Tag: ondernemen

  • Ondernemen in Oekraïne: ‘Supermarkten zijn de plekken van onze onverzettelijkheid’

    Ondernemen in Oekraïne: ‘Supermarkten zijn de plekken van onze onverzettelijkheid’

    Poetin wil met zijn bombardementen de Oekraïense maatschappij platleggen. Maar het bedrijfsleven gaat gewoon door. De supermarkten liggen vol, de IT-industrie groeit, en er worden zelfs weer vliegtuigen gebouwd. Hoe doen de Oekraïners dat?

    Bij elke stroomstoring in het westen van Oekraïne gaat er in het bedrijf van Maxim Ivanov iets zoemen: de dieselgenerator voor zijn kantoren in Ivano-Frankivsk start dan op. ‘Teksan Jeneratör’ is de naam van de kolos uit Turkije. Het apparaat genereert 80 kilowatt stroom, genoeg om het bedrijf met zijn 350 werknemers draaiende te houden – en om de plannen van Vladimir Poetin te dwarsbomen. Want zo ziet de eigenaar dat.

    Ivanovs IT-bedrijf Aimprosoft heeft programmeurs, webdesigners en productmanagers in dienst. De opdrachten komen van westerse bedrijven die zelf geen nieuw personeel durven aan te nemen, of die op hun thuismarkt nauwelijks nog geschoolde werknemers vinden. Ondanks de oorlog hoeven zijn klanten niet bezorgd te zijn over vertragingen. Of de Russische strijdkrachten nu een elektriciteitscentrale of –knooppunt aanvallen, de mensen van Aimprosoft werken gewoon door, dankzij de generator en de vaten met diesel, die maximaal tien dagen stroomuitval aankunnen.

    Aanvankelijk had de Russische president Poetin zijn zinnen gezet op een snelle verovering van Kyiv. Vervolgens liet hij zijn troepen beginnen met de gerichte vernietiging van vitale infrastructuur in Oekraïne. Vanaf de herfst troffen honderden kruisraketten en kamikazedrones elektriciteitscentrales en verdeelstations. Eind december zat 90 procent van de 700.000 inwoners van Lviv zonder elektriciteit. De stadsverwarming werkte met horten en stoten en Kyiv zat soms zonder stromend water. Vanuit de ruimte was het effect van de bombardementen goed te zien: Rusland deed het licht in Oekraïne uit.

    Maar het land raakte niet verlamd door duisternis en kou. De winterse apocalyps bleef uit. Onder andere dankzij de generatoren. Bij grote bedrijven zoals Ivanovs Aimprosoft staan buiten de kolossen te zoemen; voor kapsalons en cafés staan kleinere exemplaren. Alleen al in de laatste drie maanden van vorig jaar kocht Oekraïne in het buitenland ongeveer een half miljoen aggregaten voor noodstroom, plus accu’s op zonne-energie met namen als EcoFlow of Bluetti. Samen leveren deze eenheden hetzelfde vermogen als een blok in een kerncentrale. Strategisch gezien zijn ze nog waardevoller, aangezien Rusland ze niet in één klap kan uitschakelen of met een aanval kan veroveren.

    Gewoon overleven

    De snelle verspreiding van de generatoren is meer dan alleen een symbool van de taaie Oekraïense assertiviteit. Het doorzettingsvermogen van zakenlieden als Ivanov is simpelweg noodzakelijk, wil het land volharden in zijn militaire weerstand tegen de indringers. De kosten van het snel gestegen defensiebudget moet Oekraïne immers zelf opbrengen. De partners in de EU en de VS maken maandelijks weliswaar miljarden over aan de regering in Kyiv, maar zij zien er in de staatsbegroting op toe dat het geld vooral wordt besteed aan civiele doeleinden. De eigen belastinginkomsten van Oekraïne vloeien nu bijna volledig naar het leger. Die mogen niet verdwijnen.

    Dat is al moeilijk genoeg: de economische productie van Oekraïne is vorig jaar drastisch gedaald. Miljoenen mensen hebben het land verlaten. De belangrijke staalfabrieken in het oosten zijn vernietigd of bezet door Rusland. Alleen de IT-sector is blijven groeien, zelfs in 2022. Daarvan zijn de exportinkomsten gestegen tot 7,3 miljard dollar: een plus van 6 procent. De belastingafdracht van techbedrijven aan de Oekraïense staat stegen – gerekend in dollars – met 16 procent.

    De oorlog veranderde zijn industrie, zegt Ivanov. Hij heeft nu andere prioriteiten. Vroeger hielden hij en zijn partners zich vooral bezig met groei. Dit jaar echter heeft hij zich als doel gesteld ‘dat we allemaal gewoon overleven’. Veel van zijn werknemers doneren tot 20 procent van hun maandsalaris aan de strijdkrachten. Elke Oekraïner heeft vrienden of familieleden in de strijd. Zij staan voortdurend met elkaar in contact, via berichtenservices als Telegram en dankzij de Starlink-systemen van Tesla-baas Elon Musk.

    De donaties gaan naar het leger of naar vrijwilligersorganisaties. Soms sturen ze nachtzichtapparatuur of winteruitrusting. De particuliere koeriersdienst Nova Poschta – Nieuwe Post – bezorgt de pakketten portvrij aan het front. ‘Ook de koeriers,’ zegt Ivanov, ‘liggen vaak onder vuur.’

    De oorlog heeft de Oekraïense samenleving gemobiliseerd, en daarmee ook de economie. Volgens een onderzoek van adviesbureau Deloitte doneert meer dan de helft van de Oekraïners aan de strijdkrachten. Van de Oekraïense bedrijven maakt 56 procent geld over en 40 procent regelt donaties in natura, aldus de European Business Association (EBA). Poetin wilde de nationale economie van het buurland op de knieën dwingen door gerichte klappen toe te brengen aan de meest kwetsbare punten, maar hij lijkt geen rekening te hebben gehouden met de bevolking.

    Ze zijn zo geroutineerd geraakt dat ze beschadigde apparatuur ‘vier keer sneller repareren dan in de herfst’

    Neem de eenenzestigjarige Joeri Jakovlev. Meteen al aan het begin van de invasie vernietigden de Russen zijn levenswerk, Aeroprakt. Ze rukten op naar het kleine vliegveld bij Kyiv waar Jakovlev zijn bedrijf had. Het produceerde ultralichte vliegtuigen voor de wereldmarkt – negen stuks op maandbasis voor de oorlog. De Russen beschoten de hangar, het dak stortte in. Met durf en geluk wist hij belangrijk gereedschap en bouwtekeningen in veiligheid te brengen. Korte tijd later sloegen de Russen alles aan diggelen, herinnert Jakovlev zich. Hij bracht het materiaal naar zijn bedrijfsvestiging in Polen, zodat hij ten minste de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden voor zijn klanten in het Westen kon continueren.

    In de luchtvaartwereld heeft Jakovlev een legendarische status: wereldwijd verkocht de Oekraïner afgelopen decennia meer dan duizend vliegtuigen. Hij leerde zijn vak bij Sovjet-vliegtuigbouwer Antonov. Wanhoop en angst zijn hem vreemd. In Polen maakte hij eerst een doorstart met de verzending van reserveonderdelen, daarna nam hij contact op met verkooppartners en klanten en beloofde hij weldra weer nieuwe vliegtuigen te bouwen. Al in april was hij met zijn onderneming aanwezig op de luchtvaartbeurs in Friedrichshafen. Op Jakovlev en Aeroprakt kan nog steeds gerekend worden, was de boodschap.

    Een jaar na het begin van de oorlog doet hij provisorische reparaties op het vliegveld en in de buitenwijken van de Oekraïense hoofdstad. Deze zijn nodig vanwege de raketinslagen en het geweergeschut. Helaas is het personeelsbestand nu veel kleiner, zegt hij. Veel van de jongere werknemers zijn aan het front. Niettemin assembleert Aeroprakt weer vliegtuigen. ‘Negen per maand,’ aldus Jakovlev. Dat zijn er net zoveel als in januari 2022.

    In Oekraïne zijn er veel van dit soort verhalen over hardnekkig doorgaan. Neem de bestuursleden van de centrale bank NBU, de controlekamer van de economie. Als het luchtalarm afgaat, haasten ze zich naar de bunkers en onderhandelen desnoods vanuit een cel van vier vierkante meter verder met het Internationaal Monetair Fonds over miljardensteun.

    In de pikorde ver daaronder zijn er de reparatieploegen van staatsenergieleverancier Ukrenergo. Na maanden onafgebroken werken zijn ze zo geroutineerd geraakt dat ze beschadigde apparatuur ‘vier keer sneller repareren dan in de herfst’, aldus het hoofd van Ukrenergo. Ze zijn nu even snel in repareren als de Russen in vernietigen en ‘soms zelfs sneller’.

    Demografische crisis

    De Oekraïners hebben de vrije val van hun economie tot staan gebracht. In de zomer voorspelde de Wereldbank een daling van het bruto binnenlands product met 45,1 procent. Eind 2022 zou de min 30 procent al aangetikt moeten zijn – nog steeds een enorme inzinking. Maar voor het lopende jaar achten deskundigen zoals German Economic Team zelfs een lichte groei van 1,8 procent mogelijk.

    Is het genoeg? Van de staalproductie, die vroeger zo belangrijk was voor Oekraïne, is 85 procent ingestort. Russische troepen hebben fabrieken in het oosten bezet en de Azov-staalfabriek in Marioepol verwoest. De productie is daardoor gedaald van 60.000 ton staal per dag naar slechts 10.000 ton. De werkloosheid is verdrievoudigd, naar schatting tot 30 procent, ook al zijn sinds het begin van de oorlog honderdduizenden mannen opgeroepen voor de militaire dienst.

    Een demografische crisis begint zich af te tekenen. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie verminderde de Oekraïense bevolking met ongeveer acht miljoen door emigratie en een laag geboortecijfer. Voor de oorlog telde het land nog zo’n vierenveertig miljoen inwoners. Sindsdien zijn acht miljoen mensen gevlucht. Dat betekent dat de bevolking is gekrompen tot het niveau van voor de Tweede Wereldoorlog, tachtig jaar geleden. De meeste vluchtelingen verklaren dat zij na de oorlog willen terugkeren. Sommige EU-regeringen proberen hen te behouden – driekwart van de vluchtelingen heeft een universitair diploma.

    Zonder de miljardensteun van zijn partners zou de Oekraïense staat waarschijnlijk zijn ingestort. Toch is het betalingsgedrag van de internationale gemeenschap nog voor verbetering vatbaar. In 2022 werd er 64 miljard euro toegezegd, maar tot nu toe is slechts 31 miljard euro uitbetaald, zo berekende het Institut für Weltwirtschaft uit Kiel.

    Oekraïne moet nog steeds elke maand tot zo’n vijf miljard euro bij andere staten ophalen, anders kan het zijn leraren en ambtenaren niet meer betalen. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) wordt niet geacht geld uit te keren aan staten die in een militair conflict verwikkeld zijn maar verklaart zich bereid een uitzondering te maken voor Oekraïne. Om dat proces officieel gestalte te geven zijn de donoren overeengekomen een secretariaat op te zetten met kantoren in Kyiv en Brussel.

    De EU is de belangrijkste handelspartner. In de eerste maanden na het uitbreken van de oorlog steeg haar aandeel in de Oekraïense export van 40 naar 80 procent. Kort voor de oorlog werd de al langer geplande synchronisatie van de elektriciteitsnetten van de EU en Oekraïne voltooid. Dat was een zegen voor Kyiv: in de eerste maanden van de oorlog exporteerde het land kernenergie naar het Westen, waarmee het broodnodige deviezen verdiende. Sinds de bombardementen op energiecentrales begonnen, kan het land nu grote hoeveelheden elektriciteit van de EU kopen. De banden zijn inmiddels zo hecht dat sommige commentatoren Oekraïne beschouwen als ‘de facto lid van de EU’.

    Gewild

    Zover is het nog niet helemaal. ‘Er zijn initiatieven om Oekraïne te integreren in de toeleveringsketens van de EU,’ zegt Michael Harms, directeur van de op Oost-Europa en Centraal-Azië gerichte handelsvereniging Ost-Ausschusses der Deutschen Wirtschaft. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan omdat sommige producten nog niet aan de EU-normen voldoen of om andere redenen nog niet concurrerend zijn. Soms is het ook gewoon een kwestie van bureaucratie. Zo zijn er landbouwbedrijven in Oekraïne die biogas produceren en vloeibaar maken en klanten in de EU die dat willen kopen. De certificaten ontbreken echter nog.

    Economen van de Kyiv School of Economics schatten de oorlogsverwoesting op 138 miljard dollar – een bedrag dat elke dag stijgt. ‘Zonder particulier kapitaal lukt de wederopbouw niet,’ zegt econoom Robert Kirchner, plaatsvervangend hoofd van het Duitse economische team dat Oekraïne op last van de Duitse regering adviseert. Maar welke investeerder wil vrijwillig geld steken in een land dat door buurland Rusland met vernietiging wordt bedreigd? Desondanks heeft het Bayer-concern onlangs aangekondigd vast te houden aan een investering van 30 miljoen euro in een zaadfabriek. En de fabrieken van westerse autoleveranciers hebben hun activiteiten weer opgevoerd. Om ervoor te zorgen dat er nieuwe investeringen worden gedaan, ontwikkelen de Europese Bank voor Wederopbouw en Wereldbankdochter Miga programma’s om risico’s in Oekraïne af te dekken.

    Voor Oekraïense handelaren is vlotte bevoorrading van hun winkels een patriottische plicht geworden

    Oekraïense levensmiddelen zijn bijzonder gewild. Een Britse logistieke reus heeft daarom geïnvesteerd in een overslagcentrum in Moldavië om toegang te krijgen tot Oekraïense landbouwproducten. Het centrum ligt op 190 kilometer ten westen van de havenstad Odessa. Van daaruit zullen groenten en fruit binnenkort via Moldavië het Verenigd Koninkrijk bereiken. Het zou echt kunnen werken: de Oekraïners zijn erin geslaagd om zelfs in de onmiddellijke nabijheid van het front de bevoorrading op peil te houden – heel anders dan wat momenteel in bijvoorbeeld Britse supermarktketens gebeurt.

    Voor Oekraïense handelaren is vlotte bevoorrading van hun winkels een patriottische plicht geworden. Velen bieden voorbijgangers de mogelijkheid aan om zich binnen op te warmen of mobiele telefoons en laptops op te laden. Sommige winkels hebben openbare werkplekken ingericht, die voor iedereen toegankelijk zijn. ‘Supermarkten,’ zegt het hoofd van de winkeliersvereniging, ‘zijn nu de plekken van onze onverzettelijkheid.’

    Lees ook:

  • 
‘Ineens waren we ondernemers’

    
‘Ineens waren we ondernemers’

    Las Warmi – een netwerk van 3600 vrouwen – beheren een succesvol microkredietsysteem in de Argentijnse Andes. Tachtig fondsen worden gefinancierd met ongeveer 40.000 euro. In tien jaar tijd zijn er vierduizend leningen verstrekt.

    Op de Argentijnse hoogvlakte van het Andesgebergte, op ruim 3,5 kilometer hoogte, blinken de W’s op de opslagtanks van een pompstation je tegemoet. Een paar toeristen zijn gestopt om te tanken en vragen verbaasd welk merk dit is. ‘Las Warmi,’ zegt de pompbediende op een toon alsof het om een heel bekend benzinemerk gaat.

    Dat is niet zo vreemd; deze vrouwen – die zichzelf Las Warmi Sayajsunqo noemen, wat in het Quechua ‘de doorbijtsters’ betekent – zijn een geregistreerd handelsmerk. Met Rosario Quispe als drijvende kracht hebben de vrouwen van Las Warmi een netwerk met 3600 leden op poten gezet. Ze verstrekken kleine leningen aan startende bedrijfjes zonder een zakelijk onderpand te vragen. Uitgangspunt voor hun organisatie is de Andescultuur.

    Toen in 2001 de crisis in volle gang was, stonden de bedrijfscijfers van Las Warmi er goed voor. Het netwerk had een lening gekregen van de Stichting Avina, een non-profitorganisatie voor duurzame ontwikkeling. Ook hadden alle bij Las Warmi aangesloten onderneminkjes een positieve balans. Er was dus geld om te investeren, en het tankstation stond te koop. ‘Het voelde alsof we een vliegtuig kochten,’ vertelt Quispe aan La Nación. ‘Ineens waren we ondernemers. We hadden nog geen idee van de kopzorgen die het tankstation ons zou bezorgen. We waren alleen maar heel blij.’

    Rosario Quispe. – © YouTube
    Rosario Quispe. – © YouTube

    Op de bedrijvenlijst van Las Warmi staat onder meer het eerste internetcafé – nu een klaslokaal – van Abra Pampa, de hoofdstad van de provincie Jujuy. Maar ook het zoutbewerkingsbedrijf Cerro Negro, de forelkwekerijen in Cusi Cusi en Alfarcito, en een aardappelteeltbedrijf in het Andesgebergte zijn aangesloten bij Las Warmi. Daarnaast hebben de vrouwen een centraal verkooppunt ingericht waar ambachtelijke producten worden verkocht van de 115 verschillende leefgemeenschappen in de Argentijnse Andes.

    Quispe is trots op de sociale bedrijven die ze hebben opgericht. ‘Al doende en met vallen en opstaan leerden we hoe het moest.’ Soms viel het tegen. Eén bedrijf kwam niet van de grond, omdat de bedrijfskundigen de Andescultuur niet begrepen en eisen stelden waaraan ze ‘onmogelijk’ konden voldoen. Een ander bedrijf, dat lamaleer bewerkte, moesten ze vanwege ‘een principekwestie’ sluiten. Ook wezen ze een voorstel om in de hoogvlakte een bierbrouwerij neer te zetten van de hand. ‘Er is hier veel alcoholisme, en we wilden het probleem niet nog groter maken,’ aldus Quispe.

    Oprichting en groei

    In eerste instantie werd het Las Warmi-netwerk opgericht om de gezondheid van de vrouwen op de Andeshoogvlakte te verbeteren. Halverwege de jaren negentig ontdekte Quispe via een ziek familielid dat veel Andesvrouwen baarmoederhalskanker hadden. Ze zocht contact met artsen die de vrouwen kosteloos wilden behandelden. Toen 
de Stichting Avina dit hoorde, nam deze contact op met Las Warmi om de artsen alsnog voor hun werk te betalen. Zo werd de samenwerking tussen Las Warmi en Stichting Avina geboren. ‘Kanker is nog steeds een probleem,’ zegt Quispe. ‘Helaas konden we niet alles doen wat we van plan waren. 
We houden ons nu niet meer bezig met gezondheidszorg. De kosten zijn te hoog. Het is de verantwoordelijkheid van de overheid; zij moeten medische zorg naar de regio brengen. De Andesvrouwen gaan geen driehonderd kilometer reizen voor een bezoek aan het ziekenhuis,’ aldus Quispe.

    Samenwerken met de mensen van Stichting Avina bleek een duwtje in de rug voor de verdere ontwikkeling van Las Warmi. Vooral bij het optuigen van het systeem van microkredieten en het beoordelen van de haalbaarheid van de ingediende projecten waren hun technische adviezen cruciaal.

    Mirta Andrada, verantwoordelijk voor de financiën, legt uit dat Las Warmi op dit ogenblik tachtig fondsen beheren. Die worden gefinancierd met de 700.000 peso [zo’n 40.000 euro] die de organisatie in kas heeft. In tien jaar tijd zijn er vierduizend microkredieten verstrekt. Op dit moment bedraagt een lening gemiddeld tussen de 8000 en 10.000 peso.

    Waar dient het geld voor? Dat kan van alles zijn: het afbouwen van een huisje, het aanschaffen van gereedschap of het omheinen van een erf. Een Andesleefgemeenschap dient een aanvraag in waarin staat hoe het geld hun levenskwaliteit zal verhogen. Ook moeten ze uitleggen hoe ze de lening gaan aflossen. Andrada verzekert dat alles tot op de laatste peso wordt terugbetaald, soms iets later dan afgesproken. ‘Alleen zo kunnen we kredieten blijven verstrekken,’ aldus de financieel directeur.

    Quispe is ervan overtuigd dat Las Warmi moeten vasthouden aan hun sociale doelen, want er is nog veel te doen

    Het systeem is gebaseerd op vertrouwen en mondelinge overeenkomsten. Er zijn geen garanties. Er worden afspraken gemaakt over de hoogte van het bedrag en de wijze van terugbetalen. Het model heeft veel weg van dat van de Grameen Bank voor microkredieten, opgericht door de Bengalese econoom Muhammad Yunus, die er de Nobelprijs voor de Vrede voor kreeg.

    Nog steeds is Quispe verbaasd dat de Harvard-universiteit een aantal jaren geleden interesse toonde in hun werk. De vrouwen werden uitgenodigd om over hun microkredietennetwerk te vertellen. ‘Op Harvard wilden ze weten hoe we dat deden. Hoe het kon dat we geld leenden aan arme mensen en geen last hadden van wanbetalers. En dat we het werk dat er was onder elkaar verdeelden, zodat de mensen niet wegtrokken uit de regio. Want dat doe je 
als je niets hebt.’

    Het bezoek aan Noord-Amerika bleek belangrijk. ‘Door er op Harvard over te vertellen en indianenstammen te bezoeken, begrepen we dat we op de goede weg zaten,’ zegt Quispe. ‘We zagen dat we het juiste deden om ervoor te zorgen dat de Andesgemeenschappen niet uit elkaar vielen.’


    Het volgende doel van Las Warmi is het verplaatsen van de spinnerij van Palpalá naar de provinciehoofdstad Abra Pampa. Ze zijn hierover in gesprek met de leden van het netwerk. ‘We hebben geleerd hoe we de kwaliteit van de wol kunnen verbeteren. We hebben inpakmateriaal en dozen gemaakt om de producten in te vervoeren. Nu willen we dat de fabriek hiernaartoe komt, de plek waar we zijn geboren en waar we de kledingstukken maken.

    Ze zijn eveneens aan het onderhandelen over een betere prijs voor hun wol. Dit jaar is de prijs voor lamawol erg laag. Daar komt bij dat ze vanwege de droogte dieren hebben moeten slachten. Een kilo lamawol brengt rond de 50 peso op, zo’n 3 euro (uit één lama haal je 60 kilo), terwijl een kilo vicuñawol veel meer opbrengt, zo’n 800 euro. ‘Men realiseert zich niet wat het kost om een lama te verzorgen, hoeveel tijd erin gaat zitten. En bijna niemand weet dat je het beest maar één keer in de anderhalf of twee jaar kunt scheren,’ zegt Quispe.

    Quispe is ervan overtuigd dat Las Warmi moeten vasthouden aan hun sociale doelen, want er is nog veel te doen. ‘Op de hoogvlakte hebben we nog steeds primitieve schooltjes. De latrines in onze huizen zijn niet op het riool aangesloten. Bovendien hebben we wegen nodig om de spullen die we maken naar de stad te vervoeren.’

    Werkgelegenheid en educatie zijn volgens Quispe doorslaggevend voor nog meer groei. Ze hoopt dat over drie maanden de theefabriek gaat draaien. De bladeren komen uit de Andeshoogvlakte en andere Argentijnse streken. ‘We maken theezakjes met onze W erop, die in heel Argentinië te koop zullen zijn!’ zegt Quispe trots.

    Auteur: Gabriela Origlia
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    La Nacion
    Argentinië | dagblad | oplage 160.000

    De Argentijnse krant La Nacion (waarvan de oplage circa een vijfde van de totale krantenproductie in Argentinië beslaat) is een conservatief dagblad, opgericht in 1870 door de voormalige president Bartolomé Mitre, wiens naamgenoot en nazaat
    op dit moment hoofdredacteur van het blad is.

    Samen met concurrent Clarín (opgericht in 1945) kwam de krant enkele jaren geleden in aanvaring met de regering-Kirchner, in verband met de gezamenlijke overname in 1976 van de grootste papierfabriek van het land, Papel Prensa. Die was volgens de regering tot stand gekomen met steun van de toenmalige junta. Beide kranten zouden bovendien de papierprijzen voor hun concurrenten kunstmatig hoog houden.

    Tot oud-medewerkers van La Nacion behoren schrijvers als Borges en Vargas Llosa. Er bestaat een iconische foto uit 1961 waarop Che Guevara verdiept is in een exemplaar van de krant.

  • Het plezier van het ondernemen

    Het plezier van het ondernemen

    Sinds de Cubanen zelf bedrijfjes mogen oprichten, ontstaan overal op het eiland kleine initiatieven. Voormalig ambtenaar Luís verkoopt bijvoorbeeld sinds kort zijn eigen koffie.

    Bij het krieken van de dag hebben de slapelozen, de reizigers en de nachtwakers de primeur om van een kopje koffie te genieten dat de naam van dit heerlijke brouwsel alle eer aandoet. Vanaf drie uur ’s ochtends begint Luís Armando Cabrera Soler met de bereiding van zijn nectar in de dokterspraktijk aan de Calle 27 de Noviembre in Pinar del Río, 150 kilometer ten zuiden van Havana, waar hij woont. Zijn vrouw Madalina, arts, helpt hem bij het in gereedheid brengen van zijn uitrusting voor de straatverkoop: thermosflessen, tassen en een draagstel.

    Ondertussen snuift de bewaker die in de buurt werkt genietend het aroma op van de koffie die gezet wordt. ‘Ik heb een lampje op mijn pet gemonteerd zodat een klant niet naar een straatlantaarn hoeft te lopen om goed te kunnen zien, en uiteindelijk is dit lichtpunt ook een vorm van reclame,’ vertelt Luís. Hij is begonnen met één thermosfles en nu heeft hij er elke ochtend vijf. ‘Ik heb mijn assortiment allereerst uitgebreid met een cortadito, koffie met een wolkje melk, zoals me was aangeraden door een taxichauffeur die dat in Havana had gezien. Daarna ben ik verdergegaan met cappuccino en koffie met een chocoladearoma of gecondenseerde melk.’

    Een café beginnen is niet nodig: de klanten verdringen zich. ‘Kwaliteit is de beste reclame,’ verkondigt Luís. ‘Als ze me met een groot biljet willen betalen en ik heb geen wisselgeld, dan serveer ik ze gratis. Dat kost me geen geld, want uiteindelijk levert het me meer klanten op.’

    Luís met een klant in Pinar del Río.
    Luís met een klant in Pinar del Río.

    Over de koffie die hij gebruikt doet Luís niet geheimzinnig: ‘Café 100% Soler,’ zegt hij, terwijl hij het logo laat zien dat hij zelf heeft ontworpen. ‘Koffie die door mijn familie wordt geoogst en door mijzelf gebrand en gemalen. Mijn plantage in een dorpje hier in de buurt is niet groot, en daarom ben ik niet verplicht mijn productie aan de staat af te staan; maar ze is toereikend voor een heel jaar,’ legt hij uit.

    In principe is de Cubaanse staat de enige die koffieoogsten mag opkopen, en overtreding van deze wet staat gelijk aan diefstal of illegale export. De enige manier om koffie te vercommercialiseren is door het in winkels te kopen waar je betaalt in CUC’s, de Cubaanse peso die inwisselbaar is tegen een tarief dat veel te hoog is voor gewone Cubanen. Door de hoge prijzen in deze winkels nemen de onafhankelijke ondernemers (cuentapropistas) hun toevlucht tot de informele markt.

    ‘Het moeilijkste is om aan weggooibekers te komen,’ zegt Luís terwijl hij een klant zijn koffie serveert. ‘Omdat je die nergens kunt kopen, ben ik aangewezen op de welwillendheid van buren en vrienden die ze voor me meenemen uit het buitenland.’

    Door zijn creoolse humor weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen

    Eerst werkte Luís bij de inkoopafdeling van de benzineverkoopdienst van Pinar del Río, die onder het ministerie van Energie en Mijnbouw valt. Voorzichtigheidshalve heeft hij deze baan eerst met zijn straatverkoop van koffie gecombineerd, ‘Veel mensen zijn bang om hun baan op te zeggen en een eigen bedrijf te beginnen. Ik heb de sprong alleen maar gewaagd omdat mijn bedrijfsinkomsten regelmatig begonnen te worden en de werkuren voor mijn baan mijn bedrijfje in de weg begonnen te staan.’

    Door zijn creoolse humor en de vriendelijkheid waarmee hij een vuurtje geeft aan degenen die er eentje willen opsteken bij hun koffie, weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen. ‘Biljetten van hoeveel wil je terug hebben?’ grapt hij tegen een klant die geen kleingeld terug wil. ‘Ik zorg dat de mensen over de kleinste details tevreden zijn,’ licht hij toe.

    Om negen uur ’s ochtends loopt zijn verkoop ten einde, maar begint de voorbereiding voor de volgende dag: hij moet de koffie branden en malen, de thermosflessen schoonmaken met chloor, de servetten wassen waarmee hij de druppels opneemt, de vlekken verwijderen van het witte blad waarop hij zijn koffie serveert en ten slotte zijn boekhouding doen. Zo eindigt de werkdag van Luís Armando Cabrera, die er geen spijt van heeft dat hij een kleine ondernemer is geworden.

    Auteur: Ricardo Fernández
    Vertaler: Peter Bergsma

    14ymedio
    Cuba | 14ymedia.com

    Eerste onafhankelijk digitale medium in Cuba. Opgericht in 2014 door de Cubaanse activistische blogger Yoani Sánchez en de Cubaanse journalist Reinaldo Escobar. Omdat Cuba van alle landen in de wereld zo ongeveer de laagste internetconnectiviteit heeft, en de onlinecontent bovendien voortdurend door de overheid wordt gecheckt en gecensureerd, werkt de redactie niet online maar zet de content klaar en loadt die dan op in hotellobby’s. Van de 11,2 miljoen mensen in Cuba heeft iets meer dan een vijfde toegang tot het internet, en dan nog met name tot intranet, dat door de regering wordt beheerd.

  • Aziatische uitvaarten zijn gouden handel

    Aziatische uitvaarten zijn gouden handel

    Van Japan tot Singapore wordt de bevolking grijzer en rijker. Daarmee groeit de behoefte aan uitvaartdiensten op maat. Voor begrafenisondernemers is niets te gek om aan de buitenissige wensen van hun klanten te voldoen.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week werd bekend dat de Indonesische hoofdstad Jakarta Tokio voorbijgestreefd is als grootste stad ter wereld. Een van de redenen waarom het inwoneraantal van de Japanse hoofdstad nauwelijks of niet groeit, is de vergrijzing waarmee Japan al jaren te kampen heeft.
    Als gevolg daarvan hebben begrafenisondernemers hun handen vol, getuige dit artikel van tien jaar geleden. Ze sparen kosten noch moeite om aan de wensen van hun klanten te voldoen. Hier geldt wel heel letterlijk: de een zijn dood is de ander zijn brood.

    De teint van geelzucht, afzichtelijke kogelwonden, gebroken botten als gevolg van auto-ongelukken op hoge snelheid: geen zee gaat de verfspuit van Lee Jonglan te hoog.

    ‘U ziet dat de rechterkant van haar gezicht er normaal uitziet,’ zegt Lee, terwijl haar tengere model met moeite haar ogen dichthoudt. ‘Maar links ziet het er een beetje gezwollen uit omdat we zo veel foundation hebben aangebracht.’

    Het is niet perfect, stelt Lee vast. Maar ze streeft dan ook niet naar perfectie. Ze streeft naar troost voor de nabestaanden. ‘Kijk eens hoe mooi ze eruitziet,’ zegt ze. Het model, herrezen uit de dood, glimlacht. De omstanders verdringen zich rond haar, visitekaartjes in de aanslag.

    Een make-updemonstratie op de Aziatische Uitvaart- en Begrafenisbeurs in Macau. © Tyrone Siu / Reuters
    Een make-updemonstratie op de Aziatische Uitvaart- en Begrafenisbeurs in Macau. © Tyrone Siu / Reuters

    Kunstdiamanten van as

    Lee, in Zuid-Korea dé topvisagiste voor doden, was zichtbaar in haar element, en niet alleen vanwege haar tv-sterrenglimlach. Ze was de koning te rijk toen ruim honderd begrafenisondernemers, fabrikanten, ambtenaren en zakenlui in mei de jaarlijkse Aziatische Uitvaart- en Begrafenisbeurs en -Conferentie bezochten, die werd gehouden in Macau, een semiautonome bestuurlijke regio aan de Zuid-Chinese kust.

    Drie dagen lang wisselden deelnemers – uit alle windstreken, van het nabijgelegen Hongkong tot helemaal uit Bolivia – handdrukken en contactgegevens uit. Ze hadden afspraken met Mongoolse begrafenisondernemers, Maleisische begraafplaatsontwikkelaars, Chinese doodskistenmakers en strak in het pak gestoken Nederlandse zakenlui die na een crematie fonkelende kunstdiamanten maken van de as, zodat vermogende nabestaanden de overblijfselen van hun geliefde bij zich kunnen dragen. De expobezoekers luisterden onder een kristallen kroonluchter in een weelderige conferentiezaal naar lezingen met titels als ‘DNA zit in het DNA van de begrafenissector’ en ‘Lessen uit ebola’.

    ‘De Aziatische uitvaartsector verschilt totaal van die in het Westen,’ zegt Kenny Lo, directeur van Vertical Expo Services, het in Hongkong gevestigde bedrijf dat de beurs organiseert. ‘Hier in Azië is die zeer behoudend, vooral in China. Heel traditioneel. En tot op zekere hoogte – hoe zal ik het zeggen – nogal gesloten, niet erg transparant.’

    Een Chinese ondernemer gaf 770.000 dollar uit om afscheid te nemen van zijn moeder

    Regels zijn er nauwelijks, zegt hij. Het overheidsbeleid is vaak stroperig en star. Een hele reeks tradities ‘maakt alles er erg ingewikkeld op, zelfs in één land’.

    Maar voor wie in Azië de weg weet, zijn uitvaarten gouden handel. De bevolking in de regio, van Japan tot Singapore, wordt grijzer en rijker. Rond 2050 is naar verwachting een op de vier Oost-Aziaten ouder dan 65. Intussen raken hun kinderen steeds vertrouwder met de moderne technologie en komen steeds vaker in contact met de rest van de wereld. Ze willen uitvaartdiensten die bij hun status passen en dagen begrafenisondernemers uit nieuwe manieren te bedenken om klanten te lokken.

    Nergens ontwikkelt de sector zich zo snel als in China, de grootste economie in de regio, waar families van oudsher afscheid van hun dierbaren nemen met offerandes als namaakgeld, kleren en gereedschap. Eeuwenlang beschouwden Chinezen extravagante uitvaarten als noodzakelijk om de doden te behagen.

    ‘Het idee dat de doden op de een of andere manier blijven voortbestaan wanneer het fysieke leven is afgelopen, is in China oeroud,’ zegt Michael Szonyi, een hoogleraar Chinese geschiedenis aan Harvard. ‘Dat gaat terug tot nog voor het confucianisme en het taoïsme, en ruim voor het boeddhisme.’

    Maar Mao Zedong, die van 1949 tot 1976 over het land heerste, deed traditionele begrafenisrituelen af als ‘feodaal bijgeloof’ en verving ze door uitvaarten in socialistische stijl, zogeheten herdenkingsbijeenkomsten. Socialistische begrafenissen eindigden met een soort korte toespraak door de voorman van de arbeidseenheid van de overledene, waarin diens bijdrage aan het socialisme werd gememoreerd. De meeste begrafenissen duurden niet langer dan een kwartier.

    Na die tijd heeft China zich echter ontwikkeld tot een economische supermacht, met na de Verenigde Staten het hoogste aantal miljonairs ter wereld, en sindsdien maken buitenissige begrafenissen een grootschalige comeback, ondanks pogingen van hogerhand ze de kop in te drukken.

    In de afgelopen jaren hebben rijke nabestaanden de krantenkoppen gehaald met uitvaartceremonies een keizer waardig. In 2011 gaf een ondernemer in de Oost-Chinese stad Wenling 770.000 dollar uit om met enorme LED-schermen, een honderdkoppig orkest, een rij goudkleurig geschilderde kanonnen en een vloot Lincoln-limousines afscheid te nemen van zijn moeder.

    Uitvaartbeurs

    In april traden overheidsfunctionarissen met harde hand op tegen twee grootscheepse begrafenissen in de provincies Hebei en Jiangsoe, waar de dorpelingen exotische danseressen hadden ingehuurd om een grote menigte op de been te brengen.

    Het zal geen verbazing wekken dat de toestroom naar de uitvaartbeurs elk jaar is toegenomen sinds Lo’s bedrijf het evenement is gaan organiseren.

    In een hoekje van de beurshal heeft een Chinees bedrijf een stand ingericht met voorbeelden van dodenoffers, voornamelijk grote papier-machébeelden van buitenverblijven en dure auto’s, waarvan het de bedoeling is dat ze bij wijze van geschenk aan de overledene in ovens op de begraafplaats worden verbrand.

    Het bedrijf maakt papieren modellen van alles wat je in het hiernamaals nodig zou kunnen hebben

    Aan de overkant van het gangpad haalt Han Dingyu van het concurrerende, bijna tien jaar oude Taiwanese bedrijf SKEA, een acroniem van Spectacular Kind of Elysium Accessories [‘Spectaculair soort hemelse toebehoren’], zijn spullen uit de verpakking. ‘Eersteklas vakmanschap,’ zegt Han terwijl hij allerlei handgemaakte papierminiaturen tevoorschijn haalt, waaronder een prachtig stuk vlees, een dienblad met cupcakes en een assortiment kleurige macarons ter grootte van een muntje.

    Het bedrijf maakt papieren modellen van alles wat je in het hiernamaals nodig zou kunnen hebben, zegt hij: afleiding, eten en onderdak. ‘Jonge mensen geven elkaar vaak (miniatuur-)iPhones,’ voegt hij eraan toe. ‘Als mensen iets aan een meisje offeren, dan is het vaak make-up of zijn het kleren. Oude mensen, het voorgeslacht, zijn degenen die huizen krijgen.’

    Papieren modellen van bedienden, waarvan men gelooft dat overledenen ze gebruiken. – © Tyrone Siu / Reuters
    Papieren modellen van bedienden, waarvan men gelooft dat overledenen ze gebruiken. – © Tyrone Siu / Reuters

    Bestemming: ‘home’

    Hij bladert door de glimmende catalogus van het bedrijf, waarin maquettes van huizen met een scala aan luxueuze extra’s worden aangeprezen: dakterrassen, binnentuinen en ramen van vloer tot plafond. In het zwembad achter een postmoderne ‘droomvilla in Ibiza-stijl’ ligt een jacht afgemeerd.

    En de geest van verandering waait tot ver buiten China. Ongeveer vijf jaar geleden kwam de marktleider van de Singaporese uitvaartsector, de 103 jaar oude Ang Chin Moh-groep, met Flying Home, een dienst waarmee het samen met luchtvaartmaatschappijen en ambassades pas overledenen repatrieert. Niet ver van Lee’s stand met uitvaartmake-up delen vertegenwoordigers van Flying Home bagagelabels uit met het logo van het bedrijf en folders die op instapkaarten lijken (maatschappijcode: ‘FH’, bestemming: ‘home’).

    Singapore is een van de belangrijkste bestemmingen van expats in Azië. Grace Hung, assistent-marketing-manager van Flying Home, zegt dat de zaken voor de wind gaan. ‘Singapore loopt voorop in dingen als financiën, accountancy en recht,’ zegt ze. ‘Maar niet als het gaat om de dood.’

    Haar bedrijf probeert dat te veranderen. Ze zegt dat haar collega’s een groot aantal talen spreken – Indonesisch, Maleis, Engels, Spaans, Frans – en gemiddeld veertig jaar oud zijn, ongeveer tien jaar jonger dan het gemiddelde in de sector als geheel. ‘We doen ook repatriëringen náár het buitenland,’ zegt ze. ‘Singapore is een medische hotspot. Mensen laten zich hier behandelen en komen daar soms bij te overlijden.’

    In de conferentiezaal beneden spreekt de Chinese ondernemer Wang Dan, een 34-jarige ingenieur die in 2012 een rouwcentrum in Beijing begon, een publiek van enkele tientallen mensen toe, van wie de meesten goedgeklede mannen. ‘Social media zijn belangrijk in onze bedrijfstak,’ zegt hij. ‘Wat kunnen we doen, wanneer er iemand overlijdt, om de herinneringen die familieleden en vrienden aan de overledene hebben te laten voortleven? We kunnen filmpjes maken en foto’s nemen, en die op het internet zetten. Ik vind dat een uitstekend idee.’

    Hij zegt dat zijn bedrijf, ‘De Overkant’, met standaardprijzen werkt en ze online zet, terwijl de meeste Chinese begrafenisondernemers rekenen wat ze denken dat hun klanten kunnen betalen. De Overkant biedt betaalbare adviesgesprekken aan waarin het nabestaanden helpt contact te leggen met rouwverwerkingsinstanties en chique begraafplaatsen; het bedrijf heeft de handen ineengeslagen met een Amerikaans bedrijf dat as van overledenen de ruimte in schiet.

    ‘Ik denk dat de maatschappij ingrijpend verandert,’ zegt Dan. ‘Jonge mensen kijken heel anders tegen de wereld aan dan wij. En als wij vakmensen niet meebewegen, lopen we een achterstand op.’

    Jonathan Kaiman