Dit maatschappelijk model is zeldzaam in de etnografie
In de ijzertijd zijn in Groot-Brittannië samenlevingen geweest die rond vrouwen waren georganiseerd, zo is gebleken uit de analyse van 2000 jaar oud DNA. Dit bevestigen de verslagen van Romeinse historici, volgens een onderzoek dat woensdag is gepubliceerd in het tijdschrift Nature. Onderzoek op een reeks begraafplaatsen in Zuid-Engeland heeft uitgewezen dat de meeste personen die daar begraven liggen aan elkaar verwant waren via de moederlijn. Die lijn ging terug ‘op een enkele vrouw die een paar eeuwen eerder had geleefd’, legt geneticus Lara Cassidy uit, die het onderzoek leidde.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Aan de andere kant waren er bijna geen relaties via de vaderlijke lijn. ‘Dit vertelt ons dat echtgenoten zich na het huwelijk aansloten bij de gemeenschappen van hun vrouwen, waarbij land mogelijk werd doorgegeven via de vrouwelijke lijn,’ vertelt ze. In de etnografie is dit maatschappelijk model, dat bekendstaat als ‘matrilokaal’, zeldzaam en nooit eerder gedocumenteerd in het Europa van het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd.
Grootste vindplaats bronzen beelden ooit ontdekt in Saqqara
Bij een Egyptische archeologische missie in de necropolis van Saqqara is een enorme schat ontdekt, meldt Ahram Online. De ontdekking omvat ongeveer tweehonderdvijftig beschilderde houten doodskisten en is – met honderdvijftig bronzen beelden – de grootste vindplaats van bronzen beelden ooit, aldus het Egyptische ministerie van Toerisme en Oudheden maandag.
De voorwerpen dateren allemaal uit de Late Periode, rond 500 v.Chr. Op de bronzen beelden zijn onder meer de oude Egyptische godheden Bastet, Anubis, Osiris, Isis, Nefertem en Hathor afgebeeld, evenals muziekinstrumenten die tijdens rituelen werden gebruikt om godin Isis te vereren, zoals het sistrum. In grafschachten is daarnaast een verzameling beschilderde houten doodskisten met mummies opgegraven, samen met amuletten, andere houten kisten en beelden met vergulde gezichten. Ook is er een collectie cosmetica en juwelen gevonden, waaronder kammen, potjes, armbanden en oorbellen.
Mostafa Waziri, de secretaris-generaal van de Hoge Raad voor Oudheden, bevestigde dat de doodskisten zullen worden overgebracht naar het Groot Egyptisch Museum (GEM), dat in Caïro wordt gebouwd en naar verwachting dit jaar zal worden geopend.
Voor de oeroude Afrikaanse beschaving van de Nubiërs bestond lang nauwelijks aandacht. Nu zijn archeologen verwikkeld in een race tegen de klok om vast te leggen wat er nog van over is.
In 1905 togen Britse archeologen naar een smalle landstrook in Noordoost-Afrika om artefacten uit drieduizend jaar oude tempels op te graven. Ze keerden onverrichter zake terug met voornamelijk foto’s, ontmoedigd door de immer verschuivende zandheuvels. ‘Bij iedere stap zakten we tot onze knieën weg’, schreef Wallis Budge, de Britse egyptoloog en filoloog destijds. ‘We deden verschillende proefopgravingen maar troffen niets aan wat de moeite waard was mee te nemen.’
In de eeuw die volgde was er nauwelijks interesse voor de regio die bekendstaat als Nubië, de bakermat van oudere beschavingen dan het Oude Egypte, gelegen langs de Nijl in wat vandaag de dag het noorden van Soedan en het zuiden van Egypte is. Het land was onherbergzaam en een aantal archeologen wees al dan niet openlijk het idee van de hand dat zwarte Afrikanen in staat waren kunst te maken, technologie te ontwikkelen of steden te bouwen zoals de Oude Egyptenaren of de Romeinen. Moderne handboeken behandelen Nubië nog steeds als een soort appendix bij Egypte, met hooguit een paar alinea’s over zwarte farao’s.
Inmiddels is dit beeld gekanteld en beseffen archeologen hoe weinig tijd hen rest om de historische betekenis van Nubië volledig te ontvouwen. ‘Dit is een van de grote, oudste bekende beschavingen ter wereld,’ zegt archeoloog Neal Spencer, verbonden aan het British Museum. De afgelopen tien jaar heeft Spencer op een van de archeologische sites gewerkt die zijn academische voorgangers een eeuw geleden hebben gefotografeerd: Amara West, ongeveer honderdvijftig kilometer ten zuiden van de grens tussen Egypte en Soedan. Uitgerust met een magnetometer, een apparaat dat magnetische patronen van objecten in de bodem registreert, brengt Spencer duizenden metingen in kaart om zo hele nederzettingen onder het zand bloot te leggen, fundamenten van piramides en ronde grafheuvels, oftewel tumili, met tombes waarin skeletten in typisch Nubische stijl op grafbedden rusten, daterend uit 1300 tot 800 vóór Christus.
‘Het inheemse negerras heeft nooit handel of nijverheid van enige betekenis ontwikkeld en dankt zijn culturele status aan de Egyptische immigranten en de geïmporteerde Egyptische beschaving’
Het Nijldal in het noorden van Soedan is bezaaid met dit soort sites, en overal stuitten archeologen op honderden artefacten, rijkversierde tombes, tempels en steden. Elke vondst is waardevol, zeggen de wetenschappers, omdat ze licht werpen op de Nubiërs: wie ze waren, wat voor kunst ze maakten, de taal die ze spraken, hun godsdienstige rituelen, hoe ze stierven: belangrijke puzzelstukken voor de beeldvorming van de mozaïek van beschavingen. Alleen dreigen deze heilige archeologische sites door woestijnvorming en de aanleg van stuwdammen voorgoed onder het zand of onder de waterspiegel te verdwijnen. ‘Nu pas realiseren we ons hoeveel archeologische schatten daar nog op ons liggen te wachten,’ zegt archeoloog David Edwards van de Universiteit van Leicester. ‘Maar nu is het eigenlijk te laat,’ voegt hij eraan toe. ‘Binnen tien jaar is het grootste deel van het oude Nubië waarschijnlijk weggevaagd.’
Tussen 5000 en 3000 v.Chr., toen de tropische jungles bij de opwarming van de aarde plaatsmaakten voor woestijnen, begon de trek naar de groene oevers van de Nijl. ‘Het wemelt er van de archeologische sites omdat de Nijlvallei, vanaf de prehistorie tot nu, al duizenden jaren is bewoond,’ vertelt Vincent Francigny, directeur van het Franse Archeologische Instituut in zijn kantoor in de hoofdstad van Soedan, Khartoem. De eerste archeologische sporen van het Nubische koninkrijk, Koesj, stammen uit ongeveer 2000 v.Chr. Egyptenaren veroverden gedurende een paar honderd jaar delen van het Koesjitische rijk. Rond 1000 v.Chr. lijken de Egyptenaren te zijn vertrokken, of ze hebben zich geheel met de lokale bevolking vermengd. In 800 v.Chr. namen Koesjitische koningen, ook wel bekend als de zwarte farao’s, Egypte een eeuw lang over: twee cobra’s die de kronen van de farao’s versieren staan voor de vereniging van de koninkrijken. Rond 300 n.Chr. begon de ondergang van het Koesjitische rijk.
Over het leven van Nubiërs in die tijd is bijna niets bekend. ‘Britse egyptologen uit de negentiende eeuw verlieten zich op verslagen van oude Griekse historici die de wildste verhalen uit hun duim zogen,’ zegt Francigny. ‘Ze namen niet de moeite zelf af te reizen naar Soedan.’ De Amerikaanse archeoloog George Reisner, verbonden aan de Harvard-universiteit, was de eerste die begin twintigste eeuw serieus onderzoek deed. Reisner ontdekte tientallen piramides en tempels in Soedan, legde de namen van koningen vast en verscheepte de kostbaarste antiquiteiten naar het Museum of Fine Arts in Boston. Met dedain dichtte hij iedere vorm van hoogstaande architectuur zonder enig bewijs aan blankere rassen toe. In 1918 schreef hij, alsof het als een paal boven water stond, in een bulletin van het museum: ‘Het inheemse negerras heeft nooit handel of nijverheid van enige betekenis ontwikkeld en dankt zijn culturele status aan de Egyptische immigranten en de geïmporteerde Egyptische beschaving.’ Er heilig van overtuigd dat een donkere huidskleur een lagere intelligentie aanduidde, weet hij de ondergang van Nubië aan de vermenging van de Egyptenaren met de oorspronkelijke bewoners.
Reisner was in alle opzichten een kind van zijn tijd. Archeologen van de oude stempel waren meer gericht op het samenstellen van namenlijstjes van farao’s en het verschepen van culturele schatten, dan dat ze door middel van antiquiteiten inzicht probeerden te krijgen in de ontwikkeling van samenlevingen en culturen.
Archeoloog Stuart Tyson Smith, verbonden aan de Universiteit van Californië, Santa Barbara, stoft objecten die hij de afgelopen jaren in Nubische graven heeft verzameld vanuit een heel andere benadering af. Smith en zijn team doen opgravingen in Tombos, een enorme necropolis ten zuiden van Amara West, die vóór 700 v.Chr. honderden jaren in gebruik was. Opgetogen leidt Smith me op locatie rond door opslagruimtes die vol staan met onlangs opgegraven voorwerpen. Ook tijdens hun reis naar het land der doden wilden onze voorvaderen goed voor de dag komen: ze kregen in hun graf kohlpoeder, reukwater en versierde cosmeticadozen mee. Op een houten tafel ligt een vrouwenschedel met een aangekoekte laag aarde vol termietengangen. Glunderend pakt Smith een vuistgrote amulet die hij naast dit skelet heeft gevonden. De amulet heeft de vorm van een scarabee, in Egypte een veelvoorkomend symbool van wedergeboorte, alleen heeft deze kever een mensenhoofd. ‘Dit is heel ongebruikelijk,’ zegt Smith. Lachend vertaalt hij de hiërogliefen die op de onderkant zijn gegraveerd: ‘Laat mijn hart op de Dag des Oordeels niet tegen mij getuigen.’
Smiths collega, Michele Buzon, bioarcheoloog aan de Purdue-universiteit in Indiana, zal de schedel naar haar lab in West Lafayette laten verschepen om de isotopensamenstelling van strontium in het tandglazuur te analyseren. Strontium is een element dat in wisselende hoeveelheden in de grondlaag en in gesteente voorkomt. Omdat strontium bij opgroeiende kinderen via het drinkwater in de tandglazuurlaag wordt opgenomen, is het een indicatie van de regio waar een persoon is geboren. De uitslag zal uitwijzen of de vrouw uit Egypte kwam, zoals de scarabee doet vermoeden, of dat het om een lokale bewoner gaat met een voorliefde voor Egyptische spullen.
Er zijn voldoende aanwijzingen waaruit blijkt dat Egyptische gezagsdragers tussen 1450 en 1100 v.Chr. in Tombos tussen de Nubiërs leefden en stierven. Egypte inde belasting in de regio, een belangrijk handelscentrum waar ivoor, goud en dierenhuiden vanuit het zuiden via de Nijl naar het noorden werden vervoerd. Maar in schedels uit 900 v.Chr. vindt Buzon nog zelden aanwijzingen voor Egyptische wortels in het tandglazuur. Strontiumisotopen tonen aan dat het om geboren en getogen Nubiërs gaat, hoewel de cultuur nog duidelijke Egyptische invloeden vertoonde; een vroege vorm van culturele assimilatie. ‘De twee culturen smolten samen,’ zegt Smith. In 2005 legde hij een grafkamer bloot met daarin een mannelijk skelet, omgeven door Nubische pijlpunten, geïmporteerde voorwerpen uit het Midden-Oosten en een koperen beker, aan de binnenzijde gegraveerd met stieren, een veelvoorkomend motief in Nubische ontwerpen. ‘Dat hij met traditionele Nubische objecten en kosmopolitische spullen is begraven, geeft aan dat hij bij de elite hoort,’ legt Smit uit.
Nubische taal
Om meer te weten te komen over de verloren taal van het oude Nubië zoek ik Claude Rilly op, een linguïst die is gespecialiseerd in oude talen. Hiervoor moet ik afreizen naar Soleb en Sedeinga, archeologische sites met majestueuze, vervallen tempels en een terrein vol kleine piramides. De woestijn tussen de twee sites doet postapocalyptisch aan: zover het oog reikt een desolate vlakte, bezaaid met zwarte rotsblokken. Op het punt waar de weg onder het zand verdwijnt stap ik over in een gammele motorboot. Ik word opgewacht door Rilly, een boomlange, goedlachse man met een verweerd gezicht. ‘Welkom in de wieg van de mensheid.’ Vol enthousiasme begint Rilly de Egyptische hiërogliefen te vertalen die in de zandstenen zuilen van de tempel in Soleb zijn gegraveerd. Hij wil maar al te graag zijn kostbaarste vondsten laten zien: stèles, stenen platen met Meroïtische inscripties uit het oude Nubië. Rilly, verbonden aan het Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek in Parijs, is een van de weinigen die Meroïtische teksten kan vertalen. Het schrift is niet verwant aan Egyptische hiërogliefen. Rilly heeft wel verbanden gevonden tussen het Meroïtisch en een handvol talen die vandaag de dag door etnische groepen in Nubïe, Darfoer en Eritrea worden gesproken.
Eind 2016 vond Rilly een beschilderde stèle die tussen de bakstenen van een grafkapel in Sedeinga was gevallen en zo beschermd was gebleven voor zandstormen en regen. De bovenkant van de stenen plaat is versierd met een zonneschijf, omringd door twee goudgele cobra’s en uitgerust met een paar rode vleugels. De gegraveerde lijn die de illustratie van de tekst scheidt is blauw, een zeldzaam pigment. In de tekst staat een woord dat Rilly nooit eerder is tegengekomen. Afgaande op de talen die momenteel in de regio worden gesproken, vermoedt hij dat het een tweede woord is voor de zon, maar dan voor de zonnegod en niet voor het hemellichaam. Rilly kan niet wachten tot hij meer teksten in handen krijgt waarmee hij de woordenschat kan uitbreiden om zo de verhalen die ze over Nubische religie vertellen te ontcijferen. Hij heeft het idee dat er een verborgen stad in de buurt van de tempels moet liggen, en hopelijk ook papyrusrollen met geschriften van onze voorouders. De komende maand zal Rilly met een magnetometer de omgeving afspeuren naar sporen van een nederzetting onder de boerderijen langs de Nijl of het omringende land. Het draagbare apparaat berekent het magnetische signaal aan de oppervlakte van de grond en vergelijkt dat met het signaal van twee meter daaronder. Als de fluxdichtheid verschilt, wordt de plek op de kaart met een grijze tot zwarte stip aangemerkt om aan te geven dat er iets onder het aardoppervlak ligt. Rilly zoekt ook naar de restanten van een Koesjitische tempel waarnaar wordt verwezen op een stèle die hij onlangs heeft ontcijferd. ‘De zonnegod en de maangod worden genoemd, en de godin Isis zelfs wel vijftien keer,’ vertelt Rilly. ‘We weten dat hier een Koesjitische cultus was, en een cultus kan niet zonder tempel bestaan.’
Hedendaagse Nubiërs krijgen de verhalen over het oude Nubië, doorgegeven van generatie op generatie, met de paplepel ingegoten. En of ze nu wel of niet direct van de Koesjieten afstammen, hun identiteit is onlosmakelijk verbonden met het verleden. Ze zijn opgegroeid tussen piramides, tempels en omgevallen beelden.
Op heilige dagen wandelen gezinnen uit de aan de Nijl gelegen plaats Karima naar de zanderige voet van Djebel Barkal, een heilige tafelberg die wordt gekenmerkt door een natuurlijke, 75 meter hoge monoliet waarvan de ogenschijnlijk ontoegankelijke top inscripties bevat van wellicht 3400 jaar oud. Terwijl de zon ondergaat, is het uitzicht met recht bijbels te noemen: de groene oevers van de Nijl, de tempels in de schaduw van de berg, de piramides aan de horizon. Toen de oude Egyptenaren de regio veroverden, herkenden ze in Djebel Barkal de verblijfplaats van de god Amon, die ieder jaar voor nieuw leven zorgt wanneer de Nijl buiten haar oevers treedt. Ze hakten aan de voet van de berg een tempel voor hem uit en versierden de muren met goden en godinnen. Toen de Nubiërs de macht overnamen, vonden de kroningen van hun farao’s op deze heilige berg plaats, en ze bouwden er piramides naast.
Verder noordwaarts ligt aan de Nijl nog een heilige berg, in de geboorteplaats van Ali Osman Mohamed Salih, een 72-jarige professor in archeologie en Nubische studies aan de universiteit van Karthoem. Zijn ouders leerden hem dat God in de berg huist en aangezien mensen van God afstammen, zijn ze uit deze berg ontstaan. Deze gedachtegang verbindt het heden met het verleden en mensen met een plaats. ‘Je bent zo oud als de berg, wordt ermee bedoeld,’ zegt Salih, ‘en niemand kan je uit dit land verdrijven.’ Maar dat is precies wat dreigt te gebeuren met de bouw van de drie nieuwe waterkrachtcentrales die de Soedanese regering langs de Nijl heeft gepland. Mensen zullen van hun geboortegrond worden verdreven, vreest Salih, en talloze Nubische schatten zullen onder water komen te staan. Volgens een schatting van Soedans Nationale Genootschap voor Oudheden en Musea zal het stuwmeer dat vlak bij de plaats Kajbar door de geplande dam zal ontstaan meer dan 500 archeologische sites onder water zetten, waaronder 1600 rotsgravures en -schilderingen, waarvan de oudste uit het neolitische tijdperk stammen en de jongste uit de middeleeuwen. Soedanese activisten schatten dat honderdduizenden mensen door de aanleg van de centrales uit hun woonplaatsen zullen worden verdreven.
Salih heeft al eerder tegen stuwdammen in de Nijl geprotesteerd. In 1967 werd hij in Caïro gearresteerd voor zijn openlijke verzet tegen de Hoge Aswandam vlak bij de Soedanese grens. Het hierdoor gevormde reservoir met een lengte van bijna vijfhonderd kilometer heeft honderden archeologische sites onder water gezet, hoewel de mooiste tempelcomplexen, zoals Aboe Simbel, werden verplaatst. Ook moesten meer dan honderdduizend mensen, onder wie veel Nubiërs, verhuizen. De regeringen van landen langs de Nijl rechtvaardigen de stuwdammen door te wijzen op de toenemende vraag naar elektriciteit. Op dit moment heeft twee derde van de Soedanese bevolking geen elektriciteit. Helaas leert de ervaring dat de verdrevenen meestal niet degenen zijn die van de elektriciteit en de opgeleverde winst profiteren. Maar er is weinig ruimte voor onderhandelingen. De Soedanese president Omar al-Bashir, volgens het Internationaal Strafhof een oorlogsmisdadiger, regeert met ijzeren vuist. Sinds 2006 hebben zijn veiligheidstroepen meer dan honderdzeventig demonstranten neergeschoten en talloze tegenstanders, ook van andere politiek geladen onderwerpen, opgesloten en gemarteld. Internationale archeologen die in het land willen blijven werken, durven de geplande bouw van de waterkrachtcentrales niet hardop te bekritiseren. En de meeste archeologen van eigen bodem houden wijselijk hun mond om niet achter de tralies te belanden.
Oprukkend zand
Andere archeologische sites, zoals Djebel Barkal en Tombos, worden bedreigd door de bevolkingsaanwas. En dan is er nog de verwoestende kracht van de natuur. Zo worden de rijkelijk versierde muren van de 43 Koesjitische piramides en de bijbehorende grafkapellen van Meroë, werelderfgoed volgens Unesco, sinds de jaren tachtig steeds ernstiger aangetast door zandstormen. Met financiering uit Qatar hebben archeologen de dodenstad geprobeerd vrij te maken van het steeds verder oprukkende zand. Maar een verslag uit 2016 stelt dat er bijna niet tegenop te graven is. ‘Als archeoloog sta je altijd onder druk,’ zegt Geoff Emberling, verbonden aan de Universiteit van Michigan. ‘Vanwege het tijdsgebrek en het eeuwige geldgebrek. De situatie is altijd nijpend.’ Voor Emberling zich aan Nubië wijdde, was het oude Mesopotamië in Syrië zijn onderzoeksveld. ‘Ik had nooit voorzien dat IS de oude tempels in Palmyra zou verwoesten en een Syrische archeoloog zou executeren.’ Het onthoofde lichaam van de bejaarde archeoloog Khaled al-Asaad werd ter afschrikking aan een zuil in de ruïnestad gehangen. ‘Syrië heeft me geleerd dat niets vanzelfsprekend is in het leven,’ zegt Emberling. ‘Alles kan zomaar omslaan in het tegendeel.’
Spencer, de archeoloog van het British Museum die piramides en nederzettingen in Amara West uitgraaft, weet wat hem boven het hoofd hangt. Zijn werk is een gevecht tegen het zand. Als een zware zandstorm over de site raast worden alle opgravingen in één klap tenietgedaan. En als er verderop een dam in de Nijl wordt gebouwd, loopt Amara West volledig onder. Staand naast een labyrint van pas uitgegraven muren, vlak onder het zandoppervlak, vouwt Spencer een kaart open met meetvelden, de blauwdruk voor zijn opgravingen. Hij wijst een punt aan dat buiten de grijze lijnen van de nederzettingen ligt en wijst daarna naar de uitgestrekte zandheuvels in de verte. ‘Het lage magnetische signaal van deze landsstrook geeft aan dat hier waarschijnlijk ooit een rivier heeft gestroomd,’ legt Spencer uit, die heeft aangetoond dat de regio er 3300 jaar geleden heel anders uitzag. Door middel van optisch gestimuleerde luminescentiedatering (OSL) – een techniek die wordt gebruikt om te bepalen wanneer een zandkorrel voor het laatst is blootgesteld aan licht – heeft zijn team de fluviale kleiafzetting die onder het kwarts ligt gedateerd. Daaruit blijkt dat Amara West een eiland in de Nijl was toen de Egyptenaren en de Nubiërs het land bevolkten. De rivierafsplitsing is rond 1000 v.Chr. opgedroogd, waardoor het eiland met het vasteland werd verbonden.
Spencers collega, bioarcheoloog Michaela Binder, verbonden aan het Oostenrijkse Archeologische Instituut in Wenen, heeft ontdekt dat lichamen die hier begraven liggen jong zijn gestorven. ‘Mensen werden zelden ouder dan dertig,’ zegt Binder. Hun botten vertonen in veel gevallen putjes, een teken van ondervoeding. Veroorzaakt door mislukte oogsten, vermoedt Binder. Ze vond in ribben ook aanwijzingen van chronische longziektes door de met zand en stof vervuilde lucht. Het onderzoek zou erop kunnen wijzen dat de stad niet zozeer door oorlogen of slecht bestuur ten onder is gegaan, zoals eerdere hypothesen luidden, maar dat de bewoners door klimaatverandering zijn verdreven.
Nog altijd is Amara West door zandstormen onbewoonbaar. Spencers team verblijft op een nabijgelegen eiland in de Nijl. In de vroege ochtenduren, als het nog koud is, varen Spencer en zijn team onder de heldere sterrenhemel naar de opgraving. Ze beginnen zo vroeg omdat de wind rond het middaguur aanzwelt en zandwolken en kleine vliegjes aanvoert. Het team brengt hun vondsten niet alleen in kaart door middel van notities, tekeningen, video’s en modellen, ze laten ook vliegers op met digitale camera’s die iedere twee secondes foto’s nemen. Deze foto’s worden met behulp van een fotogrammetrische techniek gelinkt aan duizenden vanaf de grond genomen foto’s om een 3D-model te creëren. Bij terugkeer in Londen worden deze modellen geïmplementeerd in dezelfde software die voor het ontwikkelen van ‘first person shooter’-videogames wordt gebruikt.
Om tot een compleet beeld te komen, hebben archeologen tijd en geld nodig om de uitgestrekte, droge landvlaktes te ontsluiten. En dat is precies wat ontbreekt
Spencer laat me op zijn laptop de resultaten zien. Al scrollend navigeert hij door een buitenwijk die we eerder op de dag hebben bezocht. De gangen waar Spencer virtueel doorheen loopt zijn zo smal dat hij met zijn schouders langs de muren schampt. Hij betreedt een krappe ruimte met de buste van een man met een zwarte pruik en een rood geverfd gezicht. Het is een getrouwe afbeelding van Spencers vondst. Spencer verlaat de virtuele ruimte en scrolt dwars door de vloer om de oudere huizen te laten zien die het team onder de bovengelegen nederzetting, Egyptische stijl, heeft blootgelegd. Hij drukt op een toets en de viewer schiet omhoog, de lucht in. In vogelperspectief zien we de tamarisken en acaciabomen die hier destijds hebben gestaan, zoals microscoopanalyses van houtskool naast de stoffige oevers van de Nijl hebben uitgewezen. De interactieve graphics zijn te vinden op de website van het British Museum zodat mensen de archeologische site op hun gemak kunnen bekijken zonder een reis naar Soedan te hoeven maken. Digitale reconstructies van graftombes en piramides op andere plekken in Nubië zijn ook steeds vaker online te vinden, en veel archeologen die in Soedan werken schrijven blogs over hun ontdekkingen. Hun wetenschappelijke publicaties volgen later.
Ook is een verschuiving zichtbaar in de interpretatie van antiquiteiten, nu de projecten geleid worden door Soedanese archeologen die de vondsten door een Afrikaanse bril, en niet door de gebruikelijke Europese bril, bekijken. In de nabije toekomst zullen geschiedenisdocenten hun middelbareschoolleerlingen wellicht inspireren met verhalen over het oude Nubië en de Nubische schatten net zo bewieroken als de Egyptische, de Griekse en de Romeinse. Misschien zal de volgende generatie studenten Afrika bezuiden de Sahara niet zien als een negatieve ruimte zonder geschiedenis, maar als de bakermat van de mensheid, waar de eerste steden herrezen, met een rijke cultuur en onder centraal gezag.
Maar om tot een compleet beeld te komen, hebben archeologen tijd en geld nodig om de uitgestrekte, droge landvlaktes te ontsluiten. En dat is precies wat ontbreekt. ‘Archeologie is altijd een race tegen de klok,’ zegt Francigny. Alleen is de teloorgang van de schatten van Nubië extra dramatisch omdat ze nieuwe hoofdstukken aan de geschiedenis kunnen toevoegen. ‘Alle vondsten zijn van onschatbare waarde omdat we hiervoor niets wisten.’
Undark is een Amerikaans onlinetijdschrift over het snijvlak van wetenschap en samenleving, ‘de plek waar wetenschap zich doet gelden in de politiek, in de economie, voelbaar en wezenlijk wordt in ons leven van alledag’. Het magazine wordt gefinancierd door de onafhankelijke Knight Foundation. Artikelen uit Undark worden met regelmaat overgenomen door tijdschriften als The Atlantic,Mother Jones,Scientific American en Newsweek.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.