Tag: ontwikkelingsland

  • Je schulden aflossen door aan het klimaat bij te dragen, het kan

    Je schulden aflossen door aan het klimaat bij te dragen, het kan

    Door financiële deals aan te gaan, krijgen ontwikkelingslanden mogelijk een grotere rol in de strijd tegen klimaatverandering. Met natuurbehoud kunnen landen als Belize hun schulden aflossen.

    Belize stond aan de rand van een economische afgrond. Door de pandemie belandde het land in de ergste recessie die het ooit meemaakte, waardoor de regering dreigde failliet te gaan.

    De oplossing kwam uit onverwachte hoek, toen een lokale zeebioloog aan premier Johnny Briceño een vernieuwend voorstel deed. Haar nonprofitbedrijf zou het land geld lenen waarmee het schuldeisers kon terugbetalen, zolang de regering beloofde een deel van het uitgespaarde bedrag te gebruiken om de zee te beschermen.

    In Belize vallen daaronder oceanen, bedreigde mangroves en kwetsbare koraalriffen.

    Het is een nieuw soort aanpak. Door deals als deze, die bekendstaan als blue bonds, kan een groeiend aantal ontwikkelingslanden hun schuld aflossen door in natuurbehoud te investeren. Zo krijgen ze langzaamaan een grotere rol in de strijd tegen klimaatverandering.

    ‘Nu verdwijnt ons geld niet meer in de zakken van obligatiehouders, maar werken we mee aan milieubescherming’

    ‘De deal gaf ons ademruimte,’ vertelt Briceño. ‘Nu verdwijnt ons geld niet meer in de zakken van obligatiehouders, maar werken we mee aan milieubescherming.’

    Simpel gezegd hebben blue bonds hetzelfde effect als de herfinanciering van een hypotheek. Net als vele andere landen heeft Belize de overheidsuitgaven lange tijd deels gefinancierd door internationale obligaties te verkopen. Met de obligaties, die in feite een soort schuld zijn, kan een overheid wel kapitaal aantrekken maar wordt zij vaak decennialang opgezadeld met hoge rentebetalingen.

    In concrete zin houdt de bluebondsdeal in dat de Amerikaanse non-profitorganisatie Nature Conservancy aan Belize meer dan 350 miljoen dollar leent, waarmee het internationale obligaties ter waarde van meer dan een half miljard dollar terug moet kopen.

    Nature Conservancy kon die lening financieren via Credit Suisse, een bank in Zürich, die het geld op zijn beurt ophaalde door nieuwe obligaties te verkopen aan milieubewuste klanten.

    Evenwicht

    De deal levert Βelize 200 miljoen dollar op, wat bijna een tiende is van de jaarlijkse nationale productie. Het geld kan aan allerlei zaken besteed worden, mits Belize van 30 procent van zijn wateren een beschermd gebied maakt door industrieën als visserij en de bouw in te perken. Het land heeft tevens toegezegd jaarlijks 4,2 miljoen dollar uit te geven aan het behoud van biodiversiteit in deze beschermde gebieden.

    Kleine en arme landen kampen vaak met een reeks van onderling samenhangende problemen: buitensporige schulden enerzijds en milieuaantasting anderzijds. Voorstanders van de deal hopen dat financiële en milieu-georiënteerde stimulansen dergelijke problemen kunnen tegengaan en kunnen bijdragen aan duurzame groei.

    Toch blijft de roep om milieubehoud in de knel komen met de eisen van de toerisme- en visserij-industrie, beide essentieel voor de Belizaanse economie. Milieufinanciering kent dus nog altijd een aantal grote uitdagingen.

    ‘Je kunt niet zomaar overal aan natuurbehoud gaan doen en voor ons geen werkplek overlaten,’ zegt Ian Palacio, een Belizaanse visser.

    Palacio (43) woont in het schitterende Turneffe Atoll, een groot, marien reservaat met talloze eilandjes waarop mangroven groeien. Het is sinds de deal een beschermd gebied. De eilandengroep ligt aan het grootste koraalrif van het westelijk halfrond en wemelt van de soorten vis, van kreeft  dolfijnen en zeekoeien, en er groeien zeldzame bomen.

    ‘Behoud is goed, maar we moeten de voordelen ervan wel kunnen voelen’

    ‘Behoud is goed, maar we moeten de voordelen ervan wel kunnen voelen,’ aldus Palacio.

    Vanuit eenvoudige, houten kampen tussen de mangroven varen Palacio en zijn collega’s tijdens het visseizoen dagelijks uit om kreeften te vangen. Die vormen het belangrijkste aandeel van de Belizaanse visserij.

    De vissers gebruiken technieken die door de eeuwen heen weinig zijn veranderd: ze duiken naar houten platforms die op de zeebodem liggen en grijpen daar schaaldieren. Ook gebruiken ze lange stokken om kreeftenvallen mee naar hun boten te slepen.

    Zo’n twaalf toezichthouders patrouilleren in het reservaat. Ze controleren visvergunningen en gaan de grootte van gevangen kreeften na, zodat de kreeftpopulatie op peil wordt gehouden. Naar eigen zeggen hebben ze meer benzine, personeel, portofoons en wapens nodig om het reservaat beter te kunnen beschermen. Door het tekort aan brandstof kunnen de kustwachters het zich nauwelijks veroorloven hun uitkijkpost te verlaten.

    ‘Als we de middelen eenmaal hebben, kunnen we het nodige evenwicht in het ecosysteem bereiken,’ zegt Valdemar Andrade, de beheerder van het reservaat.

    Recordtempo

    Nature Conservancy sloot in september haar derde bluebondsdeal met Barbados, een ander klein land in de Cariben, dat net als Belize grote schulden heeft en de dreiging van klimaatverandering voelt. Ook landen met grotere economieën, waaronder Ecuador en Sri Lanka, gingen soortgelijke deals aan.

    Regeringsambtenaren en milieugroeperingen hopen dat dergelijke regelingen gemeengoed worden. Zo zou klimaatverandering een belangrijke factor kunnen worden binnen de manier waarop particuliere investeerders, multilaterale organisaties zoals het Internationaal Monetair Fonds en soevereine schuldeisers zoals China, leningen van soms wel biljoenen dollars aanbieden aan en terugvorderen van armere landen.

    ‘Door de manier waarop financiën wereldwijd geregeld zijn, kunnen landen gewoon geen werkelijk voordeel behalen door in de natuur te investeren,’ aldus Slav Gatchev, hoofd van de afdeling duurzame schulden bij Nature Conservancy.

    De zogenaamde schuld-voor-klimaatruil stond lang bekend als een financiële niche. Tijdens de pandemie kwam de deal echter op de voorgrond te staan. Doordat economieën wereldwijd op instorten stonden, werden ontwikkelingslanden gedwongen in recordtempo nieuwe schulden aan te gaan. Ondertussen kregen ze steeds minder inkomsten binnen, waardoor de kans op terugbetaling afnam.

    Het idee om ontwikkelingslanden schuldverlichting te bieden in ruil voor klimaatstappen ontstond in de jaren tachtig en was hoofdzakelijk bedoeld voor de bescherming van regenwouden.

    Volgens Gatchev is het verschil dat landen in het bluebondsmodel geen bescheiden, eenmalige schuldvermindering krijgen. Sterker nog, wereldwijde financiële markten zetten hun middelen in om de financiering van natuurbehoud mogelijk te maken.

    Het eerste land dat een bluebondsdeal aanging is de Seychellen, een eilandengroep in de Indische Oceaan. Inmiddels is het land er volgens Nature Conservancy in geslaagd 30 procent van zijn wateren te beschermen, waardoor kwetsbare soorten nu een toevluchtsoord hebben. In ongeveer de helft van de beschermde gebieden is menselijke activiteit ofwel verboden ofwel sterk beperkt.

    Bij elkaar opgeteld hebben Belize en Barbados inmiddels 683 miljoen dollar aan schulden terugbetaald

    Toch zeggen economen en natuurbeschermers dat deze financiële deals slechts een fractie van de oplossing zijn voor alle dringende, wereldomvattende problemen.

    Bij elkaar opgeteld hebben Belize en Barbados inmiddels 683 miljoen dollar aan schulden terugbetaald. Volgens de Wereldbank is dat maar 0,03 procent van wat ontwikkelingslanden eind 2020 verschuldigd waren aan particuliere schuldeisers.

    En de 134 miljoen dollar die de twee landen de komende twintig jaar voor het behoud van de zee hebben uitgetrokken, is een nog kleinere fractie van de 125 biljoen dollar die volgens de Verenigde Naties wereldwijd besteed moet worden om tegen 2050 een nettonuluitstoot te bereiken en de ergste gevolgen van klimaatverandering terug te draaien.

    Aantrekkelijk

    Volgens sommige economen kan schuldverlichting geen blijvend effect hebben op kleine landen die van toerisme afhankelijk zijn, tenzij ze meer variatie aanbrengen in hun economie en de nationale productiviteit verhogen.

    Het algemene effect dat de bluebondsdeals op het klimaat hebben, is bovendien maar beperkt. Regeringen krijgen jaren de tijd om aan te tonen dat hun natuurbehoud verbeterd is en zijn niet verplicht de menselijke activiteiten in hun wateren fors in te perken.

    Toch kunnen dergelijke initiatieven wel degelijk voor klimaatactie zorgen. Volgens voorstanders zorgt milieu-georiënteerde schuldverlichting ervoor dat de financiële belangen van internationale investeerders en kleine landen op één lijn komen te liggen, waardoor regeringen meer overheidsuitgaven kunnen doen en in de richting van duurzame groei worden geduwd.

    ‘Hoe zou erosie van stranden ooit een politieke prioriteit kunnen worden als we tegelijkertijd dringend de scholings- en vaccinatiegraad moeten verhogen?’ vraagt Henry Mooney, een Caribisch econoom bij de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, zich af. ‘Het geld dat nu voor natuurbehoud opzij is gezet, was anders ergens anders aan besteed.’

    Volgens mensen die bluebondsdeals afsluiten, moeten landen zich wel aan de overeenkomsten houden: schuldeisers kunnen claims indienen bij internationale rechtbanken als regeringen hun financiële verplichtingen en afspraken rondom natuurbehoud niet nakomen. Dat maakt de regelingen minder riskant voor grote vermogensbeheerders en pensioenfondsen.

    De blue bonds zijn daardoor extra aantrekkelijk voor westerse investeerders die geld willen verdienen aan positieve doelen, zoals natuurbehoud.

    ‘Investeren is geen altruïstische aangelegenheid, investeerders geven niet zomaar geld weg,’ zegt Ajata Mediratta, partner van Greylock Capital Management, een Amerikaanse investeerder die betrokken was bij de Belizaanse blue bonds-deal.

    Volgens Christopher Coye, een belangrijke financiële ambtenaar in Belize, hebben de deals ervoor gezorgd dat het land zijn schuld aanzienlijk heeft kunnen verminderen en dit jaar de grootste begroting ooit heeft kunnen opstellen. De sociale uitgaven zijn weer op hetzelfde niveau als vóór de pandemie en de economie zal dit jaar naar verwachting met bijna 6 procent groeien.

    Om aan de voorwaarden van de overeenkomst te voldoen, verbood het land de eilandjes waarvan een groot deel van het koraalrif in overheidsbezit is, te verkopen. Daarnaast is er 2070 vierkante kilometer aan beschermd zeegebied bij gekomen en heeft de regering zich voorgenomen tegen 2026 een aanvullende 5000 vierkante kilometer te gaan beschermen.

    ‘Investeren is geen altruïstische aangelegenheid, investeerders geven niet zomaar geld weg’

    Natuurbehoud is er dus op vooruitgegaan. Toch zijn veel eilanden in het nieuw beschermde gebied al verkocht en veranderd in resorts of privévilla’s. Ondanks de bluebondsdeals zijn bovendien veel visgebieden grotendeels intact gelaten, wat grote schade toebrengt aan het zeelandschap.

    De grootste aanwinst van de bluebondsdeal zijn volgens Julie Robinson, inwoner van Belize en landelijk manager bij Nature Conservancy, niet alleen de financiële voordelen en het natuurbehoud, maar vooral de kans om de nationale identiteit opnieuw vorm te geven. Door de pandemie kwam de toerismesector van de ene op de andere dag stil te liggen, wat veel inwoners naar de visserij en landbouw dreef. Dat bracht de waarde en kwetsbaarheid van de natuurlijke rijkdom van Belize aan het licht, zo stelt ze.

    ‘Als Belizaan wil ik ervoor zorgen dat we als land kunnen groeien en bloeien,’ vervolgt Robinson. ‘Ik hoop dat we met deze obligatieovereenkomst een stap terug kunnen doen en kritisch nadenken over onze toekomst. Wat voor soort ontwikkeling willen we doormaken?’

  • Namibië verwelkomt eerste lichting lokaal opgeleide artsen

    Namibië verwelkomt eerste lichting lokaal opgeleide artsen

    Tot voor kort kende Namibië geen eigen artsenopleiding. Maar de aidsepidemie van begin deze eeuw onderstreepte het belang van lokaal opgeleide dokters. Onlangs studeerden de eersten van hen af.

    Na een reis van drie uur, eerst met twee taxi’s en het laatste stuk hotsend en botsend in de laadbak van een oude pick-uptruck, kwam Simon Antindi aan bij het staatsziekenhuis waar zijn vader was opgenomen. De elfjarige jongen kon zijn ogen nauwelijks geloven. Het ziekenhuis in Oshakati, in het uiterste noorden van Namibië, was het grootste bouwwerk dat hij ooit had gezien: een verzameling lage groene en blauwe gebouwen die naar alle kanten uitwaaierden. Eenmaal binnen dwaalde hij door een doolhof van gangen en ziekenzalen vol patiënten en bezorgde bezoekers. Artsen fluisterden met elkaar in vreemde talen en er hing een zurige geur – een mengeling van schoonmaakmiddel en braaksel.

    En dan zijn vader. Nog nooit had die er zo hulpeloos bij gelegen. ‘Op dat moment wist ik dat ik dokter wilde worden,’ zegt Antindi, inmiddels 31 jaar oud. Maar de gedachte was nog niet in hem opgekomen of hij schoof haar alweer terzijde. ‘Niemand in mijn dorp, of zelfs daarbuiten, werd dokter.’ Terwijl Antindi om zich heen keek naar de Cubanen, Russen en Zuid-Afrikanen die zich over de patiënten ontfermden, dacht hij ontmoedigd: misschien doen Namibiërs dit soort werk niet. Misschien kunnen wij dit niet. In een oogwenk was zijn droom weer vervlogen.

    De landen bezuiden de Sahara dragen 25 procent van de wereldwijde ziektelast, maar tellen slechts 3,5 procent van het totale aantal gezondheidswerkers en maar 1,7 procent van alle artsen

    Zo’n 700 kilometer zuidwaarts, in de hoofdstad Windhoek, bogen veel topmedici zich op een ander niveau over deze kwestie. Het was eind jaren negentig, bijna tien jaar nadat Namibië zich van Zuid-Afrika had losgemaakt, en nog altijd had het land geen medische faculteit. Alle artsen waren ofwel in het buitenland opgeleid – in Zuid-Afrika, Finland of Rusland, waar ze een studie volgden die veelal nauwelijks aansloot op de situatie in hun geboorteland – of voor veel geld aangetrokken uit het buitenland. ‘Het was hoog tijd dat we zelf artsen gingen opleiden die voeling hadden met de lokale praktijk en bereid waren op die plekken te werken waar de nood het hoogst was,’ zegt prof. dr. Filemon Amaambo, destijds in overheidsdienst maar inmiddels voorzitter van de universiteitsraad van de Universiteit van Namibië (UNAM).

    Het probleem beperkte zich niet alleen tot Namibië. De landen bezuiden de Sahara dragen 25 procent van de wereldwijde ziektelast, maar tellen slechts 3,5 procent van het totale aantal gezondheidswerkers en maar 1,7 procent van alle artsen, volgens een artikel uit 2012 in het gratis toegankelijke onlinetijdschrift Human Resources for Health. Aan de universiteiten in de regio de zware taak om die leemte te vullen. Er zijn welgeteld 175 medische faculteiten in zwart Afrika, op een totaal van 1 miljard inwoners, tegenover 488 medische faculteiten voor 743 miljoen Europeanen. Zes Afrikaanse landen (Kaapverdië, Djibouti, Equatoriaal-Guinea, Lesotho, Sao Tomé en Principe en Swaziland) hebben helemaal geen medische faculteit, blijkt uit gegevens die zijn verstrekt door de Wereldgezondheidsorganisatie.

    Volgens Amaambo was het dus niet verbazingwekkend dat academici en overheidsfunctionarissen na de pas verworven onafhankelijkheid wilden onderzoeken of het haalbaar was om op eigen bodem een medische faculteit te openen. De kosten bleken echter te hoog voor het piepjonge land en het project werd op de lange baan geschoven. Maar terwijl het debat nog gaande was, werd Namibië opgeschud door een ernstige gezondheidscrisis. Toen Simon Antindi zijn vader in het ziekenhuis van Oshakati bezocht, waarde in zijn geboortedorp Ondjamba en talloze andere dorpen in de regio een onbekende ziekte rond. ‘Mensen zagen eruit als wandelende geraamtes,’ vertelt Antindi. Vrienden en buren bezweken. ‘Ze kwijnden voor onze ogen weg, zonder dat iemand wist wat er aan de hand was. We waren doodsbang.’

    De grootste schok was nog wel dat zelfs medici klaarblijkelijk machteloos stonden. Zieken verlieten het dorp voor een behandeling in het ziekenhuis, herinnert Antindi zich, en keerden terug om te sterven. Tegen de tijd dat aidsremmers in het eerste decennium van deze eeuw beschikbaar kwamen in Namibië, was hiv doodsoorzaak nummer 1. De aidsepidemie onderstreepte de noodzaak om juist mensen uit lokale gemeenschappen, met name in de uithoeken van het land, tot arts op te leiden, meende Amaambo.

    Een student krijgt uitleg in het ziekenhuis van Windhoek. – © Ryan Leonora Brown
    Een student krijgt uitleg in het ziekenhuis van Windhoek. – © Ryan Leonora Brown

    Gesteund door de regering en met hulp van de uit Kenia afkomstige dr. Peter Nyarang’o, expert op het gebied van volksgezondheid, maakte de Universiteit van Namibië een opzet voor ’s lands eerste medische faculteit. De UNAM startte om te beginnen met een tweejarig voorprogramma voor studenten Geneeskunde in spe. Uitblinkers zouden een beurs ontvangen om aan een buitenlandse universiteit verder te studeren. Toen het programma in 2003 van start ging, had Simon Antindi toevallig net zijn eindexamen achter de rug. Bij het invullen van het aanmeldingsformulier voor de UNAM aarzelde hij bij het aangeven van de gewenste studierichting. ‘Destijds had ik nog nooit een Namibische arts gezien,’ vertelt hij, ‘dus het ontbrak me aan zelfvertrouwen.’ Toch besloot hij het erop te wagen.

    Hij werd afgewezen.

    En zo vertrok Antindi naar Windhoek om Algemene Wetenschappen te studeren, zijn tweede keus, en liet hij zijn droom om arts te worden varen. Totdat hij in 2009, zojuist afgestudeerd, op de campus een wervingsposter zag voor het allereerste studiejaar Geneeskunde en zijn oude wens opnieuw werd aangewakkerd. ‘Ik dacht weer terug aan die dag dat ik machteloos aan het bed van mijn vader stond.’ Hij schreef zich in, en zes jaar later was het zover: in een hotel in Windhoek betrad hij het podium om samen met de andere afgestudeerden – de allereerste lichting artsen van de Universiteit van Namibië – zijn bul in ontvangst te nemen.

    Hoewel dit succes alom werd bejubeld, is de impact op het gezondheidszorgsysteem vooralsnog vrij beperkt: 35 nieuwe artsen in een land dat maar liefst vijfduizend artsen nodig heeft. ‘In dit tempo hebben we meer dan honderd jaar nodig om de achterstand in te halen,’ merkt Amaambo op.

    Inmiddels een jaar verder is een tweede lichting artsen afgestudeerd, is de instroom van nieuwe studenten verdriedubbeld, en volgend jaar vindt de aftrap van de studie Tandheelkunde plaats. Voor veel van de pas afgestudeerde artsen is dit het begin van een leven waarvan ze nooit hadden durven dromen. ‘Voor bijna ieder van ons geldt dat we de eerste dokter in de familie zijn,’ zegt Llewellyn Titus, een laatstejaars student Geneeskunde. Zijn ouders runnen een geiten- en schapenboerderij in de binnenlanden van Namibië.

    Een van hen

    Voor Antindi betekende het afronden van zijn studie maar één ding: hij pakte zijn diploma samen met de rest van zijn spullen in en koerste met zijn oude Corolla noordwaarts, naar Ondjamba. ‘Ik wist al die tijd dat ik naar mijn dorp zou terugkeren,’ zegt hij. ‘Je gaat naar Windhoek om te studeren, maar daarna kom je terug. Je bent het verplicht aan je eigen gemeenschap.’ Dat is precies wat het land nodig heeft: artsen die in afgelegen gebieden willen werken.

    Net als in Zuid-Afrika kent de gezondheidszorg in Namibië een enorme, groeiende ongelijkheid. Splinternieuwe privéklinieken voor de rijken schieten als paddenstoelen uit de grond, terwijl de staatsziekenhuizen kraken in hun voegen. Een ander knelpunt, ook voor de omringende landen, is de braindrain. Meer dan eenvijfde van de lokaal opgeleide artsen verlaat binnen vijf jaar na afstuderen het continent en slechts 8,6 procent is werkzaam voor overheidsklinieken op het platteland, zo bleek uit een onderzoek uit 2010 naar medische opleidingen in landen bezuiden de Sahara. Wellicht kan dit tij inderdaad het beste worden gekeerd door artsen op te leiden die afkomstig zijn uit gemeenschappen waar de roep om gezondheidszorg het grootst is.

    Antindi heeft de afgelopen achttien maanden zijn co-schappen gelopen in het ziekenhuis waar hij als elfjarige zijn vader kwam bezoeken. Nu wandelt hij in een smetteloos witte doktersjas met een zeker overwicht door de gangen, iets wat hij als kind niet voor mogelijk had gehouden. En als een van de weinige artsen op de ziekenhuisvloer kan hij zijn patiënten in hun eigen taal aanspreken. Veel artsen moeten verpleegsters inschakelen om te tolken, wat de afstand tot de toch al geïntimideerde patiënt verder vergroot. ‘Ik voel me iedere dag thuis als ik naar mijn werk ga,’ zegt Antindi. ‘Het maakt niet uit of ik met een collega praat, met een patiënt of met een schoonmaker – ik ben een van hen. Hier ben ik op mijn plek.’

    Na het afronden van zijn co-schappen, aan het einde van het jaar, wil hij het liefst in de regio blijven. Een definitieve keuze voor een specialisatierichting heeft hij nog niet gemaakt, maar hij neigt naar verloskunde en gynaecologie. ‘Ik weet uit ervaring hoeveel vrouwen en baby’s in dit deel van het land in het kraambed sterven. Dat raakt me diep. Maar nog belangrijker: van alles wat ik tot nu toe in de praktijk heb meegemaakt, is er niets mooiers dan het horen van het eerste geluid van een pasgeborene. Om als eerste te mogen zeggen: “Dag baby, welkom op de wereld.”’

    Auteur: Ryan Lenora Brown

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.