Tag: opsporing

  • De ontvoering van een Nederlandse narco onthulde een internationaal netwerk

    De ontvoering van een Nederlandse narco onthulde een internationaal netwerk

    In augustus 2020 werd de Nederlandse drugsbaron Jamal B., codenaam ‘Partymaster’, ontvoerd in Marbella – waarschijnlijk door rivalen. Onderschepte berichten van de handlangers die naar hem op zoek gingen, brachten de Nederlandse, Belgische en Franse politie op het spoor van een grensoverstijgend drugsnetwerk.

    Hij noemde zichzelf ‘Partymaster’. Volgens de Europese politie was de Nederlander bezig met grootschalige cocaïnehandel. Jamal B., 31 jaar oud, was een doelwit met ‘zeer hoog internationaal aanzien’ en een drugsbaron binnen de criminele groepen die bekendstaan als de Mocro Maffia, wat door zijn familie wordt betwist. Hij woonde in Dubai en Andalusië in Spanje en hield er een luxe levensstijl op na. Het was in Spanje, op de hoek van een klein straatje in de jachthaven van Puerto Banus in Marbella, dat zijn rijzende ster onder de narco’s doofde, toen hij op de avond van 22 augustus 2020 in zijn Mercedes-AMG terreinwagen terugkeerde van een avondje uit in een restaurant met zijn vrouw en kinderen.

    Onder het voorwendsel van een routinematige verkeerscontrole hielden acht mannen, vermomd als politieagenten, zijn voertuig aan, sleepten de bestuurder eruit, sloegen hem in elkaar en namen hem mee. Van Jamal B. is sindsdien niets meer vernomen. Zijn handlangers zijn hun Partymaster kwijt. Maar in narcokringen kan zo’n ontvoering niet lang onbeantwoord blijven.

    Zijn familie, die hem neerzet als een eerlijke zakenman met een succesvol vastgoedbedrijf, heeft zelf een onderzoek ingesteld met de hulp van een privédetective. Ze hebben een beloning van 100.000 euro uitgeloofd voor alle informatie die leidt naar de verblijfplaats van de vermiste jonge vader. Maar de familie is niet de enige die zich zorgen maakt. Ook zijn naaste contacten ondernemen actie op gecodeerde-berichtendiensten die ze gebruiken voor het organiseren van hun handel.

    De meesten van hen zijn Nederlandstalig, maar een handvol medewerkers wisselt informatie uit in het Frans. Toegang tot hun gesprekken, vastgelegd op bewakings- en geluidsopnames, leverde de politie bewijs van de samenwerking van Franse drugshandelaren met de Mocro Maffia. Die naam wordt gebruikt voor criminele groepen die deels bestaan uit Nederlanders van Marokkaanse afkomst die ooit begonnen in de cannabishandel en vervolgens overstapten naar de cocaïnehandel in Noord-Europa.

    Gewelddadige verdwijning

    De zaak toont de vele contacten aan tussen teams van criminelen met verschillende achtergronden die grensoverschrijdend werken, zakendoen of conflicten uitvechten – afhankelijk van het belang van de handel – en schetst de contouren van de geglobaliseerde georganiseerde misdaad.

    Gedurende enkele maanden hadden Nederlandse, Belgische en Franse rechercheurs toegang tot gesprekken tussen gebruikers van de versleutelde-berichtendienst EncroChat. Het was vooral via dit kanaal dat Jamal B. met de gebruikersnaam Partymaster – hij wordt ook wel ‘Lambo’ genoemd – orders gaf, bestellingen plaatste en toezicht hield op de beveiliging van de illegale handel die naar schatting enkele miljoenen euro’s per jaar bedroeg.

    Drie Franse handelaren waren het meest actief. Zij reageerden het snelst op de plotselinge verdwijning van hun Nederlandse collega. Mohamed A., alias ‘Stabblelizard’, is bekend bij rechercheurs van de drugsbestrijdingsdienst in Straatsburg. Vanuit zijn bolwerk in de Elzas is hij betrokken bij verschillende grote cocaïnetransacties. Hij was de eerste die voorstelde om een gewapend commando op te zetten om Partymaster op te sporen en te bevrijden. Karim H., bekend als ‘Serialscarab’, staat dicht bij de georganiseerde misdaad en opereert in de regio tussen Lyon en Zwitserland. Hocine C., bekend als ‘Pakwat’ of ‘Surealpinguin’, wordt ervan verdacht te hebben bijgedragen aan de business van het trio, door rekeningen te vereffenen en door zijn banden met partners in de Dominicaanse Republiek.

    ‘Help ons alsjeblieft, het is belangrijk wallah, we hebben geen informatie, ik denk dat het Fransen zijn’

    Op 23 augustus 2020 reageerde Mohamed A. op het nieuws dat Jamal B. was ontvoerd: ‘Salam, het is goed bro, ik heb je nodig. Ik denk dat ze Lambo hebben ontvoerd. Het gaat om een team nepagenten uit Marbella en probeer er alsjeblieft achter te komen wie het zijn of geef ze mijn contactgegevens. Zie je, ik kan onderhandelen met hen. Help ons alsjeblieft, het is belangrijk wallah [ik zweer het je], we hebben geen informatie, ik denk dat het Fransen zijn.’

    Om er zeker van te zijn, stapte Mohamed A. in zijn auto en ging op weg naar Andalusië. Hij had geen idee dat zijn zwarte Volkswagen Golf met GPS in de gaten werd gehouden door de Franse rechercheurs. Toen hij in Marbella aankwam, ontmoette hij Karim H. Samen stelden ze zich op de hoogte van de entourage van Jamal B. en probeerden ze het mysterie van zijn gewelddadige verdwijning te ontrafelen.

    ‘Zeer professioneel’

    Er komt wat informatie los over de ontvoering: de ontvoerders zouden 20 miljoen euro losgeld willen voor de vrijlating van Partymaster. Geruchten gingen eerst over ‘mensen uit Marseille’, toen over ‘Bulgaren’, voordat werd gespeculeerd over een ‘team uit Oost-Europa’. Vervolgens – met grotere zekerheid – over ‘een Fransman’, en zelfs de naam van Ridouan Taghi werd genoemd. Hij is de meest bekende en gevreesde figuur van de Mocro Maffia, en wordt ervan verdacht opdracht te hebben gegeven voor talrijke moorden, waaronder die op een advocaat en een journalist. Momenteel staat hij terecht in Amsterdam. Wie er ook achter zit, Karim H. schrijft: ‘Ze laten hem niet zomaar gaan.’

    Toen ze zich realiseerden dat EncroChat ‘gekraakt’ was, stapte de Franse groep in juni 2020 over op berichtendienst Sky ECC, waarbij ze ook hun pseudoniemen veranderden. Sky ECC werd daarna ook gedecodeerd door de politie. Uit de chats blijken ieders rol en activiteiten.

    ‘Zeer professioneel in het gebruik van hun communicatiemiddelen (PGP oftewel Pretty Good Privacy, een algoritme voor het versleutelen van gegevens) en hoog in de hiërarchie van drugshandelaren, zijn deze personen betrokken bij de massale invoer van verdovende middelen, via de rip-offmethode en het plaatsen van drugs in legale zendingen of door het gebruik van voertuigen uitgerust met een verborgen opslagruimte,’ is de conclusie in het politierapport over Hocine C., Karim H. en Mohamed A.

    De rechercheurs houden Mohamed A. nauwlettend in de gaten

    De drie Fransen besteden veel zorg aan vertrouwelijkheid en beveiliging. Ze waken erover zowel tijdens hun reizen – waarbij ze meerdere keren van auto wisselen – als tijdens hun ontmoetingen, die plaatsvinden in ondergrondse parkeergarages of benzinestations buiten het bereik van bewakingscamera’s. Maar de rechercheurs houden Mohamed A. nauwlettend in de gaten. In een paar maanden tijd maakt hij minstens twee reizen naar Nederland, voorafgegaan door de Peugeot 106 van een vriend als verkenningsvoertuig, met het oog op het terugbrengen van de ‘handel’ naar Frankrijk.

    Zijn Volkswagen Golf, uitgerust met afluisterapparatuur, is het middelpunt van frequente discussies over de toekomst van Partymaster, maar ook over witwasoperaties via vastgoedbedrijven (percelen grond, appartementen en dergelijke) en de doorverkoop van luxe auto’s. Dit alles voorziet de drie Fransen van een comfortabel inkomen.

    ‘De grootste vis van Europa’

    Maar deze winstgevende operaties, onder toezicht van Nederlandse groepen – en Partymaster in het bijzonder – weerhouden de Franse narco’s er niet van om ook hun sombere momenten te hebben. En die uiten ze op hun messaging-netwerk. ‘Het leven als handelaar is niet makkelijk, alleen in films lijkt het leuk,’ zegt Karim H. ‘Jij denkt dat de affs [gebeurtenissen] mogelijk door encro komen? Maar dan is het toch vreemd dat het niet in de krant staat,’ antwoordt Hocine C. ‘De telefoon van Lambo moet afgeluisterd zijn geweest,’ benadrukt Karim H., die ervan overtuigd is dat hij nu wordt beschouwd als ‘de grootste vis van Europa’. Op dezelfde dag zoeken ze op internet naar de straffen voor overtredingen begaan door een georganiseerde bende.

    Het trio is enigszins voorspelbaar: door hen zo op de voet te volgen, zien de rechercheurs kans om actie te ondernemen. Op 16 november 2021 verplaatst Karim H. zakjes drugs van kluis naar kluis in een ondergrondse parkeergarage in Schiltigheim, een buitenwijk van Straatsburg, als hij wordt aangehouden door politieagenten van de antidrugsbrigade.

    Volgens een smokkelaar uit Le Havre is Jamal B. ‘de man met het meeste geld in Europa’

    Volgens het parket van Parijs zijn tot nu toe negen mensen aangeklaagd in deze zaak, na een gerechtelijk onderzoek dat een jaar eerder, op 25 november 2020, begon. De meervoudige aanklachten betreffen georganiseerde invoer van drugs, drugshandel, criminele samenzwering, witwassen van drugsgeld en georganiseerde ontvoering.

    Terwijl het onderzoek in Parijs wordt voortgezet onder auspiciën van Junalco, de Franse nationale rechtbank belast met de strijd tegen de georganiseerde misdaad, is er in Spanje nog geen spoor van Partymaster gevonden. 

    De Spaanse krant El Confidencial onthulde dat in 2022 zes mannen – waaronder Franse staatsburgers die bij de Franse justitie vooral bekend waren vanwege wapenhandel – gearresteerd werden door de Andalusische politie. Door een procedurefout werden ze echter vrijgelaten. 

    De zaak wordt zeer nauwlettend gevolgd door zowel de autoriteiten als de rechercheteams. In een ander dossier noemt een smokkelaar uit Le Havre – die inmiddels op de vlucht is – Jamal B. ‘de man met het meeste geld in Europa’.

    Lees ook:

  • Een ongelooflijk verhaal

    Een ongelooflijk verhaal

    Een achttienjarig meisje vertelt dat ze is verkracht onder bedreiging met een mes. Vervolgens zegt ze dat ze het allemaal heeft verzonnen. Daar begint dit verhaal, dat werd bekroond met een Pulitzerprijs 2016.

    12 MAART 2009

    Lynnwood, Washington

    Er komt die dag niemand met haar mee naar de zitting, behalve haar pro-deoadvocaat. 
Ze is achttien jaar, haar wordt een ernstige overtreding ten laste gelegd, waarvoor ze tot een 
jaar gevangenisstraf kan krijgen.

    Overtredingen krijgen meestal maar weinig aandacht. Haar zaak is een van de 4859 zaken die in 2008 zijn voorgekomen in de Lynnwood Municipal Court, een rechtbank die tot doel heeft ‘om mensen zich beter 
te laten gedragen – om Lynnwood een prettigere, veiligere en gezondere plek te maken om te wonen, te werken, te winkelen en te recreëren’.

    Maar haar overtreding heeft de kranten gehaald en daarmee komt de nieuwsgierigheid los, maar ook, wat erger is, de hoon. De zaak maakt korte metten met de onlangs verworven onafhankelijkheid die 
zo belangrijk voor haar is na een geschiedenis van pleeggezinnen. De zaak maakt korte metten met haar gevoel van eigenwaarde. Elke keer dat de telefoon begint te rinkelen lijkt er weer iemand de vriendschap te willen opzeggen. Een vriendin uit 
de eindexamenklas belt op met de vraag: Hoe kun je over zoiets liegen? Marie – zo heet ze, Marie – zegt geen woord. Ze luistert alleen maar, hangt dan op. Zelfs haar pleegouders beginnen aan haar te twijfelen. Ze begint aan zichzelf te twijfelen, vraagt zich 
af of er misschien iets mis is met haar.

    Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest

    Ze heeft aangifte gedaan van verkrachting, in haar eigen appartement, door een man die haar heeft vastgebonden en een prop in haar mond heeft gedaan. Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest. Vervolgens geeft ze toe het hele verhaal te hebben verzonnen. Een nieuwszender laat weten: ‘Een vrouw in West-Washington heeft toegegeven dat ze het verhaal 
over een verkrachting eerder deze week uit haar duim heeft gezogen.’ Vervolgens wordt ze aangeklaagd voor het doen van een valse aangifte. Dat is de reden dat ze in de rechtbank moet verschijnen, waar ze 
al dan niet op een schikkingsvoorstel kan ingaan.

    Haar advocaat is verbaasd dat ze is aangeklaagd. Haar verhaal heeft niemand geschaad – er is niemand opgepakt, er is zelfs niemand verhoord. Hij gokt dat de politie zich geschoffeerd voelt. De politie vindt 
het niet fijn om haar tijd te verdoen.

    Het aanbod van de openbaar aanklager is als volgt: als Marie zich het komende jaar aan bepaalde voorwaarden houdt, wordt de aanklacht ingetrokken. 
Ze moet psychologische hulp zoeken omdat ze heeft gelogen. Ze komt voorwaardelijk vrij, maar zal onder toezicht staan. Ze moet zorgen dat ze niet in de fout gaat, dat ze geen wetten overtreedt. En ze moet 500 dollar betalen voor de gerechtelijke kosten.

    Marie wil niets liever dan dit alles achter zich laten. Ze gaat in op het schikkingsvoorstel.

    5 JANUARI 2011

    Golden, Colorado

    Iets na enen op een winterse dag in januari 2011 loopt rechercheur Stacy Galbraith naar een rij eentonige appartementencomplexen, op een flauwe helling in een voorstad van Denver. Op de grond ligt her en der wat sneeuw. Het is winderig 
en vrieskoud. Ze is hier omdat er aangifte is gedaan van een verkrachting.

    Galbraith ziet het slachtoffer staan in een waterig zonnetje voor de deur van haar appartement op de begane grond. Ze is jong, gekleed in een bruine, 
lange jas. In haar ene hand heeft ze een tas met 
spullen. Ze ziet er kalm uit, onaangedaan. Galbraith stelt zichzelf voor. Overal in het appartement zijn mensen van de forensische dienst in de weer. 
Galbraith stelt voor om samen met het slachtoffer 
in een anonieme politieauto te gaan zitten die even verderop staat, zodat ze enige beschutting hebben tegen de ijzige wind.

    De vrouw vertelt Galbraith dat ze 26 is, dat ze een technische opleiding volgt aan een nabijgelegen 
college en dat ze nu vakantie heeft. De vorige avond was ze alleen thuis geweest. Nadat ze een bonenschotel had gemaakt als avondeten, ging ze lekker in bed naar een paar afleveringen kijken van Desperate Housewives, gevolgd door The Big Bang Theory. Uiteindelijk was ze in slaap gesukkeld. Om een uur of acht schrok ze wakker doordat er een man op haar rug dook, die haar tegen de matras drukte. Hij droeg 
een zwart masker, een soort sjaal die hij om zijn hoofd had gebonden. Hij had een pistool in zijn hand, zilverkleurig met zwart. ‘Niet gillen. Eén kik en je bent er geweest,’ zei hij tegen haar.

    Hij wist precies wat hij deed. Hij bond haar handen losjes op haar rug. Uit een grote, zwarte tas haalde hij lange kousen, doorzichtige plastic pumps met roze strikken, glijmiddel, een doosje vochtige doekjes en een flesje water. In de vier uur die volgden verkrachtte hij haar herhaaldelijk. Hij legde het allemaal vast met een digitale camera en dreigde de beelden online te zetten als zij naar de politie zou gaan. Na afloop zei hij dat ze haar tanden moest poetsen en moest douchen. Tegen de tijd dat ze uit de badkamer kwam, was hij verdwenen. Hij had al haar beddengoed 
meegenomen. Eén uiterlijk kenmerk stond haar haarscherp voor de geest: een donkere plek op zijn linkerkuit, zo groot als een ei.

    DNA

    Geschokt hoort Galbraith de vrouw aan. De verkrachting is zo beestachtig; de dader zo bedreven. Er is geen tijd te verliezen. Galbraith zit vlak naast de vrouw, voor in de auto, en ze haalt voorzichtig een paar 
wattenstaafjes over het gezicht van de vrouw om eventueel DNA-materiaal te verzamelen. Vervolgens brengt ze haar naar het St. Anthony North-ziekenhuis. De vrouw krijgt een speciaal medisch-forensisch onderzoek om nog meer DNA-bewijsmateriaal te vergaren. Voor ze met de verpleegster meegaat 
zegt Galbraith: ‘Ik vermoed dat hij dit eerder heeft gedaan.’

    Galbraith keert terug op de plaats delict. Er zijn een handvol agenten en mensen van de forensische dienst bezig. Ze doen buurtonderzoek, maken foto’s in het appartement, keren vuilnisbakken ondersteboven, zoeken overal naar DNA-materiaal, op de muren, op de ramen. Ze zien voetsporen in de sneeuw, die van en naar de achterkant van het appartement lopen, over een kaal terrein. Ze spuiten fluorescerende oranje verf in de voetstappen, zodat ze duidelijk te zien zijn, en maken foto’s. Het is allemaal niet veel. Maar beter dan niets. Een van de agenten zegt dat hij naar het toilet wil. ‘Niets daarvan, gewoon doorwerken!’ zegt Galbraith.

    Als Galbraith die avond naar huis gaat, blijft ze maar malen. ‘Wie is deze man?’ vraagt ze zich af. ‘Hoe krijg ik hem te pakken?’ Galbraith neemt geregeld verkrachtingszaken op zich. Ze is zelf getrouwd, heeft kinderen. Ze kan zich goed inleven in de slachtoffers, die in overgrote meerderheid vrouw zijn. De meesten zijn verkracht door een vriendje of een oude vlam, 
of door iemand die ze hebben ontmoet in het uitgaansleven. In deze gevallen draait het vaak om de vraag of de vrouw al dan niet heeft ingestemd. Heeft de vrouw ‘ja’ gezegd? Vaak een lastige vraag voor zowel politie als openbaar ministerie. Een jury zal niet zomaar iemand naar de gevangenis sturen als het zijn woord is tegen dat van het slachtoffer. Verkrachting door een onbekende komt veel minder vaak voor – slechts in zo’n 13 procent van de gevallen. Maar goed, nu is er het verhaal van deze vrouw. Vertelt ze de waarheid? Of is het een verzinsel, om een uit de hand gelopen seksueel avontuur goed te praten?

    Rechercheur Stacy Galbraith heeft de leiding in de verkrachtingszaak in Golden, Colorado. Ze luistert aandachtig naar het slachtoffer. – © Benjamin Rasmussen
    Rechercheur Stacy Galbraith heeft de leiding in de verkrachtingszaak in Golden, Colorado. Ze luistert aandachtig naar het slachtoffer. – © Benjamin Rasmussen

    In die zin zijn verkrachtingszaken onvergelijkbaar met de meeste andere misdrijven. Er wordt niet alleen geoordeeld over de vraag of de beklaagde schuldig is, maar ook over de vraag in hoeverre het slachtoffer geloofwaardig is. En op het lange, precaire traject van misdrijf naar veroordeling is het de politie die als eerste de feiten weegt. Het is aan de rechercheur om erachter te komen of het slachtoffer al dan niet de waarheid spreekt.

    Galbraith heeft een eenvoudige stelregel: luisteren en verifiëren. ‘Er wordt vaak gezegd: je moet je slachtoffer geloven, je moet je slachtoffer geloven,’ aldus Galbraith. ‘Maar ik geloof niet dat dat de juiste insteek is. Volgens mij gaat het erom dat je naar je slachtoffer moet luisteren. En dan in het verhaal meegaan, of het weerleggen, al naar gelang het 
verdere verloop.’

    Als ze thuiskomt, heeft haar man David de afwas gedaan en de kinderen naar bed gebracht. In de woonkamer laten ze zich ieder op een bank ploffen. Galbraith vertelt wat er die dag is gebeurd. De verkrachter is slim te werk gegaan, hij heeft geprobeerd alle DNA-sporen op de plaats delict te wissen. Voor hij vertrok heeft hij de studente laten zien hoe hij binnen is gekomen, via een glazen schuifdeur. Hij heeft gezegd dat ze het beste een balkje in de sponning kan leggen om toekomstige indringers buiten de deur te houden. Het slachtoffer heeft hem omschreven als een gentleman, zegt Galbraith. Het zal nog knap lastig worden om hem te pakken te krijgen, denkt ze.

    David Galbraith is wel gewend aan dit soort naargeestige verhalen. Ze werken tenslotte allebei bij de politie. Hij werkt in Westminster, zo’n 20 kilometer naar het noordoosten. Golden en Westminster zijn slaapsteden, ingeklemd tussen de wolkenkrabbers in het centrum van Denver en de oprijzende Rockies.

    Dit keer is het anders dan anders. Terwijl David het verhaal aanhoort, komen de details van de zaak hem onrustbarend bekend voor. Hij zegt tegen zijn vrouw dat ze de volgende ochtend meteen contact moet opnemen met het bureau waar hij werkt. ‘Wij hebben er precies zo een,’ zegt hij.

    Lynnwood, Washington

    Ze weet niet of ze op de kleuterschool heeft gezeten.

    Ze weet dat ze honger heeft geleden en hondenvoer heeft gegeten.

    Ze zegt dat ze op haar zesde of zevende onder pleegzorg is komen te vallen.

    Het rapport over Marie – opgesteld door een psychologisch expert die vijf uur lang met haar heeft gepraat – is opgetekend met een klinische afstandelijkheid, en het gaat met name over haar leven voordat ze werd ondergebracht bij pleeggezinnen…

    Ze heeft haar biologische vader slechts één keer gezien.

    Ze zegt dat ze maar weinig weet over haar biologische moeder, die Marie naar eigen zeggen geregeld achterliet bij allerlei vriendjes.

    Ze is zowel seksueel als lichamelijk mishandeld.

    … en daarna: volwassenen, verzorgenden en hulpverleners die komen en gaan, enkele schokkende ervaringen, al dan niet gepaard gaand met misbruik, en een algeheel gebrek aan stabiliteit.

    ‘Ik ben als kind heel veel verhuisd,’ zegt Marie in een interview. ‘Ik heb ook in groepsverband gewoond. Dat laatste twee keer, en ik denk in een stuk of tien, elf pleeggezinnen.’

    ‘Ik gebruikte een stuk of zeven verschillende drugs. En Zoloft is een drug voor volwassenen – dat gebruikte ik op mijn achtste.’

    Marie heeft twee halfbroers en een halfzus van moeders kant. Soms werd ze samen met haar broers en 
haar zus in een pleeggezin geplaatst. Maar meestal werden de kinderen uit elkaar gehaald.

    Niemand legde haar ooit echt uit waarom ze moest verhuizen, of wat er aan de hand was. Ze moest gewoon weer ergens anders heen.

    Toen Marie de puberleeftijd bereikte, leek er een einde te komen aan de jaren van onrust. Haar pleegouders wilden haar adopteren. ‘Ik was echt dol op die mensen en ik maakte veel vrienden,’ zegt Marie.

    Veel kinderen zien als een berg op tegen de eerste dag op de middelbare school. Marie stond echt te popelen. Ze mocht alle vakken volgen die ze wilde. 
Ze had vriendinnen. Ze had eindelijk het gevoel dat ze erbij hoorde.

    Maar op die eerste dag kwam er een maatschappelijk werkster naar school om Marie te vertellen dat het pleeggezin niet langer als zodanig mocht functioneren. Marie kon niet langer bij hen blijven wonen. 
De maatschappelijk werkster kon er verder niets over zeggen.

    ‘Ik moest vooral heel hard huilen,’ zegt Marie. ‘
Ik kreeg iets van twintig minuten om mijn spullen 
te pakken en te vertrekken.’

    In afwachting van een structurelere oplossing trok Marie in bij Shannon McQuery en haar man in Bellevue, een welvarende hightechvoorstad van Seattle. Shannon, een makelaar die al langere tijd pleegkinderen in huis had, kende Marie van bijeenkomsten voor kinderen met een moeilijke achtergrond, en ze voelde zich op een bepaalde manier met Marie verwant.

    Shannon en Marie waren allebei ‘een beetje maf’, om Shannons eigen woorden te gebruiken. ‘We konden om elkaar lachen en we hadden veel lol samen. We leken in veel dingen op elkaar.’ Ondanks alles wat Marie had doorgemaakt was ze niet verbitterd, zegt Shannon. Ze hield contact met eerdere pleeggezinnen. Ze was prima in staat om een gesprek te voeren met volwassenen. Ze ging ’s ochtends zonder problemen naar school.

    ‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien’

    Maar al was Shannon nog zo dol op Marie, ze wist ook dat ze niet zou kunnen blijven, omdat ze al een ander pleegkind in huis hadden dat erg veel aandacht behoefde. ‘We vonden het echt heel erg dat we haar niet bij ons konden houden,’ zegt Shannon.

    Na een paar weken bij Shannon te hebben gewoond ging Marie naar Peggy Cunningham, die als kinderadvocaat werkte in de daklozenopvang. Ze woonde in Lynnwood, een kleinere voorstad op zo’n 20 kilometer ten noorden van Seattle. Marie was Peggy’s eerste pleegkind.

    ‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien,’ zegt Peggy lachend. ‘Maar het was prima. Ik heb een achtergrond in de geestelijke gezondheidszorg en ik had jaren en jaren met kinderen gewerkt. Waarschijnlijk dachten ze bij jeugdzorg: Zij kan het wel aan. Zodoende.’

    In het begin wilde Marie helemaal niet bij Peggy wonen. Marie was gewend aan andere kinderen om zich heen. Peggy had geen kinderen. Marie was dol op honden. Peggy had twee katten. ‘In het begin botsten we nogal,’ zegt Marie. ‘Ik was niet bepaald 
de makkelijkste. Ik heb het gevoel dat mensen vaak een ander beeld van mij hebben dan ikzelf.’

    Peggy, die een vuistdik rapport had gekregen over Maries achtergrond, stond er eigenlijk van te kijken hoe goed ze het deed. Marie had belangstelling voor jongens, tekenen en muziek – of het nou popmuziek, country of gospel was. ‘Ze was heel vrolijk en een en al energie, maar er waren ook momenten dat ze heel geladen was,’ zegt Peggy. Marie wilde niets liever dan erbij horen, wat voor vrijwel alle kinderen geldt. Ze wilde per se een heel vrouwelijke, witte jas met een bontkraag hebben, omdat ze dacht dat meisjes er zo bij hoorden te lopen, maar toen dat niet het geval bleek te zijn, liet ze de jas in de kast hangen.

    Peggy begreep algauw dat de middelbare school waar Marie op zat niet echt geschikt voor haar was – ‘echt van die meidenkliekjes,’ aldus Peggy – en ze ging op zoek naar een school die beter bij haar paste. Daar had Marie het naar haar zin. Ze onderhield nauw contact met Shannon, die grappend zei dat Peggy en zij Marie samen opvoedden – Shannon voor de leuke dingen (laten we lekker gaan varen) en Peggy voor de regels (ik wil dat je zo en zo laat thuis bent).

    Prettig gezelschap

    Via via leerde Marie Jordan Schweitzer kennen, een scholier die een bijbaantje had bij McDonald’s. Uiteindelijk kregen ze verkering. ‘Ze was gewoon heel prettig gezelschap. Het was altijd leuk om met haar te praten,’ zegt Jordan.

    Volgens Marie zelf was de gelukkigste tijd van haar leven zo rond haar zestiende, zeventiende, en de gelukkigste dag van haar leven was misschien wel 
de dag die ze doorbracht met haar beste vriendin, 
die ook in de bovenbouw zat en haar de fijne kneepjes van het fotograferen bijbracht.

    ‘Ik kon echt uren op het strand zitten om naar de ondergaande zon te kijken. Ik deed niets liever. Ze heeft een foto genomen die ik echt prachtig vind. 
We waren naar het strand gegaan, het was een uur 
of zeven ’s avonds, ik weet niet wat ons bezielde, maar ik ging het water in, sprong op uit de golven 
en gooide mijn haar naar achteren.’

    Marie maakte haar school niet af maar probeerde in plaats daarvan een soort staatsexamen te doen. Ze was zeventien en ging tot diep in de nacht uit, wat Peggy zorgen baarde. Er ontstonden spanningen in huis. In het voorjaar van 2008 werd Marie achttien. Ze kon bij Peggy blijven wonen, als ze zich aan bepaalde regels zou houden. Maar Marie wilde op zichzelf gaan wonen.

    Op internet stuitte Peggy op een programma dat onlangs in het leven was geroepen: Project Ladder. Het was het jaar daarvoor opgezet om jongvolwassenen die in pleeggezinnen waren opgegroeid te helpen met de overgang naar een zelfstandig bestaan. Projectmedewerkers zouden de deelnemers bij de hand nemen en ze leren wat de valkuilen waren bij dingen als boodschappen doen, omgaan met een creditcard of een verzekering afsluiten. ‘De spelregels van het leven,’ noemt Marie het. Een van de mooie dingen van Project Ladder was dat men ook zorgde voor gesubsidieerde woonruimte, met voor iedere deelnemer een tweekamerappartementje. ‘Het was een godsgeschenk,’ zegt Peggy.

    Er waren maar een paar plekken, maar Marie wist een plekje te bemachtigen. Ze vond het wel een beetje eng, maar alle huiver werd overwonnen door een gevoel van trots. Ze nam haar intrek in de Alderbrooke Apartments, een rustiek complex dat adverteert met een nabijgelegen winkelcentrum en uitzicht op de watervallen. Marie kreeg ook haar eerste baantje, 
bij [groothandelsketen] Costco, waar ze de klanten bepaalde producten mocht laten proeven. Ze zat er niet mee om zes uur onafgebroken op de been te zijn. Ze vond het leuk om met mensen te kletsen, zonder de druk om iets te moeten verkopen.

    Veel kinderen die uit huis zijn geplaatst raken aan de drugs of belanden in de gevangenis. Maar Marie was er goed doorheen gekomen. ‘Het was fijn om zelfstandig te wonen, zonder alle regels die je in pleeggezinnen hebt,’ zegt Marie. ‘Dit was echt vrijheid. Het was te gek.’

    6 JANUARI 2011

    Golden, Colorado

    De ochtend na de verkrachting in Golden haast Galbraith zich naar haar werk om de tip van haar man na te trekken. Om 9:07 uur stuurt ze een mail naar de politie in Westminster. 
De onderwerpregel is de klemmende vraag: ‘Overeenkomsten verkrachtingszaken?’

    Rechercheur Edna Hendershot in Westminster is net aan haar bureau gaan zitten nadat ze, zoals gebruikelijk, langs Starbucks is gereden voor een Venti, upside-down, skinny caramel macchiato. Ze leest de e-mail, en haar gedachten gaan terug naar vijf maanden eerder, een frisse dinsdag in augustus 2010. In verband met de aangifte van een verkrachting gaat ze naar een appartementencomplex in een arbeiderswijk in het noordwesten van haar stad. Daar vertelt een 59-jarige vrouw dat ze thuis lag te slapen toen er ineens een man boven op haar sprong. Hij droeg een zwart masker. Hij bond haar handen vast. Hij pakte haar roze Sony Cyber-shot-camera en maakte foto’s van haar. Na afloop zei hij dat ze onder de douche moest gaan. Hij zette een keukenwekker zodat ze wist wanneer ze onder de douche vandaan mocht komen. ‘Ik denk niet dat je in de toekomst je ramen nog open laat staan,’ zei de indringer tegen de vrouw, van wie onlangs de man was overleden.


    Krachten bundelen

    Er is meer. Hendershot herinnert zich dat tijdens het onderzoek naar deze zaak een agent haar wees op een voorval in oktober 2009, in Aurora, een voorstadje aan de andere kant van Denver. Destijds had een 65-jarige vrouw de politie verteld dat ze in haar 
eigen huis was verkracht door een man die een zwart sjaaltje om zijn gezicht had geknoopt. Hij had foto’s genomen en gedreigd die op internet te zetten. Tijdens de aanval mepte hij een gele teddybeer van een tafel in haar slaapkamer. ‘Je moet hulp zoeken,’ had de vrouw gezegd, die huismoeder was bij een studentensociëteit. ‘Daar is het al te laat voor,’ had de man geantwoord.

    Rechercheurs willen een zaak soms voor zich houden, uit angst dat er bepaalde details uitlekken die het onderzoek in gevaar kunnen brengen. Ze zijn zich soms niet eens bewust van het bestaan van de FBI-database die jaren geleden is opgezet om recidivisten te pakken, of ze maken er domweg geen gebruik van. Uit onderzoeken blijkt dat het bij een kwart tot 
twee derde van de verkrachters niet om een eenmalig misdrijf gaat.

    Hendershot ziet gelukkig meteen de meerwaarde van samenwerking en de inzet van alle mogelijke middelen. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ zegt ze. Galbraith denkt 
er precies zo over. Haar korps is betrekkelijk klein – niet veel meer dan veertig agenten voor een stadje met twintigduizend inwoners. Niets ligt meer voor de hand dan de krachten te bundelen. ‘Ik heb er geen moeite mee om hulp in te roepen,’ zegt Galbraith. ‘Laten we alles op alles zetten om hem te pakken.’

    Een week later zitten Galbraith, Hendershot en rechercheur Scott Burgess uit Aurora samen aan een vergadertafel op het politiebureau van Westminster. Ze leggen hun bevindingen naast elkaar. De beschrijvingen van de verkrachter komen overeen. Net als zijn werkwijze. En er is nog een houvast: de vrouw in de zaak van Galbraith is gedurende de hele, afschuwelijke ervaring scherp gebleven, heeft geprobeerd zo veel mogelijk details te onthouden. Het fototoestel dat de verkrachter gebruikte staat haar scherp voor de geest. Een roze, digitale Sony-camera – een omschrijving die overeenkomt met het toestel dat is gestolen uit het appartement van het slachtoffer in Westminster.

    Galbraith en Hendershot ontmoeten elkaar voor het eerst op die bespreking. De jacht op de verkrachter smeedt een sterke band tussen de twee rechercheurs – beide vrouwen functioneren in een mannenwereld. In Amerika bestaat het politieapparaat voor gemiddeld zo’n 13 procent uit vrouwen. Het is nog altijd een echt mannenbolwerk, vaak met een hiërarchische en militaristische structuur. Maar de beide vrouwen hebben zich een plaats weten te verwerven binnen deze organisatie. Ze zijn opgeklommen.

    Edna Hendershot heeft in haar loopbaan al meer dan honderd verkrachtingszaken onderzocht, als ze de krachten bundelt met Galbraith. – © Benjamin Rasmussen
    Edna Hendershot heeft in haar loopbaan al meer dan honderd verkrachtingszaken onderzocht, als ze de krachten bundelt met Galbraith. – © Benjamin Rasmussen

    Het klikt meteen tussen beide vrouwen. Ze dragen allebei het hart op de tong. Ze maken veel grappen 
en zijn goedlachs. Galbraith is jonger. Ze is een en al energie. ‘Die stormt met 150 kilometer per uur een bepaalde kant op,’ zegt een collega. Hendershot 
heeft meer ervaring. Ze heeft al meer dan honderd verkrachtingszaken gedaan. Ze is behoedzaam, onvermoeibaar, precies – de vrouwen vullen elkaar perfect aan. ‘Met 150 kilometer per uur zie je soms bepaalde broodkruimels over het hoofd,’ aldus dezelfde collega.

    De aanvankelijke pogingen om de verkrachter op te sporen leveren weinig op. De politie in Galbraith weet beelden te bemachtigen van een beveiligingscamera waarop de ingang is te zien van het gebouw waar Galbraiths slachtoffer is belaagd. Een collega-rechercheur bekijkt meer dan twaalf uur korrelig beeldmateriaal. Hij registreert heel nauwgezet 261 auto’s en mensen die in de nacht van het voorval 
zijn gekomen of gegaan. Er is één aanwijzing die misschien bruikbaar is. In de uren vlak voordat de zon opkomt, duikt tot tien keer toe een witte Mazda pick-up op in de beelden. Misschien de verkrachter die wachtte tot de vrouw in slaap was gevallen? Maar pogingen om de eigenaar van de auto te 
achterhalen zijn vruchteloos. Het nummerbord is onleesbaar.

    In de weken die volgen lopen steeds meer sporen dood. Hendershot probeert het met de database die is bedoeld om verkrachters te pakken door zaken in verschillende jurisdicties aan elkaar te koppelen. Het levert enkele doodlopende sporen op. De frustratie neemt toe. ‘Hij gaat nog een slachtoffer maken,’ sombert Galbraith.

    Honingraatmotief

    Eind januari besluiten de rechercheurs dat ze hun onderzoeksterrein moeten verbreden. Hendershot vraagt een van de misdaadanalisten van haar korps om bij andere korpsen naar soortgelijke misdrijven 
te speuren. De analist stuit op een incident in Lakewood, ook een voorstad van Denver, dat ongeveer een maand voor de verkrachting in Westminster heeft plaatsgevonden. Destijds heeft de politie de zaak afgedaan als een inbraak. Maar in dit nieuwe licht bezien heeft het veel weg van een mislukte poging tot verkrachting, en de dader vertoont veel overeenkomsten met de beschrijving van de verkrachter. De analist stuurt Hendershot een berichtje. ‘Ik moet je spreken.’

    In het rapport staat te lezen hoe een 46-jarige kunstenares in haar eigen huis is belaagd door een man met een mes. Hij draagt een zwart masker. Hij probeert haar polsen vast te binden. Maar als de man even de andere kant op kijkt, springt de vrouw uit haar slaapkamerraam. De val van bijna drie meter levert haar drie gebroken ribben en een klaplong op, maar ze weet te ontkomen.

    Op de plaats delict treffen onderzoekers enkele sporen die heel misschien als bewijsmateriaal kunnen dienen. Vlak voor het misdrijf zijn er zware buien gevallen. In de zompige grond onder het slaapkamerraam van de vrouw vindt de politie voetafdrukken. Op het raam zien ze een honingraatmotief.

    Een honingraatmotief. Hendershot gaat ermee aan de slag. De onderzoekers in Westminster hebben soortgelijke afdrukken aangetroffen op het raam van het appartement van het slachtoffer. Hendershot laat de afdrukken vergelijken. De afdrukken van beide plaatsen delict komen overeen. Ze lijken ook overeen te komen met de afdrukken van een stel Under Armour-handschoenen die een rechercheur in Lakewood, heel toevallig, bij Dick’s Sporting Goods heeft gezien.

    Galbraith laat de voetafdrukken natrekken die in Lakewood zijn aangetroffen. Ze komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw bij het appartement van haar slachtoffer in Golden. Ze stuurt afdrukken van de schoenen naar crimeshoe.com, een website die beweert een onderzoek vooruit te kunnen helpen door ‘in één simpele stap’ van een niet nader geïdentificeerde voetafdruk op een plaats delict te komen tot zeer gedetailleerde informatie over de schoen in kwestie. De site, die inmiddels ter ziele is, laat weten dat de afdrukken afkomstig zijn van de Adidas ZX 700 mesh, een schoen die in maart 2005 op de markt is gekomen.

    Er ontstaat een hechte samenwerking: wanneer rechercheur Stacy Galbraith en brigadier Edna Hendershot tot de conclusie komen dat de verkrachtingen het werk zijn van een veelpleger, zoeken ze de samenwerking met andere rechercheurs in Colorado teneinde hem te pakken te krijgen. ‘Twee mensen, 
of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ aldus Hendershot.

    De man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent

    Eind januari 2011 hebben de rechercheurs vier verkrachtingen met elkaar in verband gebracht, allemaal gepleegd in voorsteden van Denver, in een periode van vijftien maanden. Het spoor begint in Aurora, ten oosten van Denver, op 4 oktober 2009, met de 65-jarige vrouw. Dan wordt het negen maanden later weer opgepikt, zo’n 35 kilometer naar het westen, waar de verkrachter de kunstenares in Lakewood belaagt. Weer een maand later wordt de 59-jarige vrouw verkracht in Westminster, zo’n 15 kilometer noordelijker. En tot slot, in januari 2011, volgt de aanval op de 26-jarige vrouw in Golden, dik 20 kilometer ten zuidwesten van Westminster. Als je een kaart zou tekenen, is het bijna alsof de verkrachter vanuit Denver alle windrichtingen heeft willen bestrijken.

    Galbraith en Hendershot proberen door middel van DNA-materiaal de verkrachter te identificeren. Ze hebben de plaatsen delict aan een grondig onderzoek onderworpen. De forensische dienst zoekt naar sporen op ramen, deurkrukken, zelfs op stortbakken van de wc – alles wat de verkrachter maar kan hebben aangeraakt.

    Maar de man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent. Hij weet hoe hij moet zorgen dat hij geen DNA-materiaal achterlaat. Hij gebruikt vochtige doekjes om zijn sperma 
weg te vegen. Hij gebiedt de vrouwen te douchen. Hij neemt hun kleren en beddengoed mee als hij weggaat.
    Hij is heel nauwgezet. Maar niet onfeilbaar. De verkrachter heeft minieme sporen achtergelaten. De technici weten drie monsters van zogeheten ‘touch DNA’ veilig te stellen – slechts zeven of acht huidcellen die met behulp van moderne laboratoriumtechnieken kunnen worden geanalyseerd.

    Een van de monsters is afkomstig uit de keuken in Westminster. Een tweede monster is afkomstig van het slachtoffer in Golden. Een derde van de teddybeer in Aurora.

    11 AUGUSTUS 2008

    Lynnwood, Washington

    Net even voor negen uur op een maandagochtend reageren twee politiemannen in Lynnwood op een melding van een verkrachting in de Alderbrooke Apartments. Er zijn al een aantal agenten ter plaatse om de plaats delict veilig te stellen. Buiten staat een agent van de hondenbrigade. De hond probeert een geur op te pikken. 
De politiemannen, brigadier Jeffrey Mason en Jerry Rittgarn, hebben het slachtoffer, Marie, op de bank aangetroffen, onder een deken, zo nu en dan huilend. Haar pleegmoeder, Peggy Cunningham, is bij haar. Ook Wayne Nash is aanwezig, haar case manager 
van Project Ladder.

    Marie, die net drie maanden daarvoor achttien is geworden, vertelt de politie dat ze een groot deel van de avond met haar vriendje Jordan aan de telefoon heeft gezeten. Nadat ze eindelijk in slaap is gevallen, schrikt ze wakker van een man met een mes – die haar vervolgens vastbindt, blinddoekt, een prop in haar mond doet en haar verkracht. Volgens haar gebruikte de man een condoom. Over hoe haar belager eruitzag kan Marie maar weinig zeggen. Blanke man, grijze trui. Ze heeft het idee dat de verkrachting heel lang duurde, zegt Marie tegen de politie, maar ze weet het niet zeker. Het is allemaal een grote waas.

    Richtlijnen

    Marie zegt dat ze, nadat de verkrachter eenmaal is vertrokken, met haar voet een schaar uit de onderste la van een kast heeft weten te halen en zichzelf heeft weten te bevrijden, waarna ze Jordan heeft gebeld. Jordan nam niet op, dus heeft ze haar pleegmoeder gebeld en vervolgens de bovenbuurvrouw, die meteen naar beneden is gekomen en het alarmnummer heeft gebeld.

    Mason, die op dat moment 39 is, heeft tot dan toe voornamelijk gepatrouilleerd en drugszaken gedaan. Zijn langste betrekking was bij een klein korps in Oregon, waar hij bijna negen jaar heeft gewerkt en een onderscheiding heeft gekregen voor betoonde moed. Hij komt in 2003 te werken in Lynnwood, bij de narcoticabrigade. Zes weken voordat de melding van Marie binnenkomt, wordt hij gepromoveerd tot brigadier – en overgeplaatst naar de recherche. Tot nog toe heeft hij slechts meegewerkt aan een of twee verkrachtingszaken. Bij deze zaak moet hij de leiding nemen.

    Rittgarn werkt al elf jaar bij het korps, de laatste 
vier jaar als rechercheur. Hij heeft eerder gewerkt 
als technicus in de ruimtevaartindustrie. Daarvoor werkte hij bij het korps mariniers, als specialist helikopterelektronica.

    Het politiekorps van Lynnwood heeft 79 beëdigde agenten, op een inwonertal van rond de 34.000. In 2008 is Maries zaak een van de tien aangiften van verkrachting die bij het korps binnenkomen; met 
zo weinig meldingen beschikt het korps niet over een apart team voor seksuele geweldsmisdrijven.

    Tegen de tijd dat Marie aangifte doet, hebben 
specialisten in seksueel geweld allerlei protocollen opgesteld waarin wordt benoemd waar de problemen en de gevoeligheden schuilen bij het onderzoek 
naar een verkrachtingszaak. In deze richtlijnen, 
die voor alle politiekorpsen beschikbaar zijn, komen veelgemaakte vergissingen aan de orde.

    Zoals in een van de richtlijnen staat, moeten de onderzoekers er niet van uitgaan dat het slachtoffer per definitie hysterisch is in plaats van kalm, dat ze duidelijk zichtbare tekenen van lichamelijke verwondingen vertoont of dat ze in staat is alles tot in detail te beschrijven. Sommige slachtoffers halen details door elkaar of zullen zelfs terugkomen op 
hun woorden. De politie moet ook vooral niet denken in stereotypen – dat een volwassen slachtoffer geloofwaardiger is dan een puber, bijvoorbeeld.
    De politie moet de slachtoffers niet verhoren of 
dreigen met het gebruik van een leugendetector. 
Een leugendetectortest is met name onbetrouwbaar wanneer mensen getraumatiseerd zijn, en kan het vertrouwen van het slachtoffer in het politieapparaat schaden. In veel staten is het gebruik ervan verboden bij mensen die het slachtoffer zijn van een verkrachting.

    ‘Het was net alsof ze het script voorlas van een aflevering van Law & Order’

    Wanneer de politiemensen door Maries appartement lopen, zien ze dat een glazen schuifdeur aan de achterkant niet op slot is, en dat deze een heel klein stukje openstaat. De deur biedt toegang tot een platje, met een houten hekje dat onder het vuil zit – op één stuk na, van ongeveer een meter breed, waar zo te zien iemand overheen is geklommen die al doende het hekje heeft schoongeveegd. Op het bed vindt de politie een schoenveter – kennelijk gebruikt om Marie vast te binden. Boven op een computermonitor treffen ze een tweede veter aan, vastgeknoopt aan een onderbroek: de blinddoek of de prop in haar mond. Beide veters zijn afkomstig uit Maries zwarte tennisschoenen die in de woonkamer staan. Naast het bed ligt een mes met een zwart heft. Marie zegt dat het mes van haar is – het is afkomstig uit haar keuken, en dit is het mes waarmee de verkrachter haar heeft bedreigd. De politie vindt Maries handtas op de vloer van de slaapkamer, haar portemonnee op het bed en haar voorlopige rijbewijs, dat om de een of andere reden uit haar portemonnee is gehaald, in de vensterbank van de slaapkamer.

    Mason zegt tegen Marie dat ze naar het ziekenhuis moet voor een medisch onderzoek, wat standaard is bij verkrachtingszaken. Nadat Marie is vertrokken, samen met haar pleegmoeder en haar case manager, helpen de rechercheurs bij het onderzoeken van de plaats delict. Op zoek naar een condoom of de verpakking van een condoom kijkt Rittgarn in de badkamer en in vuilnisbakken op de nabijgelegen heuvel, maar het levert niets op. Ondertussen heeft de hond een spoor gevolgd in zuidelijke richting, naar een kantoorgebouw, maar ook de hond kan de politie niet dichter bij de identiteit van de verkrachter brengen.

    In het ziekenhuis neemt het medisch personeel meer dan tien huidmonsters. Er wordt getest op hepatitis, chlamydia en hiv. Maria krijgt [de antibiotica] Zithromax en Suprax, omdat ze mogelijk is blootgesteld aan seksueel overdraagbare aandoeningen, en ze krijgt een morningafterpil.

    In het medisch rapport wordt melding gemaakt van verwondingen aan Maries polsen en haar vagina. De blauwe plek op haar rechterpols meet 6,5 centimeter, die op haar linkerpols 7 centimeter. Tijdens het onderzoek, zo staat in het verslag te lezen, is Marie ‘alert en helder, en niet volkomen overstuur’.

    Aandacht trekken

    Op de dag dat ze aangifte doet van verkrachting belt Marie met Shannon, haar voormalige pleegmoeder, zodra ze terug is uit het ziekenhuis. ‘Ze belde me en zei: “Ik ben verkracht,”’ herinnert Shannon zich. ‘Volkomen emotieloos. Alsof ze vertelde dat ze net een broodje had gesmeerd.’ Omdat Marie niet hysterisch is, of zelfs maar overstuur, vraagt Shannon zich af of Marie wel de waarheid vertelt.

    De volgende dag, wanneer Shannon bij Marie thuis komt, wordt die twijfel alleen nog maar versterkt. Wanneer Shannon de keuken binnenkomt, ontwijkt Marie haar blik. ‘Dat vond ik nogal merkwaardig,’ zegt Shannon. ‘We omhelsden elkaar altijd, en ze keek mensen ook altijd recht aan.’ In de slaapkamer gedraagt Marie zich net als anders, en niets wijst erop dat er zich daar iets afschuwelijks heeft afgespeeld. Buiten ‘rolde Marie lachend en giechelend door het gras’, zegt Shannon. Als de twee nieuw beddengoed gaan kopen – het andere beddengoed is door de politie in beslag genomen als bewijsmateriaal – ontsteekt Marie in razernij omdat ze niet hetzelfde overtrek kan vinden. Waarom zou je elke dag opnieuw tegen dezelfde lakens en sprei willen aankijken als je op dat beddengoed bent verkracht? denkt Shannon bij zichzelf.

    Ook Peggy weet niet goed raad met Maries houding. Toen Marie haar die eerste dag belde, nog voor de politie was gearriveerd, ‘zat ze te huilen en kon ik haar nauwelijks verstaan’, zegt Peggy. ‘Ze had echt zo’n heel klein stemmetje, en ik wist het niet goed. Op de een of andere manier leek het gemaakt… in zekere zin had het ook iets heel overdrevens.’ Peggy heeft inmiddels nieuwe pleegkinderen in huis – twee zussen, allebei tieners. Niet lang daarvoor is Marie een keer met Peggy en de zussen en Peggy’s vriend gaan picknicken. Zoals Peggy het zich herinnert probeerde Marie de hele middag de aandacht naar zich toe te trekken. Zozeer zelfs dat Peggy zich nu afvraagt of dit misschien ook een poging is om aandacht te trekken, maar dan wanhopiger.

    Als Peggy die ochtend als een speer naar het appartement gaat, treft ze Marie huilend op de vloer aan. ‘Het was heel gek, want ik ging naast haar zitten en ze vertelde me wat er was gebeurd en toen – ik kijk heel veel naar Law & Order en ik had gewoon het gevoel dat er iets niet klopte,’ zegt Peggy. ‘Het was net alsof ze me het script voorlas van een aflevering van Law & Order.’ Deels komt dat door wát Marie 
vertelt. Waarom zou een verkrachter schoenveters gebruiken om haar vast te binden? En deels komt 
het door de manier waaróp Marie het vertelt: ‘Ze was zo afstandelijk, alsof het haar echt op geen enkele manier raakte.’

    De twee vrouwen die hebben geholpen Marie groot te brengen bellen elkaar. Peggy zegt tegen Shannon dat ze vraagtekens heeft bij het verhaal. Shannon zegt dat ze ook zo haar twijfels heeft. Geen van beiden kennen ze Marie als iemand die liegt – overdrijven, oké, om aandacht vragen, oké – maar nu horen ze van elkaar dat ze niet de enigen zijn die zich afvragen of Marie dit heeft verzonnen.

    Op 12 augustus, de dag nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting, gaat de telefoon van brigadier Mason. Degene die belt laat weten ‘dat [Marie] een geschiedenis heeft van aandachttrekkerij, en 
de beller vraagt zich af of de “verkrachting” werkelijk heeft plaatsgevonden’, schrijft Mason later. In Masons verslag staat niet wie het telefoontje heeft gepleegd – maar het is Peggy.

    Ze belt de politie om haar twijfels kenbaar te maken. Vervolgens gaat Mason naar haar huis om haar te spreken. Peggy licht de politie in over haar twijfels 
en verzoekt om anonimiteit. ‘Ik wilde niet dat het bij Marie terecht zou komen,’ zegt Peggy. ‘In feite wilde ik gewoon mijn burgerplicht doen. Snap je? Ik wilde niet dat ze allemaal tijd en middelen zouden steken in iets wat, nou ja, wat uiteindelijk gewoon een persoonlijke tragedie zou blijken.’

    Mason heeft bovendien een tip gekregen dat Marie niet gelukkig is in haar appartement. Mogelijk wil ze de verkrachting gebruiken om andere woonruimte 
te krijgen.
    Op 13 augustus vervoegt Marie zich op het politiebureau van Lynnwood en legt een geschreven 
verklaring af, waarin ze beschrijft wat er is gebeurd. De verklaring is slechts één pagina. Maar voor Mason staat er een cruciale passage in. Marie schrijft dat haar belager heeft gezegd dat ze zichzelf kan bevrijden als hij weer weg is:

    Zodra hij weg was, pakte ik met mijn mond mijn telefoon (die vlak naast mijn hoofd lag) en probeerde Jordan terug te bellen. Hij nam niet op, dus belde ik mijn pleegmoeder… Ze kwam 
meteen naar me toe. Ik verbrak de verbinding en probeerde mezelf te bevrijden.

    Dat komt niet helemaal overeen met wat Marie 
eerder aan Mason heeft verteld. Ze heeft eerder 
verklaard dat ze heeft geprobeerd Jordan te bellen nádat ze de veters had doorgeknipt. In deze 
geschreven verklaring zegt ze echter dat ze hem heeft gebeld terwijl ze nog is vastgebonden.

    Als rechercheurs Stacy Galbraith en Edna Hendershot ontdekken dat er een serieverkrachter aan het werk is, besluiten ze samen te werken. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ – © Benjamin Rasmussen
    Als rechercheurs Stacy Galbraith en Edna Hendershot ontdekken dat er een serieverkrachter aan het werk is, besluiten ze samen te werken. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ – © Benjamin Rasmussen

    Later die dag praat Mason met Rittgarn, zijn collega-onderzoeker, en hij zegt dat hij er nu – op basis van de tegenstrijdigheden in Maries verhaal, en op basis van informatie die hij van Peggy en Jordan heeft gekregen – van overtuigd is dat Marie het verhaal heeft verzonnen.

    De angst voor valse aangiften van verkrachting kent een lange geschiedenis binnen het rechtssysteem. Rond 1600 waarschuwde de Engelse opperrechter Matthew Hale al dat verkrachting ‘een beschuldiging is die makkelijk wordt gedaan maar moeilijk valt te bewijzen, en waar de beschuldigde partij zich nog moeilijker tegen kan verweren’. In Amerika lazen rechters deze zogeheten Hale-waarschuwing altijd voor aan juryleden – tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uit recent onderzoek blijkt echter dat er betrekkelijk zelden een valse aangifte wordt gedaan. Uit cijfers van de FBI komt naar voren dat de politie jaarlijks zo’n 5 procent van de verkrachtingszaken geheel of ten dele ongegrond verklaart. Sociaal wetenschappers die de politierapporten heel 
grondig hebben uitgeplozen en methodologisch doortimmerde methoden gebruiken, komen met vergelijkbare percentages, van onder de 10 procent.

    De volgende ochtend gaat Mason naar het huis van Jordan om met hem te praten. Jordan vertelt de rechercheur dat hij en Marie al een paar maanden uit elkaar zijn, maar nog altijd goed bevriend zijn. Volgens Masons uitgeschreven rapport zegt hij op geen enkel moment dat hij aan Maries verhaal 
twijfelt. Wél zegt hij dat Marie hem heeft verteld 
dat ze, toen ze die ochtend probeerde te bellen, haar tenen had gebruikt omdat ze was vastgebonden.

    Later die dag – 14 augustus, drie dagen nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting – belt Mason haar op, met de vraag of ze kunnen praten. Hij zegt dat hij haar kan komen ophalen en dat ze vervolgens naar het bureau kunnen gaan.

    ‘Moet ik me zorgen maken?’ vraagt Marie aan de rechercheur.

    9 FEBRUARI 2011

    Westminster, Colorado

    Op 9 februari 2011 komen meer dan tien agenten en rechercheurs van het Colorado Bureau of Investigation samen in de 
vergaderkamer van het politiebureau in Westminster om de voortgang van het onderzoek te bespreken.

    Het staat er niet al te best voor. Na vijf weken speurwerk zijn er nauwelijks aanknopingspunten en is er niet één verdachte. De analyse van het touch DNA heeft gemengde resultaten opgeleverd. Het onderzoek heeft het aantal mogelijke verdachten beperkt tot mannen die behoren tot één en dezelfde familie, van vaderskant. Maar er is niet genoeg genetisch materiaal om één iemand aan te wijzen. De resultaten kunnen dan ook niet worden ingevoerd in de nationale database van de FBI om te kijken of er 
een match is met een verdachte.

    Galbraith heeft goede hoop. In ieder geval hebben ze nu iets concreets. Het is een en dezelfde dader. ‘Het is een doorbraak,’ zegt ze. ‘Maar het is nog niet genoeg.’

    Wanneer de vergadering ten einde loopt, staat een jonge misdaadanalist van het korps in Lakewood op van haar stoel. Ze heeft gezocht naar meldingen uit de afgelopen zes maanden, voertuigen of mensen 
die zich verdacht hebben gedragen binnen een straal van vierhonderd meter van het huis van het slachtoffer in Lakewood. Ze heeft iets gevonden. Maar ze weet niet of het belangrijk is.

    Drie weken voor de poging tot verkrachting in Lakewood heeft laat op de avond een vrouw de politie gebeld met de mededeling dat er een verdachte pick-up geparkeerd stond in de straat, met een man erin. De politie ging een kijkje nemen, maar de man was verdwenen. De agent maakte summier melding van het voertuig. Wat de aandacht van de analiste had getrokken was de plek waar de pick-up had gestaan. Hij stond een half huizenblok van het huis van het Lakewood-slachtoffer, naast een kaal terrein dat grensde aan de achtertuin van het slachtoffer.

    Het betrof een witte Mazda pick-up uit 1993.

    Hij stond op naam van een man uit Lakewood, 
ene Marc Patrick O’Leary.

    Het onderzoek belandt ogenblikkelijk in een 
stroomversnelling. Kunnen de rechercheurs O’Leary’s Mazda in verband brengen met de korrelige beelden van de witte Mazda op de beelden van de beveiligingscamera in Golden? Aaron Hassell, de rechercheur die op de Lakewood-zaak zit, gaat als een speer terug naar zijn bureau. De patrouillewagens in Lakewood hebben camera’s die automatisch een foto maken van elk nummerbord dat ze passeren. Het resultaat is een doorzoekbare database van duizenden nummerborden die zijn gekoppeld aan een bepaald moment en een bepaalde plek. Hassell tikt het nummerbord in uit het politierapport van Lakewood: 935VHX. Hij heeft beet. Een patrouillewagen 
in Lakewood heeft een foto gemaakt van O’Leary 
die naast zijn witte Mazda staat, op de oprit van zijn huis – een kleine twee uur nadat in augustus de weduwe in Westminster is belaagd.

    Op beelden van een bewakingscamera in Golden, Colorado, is te zien hoe een Mazda pick-up uit 1993 rondjes rijdt om een appartementencomplex waar een 26-jarige studente is verkracht. De rechterzijspiegel lijkt verbogen.
    Op beelden van een bewakingscamera in Golden, Colorado, is te zien hoe een Mazda pick-up uit 1993 rondjes rijdt om een appartementencomplex waar een 26-jarige studente is verkracht. De rechterzijspiegel lijkt verbogen.

    Hassell stuurt de foto door naar Galbraith. Heel nauwgezet vergelijkt zij de witte Mazda van O’Leary met die van de beveiligingscamera. Op een still is goed te zien dat het spiegeltje aan de passagierskant van de Mazda is beschadigd. Precies als bij de auto van O’Leary. Beide voertuigen hebben een trekhaak. Beide hebben dezelfde vlekken op de achterkant – misschien een bumpersticker die eraf is getrokken.

    ‘Dat is ’m,’ zegt Galbraith.

    Hendershot komt tot de ontdekking dat de patrouillewagen in Lakewood de foto heeft gemaakt toen O’Leary op weg was naar een nabijgelegen vestiging van het Department of Motor Vehicles [DMV, een soort rijksdienst voor het wegverkeer]. Uit de gegevens van het DMV blijkt dat O’Leary nog geen vier uur na de belaging in Westminster een foto heeft laten nemen voor zijn rijbewijs. Op de foto zien we een man van 1 meter 85 met bruine ogen. Hij is 32 jaar en hij weegt 100 kilo. Hij draagt een wit T-shirt. Zijn uiterlijke kenmerken komen overeen met de beschrijvingen die de slachtoffers hebben gegeven. En de weduwe 
in Westminster heeft tegen Hendershot gezegd dat haar belager een wit T-shirt droeg.

    Hendershot wil geen overhaaste conclusies trekken. ‘Het is zeer bemoedigend, ik ben heel blij,’ zegt ze. Maar: ‘Het is nog niet zeker, voor mij staat het nog niet vast dat dit ook echt onze man is.’

    Tijdens de 24 uur die volgen probeert een handvol onderzoekers met vereende krachten al het mogelijke over O’Leary aan de weet te komen. O’Leary heeft geen strafblad. Hij staat niet bekend als 
zedendelinquent. Hij heeft in het leger gediend.

    Die avond zitten Galbraith en haar man David weer op de bank in hun woonkamer. Op hun laptop zoeken ze naarstig naar informatie over O’Leary – ieder met behulp van een andere zoekmachine. Het duurt niet lang of David heeft iets gevonden. In september 2008 heeft O’Leary een pornowebsite gekocht. Ze vragen zich af of daar foto’s van zijn slachtoffers op staan.

    De rechercheurs willen proberen aan O’Leary’s DNA te komen. Hoewel het onzuivere DNA-materiaal dat ze op de plaatsen delict hebben aangetroffen niet voor honderd procent gelinkt kan worden aan dat van O’Leary, kan wel aangetoond worden dat de misdaden vermoedelijk zijn begaan door een mannelijk lid van zijn familie. Als de politie O’Leary’s mannelijke familieleden kan uitsluiten, kunnen de misdrijven met een hoge mate van waarschijnlijkheid aan O’Leary zelf worden toegeschreven. ‘We kunnen hem nog altijd niet met zekerheid als dader aanwijzen,’ zegt Hendershot.

    Op de ochtend van vrijdag 11 februari houden agenten het huis van O’Leary in de gaten. Het is een klein, gelijkvloers huis met grijze buitenmuren, een half blok van een benzinestation, een plaatwerkerij en een slagerij, in een armoedige buurt. Er staat een laag hek van draadgaas om het huis. Hoge, winters kale bomen torenen boven het huis uit. Net na het middaguur zien de agenten een vrouw en een man die op O’Leary lijkt het huis verlaten. Ze volgen het stel naar een nabijgelegen restaurant en zien hen eten. Als de twee klaar zijn met eten gaan de agenten snel naar binnen. Ze grissen de glazen van tafel. Op de rand moeten sporen van zijn DNA zitten.

    Het huis waar Marc O’Leary woonde met zijn broer, die sterk op hem leek. Maar dat wisten de FBI-agenten niet toen ze op zijn deur klopten.
    Het huis waar Marc O’Leary woonde met zijn broer, die sterk op hem leek. Maar dat wisten de FBI-agenten niet toen ze op zijn deur klopten.

    Terwijl de agenten achter de man aan gaan van wie ze denken dat het Marc O’Leary is, klopt een andere FBI-agent op de deur van het huis. Hij is van plan een camera bij het huis te installeren en wil er zeker van zijn dat er niemand thuis is. Onverwacht doet een man de deur open. Hij lijkt op Marc O’Leary. In de war gebracht, grijpt de agent terug op een beproefde smoes. Hij zegt tegen de man dat hij langs de deuren gaat om mensen te waarschuwen dat er een inbreker in de buurt actief is. De man stelt zich voor. Hij heet Marc O’Leary. Zijn broer, Michael O’Leary, is net 
weggegaan om met zijn vriendin te gaan lunchen. O’Leary bedankt de agent voor de informatie en doet de deur weer dicht.

    Het opduiken van Michael is verwarrend. De rechercheurs wisten niet dat Michael met zijn broer samenwoonde. Of dat zij zo op elkaar leken. Ze besluiten Michaels DNA van de glazen bij het restaurant te vergelijken met het DNA dat op de plaatsen delict is gevonden. De monsters gaan naar analisten van het speciale rechercheteam in Colorado. Normaal gesproken duurt het maanden voor de uitslag van een DNA-analyse terugkomt. Maar in dit geval werken ze de hele nacht door. Tegen twee uur op zaterdagmiddag hebben ze de uitslag. Het DNA van het glas komt overeen met het DNA dat bij de slachtoffers is gevonden. Een man uit de familie O’Leary is de dader. Maar welke?

    Galbraith sluit de vader van de twee broers uit – die is te oud en woont in een andere staat. Maar Michael kunnen ze nog niet als verdachte afschrijven. Het is mogelijk dat hij de verkrachtingen heeft begaan. Of zelfs dat Michael en Marc hebben samengewerkt. De rechercheurs hebben meer informatie nodig.

    Haastig stelt Galbraith een huiszoekingsbevel op om het huis van de broers te mogen binnenvallen. Het is buiten al donker wanneer ze ermee klaar is. Ze belt de rechter die weekenddienst heeft. Hij wil per se 
dat ze hem een fax stuurt. Galbraith rent naar een supermarkt in de buurt van haar huis om het bevel door te faxen. De rechter tekent het op zaterdagavond om tien uur.

    Ze weet precies wat ze zoekt. Ze vertrouwt het geheugen van haar slachtoffer. De donkere plek op zijn kuit. Ze mailt een misdaadanalist van een ander politiebureau: ‘Ik móét het been van die kerel zien. Heel nodig!’

    14 AUGUSTUS 2008

    Lynnwood, Washington

    Als iemand vraagt of hij zich zorgen moet maken, dan is dat meestal ook zo, weet rechercheur Mason uit ervaring.

    Als Mason, samen met rechercheur Rittgarn, om 
half vier ’s middags Marie gaat ophalen, vinden ze haar zittend op het gras voor haar flatgebouw. 
De drie gaan naar het politiebureau van Lynnwood, waar de twee politiemannen Marie meenemen 
naar een vergaderkamer.

    Te oordelen naar het rapport dat Mason hierover later opmaakt, duurt het niet lang voor hij Marie confronteert met de verschillen tussen haar eigen verklaringen en die van andere getuigen. Marie zegt dat ze niets afweet van tegenstrijdigheden. Maar ze vertelt het hele verhaal nog een keer – alleen zegt 
ze deze keer dat ze gelooft dat de verkrachting heeft plaatsgevonden en niet dat ze het zeker weet. In tranen beschrijft ze haar verleden – al die pleegouders, haar verkrachting als zevenjarige, het feit dat ze nu op zichzelf woont, dat ze zich alleen voelt. Rittgarn zegt tegen Marie dat haar verhaal niet overeenkomt met het bewijsmateriaal. Hij zegt dat hij denkt dat ze het verhaal heeft verzonnen – zomaar ineens, zonder dat ze het van plan was. Hij vraagt haar of er echt 
wel een verkrachter rondloopt in de buurt, waar de politie naar op zoek moet. ‘Nee,’ antwoordt Marie met zachte stem en neergeslagen ogen.

    ‘Gezien haar antwoorden en lichaamstaal was 
duidelijk dat [Marie] over de verkrachting loog’, schrijft Rittgarn later.

    Zonder Marie op haar rechten te wijzen – u hebt recht op een advocaat, u hebt het recht om te zwijgen – vragen de rechercheurs Marie om het ware verhaal op te schrijven, waarin ze toegeeft dat ze gelogen heeft, in feite dus dat ze een misdaad heeft begaan. Ze stemt toe en ze laten haar een paar minuten alleen. Op het formulier vult ze haar naam, adres 
en social security-nummer in en dan schrijft ze, onder andere:

    Ik praatte die avond met Jordan aan de telefoon over zijn dag en over van alles. Na mijn gesprek met hem begon ik na te denken over alles, ik was over mijn toeren en ik vond het ook eng om in mijn eentje te wonen. Toen ik ging slapen, droomde ik dat er iemand inbrak en me verkrachtte.

    Als de politiemensen terugkomen, zien ze dat Marie de verkrachting in haar nieuwe verklaring beschrijft als een droom, niet als een leugen.

    ‘Waarom heb je niet opgeschreven dat je het verhaal verzonnen hebt?’ vraagt Rittgarn.

    Marie zegt huilend dat ze echt geloofde dat de verkrachting had plaatsgevonden. Ze bonkt met haar vuisten op tafel en zegt dat ze het ‘behoorlijk zeker’ weet.

    ‘Behoorlijk zeker, of echt zeker?’ vraagt Rittgarn.

    ‘Misschien is de verkrachting wel gebeurd en heb 
ik het verdrongen,’ zegt Marie.

    ‘Wat vind je dat er moet gebeuren met iemand die liegt over zoiets als dit?’ vraag Rittgarn aan Marie.

    ‘Ik heb misschien therapie nodig,’ zegt Marie.

    Mason komt terug op het bewijsmateriaal. Hij vertelt Marie dat haar beschrijving van het telefoontje naar Jordan anders is dan wat Jordan erover heeft gezegd.
    Marie kijkt omlaag, met haar hoofd in haar handen. Dan ‘schieten haar ogen heen en weer, alsof ze naar een antwoord zoekt’.

    De politiemannen herhalen nog eens wat ze eerder heeft gezegd – hoe gespannen ze was, hoe eenzaam – en uiteindelijk lijkt het erop dat Marie zich ontspant. Ze houdt op met huilen. Ze lacht zelfs een beetje. 
Ze verontschuldigt zich – en is bereid een nieuwe verklaring te schrijven, waarin ze er geen twijfel 
over laat bestaan dat ze gelogen heeft.

    Er zijn veel spanningen in mijn leven op dit moment en ik had zin om met iemand uit te gaan, maar niemand kon, dus heb ik dit verhaal verzonnen, en ik had niet verwacht dat het zo veel gevolgen zou 
krijgen. Ik weet niet waarom ik niet iets anders ben gaan doen. Dit is nooit de bedoeling geweest.

    Kennelijk zijn de rechercheurs met deze verklaring wel tevreden. Rittgarn schrijft later: ‘Op basis van ons verhoor van Marie en de inconsequenties die brigadier Mason in sommige verklaringen heeft 
aangetroffen, wisten we zeker dat Marie ons nu 
naar waarheid vertelde dat ze niet verkracht was.’

    ‘Alsjeblieft, kom me halen, 
voordat ik iets stoms doe’

    Marie heeft het gevoel dat de ondervraging uren heeft geduurd. Ze doet wat ze altijd doet als ze onder druk staat. Ze zet de knop om, zoals zij het noemt, en onderdrukt alle gevoelens waar ze geen weg mee weet. Vóór haar bekentenis dat ze het verhaal heeft verzonnen, kan ze de twee politiemannen niet recht aankijken. Erna kan ze dat wel. Dan lacht ze tegen hen. Ze gaat naar het toilet en wast haar gezicht. Het is een opluchting geweest om de knop om te zetten, en zo kan ze tenminste weg.

    De volgende dag zegt Marie tegen Wayne Nash, haar case manager bij Project Ladder, dat de politie haar niet wilde geloven. Ze begrijpt dat ze in moeilijkheden verkeert en zegt dat ze een advocaat wil. In plaats daarvan nemen de medewerkers van Project Ladder contact op met brigadier Mason. Die vertelt hun dat het verhaal van Marie niet wordt ondersteund door het bewijsmateriaal en dat ze haar verhaal heeft teruggetrokken.

    Maar nu wil Marie niet van wijken weten. 
Op 18 augustus, een week nadat ze haar verkrachting heeft gemeld, heeft ze een gesprek met twee medewerkers van Project Ladder, en tegenover hen houdt ze vol dat ze de verklaring waarin ze haar verhaal intrekt, onder dwang heeft geschreven. Met zijn drieën gaan ze naar het politiebureau, zodat Marie haar intrekking weer kan intrekken – met andere woorden: tegen de politiemensen kan zeggen dat 
ze de eerste keer de waarheid heeft gesproken.

    De medewerkers van het programma blijven buiten wachten, terwijl Marie een gesprek heeft met 
Rittgarn en een andere agent.

    Afschrikken

    Rittgarn vraagt Marie wat er aan de hand is. Marie zegt dat ze wel degelijk is verkracht – ze begint te huilen en vertelt dat ze steeds beelden heeft van die man boven op haar. Ze wil een leugendetectortest ondergaan. Rittgarn vertelt Marie dat ze, als ze niet voor die test slaagt, naar de gevangenis moet. En bovendien zal hij dan Project Ladder aanraden om haar huisvestingsondersteuning in te trekken.

    Marie laat zich afschrikken. De politiemensen 
begeleiden haar naar beneden, waar de vertegenwoordigers van Project Ladder haar vragen of ze 
verkracht is. Marie zegt nee.

    Na het bezoek aan het politiebureau ontdekt Marie dat ze nog steeds niet alles achter de rug heeft. De mensen van Project Ladder zeggen tegen Marie dat ze, als ze in het programma wil blijven – en haar gesubsidieerde woning wil behouden – ook nog tegenover iemand anders een bekentenis moet 
afleggen.

    Later die dag wordt in het wooncomplex een bijeenkomst georganiseerd, waar Maries medebewoners 
in een kring bij elkaar zitten. Marie doet wat haar is gezegd en vertelt de mededeelnemers van Project Ladder dat ze over de verkrachting heeft gelogen. 
Ze hoeven zich geen zorgen te maken, zegt ze tegen de groep. Er loopt daarbuiten niemand rond die haar iets heeft aangedaan en die hun vervolgens iets aan kan doen.

    Als er al enig medeleven aanwezig is in de ruimte, dan merkt Marie dat maar bij één persoon, de jonge vrouw die rechts van haar zit. Verder blijft het pijnlijk, ondraaglijk stil.

    Na de bijeenkomst loopt Marie naar het huis van een vriendin. Onderweg komt ze over een brug. Ze overweegt te springen. ‘Waarschijnlijk de enige keer in mijn leven dat ik alleen maar dood wilde,’ zegt ze nu. Ze belt een vriendin: ‘Alsjeblieft, kom me halen, 
voordat ik iets stoms doe.’ Daarna smijt Marie haar telefoon over de brugleuning.
    Later die maand volgt nog een laatste verrassing. Marie krijgt een brief waarin staat dat ze voor de rechter moet komen. Ze is aangeklaagd wegens het doen van valse aangifte, waar een maximumstraf van een jaar cel op staat. De tenlastelegging is ondertekend door brigadier Mason. De afhandeling van de zaak is overgedragen aan een klein juridisch bureau dat door de stad Lynnwood is ingehuurd om overtredingen te vervolgen.

    Mason heeft niet al te diep nagedacht over zijn besluit om de zaak voor te laten komen. Hij is ervan overtuigd dat Marie heeft gelogen. De politie heeft veel tijd en geld besteed aan het natrekken van die leugen. Volgens de wet is haar leugen een misdaad. Zo simpel is het.

    Er zijn geen harde cijfers over het aantal keren dat de politie een vrouw arresteert wegens het doen van valse aangifte van verkrachting, en ook niet over het aantal keren dat het openbaar ministerie dit soort zaken voor de rechter brengt. Die gegevens worden nergens bijgehouden. Maar vooraanstaande politieorganisaties dringen aan op voorzichtigheid bij dit type 
aanklachten. Volgens de International Association 
of Chiefs of Police en de FBI moet er eerst grondig onderzoek worden gedaan, voordat een aangifte van verkrachting als onwaar wordt bestempeld. Politiemensen moeten even hard hun best doen om een leugen te bewijzen als om een waarheid te bewijzen.

    In de praktijk zullen veel politiediensten alleen in extreme omstandigheden besluiten de vrouw te vervolgen – bijvoorbeeld wanneer het gaat om een zaak die veel publiciteit heeft gekregen en waarin de reputatie van een verdachte ernstig is geschaad, of wanneer de politie heel veel middelen heeft moeten inzetten om onderzoek te doen. Die terughoudendheid komt voort uit de overtuiging dat het grootste probleem bij verkrachtingszaken niet de valse aangiftes zijn, maar het niet doen van aangifte. Slechts eenvijfde tot eenderde van alle verkrachtingen wordt bij de politie aangegeven, zo blijkt uit landelijk onderzoek. Een reden daarvoor is dat vrouwen bang zijn dat de politie ze niet gelooft.

    © Studio Odilo Girod
    © Studio Odilo Girod

    Binnen enkele dagen nadat ze haar verkrachting heeft aangegeven, zegt Marie haar baan bij Costco op. Ze kan het niet opbrengen om daar te staan, mensen aan te kijken, verloren en verward als ze 
zich voelt. Nu stapelen de nare gevolgen zich op.

    Project Ladder verplicht haar om elke avond vanaf negen uur thuis te blijven en zich twee keer zo vaak bij de medewerkers te melden.

    De media schrijven over haar zaak, zonder haar naam te noemen. (‘Politie: aangifte verkrachting Lynnwood was bedrog’, kopt de Seattle Post-Intelligencer.) Maries beste vriendin van de middelbare school – de vriendin die haar heeft leren fotograferen en die de foto van haar heeft gemaakt waarop ze uit de golven opduikt – maakt een webpagina waarop Marie voor leugenaar wordt uitgemaakt, met een foto van Maries Myspace-pagina, de politieverslagen, Maries volledige naam. Wanneer iemand haar op de site wijst, krijgt Marie een aanval van razernij en slaat haar appartement kort en klein.

    Marie gaat niet meer naar de kerk. ‘Ik was kwaad op God,’ zegt ze nu. Ze verliest haar belangstelling voor fotografie. Ze durft de deur niet meer uit. ‘Op een avond probeerde ik wel alleen naar de winkel te lopen, en toen kreeg ik een soort hallucinatie dat iemand me volgde,’ vertelt ze. ‘Ik was doodsbang. 
Ik kwam niet verder dan vijfhonderd meter van mijn huis. Toen rende ik terug.’ Thuis vermijdt ze de slaapkamer, ze slaapt liever op de bank met het licht aan.

    ‘Ik kwam in een donker gat terecht,’ zegt ze. Zelfvertrouwen maakt plaats voor zelfhaat. Ze gaat roken, drinken, wordt dik.

    Voor Marie is dit een vertrouwde reactie, die ze nog kent van de jaren waarin ze misbruikt werd als kind, en van haar jaren in pleeggezinnen, waarin ze van gezin naar gezin werd gestuurd en van school naar school. Zich afsluiten. Het binnen houden. Doen alsof er niets ergs is gebeurd, alsof niets haar ooit raakt. Omdat ze altijd zo naar normaliteit verlangt, begraaft ze de pijn.

    Peggy en Shannon laten haar niet vallen, maar er 
is wel iets veranderd. Marie weet dat ze allebei aan haar verhaal hebben getwijfeld, zelfs nog eerder 
dan de politie.
    Het huis van Shannon is voor Marie lang een toevluchtsoord geweest, een plek waar ze tot rust kon komen. Marie en Shannon maakten vaak lange 
wandelingen in het bos of gingen er met de boot op uit, en dan eindigden ze hun dag bij Shannon thuis. Maar nu is Shannons man bang dat hij vals beschuldigd zal worden, en hij besluit dat het beter is als Marie niet langer bij hen blijft slapen. ‘Dat risico 
loop je, als je pleegouder wordt,’ zegt Shannon.

    Shannon is degene het haar moet gaan vertellen. 
Ze vindt het verschrikkelijk om de boodschap over 
te brengen. Marie vindt het verschrikkelijk om de boodschap te krijgen.

    Begin oktober, nog geen twee maanden nadat Marie in staat van beschuldiging is gesteld wegens het doen van valse aangifte, meldt een 63-jarige vrouw in Kirkland, ten oosten van Seattle, dat ze in haar appartement is verkracht. De vreemde droeg handschoenen. Hij had een mes. Hij bond de vrouw vast – met haar eigen veters. Hij nam foto’s en dreigde 
die op internet te zetten. De afgelopen twee of drie maanden, zegt de vrouw tegen de politie, had ze het gevoel dat iemand haar volgde.

    Shannon ziet een reportage over de verkrachting op het journaal en is onthutst. Haar vader is vroeger hoofd van de politie geweest in Kent, ten zuiden van Seattle. Ze is opgegroeid met de politie, vertrouwt 
de politie, weet hoe die werkt. Ze gaat naar haar computer, zoekt het nummer op en belt – onmiddellijk – om de politie in Kirkland te attenderen op het verhaal van Marie en op de overeenkomsten met deze zaak.

    Shannon belt ook met Marie en raadt haar aan om ook contact op te nemen met de politie in Kirkland. Dat heeft Marie nooit gedaan.

    ‘Ik was gewoon te bang,’ zegt Marie nu. Ze heeft al 
zo veel moeten doorstaan. Ze kan zichzelf er niet toe brengen om weer met de politie te gaan praten. Maar ze zoekt wel op internet op wat er met de vrouw in Kirkland is gebeurd. Als ze het verhaal leest, moet ze huilen.

    Uiteindelijk belt een agent uit Kirkland Shannon terug. Naar aanleiding van Shannons tip hebben rechercheurs uit Kirkland contact opgenomen met hun collega’s in Lynnwood en daar hebben ze te horen gekregen dat het slachtoffer in Lynnwood geen slachtoffer was, dat het verhaal verzonnen was.

    Een van de rechercheurs die aan de zaak in Kirkland werken, is Audra Weber. Zij weet nog dat ze twee keer de recherche in Lynnwood heeft gebeld en daar te horen kreeg dat ze het verhaal van Marie niet geloofden. ‘Ik vertrouwde gewoon op hun oordeel, dacht, nou ja, het is hun zaak, zij kennen de bijzonderheden, ik niet,’ zegt Weber nu. Maar ze weet nog dat ze ‘tamelijk geschokt’ was toen ze hoorde dat ze Marie in staat van beschuldiging hadden gesteld. Ze liet het er maar bij en hing op, met de gedachte: Oké, ik hoop dan maar dat dit goed voor jullie uitpakt, jongens.

    13 FEBRUARI 2011

    Lakewood, Colorado

    Om kwart over acht ’s morgens klopt Galbraith op de deur van O’Leary. ‘Politie! Huiszoekingsbevel, doe open!’ schreeuwt ze een paar keer. Achter haar staan zeven agenten, tegen het huis aan gedrukt, met hun wapen in de aanslag.

    Na een tijdje doet O’Leary de deur open. Hij kijkt 
verward en geschrokken als hij naar buiten stapt, de felle winterzon in. Twee honden, een kleine pitbull en een shar-pei, huppelen achter hem aan. Hij draagt een grijs capuchonvest, een slobberige grijze trainingsbroek en grijze sloffen. Hij is alleen.

    Galbraith trekt hem opzij en gaat met haar handen langs zijn lichaam om hem te fouilleren. Als ze bij zijn benen komt, stroopt ze zijn broekspijp op om 
te kijken.

    Daar is het, op O’Leary’s linkerkuit: een donkere moedervlek, met het formaat van een groot kippenei.

    Het is hem. Hij is de verkrachter. Galbraith steekt even haar duimen omhoog.

    Als een FBI-agent hem aanspreekt, beroept O’Leary zich meteen op zijn recht op een advocaat. Galbraith heeft zich inmiddels achter O’Leary gemanoeuvreerd. Om vijf over half negen doet ze hem de handboeien om. ‘U staat onder arrest wegens inbraak en aanranding in de stad Golden op 5 januari 2011,’ zegt ze tegen hem. O’Leary wordt in een politiewagen gezet en overgebracht naar de Jefferson County Jail.

    Galbraith heeft die dag nieuwe schoenen aan. Altijd als ze daar voortaan naar kijkt, denkt ze terug aan de arrestatie van O’Leary. Het was voor haar belangrijk dat zij degene was die hem arresteerde. ‘Ik denk dat ik de blik op zijn gezicht wilde zien. En ik wilde dat hij wist: we hebben je doorzien.’

    ‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,” vertelt Galbraith. “Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, 
goddank’

    De huiszoeking bevestigt het onderzoek van de rechercheurs. In O’Leary’s klerenkast wordt een paar Adidas ZX 700-schoenen gevonden. De zolen komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw in Golden en buiten het raam in Lakewood. Ze vinden een paar Under Armour-handschoenen met honingraatpatroon. In de badkamer ligt een zwarte sjaal, zo geknoopt dat hij als masker kan dienen.

    ‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,’ vertelt Galbraith. ‘Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, 
goddank.’

    Ook de verhalen van de slachtoffers worden bevestigd. De meesten hadden een blanke man beschreven met groene of bruine ogen, rond de 1 meter 80, van rond de 110 kilo. Ze hadden verteld dat ze vastgebonden waren. Ze zeiden dat hij hun ondergoed had gestolen. In het huis van O’Leary ontdekken de politiemensen een zwart Ruger .380-kaliber pistool, een roze Sony Cyber-shot-camera en een grote rugzak, naast vochtige doekjes en glijmiddel. Verstopt in een onderdeel van een stereo-installatie in zijn kast vinden de rechercheurs een verzameling vrouwenondergoed. Trofeeën.

    Die avond rijdt Hendershot naar ‘haar’ slachtoffer, de 59-jarige weduwe in Westminster, om haar het nieuws te gaan vertellen. De vrouw heeft het jaar daarvoor haar man verloren aan kanker. Ze heeft geen familie in de buurt wonen. Ze is nog steeds niet hersteld van de geestelijke en lichamelijke kwellingen die ze heeft doorstaan tijdens de verkrachting. Hendershot heeft met haar afgesproken bij restaurant Denny’s. Daar treft ze haar in een donkere hoek, waar ze in haar eentje zit te eten.

    ‘Ik kwam binnen en ze was superblij om me te zien, en ik vertelde het haar. Ik bedoel, ik krijg nog steeds kippenvel als ik eraan denk,’ zegt Hendershot nu. ‘Ik zei tegen haar: “Het is voorbij. Het is voorbij. We hebben hem.”’

    Bewijsmateriaal: de politie vindt in O’Leary’s huis materiaal om mensen te boeien, een roze Sony Cyber-shot-camera, Adidas- schoenen en een grote rugzak.
    Bewijsmateriaal: de politie vindt in O’Leary’s huis materiaal om mensen te boeien, een roze Sony Cyber-shot-camera, Adidas- schoenen en een grote rugzak.

    Begin maart weet een forensisch computerspecialist de documenten te kraken die O’Leary op zijn harde schijf heeft opgeslagen. Hij vindt een map ‘meisjes’, met foto’s die O’Leary heeft genomen van zijn slachtoffers in Golden en Westminster. Galbraith herkent ze meteen.

    Maar dan stuit Galbraith op een foto van een vrouw die ze niet herkent. Het is een jonge vrouw – veel jonger dan de slachtoffers in Colorado, een tiener misschien nog. Op de foto’s is te zien dat ze doodsbang is en vastgebonden en gekneveld op een bed ligt. Galbraith voelt zich misselijk worden. Hoe komt ze erachter wie dit meisje is? Hoe kan ze gerechtigheid voor haar krijgen?

    Ze bekijkt alle beelden, en dan vindt ze een antwoord. Het is een foto van het tijdelijke rijbewijs van de vrouw, dat op haar borst is gelegd. Haar naam staat erop. En haar adres.

    Lynnwood, Washington.

    11 AUGUSTUS 2008

    Lynnwood Washington

    Hij komt altijd in de uren vóór de zon op gaat, staat dan te wachten bij haar appartement, bij haar slaapkamer, hoort haar telefoneren, wacht tot ze in slaap valt.

    Het is een droge nacht, dus hij kan het zich gemakkelijk maken. De muur is dun, dus hij kan haar stem horen. Een paar keer verlaat hij zijn plek, even maar, anders ziet iemand hem misschien rondhangen.

    Hij houdt van bomen, want die zorgen voor beschutting, en er staan er meer dan genoeg rond de Alderbrooke Apartments. In een appartement heb je niet zoveel privacy als in een huis, maar het heeft ook voordelen. Al die ramen, om te beginnen. En al die glazen schuifdeuren – belachelijk makkelijk open 
te krijgen als ze niet op slot zitten, wat zo vaak het geval is.

    Ze is niet echt zijn type. Dat heeft hij al eerder gezien, toen hij haar slaapkamer binnen gluurde. Maar hij besteedt zo veel tijd aan jagen (zo noemt hij het, jagen), honderden uren, misschien wel duizend, dat hij zichzelf heeft getraind om zo veel mogelijk vrouwen, jong of oud, in zijn fantasieën toe te laten. Dan is al dat werk niet voor niets.

    Hij heeft al eerder vrouwen begluurd en bij hen ingebroken, maar de volgende stap zetten is iets anders. Hij heeft geleerd van eerdere mislukkingen – op een keer kwam er een man binnen terwijl hij daar stond, met zijn masker op, voor de deur van de slaapkamer van de vrouw die hij had willen verkrachten – dus nu doet hij eerst nauwlettend onderzoek: hij gluurt door ramen, breekt vooraf al een keer in, verzamelt informatie. Jaren later zouden rechercheurs aantekeningen in zijn mobiele telefoon vinden over zijn observatie van een ander doelwit (zijn woord) waarin precies stond wanneer ze in welke kamer was, welke lampen uit of aan waren, welke ramen en luiken open stonden of dicht waren, of haar vriend er was of niet. ‘V in pyjama, game over,’ had hij op een avond geschreven.

    Hij bladert altijd snel door de persoonlijke papieren van een doelwit. Zo komt hij achter haar geboortedatum en kenteken. Hij begluurt haar terwijl ze televisie kijkt. En aan het eind van de jacht, voor hij zijn daad begaat, loopt hij nog even snel door het huis, voor wat hij zelf pre-combat inspection noemt – hij verkent het slagveld, om zich ervan te vergewissen dat er geen wapens binnen bereik van het slachtoffer zijn.

    Hij is al in de ban van afwijkende 
fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende

    Even voor zonsopkomst hoort hij dat het telefoongesprek is afgelopen. Hij wacht nog even terwijl het stil blijft, klimt dan over het hek en glipt door de 
glazen schuifdeur die niet op slot zit. In het volgende halfuur, terwijl zij slaapt, bereidt hij zich voor, hij pept zichzelf op om nu wel de volgende stap te zetten.

    Hij heeft haar weken eerder voor het eerst gezien, door een raam, toen hij buiten bij haar appartement rondsloop. Sindsdien heeft hij twee keer bij haar ingebroken, beide keren door diezelfde glazen deur.

    Hij heeft een term voor wat hij gaat doen: ‘verkrachtingstheater’. Hij is al in de ban van afwijkende 
fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende. Wat moet er van je worden als je op je vijfde al fantaseert over handboeien, heeft hij zich vaak afgevraagd. De eerste keer dat hij bij een huis inbrak, was hij pas acht jaar. Het gaf hem zo’n kick. Sindsdien heeft hij in zeker tien andere huizen ingebroken.

    Reservist

    Nu is hij dertig, een veteraan uit het leger – infanterie, twee keer uitgezonden naar Zuid-Korea – die heeft getekend bij de reservisten, maar zich al maanden niet heeft gemeld.

    In de keuken loopt hij naar het messenblok en trekt uit de bovenste rij, uiterst links, een mes met een zwart handvat. In de woonkamer haalt hij de veters uit haar zwarte tennisschoenen en zet de schoenen terug. Een rechercheur schrijft later in zijn rapport: ‘De schoenen stonden naast elkaar tussen het uiteinde van de bank en de slaapkamerdeur, op hun zolen, alsof ze daar zo waren neergezet (en niet waren verplaatst).’

    Hij gaat gewoon netjes en ordelijk te werk, zoals altijd.

    Hij rijgt een van de schoenveters door een slipje.

    Dan stapt hij de slaapkamer binnen.

    Rond zeven uur in de ochtend staat hij in de deuropening van haar slaapkamer, met in zijn linkerhand, op schouderhoogte, een mes.

    Hij kijkt toe hoe ze wakker wordt.

    Kijk de andere kant op, zegt hij tegen Marie – en dat doet ze. Ga op je buik liggen, zegt hij. Dat doet ze – en dan gaat hij schrijlings op haar zitten, terwijl hij het mes voor haar gezicht houdt.

    Doe je handen achter je rug, zegt hij. Ze doet het. Hij bindt haar polsen vast en bedekt haar ogen. Hij propt een lap in haar mond om geluiden te dempen.

    Dat was een interessant gesprek dat je daarnet had, zegt hij, om haar te laten weten dat hij al een tijdje heeft staan luisteren, wachten.

    Het is niet zo slim om de deur van het slot laten, 
zegt hij.

    Draai je weer om, zegt hij – en dat doet ze, en dan verkracht hij haar, en terwijl hij haar verkracht, 
gaat hij met zijn gehandschoende handen over 
haar lichaam.

    Hij legt haar voorlopige rijbewijs op haar borst en maakt foto’s van haar.

    Als hij klaar is, zegt hij dat hij de foto’s op internet 
zal zetten als ze het aan de politie vertelt, zodat haar kinderen, als ze kinderen heeft, ze kunnen zien.

    Hij haalt de prop uit haar mond en doet de blinddoek af, terwijl hij haar beveelt haar ogen af te wenden en haar hoofd in het kussen gedrukt te houden.

    Een van de laatste dingen die hij zegt, is dat het hem spijt. Hij zegt dat hij zich stom voelt, dat het in zijn hoofd beter leek.

    Hij gaat de kamer uit, loopt naar de voordeur en is weg.

    EPILOOG

    O’Leary heeft schuld bekend aan 28 aanklachten wegens verkrachting en daarmee verbonden misdrijven in Colorado. Op 9 december 2011, bijna een jaar na zijn arrestatie, wordt O’Leary 
veroordeeld tot 327½ jaar gevangenisstraf wegens de verkrachtingen in Colorado – het wettelijk maximum. Hij verblijft nu in de Sterling Correctional Facility, in de kale, afgelegen noordoostelijke hoek van Colorado. Hij komt nooit meer vrij.

    In een verhoor door de politie na zijn veroordeling doet O’Leary zijn verkrachtingen gedetailleerd uit de doeken. Hij beschrijft het gevoel dat hij had nadat hij een oudere vrouw had verkracht: ’Het was of ik net mijn Thanksgiving-diner op had,’ zegt hij.

    Ander politiedistrict

    De politie kan wel wat lessen van hem leren. Hij schept op over de maatregelen die hij heeft genomen om niet opgespoord te worden. Hij wist dat zijn DNA bij het leger bekend was. Dus zorgde hij dat hij geen sporen genetisch materiaal achterliet. Hij besefte ook dat politiebureaus onderling vaak niet communiceren. Dus pleegde hij met opzet elke verkrachting in een ander politiedistrict.

    De vijf andere verkrachtingen – één in Washington, vier in Colorado – dateren allemaal van na de de verkrachting van Marie. ‘Als Washington iets beter had opgelet, was ik waarschijnlijk eerder in beeld gekomen,’ zegt O’Leary.

    Vanuit Colorado brengt Galbraith O’Leary niet 
alleen in verband met de verkrachting in Lynnwood, Washington, maar ook met die in het nabijgelegen Kirkland. Daarvoor doorzoekt ze samen met een 
misdaadanalist van Washington State een database op onopgeloste zaken die vergelijkbaar zijn met de misdaden van O’Leary. Vervolgens vindt ze de naam van het slachtoffer uit Kirkland in een versleuteld document op O’Leary’s computer.

    O’Leary bekent schuld in beide zaken in Washington. In juni 2012 wordt hij veroordeeld tot veertig jaar cel voor de verkrachting in Kirkland en tot 28½ jaar voor de verkrachting van Marie in Lynnwood.

    Marc O’Leary zit in de gevangenis in het afgelegen noordoosten van Colorado.
    Marc O’Leary zit in de gevangenis in het afgelegen noordoosten van Colorado.

    Als duidelijk is dat O’Leary verantwoordelijk is voor de verkrachting in Lynnwood, laat Steven Jensen, hoofd van de politie in Lynnwood, een extern onderzoek uitvoeren naar de manier waarop zijn korps het politieonderzoek heeft afgehandeld. In een rapport, dat nog niet eerder openbaar is gemaakt, schrijft brigadier Gregg Rinta, hoofd van de afdeling Zedendelicten bij het openbaar ministerie in Snohomish County, dat ‘het slachtoffer regelrecht gedwongen is om toe te geven dat ze heeft gelogen over de verkrachting’.

    Het is geen wonder dat Marie haar verklaring introk, schrijft Rinta, gezien de ‘intimidatie’ en de ‘bedreigingen’ waaraan ze is onderworpen. De rechercheurs hebben van ‘onbetekenende inconsequenties’ – die vaak voorkomen bij slachtoffers – grote tegenstrijdigheden gemaakt, terwijl ze sterk bewijs dat de misdaad wel degelijk had plaatsgevonden, negeerden. Wat betreft hun dreigement dat Marie de gevangenis in zou moeten en zelfs haar huis kon kwijtraken als ze niet slaagde voor de leugendetectortest, schrijft Rinta: ‘Die beweringen zijn wreed en ongelooflijk onprofessioneel. Ik kan geen enkele rechtvaardiging voor die beweringen bedenken.’

    Jensen gelast ook een intern onderzoek, dat al even vernietigend oordeelt. Mason heeft zich veel te sterk laten beïnvloeden door het telefoontje van Peggy. 
Het tweede verhoor van Marie door de rechercheurs was ‘bedoeld om de bekentenis van een valse aangifte uit te lokken’. De aanklacht wegens het doen van valse aangifte kwam voort uit een ‘eigen behoefte om te scoren’.

    Ondanks de harde woorden van beide onderzoeken werden er tegen niemand bij de politie van Lynnwood disciplinaire maatregelen genomen.

    In een recent interview heeft Steve Rider, de huidige baas van de recherche in Lynnwood, Maries zaak ‘een grote misser’ genoemd, die door de mensen van het korps diep wordt betreurd: ‘Kun je je voorstellen, zij had die beestachtige al verkrachting moeten doorstaan – en dan zeggen wij ook nog tegen haar dat ze liegt. Dat is vreselijk. Wij hebben dit beroep gekozen om mensen te helpen, niet om ze pijn te doen.’ Politieman Rodney Cohnheim van bureau Lynnwood heeft over Marie gezegd: ‘Ze is twee keer geslachtofferd.’

    Brigadier Mason is terug bij de narcotica-afdeling, waar hij aan het hoofd staat van een speciaal team. Als we hem interviewen in dezelfde ruimte waarin hij zeven jaar eerder Marie voor zich had, zegt hij: ‘Het was niet aan haar om mij te overtuigen. Achteraf gezien was het aan mij om de zaak tot op de bodem uit te zoeken – en dat heb ik niet gedaan.’

    Volgens Rider is er naar aanleiding van Maries zaak veel veranderd in de manier van werken en de cultuur bij zijn korps. Politiemensen volgen nu een extra cursus over verkrachtingsslachtoffers. Een verkrachtingsslachtoffer krijgt onmiddellijk bijstand van een advocaat die verbonden is aan een plaatselijk zorgcentrum. Rechercheurs moeten ‘onweerlegbaar bewijs’ hebben dat er een leugen in het spel is, voordat ze een aangifte als ongeloofwaardig afdoen, en een aanklacht wegens valse aangifte moet worden goedgekeurd door hun superieuren. ‘We hebben hier heel veel van geleerd. En we willen niet dat dit ooit nog iemand overkomt,’ aldus Rider.

    Rittgarn, die al voor de arrestatie van O’Leary de politie Lynnwood had verlaten, wilde niet meewerken aan een interview voor dit verhaal. Dat geldt ook voor Zachor & Thomas, het juridisch bureau dat de vervolging van Marie uit naam van Lynnwood afhandelde.

    In 2008 was de zaak van Marie een van de vier gevallen bij de politie Lynnwood die het predicaat ongegrond kregen, volgens cijfers van de FBI. Tussen 2008 en 2012 werden 10 van de 47 aangiftes van verkrachting bij de politie Lynnwood ongegrond verklaard – 21,3 procent. Dat is vijf keer zo hoog als het nationaal gemiddelde van 4,3 procent in diezelfde periode bij politiedistricten met een vergelijkbare hoeveelheid inwoners. Volgens Rider is zijn bureau sinds Marie voorzichtiger geworden met het ongegrond verklaren van een zaak. ‘Ik durf te zeggen dat we heel wat grondiger onderzoek doen naar onze zaken dan veel andere politiekorpsen,’ zegt hij. ‘We letten nu extra goed op dat we tot de juiste conclusies komen.’

    Het Jefferson County Courthouse, waar Marc O’Leary tot 3271⁄2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Hij komt nooit meer vrij.
    Het Jefferson County Courthouse, waar Marc O’Leary tot 3271⁄2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Hij komt nooit meer vrij.

    Tweeënhalf jaar nadat Marie gebrandmerkt werd 
als leugenaarster, zoekt de politie van Lynnwood haar op in het zuiden van Seattle, en vertelt haar 
het nieuws: haar verkrachter is gearresteerd in Colorado. Ze geven haar een envelop met informatie over hulp aan verkrachtingsslachtoffers. Ze zeggen dat haar strafblad zal worden gewist. En ze overhandigen haar 500 dollar, als vergoeding voor de kosten van de rechtszaak. Marie stort in – ze voelt zich tegelijkertijd geschokt, opgelucht en woedend.

    Later maakt Shannon met Marie een wandeling in het bos en zegt tegen haar: ‘Het spijt me zo dat ik aan je heb getwijfeld.’ Marie vergeeft het haar meteen. Ook Peggy biedt haar verontschuldigingen aan. Ze wenst nu dat ze nooit haar twijfels aan de politie kenbaar had gemaakt. ‘Want ik denk dat als ik mijn mond had gehouden, zij hun werk hadden gedaan,’ zegt ze.

    Marie daagt de stad voor de rechter en treft een schikking voor 150.000 dollar. ‘Een kwestie van 
risicomanagement,’ zegt een advocaat van 
Lynnwood tegen The Herald in Everett, Washington.

    Marie is naar een andere staat verhuisd, heeft haar groot rijbewijs gehaald en is trucker geworden. Ze is getrouwd en afgelopen oktober hebben zij en haar man hun tweede kind gekregen. Op haar verzoek wordt haar huidige woonplaats niet bekendgemaakt.

    Voordat ze uit Washington vertrekt om haar leven een nieuwe start te geven, maakt Marie een afspraak voor een gesprek bij het politiebureau van Lynnwood. Ze gaat naar een vergaderkamer en wacht af. Rittgarn heeft de dienst dan al verlaten, maar Mason komt binnen, met een blik ‘als een geslagen hondje’, volgens Marie. ‘Hij wreef met zijn handen over zijn hoofd en zag er letterlijk uit alsof hij zich schaamde voor wat ze hadden gedaan.’ Hij zegt tegen Marie dat hij er spijt van heeft – ‘diepe spijt’, aldus Marie. Ze gelooft dat hij het oprecht meent.

    Tijdens een recent interview vraagt iemand aan Marie of ze overwogen heeft de verkrachting niet aan te geven.

    ‘Nee,’ zegt ze. Ze wilde eerlijk zijn. Ze wilde zo veel mogelijk onthouden. Ze wilde de politie helpen. ‘Om te zorgen dat niemand anders dit zou overkomen,’ zegt ze. ‘Zodat ze op zoek zouden gaan naar de man die mij dit had aangedaan.’

    Auteurs: T. Christian Miller en Ken Armstrong
    Vertalers: Nicolette Hoekmeijer en Annemie de Vries

    Beeld bovenaan: © Studio Odilo Girod

    T. Christian Miller werkt sinds 2008 als verslaggever 
voor ProPublica. Voor die tijd was hij elf jaar in dienst bij 
de Los Angeles Times. Daar schreef hij onder andere over de presidentscampagne van 2000 en was hij drie jaar bureauchef, verantwoordelijk voor tien landen in Zuid- en Centraal-Amerika.

    Ken Armstrong is onderzoeksjournalist met een Pulitzerprijs op zijn naam. Hij heeft voorheen voor The Seattle Times gewerkt en voor de Chicago Tribune, waar het onder andere aan zijn werk te danken was dat de gouverneur van Illinois verschillende executies uitstelde en later de dodencellen sloot. Hij bekleedde de McGraw-leerstoel voor schrijven op Princeton en was Nieman Fellow op Harvard.

    The Marshall Project
    VS | themarshallproject.org

    Na dertig jaar voor The New York Times te hebben gewerkt lanceerde Bill Keller in 2014 een nieuw project: een non-profitnieuwskanaal gewijd aan de behandeling van criminelen binnen het Amerikaanse rechtssysteem. Met deze site wil Keller een levendiger debat bereiken over het optreden van politie, rechtbank en gevangenissen in de VS. De naam verwijst naar de jurist Thurgood Marshall (1909-1993), een liberale voorvechter van burgerrechten die erop hamerde dat bescherming door de wet het meest fundamentele recht is in een vrije maatschappij. Het aantal gedetineerden in Amerika wordt slechts geëvenaard door dat van Noord-Korea, en racisme binnen het rechtssysteem is er aan de orde van de dag. Ook weigert het systeem zijn eigen fouten te corrigeren. De site is volledig onafhankelijk, en bestaat dankzij donaties van stichtingen en individuen, maar is niet neutraal. Medewerkers zijn zonder uitzondering van mening dat het Amerikaanse rechtssysteem dringend behoefte heeft aan serious rethinking.