Tag: oorlogsmisdaden

  • 4. Wil iedereen die verkracht is zijn hand opsteken?

    4. Wil iedereen die verkracht is zijn hand opsteken?

    Volgens de VN is ‘Congo de verkrachtingshoofdstad van de wereld’. Tientallen humanitaire organisaties hebben zich op deze ‘markt’ gestort, aangetrokken door de gigantische budgetten die ervoor beschikbaar zijn. In Bukavu, in het oosten van het land, is verkrachting pure business geworden.

    Op de applausmeter verslaat Denis Mukwege Angela Jolie met groot gemak. De Congolese arts baant zich een weg door de menigte. Mensen raken hem aan, geven hem een staande ovatie, feliciteren hem met een handdruk of een weinig protocollaire omhelzing. Hij beklimt het podium en de zaal valt op slag stil. Er worden schokkende uitspraken verwacht van deze arts, gebaseerd op wat hij met eigen ogen heeft gezien. Een toekomstige Nobelprijswinnaar. Naast hem de lieftallige vrouw van Brad Pitt, goodwillambassadeur van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN.

    De mondiale top over seksueel geweld in conflictgebieden die in juni 2014 in Londen werd gehouden trok 123 landen, 80 ministers, 900 deskundigen, honderden ngo’s, artsen, juristen en vertegenwoordigers van religieuze groeperingen. Elke delegatie had haar ‘eigen’ verkrachtingsslachtoffers meegenomen. Vrouwen die analfabeet waren, die hun dorp of land soms nooit uit waren geweest, was gevraagd het vliegtuig te nemen om tot in de intiemste details kond te doen van het geweld dat ze hadden ondergaan. ‘Verkrachting is in de mode,’ fluistert een Amerikaanse jurist tegen me.

    Achter zijn katheder herhaalt Denis Mukwege wat hij al tien jaar onvermoeibaar verkondigt: in de Democratische Republiek Congo wordt verkrachting als oorlogswapen gebruikt. Hij heeft kortgeleden een meisje van twee geopereerd – ‘hersteld’ luidt de officiële term – van wie de vagina door haar belagers was vernield. In zijn land wordt verkrachting gebruikt om een heel volk te vernielen en een gebied in handen te krijgen. Er moet een einde komen aan de barbarij, vrouwenlichamen mogen niet langer als slagveld worden gebruikt. Stop, maak er een einde aan, ‘tot hier en niet verder’.

    Gladde slogans

    Ik hoor sleutelwoorden die door de hele wereldpers zullen worden overgenomen – ‘verkrachting als oorlogswapen’, ‘strijd tegen straffeloosheid’, ‘overlevenden van seksueel geweld’ – want ‘slachtoffer’ is achterhaald, voldoet niet langer aan de communicatiebehoeften. Gladde slogans voor glanzend papier.

    Congo, ‘verkrachtingshoofdstad van de wereld’. ‘Minstens’ vijfhonderdduizend verkrachte vrouwen in het oosten van het land, een getal dat naar hartenlust wordt herhaald. Een gruwel waarbij het verstand stilstaat. Dat zou in deze regio één op de elf vrouwen betekenen. Dat is ofwel monsterlijk, ofwel idioot. Waarom sla ik u er dan mee om de oren? Omdat ik het wil begrijpen.

    ‘Sinds Rwanda en Bosnië zijn er twee “ideale” slachtofferstereotypen om geld binnen te halen: de kindsoldaat en de verkrachte vrouw’

    Enkele maanden na de top in Londen steek ik de houten brug over de Ruzizi over, de rivier die het kleine Rwanda van het grote Congo scheidt. In 1994 vluchtten tienduizenden Rwandezen via deze kleine grenspost voor de genocide van de Tutsi. Onder hen de handlangers en leiders van de slachtpartij, maar ook burgers, families, vrouwen en kinderen.

    Bukavu, de hoofdstad van de regio Zuid-Kivu, waar dokter Mukwege praktiseert, ligt even voorbij deze brug over de Ruzizi, bij de grens tussen de twee landen, op het breukvlak tussen twee werelden.

    Mathilde Muhindo (62), een van de oudste activistes van de stad, ontvangt me in het Olame Centrum, een organisatie voor de verdediging van vrouwen die in de beboste heuvels boven de stad gevestigd is, op een open plek waar de regen vrij spel heeft. Ze was erbij toen de inwoners van Bukavu in 1994 de Rwandese vluchtelingen verwelkomden als ‘broers en zussen’. Ze herinnert zich de inzamelingen, de geleende bedden, de aangeboden stukjes grond. En de vluchtelingenkampen, die langzaam hun tentakels uitstrekten en steden werden.

    Ze was er ook bij toen Kigali deze kampsteden waar de leiders van de genocide de scepter zwaaiden in 1996 met geweld ontmantelde. Duizenden vluchtelingen gingen terug naar Rwanda, duizenden anderen zochten hun heil in het binnenland van Congo. De leiders van de genocide, die burgers als schild gebruikten, werden opgespoord door Rwandese troepen die werden bijgestaan door Congolese opstandelingen. Het oerwoud werd het toneel van ontelbare misdaden.

    Vanaf 1997 zag Muhindo vrouwen verschijnen die verkracht, gewond of verminkt waren; ze hadden dagenlang gelopen of zich vanaf de middenplateaus van Kivu vastgeklampt aan de rug van een motorrijder alsof het een reddingsboei was.

    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz
    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz

    Toen er in 2002 en 2003 vredesakkoorden werden ondertekend, dacht Mathilde Muhindo weer te kunnen ademhalen. De openlijke oorlog liep ten einde, maar uit de as van de rebellengroepen verrezen plaatselijke milities. De criminele facties vermenigvuldigden zich snel. In 2002 publiceerde Human Rights Watch een eerste rapport over de manier waarop verkrachting in Congo als oorlogswapen werd gebruikt, dat onmiddellijk veel aandacht trok. Binnen enkele maanden stroomden de ngo’s en VN-agentschappen in groten getale naar Bukavu en koloniseerden de stad zodanig dat hun aantal van een tiental naar driehonderd steeg.

    Dokter Mukwege, de ster van de top in Londen, was toen nog onbekend buiten de regio Kivu. Deze uitstekende chirurg had in Bukavi het Panzi-ziekenhuis opgericht, waar hij de slachtoffers van seksuele martelingen opereerde met behulp van een in Congo nog onbekende techniek, laparoscopie. Hij trok de aandacht van geldschieters en ontving vanaf 2004 financiële steun uit Europa voor het programma ‘Slachtoffers van seksueel geweld’.

    Het Panzi-ziekenhuis werd een ontmoetingsplaats, een soort hub voor seksueel geweld. De verkrachting van Congolese vrouwen haalde de televisieschermen in 2009, toen Hillary Clinton de regio bezocht om uiting te geven aan haar ‘bezorgdheid’. ‘Dit land is getuige van een van de ergste wreedheden van de mensheid,’ verklaarde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Een jaar later zei Margot Wallström, de speciale VN-gezant voor de slachtoffers van seksueel geweld in conflictgebieden, het haar na: ‘Congo is de verkrachtingshoofdstad van de wereld.’ Een jaar of tien nadat het geweld zijn hoogtepunt had bereikt maakte de pers van deze karikatuur een kop.

    Panzi-koffie en Panzi-T-shirts

    ‘Seksueel geweld is sexy. Het roept enorm veel emoties op,’ vat Alejandro Sánchez, Vrouwenbeschermingsadviseur van de VN-vredesmacht Monusco in Congo, de situatie met een berustend schouderophalen samen. De juridisch directeur van Artsen Zonder Grenzen, Françoise Bouchet-Saulnier, bevestigt: ‘Sinds Rwanda en Bosnië zijn er twee “ideale” slachtofferstereotypen om geld binnen te halen: de kindsoldaat en de verkrachte vrouw.’

    Het Panzi-ziekenhuis van dokter Mukwege ligt op een halfuur rijden ten zuiden van het centrum van Bukavu, tegen het omgevingslawaai beschermd door bewakers en hoge hekken. De witte lanen en door bloemen omringde huizen doen denken aan een chique Amerikaanse buitenwijk. Denis Mukwege ontvangt me in de patio die zich langs zijn hele kantoor uitstrekt. Zijn brede glimlach en ogen die alles gezien lijken te hebben maken hem onmiddellijk sympathiek.

    De kolossale man is teleurgesteld teruggekomen van de top over seksueel geweld. In Londen werden Panzi-koffie en Panzi-T-shirts verkocht en zijn samenwerking met Angelina Jolie tilde de aandacht voor verkrachting naar ‘stratosferische hoogten’, aldus Susannah Sirkin van de ngo Physicians for Human Rights. Na de top maakte de Wereldbank bekend zestig miljoen euro vrij te maken voor een ‘holistische’ behandeling van ‘minstens vijfhonderdduizend vrouwen en meisjes’ die slachtoffer waren van seksueel geweld. Hij had op meer gehoopt: ‘Ik verwachtte dat men de verkrachtingen een halt zou toeroepen.’

    Ik vraag hem om het activiteitenrapport van het ziekenhuis, dat hij me met plezier overhandigt. Ik lees dat het programma ‘Slachtoffer van seksueel geweld’ tussen 2004 en 2013 32.247 vrouwen heeft ontvangen, onder wie echter ook 13.071 vrouwen die ‘specifieke’ gynaecologische zorg nodig hadden, zoals het opereren aan obstetrische fistels, een scheur in de vaginawand die kan optreden na een moeizame bevalling.

    Ik ben verbaasd: ‘Dus deze vrouwen zijn niet verkracht?’ De dokter bevestigt dit en legt het graag uit: ‘We wilden niet dat een vrouw zou liegen dat ze verkracht was om gratis geopereerd te kunnen worden. Daarom hebben we ze opgenomen in ons programma, ook al kunt u zien dat onze statistieken twee heel verschillende categorieën onderscheiden.’

    Het ziekenhuis heeft dus 19.176 vrouwen ontvangen die slachtoffer waren van seksueel geweld. Waarom blijven de media dan overal ter wereld herhalen dat hij ‘veertigduizend verkrachte en verminkte vrouwen heeft geopereerd’? ‘Dat weet ik niet. Journalisten willen een sappig verhaal.’

    En die ‘vijfhonderdduizend verkrachte vrouwen in het oosten van Congo’? Zelfde laken een pak, dat aantal slaat nergens op. ‘Volgens de VN zijn er sinds 1998 op het hele Congolese grondgebied tweehonderdduizend vrouwen verkracht. Maar het American Journal of Public Health schrijft dat er alleen al in 2007 vierhonderdduizend Congolese vrouwen zijn verkracht, oftewel 48 per uur. En dat zijn nog maar twee van de tientallen schattingen die niet met elkaar stroken.

    ‘Mensen die zeggen dat verkrachting ‘in de mode’ is, hebben een verknipte geest. Ik zie de slachtoffers elke dag en ik vind het onethisch om over getallen en geld te discussiëren’

    Dus vijfhonderdduizend is hooguit een gok! Waarom zou je je het hoofd breken over zulke details? Waarom zou je erop wijzen dat je in Congo onmogelijk statistische gegevens kunt verzamelen? Dat Congo een land zonder staat is, waar al sinds 1984 geen volkstelling heeft plaatsgevonden, waar geen identiteitskaarten bestaan, waar iedereen twee of drie verschillende voornamen heeft, om nog maar te zwijgen van de achternamen van zowel vaders- als moederskant? Dat het een stuurloos land is waar een groot deel van de bevolking officiële registratie ontloopt?

    In de onpersoonlijke vergaderzaal waar we elkaar spreken vraag ik dokter Mukwege naar de verkrachte, gemartelde kinderen waar hij het in al zijn redevoeringen over heeft. Gevallen die volgens hem ‘absoluut traumatisch zijn voor ons personeel’. Deze kinderen, dertig in getal, zijn in 2014 aangevallen in Kavumu, een stad die verscheidene jaren voor het conflict gespaard was gebleven. Er doen geruchten de ronde over mystieke handelingen, bedreven door mannen die rijkdom en roem wilden vergaren door het ontmaagden van kleine meisjes. Dus van oorlogsverkrachtingen is geen sprake. ‘Maar uiteindelijk komt het op hetzelfde neer, het zijn uitzaaiingen van de oorlog!’ verzekert Mukwege.

    Dan slaat hij krachtig zijn handen tegen elkaar. Hij heeft genoeg van het gemuggenzift over de gruwelen van zijn dagelijkse praktijk. ‘Mensen die zeggen dat verkrachting “in de mode” is, hebben een verknipte geest. Ik zie de slachtoffers elke dag en ik vind het onethisch om over getallen en geld te discussiëren terwijl de menselijke waardigheid geweld wordt aangedaan. Dat vind ik walgelijk.’ Hij staat op. Einde interview.

    Burgerdaders

    Buiten is het klam. Voor het ziekenhuis klampt een jongetje voorbijgangers aan om een taxi te vullen die midden op de weg staat te wachten en het verkeer hindert. De taxichauffeurs luisteren naar Radio Okapi, het uitstekende station van de VN. De verhalen die je er hoort bevestigen, net als de verhalen die ik sinds mijn aankomst heb verzameld, dat verkrachting als oorlogswapen niet de meest courante vorm van verkrachting is. De schuldigen zijn veel vaker burgers.

    Ik interview een advocaat, Patient Bashombe, die samenwerkt met het Panzi-ziekenhuis. Hij heeft zich op de verdediging van slachtoffers van seksueel geweld gestort omdat dat, zoals hij ruiterlijk toegeeft, een ‘lucratieve niche’ is. De 64 zaken die hij heeft behandeld betroffen drie verkrachtingen door buitenlandse gewapende groepen, twee door Congolese militairen en 59 door burgers.

    Maar dat is natuurlijk minder spectaculair voor de internationale gemeenschap dan ‘verkrachting als oorlogswapen’. Minder glorieus voor de Congolese regering, die liever gewapende groepen beschuldigt dan haar eigen burgers. En minder statusverhogend voor dokter Mukwege.

    Waarom wordt er dan toch keer op keer met deze verbijsterende aantallen gezwaaid door de internationale organisaties, de geldschieters en de media? Nzigire, een veertiger uit Walungu, een dorp op vijftig kilometer van Bukavu, heeft het antwoord: ‘Zodat de blanken geld kunnen binnenhalen!’

    ‘De plaatselijke programma’s slaan nergens op, maar iedereen is tevreden zolang er maar geld binnenkomt’

    ‘Geld binnenhalen.’ Enkele duizenden kilometers verderop, in Frankrijk, komt de juridisch directeur van Artsen Zonder Grenzen met dezelfde woedende analyse: ‘De ngo’s in Kivu verzorgen tegenwoordig geen mensen meer, ze zijn alleen op zoek naar statistische gegevens. Ze zoeken vrouwen die verkracht zijn om meer statistische gegevens te verzamelen voor hun pleidooi voor meer budget voor meer programma’s om verkrachte vrouwen te identificeren. Het is een vicieuze cirkel. De plaatselijke programma’s slaan nergens op, maar iedereen is tevreden zolang er maar geld binnenkomt.’

    En de budgetten zijn gigantisch. Volgens een studie van twee Nederlandse onderzoekers, Nynke Douma en Dorothea Hilhorst, getiteld Fond de commerce (Geldla), is er sinds 2010 meer dan 70 miljoen euro aan seksueel geweld gespendeerd, waarbij de eerder genoemde 60 miljoen van de Wereldbank nog buiten beschouwing is gelaten. Alleen de door de VN geleide missies in Congo hebben tussen januari 2010 en december 2011 al 7,4 miljoen euro opgestreken voor de strijd tegen seksueel geweld, twee keer zo veel als het budget voor de hervorming van de binnenlandse veiligheid van het land, en de helft van de gelden voor het nationale vredesprogramma. En dat in een land dat al bijna twintig jaar door gewapende groepen wordt gedestabiliseerd.

    In Bukavu krijg je deze miljoenen niet te zien, laat staan dat je ervan kunt profiteren. Dat krijg je dagelijks ingepeperd. Hier leeft men volgens de ‘taux du jour’, een plaatselijke uitdrukking voor ‘leven bij de dag’. Er is geen werk, geen industrie, geen landbouw, geen elektriciteit tenzij je smeergeld betaalt.

    De blanken vormen een aparte sekte en wonen allemaal in het oosten van de stad, dicht bij de Rwandese grens, alsof ze elk moment moeten kunnen vluchten. Ze wonen in elegante villa’s met uitzicht op het meer met zijn Zwitsers-Afrikaanse allure, omringd door hoge muren en prikkeldraad. Ze rijden rond in jeeps, gaan nooit te voet, wagen zich heel zelden in de stad en als ze toch lopen is het op en neer over de onverharde weg die ze goed kennen en die de grote hotels met hun kantoren verbindt.
    Vanwege hun aanwezigheid in de stad die al diverse jaren geen conflicten heeft gekend zeggen de inwoners van Bukavu: ‘No viols, no job’: ‘Geen verkrachtingen, geen werk.’ Hoe grappig de mengeling van Frans en Engels ook lijkt, de constatering is onthutsend. Fond de commerce is niet alleen de titel van het rapport van Nynke Douma en Dorothea Hilhorst, het is ook een constatering die op ieders lippen bestorven ligt. De verkrachtingen hebben de ngo’s gebracht, die ‘programma’s’ hebben gebracht, die financiering hebben gebracht. Geld in overvloed, net als ambitie, hebzucht en aanleiding voor corruptie.

    Lijsten

    Ik besluit me naar het ‘binnenland’ te begeven om zo dicht mogelijk in de buurt te komen van degenen die van dit financiële manna zouden hebben moeten profiteren, de verkrachte vrouwen. Walungu, op anderhalf uur rijden van Bukavu, is een dorp dat langdurig onder aanvallen van gewapende groeperingen te lijden heeft gehad. In de hoofdstraat van Walungu wemelt het van de organisaties: UNDP (United Nations Development Programme), War Child, Jehova’s getuigen, IEDA (International Emergency and Development Aid), OSD (sociale bijstand aan misdeelden), de juridische kliniek van de Panzi Stichting, APEO (Actie voor het Vergeten Kind), AJP (Vrouwenactie voor Vrede en Gerechtigheid), Save the Children, Belgische Organisatie voor Technische Samenwerking…

    Een twintigtal vrouwen wacht me op in de bibliotheek. Ze zijn gekomen op verzoek van Venantie Bisimwa en haar RFDP (Women for the Defence of Rights and Peace).
    Ik luister naar hen. Eén ding valt me op: verkrachting is in hun verhalen maar een van de vele gruwelen die zich in de loop der tijd hebben voltrokken, naast moordaanslagen, martelingen, plunderingen, bedreigingen en ontvoeringen. Zo vertelt Bénite, ‘ongeveer’ veertig, dat haar dorp in maart 2005 is aangevallen door ‘mensen uit Rwanda’, waarbij een van haar broers werd gedood en zijzelf met vijf anderen naar het oerwoud werd meegenomen. Een van hen werd vrijgelaten om het losgeld te vragen dat de anderen moest redden. Haar familie had niet genoeg geld om de 130 dollar losgeld te betalen zodat ze hun land moesten verkopen. Bénite werd acht dagen na haar ontvoering vrijgelaten.

    Bénite heeft haar verhaal ‘vele tientallen keren’ verteld, maar niemand heeft haar geholpen om haar land terug te kopen en haar leven weer op te pakken. ‘Ik heb op een heleboel lijsten gestaan, maar dat heeft niets geholpen.’

    Alle vrouwen in Walungu hebben het over deze ‘lijsten’, deze ‘statistieken’ die het aantal verkrachte vrouwen vermelden en de ngo’s in staat stellen ‘hun behoeften te evalueren’ en geld binnen te halen. In Bukavu had Venantie Bisimwa me het systeem al uitgelegd: ‘Toen ik de coördinatievergaderingen nog bijwoonde, kwam elke ngo en elk VN-agentschap met zijn eigen slachtofferlijst alsof dat het bewijs was van hun goede werk.’


    Bénite legt uit hoe de ngo’s de slachtoffers identificeerden: ‘Bij ons organiseerden de buitenlanders een gesprek in een school of kerk, en daarna vroegen ze hun tussenpersonen om de verkrachte vrouwen aan te wijzen.’ Een praktijk waarover Mathilde Muhindo van het Olame Centrum zich nog steeds geschokt toont: ‘Vind je het normaal dat een verkrachte vrouw in het openbaar haar hand opsteekt om te zeggen: “Ik ben verkracht! Ik! Ik!”? Ik weet niet hoe het in Europa gaat, maar hier is zoiets niet normaal.’

    De vrouwen in Walungu hebben zich op verschillende lijsten ingeschreven. Het grote aantal namen, die nooit geverifieerd zijn, hebben de statistieken opgedreven. ‘We hebben geen idee wat de invloed van deze onnauwkeurigheid is,’ zegt Marie-Noël Cikuri van de ngo Action d’espoir: ‘Er zijn zo veel dorpen in het oerwoud die nooit benaderd zijn.’

    Martin Birindwa Balyahamwabo, een aanhanger van de pinksterbeweging van een jaar of vijftig, draagt een onberispelijk overhemd en laat zijn aktetas, die hij voorzichtig op zijn schoot heeft gevlijd, geen moment los. Hij heeft als ‘tussenpersoon’ gefungeerd voor diverse ngo’s in Nindja, een door veelvuldig geweld getroffen dorp op enkele tientallen kilometers van Walungu. Hij behoorde tot degenen die informatie doorspeelden, behoeften blootlegden. Hij weet zeker dat dat de lijsten niet alleen doublures bevatten, maar ook vrouwen die helemaal geen slachtoffer waren.

    Met zijn komische air van beste jongetje van de klas vertelt hij: ‘Soms hoorde ik op de radio dat er honderd vrouwen waren verkracht terwijl het er maar achttien of twintig waren. Mensen waren de dorpen langsgegaan om de vrouwen te laten zeggen dat ze verkracht waren.’

    ‘Wie dan?’

    ‘Medewerkers van de ngo’s. De Duitse vereniging Malteser betaalde bijvoorbeeld tussenpersonen in de dorpen om ze verkrachte vrouwen te brengen. Dus die moesten absoluut gevonden worden! Anders zou de hulppost dichtgaan, zou er geen werk meer zijn. Dat is nauwelijks een geheim, weet u. In de gemeenschap heerst een soort verstandhouding: de vrouwen verklaren zich bereid om op de lijsten te komen en daarna mogen ze het voedsel van de ngo’s onderling verdelen. Dat zat me dwars, ik vond het niet kunnen.’

    ‘Als een ngo een geit geeft aan een verkrachte vrouw en een andere vrouw er ook een nodig heeft, dan zal ze zeggen dat ze ook verkracht is’

    Ik speel dit verhaal door aan Johan Bultinck van Malteser. Hij bevestigt dat de tussenpersonen ongeveer twintig dollar per maand kregen. Dat de vrouwen nog lang na hun verkrachting extra hulp probeerden te krijgen, dat er nauwkeurig onderzoek was vereist om ze uit te noodprogramma’s te kunnen weren. En dat de gezondheidscentra hun cijfers moedwillig aandikten om meer financiering te krijgen. Maar wat Malteser betreft is hij stellig: ‘Wij hebben nooit een geval van honderd verkrachte vrouwen in Nindja gehad en we geven de vrouwen geen eten. Ik geloof niet dat dit over Malteser gaat, of ze hebben u maar wat op de mouw gespeld.’

    Ik vervolg mijn onderzoek in Kaniola, zo’n dertig kilometer verderop in de heuvels boven Walungu. In het centrum van het dorp bewijst een torentje van roze baksteen eer aan de slachtoffers van de oorlog. Op de binnenkant van de muren staan de namen van de gevallenen met de plaats en datum van hun dood. De slachtpartijen hebben plaatsgevonden tussen 1996 en 2007, met een hoogtepunt in de periode 2006-2007. Ik kijk door het raam van het mausoleum. In de afgesloten ruimte hangen foto’s van vrouwen met opengereten buiken, van mannen met een afgesneden tong, arm of geslacht.

    Priester Maurice Bisimwa heeft de beschaamde bekentenissen van de verkrachtingsslachtoffers in zijn parochie aangehoord. Hij weet dat er ‘verzonnen verhalen’ bij zitten, maar daar heeft hij begrip voor: ‘Als een ngo een geit geeft aan een verkrachte vrouw en een andere vrouw er ook een nodig heeft, dan zal ze zeggen dat ze ook verkracht is. Vanwege de armoe…’

    Françoise Bouchet-Saulnier van Artsen Zonder Grenzen bevestigt dit: ‘Ik zal nooit zeggen dat de verkrachtingsbusiness profijtelijk is voor de slachtoffers. Die is profijtelijk voor ons, de humanitaire organisaties. Als de slachtoffers tegen ons liegen, dan is het om te overleven, dan is het een aanpassingsstrategie, geen business.’ Ze schudt haar hoofd en zoekt naar woorden om haar collega-ngo’s afdoende op hun nummer te zetten: ‘Het is in de humanitaire wereld dat de cyclus van straffeloosheid doorbroken moet worden!’ Ze vertelt over een ervaring van Artsen Zonder Grenzen: ‘Het was ons opgevallen dat verkrachte vrouwen gemakkelijker voor een consult kwamen als het marktdag was: het was geruststellender om met vriendinnen naar de stad te gaan, en het kostte ze bovendien geen werkdag. Toen we motortaxi’s gingen vergoeden om de gang naar het ziekenhuis te vergemakkelijken, rees het aantal consulten op marktdagen de pan uit. Zeiden die vrouwen dus dat ze verkracht waren om gratis naar de markt te kunnen? Geen idee. Het is iets waar je je voortdurend het hoofd over breekt. We moeten altijd oog hebben voor de negatieve effecten van onze acties. Daar zijn professionaliteit en moed voor nodig, dingen die ontbreken bij al die zondagsredders die Kuifje in Afrika spelen.’

    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz
    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz

    In Kaniola wordt de lucht doorkliefd door bliksemschichten en het kabaal van de regen maakt onze stemmen minutenlang onverstaanbaar. Op de overdekte binnenplaats van een vroegere school praat ik met Batunike M’ntuga, een van de tussenpersonen naar wie door Martin, de kleine man van de pinksterbeweging, met de beschuldigende vinger was gewezen. Ook zij voelt zich bedonderd. De ngo’s hadden bepaalde doelen voor ogen, eisten dat ze op iedere tocht vijftig of honderd verkrachte vrouwen identificeerde. ‘Ze vroegen ons naar Luhago te gaan, vijftig kilometer lopen, waar milities zijn. Om terug te komen met de lijsten moest je ze in een mand verstoppen onder de bladeren van zoete aardappels, zodat de militieleden dachten dat we van de akker kwamen. Het was gevaarlijk voor ons.’

    Batunike ging van deur tot deur. ‘Op de lijsten noteerde ik “seksueel geweld” of “fysiek geweld”.’

    Ik ben verbaasd: ‘Fysiek geweld, wat betekent dat precies?’

    ‘Dat is bijvoorbeeld marteling.’

    ‘Maar marteling is toch geen verkrachting?’

    ‘Zeker wel! Als ze je een hand afhakken, is dat zonder toestemming.’

    ‘En als de ngo vroeg hoeveel vrouwen er verkracht waren, hoeveel gaf je er dan op?’

    ‘Het totale aantal.’

    ‘En als ze vroegen hoeveel vrouwen slachtoffer waren van seksueel geweld?’

    ‘Dan noemde ik het aantal vrouwen dat seksueel geweld had ondergaan.’

    Ik ben met stomheid geslagen. Werden de vrouwelijke tussenpersonen op die manier getraind? Werden de resultaten geverifieerd? Was er verwarring over de verschillende vormen van agressie? ‘Dit is voor het eerst dat ik dat hoor,’ reageert activiste Mathilde Muhindo, duidelijk geschrokken door deze volstrekte idiotie.
    Zoho CRM – Affordable On-demand CRM

    Diverse ngo’s geven desgevraagd toe dat ze de verhalen van de vrouwen niet checken. Dat is hun taak niet, zeggen ze, ze moeten begrip hebben voor het verdriet van de verkrachte vrouwen. Dat in twijfel trekken zou hun trauma nog verergeren. Johan Bultinck, van de Duitse ngo Malteser: ‘Bij de behandeling van de slachtoffers spelen ook vertrouwelijkheid en instemming een rol. Verificatie is niet eenvoudig.’

    Terug in Bukavu dringt zich de vraag op: waar zijn die gigantische budgetten gebleven? Wie heeft ‘het geld opgegeten’, zoals men hier zegt? De internationale organisaties draaien eromheen. Alejandro Sánchez van Monusco houdt het op ‘de organisatiezeef’, oftewel de salarissen van de expats. Johan Bultinck van Malteser kiest voor ‘gebrek aan coördinatie’ en ‘een land waar het moeilijk is om te werken’, oftewel corruptie.

    In de archieven van de [Congolese] krant Le Souverain vind ik een artikel van mei 2012, getiteld ‘Wie profiteren er van het seksueel geweld in Oost-Congo?’ De journaliste had zich in het geval Mamas for Africa verdiept. Deze Belgische ngo schakelde een kleine Congolese vereniging in die verkrachtingsslachtoffers opving. Mamas for Africa had toegang tot hun foto’s en getuigenverklaringen, stelde mailinglijsten samen en haalde geld voor hen op. Maar al heel gauw kwam de Congolese vereniging erachter dat ‘minder dan een procent van de ingezamelde gelden in hun centrum werd geïnvesteerd’.

    In 2008 zei Mamas for Africa een groter huis nodig te hebben om de verkrachte vrouwen op te vangen. De directrice van de Congolese ngo haalde 360 duizend dollar op voor een nieuw opvanghuis met uitzicht op het meer. Maar het gebouw werd algauw een doorgangshuis voor Belgen die op bezoek waren in Bukavu. ‘Een ongebruikelijk concept,’ luidde de ironische conclusie van de journaliste, die bovendien onthulde dat Mamas for Africa in een brief aan de donateurs zei een opleidingscentrum te willen creëren om de inwonende vrouwen van een inkomen te voorzien. Oftewel, ‘het centrum was alleen maar een opvanghuis voordat de vrouwen werden doorgestuurd naar het Panzi-ziekenhuis’.

    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz
    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz

    In Kaniola wordt de lucht doorkliefd door bliksemschichten en het kabaal van de regen maakt onze stemmen minutenlang onverstaanbaar. Op de overdekte binnenplaats van een vroegere school praat ik met Batunike M’ntuga, een van de tussenpersonen naar wie door Martin, de kleine man van de pinksterbeweging, met de beschuldigende vinger was gewezen. Ook zij voelt zich bedonderd. De ngo’s hadden bepaalde doelen voor ogen, eisten dat ze op iedere tocht vijftig of honderd verkrachte vrouwen identificeerde. ‘Ze vroegen ons naar Luhago te gaan, vijftig kilometer lopen, waar milities zijn. Om terug te komen met de lijsten moest je ze in een mand verstoppen onder de bladeren van zoete aardappels, zodat de militieleden dachten dat we van de akker kwamen. Het was gevaarlijk voor ons.’

    Batunike ging van deur tot deur. ‘Op de lijsten noteerde ik “seksueel geweld” of “fysiek geweld”.’

    Ik ben verbaasd: ‘Fysiek geweld, wat betekent dat precies?’

    ‘Dat is bijvoorbeeld marteling.’

    ‘Maar marteling is toch geen verkrachting?’

    ‘Zeker wel! Als ze je een hand afhakken, is dat zonder toestemming.’

    ‘En als de ngo vroeg hoeveel vrouwen er verkracht waren, hoeveel gaf je er dan op?’

    ‘Het totale aantal.’

    ‘En als ze vroegen hoeveel vrouwen slachtoffer waren van seksueel geweld?’

    ‘Dan noemde ik het aantal vrouwen dat seksueel geweld had ondergaan.’

    Ik ben met stomheid geslagen. Werden de vrouwelijke tussenpersonen op die manier getraind? Werden de resultaten geverifieerd? Was er verwarring over de verschillende vormen van agressie? ‘Dit is voor het eerst dat ik dat hoor,’ reageert activiste Mathilde Muhindo, duidelijk geschrokken door deze volstrekte idiotie.

    De naam Mamas for Africa kwam me opnieuw ter ore tijdens een gesprek met een collega van dokter Mukwege, die zich bezighield met het personeelsbeleid in het Panzi-ziekenhuis. Hij noemde de Belgische ngo een van de meest efficiënte organisaties, die hun de meeste verkrachte vrouwen had aangeleverd.

    Naast vrouwen die zeggen verkracht te zijn om hulp te krijgen, organisaties die hun statistieken aandikken om meer geld te krijgen, malversaties op alle niveaus en verhalen die kant noch wal raken, ontdek ik in Bukavu dat er ook mannen zijn die onschuldig in de gevangenis creperen, mannen die ook slachtoffer zijn van de verkrachtingsbusiness.

    Deze constatering was de aanleiding voor de studie Fond de commerce van Nynke Douma. In september 2008 was de Nederlandse onderzoeker aanwezig bij een zitting van een mobiele krijgsraad in een Congolees dorp, bedoeld om de plaatselijke bevolking een ‘gerechtelijke show’ voor te schotelen. Een man werd tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens verkrachting. ‘Er klopte niets van de zaak, helemaal niets. Er was geen enkel bewijs. Hoe konden ze mensen op zo’n wankele basis veroordelen?’

    Ze ontdekte algauw dat dit proces geen geval op zichzelf was. ‘Het recht op een eerlijk proces wordt momenteel in Kivu met voeten getreden,’ oordeelt Faustin Cirhuza, die in Bukavu werkt voor Advocaten Zonder Grenzen. De ngo’s die opkomen voor verkrachte vrouwen ‘kopen gerechtigheid’, zegt hij. Ze organiseren processen, betalen dagvergoedingen aan rechters en advocaten en sporen de rechtbanken aan om hun zittingen te houden op plekken die zwaar getroffen zijn door het conflict.

    Cordaid

    Faustin Cirhuza was in 2013 adviseur voor een programma dat werd gefinancierd door Cordaid, een Nederlandse ngo die zestig slachtoffergevallen in de regio Kabare moest behandelen: ‘Zo veel dossiers verzamelen in één jaar, dat is volstrekt onmogelijk! Ze hebben in allerijl zaken geïdentificeerd en alle procedurele regels overtreden. Vaak was er sprake van een flagrant gebrek aan bewijs, van zaken die van geen kanten klopten. De helft van de zaken hebben ze verloren. Ze deden maar wat.’

    Waarom hadden ze hun doelen dan niet naar beneden bijgesteld?

    ‘Het schept werkgelegenheid! Als je je doelen niet haalt vernieuwen de geldschieters je contract niet!’ De advocaat is ontgoocheld: ‘Ze handelen niet in het belang van de mensen. De ngo’s willen geen genoegdoening voor de slachtoffers, ze willen alleen maar een kopie van het vonnis dat ze aan de geldschieters kunnen sturen om te laten zien dat ze goed werk hebben geleverd, dat ze “strijden tegen straffeloosheid”. Ik heb zo veel vrouwen horen zeggen dat ze er spijt van hadden dat ze naar de rechter waren gegaan. Het is dramatisch voor ons land.’

    Wanneer ik naar deze zaak informeer, antwoord Astrid Frey van Cordaid: ‘Vrouwen die liegen, die om ons heen draaien om ons hun verhaal te verkopen, dat komt voor. We moeten erg goed opletten, onze programma’s evalueren. Dat is een uitdaging!’ Dan voegt ze eraan toe: ‘Cordaid is in elk geval geen directe speler, wij financieren alleen de programma’s van onze partners.’

    Ik loop voor de laatste keer door Bukavu. De lage ochtendzon schijnt op de orchideeën die de gevels roze kleuren. In de haven kom ik Alejandro Sánchez van Monusco tegen. Hij vertelt me dat hij zijn post binnenkort gaat verlaten. ‘Ik ga terug naar Colombia. Het is hier echt een te grote puinhoop.’

    In het Europees Parlement ontvangt dokter Mukwege de Sacharovprijs. In geluiddichte radiostudio’s en onder felle tv-lampen herhaalt hij dat er in zijn land wordt verkracht om een volk te vernielen, een gebied in handen te krijgen. Er moet een einde komen aan de barbarij, vrouwenlichamen mogen niet langer als slagveld worden gebruikt. Stop, maak er een einde aan, ‘tot hier en niet verder’.

    Auteur: Marion Quillard
    Vertaler: Peter Bergsma

    Marion Quillard studeerde in Toulouse, Toronto, Lyon en Lille, en schrijft voor de Franse bladen Revue XXI en 6Mois. Haar werk verscheen eveneens in Libération en op Mediapart.

    Genomineerden in de categorie Investigative reporting award

    Nizar Manek & Jeremy Hodge (Verenigd Koninkrijk):
    Opening the Black Box of Egypt’s Slush Funds

    Jürgen Dahlkamp, Sven Becker, Gunther Latsch, Walter Mayr & Jörg Schmitt (Duitsland):
    Besondere Verdienste

    Jonathan Calvert, George Arbuthnott, Heidi Blake & Bojan Pancevski (Verenigd Koninkrijk):
    The FIFA Scandal

    Mar Cabra (Spanje):
    Swiss Leaks: Murky Cash Sheltered by Bank Secrecy

    Roman Anin in samenwerking met FBK (Rusland):
    The Values of the Clan

    Luke Dale-Harris & Sorin Semeniuc (Verenigd Koninkrijk / Roemenië):
    Land Grabbing in the EU: How Rabobank is Profiting of Theft and Abuse in Romania

    Anita Vorák (Hongarije):
    How the Son-in-Law of Hungary’s Prime Minister Benefited from EU Funds

    Marion Quillard (Frankrijk):
    Que celles qui ont été violées lèvent la main

    Revue XXI
    Frankrijk | kwartaalblad, oplage 50.000

    Tijdschrift van voormalig Figaro-journalisten, een driemaandelijks avontuur van narratieve journalistiek, bestaande uit grote reportages in tekst, schetsen, foto’s en stripverhalen. Bijzonder grafisch vormgegeven. Gevrijwaard van reclame.