De Spaanse schijver Jordi Soler vergelijkt de communicatie van politici in zijn land met de tuinmetaforen van meneer Chance in Jerzy Kosinski’s Being There: een verzameling oneliners die overal en eindeloos kunnen worden herhaald.
In zijn roman Being There (1970) vertelt Jerzy Kosinski het verhaal van een man die buiten de samenleving opgroeide. Van jongs af aan woont hij met een rijke man en diens personeel in een huis waar hij nooit een voet buiten de deur zet. Straatgeluiden en wat hij toevallig op tv ziet geven hem een vermoeden van de wereld aan de andere kant van de tuinmuur. Omdat hij als tuinman werkt, weet hij alles van de verschillende groeistadia van bomen, van bloemen, struiken en de wereld die zij vormen. Geen wonder dus dat hij alleen tuintaal spreekt.
Op een dag moet Chance het huis en de tuin verlaten, de enige werkelijkheid die hij kent. Dankzij Kosinski’s verhaalkunst vindt hij een nieuw onderkomen bij een erg invloedrijke man, een vriend van de president van de Verenigde Staten, die verbijsterd is door de manier waarop Chance zich uitdrukt. Hij spreekt uitsluitend in tuintermen.
Metaforen
Het personage praat zo omdat hij geen andere werkelijkheid kent, maar de mensen horen in zijn taalgebruik lumineuze allegorieën en wijze metaforen. Zo is de president vol bewondering als Chance hem vertelt hoe hij denkt over de economische crisis die de Verenigde Staten doormaakt: ‘Elke tuin maakt een bloeiperiode door. Je hebt het voorjaar en de zomer, maar ook de herfst en de winter, daarna komen het voorjaar en de zomer weer. Zolang je de wortels niet doorsnijdt is alles goed en zal alles goed blijven.’
Zijn metaforische taal – die dat in feite niet is – maakt van Chance een gewilde adviseur met een briljante toekomst in de Amerikaanse politiek. [Hieronder is een fragment te bekijken. De hele film bekijkt u hier.]
Meneer Chance is zo’n romanpersonage dat je de werkelijkheid vanuit een ander perspectief laat zien: zijn tuinmetaforen vormen een zeer klein, maar effectief arsenaal aan ideeën, te vergelijken met wat de Spaanse politici onlangs tijdens de verkiezingscampagne hebben laten horen. Wat een politicus in de eenentwintigste eeuw te zeggen heeft bestaat welbeschouwd uit niet meer dan een verzameling oneliners die dienst kunnen doen als krantenkoppen en eindeloos kunnen worden herhaald op de radio, op televisie en, vooral, op de sociale media; in Spanje zijn bijna 24 miljoen mensen online.
Zoals kranten tegenwoordig geen eenheid meer zijn maar een samenraapsel van duizenden nieuwsberichten, zoals platen zijn verworden tot een kakofonie van losse nummers en speelfilms in stukken worden gehakt om er televisieseries van te maken, zo moet wat de politicus te zeggen heeft verpakt worden in een handzaam setje korte, welluidende oneliners die pakkend, licht en gestroomlijnd zijn zodat ze probleemloos door cyberspace kunnen vliegen. De lange toespraken van Fidel Castro voor een stadion vol bekeerlingen waar hij acht à tien uur lang aan een stuk door oreerde – zonder ook maar een slok water te drinken en dus zonder te plassen – behoren tot de twintigste eeuw.
Als Twitter mijn enige informatiebron was geweest had ik gezworen dat Podemos de verkiezingen zou gaan winnen
Maar wat is de houdbaarheidsdatum van een politicus die in een sporthal een uur lang de longen uit zijn lijf staat te schreeuwen in een wereld waarin we zonder dat we uit onze stoel hoeven te komen een piano kunnen kopen, nieuwe vrienden kunnen maken of (virtuele) seks kunnen hebben? De dag van de verkiezingen volgde ik Mariano Rajoy, Pedro Sánchez, Pablo Iglesias en Albert Rivera op Twitter. Als Twitter mijn enige informatiebron was geweest had ik gezworen dat Podemos de verkiezingen zou gaan winnen. De verspreiding van microinformatie, van microkreten, de uitputtende manier waarop deze partij micropolitiek bedrijft, de hyperactiviteit op de sociale media; dat is zonder enige twijfel de basis van hun succes.
Het is uiteraard een mondiaal fenomeen. Overal op de wereld maken politici gebruik van de sociale media om permanent in contact te staan met hun volgers, om hen vierentwintig uur per dag te bestoken met een klein repertoire oneliners. Het is een wereld van verschil met hoe het een volgeling van een politicus in de vorige eeuw verging: zodra de bijeenkomst was afgelopen, hoorde hij niets meer van de kandidaat.
Micropolitiek, dat handjevol oneliners van een verkiesbare politicus dat eindeloos rondzingt op de sociale media, heeft in Spanje een pervers trekje. In een land waar men niet gewend is om te debatteren, om rustig ideeën en opvattingen met elkaar te bespreken, waar iedereen maar dan ook iedereen zijn mening luidkeels en ongenuanceerd opdringt – of dit nu in het parlement is, in praatprogramma’s op tv of aan de bar in het café –, heeft micropolitiek veel meer gewicht dan in landen waar de kiezer de mogelijkheid heeft om dankzij een ruim aanbod aan debatten kennis te nemen van de ideeën, de stijl, de taal, de cultuur en het reactievermogen van een politicus met regeerambities die op zijn falie krijgt.
Van een openbaar debat tussen kandidaten word je in Spanje niet veel wijzer en in de sporthallen vind je tegenwoordig alleen nog maar mensen die in staat zijn om in levenden lijve urenlang hysterische politieke retoriek aan te horen. De overgrote meerderheid – een meerderheid die almaar toeneemt omdat een nieuwe generatie kiezers zich aandient – moet het doen met dat half dozijn algemeenheden online die met elkaar het versimpelde, tot hapklare brokken teruggebrachte verkiezingsprogramma vormen. Zes stellige uitspraken, die de kandidaat persoonlijk naar de accounts van zijn volgers stuurt, moeten het voor de rest vaak vage verkiezingsprogramma maskeren.
In een onbewaakt ogenblik
Terug naar de roman van Jerzy Kosinski. Had meneer Chance niet in de jaren zestig van de vorige eeuw maar in onze tijd triomfen gevierd, dan had hij ongetwijfeld zijn kleine ideeënarsenaal op Twitter en Facebook rondgestrooid. Zijn tuinmetaforen hadden hem duizenden volgers opgeleverd. Met zijn populariteit op de sociale media en zijn aanzien zou hij, zonder verdere inhoud, een verkiezingscampagne hebben kunnen voeren en, in een onbewaakt ogenblik, de verkiezingen hebben gewonnen.
Halverwege de roman merkt een vrouw het volgende op over meneer Chance: ‘Hij is geen huichelachtige idealist en geen routineuze technocraat.’ Oftewel, hij wentelt zich in een prettige politieke middelmatigheid en is kort van stof: aan die handvol ambigue metaforen kan hij zich geen buil vallen. Daar gaan de verkiezingscampagnes naartoe. De kandidaten hoeven niet langer in sporthallen de longen uit hun lijf te schreeuwen. Ze zijn alleen te zien in een gecontroleerde setting, in radio- en televisiestudio’s, in lange portretten in de pers terwijl hun spindokters op de sociale media vierentwintig uur per dag hun zeer kleine, maar effectieve repertoire aan ideeën herhalen. Micropolitiek baart micropolitici.
Auteur: Jordi Soler
Vertaler: Henriëtte Aronds
Jordi Soler (1963) is auteur van twee dichtbundels en tien romans. Hij is een van de belangrijkste literaire stemmen van zijn generatie.
Beeld bovenaan: Filmstill uit Being There.
El País
Spanje | oplage 397.000
Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

