Tag: Otmar Issing

  • Het kapitalisme komt altijd weer sterker uit de crisis tevoorschijn

    Het kapitalisme komt altijd weer sterker uit de crisis tevoorschijn

    Ondanks alle kritiek is het einde van het kapitalisme nog lang niet in zicht, schrijft de Duitse econoom Otmar Issing. ‘Het wordt tijd dat intellectuelen die af willen van de markteconomie zich bij die realiteit neerleggen.’

    Bij elke crisis van enige omvang verschijnen profeten ten tonele die het einde van het kapitalisme verkondigen. Dat soort voorspellingen kennen we al eeuwen. Maar tot nu toe zijn ze nooit uitgekomen, het kapitalisme heeft steeds weten te overleven en kwam vaak zelfs sterker uit crises tevoorschijn. Marx’ these van de noodzakelijke economische en sociale ontwikkeling en de onvermijdelijke ondergang van het kapitalisme bleek gewoon onjuist.

    Door een lang voor onmogelijk gehouden oorlog in Europa, de dreiging van een wereldwijde milieucrisis, het verwachte einde van het fossiele tijdperk, toenemende geopolitieke spanningen met het risico van handelsoorlogen, een voorspelbare strijd over de verdeling van inkomen en vermogen en het indrukwekkende succes van het Chinese economische model is een constellatie ontstaan waarin allerlei profeten wederom, en dit keer zeer nadrukkelijk, het einde van het kapitalisme zullen voorspellen. Door de veelheid aan crisishaarden verwachten ze min of meer dat het kapitalisme dit keer voorgoed schipbreuk zal lijden.

    De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem

    Behalve door deze cyclische bewegingen wordt het kapitalisme begeleid door een constante, je zou bijna zeggen ‘trouwe’ oppositie van talrijke intellectuelen. Ze maken over het algemeen geen onderscheid tussen het ongebreidelde negentiende-eeuwse Manchester-kapitalisme met zijn erbarmelijke omstandigheden en de moderne marktsystemen waarin de staat een essentiële rol speelt, door middel van allerhande interventies de economie corrigeert en stuurt, en zorgt voor een steeds breder sociaal vangnet. De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem. Hun aanval is simpelweg gericht op het ‘kapitalisme’ als zodanig, en onder die vlag vervalt dan ook de noodzaak tot differentiatie tussen de veelheid aan uitdrukkingsvormen.

    Creatieve vernietiging

    De Oostenrijkse macro-econoom Joseph Schumpeter heeft de markt beschreven als een medium van ‘creatieve vernietiging’ dat achterhaalde activiteiten verdringt en ruimte creëert voor vooruitgang; de markt functioneert als effectief stimuleringssysteem door succesvolle innovaties te belonen met winst. In de economische geschiedenis zijn daarvan ontelbaar veel voorbeelden te zien. Tijdens de pandemie werd de superioriteit van het marktmechanisme opnieuw overtuigend aangetoond. Neem alleen al BioNTech: het echtpaar Sahin reageerde op de uitbraak van de pandemie door, grotendeels gefinancierd door particulier durfkapitaal, zijn onderzoek te concentreren op het vinden van een vaccin. In onverwacht korte tijd presenteerden ze een oplossing die miljoenen mensen het leven heeft gered.

    Dat dit onderzoek is uitgevoerd op basis van door de overheid gefinancierd fundamenteel onderzoek doet geen afbreuk aan de effectiviteit van de markt als stimuleringsmechanisme. De markteconomie opereert tenslotte niet in een beleidsvrije ruimte, maar is geïncorporeerd in het staatsbestel. Het bevorderen van de wetenschap is een kerntaak van de overheid. In het samenspel van staat en markt ontstaan de beste resultaten.

    De voornaamste bron van scepsis of zelfs vijandschap ten aanzien van de markteconomie is echter de kritiek dat dit systeem onvermijdelijk in strijd is met fundamentele beginselen van rechtvaardigheid. Onder economen woedt al jaren een verhit debat over de ongelijkheid in de verdeling van inkomen en vermogen. Ook voorstanders van het marktsysteem zien hier het risico dat de grote en vooral toenemende ongelijkheid tot afnemende politieke acceptatie leidt. Deze opvatting gaat samen met het verwijt dat economische macht ook de politiek in zijn greep krijgt en dan ook het staatsbeleid in vergaande mate bepaalt. Die combinatie maakt dat de weg naar hervorming van het systeem definitief is afgesloten.

    Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig.

    Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig. Voor hen is het marktmechanisme per definitie asociaal en onrechtvaardig. Aan meer motivering hebben ze geen behoefte, vooral omdat het socialisme klaarstaat als superieure, op rechtvaardigheid gebaseerde orde. Publicaties die deze lijn volgen, krijgen vaak religieuze trekjes.

    De oorsprong van deze antipathie ligt in een ver verleden. Plato staat als een prominent vertegenwoordiger vooraan in de rij. Zijn minachting voor alle economische activiteit, vooral voor handelaren, gecombineerd met het idee van een optimale staatsinrichting met een filosoof-koning aan het hoofd, heeft door de eeuwen heen diepe sporen achtergelaten, niet alleen in de filosofie. Het lijkt op het eerste gezicht vergezocht om van Plato via allerlei tussenstadia een lijn te trekken naar de pretenties van moderne intellectuelen; en toch zijn hun gemeenschappelijke wortels makkelijk te herkennen. De vergelijking strookt ook met de observatie dat deze elitaire, zich althans elitair voelende, groep zich vrijwel zonder uitzondering niet in de actieve politiek mengt. De rol van koning is nu eenmaal niet te vergeven, dus zou men zich in een democratie moeten bezighouden met de problemen van alledag. Dan kun je beter het idee van een betere wereld propageren, en daar is het socialisme bij uitstek geschikt voor.

    Een paar eeuwen later hebben de grote religies in dezelfde richting gewerkt. De geschiedenis van het communisme in de vroege kerkgemeenschappen dient nog steeds als referentiepunt voor een betere samenleving. De ontwikkeling van het christendom is te complex verlopen om het christelijke standpunt over de economie onder één noemer te kunnen brengen. Maar men doet de twee christelijke kerken geen onrecht door ze niet bepaald als verdedigers van het kapitalisme te zien. (De school van Salamanca en de katholieke sociale leer vormen belangrijke uitzonderingen. De huidige paus belichaamt als het ware het kerkelijke speerpunt tegen het kapitalisme.)

    Overlevingskunstenaar

    Met zijn veelsoortige, buiten het economische liggende wortels is en blijft het socialisme een idee dat, ondanks alle in de praktijk mislukte pogingen, kan worden beschouwd als een soort intellectuele overlevingskunstenaar. Het socialisme zien als een hopeloos mislukt idee is iets heel anders dan het kapitalisme in al zijn vormen goedkeuren. Ook is het niet voldoende om te wijzen op de fundamentele verschillen tussen het ongebreidelde Manchester-kapitalisme en moderne markteconomieën. Gebeurtenissen zoals de bankencrisis, waarbij na grote particuliere winsten de verliezen op de samenleving werden afgewenteld, perverteren de argumenten voor de markteconomie. Die zondeval wordt niet goedgemaakt door het feit dat de staat ongehoord heeft gefaald bij het reguleren van en toezicht houden op de banken.

    Het volstaat evenmin om sociale rechtvaardigheid een ‘wezelwoord’ (als een ei dat door een wezel is leeggezogen en zo van zijn inhoud is beroofd) te noemen, zoals de Oostenrijkse Nobelprijswinnaar voor economie Friedrich A. von Hayek deed. Met de roep om meer (sociale) rechtvaardigheid worden wereldwijd ideologische gevechten geleverd en verkiezingscampagnes uitgevochten en ook vaak gewonnen. Het is een hele uitdaging om liberale boodschappen, zoals die van de filosoof John Rawls, in een krachtige slogan uit te drukken.

    Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen?

    Het verdelingsvraagstuk vraagt om antwoorden, net als om het voor een zelfstandig leven, gelijke kansen en participatie noodzakelijke onderwijs. Het paal en perk stellen aan de macht van het geld is altijd al een belangrijk agendapunt van de neoliberalen geweest. In het tijdperk van de moderne netwerkeconomie is het een even urgente als moeilijke opgave geworden. Tegenover de vermoedelijk nooit aflatende beloften van een beter leven zal de markteconomie, met haar hoge eisen aan de persoonlijke verantwoordelijkheid, altijd haar uiterste best moeten doen de goedkeuring van de burgers te krijgen.

    Een onbevooroordeelde blik op de geschiedenis levert een eenduidige diagnose op. Alle experimenten om het socialisme in de praktijk te realiseren zijn uiteindelijk mislukt. Vrijheid en welvaart gedijen op lange termijn alleen in de combinatie van een democratische rechtsstaat en markteconomie. Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen? Ook al geeft het beeld van de ideeëngeschiedenis daarvoor niet veel hoop, het is toch zaak steeds opnieuw het debat aan te gaan. 

    Lees ook: