Tag: ooggetuige

  • ‘Hoeveel kou en vermoeidheid kan een kind verdragen?’

    ‘Hoeveel kou en vermoeidheid kan een kind verdragen?’

    Dit is het waargebeurde verhaal van een Koerdische vrouw, die, hoogzwanger, samen met haar man en twee kinderen van Turkije naar Griekenland vlucht. De auteur maakte deel uit van dezelfde groep vluchtelingen en tekende haar verhaal op. Deel 2 van een tweeluik.

    Lees hier deel 1 We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland’

    De auteur

    Vanwege haar kritiek op de oorlogspolitiek die meteen na de verkiezingen van 7 juni 2015 in Turkije oplaaide, ondertekende Umut Güneş (pseudodiem) de Petitie van Academici voor de Vrede. De petitie kwam in januari 2016 uit onder de titel ‘Wij willen geen deel van deze misdaad zijn’.

    Als ondertekenaar werd ze krachtens een decreet van februari 2017 ontslagen uit haar functie op de universiteit. Haar leven veranderde van de ene dag op de andere. Ze werd bedreigd, fysiek en verbaal belaagd, er werden rechtszaken tegen haar aangespannen, ze raakte haar baan kwijt, haar paspoort werd ingetrokken, er werd haar verhinderd nieuw werk te zoeken – net als de andere ondertekenaars kon ze haast geen van haar burgerrechten nog uitoefenen.

    Om een nieuw hoofdstuk te beginnen en haar laboratoriumonderzoek voort te kunnen zetten, stak ze illegaal de Maritsa over, de rivier tussen Turkije en Griekenland, en reisde naar het buitenland. Ze maakte de tocht met vluchtelingen uit verschillende landen. Wat ze meemaakte en om zich heen zag vormde de basis voor dit verhaal. Daarin beschrijft ze de gebeurtenissen door de ogen van een van haar medereizigers, een zwangere Koerdische vrouw. Ze wil haar een stem geven.

    Onze baby had een vreemde opwinding in de groep teweeg gebracht. Op de gezichten van de anderen stond zowel blijdschap te lezen als spanning. Iedereen kwam bij mijn kind kijken, behalve de stille en teruggetrokken Afghanen. Voor de jonge smokkelaar was dat niet genoeg: hij stond erop dat we onze zoon naar hem zouden vernoemen. Al die tijd had hij onder geen beding zijn naam willen zeggen, we moesten hem maar bij zijn bijnaam noemen, maar nu was hij zo overmand door emotie dat hij plompverloren vertelde hoe hij heette. We stemden toe, we hadden weinig keus. Mijn man reciteerde volgens het gebruik een koranvers en fluisterde onze baby zijn naam in het oor. Toen ging iedereen uiteen.

    De vrouw uit Turkije is bij me. Opeens wordt de pijn heviger. Met handen en voeten probeer ik uit te leggen wat er aan de hand is, in de hoop dat ze een pijnstiller bij zich heeft. Ze belt weer met iemand. Waarom toch, waarom die voorzichtigheid in deze omstandigheden? Of is het juist vanwege die omstandigheden dat ze zo behoedzaam is? Ze is duidelijk bang dat ze iets fout doet, dat ons iets overkomt. Na het telefoongesprek haalt ze een tablet voor me uit haar tas. Uitgeput geef ik mijn kind de borst, zij en de Syrische vrouw geven mij wat te eten. Een stukje chocola, een paar dadels, wat brood. Daarna val ik, terwijl Azad en Mizgin hun broertje de hele tijd kusjes geven, met mijn kind in mijn armen vredig in slaap.

    De tijd kruipt voorbij. We wachten nu al uren in dit bos tot de zon ondergaat, liggend in het natte gras. Ik heb nog steeds pijn, maar ik voel me beter. Het is zo’n prachtig kindje. Ik hoop maar dat je het volhoudt, lieverd, en dat je niet te hard huilt. Ik weet wel dat iedereen zich daar zenuwachtig over maakt. Eindelijk gaat de zon onder, we kunnen langzamerhand op weg. Het kan niet ver meer zijn, afgaand op wat ze ons hebben verteld. Maar met het verstrijken van de uren blijkt dat we zijn voorgelogen. Mijn man ondersteunt me weer. Zijn rugzak is nu lichter. Mizgin en Azad lopen net als eerst vooraan, aan de hand van de Irakezen. De Turkse vrouw beschouw ik als mijn zus, zij draagt mijn baby. Na een tijdje wordt ze moe, ik zie haar met de smokkelaar praten. Hij neemt mijn baby van haar over, maar dat werkt niet. Al snel stapt hij op de vijf Afghanen af. Zonder een onvertogen woord dragen zij bij toerbeurt onze zoon.

    Bergen en rivieren

    We steken bergen en heuvels over, lopen door beken en rivieren. We beklimmen hellingen en proberen via andere weer naar beneden te komen. Ik heb pijn en ben moe, ik kan haast niet meer. En het eind komt maar niet in zicht. Af en toe staat de smokkelaar ons een korte pauze toe, maar het blijft zwaar, vooral als we door het water moeten. Op sommige plekken is de waterstroom heel breed maar ook ondiep en overdekt met riet, waardoor we de boot niet kunnen gebruiken. Eén rivier hadden ze gezegd, en die zouden we per boot oversteken. Gelukkig houden de jonge Irakezen mijn kinderen steeds bij de hand, en als we door het water moeten, nemen ze hen op de arm.

    De Afghanen niet, die geven bij ieder beekje mijn baby aan de vrouw uit Turkije. Ze zijn bang. Bang dat er iets gebeurt, dat ze hem laten vallen misschien, ik begrijp hen wel maar ik kan niets doen. De vrouw heeft dezelfde angst, de eerste keer dat we een riviertje over moesten steken voelde ik hoe gespannen ze was. Bepakt met tassen, onze schoenen in de hand, in het pikkedonker door een rivier waden; ik met krampen, zij met mijn baby in haar armen. Maar hoe moeilijk ook, ik had er vertrouwen in dat ze het kon. Op plekken waar het water breed is, helpt mijn man eerst mij naar de overkant en gaat dan terug om haar te helpen. Soms zien we in de verte de lichten van een dorp. En net als ik dan denk dat we er zijn, slaan we een andere richting uit. De uren verstrijken, de tocht duurt en duurt maar. Ik weet niet hoeveel we al gelopen hebben, hoe vaak we hebben moeten rennen, hoeveel keer we ons hebben verstopt.

    Als iedereen aan het eind van zijn Latijn is, zegt de smokkelaar dat we even halthouden. De kinderen beginnen weer zachtjes te huilen. Hoeveel kou, duisternis, vermoeidheid, slaapgebrek kan een kind ook verdragen, en dan de honger.

    ieder kind

    is nu in ons een eindeloos gedicht

    zijn stem een plukje pret

    zijn lach geroffel van een schot

    dat in ons schroeien blijft

    soms wordt het licht dat ons beschijnt

    dan een vuur dat ons verzengt

    we staan in brand we zeggen het niet

    fouten raken besmeurd met bloed

    liederen doen er het zwijgen toe

    hoe een rouwklacht begint we weten het niet…

    Adnan Yücel – In de stroming van een beek

    We zwijgen, moe en bedrukt, de smokkelaar verbreekt de stilte. Hij roept naar de Afghanen, die zich het best op de tocht hebben voorbereid. Ze hebben zich opnieuw afgezonderd en eten platbrood met tomatenketchup en mayonaise. De smokkelaar zegt dat ze ons, onze kinderen wat moeten geven. Platbrood met ketchup en mayonaise. Mijn man neemt de vreemde combinatie aan, we eten er allemaal een stukje van.

    En weer gaan we verder. Een vlakke weg nu, door iets dat op een akker lijkt. Na een tijdje staan we voor een afrastering van ijzer- en prikkeldraad. Op één plek is er een soort poort in het draad geknipt, die met een kabel aan de rest van het hekwerk vastzit. De smokkelaar knoopt de kabel los, doet de poort open. We lopen er snel doorheen, hij doet hem weer dicht en bindt hem vast. Kennelijk wordt de doorgang vaak gebruikt, dat moet ook de reden zijn dat de weg ernaar toe zo goed is, maar wie komt hier dan, wat scheidt het prikkeldraad af, wat ligt er voor ons, zijn we er soms bijna?

    Ik vrees dat hoe langer de tocht duurt en hoe meer iedereen tegen vermoeidheid en uitputting moet vechten, hoe meer ze ons als een last zullen zien, een blok aan hun been

    Een geluid van heel dichtbij wist alle vragen. Een nieuwe beek. Hoe luider de stroming, hoe harder iedereen begint te mopperen. Dit is de laatste, zegt de smokkelaar, maar niemand die hem nog gelooft. We volgen hem met de weinige kracht die ons nog rest, we hebben geen keus. Hij zegt dat we met de boot kunnen oversteken, maar dan moet die eerst worden opgepompt. Een paar mensen gaan aan het werk, met mijn baby ga ik ergens aan de oever zitten, de vrouw uit Turkije komt naast me. Ik kijk naar mijn baby, zij naar de sterren. Ik ben bezorgd, wat zij denkt weet ik niet. De baby is muisstil, misschien dat iedereen wel begrijpt dat ze zich wat dat betreft geen zorgen hoeven te maken, maar ik vrees dat hoe langer de tocht duurt en hoe meer iedereen tegen vermoeidheid en uitputting moet vechten, hoe meer ze ons als een last zullen zien, een blok aan hun been.

    De gedachten malen door mijn hoofd. Hoe vaak zal de boot heen en weer moeten om iedereen naar de overkant te krijgen? En wat als ze ons niet ophalen, als ze ons hier laten zitten, in de kou, het pikkedonker, in dit onbekende, desolate gebied? Wat moeten we doen? We kunnen beter niet bij de eerste overtocht instappen – want ik ben minstens zo bang om aan de overkant in mijn eentje achter te blijven – maar bij de tweede overtocht moeten we zien dat we in de boot komen, we moeten onze kinderen bij de hand houden, wat er ook gebeurt, wij moeten bij hen blijven.

    Opeens horen we de smokkelaar schreeuwen. De vrouw uit Turkije en ik kijken elkaar vragend aan, dan zien we iedereen uiteengaan, naar iets zoeken. Het lijkt erop dat er een onderdeel op de grond gevallen is, waardoor de pomp onbruikbaar is. Hoe moeten we zo’n piepklein onderdeeltje in het donker terugvinden? We hebben uren gelopen, het kan overal wel gevallen zijn. Maar zo kan de tocht niet eindigen, dat mag niet. De vrouw uit Turkije staat op. Ik voel haar moedeloosheid. Toch gaat ze zoeken. Na een tijdje wordt het missende onderdeel daadwerkelijk gevonden. De boot wordt opgepompt. De smokkelaar bepaalt in welke volgorde we worden overgezet en als ik aan de beurt ben, stap ik zonder iets te zeggen in, zonder zelfs maar na te kunnen denken. Van mijn oorspronkelijke plan komt niks terecht. Misschien ben ik te moe, misschien wil ik hem vertrouwen. Na een paar keer heen en weer varen staat iedereen aan de overkant. Achter de smokkelaar aan vervolgen we onze tocht, onze voeten opnieuw doorweekt en onder de modder. Uren, minuten? Ik heb geen flauw benul meer van de tijd.

    Mijn hand durft niet te plukken

    de kwee, de appel waar mijn ziel naar smacht,

    ik buig het hoofd, loop door.

    Van leeuw tot muis geen dier doet dat me na,

    praat me er niet van

    er komt geen woord uit mijn keel…

    Ahmed Arif – Aantekeningen uit de burcht van Diyarbekir en wiegelied voor het babietje Adiloş

    Genoeg geweest

    En weer staan we aan de oever van een waterstroom. In het donker kan ik het niet goed zien, maar het lijkt of we tussen tientallen stroompjes en meertjes lopen. Strompelen, beter gezegd. De blubber, de stenen, alles wat verder in onze voeten prikt en steekt maken het nog zwaarder om een stap te zetten. Het duurt lang voordat we eindelijk op een heuveltje midden in het water staan, in een laag, donker gebouwtje rusten we even uit.

    Iedereen is tot aan zijn knieën doorweekt, rilt. De smokkelaar kondigt aan dat we vannacht hier blijven. We kijken elkaar aan, zelfs in het donker is de wanhoop in ieders ogen te lezen. Het is klaar met de tocht. Nee, niemand heeft nog de kracht om te lopen, maar weer wachten, in het pikkedonker, midden in het water, doorweekt en onder de modder, dat gaat niet. Bovendien hebben we niks te drinken, niks te eten. We hadden geen idee dat het zo lang zou duren. Iedereen protesteert, het is genoeg geweest, dan worden we desnoods maar opgepakt. De smokkelaar zegt niks, wat kan hij ook zeggen, we lopen verder.

    Als we bij een volgende waterstroom komen, is er niemand die zelfs maar zucht. Hoe we naar de overkant moeten, dat is het enige waar we oog voor hebben. Het water is diep maar zo smal dat we niet met de boot kunnen. Dwars in de stroom ligt een soort ijzeren deur, als een dam die naar de overkant loopt. Het is een gladde plaat met aan de bovenkant een rechtop staand traliewerk. De smokkelaar doet voor hoe we eroverheen moeten: op het ijzeren geval gaan staan, je vasthouden aan de tralies en dan zijwaarts lopen. Alleen staan de tralies zo dicht op elkaar dat er nauwelijks een plek is voor je voeten. Bovendien is de oever aan de overkant hoger, waardoor je degene die achter je loopt omhoog moet trekken, de oever op.

    Ik vertel hem met mijn blik dat ik ondanks alles volhoud, dat we hier doorheen komen, dat we ook dit achter ons zullen laten

    De jonge Irakezen steken over, op één arm dragen ze een van mijn kinderen, met hun andere hand weten ze zich aan het traliewerk vast te houden. Degenen vóór hen tillen mijn kinderen de oever op. Onze beurt. Mijn baby is al overgegeven aan de vrouw uit Turkije. Mijn man stapt als eerste op het ijzeren geval, doet een stap opzij en trekt mij erbij. Ik heb nauwelijks kracht meer maar toch lukt het me om me vast te grijpen, mijn man houdt me niettemin bij mijn arm, een paar stappen en we staan aan de overkant.

    Nu de vrouw uit Turkije, met onze baby. Haar tas heeft ze op haar rug, in haar armen houdt ze de reiswieg met mijn kind. Ze kijkt net als ik gespannen hoe ze naar de overkant moet. Het stoffen handvat is te nauw om de reiswieg aan haar arm te hangen, maar de wieg in haar hand houden en maar één hand vrij hebben voor de tralies gaat ook niet. Ze wringt haar arm door het handvat – als het maar niet losscheurt! Met twee handen aan het hekwerk schuifelt ze net als de Irakezen heel langzaam en heel geconcentreerd naar de overkant, tilt mijn kind dan met een extra inspanning meteen omhoog naar mijn man. Hij strekt zich uit om de reiswieg aan te pakken, trekt dan haar omhoog. Nog een rivier die we zijn overgestoken.

    De voettocht gaat verder. Ik ben uitgedroogd, wat me verder verzwakt. Alleen de smokkelaar heeft wat water, maar dat deelt hij niet. Mijn man houdt me nog steviger vast. Uit zijn ogen spreekt een enorme wanhoop, een immense frustratie omdat hij niet meer kan. Ik glimlach naar hem, we moeten stil zijn maar ik vertel hem met mijn blik dat ik ondanks alles volhoud, dat we hier doorheen komen, dat we ook dit achter ons zullen laten.

    als ik zeg dat ik moe ben, geloof me niet, dat ben ik niet

    ik leef nog jaren voort

    met mijn handen op mijn wond

    beschrijf ik de geschiedenis van het leed

    Ahmet Erhan – Dichter zijn is schadelijk voor het leven

    Jachthonden

    Het wordt weer licht. We zijn op een bergtop, in de verte is een dorp te zien, we rusten uit. Ik geef mijn baby de borst. De vrouw uit Turkije vraagt om mijn zoontje, ze streelt hem, kruipt dan samen met hem onder een puntje van het laken dat de smokkelaar heeft meegebracht, onder de bomen op de steile helling. Misschien dat mijn baby het zo wat minder koud heeft. Wij proberen ook wat te slapen, maar niet veel later horen we van dichtbij het geblaf van jachthonden. We pakken onze spullen en vertrekken.

    Omdat het lastig is om over het heuvelachtige terrein te lopen kiest de smokkelaar een ander, vlakbij gelegen pad, maar een van de honden krijgt ons in de gaten en begint harder te blaffen. We keren om en zetten het op een lopen. We moeten weg hier voordat de jagers komen, we moeten ons verstoppen. We verlaten het pad en duiken tussen de bomen, de smokkelaar spoort ons aan om voort te maken, maar hoe? Ik kan niet meer. Toch versnel ik op de een of andere manier mijn pas. ‘Oké,’ zegt de smokkelaar na een tijdje, ‘we zijn ze kwijt.’

    Uren verstrijken, met nog meer lopen, nog meer wachten en ons nog meer verschuilen en dan komt eindelijk de lang verwachte mededeling: ‘De bus komt eraan’. Van onze schuilplaats in het bos lopen we naar de plek waar een busje ons zal oppikken, we verstoppen ons op een helling onder een autoweg, liggend op onze buik wachten we op de instructies van de smokkelaar. Op een teken van hem moeten we naar de bus rennen en onmiddellijk instappen.

    Eindelijk, eindelijk is daar het busje. Ik weet zelf niet hoe ik naar beneden kom, de helling en de weg af ren

    Eindelijk, eindelijk is daar het busje. Ik weet zelf niet hoe ik naar beneden kom, de helling en de weg af ren. De Irakezen hebben mijn kinderen op de arm, een van de Afghanen heeft mijn baby. We rennen, rennen en storten ons in het achterste deel van een busje waar de stoelen uit zijn verwijderd. Met moeite ga ik bij een raampje zitten, met mijn rug leunend in een hoek. Dan neem ik mijn baby in mijn armen. De vrouw uit Turkije arriveert als laatste. De smokkelaar zegt dat ze voorin moet gaan zitten, achterin is geen plaats meer, zelf loopt hij snel terug in de richting waar we vandaan gekomen zijn. De vrouw kijkt naar mij, gebaart me ook naar voren te komen maar de chauffeur wil het niet hebben, hij geeft opeens plankgas. Ik geef haar mijn baby, zodat die wat meer ruimte heeft.

    Dat was het. Alles is achter de rug, toch?

    Hoop is de titel van een verhaal, in het begin loopt het voorop,

    Dan komt er een splitsing, en trekt zijn wond in wat was.

    Özdemir Asaf – ‘Oud verhaal’

    Opluchting

    Een tocht van twee dagen, kilometers te voet, over bergen en rotsen, door akkers en rivieren. Het laatste stuk zonder water, zonder eten. Al die mensen, met tassen op hun rug, een baby in hun arm, kinderen aan de hand, mensen die geen woord zeggen, bij wie geen klacht over de lippen komt.

    En de onnoemelijke opluchting om na dit alles aan te komen.

    We zijn nog maar net op weg, komen pas net een beetje op adem, als de bus wordt gestopt. Eerst dringt het niet tot ons door wat er aan de hand is. Voor de raampjes aan de achterkant hangen gordijnen. Dan gaat het portier open. Griekse politie. ‘Niet bang zijn, jullie zijn veilig!’ is het eerste wat ze zeggen. Of we echt in veiligheid zijn weet ik niet, maar we beginnen blij te klappen. Misschien omdat de tocht nu ten einde is, of omdat we denken dat we werkelijk gered zijn, of misschien omdat we hopen dat ze ons niet slecht zullen behandelen.

    Hoe heb ik het allemaal weten te doorstaan, hoe heeft mijn baby het gered, hoe hebben mijn kinderen de tocht volgehouden?

    We worden geteld, door een Griekse agent deze keer. Andere mensen, andere steden, andere landen – wat blijft is dat wij als vee worden geteld. Hij praat met de vrouw uit Turkije. Ze wijst naar de baby, naar mij, zegt iets. De verbijstering is van zijn gezicht te lezen. Hij roept een van zijn collega’s erbij en wijst naar ons. Vertelt hij van de bevalling? Een bevalling aan de oever van een rivier, op het natte gras in een bos, in de koude wind van een novemberochtend, een bevalling met een klein zakmes en een stukje naaigaren? Hoe heb ik het allemaal weten te doorstaan, hoe heeft mijn baby het gered, hoe hebben mijn kinderen de tocht volgehouden?

    Ik vertel u de waarheid. Pas aan de rand van de afgrond krijgt een mens vleugels.

    – Nikoz Kazantzakis

    We wachten een tijdje in de bus en worden dan overgebracht naar een politiebureau. Bij aankomst zie ik op de stoep een ambulance klaar staan, kennelijk hebben de woorden van de vrouw uit Turkije effect gehad. Voor mij is dat van groot belang, ik wil dat artsen mijn baby zien, wil zeker weten dat hij het goed maakt, gezond is.

    Op het bureau word ik met mijn baby meteen van de anderen gescheiden en geregistreerd. Ze vragen me of de vrouw uit Turkije de smokkelaar is. Ik weet niet hoe ik het heb. Ik schud mijn hoofd, terwijl ik zoveel zou willen zeggen. Geen idee of mijn antwoord voor hen afdoende is. Dan laat ik mijn kinderen, mijn man en alle anderen achter, laat mijn hoofd en mijn hart bij hen, stap met mijn baby in de ambulance en ga naar het ziekenhuis.

    Het lijkt of alle vermoeidheid van de tocht en mijn belevenissen er nu pas uitkomen. Alles wat ik heb meegemaakt lijkt een droom

    Een arts onderzoekt me terwijl zijn collega’s zich om mijn baby bekommeren. Ze zijn verbijsterd, maar uit hun gezichtsuitdrukking maak ik op dat het goed is met mijn kind, toch leggen ze hem in een couveuse. Hoe het met mij is? Het lijkt of alle vermoeidheid van de tocht en mijn belevenissen er nu pas uitkomen. Alles wat ik heb meegemaakt lijkt een droom.

    De arts vraagt iets, ik kijk hem wezenloos aan. Ik heb nog steeds pijn en het bloeden is ook nog niet gestopt, maar ik zeg niks, het lukt me niet. Ik lijk mezelf niet. Ik word gehecht, krijg een infuus. Wanneer ik mijn ogen opendoe moet ik een tijdje geslapen hebben, het is donker, de maan staat aan de hemel en ik ben moederziel alleen, net als mijn baby. De eerste nacht, zonder mijn baby, mijn kinderen, mijn man.

    een maan komt op van lieverlee

    in de boezem van de nacht,

    met het firmament heeft hij maar weinig op

    aangezien dat iedere dag

    een stukje van hem eten moet

    het probleem, hij ziet de toekomst niet

    want treurig als zijn eind mag zijn

    het is ook zwanger van zijn nieuw begin

    Metin Altıok – Steeds minder

    Ook de volgende dag moeten we nog in het ziekenhuis blijven, mijn baby en ik gescheiden van elkaar, als ‘twee verloren hoopjes verlangen, twee stukjes van een ziel’ (Ahmed Arif / Verstomd). Mijn lichaam is doodmoe, mijn voeten doen afschuwelijk zeer en ik voel steken in mijn hart. Wanneer zie ik mijn kinderen en mijn man weer? Twee dagen die wel een leven lijken te duren, dan pas leggen de artsen mijn baby in mijn armen. Twee agenten nemen ons mee.

    Huis van bewaring

    Ik passeer twee ijzeren deuren en sta in de vrouwenafdeling van het huis van bewaring. Twaalf personen in een vertrek voor acht. Mijn man en kinderen zijn er ook. Naast onze ruimte ligt die voor de mannen, overal ziet het blauw van de rook. Met mijn vier dagen oude baby zet ik voor het eerst voet in een gevangenis. We zijn weer samen. Ik ben dolblij mijn kinderen en mijn man te zien, vol warmte door hen omhelsd te worden. Azad en Mizgin zijn niet weg te slaan bij hun broertje, we kunnen elkaar geen van allen loslaten.

    Een droom was het wat we hebben doorstaan.

    Een droom is mijn leed, een droom de kerker.

    Hoe kan het jaren hebben geduurd

    wat ik zo kort als een vers heb beleefd…

    Ahmed Arif – Verstomd

    De vrouw uit Turkije is er, de Syrische vrouwen zijn er, samen met de anderen dringen ze om ons heen. Ze strelen mijn kind, geven een beetje eten dat nog over is, en laten ons dan alleen. Mizgin en Azad geven hun broertje een kusje en klimmen op het stapelbed van de vrouw uit Turkije. Ze hebben haar een paar woorden Sorani geleerd en spelen nu lachend een spelletje. Het is heerlijk mijn kinderen na dagen zo te zien lachen.

    Ik eet wat en haal de tijd in met mijn man. Ja, we hebben elkaar gemist, we zijn nooit bij elkaar weg geweest, hebben nooit elkaars hand losgelaten. Ik voel me zielsgelukkig. Maar als hij vertelt over onze celgenoten en hun situatie slaat mijn stemming om.

    alleen in geluid schuilen we nu nog

    in de lichtende nacht.

    naar wie te gaan,

    met welke woorden te vertellen van de pijn,

    in welke taal te vragen om genade?

    een puur begin, dat is nodig nu

    met woorden die bij de ochtendstond

    zich verbinden met de ziel, zo’n begin.

    de warmte van een nest, dat is nodig nu,

    een huis waar je van dichtbij de schoorsteen kunt zien roken

    zodat we in het oord van het vergeven

    het aanzien voor een toevluchtsoord

    en zwijgen

    zwijgen.

    Bejan Matur – Opgroeien in twee dromen

    Want in feite is er nog helemaal niks ten einde. Een man en vrouw van achter in de zestig zijn de oudsten van ons allen, drie keer hebben ze geprobeerd weg te komen uit Istanbul, ‘de stad die hen niet vergund is’, zoals ze zelf zeggen. Iedere keer weer zijn ze opgepakt en teruggestuurd. Ze zitten hier nu al weken en wachten in spanning af wat er deze keer met hen zal gebeuren. Hun enige troost is dat ze samen zijn. Omdat de mannenruimte vol zit, zijn echtparen en kinderen hier gezet. Ze lijken ziek, of misschien is het de ouderdom. Zelfs lopen doet hen pijn, maar als ze samen zijn hebben ze tenminste steun aan elkaar.

    Saher is de jongste. Een bruisend meisje van nog maar 17. Ze zit geen minuut stil, roept vanachter de tralies naar de politie, klopt op de tussenmuur en vraagt de mannen in de ruimte naast ons een liedje te zingen. Ze is Koerdisch en komt uit Syrië maar heeft ook een tijdje in Turkije gewoond. Haar moeder heeft naar Duitsland weten te komen, maar zij zit nog hier. Twee keer heeft ze geprobeerd te vluchten, en net als de anderen is ze na een tijdje in het huis van bewaring steeds weer teruggestuurd. Nu heeft ze goede hoop, want dat ze al langere tijd hier wordt vastgehouden kan betekenen dat ze naar het kamp gaat, en vandaar is het makkelijker om weg te komen. Het klinkt allemaal eenvoudig, maar ze is zo jong nog en alleen.

    Vrouw uit Turkije

    Ik moet aan de vrouw uit Turkije denken, de enige in de groep die alleen was. We waren weliswaar met z’n twintigen, maar iemand die dezelfde taal spreekt geeft extra vertrouwen, misschien straalt het ook macht uit, is het als een schild dat je beschermt bij de ontberingen onderweg. Zij had alleen de smokkelaar met wie ze kon praten – degene die we het meest moesten vertrouwen maar in wie we in feite het minst vertrouwen hadden.

    Ik vraag mijn man naar haar situatie, hij zegt dat hij niks weet, maar voegt eraan toe dat ze pas uren later, toen iedereen al in het huis van bewaring was, werd binnengebracht. Bij de registratie op het bureau had de politie ook de anderen gevraagd of zij de smokkelaar was. Iedereen had ontkend, toch was ze urenlang verhoord. Waarom? Mijn man weet het ook niet.

    Sinds de bevalling noemde iedereen haar ‘dokter’. En omdat we zo veel mogelijk uit de buurt bleven van de smokkelaar hadden we ons met alle vragen over de reis – vooral: hoeveel rivieren moeten we nog over? – via de Irakese arts en de Syrische vrouw tot haar gewend. Ook op het politiebureau was iedereen daarmee doorgegaan. Was dat het? Of was het probleem soms dat ze bij de arrestatie voorin het busje had gezeten, en niet bij ons? Ze had mijn baby vast, en hield tegelijkertijd de telefoon tegen het oor van de paniekerige Griekse chauffeur, zodat hij de auto die voorop ging kon blijven volgen. Het gaat me aan het hart, maar ik ben blij dat ze nog bij ons is.

    Met ons hele gezin zitten we op een van de bedden te praten, denken we met een mengeling van gevoelens terug aan alles wat we hebben meegemaakt, als een van de agenten vanachter de tralies in het Turks ‘Istanbuler!’ roept (net als het woord voor ‘smokkelaar’ kennelijk een van de Turkse woorden die iedereen kent, ongeacht zijn moedertaal.) De agent wijst naar ons en zegt iets in het Engels tegen de vrouw uit Turkije. Wie moet ons uitleggen wat er aan de hand is nu de smokkelaar er niet meer is om voor ons te vertalen? We kijken de vrouw uit Turkije vragend aan, ze zegt iets in het Turks tegen Saher. Saher vertaalt het in het Kurmanci tegen de Syrische, die het op haar beurt voor de Irakese vrouw in het Arabisch vertaalt. En eindelijk horen we van haar in het Sorani het bericht waar vol spanning op zitten wachten.

    Mijn man valt me dolblij om de hals, vliegt van het bed, iedereen leeft met ons mee. Goed nieuws!

    ‘Jullie moeten meteen je spullen pakken, jullie gaan naar het kamp!’

    Mijn man valt me dolblij om de hals, vliegt van het bed, iedereen leeft met ons mee. Goed nieuws! We worden dus niet teruggestuurd. Ze laten mijn kinderen niet nog langer achter de tralies zitten, in een piepkleine ruimte zonder ramen, die blauw staat van de rook. Ik sta op en pak samen met mijn man onze spullen.

    Ik zie de vrouw uit Turkije ook haar tas pakken. Ze wordt vrijgelaten, hoor ik via de communicatieketen die de vrouwen tot stand hebben gebracht.

    Als ze haar weinige bezittingen bij elkaar heeft, neemt ze met een omhelzing van iedereen afscheid. Eenmaal bij ons neemt ze eerst onze baby in haar armen en vraagt hoe hij heet. Kennelijk heeft zij zich evenmin kunnen neerleggen bij de naam die de smokkelaar ons opdrong. In feite hebben we hem die naam nooit gegeven.

    Alles wat we tijdens de reis hebben meegemaakt ging over de kern, ook al spraken we niet dezelfde taal

    ‘Rojhat,’ zeg ik, ‘de grote dag.’ Ze omhelst hem nog enthousiaster, neemt dan afscheid van ons. Ze pakt Mizgin en Azad vast, die haar heel veel kusjes geven, en vertrekt.

     Wie zij was, wat haar tot die tocht gebracht had, ik weet het niet. We hebben nauwelijks kunnen praten, en toch waren we één op die afschuwelijke tocht. Dan denk ik aan hoe we op het eind naar het busje renden. Hoe kwam het dat zij pas na ons arriveerde, dat ik, pas bevallen nota bene, als allereerste aankwam? Alles wat we tijdens de reis hebben meegemaakt ging over de kern, ook al spraken we niet dezelfde taal, we waren één, we waren mens, we stonden zij aan zij. Maar die laatste halte op onze tocht, die kleine herinnering, vertelt ook van een andere achtergrond.

    Na haar vertrek gaat de traliedeur nogmaals open, nu voor ons. We zitten te wachten op een stapelbed en als we opstaan beseffen we dat we de oorlogen die anderen het leven hebben gekost, die ons hebben ontheemd, wel achter ons gelaten hebben, maar dat we op weg zijn naar een nieuwe strijd.

    Dit is deel 2 van een 2-delige longread over deze vlucht van Turkije naar Griekenland. Vorige week verscheen het eerste deel.

  • ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    Dit is het waargebeurde verhaal van een Koerdische vrouw die, hoogzwanger, samen met haar man en twee kinderen van Turkije naar Griekenland vlucht. De auteur maakte deel uit van dezelfde groep vluchtelingen en tekende haar verhaal op. Deel 1 van een tweeluik.

    Keuze uit ons archief

    Sinds de aardbeving in Turkije en Syrië stromen er steeds meer verhalen binnen van Syrische vluchtelingen in buurland Turkije die eerst hun huis in eigen land vernietigd zagen worden door de bommen van Assad en nu in hun nieuwe thuisland worden overvallen door natuurgeweld. Ongetwijfeld zullen veel Syrische ontheemden in beide getroffen landen nog meer reden zien om hun heil te zoeken in West-Europa – en geef ze eens ongelijk. Dit aangrijpende verhaal uit de Turkse krant Birgün

    Weeën… Hevige weeën. En dat terwijl alles net begonnen is, het maakt me bang, maar ik moet volhouden, er zit niks anders op. Toen ik aan de reis begon was ik er eigenlijk beter aan toe. Waarom moet het nu beginnen? Komt het door het heen en weer geschud tijdens de ‘reis’ in de laadruimte van de vrachtwagen? Of is het de angst, de onrust, de spanning niet te weten wat het onbekende brengt? Hoe komen we over die rivier… Mijn kinderen… Hoe moeten die deze tocht doorstaan, blijft mijn baby in leven?

    Voordat ik aan deze onzekere tocht begon, had de dokter gezegd dat ik binnen een week zou kunnen bevallen. Toch ben ik vertrokken, wij allemaal, ons hele gezin. Wat als het kind onderweg ter wereld komt, of als het de reden is dat we worden teruggestuurd? We hebben verhalen genoeg gehoord van mensen die keer op keer de overkant wisten te bereiken en vervolgens werden teruggestuurd, met geweld. Geen idee wat ons te wachten staat. Het enige waar we ons aan vast kunnen klampen is onze hoop, het enige wat we weten is dat we niet terug willen naar waar we vandaan zijn gekomen. Daarom hebben we alle hoop die we in ons hadden aangesproken. Ons nog ongeboren kind. Misschien geeft onze baby aan de overkant houvast.

    705x470 1 1

    Hazne Alviyi

    Hazne Alviyi, 37, blijft bij haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de Syrische provincie Raqqa vanwege de zes jaar durende Syrische burgeroorlog. Turkije, dat een lange grens deelt met Syrië, herbergt nu ongeveer 3 miljoen Syrische vluchtelingen – meer dan enig ander land ter wereld. Sinds de Syrische burgeroorlog meer dan zes jaar geleden begon, heeft Turkije ongeveer $ 25 miljard uitgegeven om Syrische vluchtelingen te helpen en op te vangen. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Uit de reeks Mutual life: The Syrian refugee crisis

    Mijn man, mijn twee kleine kinderen, Mizgin en Azad, en mijn nog ongeboren kind. Na een uren durende tocht in de laadruimte van een vrachtwagen, een reis kun je het nauwelijks noemen, komen we bij een grensdorp aan. De mensensmokkelaar die ons van Istanboel hierheen heeft gebracht, stapt uit, doet ons over aan een andere smokkelaar en vertrekt. Het is midden in de nacht, half november. We lopen een tijd door een akker. ‘Stop,’ zegt de smokkelaar, ‘hier blijven we wachten.’ Hij blijkt niet degene te zijn die ons meeneemt.

    We wachten in stilte. De weeën zijn hevig, ik kan nauwelijks ademhalen. Ik zak neer in het bedauwde gras, op de vochtige aarde. Een bedroefd, bezorgd, gespannen wachten in het holst van de nacht. Wat zoeken we hier?

    De auteur

    Vanwege haar kritiek op de oorlogspolitiek die meteen na de verkiezingen van 7 juni 2015 in Turkije oplaaide, ondertekende Umut Güneş (pseudodiem) de Petitie van Academici voor de Vrede. De petitie kwam in januari 2016 uit onder de titel ‘Wij willen geen deel van deze misdaad zijn’.

    Als ondertekenaar werd ze krachtens een decreet van februari 2017 ontslagen uit haar functie op de universiteit. Haar leven veranderde van de ene dag op de andere. Ze werd bedreigd, fysiek en verbaal belaagd, er werden rechtszaken tegen haar aangespannen, ze raakte haar baan kwijt, haar paspoort werd ingetrokken, er werd haar verhinderd nieuw werk te zoeken – net als de andere ondertekenaars kon ze haast geen van haar burgerrechten nog uitoefenen.

    Om een nieuw hoofdstuk te beginnen en haar laboratoriumonderzoek voort te kunnen zetten, stak ze illegaal de Maritsa over, de rivier tussen Turkije en Griekenland, en reisde naar het buitenland. Ze maakte de tocht met vluchtelingen uit verschillende landen. Wat ze meemaakte en om zich heen zag vormde de basis voor dit verhaal. Daarin beschrijft ze de gebeurtenissen door de ogen van een van haar medereizigers, een zwangere Koerdische vrouw. Ze wil haar een stem geven.

    Geen woord

    We wachten in stilte. Midden op een akker, twintig mensen die in dezelfde laadruimte van een vrachtwagen zijn vervoerd, als schapen naar de slachtbank.

    We wachten in stilte. Allerlei verschillende gezichten, verschillende talen, Kurmanci, Sorani, Arabisch, Afghaans. In de vrachtwagen klonken ze nog door elkaar, nu valt er geen woord.

    We wachten in stilte. Mijn man laat mijn hand geen moment los. Mijn hoofd kan ik nauwelijks overeind houden, het rust steeds tegen zijn borst. En dan mijn kinderen. Mijn dochter is acht, mijn zoon zeven. Maar eigenlijk zijn ze al ouder. Wanneer zijn ze zo volwassen geworden? Waarom was dit nodig? De nacht is donker, nat, koud. Nu zitten ze hier, mijn kinderen, in een land dat we niet kennen, tussen mensen die we niet kennen, in een novembernacht op een braakliggende akker bij een dorp aan de grens, doen hun best om wakker te blijven, wachten op het moment dat we op weg zullen gaan, in stilte. Wat heeft hen op deze leeftijd geleerd zo stil te zijn?

    Hoe lang we al wachten, geen idee. Uiteindelijk komt de andere smokkelaar. Hij lijkt nog een vrouw bij zich te hebben, maar zeker weet ik het niet, het is donker, de pijn zo hevig dat ik mijn ogen nauwelijks open krijg. Dan hoor ik haar stem, ze praat Turks met hem, ja, een vrouw uit Turkije.

    Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling

    In het pikkedonker worden we geteld, als vee. Een som om uit te rekenen met hoeveel stuks we zijn. Ik weet wel dat we nummers voor hen zijn, dat het niet om onze levens gaat. Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling. Alleen de cijfers tellen, een rekening voor het geld dat ze straks krijgen, ons bestaan zegt ze niks.

    We gaan verder. We zouden ongeveer een uur langs de Turkse grens lopen, was er gezegd, dan met een boot de rivier oversteken, daarna was het nog hoogstens drie, vier uur lopen tot de auto die ons naar Athene brengt. In de woorden van de smokkelaar had het heel eenvoudig geklonken. Een korte tocht zou het zijn, het had ons moed gegeven. Net als de wens te leven, die ons de moed gaf op weg te gaan. Zo eenvoudig als het allemaal was, zo menselijk was het ook.

    Dikke sokken en slippers

    Het moet een uur of drie in de nacht zijn. Naast ons een kanaal. Op de oever zijn bergen zand gestort. We lopen langs het water, over de zandhopen, tenminste, dat proberen we. Waarom? Geen idee. Misschien om niet te verdwalen. De regen heeft kuilen in de grond geslagen, de schrale wind de grond hard gemaakt. Hoe valt hier te lopen?

    De smokkelaar gaat voorop, naast hem de vrouw uit Turkije, pal achter hen de Afghanen. Ze worden gevolgd door de Irakezen en de Syriërs. Mijn twee kinderen lopen ieder aan de hand van een jonge Irakees. Jong zeg ik, maar zelf ben ik ook pas 28. Helemaal achteraan komen wij, mijn man en ik. Ik loop op dikke sokken en slippers. De weeën zijn zo hevig dat ik mijn voeten nauwelijks van de grond krijg, mijn man en ik sloffen voort. Proberen vooruit te komen. Niemand weet dat ik zwanger ben, ik weet, wij weten maar al te goed dat de smokkelaars ons anders nooit hadden meegenomen.

    stiekem geneert ze zich

    en tegelijkertijd is ze bang 

    dat ze dood zal gaan. 

    na deze winter zijn we met één ziel meer.

    lief kind, waar in mijn lijf verstop ik je?

    Ahmed Arif – Aantekeningen uit de burcht van Diyarbekir en wiegelied voor het babietje Adiloş

    Mijn man torst 26 kilo op zijn rug: een tas met onze eigen spullen en, zonder dat iemand het weet, die voor onze baby (reistas, deken, luiers, een speen). Zelf heb ik een tas diagonaal over mijn schouders, daar zit wat geld in. Ik heb mijn arm in die van mijn man gehaakt, maar in feite draagt hij mij: hij heeft zijn ene hand onder mijn arm doorgeschoven, heeft me bij mijn middel vast, probeert me zo op de been te houden. In zijn andere hand draagt hij een tweede tas, met wat eten en drinken.

    We ploeteren voort, over de bergen zand, het wordt steeds kouder. Ik loop met gebogen hoofd en toch zie ik niks, ik stap in modderpoelen. In het maanlicht lijken de glanzende plekken op de grond droog, de donkere plekken plassen, maar als ik merk dat het precies andersom is, is het al te laat. Mijn sokken zijn doorweekt.

    Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken

    Ik hoor de stem van de smokkelaar, hij is kwaad op de Irakezen omdat ze hardop praten. In de verte het licht van de militaire wachttorens. Plotseling glijdt een lange lichtstraal over het veld. Op bevel van de smokkelaar duiken we allemaal ineen, we zijn stil en doodsbang. Hebben ze ons gezien, of was het een routinecontrole? We weten het niet. We wachten een tijdje, komen dan overeind.

    De smokkelaar zegt dat de mannen de boten moeten oppompen. Kennelijk zijn we vlak bij de rivier. Twee grote rubberboten worden opgeblazen, iedere boot wordt door vier mannen gedragen, zo vervolgen we onze tocht. Wij lopen weer achteraan.

    705x470 2 1

    Hapse Guclu

    Hapse Guclu, 63, huisvest haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de provincie Raqqa in Syrië. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Even later zien we dat verderop de hele groep zijn pas inhoudt. Als we bij hen komen, blijkt ons pad afgesneden door een lang kanaal met wanden van beton. De wanden lopen schuin af, steil naar beneden. Op de bodem staat water, niet veel, maar toch. Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken. De twee smokkelaars staan te discussiëren. Nemen ze deze route dan voor het eerst, wisten ze niet van dit obstakel?

    Als duidelijk is dat we hier niet naar de overkant kunnen, gaan we naar rechts. We lopen langs het kanaal in de hoop ergens een plek te vinden waar we wel kunnen oversteken. Ze hebben het over een brug, een brug met pal daarnaast een toren. Ze zeggen dat we doodstil moeten zijn, dat we anders misschien worden opgepakt. En ze waarschuwen ons: worden we gepakt, dan doen zij alsof ze vluchtelingen zijn. Als we hen verraden ziet het er slecht voor ons uit.

    Ik ben bang, we zijn nog maar net onderweg en nu al wordt de tocht steeds langer. Eén uur hadden ze gezegd. Het is misschien al wel drie uur geleden dat we vertrokken en we zijn er nog steeds niet. We lopen bij de groep nu, vlak achter de anderen. Ik wil niet hebben dat mijn kinderen de jonge mannen loslaten die met grote stappen voor ons uit lopen, dat mag niet gebeuren, zeker niet voordat we het kanaal over zijn en die wachttoren voorbij.

    Ik dwing mezelf mijn pas te versnellen zodat ik in hun buurt blijf. Gelukkig duurt het niet lang voordat we aankomen bij wat ze een ‘brug’ noemen: een plek waar het kanaal is volgestort met aarde. De toren is vlakbij. Een angstaanjagend moment, ik probeer mijn zenuwen de baas te blijven door de hand van mijn man nog steviger vast te houden. Zo snel en stil mogelijk sluipen we langs de toren, steken het kanaal over en verdwijnen in het desolate donker.

    Bijna licht

    Nu mijn angst wat is gezakt worden de weeën heviger. Ondraaglijk bijna, ik kan niet meer vooruit. We raken steeds verder achterop. Aan het begin, vooral in de buurt van die militaire toren, hield iedereen af en toe stil om te kijken of de anderen er nog waren, maar nu de dag bijna aanbreekt en iedereen haast heeft, wordt er nauwelijks nog achterom gekeken. Wat moeten we doen, hoe halen we hen weer in?

    Mijn kinderen lopen vooraan, maar ik hou het niet meer vol, we raken achterop. Ik laat me op de grond zakken. Mijn man is bij me, hij houdt mijn hand stevig vast, ik krimp ineen van de pijn. De bevalling moet op gang aan het komen zijn. Alsjeblieft, niet nu… We moeten de rivier over. We kunnen niet hier blijven, in handen vallen van het leger, dat moet niet gebeuren. We zijn de tocht juist begonnen om weg te komen. Alsjeblieft, nu nog niet.

    volle maan en de weg is lang 

    een zilveren dolk in mijn rug 

    ik loop maar doodgaan kan ik niet

    uit de anjer druppelt bloed 

    Behçet Aysan – Gedicht van een kapot potlood 

    Het is al bijna licht en we zijn een flink eind achterop geraakt. Met een laatste krachtsinspanning sta ik op. We lopen verder, moederziel alleen, in doodse stilte – mijn sloffende voetstappen het enige dat de stilte verbreekt. Waar zijn mijn kinderen, waar zijn de anderen? Na een tijdje zien we vóór ons een paar mensen, twee Syrische vrouwen en een man, ook zij zijn achterop geraakt. We zijn dus op de goede weg.

    Opgelucht lopen we verder, maar we zien niemand, horen niks. We lopen maar, naast elkaar, en zijn zo ten einde raad dat we volledig op onszelf worden teruggeworpen, ons aan de anderen vastklampen, ons nog vermoeider voelen en nog eenzamer, totdat we daar, op die dorre grond, in dat barre veld plukken diepgroen riet onderscheiden. Water, staat dat niet voor leven? Dat is wat het riet, de lage bomen ons toeroepen. We hebben de rivier bereikt.

    Welke kant nu uit? Konden we maar naar de oever, dan zagen we de anderen vast, maar de bomen, het riet maken dat onmogelijk. Misschien zijn we verdwaald. En mijn kinderen, waar zijn mijn kinderen? Ik krijg geen adem. Mijn man probeert me te kalmeren. ‘Misschien zijn ze doorgelopen op zoek naar een plek waar ze de boten makkelijker te water kunnen laten,’ zegt hij. Hij loopt naar rechts, geen idee waarom, de anderen lopen zonder vragen achter ons aan, de rivier ligt nu links van ons.

    Ik probeer mijn krachten weer te verzamelen. We moeten harder lopen, hen zo snel mogelijk zien te vinden. De angst mijn kinderen kwijt te raken overmant me. Een hels kabaal, ik schrik. Is er iemand in het water gevallen, is in de militaire wachttorens in de verte het vuur geopend? Het kabaal houdt maar niet op, steeds hetzelfde geluid.

    Pas als we op een plek komen waar we tussen de bomen door de rivier kunnen zien, begrijpen we waar het vandaan komt. Pelikanen! Grote, spierwitte vogels. ‘Ze vangen vis,’ zegt mijn man, ‘ze waden en slaan met hun vleugels op het water, zo maken ze de vissen bang en jagen die op naar de oever.’ Het leven gaat door, ondanks alles. Een gevoel van rust daalt over me neer, heel even, dan is het weer verdwenen.

    mijn bladeren zijn weg mijn vogels gevlogen 

    mijn bergen niets dan puin

    ook de liederen die ik kende zijn verdwenen 

    in mijn stem geen echo van mijn leven

    slechts het daveren van het bos klinkt in mijn stem 

    Ahmet Telli – Vergeet, mijn hart, dit gedicht 

    De Maritsa

    Er is nog steeds niemand te zien. Misschien zijn we de verkeerde kant op gelopen. We draaien om, de rivier ligt nu rechts van ons. Links is het terrein vlak en open zover het oog reikt, de weg die we hebben afgelegd. Ik voel dat ik aan het eind van mijn krachten kom. Mijn man probeert me te bemoedigen, houdt mijn hand vast, zegt dat ik niet bang hoef te zijn, we zullen ze wel vinden. 

    We lopen en lopen. Achter ons rent iemand onze kant uit. De schrik slaat ons om het hart, maar het blijkt een van de smokkelaars te zijn die ons is komen zoeken. Ik ben dolblij. Mopperend en met snelle passen gaat hij ons voor, wij hollen achter hem aan. Als we bij de anderen aan de oever van de rivier komen, zie ik mijn twee kleintjes terug, zij aan zij in elkaar gedoken, nog kleiner, enkel kwetsbaar en fragiel, niet stil meer maar verstomd, ogen waar de angst uit stroomt, een zee van tranen. Mijn hart is verteerd van verlangen, ik omhels ze, kus ze.

    de lente heeft haar stempel gedrukt de seringen

    zijn ontloken wat als ik een kersentakje pak

    binnen in me draaft een ree

    en de papavervelden schreeuwen het uit

    Behçet Aysan – Een kersentak

    Het is ochtend. De bevalling lijkt nu niet lang meer op zich te laten wachten, hoewel ik eigenlijk nog wat tijd zou hebben. Het lange lopen en de angst om mijn kinderen hebben me uitgeput. Ik krimp ineen van de weeën, ik kan ze niet langer verborgen houden. Net nu we bij de rivier zijn, ons opmaken naar de overkant te gaan, val ik neer op de oever, de oever van een rivier die eigenlijk zo ver van ons weg is. Niet de Tigris, niet de Eufraat, maar de Maritsa, die al haar smart uitstort waar ze langs stroomt. Mijn man komt naast me zitten, neemt mijn handen tussen de zijne, onze blikken kruisen elkaar. De hemel, de wolken lijken neergedaald in zijn ogen, er ligt een sluier over zijn blik. Hij kijkt weg, omhelst me, nog steviger, om mij te bemoedigen en ook zichzelf, dat weet ik wel.

     zeg het maar mijn lief! zeg: op een notenbruine dag kom ik eraan

    Istanboel zal een wanboel zijn, mijn haren 

    een wanboel. alles een wanboel! 

    wees niet bedroefd, mijn lief! we rapen ons bijeen, samen 

    staan we op, lopen we weg, zeg dat mijn lief 

    en al heeft het leven een stalen grond met iedere stap doorboren we het!

    Küçük İskender – Zeg het maar mijn lief 

    De vrouw uit Turkije, die de hele tijd vooraan, bij de smokkelaar loopt, is de eerste die me opmerkt. Ze komt naar me toe. Nu pas, in het daglicht, kunnen we elkaars gezicht zien. Ze haalt water uit haar tas en wast mijn gezicht. Dan komt een van de Irakezen, hij zegt dat hij arts is, voelt mijn pols, mijn hartslag is heel laag. Ik ben blij te horen dat hij arts is, en in de hoop dat hij me helpt vertel ik dat ik zwanger ben.

    Tumult. De smokkelaar komt naar me toe, duwt me tegen de grond, daar lig ik, op mijn rug in de natte aarde aan de oever van de rivier. ‘Geen denken aan!’ zegt hij. ‘Zo kan ik je niet meenemen, je geeft je maar aan bij de militairen, ga naar een ziekenhuis!’

    De Irakese arts geeft hem gelijk. ‘Je moet in geen geval meegaan,’ zegt hij, ‘niet in deze toestand!’

    ‘Onmogelijk,’ zeg ik, ‘dat kunnen jullie niet doen, we hebben betaald, jullie moeten ons meenemen!’

    We kunnen niet meer terug, bovendien, waar zouden we heen moeten, onze huizen liggen in puin, onze straten ruiken naar oorlog, verder hebben we niks. De kinderen, deze kinderen moeten leven. De weeën zijn afgrijselijk, ze snijden me de adem af, ik zet mijn kiezen op elkaar en kom overeind, ik wil hen laten zien dat ik het vol kan houden, ik smeek hen, kijk hen recht aan terwijl er een brand in mijn binnenste woedt.

    Ahmet, beste jongen, waarom huilt een zakdoek 

    niet een tand, niet een nagel, een zakdoek, waarom huilt die 

    in mijn zakdoek klinkt het bloed.

    Edip Cansever – In mijn zakdoek klinkt het bloed 

    ‘Goed,’ zegt de andere smokkelaar uiteindelijk. Hij stemt in. De vrouw uit Turkije geeft me een arm, neemt de tas over die mijn man in zijn hand heeft, en wil dan ook de tas van mijn hals halen. Ik begrijp het wel, ze probeert te helpen, maar dat gaat niet. Hoe moet ik weten of ik haar kan vertrouwen? Terwijl ik het hoofd bied aan de pijn probeer ik haar angstig te doorgronden, dan zie ik haar zwarte nagellak, haar stevige laarzen, die speciaal voor de tocht lijken aangeschaft. Ze zegt iets, eerst in het Turks, dan in het Kurmanci, terwijl ze naar mijn tas reikt. Ik krijg geen woord over mijn lippen, geef haar met mijn blik te verstaan dat ik mijn tas niet kan geven. Ze begrijpt het.

    Klein lichaam

    De overkant. Een nieuw leven. Zo dichtbij en zo ver weg. Al die omgeslagen boten op zee, op rivieren. Al die mensen die er niet meer zijn. En met die kennis dan op weg gaan, met twee kleine kinderen en een baby in mijn buik. Als we bij de meest geschikte plaats aankomen worden de twee boten aan elkaar vastgebonden, misschien om zo snel mogelijk naar de overkant te kunnen, of om meer weerstand te kunnen bieden aan de sterke stroming.

    Ik weet het niet. Ik kan niet nadenken. Ik voel de pijn niet, de weeën niet. Een voor een stappen we in een boot en proberen zo te gaan zitten dat het gewicht gelijk verdeeld is. Het enige wat ik voel is angst. Enorme angst. Ik zie de beelden voor me van al die hartverscheurende gebeurtenissen waarover ik gelezen, gehoord heb, waarvan ik het meeste heb gezien, meegemaakt, gehoord van mijn naasten. Ik ben bang, bang vanwege mijn kinderen, vanwege het kind dat nog geboren moet worden.

    Mijn kinderen. Alan heette het peutertje, aan deze kant van de rivier kent men hem als Aylan Kurdi. Is er een verschil tussen die kinderen? ‘Klein lichaam ontzield aangespoeld’ luidden de koppen op 2 september 2015. Dezelfde datum in zekere zin als vandaag, nu, morgen.

    ‘Klein lichaam.’ Oppervlakkige woorden voor een ziel die is heengegaan. Het kind was nog maar klein, zijn ziel des te groter. In wat voor eenheid meet je het leven, in jaren, de leeftijd van een ziel?

    als een rivier was de mens

    zonder besef van het bloed dat hij meevoert; 

    stom bij zijn eigen lied,

    blind voor zijn eigen droom,

    doof voor zijn eigen schreeuw…

    Nihat Behram – Ali is een meisje 

    Drie jaar duurde het leven van Alan, een berg aan ervaringen, net als de levens van zijn moeder en zijn broer, die samen met hem stierven. Ze vluchtten voor de dood, precies wat ons tot deze tocht bracht, met onze kinderen in onze armen. En we wisten: ‘(…) no one puts their children in a boat / unless the water is safer than the land (…).’ (Warsan Shire – Home)

    We doffen ons op alsof we naar een feest gaan

    De smokkelaar die tot nu toe met ons was meegelopen, gaat terug. Zijn collega stapt in een van de boten, gaat voorin zitten. De Irakese arts stapt in de tweede, zij zijn degenen met een peddel. Maar de Irakese arts krijgt het niet voor elkaar, hij weet simpelweg niet wat te doen. De rivier is breed, de stroming sterk. De vrouw uit Turkije wil de peddel overnemen, maar de smokkelaar laat haar niet in de andere boot overstappen, bang dat de boot uit balans raakt.

    Kwaad probeert hij wat te verschuiven zodat hij in het midden van de twee boten zit. Hoe moet die jongen, zo’n dunne man ingaan tegen de stroming van die brede rivier? Wat als de touwen tussen de twee boten breken? Reddingsvesten hebben we niet. Het enige wat we hebben zijn de grote tassen in onze handen, op onze ruggen. Als we in het water vallen zijn we verloren, dat besef ik maar al te goed.

    We hebben al zo vaak gehoord dat op de Egeïsche Zee, hier, op de Maritsa boten omsloegen met reizigers zoals wij en tientallen mensen verdronken. Hier mogen smokkelaars de mensen misschien nog overzetten, op zee is het een heel ander verhaal. Daar laten ze de migranten zien hoe ze een rubberen vaartuig met een goedkope motor moeten besturen, daarna mogen ze het zelf uitzoeken met die ondeugdelijke boten en zwemvesten die geen enkel nut hebben.

    Al die mensen die ze zo de dood in hebben gejaagd. Alan was maar een van hen. De gedachten, de gebeurtenissen bezorgen me steken in mijn hart, maar ondertussen is de smokkelaar nog bij ons en hij krijgt het voor elkaar! Met al zijn kracht en één peddel heeft hij ons naar de overkant gebracht. 

    We stappen uit, het water in, de blubber. De boten worden meteen uit het water getrokken. We rennen naar de bomen op de oever, schuilen onder de takken, proberen onze voeten en schoenen schoon te maken, trekken droge sokken aan. Van sommigen zitten de kleren zo onder de modder dat ze hun broek uittrekken en een schone aandoen. De vrouw uit Turkije heeft een grote doos vochtige doekjes bij zich, die ze aan iedereen uitdeelt.

    Iedereen lijkt op te leven, is er wat beter aan toe, opgewekter. Kennelijk waren we allemaal vooral bang voor de rivier. We hebben het gehaald! We doffen ons op alsof we naar een feest gaan. Op de oever, onder de bomen wordt de lucht uit de boten gelaten, eentje wordt er achtergelaten – waarom weet ik niet, misschien hebben we er geen twee meer nodig. We zijn tenslotte aan de overkant, eindelijk, nu zal alles makkelijker zijn – tenminste, dat hoop ik. Misschien heeft de smokkelaar hem nodig voor de terugreis.

    Behalve die van ons liggen er nog een paar boten, en modderige broeken, sokken, talloze conservenblikken. Al die mensen die al hierlangs gekomen zijn. Net als onze voorgangers laten ook wij onze modderige spullen liggen, we wachten af tot we achter de smokkelaar aan onze tocht kunnen vervolgen. Het is licht, we kunnen niet verder, zegt hij. We moeten weg van de rivier, ons verstoppen en wachten tot het donker wordt. Urenlang wachten, hoe is het mogelijk, net nu we de grootste hindernis genomen hebben, de rivier hebben weten over te steken, onze angst is gezakt en onze hoop aangewakkerd, net op het moment dat we denken er bijna te zijn.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren

    Terwijl we de brede rivier achter ons laten en tussen de lage bomen door proberen te lopen, moet ik denken aan de mensen die in de winter hun toevlucht zochten tot het bos en in hun dunne kleren zijn bevroren. Ieder moment van deze tocht ligt de dood op de loer. De weeën worden steeds heviger, ik leg mijn hand op mijn buik, denk aan de baby. Die pijn, die hevige pijn zal me uiteindelijk met mijn kind verenigen, dat weet ik toch, zo is het eerder ook gegaan.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren – karkassen, beter gezegd. Vreemd genoeg liggen de meeste erbij zoals ze zijn neergevallen, de botten op hun plek, alles aan elkaar. Koppen verbonden met de hals, borst en ribben. Heupen aan poten. Talloze hoorns en hoeven. Wat heeft dat te betekenen, waar wijzen die onaangeroerde skeletten op? Zijn de beesten geschoten en vervolgens blijven liggen? Maar wie schiet ze dan? Jagers heb je hier niet. Militairen?

    Na een tijdje vinden we tussen de bomen en het struikgewas, ver van de rivier, een vlak stuk. Het is vochtig en koud maar toch gaan we op het gras zitten. Wachten, een gespannen wachten. We proberen allemaal te ontspannen en eten wat van onze meegebrachte etenswaren. Mizgin en Azad krijgen eerst, ze vallen om van de honger. Daarna gaat iedereen ergens liggen en probeert te slapen. De Afghanen lopen het verst weg, gaan in grote zwarte vuilniszakken liggen. Goed idee om die mee te brengen. Zo hebben ze bescherming tegen de kou, de wind, het vocht.

    Ik zit hevig te rillen. De Irakese arts, die vlak bij ons is gaan liggen, merkt het, hij haalt een regenjas uit zijn tas, trekt me die aan, doet de knopen een voor een dicht. Dan gaat hij weer liggen, maar hij kan de slaap niet vatten, schrikt iedere keer wakker.

    Ook de vrouw uit Turkije kan niet slapen, ze zit met haar rug tegen een boom te wachten. Naast haar ligt de smokkelaar, onder een laken, hij is meteen ingedut. De Syriërs liggen een eindje verderop, links van ons, naast elkaar onder een boom. Een van hen, een vrouw, heeft zich opgerold en, in een poging zich tegen de kou te beschermen, een sjaal over zich heen getrokken.

    Zwak gehuil

    Door de dunne regenjas ril ik minder, maar nu komen de weeën weer opzetten. Even later voel ik vocht tussen mijn benen lopen, zijn mijn vliezen soms gebroken? Ik vertel het mijn man, ik pak zijn hand en kom overeind, zonder iets tegen iemand te zeggen lopen we met onze kinderen verder het bos in. De vrouw uit Turkije volgt ons met haar ogen, maar ze heeft geen idee wat er aan de hand is. Mijn kind is op komst!

    Ver weg van de anderen strek ik me met moeite uit in het natte gras, mijn man houdt mijn hand stevig vast, laat me niet los, Azad en Mizgin kijken me verbaasd aan. Even zie ik Ruhat en Botan in hun ogen. Ik denk weer aan hun moeder, de mooie Muntazam. Toen ze in haar eentje thuis beviel keken haar twee kinderen ook zo verbaasd naar haar, dat vertelde ze naderhand. Zoals ze in haar eentje van haar kind was bevallen, eigenhandig de navelstreng van haar kind had doorgeknipt. Dat zou ik ook kunnen, maar ik ben niet alleen, mijn man is bij me.

    Maar nee. Dat prachtige kind, Muntazams baby. Nog geen twee maanden was het toen… Ik krijg het gewoon niet over mijn lippen.

    Ik heb iemand nodig, een vrouw. De bevalling begint, echt, het hoofdje komt al. Ik zeg tegen Mizgin dat ze de vrouw uit Turkije meteen moet gaan roepen. De twee Syrische vrouwen spreken Kurmanci en Arabisch en het is makkelijker om met hen in Sorani te communiceren ook al kennen ze die taal niet, maar dat gaat niet, ze hebben zich niet laten zien, kennelijk houdt iets hen tegen, ze zijn bevreesd.

    Serê zarok,’ roept Mizgin, ‘het hoofd van het kind’, en ze rent weg. De vrouw uit Turkije komt er meteen aan. Ze heeft een klein zakmes bij zich. Ze kijkt me geschokt aan maar herneemt zich snel, gaat bij mijn voeten zitten en trekt voorzichtig aan mijn baby. Daar is hij, in haar handen, mijn man zit bij mijn hoofd, mijn kinderen kijken naar hun nieuwe broertje – het jongetje dat nog steeds met mij verbonden is. Alleen, hij geeft geen kik, wat is er aan de hand?

    Mijn hart staat zo in brand dat ik geen woord kan uitbrengen. Dan begint de vrouw onhandig tikjes te geven tegen de billen van mijn kind. Eindelijk hoor ik een zwak gehuil.

    er stond een bloem, daar, ergens,

    te bloeien als om een fout weer recht te zetten; 

    boog zich tot vlak bij mijn lippen 

    en praatte en praatte maar.

    Cemal Süreya – Een bloem

    De vrouw vraagt iets, zegt wat tegen ons, maar we begrijpen elkaar niet. Gelukkig komt de smokkelaar op dat moment, ze vraagt hem meteen om zijn telefoon. Ze belt iemand, overlegt. Belt dan iemand anders, zet de telefoon op de luidspreker en legt hem op mijn opgeschorte rok. Aan de andere kant van de lijn legt een vrouw met een verbazingwekkende kalmte een en ander uit, haar stem geeft vertrouwen.

    De Turkse vrouw snijdt met haar zakmes de navelstreng door. Nu moet die afgebonden worden, maar er is geen draad. Mijn man laat mijn hand heel eventjes los om in de tas te zoeken. Alles voor de baby hebben we bij ons, hoe hebben we draad nou kunnen vergeten. De vrouw stuurt de smokkelaar naar de anderen in de hoop dat die iets hebben.

    Een van de Syrische vrouwen komt aangelopen met een klein stukje naaigaren. Een dun stukje naaigaren, daarmee bindt ze de dikke, harde, glibberige navelstreng af. Met wat water probeert ze de baby te wassen, geeft hem dan aan de anderen over zodat die hem aan kunnen kleden.

    Op dat moment wordt de verbinding verbroken. Onze blikken kruisen elkaar. Ik voel me gelukkig en dankbaar, op haar gezicht ligt een vage glimlach. Toch valt er angst in haar blik te lezen. Ik voel dat ze niet weet wat te doen maar me tegelijkertijd wil bemoedigen. We spreken niet dezelfde taal, maar proberen elkaar met onze blikken te steunen en moed in te spreken. Dat heeft zij net zo hard nodig als ik.

    De bevalling is nog niet voorbij. De nageboorte zit er nog. En tussen mijn benen voel ik de navelstreng, waarmee mijn kind negen maanden lang met mij was verbonden. Mijn lichaam moet dat alles nu kwijt. Zij weet ook wat er te doen staat, ze weet alleen niet hoe. Ze vraagt me iets, maar ik ben niet in staat antwoord te geven, zelfs maar te laten zien wat ze moet doen.

    Ze vraagt de smokkelaar nogmaals om zijn telefoon, zet hem op de luidspreker en geeft ook mijn man instructies, laat hem zien hoe hij met kracht op mijn buik moet duwen. Felle pijnscheuten trekken door mijn hele lijf. Terwijl mijn man op mijn buik drukt, lukt het de vrouw met haar blote handen de nageboorte uit me trekken. De pijn zakt een beetje. Ik voel me uitgeput, maar beter. Alles is voorbij, tenminste, dat hoop ik, want ik weet niet hoeveel ik ben ingescheurd, of ik veel bloed heb verloren, of de bloedingen aanhouden.

    De regenjas onder me is besmeurd met alles wat met mijn kind is meegekomen. Mijn voeten staan er midden in en trillen, ik kan het niet tegenhouden. Ik heb het ijskoud.

    Mijn man haalt mijn kleren uit de tas. De vrouw uit Turkije probeert me met vochtige doekjes schoon te wrijven. Ze stuurt de smokkelaar er nog een keer op uit, hij komt terug met een grote zwarte vuilniszak, van de Afghanen gekregen waarschijnlijk. Ze snijdt het onderste stuk van mijn regenjas en laat dat op de grond liggen – schoonmaken lukt toch niet zonder water of een fatsoenlijke doek. Samen met mijn man tilt ze me op de vuilniszak die ze naast me op de grond heeft uitgespreid.

    Dan wrijft ze me helemaal schoon, kleedt me aan. Schone sokken heb ik niet. Het enige reservepaar dat ik had, heb ik aangedaan nadat we de rivier waren overgestoken en in de modder terecht kwamen. Tijdens de bevalling heb ik er geen moment aan gedacht ze uit te trekken. Ze zegt tegen Mizgin dat die haar tas moet brengen. Ze heeft een maillot, die trekt ze me aan.

    Ik voel me wat beter, al heb heb ik het nog steeds koud en trillen mijn benen nog. Ze stuurt de smokkelaar naar de Syrische vrouw, die een korte legging bij zich heeft. Ook die trekt ze me aan. Dat scheelt, de legging verwarmt me en houdt mijn ondergoed strakker tegen mijn lijf. Na een bevalling verlies ik veel bloed, ik weet het van de geboorte van Mizgin en Azad. Ik moet er niet aan denken dat op die koude, natte wegen, te midden van al die mensen, het bloed langs mijn benen loopt. En daarbij, bloedverlies betekent je slap voelen, uitgeput, misschien niet verder kunnen lopen.

    Niet aan denken. Nu heb ik mijn baby in mijn armen. Ik sla ze nog steviger om hem heen.

    Lees hier deel 2: