azaryahou ‘was dat een manier om het maken van figuratieve beelden te ontmoedigen, wat verklaart waarom de meeste Israëlische gedenktekens in de openbare ruimte abstract zijn’.

    Naar de racistische rabbijn Meir Kahane, hier omringd door fans, zijn een straat en een park vernoemd. – © David Rubinger / The LIFE Images Collection / Getty Images
    Naar de racistische rabbijn Meir Kahane, hier omringd door fans, zijn een straat en een park vernoemd. – © David Rubinger / The LIFE Images Collection / Getty Images

    Toch vind je hier en daar in het Israëlische landschap standbeelden. Een van de bekendste staat in de kibboets Yad Mordechai en is een levensgrote afbeelding van Mordechai Anielewicz, de leider van de opstand in het getto van Warschau. In Tel Aviv staat bij het Gedenkteken van de Onafhankelijkheid een standbeeld te paard van Meir Dizengoff, de eerste burgemeester van de stad. Het grootste plein van Tel Aviv, vroeger ‘het Plein van de koningen van Israël’ geheten, waar in november 1995 de aanslag op premier Yitzhak Rabin plaatsvond, is omgedoopt tot het Yitzhak Rabinplein en voorzien van een borstbeeld van hem. Op de internationale luchthaven Ben-Gurion in de voorstad Lod, ten slotte, zijn borstbeelden te vinden van David Ben-Gurion en Yitzhak Rabin.

    Azaryahou noemt het enige geval waarin een standbeeld is verwijderd voordat Israël een onafhankelijke staat werd. ‘In de jaren dertig van de vorige eeuw, tijdens de grote opstand tegen de Engelsen, haalden de Arabieren in Beër Sjeva een standbeeld neer van Edmund Allenby.’ Dat is de Engelse generaal die een eind had gemaakt aan het Ottomaanse regime tijdens de Eerste Wereldoorlog.

    Uitzondering

    Na de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 werden veel straten die de naam van Britse persoonlijkheden droegen omgedoopt, met uitzondering van de Allenbystraat in Tel Aviv. ‘Maar in Haifa en Jeruzalem sloeg dat niet aan, en de twee steden hebben nog steeds een King George Avenue,’ zegt professor Azaryahou. ‘In Tel Aviv werd zelfs een inscriptie toegevoegd die eraan herinnert dat koning George V koning van Engeland was ten tijde van de Balfour-verklaring, een manier om een zionistisch tintje te geven aan deze toponymie die geërfd is van het Britse mandaat.’ En met reden. De Balfour-verklaring is het document dat in 1917 de steun van Groot-Brittannië bekrachtigde aan de vestiging van een ‘Joods nationaal tehuis’ in Palestina.

    Al zijn de plaatselijke autoriteiten in Israël als enige bevoegd om straatnamen te kiezen, er is één uitzondering, onderstreept Azaryahou. ‘Het is ze verboden een straat om te dopen die de naam van een volksheld draagt.’ Dat heeft de gemeente Bnei Brak, een ultraorthodoxe stad ten oosten van Tel Aviv, er niet van weerhouden de Herzlstraat, vernoemd naar de stichter van de zionistische beweging, de naam van rabbijn Eliezer Schach te geven, de geestelijk leider van de ultraorthodoxen van Israël en de diaspora. ‘Ze hebben een subtiele manier gevonden om het verbod te omzeilen en de naam “Herzl” voor een deel van de straat laten bestaan.’

    Auteur: Judy Maltz
    Vertaler: Peter Bergsma

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    De eerste Hebreeuwse krant die in 1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.