Om witwassen tegen te gaan moet zowel de overheid als de techsector zich minder dogmatisch opstellen, vindt specialist cybercriminaliteit Geoff White. ‘Zowel overheden als techneuten zullen wat water bij de wijn moeten doen.’
De nieuwste financiële technologieën worden in rap tempo een belangrijke steunpilaar voor de georganiseerde misdaad, omdat ze de gevaarlijkste boeven ter wereld in staat stellen hun illegale buit te verplaatsen en aan het oog te onttrekken. Dat zal alleen maar erger worden als overheden en de industrie de handen niet ineenslaan.
De geschiedenis van het witwassen van geld is bijna net zo oud als de misdaad zelf. Maar de technieken werden sterk verfijnd in de jaren tachtig, het tijdperk van de cocaïnecowboys, toen Amerika werd overspoeld met drugs.
Het witwasproces van de drugssmokkelaars kende drie fasen: storting (placement), verhulling (layering) en integratie. Storting is het toevoegen van het zwarte geld aan de geldstroom van een legaal bedrijf. De contanten uit de drugshandel kunnen bijvoorbeeld vermengd worden met de inkomsten van een restaurant of een casino. Maar als de drugshandel wordt opgerold, zou de opbrengst ervan getraceerd kunnen worden via de bank die zakendoet met het legale bedrijf. Vandaar de tweede fase, verhulling: crimineel geld wordt eindeloos van rekening naar rekening gesluisd, opgenomen en opnieuw gestort en in andere valuta omgezet, om zo ervoor te zorgen dat de politie het spoor bijster raakt. In de laatste fase, integratie, plukt de crimineel de vruchten van zijn werk: dan zijn alle verbanden tussen het geld en zijn criminele oorsprong uitgewist en kan het besteed worden, idealiter aan zaken met een goed langetermijnrendement zoals kunst of vastgoed.
Hackers
Wat ten opzichte van de jaren tachtig vooral is veranderd, is de digitale revolutie in de financiële wereld: de aanhoudende innovatie in betalingssystemen, virtueel bankieren en dergelijke. Daarnaast leiden de nieuwe technologieën ook tot een nieuwe geldinfrastructuur buiten de traditionele financiële wereld, van cryptomunten tot NFT’S tot virtuele marktplaatsen in videogames, waarop inmiddels ook enorme bedragen omgaan.
Door die voortsnellende financiële digitalisering is voor sommige criminelen de eerste fase van het witwasproces, het storten, minder belangrijk geworden. Dat is immers vooral van belang voor vormen van straatcriminaliteit zoals drugshandel en prostitutie, waarin veel contant geld omgaat. Het belang van verhulling en integratie van de geldstromen is navenant gegroeid. In een wereld waarin financiële transacties steeds meer digitale sporen achterlaten, is het moeilijker geworden om de buit uit handen van de opsporingsdiensten te houden.
De mensen die daar de meeste ervaring mee hebben, zijn hackers. Zij hebben nieuwe manieren gevonden om gestolen geld weg te sluizen, mede met dank aan bitcoin en andere cryptovaluta, waarmee je overschrijvingen niet alleen praktisch anoniem (of op zijn minst onder een schuilnaam) kunt doen, maar ook grotendeels buiten het zicht van de toezichthouders die over de traditionele financiële wereld waken. Ook andere misdaadorganisaties beginnen de voordelen van digitaal witwassen daarom in te zien. Zelfs in de meer traditionele vormen van misdaad rukt het digitale domein op – van de drugshandel die steeds meer via het darkweb plaatsvindt tot de wildgroei aan online prostitutie. En dat leidt tot nieuwe witwasroutes.
Door de explosieve groei van de digitale witwaspraktijken raakt de technologiesector steeds meer bij criminaliteit betrokken. Dat komt niet alleen doordat criminelen gebruikmaken van de nieuwste technologische vondsten. Op een dieper niveau komen de aspiraties van de technologievernieuwers en de wensen van de witwassers met elkaar overeen.
Virtuele vluchtauto
Witwassers willen in wezen drie dingen: een financiële omgeving met koortsachtig veel activiteit en wild schommelende prijzen, zodat ze veel geld kunnen rondpompen zonder argwaan te wekken. Een wereldomspannend systeem dat het makkelijk maakt om crimineel geld in pakweg Los Angeles te storten en in Londen op te nemen. En geen of minimale regelgeving. Dezelfde drie factoren dus waar techbedrijven bij gedijen. De overgrote meerderheid daarvan stimuleert de financiële wanpraktijken niet bewust, maar ook zij hebben baat bij grote en instabiele markten waarop geld makkelijk van land naar land stroomt en waar ze kunnen profiteren van mazen in de regelgeving.
Iets anders wat beide partijen gemeen hebben is een libertaire inslag. Als het gezag oproept tot meer regelgeving om te voorkomen dat criminelen van de nieuwe technologie gebruikmaken, komen programmeurs en start-upondernemers meteen in het geweer tegen wat zij beschouwen als betutteling, en beschuldigen ze ‘trad-fi’ (de traditionele financiële wereld) van een slinkse campagne om de concurrentie van nieuwkomers te dwarsbomen.
Een goed voorbeeld van deze tegenstellingen zie je in het verhaal van Tornado Cash. In maart 2022 werd door hackers die vermoedelijk banden hadden met Noord-Korea voor 625 miljoen dollar aan cryptovaluta gestolen uit de cryptogame Axie Infinity. Een groot deel van dat geld werd witgewassen met behulp van Tornado Cash, een zogenaamde cryptomixer. Zo’n cryptomixer vermengt de door gebruikers gestorte cryptovaluta met andere, waarna bij opname van het geld de herkomst niet meer te achterhalen is. Er kunnen goede privacyredenen zijn om van zo’n mixer gebruik te maken, maar voor de hackers die bij Axie Infinity hadden ingebroken, was het in feite een virtuele vluchtauto.
De Amerikaanse overheid greep snel in: Tornado Cash kreeg sancties opgelegd waardoor het werd buitengesloten van het Amerikaanse banksysteem, en de twee softwareontwikkelaars die deze mixer zouden hebben opgezet werden aangeklaagd wegens witwassen en het overtreden van sancties. De reactie uit de techsector was al even direct. Cryptoactivisten spanden een proces aan tegen het Amerikaanse ministerie van Financiën omdat gebruikers door de sancties volgens hen werden beroofd van een essentieel privacyhulpmiddel. En critici vonden in het algemeen dat het Amerikaanse optreden een gevaarlijk precedent schiep voor softwareontwikkelaars wereldwijd. De mensen achter Tornado Cash mochten volgens hen niet verantwoordelijk worden gehouden voor het misbruik van hun product.
De autoriteiten en de techwereld staan hier dus tegenover elkaar. Overheden willen paal en perk stellen aan een volgens sommigen volledig losgeslagen technologiesector die innovaties uitrolt zonder zich om de maatschappelijke schade te bekommeren. Maar de cryptoliefhebbers hameren erop dat strenger toezicht funest zal zijn voor het technologische fundament waarop hun disruptieve nieuwe wereld rust. Het lijkt op de debatten rond de versleuteling van het berichtenverkeer in apps als WhatsApp en Telegram. Overheden willen een of andere vorm van wettelijke toegang tot de berichten op die platforms. Volgens de techwereld maakt zo’n voet tussen de deur uiteindelijk alle versleuteling zinloos.
Om die patstelling te doorbreken zullen beide partijen wat water bij de wijn moeten doen. Overheden en toezichthouders moeten zich beter verdiepen in de technologie waarop deze innovaties berusten en meer moeite doen om te doorgronden hoe ze precies werken. Alleen dan hebben ze volgens de techwereld recht van spreken. En de techneuten moeten inzien dat ze elke discussie bij voorbaat verloren hebben zolang hun dogmatische verdediging van innovatie door tegenstanders kan worden neergezet als bereidheid om grootschalige financiële misdaad te faciliteren. Ergens in het midden tussen die twee standpunten ligt de toekomst van de fintech-sector.
De Iraanse president Ebrahim Raisi is drukdoende het weinige nog resterende journalistieke toezicht op de leiders van de Islamitische Republiek onmogelijk te maken. Correspondenten zijn afwezig, en voor lokale verslaggevers bestaat persvrijheid niet.
Iran is nog net niet het onherbergzaamste land voor journalisten, maar het gaat wel hard die kant op. Volgens Verslaggevers Zonder Grenzen scoren alleen Vietnam, China en Noord-Korea lager dan Iran als het om persvrijheid gaat. Ebrahim Raisi, de meest meedogenloze president in de geschiedenis van de in 1979 opgerichte Islamitische Republiek, doet schijnbaar zijn uiterste best om ervoor te zorgen dat Iran Noord-Korea inhaalt.
De cijfers schetsen een verontrustend beeld. Zo telde het Comité ter Bescherming van Journalisten in oktober 2023 maar liefst 95 arrestaties van journalisten sinds de uitbraak van de ‘Woman, Life, Freedom’-demonstraties in het jaar ervoor. Sommige bronnen, waaronder de Internationale Federatie van Journalisten (IFJ), beweren dat zes van de gearresteerden nog steeds vastzitten. Ook zegt de IFJ dat negen journalisten die in dienst waren van aan de overheid gelieerde kranten zijn ontslagen vanwege hun politieke opvattingen, en dat aan acht (online)kranten disciplinaire maatregelen zijn opgelegd. De pro-hervormingsnieuwssite Ensaf News moest zijn directeur vervangen om te mogen blijven bestaan.
Een lokale verslaggever die Morseli op sociale media had bekritiseerd werd tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld
Onder het bewind van Raisi ligt de lat van wat wordt toegestaan lager dan ooit, waardoor er een aura van onschendbaarheid lijkt te hangen rond eenieder die zich in kringen van de macht bevindt. Zo leidde een door gebedsleider Hassan Morseli aangespannen rechtszaak in juni 2022 tot de veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf van een lokale verslaggever die Morseli op sociale media had bekritiseerd. En een pr-manager van het staatsbedrijf Bakhtar Regional Electricity diende in juli 2022 een klacht in tegen de website Bargh News om de identiteit van een anonieme reageerder te achterhalen; die had in een commentaar onder een nieuwsbericht het arbeidsethos van de manager bekritiseerd.
Fanatieke overheid
Tegenwoordig moeten journalisten in Iran zich laten registreren bij het ministerie van Cultuur en Islamitische Begeleiding. In ruil voor persoonlijke informatie, die het ministerie zorgvuldig bewaart, ontvangen zij hun perskaart. Betrokken ambtenaren zeggen dat dit initiatief Iraanse journalisten beschermt, maar daar denken journalisten wel anders over. Zij menen dat, net als bij de regulering van het internet, het ministerie hun juist een recht ontneemt.
Er was een tijd waarin journalisten zich konden beroepen op een grondwet die, ondanks zijn tekortkomingen, op zijn minst lippendienst bewees aan het idee van persvrijheid. Dat document maakt nu plaats voor fanatieke overheidsinstanties die mediabedrijven de mond snoeren en journalisten neerzetten als staatsvijanden.
Dat het medialandschap van Iran in staat van crisis verkeert, valt niet te ontkennen
Dat het medialandschap van Iran in staat van crisis verkeert, valt niet te ontkennen. Buitenlandse correspondenten die verslag doen zijn nergens te bekennen en het staatsmonopolie op alle vormen van uitzendingen maakt een onafhankelijk toezicht op het bestuur van de Islamitische Republiek nagenoeg onmogelijk. Grootspraak en propaganda geven de betreurenswaardige realiteit een rooskleurig tintje en de relatie tussen overheid en media is grotendeels transactioneel: lovende reportages worden beloond, kritiek afgestraft.
In oktober vertelde de Iraanse minister van Wetenschap Mohammad Ali Zolfigol studenten aan Sharif University of Technology dat Iran enkele van de ‘meest vrije universiteiten ter wereld’ heeft. De duisternis van zijn onbedoelde humor kan niet worden overschat. Na verloop van tijd leiden dit soort uitspraken tot minder verontwaardiging en worden ze genegeerd. En sympathisanten van de overheid verwijzen er juist naar als bewijs voor het feit dat Iran journalisten voorziet van ongekende veiligheid en bescherming.
Verdiensten van de regering
In 2019 verkondigde de toenmalige vicepresident Eshaq Jahangiri dat ‘Iran het meest vrije land in het Midden-Oosten’ was. Afgelopen augustus beweerde president Raisi dat vrijheid van pers en meningsuiting de verdiensten zijn van de Islamitische regering: ‘Geïnspireerd door het bloed van onze martelaren hebben we de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid gegarandeerd.’ Esmaeil Kowsari, commandant van de Iraanse Revolutionaire Garde en voormalig parlementslid, zei in reactie op de toenemende kritiek op het hardhandige optreden van de regering tegen de ‘Woman, Life, Freedom’-demonstraties van vorig jaar dat ‘het niveau van vrijheid van meningsuiting in ons land hoger is dan in Europa of Amerika’.
Een verslaggever uit de stad Rasjt, die spreekt op voorwaarde van anonimiteit, vertelt dat het ministerie van Cultuur en Islamitische Begeleiding onder de vorige president Hassan Rouhani de redactie van zijn tijdschrift adviseerde welke nieuwsonderwerpen voorrang moesten krijgen. Zo werd hun onder meer opgedragen om essays te publiceren over thema’s als familie, kinderen en sociale media. Als het tijdschrift deze richtlijnen niet navolgde, riskeerde het strafmaatregelen.
Het is dan ook logisch dat veelal kleine redacties ervoor kiezen de richtlijnen van de overheid te volgen
Iran heeft een staatskapitalistische economie; dat betekent dat de overheid invloed heeft op de privésector en bepaalt hoeveel financiering elke onderneming ontvangt. Binnen dit systeem kan zelfs de formeel onafhankelijke pers niet aan de genade van de uitvoerende macht ontkomen. Subsidies, belastingvrijstellingen, verzekeringsvoordelen en vervroegd pensioen zijn in Iran geen garanties, maar gunsten die je moet verdienen. Het is dan ook logisch dat veelal kleine redacties ervoor kiezen de richtlijnen van de overheid te volgen.
Paramilitaire militie
Volgens de verslaggever uit Rasjt is dit systeem in de afgelopen jaren ietwat veranderd. Zo is het ministerie van Cultuur inmiddels vervangen door de Basij, een paramilitaire militie die sinds 2011 over een mediatak beschikt. De Basij controleert de verslaggeving van lokale media en organiseert conferenties over thema’s zoals de toestand in Palestina, het verplicht dragen van de hijab, kuisheid, seksesegregatie, nucleaire zelfvoorziening, sjiitische rouwrituelen en de nalatenschap van generaal Qassem Soleimani. Lokale journalisten worden gesponsord om deel te nemen aan deze evenementen en er verslagen over te schrijven. De ‘krachtigste’ stukken komen in aanmerking voor soms royale geldprijzen.
Kranten en tijdschriften worden minder vaak gesloten dan voorheen. Niet omdat de Islamitische Republiek zich niets aantrekt van publieke of internationale kritiek, maar omdat sluitingen bijdragen aan de werkloosheid. Als alternatief plaatst de overheid liever plotselinge verboden op verkooppunten of probeert het nieuwsconsortia en uitgeversbedrijven te nationaliseren: een relatief goedkope strategie.
Neem Hamshahri, een enorm mediabedrijf dat in 2008 werd opgericht en momenteel zeven kranten, tijdschriften en websites onder zijn hoede heeft. Op zijn hoogtepunt had het bedrijf maar liefst achttien dochterondernemingen en gold het onder de leiding van een van de meest gerenommeerde journalisten van het land als betrouwbare informatiebron. Vandaag de dag is het bedrijf in handen van Alireza Zakani, de ultraconservatieve burgemeester van Teheran, en bestaat de missie naar eigen zeggen uit verslaggeving ‘binnen het kader van de doelen en waarden van de Islamitische Revolutie’ en het opleiden van ‘mediapersoneel dat loyaal is aan het heilige systeem van de Islamitische Republiek’.
Studenten
Een andere grote naam in de Iraanse nieuwswereld die een klap kreeg als gevolg van het micromanagement van de overheid is het Iraanse Studentennieuwsagentschap. Dit werd in 1999 opgericht door het door de staat gerunde Academisch Centrum voor Onderwijs, Cultuur en Onderzoek als stem van de academische gemeenschap van Iran. Het was een nieuwsdienst die werd bemand door jonge hervormingsgezinde journalisten en studenten die de wereldbeschouwing van voormalig president Mohammad Khatami onderschreven. Het agentschap won het vertrouwen van zijn lezerspubliek en werd gezien als een uitstekende nieuwswebsite met een redelijk niveau van redactionele onafhankelijkheid. Maar vanaf het moment dat president Mahmoud Ahmadinejad aan de macht kwam, werd die relatieve openheid aangetast door diverse ontslagrondes. En onder het presidentschap van Raisi verwerd de organisatie tot een zoveelste spreekbuis voor totalitaire newspeak.
De website staat nu vol met ‘whataboutisme’ en onjuiste informatie over de wereldpolitiek, laster tegen een kwijnende hervormingsbeweging en sentimenteel geslijm over de extremisten van de regering-Raisi, waaronder een ononderbroken lofzang over de president zelf.
Hoewel deze sombere situatie weinig ruimte overlaat voor optimisme, zijn er wel degelijk enkele journalisten en progressieve (online)kranten in Iran die een tipje van de maatschappelijke sluier blijven oplichten en verhalen aan het licht brengen die de staat verborgen houdt.
De in augustus 2003 opgerichte krant Shargh Daily is een van de laatste restanten van een collectief van veelbelovende liberale kranten die opkwamen tijdens de hervormingsperiode. Sinds de oprichting is Shargh vier keer tijdelijk verboden geweest door de overheid. De meest recente sluiting, in 2012, was het gevolg van de publicatie van een prent over strijders uit de Irak-Iranoorlog die door de autoriteiten als kleinerend werd beschouwd.
Een andere pro-hervormingskrant, Ham-Mihan, roept herinneringen op aan de jaren rond de eeuwwisseling
Shargh heeft zijn status als bolwerk van kritische, vooruitstrevende journalistiek weten te behouden, zij het in verzwakte vorm. De krant produceerde onder andere een artikel over een gettowijk in de stad Mashhad, een onderzoek naar de dood van grensarbeiders die door de strijdkrachten onder vuur waren genomen, een onthullend verhaal over de vergiftiging van schoolmeisjes na de ‘Woman, Life, Freedom’-protesten en een vernietigend rapport over eerwraak.
Een andere pro-hervormingskrant, Ham-Mihan, roept herinneringen op aan de jaren rond de eeuwwisseling, toen tientallen uitgesproken kranten dapper en onverbloemd verslag leverden. Ham-Mihan, opgericht in 2000, is net als Shargh meerdere malen verboden geweest. De huidige redactie bestaat uit een aantal toonaangevende verslaggevers die het land niet hebben verlaten en tot nog toe geen slachtoffer zijn geworden van willekeurige vervolging.
Angst
In september 2023 publiceerde de krant een rapport waarin werd geconcludeerd dat de moord op Mahsa Amini door de zedenpolitie en het gewelddadig neerslaan van de daaropvolgende demonstraties tot angst en andere psychische aandoeningen hebben geleid onder de Iraanse bevolking. De verslaggevers spraken met apothekers in diverse steden en onthulden dat een op de vijf patiënten psychiatrische medicatie kreeg voorgeschreven.
De interviews en verhalen die in het rapport werden gedeeld, bevestigen een sluimerende geestelijkegezondheidscrisis, die wordt verergerd door politieke onderdrukking – een klap in het gezicht van de overheid, die aanhoudend stelt dat psychische aandoeningen niet in de media mogen worden besproken. Politici beschouwen de verwijzingen naar geestesziekten als een beschuldiging dat zij er niet in zijn geslaagd een veilige, gelukkige samenleving te creëren. Wanneer kranten dit dilemma openlijk bespreken, voelt de regering zich beledigd omdat dit zou suggereren dat het bestuur van de Islamitische Republiek het probleem zelf heeft veroorzaakt. Juist daarom moet volgens hen het debat onder het tapijt worden geveegd.
De journalistiek in Iran is gehandicapt en verlamd
De journalistiek in Iran is gehandicapt en verlamd. Maar dat betekent niet dat het potentieel van de Iraanse journalisten is verdwenen en dat ze geen stevig, respectabel werk meer kunnen leveren. Integendeel: ze grijpen iedere kans, hoe klein ook, aan om hun vak uit te oefenen.
Een langdurig tekort aan journalistiek onderwijs en een gebrek aan professionele trainingsmogelijkheden hebben de ontwikkeling van de Iraanse mediawereld aanzienlijk afgeremd. Eind december zaten er in Iran nog steeds minstens 62 verslaggevers achter de tralies – een wereldrecord. De journalistiek van het land is in levensgevaar, maar ademt nog steeds.
Een nieuwe beweging komt met een ander model om te strijden voor de rechten van de meest onzichtbare en gemarginaliseerde groepen binnen de Israëlische maatschappij. Heeft dat kans van slagen?
Sapir Sluzker Amran werkte nog voltijds als advocaat toen ze Dalal Daoud leerde kennen. Dat was in November 2018. Zoals elk jaar was Sluzker Amran op zoek naar een manier om aandacht te besteden aan de komende International Day for the Elimination of Violence Against Women (Internationale Dag voor de Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen).
Destijds zat Daoud, een Palestijnse inwoner van Israël, een gevangenisstraf uit van vijfentwintig jaar in Israëls enige vrouwengevangenis, Neve Tirtza, voor de moord op haar man, die haar stelselmatig had mishandeld, verkracht en haar binnenshuis had geketend. Nadat Sluzker Amran had gehoord over Daouds verhaal, en ze haar aan de telefoon had gesproken, stond haar besluit vast: dit jaar zou ze geld inzamelen voor Daoud, zodat ze wat spullen zou kunnen kopen in het gevangeniswinkeltje. Op die manier wilde Sluzker Amran haar duidelijk maken dat er buiten de gevangenis vrouwen waren die zich haar lot aantrokken.
Maar meteen bij hun eerste ontmoeting begreep Sluzker Amran dat geld voor het gevangeniswinkeltje slechts het begin was van hun relatie. Ze besloot een campagne op te zetten om Daoud vrij te krijgen en ging minder werken zodat ze één dag per week kon besteden aan de coördinatie van dit project.
Het werkte. Na enkele maanden campagne voeren kwam Daoud in juni 2019 voorwaardelijk vrij
‘Een kleine groep vrouwen en enkele organisaties sloten zich aan bij de campagne, en alle plannen werden samen met Dalal uitgewerkt,’ vertelt Sluzker Amran aan +972 Magazine. In de campagne werden straatprotesten gecombineerd met breed opgezette acties op social media en aandacht in de traditionele media, en daarnaast werd er gelobbyd in de Knesset – dit alles met de bedoeling om het verhaal van Dalal in een ander perspectief te plaatsen. De nadruk kwam te liggen op haar veerkracht en haar vermogen om zich te handhaven in een onmogelijke situatie.
Het werkte. Na enkele maanden campagne voeren kwam Daoud in juni 2019 voorwaardelijk vrij. Niet alleen had het leven van Daoud een radicale wending genomen, het succes van de campagne betekende ook een keerpunt voor Sluzker Amran nadat ze bijna tien jaar lang had geprobeerd haar radicale activisme te combineren met haar carrière in de advocatuur. ‘Op de dag dat Daoud vrijkwam, besloot ik te stoppen met mijn werk als advocaat omdat ik merkte dat ik op deze manier meer effect kon sorteren,’ zegt ze.
Formule voor succes
Sluzker Amran beschikte over een formule voor succes, maar ze beschikte nog niet over de middelen om die formule ook op grotere schaal toe te passen. Daar had ze een beweging voor nodig, en ze wist precies tot wie ze zich zou moeten wenden om een dergelijke beweging van de grond te krijgen: Carmen Elmakiyes Amos, met wie ze al heel lang samen actievoerde. De beide vrouwen zetten zich in op verschillende terreinen die allemaal te maken hebben met armoede en huisvesting. Ze droomden er allebei van hun activisme naar ‘een hoger plan te tillen en meer te structureren’, zegt Elmakiyes Amos.
En zo zag eind 2019 een nieuwe beweging het licht: Shovrot Kirot (Hebreeuws voor ‘Muren neerhalen’, in de vrouwelijke vorm).
De naam van de beweging is een hommage aan een gedicht van Vicki Shiran – een van de grondlegsters van het Mizrachim-feminisme [Mizrachim zijn Joden die uit Arabische of moslimlanden naar Israël zijn geëmigreerd]. Het gedicht vertelt het verhaal van een Mizrachim-vrouw uit de periferie die de muren waartussen ze gevangen zat neerhaalde en vervolgens wegvloog. De naam is ook bedoeld als een veeg uit de pan naar het traditionele ‘liberale’ feminisme, dat geen oog zou hebben voor racisme en de financiële problemen waar veel niet-witte vrouwen mee worstelen.
‘Wij hebben het over de vrouwen die muren moeten neerhalen voordat ze door welk glazen plafond ook kunnen breken’
‘[Liberale feministen] hebben het altijd over het glazen plafond en over op het schild gehesen, geprivilegieerde vrouwen die een inspiratie voor ons zouden moeten zijn,’ zegt Sluzker Amran. ‘Wij hebben het over de vrouwen die muren moeten neerhalen voordat ze door welk glazen plafond ook kunnen breken – vrouwen die niet eens een huis hebben, of die geen geld hebben om de elektriciteitsrekening te betalen, of die bang zijn te worden vermoord door hun man. Dat zijn de meest inspirerende leiders die we hebben.’
Het verhaal van Sluzker Amran en Elmakiyes Amos begint meer dan tien jaar geleden, in de zomer van 2011. De demonstraties in Israël voor ‘sociale rechtvaardigheid’ hebben zich uitgebreid naar de chique Rothschild Boulevard in Tel Aviv, midden in het financiële district, en in het hele land grijpt de onvrede in razend tempo om zich heen. Honderdduizenden mensen gaan de straat op en slaan tenten op, in reactie op de krapte op de woningmarkt en het onbetaalbare levensonderhoud op het platteland. Ze schreeuwen de bekende leuze die is geïnspireerd op de Arabische Lente: ‘Het volk eist sociale rechtvaardigheid!’
Voor Sluzker Amran, die destijds twintig was, betekende de golf van protesten het begin van haar activistische reis: nadat ze had gelezen over de demonstraties, besloot ze naar de tenten op Rothschild Boulevard te gaan en zich aan te sluiten. Maar wat ze daar aantrof was geen radicale beweging die iets wilde doen aan de benarde omstandigheden van de meest gemarginaliseerde groeperingen binnen de samenleving, maar een groep van voornamelijk Ashkenazi-activisten uit de middenklasse, die op de allereerste plaats probeerden de huren in Tel Aviv naar beneden te krijgen. Gedesillusioneerd keerde ze huiswaarts.
Dezelfde financiële problemen
In het belangrijkste tentenkamp van de demonstranten leek men zich niet bewust van het feit dat niet alle Israëli’s worstelen met dezelfde financiële problemen. De Mizrachim worden al tientallen jaren gediscrimineerd en gemarginaliseerd door het Ashkenazi-Zionistisch establishment, waardoor er binnen de Joods-Israëlische maatschappij een etnische onderklasse is ontstaan. De Mazrachim verzetten zich al sinds de oprichting van de staat tegen hun onderdrukking – van opstanden in de ma’abarot [doorgangskampen] begin jaren vijftig en de rebellie van 1959 in Wadi Salib, een wijk in Haifa, tot de protesten van de Black Panthers begin jaren zeventig. Maar de strijd voor enerzijds een eerlijke herverdeling van de natuurlijke rijkdommen en anderzijds de erkenning van het onrecht uit het verleden, gaat tot vandaag de dag door.
Toen de protesten in 2011 om zich heen bleven grijpen, ging Sluzker Amran met een eigen tent terug naar de protesten en vond aansluiting bij een andere groep mensen, het zogenaamde ‘No Choice’-kamp, bestaande uit mensen die geen enkele andere vorm van onderdak hadden, een groep waarmee ze meer affiniteit voelde. ‘Ik vond niet per se aansluiting bij de studenten of bij mensen van mijn eigen leeftijd, maar veel meer bij de daklozen, de alleenstaande moeders, de mensen die net uit de gevangenis kwamen en een plek moesten hebben om te wonen,’ zegt ze. Geleidelijk vond Sluzker Amran haar weg naar de parallelle tentenkampen die waren opgeslagen in de over het algemeen armere en voornamelijk door Mizrachim bevolkte buurten in het zuiden van Tel Aviv, waar een gemeenschappelijke kennis haar in contact bracht met Elmakiyes Amos.
‘Wij wilden dat er ook gepraat zou worden over allerlei kwesties die als een stuk minder sexy werden beschouwd’
Dat bleek een van de vele bepalende ontmoetingen te zijn tussen Mizrachim-activisten, in die zomer waarin overal de initiatieven uit de grond schoten. De vrouwen vonden elkaar in hun kijk op de mainstream protestkampen. ‘Wij wilden dat er ook gepraat zou worden over armoede, over sociale huisvesting, over kindertoeslagen – over allerlei kwesties die als een stuk minder sexy werden beschouwd,’ zegt Elmakiyes Amos. Zo stak ze op een avond met een groep activisten de koppen bij elkaar en werd er besloten een nieuwe beweging in het leven te roepen, Lo Nechmadim/Lo Nechmadot (‘niet aardig’, zowel mannelijk als vrouwelijk, een ironische verwijzing naar de beschrijving die de toenmalige premier Golda Meir had gegeven van de Israëlische Black Panthers, nadat ze die in de jaren zeventig had ontmoet).
Nadat de mainstream protesten van 2011 weer waren geluwd, bleef Lo Nechmadim/Lo Nechmadot jaren onvermoeibaar strijd leveren voor sociale huisvesting in Israël, samen met een aantal andere grassrootsbewegingen en -organisaties. Deze groeperingen demonstreerden geregeld voor de deur van ministers; in hun ogen waren de privéwoningen van gekozen bestuurders legitieme plekken om te demonstreren als deze politici er verantwoordelijk voor waren dat andere mensen uit hun huis werden gezet. Maar al hun inspanningen leverden frustrerend weinig resultaat op en zowel Sluzker Amran als Elmakiyes begreep dat, zoals de eerste het formuleerde, ‘de manier waarop we ons hadden georganiseerd in het begin prima had gewerkt, maar dat het nu tijd werd voor iets anders’.
Geen enkele link
Terugkijkend op hun ervaringen met ngo’s, en in het besef dat ze niet in staat waren gebleken de gewenste veranderingen binnen de Israëlische maatschappij te realiseren, zagen Sluzker Amran en Elmakiyes Amos een structureel probleem, dat zij de ‘ngo-driehoek’ noemden. Er is geen enkele link, betogen zij, tussen de ‘experts’ die werkzaam zijn binnen mensenrechtenorganisaties; hun cliënten binnen de gemarginaliseerde groepen in de samenleving, die vaak afhankelijk zijn geworden van de steun van de ngo’s; en diegenen die het werk van de ngo’s financieren, meestal grote internationale stichtingen, rijke buitenlandse geldschieters of zelfs buitenlandse regeringen.
Het Shovrot Kirot-model beoogt deze drie categorieën samen te voegen tot één: de ‘cliënten’ zouden zelf het voortouw moeten nemen in de strijd voor hun rechten, goeddeels gefinancierd door kleine donaties die de beweging in staat stellen haar onafhankelijkheid te bewaren. ‘Mensen die ooit dit soort werk hebben gedaan weten precies hoe wezenlijk die vrijheid is,’ zegt Elmakiyes Amos. Na twee jaar zijn de eerste successen van dit model al zichtbaar: ‘We zien vrouwen die een jaar geleden nog door ons werden geholpen, maar die nu partner kunnen worden in de beweging – als donor of als activist – omdat ze het hoofd boven water kunnen houden,’ voegt ze eraan toe.
‘Mijn streven is dat niemand hoeft door te maken wat ik heb doorgemaakt’
Daoud is hier een uitstekend voorbeeld van. Nadat ze was vrijgelaten uit de gevangenis sloot ze zich als activist aan bij Shovrot Kirot, en inmiddels geeft ze leiding aan een ‘community’ (de naam die binnen de beweging wordt gebruikt voor een groep activisten die strijden voor een specifiek doel) die zich bezighoudt met gevangenisstraffen en rehabilitatie, specifiek van vrouwen. ‘De mensen buiten de gevangenis hebben geen idee wat zich daar afspeelt,’ zegt Daoud tegen +972. ‘Maar ik weet nu hoe ik mensen kan helpen als ze in de gevangenis zitten, en nadat ze zijn vrijgekomen – met zaken als geld, zorg en opvang. Er zijn wezenlijke dingen die we kunnen doen zodat deze vrouwen een nieuwe start kunnen maken en niet afhankelijk hoeven te zijn. Mijn streven is dat niemand hoeft door te maken wat ik heb doorgemaakt.’
Maar ondertussen blijkt het niet eenvoudig om de beweging gaande te houden met alleen kleine donaties. Elmakiyes Amos legt uit dat het met name bij dit soort projecten moeilijk is om financiering te krijgen. Er zijn namelijk maar weinig mensen die zich hiervoor willen inzetten als ze er niet zelf direct mee te maken hebben gekregen – omdat ze bijvoorbeeld in sociale huurwoningen zitten, de elektriciteitsrekening niet kunnen betalen of zelf ooit hebben vastgezeten. Deze situatie werd nog eens verergerd door de uitbraak van de corona-epidemie kort na het opzetten van hun beweging. ‘We houden het hoofd nog net boven water, maar als we nog langer willen doorgaan, zal ons maandelijkse budget van kleine donaties omhoog moeten,’ zegt Elmakiyes Amos.
‘Dat vrouwen in armoede leven, en dan met name Mizrachim of vrouwen uit Ethiopië, laat de meeste mensen min of meer koud,’ vervolgt ze. ‘Het lijkt erop dat veel mensen die zich mensenrechtenactivist noemen zich niet zo graag bezighouden met onze problemen en onze mensen. Het is echt lastig om mensen ervan te doordringen dat kwesties als armoede, het recht op onderdak en het recht op elektriciteit een onlosmakelijk deel zijn van de strijd voor mensenrechten in Israël, en dat deze kwesties even belangrijk zijn als de strijd tegen de bezetting en de strijd voor democratie. Natuurlijk is die strijd belangrijk, maar er spelen ook nog andere dingen die volkomen uit beeld zijn verdwenen.’
Speerpunt
Voor Shovrot Kirot blijft de strijd voor sociale woningbouw een speerpunt, in navolging van Lo Nechmadim/Lo Nechmadot en andere bewegingen die daaraan voorafgingen. Momenteel staan er in Israël meer dan dertigduizend gezinnen op een wachtlijst voor sociale huurwoningen, terwijl duizenden andere gezinnen zich niet eens kunnen inschrijven vanwege de stringente criteria die de regering heeft opgesteld. En omdat binnen dit systeem arme Mizrachim-vrouwen het sterkst worden uitgebuit, is het een strijd met een uitgesproken feministisch en Mizrachim-karakter.
Nog los van het gebrek aan sociale huurwoningen en het feit dat het ongekend moeilijk is zo’n woning te bemachtigen, hebben de huurders nauwelijks een poot om op te staan als de autoriteiten besluiten ze uit hun huis te zetten, waardoor hun woonsituatie zeer hachelijk is. In de afgelopen jaren is Givat Amal, een buurt in het noorden van Tel Aviv, uitgegroeid tot een krachtig symbool van dit verrotte systeem en van de strijd voor rechtvaardigheid – een strijd waarin Shovrot Kirot weer haar unieke organisatiemodel heeft ingezet.
‘In 2011 gingen mensen de straat op omdat ze het gevoel hadden dat ze geen steun meer kregen van de staat’
‘In 2011 gingen mensen de straat op omdat ze het gevoel hadden dat ze geen steun meer kregen van de staat,’ zegt Ronit Aldouby, die lid is van het actiecomité van Givat Amal, en die in de buurt heeft gewoond totdat in november 2011 de laatste bewoners met geweld uit hun huis werden gezet, waarna de huizen met de grond gelijk werden gemaakt.
Het verhaal van Givat Amal is een verhaal van uitbuiting, verwaarlozing en verbroken beloften. Givat Amal is ontstaan in 1947, oorspronkelijk vanuit een Ashkenazi-Zionistisch establishment dat de Mizrachim beschouwde als ‘menselijk materiaal’ voor de kolonisatie van Palestina. De eerste Joodse inwoners vestigden zich daar om te voorkomen dat de Palestijnse vluchtelingen uit al-Jammasin al-Gharbi zouden terugkeren. Maar het werd de Mizrachim-families wettelijk onmogelijk gemaakt om de panden te kopen waarin ze woonden.
Ondanks veelvuldige beloften dat de inwoners van Givat Amal niet uit hun huis zouden worden gezet zonder volledig te worden gecompenseerd en zonder dat er voor andere woonruimte werd gezorgd, werd het land waarop ze woonden herhaaldelijk doorverkocht. Totdat de huidige eigenaar, onroerend goed tycoon Yitzhak Tshuva, in 2005 uiteindelijk instemde met een grootschalig project waarmee hun uitzetting een feit werd. De inwoners hebben jaren strijd geleverd, wat heeft geresulteerd in een pakket compensatiemaatregelen waarmee de laatst overgebleven inwoners uiteindelijk akkoord zijn gegaan vlak voordat ze zouden worden uitgezet. Maar het geld is blijven steken op het ministerie van Justitie onder Gideon Sa’ar (wiens New Hope-partij tegenwoordig ook het ministerie van Huisvesting in handen heeft).
Sleutelrol
Shovrot Kirot heeft een sleutelrol gespeeld in wat Aldouby de ‘Sisyfusstrijd’ van de inwoners heeft genoemd, een strijd die ze voeren sinds de oprichting van de groep in 2019 – al zijn de oprichters en de activisten al bij de strijd betrokken sinds 2014, het jaar waarin zo’n tachtig gezinnen in deze buurt uit hun huis werden gezet. ‘Die jaren leverden we strijd om een einde te maken aan de uitzettingen, en Carmen en Sapir begeleidden ons bij alle protestacties. Ze waren ook bij de uitzettingen – Sapir is zelfs een keertje opgepakt.’
Tijdens een demonstratie begin februari, mede georganiseerd door Shovrot Kirot, om rechtvaardigheid te eisen voor de bewoners die uit hun huis waren gezet, blokkeerden zo’n honderd actievoerders het drukke kruispunt tussen Givat Amal en het appartement van Gideon Sa’ar – een appartement dat, wrang genoeg, uitkijkt op wat nu de ruïnes van een platgegooide buurt zijn. Met bordjes, megafoons en trommels, en met in hun kielzog tientallen agenten, scandeerden de actievoerders: ‘Criminele regering, maak een einde aan de uitzettingen!’ en ‘We blijven strijden voor compensatie!’ Bij de toegang tot Givat Amal, naast een tiental waxinelichtjes die zo waren neergezet dat ze de woorden ‘We zullen niet vergeven’ vormden, stond een handgeschreven bord met daarop de naam Shovrot Kirot, en als tekst: ‘Het beleid om mensen uit hun huis te zetten is geweld tegen vrouwen.’
Hoewel de vrouwen nog altijd wachten op de door de regering toegezegde compensatie, putten ze er kracht uit dat ze er in ieder geval in zijn geslaagd de regering onder druk te zetten. Het feit dat ze, op instigatie van Shovrot Kirot, nieuwe tactieken hebben ingezet – en vooral het besluit om het juridische strijdperk te betreden, naast het organiseren van demonstraties en het werven van steun via nieuwe én traditionele media – heeft hier ook een rol gespeeld.
‘Carmen en Sapir gingen met andere activisten naar de debatten in de Knesset,’ zegt Aldouby. ‘Ze zitten zelfs in de WhatsAppgroep van het buurtcampagneteam, ontvangen alle updates en denken met ons mee over wat de volgende stappen moeten zijn. Ze staan naast ons, bij alles wat er gebeurt en bij elke beslissing die er wordt genomen.’
Ook hier worden alleenstaande moeders het zwaarst getroffen door het overheidsbeleid
Hoewel Shovrot Kirot zichzelf bestempelt als Mizrachim-feministische beweging, zit de beweging zo in elkaar dat er makkelijk aansluiting kan worden gevonden tussen de strijd van de Mizrachim en de strijd van andere onderdrukte bevolkingsgroepen in Israël – zoals de Palestijnse inwoners. De afgelopen maanden is de beweging steeds actiever geworden in Jaffa, waar als gevolg van een agressieve gentrificatie het leven onbetaalbaar wordt voor de Palestijnen die er na de Nakba zijn blijven wonen. Ook hier worden alleenstaande moeders het zwaarst getroffen door het overheidsbeleid en het feit dat het gemeentebestuur niet in sociale woningbouw investeert.
In november 2021, in de week dat de laatste inwoners van Givat Amal uit hun huis werden gejaagd, besloot Farida Najar, een alleenstaande Palestijnse moeder die al vier jaar op de wachtlijst stond voor een woning, een tent op te zetten in een park in Jaffa, en daar met haar vier kinderen te gaan wonen. Al snel kreeg Najar gezelschap van acht andere moeders met hun kinderen, die ook hun tent opzetten in het park om te protesteren tegen het falende stadbestuur van Tel Aviv-Jaffa, dat geen oplossing had weten te vinden voor hun nijpende situatie. Uiteindelijk werd er een tijdelijke oplossing overeengekomen.
Ohad Amar, een sociaal-advocaat die in de raad van bestuur zit van Shovrot Kirot, ging naar het park om met de moeders te praten, en zette zich vanaf dat moment in om rechtsbijstand voor hen te regelen. ‘Toen ik de vrouwen sprak, werd me duidelijk dat ze geen van allen hebben waar ze recht op hebben, in termen van sociale zekerheid of huisvesting. Ze hebben geen van allen een advocaat, ze hebben niemand die hen kan helpen met het aanvragen van een uitkering,’ zegt hij tegen +972.
‘We proberen een groep vrijwilligers samen te stellen om dat te regelen, want het is ongekend moeilijk voor mensen om hun recht te halen,’ vervolgt hij. Voor de negen vrouwen in Jaffa die op deze manier hulp hebben gekregen is er een tijdelijke oplossing gevonden, en hun bijstandsaanvragen zijn ingediend. Maar, zo zegt Amar, zelfs als dat allemaal is geregeld, ‘leven deze vrouwen nog altijd in armoede’.
Ethiopische vrouwen
Ook Ethiopische vrouwen zijn oververtegenwoordigd in sociale woningbouwprojecten in Israël. Elmakiyes Amos herinnert zich een episode waarin een Mizrachim-vrouw, Rachel Levy, met haar kinderen uit huis werd gezet nadat haar moeder was overleden, omdat ze niet langer voldeed aan de voorwaarden voor een sociale huurwoning. ‘De autoriteiten wezen de woning toe aan een andere Ethiopische vrouw,’ zegt Elmakiyes Amos. ‘Toen zij Rachel zag, die na haar uithuisplaatsing een tent had opgezet in het gras voor de deur, bood ze haar verontschuldigingen aan. Maar Rachel antwoordde: “Jij kunt hier niets aan doen. We zouden niet hoeven te vechten om dit appartement; er zou een appartement voor jou moeten zijn en een appartement voor mij.” Naar mijn idee is dat de essentie van deze tragedie. Toen ik dat zag, werd me duidelijk hoe intrinsiek kwalijk dit beleid is, waarmee verzwakte groepen tegen elkaar op worden gezet. Het illustreert ook perfect de noodzaak voor verzwakte bevolkingsgroepen om samen op te trekken en dit soort verbonden aan te gaan.’
Het bevorderen van solidariteit tussen onderdrukte groepen is zeker een van de ambities van de activisten van Shovrot Kirot, al is het momenteel slechts een neveneffect van hun inspanningen. Voor nu is Amar ervan overtuigd dat er nog altijd spanning bestaat tussen mensen die strijden voor ‘sociale rechtvaardigheid’ en mensen die ‘politieke rechten’ propageren – hoofdzakelijk de Palestijnse strijd.
Een deel van deze spanning is terug te voeren op de aard van de links/rechts-dichotomie in Israël, waarin wat als ‘links’ wordt gezien – en dan met name als ‘zionistisch links’ – grotendeels wordt gelijkgesteld aan de rijkere, voornamelijk Ashkenazi-delen van de samenleving; terwijl dat wat als ‘rechts’ wordt beschouwd van oudsher het armere deel van de samenleving is, voornamelijk Mizrachim.
‘Ik weet niet of we er al aan toe zijn om te zeggen dat er een verband is tussen de rechten van de Palestijnen en het verzet tegen het kapitalisme’
‘We hebben nog niet de basis gevonden om samen op te trekken in alle campagnes en voor alle strijdpunten,’ zegt Amar. ‘Ik weet niet of we er al aan toe zijn om te zeggen dat er een verband is tussen de rechten van de Palestijnen en het verzet tegen het kapitalisme, en of we onze krachten al moeten bundelen. Links Israël kan zich makkelijker verhouden tot de bezette gebieden dan tot mensen die bijvoorbeeld zijn afgesneden van de elektriciteit, waarbij zij zich de vraag moeten stellen: “Tja, wil dat zeggen dat ik meer belasting zou moeten betalen?”’
‘Aan de andere kant,’ vervolgt hij, ‘staat onze gemeenschap open voor het idee van sociale rechtvaardigheid, dus we willen het graag in één en hetzelfde gesprek kunnen hebben over het debat over de rechten van de Palestijnen en het recht op sociale huisvesting. Volgens mij is dat de functie van Shovrot Kirot: mensen meer bewust maken van sociale rechtvaardigheid, zodat we strijd kunnen voeren tegen zowel het kolonialisme als kapitalisme.’
Eigen gemeenschap
Sluzker Amran is ervan overtuigd dat het strategische waarde heeft om je allereerst op de eigen gemeenschap te richten. ‘Niet dat we ons verzet tegen de bezetting opgeven – ik denk dat de Palestijnen een einde zullen maken aan de bezetting,’ benadrukt ze. ‘Maar tegelijkertijd kunnen we ervoor zorgen dat onze eigen gemeenschappen sterker worden. En we kunnen er samen over praten op een manier waar iedereen zich in kan vinden en waarbij we de overeenkomsten benoemen.’
‘Mij staat geen “vredeskamp” voor ogen, waarin de meeste mensen zeer geprivilegieerd zijn en afkomstig uit een milieu dat al behoorlijk links is,’ vervolgt Sluzker Amran. ‘Ik richt me op mensen die weten hoe het is om met politiegeweld te maken te krijgen, mensen die niet verbaasd opkijken als de politie Iyad al-Hallaq vermoordt [een 32-jarige autistische Palestijnse man die werd neergeschoten en gedood door de Israëlische politie toen hij niet stopte bij de controlepost Lions’ Gate in Jeruzalem], of als ze zien hoe de politie zich opstelt tegenover de Bedoeïenen in de Negev-woestijn of bij de vrijdagse demonstraties in het bezette Oost-Jeruzalem. In Givat Amal, maar ook op andere plekken, zien ze de uitzettingen in Sheikh Jarrah en in de Negev-woestijn, ze zien de foto van een oude vrouw die de agenten of de soldaten smeekt om in haar huis te mogen blijven.’
‘Het is niet hetzelfde,’ verduidelijkt Sluzker Amran. ‘Maar mensen zien de gelijkenissen. Dat is niet de reden dat ik dit doe, maar ik heb wel het idee dat ik me op deze manier verzet tegen de bezetting.’
Sivan Tahel, een activist van Shovrot Amran die zich voornamelijk bezighoudt met politiegeweld, ziet er geen meerwaarde in als de beweging zich zou voegen naar traditionele politieke labels. ‘Zeggen dat ik een Mizrachim-vrouw ben is al een politieke stellingname,’ betoogt ze, ‘omdat daarmee de machtsverhoudingen worden benoemd; niet of ik tot het “linkse” of het “rechtse” kamp behoor.’
‘Daarom zijn bewegingen als de onze ook zo belangrijk, want wij hebben eigenlijk geen politieke kleur’
‘Daarom zijn bewegingen als de onze ook zo belangrijk,’ vervolgt ze. ‘Want wij hebben eigenlijk geen politieke kleur. En wat is er zo radicaal aan om binnen het systeem op zoek te gaan naar een politieke kleur? Wij zijn activisten, waar wij naar streven is een verandering van het hele systeem, niet alleen van de mensen aan de top.’
Maar hoewel Tahel de overeenkomsten ziet tussen verschillende gemarginaliseerde groepen die met dezelfde sociale problemen worstelen, waarschuwt ze ook dat de verschillen niet moeten worden uitgevlakt. ‘Door bevolkingsgroepen met elkaar te verbinden, creëer je een mechanisme dat de tactiek van verdeel-en-heers ondermijnt,’ zegt ze. ‘Maar als we ons willen verenigen in de strijd, is het belangrijk om te onderkennen dat elke bevolkingsgroep uniek is.’
Ze licht toe: ‘Het is schadelijk om de Mizrachim-strijd altijd te zien als een poort naar de strijd van een andere gemeenschap die een zwakkere positie zou hebben dan wij, aangezien de Mizrachim meer dan zeventig jaar lang zijn onderdrukt en uitgesloten zonder dat er ook maar sprake is van enige rechtvaardigheid of compensatie. Als Mizrachim moet je constant strijd leveren om je plek op te eisen, en je moet mensen er voortdurend van overtuigen dat je de waarheid vertelt over het feit dat je wordt onderdrukt. Dus de Mizrachim hebben een eigen strijd, die ook gevoerd moet worden. En Shovrot Kirot geeft ons daar de kracht voor.’
Carlos Pérez Ricart van het CIDE, de Commissie voor Waarheidsvinding en Historische Opheldering, vraagt zich hardop af hoe ver de staat mag gaan om de geweldscrisis het hoofd te bieden. ‘Is Bukele het prototype van een nieuw Latijns-Amerikaans leiderschap van rechtse signatuur?’
Keuze uit het archief
Afgelopen week werd Nayib Bukele met duidelijke cijfers herkozen als president van El Salvador. Hij is in eigen land uiterst populair vanwege zijn meedogenloze strijd tegen de bendes die de bevolking voorheen terroriseerden. Buiten El Salvador is zijn imago wat minder rooskleurig: sinds hij in maart 2022 de noodtoestand heeft uitgeroepen om het bendegeweld aan te pakken, zijn willekeurige arrestaties, martelingen en het doden van gevangenen aan de orde van de dag.
In dit artikel van Sinembargo van april 2022 legt Carlos Pérez Ricart van het CIDE, de Commissie voor Waarheidsvinding en Historische Opheldering, uit wat de opkomst van leiders zoals Bukele betekent. ‘Wat er in El Salvador gebeurt, lijkt niet zozeer een erfenis van het verleden, maar een beeld van wat ons in de toekomst te wachten staat.’
Op het Twitteraccount van de president is een fotoverzameling te vinden: honderden afbeeldingen van getatoeëerde mannen. Allemaal zonder hemd en met vastgebonden handen; niemand die lacht. Sommigen staan met hun gezicht naar de muur, anderen kijken strak in de camera. Van de meesten zien we amper hoe hun rug zich ongemakkelijk kromt naar de knieën. Het zijn gevangenen; ze zijn zojuist gearresteerd. Op hun lichaam zie je de sporen van de klappen en zweepslagen die hun zijn toegediend: door het leven en door de politie.
De video’s op het Twitteraccount van de president zijn nog schokkender: personen die lange tijd gehurkt moeten staan in afwachting van hun beurt om te worden kaalgeschoren, kennelijke oproerkraaiers, in een kleine ruimte opeengepakt. Er staan summiere aanduidingen bij de beelden, 280 lettertekens, die niet voldoende zijn om de vreselijke hitte, de strontlucht en het zweet waarmee de opsluiting gepaard gaan te beschrijven.
Op het Twitteraccount wordt ‘de oorlog verklaard aan de gangsters’
Het gaat hier om het Twitteraccount van de populairste president van Latijns-Amerika, Nayib Bukele, de opperbevelhebber van het leger van El Salvador. Op het account wordt ‘de oorlog verklaard aan de gangsters’ en de ‘noodtoestand’ uitgeroepen in het kleinste land van Midden-Amerika. Het gaat hier om het drukst bezochte account over Latijns-Amerikaanse politiek, waar honderden aspirant-tirannen op het hele continent zich met bewondering aan vergapen.
De tweets van de laatste week geven een inkijkje in de relatie tussen Bukele en de bendes in zijn land. Niet dat ze het hele verhaal vertellen, daarvoor is een bezoek aan het kranten- en tijdschriftenarchief nodig. Nauwelijks kwam Bukele in juni 2019 aan de macht of hij begon een reeks geheime onderhandelingen met drie van de belangrijkste straatbendes (maras) van het land, de Mara Salvatrucha-1, Barrio 18 Revolucionario en Barrio 18 Sureños, berucht om hun tatoeëringen. Bukele beloofde verbetering van de gevangenisomstandigheden van de bendeleiders in ruil voor de toezegging dat hun criminele cellen het aantal moorden terug zouden brengen en dat ze de partij van de president electoraal zouden steunen.
De regering heeft het bestaan van zulke onderhandelingen altijd ten stelligste ontkend; niettemin is er een flink aantal door de nieuwssite El Faro opgeduikelde geluidsopnames, foto’s, geschriften en getuigenissen die onze bewering staven.
Akkoorden
Het werkte. De akkoorden tussen de regering van El Salvador en de straatbendes vormen de meest voor de hand liggende verklaring voor de daling van het aantal moorden in het land. Werden er voor de wapenstilstand gemiddeld tien mensen per dag vermoord, de laatste maanden staat het cijfer op iets minder dan drie. Een enorm succes voor een land dat tot voor kort werd beschouwd als het gewelddadigste ter wereld.
Zoals dat meestal gaat met dit soort experimenten functioneerde het pact… tot het ophield te functioneren.
Op zaterdag 26 maart werden er zestig moorden gepleegd in El Salvador. Volgens de eerste artikelen die hierover beginnen te verschijnen bereikte duizenden gangstergroeperingen in alle hoeken en gaten van El Salvador hetzelfde bevel. De boodschap bestond uit één enkel woord: ‘Adelante’ (Voorwaarts). Het was het begin van wat uiteindelijk zal worden aangeduid als de gewelddadigste dag uit de moderne geschiedenis van het land (en dat wil wat zeggen).
Wat ging er mis? Was de regering een van haar beloftes niet nagekomen? Werd de wapenstilstand opgeheven en is wat wij het weekend van 26 maart hebben gezien slechts een voorproefje van een criminele explosie zonder weerga? We weten het niet. Uit de eerste berichten valt in ieder geval op te maken dat de meeste slachtoffers toevallige passanten waren: bakkers, kooplieden, surfers. De stop die een poos op de moorden had gezeten is er weer af.
Nayib Bukele
President Nayib Bukele van El Salvador is een spektakelpoliticus die graag zijn toevlucht zoekt tot ophef en grilligheden. Dat zie je wel vaker bij naar autocratie neigende leiders: veel aandacht voor het imago.
In dat licht moet waarschijnlijk ook de videoboodschap worden gezien die hij op 5 juni 2021 overbracht tijdens een conferentie in Miami over cryptocurrencies en bitcoin. ‘Mijn naam is Nayib Bukele, ik ben de president van El Salvador,’ begon hij. Vervolgens legde hij in het Engels uit dat mensen vaker hun lot in eigen hand moeten nemen en dat hij daarom bitcoin tot officiële munteenheid van zijn land zou maken. ‘Welkom in de toekomst.’
El Salvador, het armste land van Latijns-Amerika, bekend om zijn koffie en de hoogste moordcijfers ter wereld. Een land waar zeventig procent van de inwoners niet eens een bankrekening heeft. Dat zou opeens voorop gaan lopen in de financiële revolutie?
Bukele liet er echter geen gras over groeien. Kort na zijn videotoespraak nam het Salvadoraanse parlement met een versnelde procedure een nieuwe wet aan, en sinds een half jaar is bitcoin nu het officiële betaalmiddel, naast de Amerikaanse dollar, die in 2001 als nationale munt werd ingevoerd.
Iedereen die dat wil, zou zijn boodschappen of belastingen nu moeten kunnen betalen met bitcoin. De regering belooft zoveel nieuwe banen en investeringen dat er een aparte stad voor gebouwd zal moeten worden: Bitcoin City. En ze gaan natuurlijk zelf ook cryptomunten minen, met computers die worden aangedreven door groene geothermische energie, afkomstig uit vulkanen.
Maar het slaat allemaal nog niet echt aan. Veel Salvadoranen zijn ontevreden over de bitcoinwet en ze beschuldigen Bukele van gokken met staatsmiddelen. Toen de overheid geldautomaten liet neerzetten waar je dollars en bitcoins kunt wisselen, staken demonstranten ze in brand. Sindsdien staan er zwaarbewapende soldaten naast. Digitaal betalen in het land lukt vooralsnog bijna nergens.
Noodtoestand
Bukele’s reactie – een mengeling van geschiedschrijving via de media en harde hand – liet niet op zich wachten. Diezelfde 26 maart nog, om acht uur ’s avonds, gaf hij op eigen gezag de Nationale Assemblee bevel in het hele land de noodtoestand af te kondigen. Een paar uur later al waren de eerste individuele basisrechten (het recht op vrijheid van meningsuiting en op samenscholing) opgeschort. De dagen erna werd een reeks hervormingen goedgekeurd die de politie de bevoegdheid gaven om zonder gerechtelijke toestemming telefoons af te tappen en de termijn dat iemand zonder voor de rechter te zijn geleid kan worden vastgehouden te verlengen van drie naar vijftien dagen. Andere maatregelen waren het instellen van gevangenisstraffen tot wel zestig jaar voor bendeleden en de mogelijkheid minderjarigen tot wel tien jaar van hun vrijheid te beroven. Er werd een raad van anonieme rechters ingesteld om deze gevallen af te handelen, een constructie die de weg vrijmaakt voor allerhande vormen van misbruik.
Alle nieuwe maatregelen gingen vergezeld van dreigementen aan het adres van rechters die ‘delinquenten bevoordelen’ met hun vonnissen en die de politie ‘niet hun werk laten doen’. Slachtoffers van de theatrale vertoning van Bukele waren ook de ngo’s die ‘angelitos’ (engeltjes) ‘beschermen’ en ‘romantisch afschilderen’ en zelfs het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten, een orgaan dat ‘bendeleden verdedigt’ en waaruit Bukele nu heeft gedreigd zich terug te trekken.
‘Ik zweer bij God dat ze geen hap rijst meer krijgen, en dan eens kijken hoelang ze het volhouden’
Wat volgde was het verbale geweld op Twitter: dreigementen om de maaltijden in de gevangenissen te schrappen (‘Ik zweer bij God dat ze geen hap rijst meer krijgen, en dan eens kijken hoelang ze het volhouden’), geen sanitaire benodigdheden meer te verstrekken, de opdracht om leden van vijandige bendes in dezelfde cel te stoppen. ‘Ze zullen op de grond slapen en ze zullen zelf het leed ondergaan dat zij het volk hebben aangedaan,’ aldus Bukele. Toen de noodtoestand negen dagen van kracht was meldde de regering de arrestatie van bijna zesduizend vermeende bendeleden. Het gaat om massa-arrestaties, waarbij het er niet toe doet of er belastend bewijs is.
Het is moeilijk te voorspellen hoe dit zal aflopen. Zoals meestal het geval is met dit soort ontwikkelingen die in het teken staan van improvisatie en machtsmisbruik, roepen ze meer vragen dan antwoorden op.
Voorbeeldfunctie
Mag de staat zijn voorbeeldfunctie opgeven om een crisis van deze omvang het hoofd te bieden? Stel dat de middelen effectief zijn, dan nog kun je je afvragen wat de prijs is als staatsinstellingen de gewelddadige praktijken van degenen die zij vervolgen overnemen. Hoeveel jaar achteruitgang betekent dit voorstel van de president van El Salvador wel niet? Wat kunnen de pers, de oppositie en de rest van de bevolking van de staat verwachten als met zo veel gemak de individuele vrijheden opzij worden geschoven?
Vanuit een ruimer perspectief bezien: loopt El Salvador voorop met een politiek programma dat de mensenrechten negeert en een beleid bepleit waarin de onafhankelijkheid van de rechtspraak met voeten wordt getreden? Is dat niet – met wat kleine veranderingen – dezelfde weg die Guatemala nu gaat?
Hebben we hier te maken met het prototype van een nieuw Latijns-Amerikaans leiderschap van rechtse signatuur?
Tot slot moeten we serieus stilstaan bij de vraag wat het leiderschap van Bukele inhoudt. Hebben we hier te maken met het prototype van een nieuw Latijns-Amerikaans leiderschap van rechtse signatuur? In hoeverre is het onvermogen van de regeringen in deze regio om een structurele oplossing te vinden voor de geweldsproblematiek de reden van het echec? Er is geen keus: of we beginnen eindelijk te zoeken naar een samenhangend antwoord op deze vragen, of we zijn gedoemd op dit heilloze pad verder te gaan.
Het is de hoogste tijd om het te hebben over wat nu in El Salvador aan de hand is. We moeten dat kleine land goed onder de loep nemen, want wat daar gebeurt lijkt niet zozeer een erfenis van het verleden – een typisch teken van onderontwikkeling –, maar een beeld van wat ons in de toekomst te wachten staat. Een heel somber beeld.
Zuid-Afrikaanse gemeenschappen die het vóór corona al zwaar hadden, nemen het heft in eigen handen omdat de overheid verstek laat gaan. Initiatieven worden opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk.
Eén avond per week, als ze gaan patrouilleren in de straten van Thembokwezi, laten Natasha Msweswe en Zanele Madasi hun kinderen alleen. Pas om middernacht zijn ze weer thuis. Het is potentieel gevaarlijk, maar ze hebben weinig keus. ‘We knijpen ‘m soms wel, maar we willen onze gemeenschap beschermen,’ zegt Madasi (31). ‘We willen het verschil maken.’
Thembokwezi is een wijk in Khayelitsha, het grootste, overbevolkte township van Kaapstad, waar bendegeweld, drugsmisbruik en werkloosheid welig tieren. De Zuid-Afrikaanse politie laat zich hier nauwelijks zien en daarom speelt een netwerk van buurtwachten een cruciale rol in de misdaadbestrijding. Thembokwezi is welvarender en veiliger dan de rest van het township, en dat willen de inwoners graag zo houden. ‘Natuurlijk werken we met de politie samen,’ zegt Phindile George, het hoofd van de buurtwacht, die vijftig vrijwilligers telt, onder wie Msweswe en Madasi. ‘Maar als we met de armen over elkaar gaan zitten wachten, krijgen bendes hier de vrije hand.’
‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven’
Zo nemen tienduizenden Zuid-Afrikanen, verspreid over het hele land, het heft in eigen handen. Sommigen geven les of zorgen voor een betrouwbare elektriciteitsvoorziening, anderen organiseren inentingscampagnes, repareren wegen, delen water uit of leveren beschermende kleding aan ziekenhuizen. Het zijn initiatieven die zijn opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die nu grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk. De gemene deler is een vrijwel volslagen gebrek aan vertrouwen in de Zuid-Afrikaanse overheid als probleemoplosser. ‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven. Het vertrouwen is tot het nulpunt gedaald. Het is een tragedie,’ zegt William Gumede, een gerespecteerd analist, gevestigd in Johannesburg.
Dat de overheid van het meest ontwikkelde land van het continent zich uit het dagelijkse leven heeft teruggetrokken, heeft verstrekkende gevolgen: het beïnvloedt de manier waarop mensen denken, zich gedragen en met elkaar omgaan, vooral in tijden van crisis. De dood van de alom gerespecteerde Desmond Tutu zorgde voor een moment van zowel rouw als paradoxale hoop. Na maandenlang door hachelijke omstandigheden uit elkaar te zijn gedreven, werden Zuid-Afrikanen weer even herinnerd aan wat hen onderling bindt.
Ontevredenheid
De meeste Zuid-Afrikanen hadden het al zwaar voor de pandemie losbrak. De ontevredenheid over het regerende ANC, de partij die sinds de val van het racistische, repressieve apartheidsregime aan de macht is, neemt al jaren toe. De economische groei was al aan het stagneren vóór het negenjarige bewind van Jacob Zuma, de populistische president die in 2018 werd ontslagen na talloze beschuldigingen van corruptie. Ondanks de goede bedoelingen van de huidige president, oud-vakbondsleider en mijnmagnaat Cyril Ramaphosa, is er sinds diens installatie weinig te vieren geweest. De economie liep tijdens de pandemie zware klappen op. Stroomonderbrekingen hebben fabrieken en bedrijven wekenlang lamgelegd en de openbare gezondheidszorg is door wanbeheer en corruptie ernstig uitgehold. Volgens de regering zijn er negentigduizend Zuid-Afrikanen overleden aan corona, maar uit betrouwbare oversterftecijfers komt een dodental naar voren dat twee tot drie keer zo hoog ligt. Het werkloosheidspercentage ligt op een schrikbarende 46 procent.
Tijdens de ergste verstoring van de openbare orde in decennia werden in juli 2021 in een groot deel van Zuid-Afrika winkelcentra geplunderd, warenhuizen in brand gestoken en cruciale infrastructuur aangevallen. Het geweld leek bewust aangewakkerd door afvallige facties binnen de regerende partij, die woedend waren dat Zuma wegens minachting van de rechtbank een gevangenisstraf opgelegd had gekregen, waardoor het vertrouwen in de overheid een verdere deuk opliep en een aantal Zuid-Afrikanen hun frustratie botvierden op straat.
Buurtwacht
De buurtwacht in Thembokwezi is bedoeld als aanvulling op de politie, maar in een ruiger deel van Khayelitsha is een gemeenschap de confrontatie met de plaatselijke autoriteiten aangegaan. Toen een strenge lockdown aan het begin van de pandemie in 2020 leidde tot grootschalige illegale ontruimingen, bezetten honderden daklozen een stuk braakliggend terrein om er houten en golfplaten huisjes te bouwen. ‘Politici houden ons al jaren voor dat ze hier huizen voor ons zullen neerzetten,’ vertelt gemeenschapsleider Mabhelandile Twani (40). ‘Ze houden zich niet aan hun beloftes, dus nu hebben we het heft in eigen handen genomen.’
Ondanks pogingen om deze mensen opnieuw te verdrijven, is hun buurt tot bloei gekomen. Er wonen inmiddels meer dan vijftienduizend mensen in de rijen met krotten op de zanderige grond. Elektriciteit wordt van beter voorziene straten in de buurt afgetapt. Twani noemt het ‘volksstroom’. De wijk staat bekend als Lockdown Village. En er zijn veel meer van dit soort nederzettingen, ontstaan uit de ellende die corona heeft veroorzaakt in een land dat zich geen steunmaatregelen kan permitteren zoals in Europa of de VS.
In de townships stelen drugsdealers watertanks van scholen
In Khayelitsha zijn er nu nederzettingen met namen als Sanitiser, Quarantine en Social Distance. ‘Het leven is nu zo zwaar. We krijgen geen overheidshulp. We proberen het zelf te rooien,’ zegt Nondwebi Kasba (73), die helpt bij het beheer van een gemeenschappelijke moestuin die buurtbewoners in het Illitha Park in Khayelitsha hebben opgezet om de allerarmsten te helpen. Ook Graaff-Reinet, een conservatief stadje in de Karoo-woestijn, duizend kilometer oostwaarts, kampt met tekorten aan voorzieningen die de overheid ooit bood. In de townships aan de rand van Graaff-Reinet stelen drugsdealers watertanks van scholen om de inhoud ervan naast cannabis en metamfetamine (crystal meth) te verkopen. Niemand meldt het bij de politie, ervan uitgaande dat die toch niet komt.
Banen zijn schaars. Opleidingsmogelijkheden waarmee jongeren aan hun situatie kunnen ontsnappen ook. Khanya Mbaile, een 31-jarige administrateur, hoopt een koffietent annex internetcafé te beginnen om de jongeren in het township waar ze woont een veilige ontmoetingsplek te bieden. Ze heeft met hulp van een ngo al zes computers aangeschaft. ‘We zijn allemaal doodop, maar er gloort een sprankje hoop,’ zegt Mbaile. De 58-jarige Louisa Masimela, een van de vele Zuid-Afrikaanse probleemoplossers, runt in een township ten zuiden van Graaff-Reinet een gemeenschapsschool voor jonge kinderen. De voormalige journaliste heeft geen vaste lokalen voor haar leerlingen, geen geld om de onderwijzers te betalen en drinkwater is ook een probleem. ‘Het valt allemaal niet mee, maar we willen onze kinderen een opleiding geven waarmee ze later kunnen uitvliegen,’ zegt Masimela. Dus heeft ze zelf oplossingen gevonden: een kerk biedt het schooltje doordeweeks ruimte aan en er zijn zeven vrijwilligers die lesgeven.
Water ontvangen ze van The Gift of Givers, een van de grootste ngo’s van Afrika. Die organisatie, volledig gefinancierd door particuliere donateurs, voornamelijk bedrijven, verdeelt jaarlijks 400 miljoen rand, circa 23 miljoen euro, aan hulp. In de provincie Oost-Kaap helpt de ngo ziekenhuizen door het verstrekken van broodnodige persoonlijke beschermingsmiddelen, medicijnen, zuurstofapparatuur, voedsel voor de patiënten en zelfs goodiebags om het personeel te motiveren. Elders in de provincie, een van de armste van Zuid-Afrika, heeft de ngo water naar arme gemeenschappen getransporteerd, waterputten gegraven, en zaden, veevoer en voedsel voor weeshuizen geregeld.
‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen. Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project’
‘Er zitten een hoop goede mensen in de regering die het juiste willen doen, en ik zie dingen veranderen. Het zijn geen enorme veranderingen, maar mensen willen de problemen aanpakken,’ zegt Imtiaz Sooliman, oprichter van The Gift of Givers. ‘We moeten de gaten opvullen, maar dat neemt de spanningen niet weg. De mensen vragen waarom wij het werk van de overheid doen.’
De recente gemeenteraadsverkiezingen zijn voor veel analisten een reden voor optimisme. Het ANC werd door de kiezers afgestraft: het verloor 8,3 procent aan stemmen en bijna duizend raadszetels. In veel kleine steden, waaronder Graaff-Reinet, werd de partij gedwongen de macht te delen en ook in steden als Johannesburg en Pretoria brokkelde haar positie verder af. In verschillende steden sloegen lokale gemeenschappen de handen ineen om politieke alternatieven te creëren die op aardig wat aanhang konden rekenen. ‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen,’ zegt William Gumede. ‘Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project.’
Politieke opties
Er is een duidelijke behoefte aan politieke opties die een authentiek alternatief bieden voor het ANC, maar die ontsnappen aan de giftige erfenis van het traumatische verleden van Zuid-Afrika. Dat het ANC de nationale politiek domineert, betekent dat de belangrijkste politieke gevechten binnen de organisatie plaatsvinden. Analist Judith Februari schreef in december voor Daily Maverick: ‘Van de onlusten in juli tot de falende inlichtingendiensten, van het groeiende antivax-sentiment tot het vasthouden aan kolenbelangen: de spanningen binnen de partij komen het land niet ten goede. Ramaphosa’s greep op de macht lijkt zwak en onvast.’
De langverwachte regen die een einde maakte aan de vijf jaar durende droogte heeft de landbouwsector geholpen om de elders geleden verliezen te compenseren, zeggen de boeren, maar de belangrijkste industrie, het toerisme, is door enorme verliezen aan omzet en werkgelegenheid zwaar getroffen door de pandemie. ‘Het is een regelrechte ramp,’ zegt de 59-jarige Kobus Potgieter, die een bed and breakfast runt op zijn boerderij even buiten Oudtshoorn, gelegen aan de spectaculaire Route 62, de beroemde, ooit drukbezochte toeristische autoweg. Na zestien jaar overweegt hij de handdoek in de ring te gooien, of op zijn minst af te slanken.
‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven’
Om potentiële bezoekers ervan te overtuigen dat het dorp veilig is, zette het toeristenbureau van Franschhoek met behulp van crowdfunding en financiële steun van grote bedrijven en de plaatselijke overheid een vaccinatiecampagne op poten. In november was 85 procent van de horecamedewerkers gevaccineerd. Maar net toen de toeristen begonnen terug te keren, gooide de omikron-variant met nieuwe reisverboden roet in het eten.
‘Het was een zware klap,’ zegt marketingmanager Ruth McCourt. In een van de landen met de meeste ongelijkheid ter wereld doorstaan sommigen de economische en politieke storm beter dan anderen. De inwoners van Franschhoek geven toe dat ze in een soort ‘bubbel’ leven. Dat geldt niet voor de half miljoen inwoners van Khayelitsha, die weinig bescherming genieten tegen de nieuwe coronagolf die door het land raast. ‘Het wordt een zwarte Kerst,’ zei Twani, de gemeenschapsleider in Lockdown Village, in december. ‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven. De mensen zijn boos. God weet wat er nog staat te gebeuren. Het kan alle kanten opgaan.’
Leger, marine en luchtmacht keren zich tegen Bolsonaro
De commandanten van het leger, de marine en de luchtmacht traden op dinsdag 30 maart af vanwege een conflict met de Braziliaanse president, die de dag ervoor de minister van Defensie had ontslagen. Volgens Folha de S. Paulo is de crisis tussen de Braziliaanse uitvoerende macht en het leger de ergste sinds 1977, toen minister van Defensie Sylvio Frota werd ontslagen te midden van een militaire dictatuur. De gerenommeerde Braziliaanse krant spreekt van ‘een primeur’.
Volgens het dagblad was het onbehagen over het onverwachte ontslag van Azevedo ‘te groot’. Deze laatste en zijn bondgenoten zijn van mening dat Bolsonaro ‘een rode lijn heeft overschreden’ door in het bijzonder voor te stellen een ‘staat van verdediging’ uit te roepen om te voorkomen dat in het hele land lockdowns worden afgekondigd.
‘Mijn leger’ zal dergelijke maatregelen niet toestaan, verklaarde de Braziliaanse president publiekelijk. Volgens Folha de S. Paulo is het verzet tegen de lockdowns waartoe de gouverneurs van de Braziliaanse staten besloten hebben om de verspreiding van het coronavirus te beteugelen, een ‘obsessie’ geworden voor de president, die de vaccinatiecampagne al tegen zijn wil heeft moeten omarmen.
De beperkende maatregelen roepen nog meer weerstand op dan de oproep tot vaccinatie, en Bolsonaro vreest dat ze zijn herverkiezing in 2022 ‘nog moeilijker’ zullen maken, concludeert het dagblad.
Bolsonaro roept de Braziliaanse bevolking op om te stoppen met ‘zeuren’ over covid-19
Ondertussen is de toestand in ziekenhuizen vanwege de agressievere Braziliaanse P.1-variant penibel, meldt Wall Street Journal, die een videoreportage op de intensive care in de staat Rio Grande do Sul maakte. ‘Volgens gezondheidswerkers neemt het sterftecijfer toe en verslechtert de toestand van patiënten die de P.1-variant dragen zeer snel.’
Volgens intensivecaremedewerkers is deze nieuwe golf van covid-19-gevallen het gevolg van een versoepeling van de maatregelen. Veel Brazilianen trotseren de maatregelen, legt de Wall Street Journal uit, daarin aangemoedigd door ‘een president die het virus blijft bagataliseren’. Bolsonaro roept de Braziliaanse bevolking op om te stoppen met ‘zeuren’ over covid-19.
Beladen controverse in Napels
Veel muren in de stad aan de voet van de Vesuvius worden gesierd door tekeningen ter ere van overledenen. ‘Het vieren van overleden dierbaren met portretten of kleine altaren op straat is een traditie die verband houdt met een zekere archaïsche religiositeit’, legt La Stampa uit.
‘Maar steeds vaker zijn de gezichten op de muren van de stad die van de doden die verband houden met de georganiseerde misdaad; jonge jongens die stierven als gevolg van illegale acties. (…) Emanuele Errico, Luigi Caiafa, Emanuele Sibillo, Ugo Russo en vele anderen. Ze hadden allemaal problemen met de wet, ze hadden allemaal recht op hun fresco, maar dat recht wordt nu bedreigd.’ Sommige portretten zijn al gewist.
In het centrumlinkse dagblad La Repubblica neemt een Napolitaanse advocaat de pen op (en hij is niet de enige) om de symbolische waarde van de ‘kunstwerken’ te verdedigen. ‘We zijn het er allemaal over eens dat de dood van tieners in het stadscentrum een tragedie is, maar om deze reden moeten we de dingen niet vereenvoudigen. De staat tegenover zijn vijanden plaatsen is zwart-wit. Een vijftienjarige jongen die wordt vermoord, is nog steeds een slachtoffer, en je kunt zijn dood niet bezweren door de verantwoordelijkheid bij hem zelf te plaatsen en te zeggen: ‘Hij heeft erom gevraagd.’”
Het verwijderen van het fresco van Ugo Russo (hieronder) is voorlopig opgeschort door de rechtbanken, maar de druk van de bewoners is vaak niet voldoende om de regering te dwingen terug te treden. Als vergelding werd bijvoorbeeld het portret van een Napolitaanse zanger beklad met een ‘verhulde bedreiging’, schrijft Corriere della Sera: ‘De doden moeten worden gerespecteerd, niet gewist.’ Belangrijk detail: dit fresco is gemaakt in samenwerking met het stadhuis van Napels, merkt het Milanese dagblad op.
Corriere zet het dilemma helder uiteen: ‘Enerzijds kunnen we de wens om de symbolen van een levensstijl die is gebaseerd op het negeren van regels en wettigheid, uit te wissen, niet betwisten, maar we kunnen ook erkennen dat een verflaag niet voldoende is om het probleem op te lossen, waarvan deze fresco’s slechts het gevolg zijn.
Gaan we getuige zijn van een slepende oorlog tussen twee teams, totdat een van de twee het terugvechten beu wordt? Het probleem is dat het om veel muren gaat, aangezien veel jonge mensen leven van (en sterven door) criminele handelingen. Een leger van schilders zou niet genoeg zijn om al deze gezichten van de muren van Napels en uit van ons geweten te roeien.’
Het belangrijkste dagblad van de stad, Il Mattino, deelt deze mening niet. Het is verheugd met de beslissing die ‘gemakkelijke compromissen vermijdt en geen consessies doet op het gebied van legaliteit’.
Om haar standpunt te illustreren, gebruikt de Napolitaanse krant geen grote woorden, maar haalt ze een voorbeeld aan dat het belang moet illustreren van het terugwinnen van het stedelijk grondgebied voor de bevolking zelf: ‘Denk aan het fresco van Luigi Caiafa. Hoeveel ouders moesten hier elke ochtend langs lopen en liegen tegen hun kinderen die hen vragen wie deze persoon was? Dat gezicht werd vereeuwigd vlak voor hun huis.’
Amazon-medewerkers krijgen mogelijk een eerste vakbond
Dinsdag begon de telling van de stemmen die zullen bepalen of werknemers in Bessemer, Alabama, de allereerste vakbond zullen vormen binnen een Amazon-magazijn in de VS, meldt ABC News.
Het initiatief voor een vakbond bij een van de grootste werkgevers in de natie heeft de aandacht getrokken van wetgevers en beleidsmakers, aangezien velen de stemming beschouwen als een keerpunt in de georganiseerde arbeidersbeweging, die de afgelopen decennia in de VS wegkwijnde.
De vakbondsformatie in Alabama zou bovendien een ‘precedent’ kunnen scheppen en andere Amazon-arbeiders in het hele land kunnen inspireren om dit voorbeeld te volgen.
Als het doorgaat, zullen de magazijnmedewerkers worden vertegenwoordigd door de Retail, Wholesale and Department Store Union (RWDSU). ‘Deze campagne is in veel opzichten al een overwinning geweest’, zegt RWDSU-voorzitter Stuart Appelbaum in een verklaring. ‘Ook al weten we niet hoe de stemming zal verlopen, we denken dat we de deur hebben geopend voor meer organisatie in het hele land; en we hebben laten zien hoe ver werkgevers zullen gaan om tegen te gaan dat hun werknemers een vakbondsstem krijgen. Deze campagne is het belangrijkste voorbeeld geworden van waarom in dit land hervorming van het arbeidsrecht nodig is.’
Vorige week bezocht senator Bernie Sanders Alabama om enkele van de arbeiders te ontmoeten die betrokken waren bij de vakbondsinspanningen. ‘Waar ik benieuwd naar ben is waarom de rijkste man ter wereld, Jeff Bezos, miljoenen uitgeeft om te voorkomen dat arbeiders een vakbond oprichten, zodat ze kunnen onderhandelen over betere lonen, secundaire arbeidsvoorwaarden en contracten’, tweette Sanders voorafgaand aan zijn bezoek, geciteerd door CNN.
Zijn tweet wekte woede van Amazon-directeur Dave Clark, die op Sanders’ tweet reageerde door op te merken dat het minimumloon van Vermont [waarvan Sanders senator is] $11,75 per uur bedraagt in vergelijking met Amazons $15. ‘De senator mag zijn onzinnige interpretaties bewaren tot hij zijn achtertuin op orde heeft’, aldus Clark.
Aan de andere kant van het spectrum heeft ook de Republikeinse senator Marco Rubio publiekelijk zijn steun voor de vakbond uitgesproken in een opiniestuk dat eerder deze maand doorUSA Today werd gepubliceerd.
Op de dag dat er voor de vakbond werd gestemd, bracht president Joe Biden een video op Twitter uit waarin hij zijn steun uitsprak voor de vakbonden en arbeiders aanmoedigde om ‘je stem te laten horen’.
‘Onze werknemers kennen de waarheid – een startloon van $15 of hoger, ziektekostenverzekering vanaf dag één en een veilige en inclusieve werkplek’
In reactie op een verzoek om commentaar meldde Amazon dinsdag aan ABC News dat ‘het RWDSU-lidmaatschap met 25 procent is gedaald tijdens de ambtsperiode van Stuart Appelbaum, maar dat is nog geen rechtvaardiging voor de heer Appelbaum om de feiten verkeerd voor te stellen’.
Het bedrijf vervolgt: ‘Onze werknemers kennen de waarheid – een startloon van $15 of hoger, ziektekostenverzekering vanaf dag één en een veilige en inclusieve werkplek. We moedigden al onze werknemers aan om te stemmen, en hun stem zal in de komende dagen worden gehoord.’
Corona heeft de wereld niet alleen in een gezondheidscrisis en een recessie gestort, het luidt volgens Capital ook een nieuw economisch bestel in, nu belangrijke principes van het kapitalisme buiten werking zijn gesteld.
Toen Berlijn in het voorjaar wegkwijnde, toen de meeste kantoren, restaurants en hotels waren gesloten en er geen toerist te bekennen was, werd één gast on-gewoon vaak in de hoofdstad gesignaleerd: Carsten Spohr, de baas van Lufthansa. Vaak zat hij te lunchen bij Midtown Grill op de Potsdamer Platz, waar ze uitstekende hamburgers serveren, maar vanwaar je ook de belangrijkste adressen – zoals het ministerie van Financiën en het kantoor van de Bondskanselier – snel te voet kunt bereiken. Na een paar minuten van de zon en de frisse lucht te hebben genoten, begaf de baas van Europa’s een-na-grootste luchtvaartmaatschappij zich dan naar bijeenkomsten met advocaten, ambtenaren, staatssecretarissen en ministers.
Op dat moment mocht het merendeel van de bijna zevenhonderd Lufthansa-vliegtuigen niet meer vliegen en zag de luchtvaartmaatschappij elk uur 1 miljoen euro verdampen. Spohr wist dat er maar één partij was die hem nu nog kon helpen: de overheid.
Zoals bekend had hij succes, want in juni redde de federale regering Lufthansa met een staatsbelang en een lening voor een totaalbedrag van 9 miljard euro. Maar dat was nog maar het begin. Ook reisconcern Tui kreeg een kapitaalinjectie, en nog eens dertig bedrijven – waaronder werven, staalconcerns en toeleveranciers in de auto-industrie – hebben Berlijn inmiddels laten weten dringend geld nodig te hebben. De regering heeft voldoende kapitaal gereserveerd, in de eerste ronde alleen al 100 miljard euro voor staatsdeelnames.
Corona heeft de wereld niet alleen in een gezondheidscrisis en een recessie gestort, het luidt ook een nieuw economisch bestel in. Belangrijke principes van het kapitalisme zijn buiten werking gesteld en de overheid dringt diep door in bedrijven, branches en markten. Centrale banken, staatshuishoudingen en bedrijven zijn met elkaar ‘verstrengeld als een bord spaghetti’, zegt top-investeerder Mohamed El-Erian.
In een crisis als deze lijkt de overheid het enige instituut dat het vliegwiel van de economie weer kan aanzwengelen, en daarom komt ze overal tussenbeide. Sinds maart is dat ook noodzakelijk, om het verlies van miljoenen banen te voorkomen. Wat dit aangaat hebben regeringen en centrale banken geleerd van de economische crises in het verleden. En toch heerst er bij veel mensen een diep gevoel van onbehagen: waar leidt dit toe op de lange termijn?
Die vraag is des te meer gerechtvaardigd als je ervan uitgaat dat de nieuwe macht van de overheid niet met het virus zal verdwijnen. Als we zijn bekomen van de schrik over de pandemie, zullen de oude twijfels terugkeren over de zegen van een vrijemarkteconomie, over de grote belofte van het kapitalisme dat het groei en welvaart voor iedereen zal brengen. En misschien zullen die twijfels zelfs nog dringender zijn. Daarom heeft Joe Biden, de verkozen president van de Verenigde Staten, een plan gemaakt voor een nieuw pakket van 3 à 4 biljoen dollar. Duizenden miljarden dus voor de gezondheidszorg, de consumptie, de modernisering van de openbare infrastructuur, de ecologische energietransitie, zuinigere auto’s, nieuwe koelkasten.
Natuurlijk zullen er nog altijd bedrijven en branches zijn waarvoor het business as usual is, die winst maken en gezond zijn – dat is zoals gewoonlijk een kwestie van vraag en aanbod. Ook zullen er op de financiële markten elke dag weer biljoenen de wereld over worden gejaagd. En toch breekt er een nieuw tijdperk aan voor het kapitalisme.
De dag dat de oude wereld teloorging, was 9 maart van dit jaar. De financiële markten waren al langer nerveus, maar die maandag stortten de beurzen en de grondstoffenmarkten in – de olieprijs daalde met ruim een kwart, de aandelenmarkten met 8 tot 10 procent. De besluiten die de belangrijkste centrale banken van de wereld in de dagen daarna namen, waren en zijn ongekend. De Amerikaanse Fed koopt sindsdien onbeperkt staats- en bedrijfsobligaties op. De Europese Centrale Bank (ECB) kwam eveneens met een extra programma om alle mogelijke waardepapieren op te kopen. Bijna veertig andere centrale banken over de hele wereld volgden die voorbeelden.
Dit soort interventies van centrale banken hebben iets onwerkelijks, door de onvoorstelbare bedragen en het hoge abstractieniveau. En ons dagelijks leven gaat gewoon door. We werken, doen boodschappen, proberen opdrachten binnen te slepen of wachten tot het leven weer is genormaliseerd. Maar ook wij merken de effecten van het vele geld; zo hebben de beurzen sinds de crash in maart 30 tot 40 procent aan waarde gewonnen en zijn ook de huizenprijzen in Duitsland onverstoorbaar verder gestegen. Wie voor de crisis vermogen had, zal tijdens de crisis waarschijnlijk nog rijker worden.
Geld speelt geen rol meer, is het devies van de postcoronawereld
Circa 2800 miljard euro aan staatsobligaties heeft de ECB inmiddels opgekocht, waarvan 700 miljard euro sinds eind maart. Van alle nieuw aangegane schulden door de eurolanden in 2020 heeft de centrale bank ruim 70 procent overgenomen. Nog eens 600 miljard euro heeft de ECB gestoken in bedrijfs- en consumentenleningen en pandbrieven. In totaal hebben de Fed, de ECB, de Bank of England en de Bank of Japan inmiddels schulden opgekocht ter waarde van omgerekend circa 18 biljoen dollar.
Het aanbod van de centrale banken in 2020 luidt dus: om de boel in coronatijd en daarna draaiende te houden verlenen we onbeperkt krediet. Geld speelt geen rol meer, is het nieuwe devies van de postcoronawereld. En als bedrijven aarzelen, delen regeringen gewoon uit aan het volk. ‘De schuldenlast van de overheid is irrelevant,’ zegt de invloedrijke Amerikaanse econoom Stephanie Kelton in een interview met Capital.
Paradigmaverschuiving
Historicus en econoom Adam Tooze heeft dit beleid als geen ander geanalyseerd. Hij zegt: ‘De kredietsystemen voor het bedrijfsleven zijn nauw verbonden met de staatshuishoudingen en de centrale banken.’ De scheiding tussen het fiscale en het monetaire beleid, vele decennia een dogma van het kapitalisme, is ten grave gedragen. Michael Heise, hoofdeconoom van vermogensbeheerder HQ Trust, spreekt van een ‘paradigmaverschuiving’ en waarschuwt: ‘Er wordt niet gesproken over de mogelijke gevolgen voor de lange termijn.’
De effecten van dit beleid zijn bijvoorbeeld te zien in de auto-industrie. Er zijn maar weinig branches waar de handel zo vaak via schulden verloopt. Deze nemen de vorm aan van leasecontracten of leningen, meestal van de huisbanken van de autofabrikant, die het geld daarvoor via obligaties verkrijgen. Zowel de leningen als de obligaties worden uiteindelijk opgekocht door de ECB, die al voor corona over circa 40 miljard euro aan obligaties en gesecuritiseerde leningen beschikte. Dat zou inmiddels wel eens aanzienlijk meer kunnen zijn. Het ontvangen geld van de ECB is beschikbaar voor nieuwe leningen, nieuwe auto’s of – via op de pof gefinancierde overheidssubsidies – voor elektrische auto’s.
In principe zijn er twee mogelijkheden voor de overheid om de conjunctuur te ondersteunen. Ten eerste door de consumptie te stimuleren, bijvoorbeeld via belastingverlagingen of cheques. Daarvan profiteert iedereen, maar dergelijke instrumenten zijn duur en het effect ervan is omstreden. Daarom nemen regeringen graag hun toevlucht tot gerichte hulp aan bedrijven en branches. Afgezien van de btw-verlaging is Duitsland met het conjunctuurpakket van 130 miljard euro vooral deze tweede weg ingeslagen. Directe hulp heeft verschillende voordelen, want het is beter te sturen en regeringen kunnen er doelen aan verbinden die ze belangrijk vinden.
Verzekeringsbedrijf
Zo trok de federale regering tot 9 miljard euro uit voor de opbouw van een waterstofeconomie, 5 miljard voor verbetering van het mobiele netwerk, 5 miljard voor kunstmatige intelligentie, 2,5 miljard voor de uitbreiding van de elektromobiliteit, nog eens 2 miljard voor de auto-industrie, 1,2 miljard voor nieuwe bussen en vrachtwagens, 1 miljard voor luchtvaartmaatschappijen die nieuwe vliegtuigen kopen (Lufthansa) en 2 miljard voor bouwbedrijven. ‘Alleen wie geen belangenbehartiger aan tafel had, stond met lege handen,’ zegt econoom Jan Schnellenbach hierover.
János Kornai, een voormalig hoogleraar economie aan de Harvard-universiteit, beschreef in 1986 wat er gebeurt wanneer bedrijven zich tot de overheid richten voor geld: ‘De bedrijfsleiding houdt zich dan niet bezig met de verkopen en de markt, maar met contacten met de bureaucratie.’ De overheid ‘functioneert dan als een allesomvattend verzekeringsbedrijf’, schreef Kornai. ‘Ze neemt alle verantwoordelijkheid voor riskante transacties op zich.’
Groei en welvaart
Lang voor corona zette econoom Mariana Mazzucato al vraagtekens bij het belangrijkste principe van liberale economen, namelijk dat groei en welvaart het best gedijen daar waar ondernemers ongehinderd zaken kunnen doen. Dat standpunt werd het felst verdedigd door de Oostenrijkse econoom Friedrich August von Hayek. Mazzucato bracht daartegen in dat alle varianten van hayekiaanse idealen – hoe mild ook – naïef zijn. Volgens haar onderschatte Hayek de rol van de overheid als ondernemer en manager schromelijk, omdat die tegenwoordig niet alleen de regels bepaalt, maar ook ideeënleverancier, grondlegger, financier en ontwikkelaar is. Van het begin van de spoorwegen tot de uitbreiding van atoomenergie en de ontwikkeling van internet, telkens hadden regeringen geld verstrekt, ideeën ingebracht, opdrachten gegeven en prioriteiten gesteld.
Zo beschouwd is de nieuwe rol van de overheid geen blinde escalatie, maar een consequente uitbreiding. Maar wie betaalt, wil meepraten, en die kans laten politici zich niet ontgaan. Integendeel: net als in de VS en Frankrijk, waar actief industriebeleid traditie is, willen ook de meeste Duitse politici in deze crisis niet meer het verwijt krijgen dat ze alleen maar geld aan het uitgeven zijn. Zo is er niet simpelweg een kooppremie voor auto’s, maar een voor de mobiliteitstransitie.
Maar wie dit interventiebeleid volgt, raakt al snel verstrikt in een spiraal van interventies. Aan de basis van elektromobiliteit lag de wens om de CO₂-uitstoot op straat terug te dringen. Daarom werden er voor fabrikanten reductiedoelstellingen geformuleerd; en omdat elektrische auto’s geen uitlaatgassen uitstoten, werden die met nul uitstoot in de berekeningen opgenomen. De autofabrikanten begonnen dus met het ontwikkelen van elektrische auto’s, zij het aarzelend, want de klanten bleven sceptisch. Dus greep de federale regering opnieuw in, dit keer met miljarden voor koopprikkels en de uitbreiding van het aantal laadpalen. Maar omdat ook dat niet voldoende was, kregen autofabrikanten subsidie voor de ontwikkeling van voertuigen, het onderzoek naar nieuwe accu’s en het opzetten van accufabrieken in Duitsland. En dit jaar zijn er ook nog eens hogere subsidies voor de aankoop.
‘De ECB zou de schulden voor eeuwig moeten laten staan’
Nu worden er inderdaad meer elektrische auto’s verkocht. Maar doordat de verkoop van benzine- en dieselauto’s slecht loopt, groeit de hoop – ook onder bedrijven die te lijden hebben onder de transformatie van de branche – op een volgende interventie van de overheid, in elk geval een verlenging van de werktijdverkorting tot eind 2021. Dan zijn de bedrijven tenminste de last van de loonbetalingen kwijt. De last om in de verkeerde tijd de verkeerde producten te fabriceren weegt dan nog maar half zo zwaar.
Groei noch winst
Martina Merz is niet te benijden. De algemeen directeur van staalconcern ThyssenKrupp strijdt op tal van fronten en na de verkoop van het enige bedrijfsonderdeel waarvan nog groei en winst mocht worden verwacht, de liftentak, is er niet veel meer over waarvan ze nog iets van een toekomstplan kan smeden. Sinds de zomer maakt ze er dan ook geen geheim van: ‘Staatsdeelname is een optie.’ En de politiek zegt geen nee, maar zegt momenteel alleen dat er een onderzoek naar loopt.
Een directe deelname van Duitsland zou prima in het plaatje passen: van Lufthansa, van Tui, en zelfs van de farmaceutische start-up CureVac in Tübingen, die als toonaangevende ontwikkelaar van een coronavaccin bepaald niet krap bij kas zit, heeft de federale regering bijna een kwart van de aandelen. Waarom dus niet ook van een staalconcern? Zo ontstaan perspectieven, zeggen politici. Of ‘zombie-bedrijven’ die zonder overheidshulp helemaal niet meer kunnen bestaan, waarschuwen economen.
Een deelname in ThyssenKrupp roept twee vragen op, die veel verder strekken dan het bedrijf en de crisis. De eerste luidt: hoeveel verandering en hoeveel vernieuwing staan we nog toe in onze economie? De thuisbasis van de staalgigant, het Ruhrgebied, is eigenlijk aansporing genoeg om een structuurverandering niet doelloos decennialang uit te stellen [het Ruhrgebied had in de tweede helft van de twintigste eeuw al te maken met een kolen- en staalcrisis]. Uit een onderzoek in opdracht van Allianz bleek onlangs dat er in Europa inmiddels zo’n dertienduizend bedrijven zijn, met in totaal negen miljoen werknemers, die eigenlijk te veel schulden hebben en alleen nog dankzij de lage rente overleven. Analoog aan de zombiebedrijven spreken de auteurs van ‘zombiebanen’.
De tweede vraag betreft de capaciteiten van de overheid, die controle zal willen uitoefenen op de deelname in beurs-genoteerde concerns. Maar er zijn nu al minstens dertig bedrijven die een staatsdeelname verlangen – en die lang niet allemaal zo professioneel zullen worden geleid als een DAX-concern. Waar zijn de ambtenaren, de juristen, de accountants en de bedrijfseconomen in overheidsdienst die dit deelnamemanagement op zich moeten nemen? Het gevaar dat de overheid met een groot aantal deelnames het overzicht kwijtraakt, ligt nadrukkelijk op de loer. Ze kan zich niet genoeg vakkennis eigen maken.
Toch klinken zelfs de duidelijkste liberale stemmen inmiddels gereserveerd. Zo zegt Karen Horn, oud-voorzitter van de Hayek-Gesellschaft, dat de situatie lastig is: eerst het Chinese staatskapitalisme als tegenmodel van het democratische kapitalisme in het Westen en nu ook nog corona – waarschijnlijk is dat te gecompliceerd voor de oude leer van de pure markteconomie. Zelfs ThyssenKrupp had zich zonder corona mogelijk weten te herpakken, en Tui en Lufthansa hadden waarschijnlijk zelfs uitstekende zaken gedaan. ‘Om dat ten onder te laten gaan vond ook ik verkeerd,’ zegt Horn. ‘Als zich ooit een keynesiaanse situatie heeft voorgedaan, dan is het nu wel.’
De belangrijkste functie van de markt – de beste verdeling van schaarse middelen – is niet meer van toepassing, althans niet overal en onbeperkt. De plaats van de markt wordt steeds meer ingenomen door redders, regelgevers, politici en ambtenaren. Ze bepalen niet alleen de regels, maar ook de koers, producten en productienormen. Of bedrijven daarmee tegemoetkomen aan de wensen van hun klanten, en of ze daarmee winst zullen maken, is van secundair belang. De overheid staat borg.
De aansprakelijkheid van ondernemers en managers wordt vervangen door een staatsverzekering, waarbij het eigen risico in geval van schade omgekeerd evenredig is met de grootte van het bedrijf. Heette het na de financiële crisis van 2008-2009 dat banken nooit meer zo groot mochten zijn dat hun faillissement niet kon worden geriskeerd met het oog op de gezondheid van de reële economie, vandaag de dag geldt dit voor grote delen van juist die reële economie, voor zowel bedrijven als hun personeel: we zijn allemaal too big to fail.
Des te meer als de crisis van het kapitalisme langer gaat duren dan de pandemie. Over twee, drie jaar, als het virus hopelijk geen schrik meer inboezemt, treden de oude problemen weer op de voorgrond en waarschijnlijk nog nadrukkelijker: de groei zal nog altijd mager zijn, de kloof tussen arm en rijk zal groter zijn geworden. Langlopende onderzoeken tonen aan dat het stimulerende effect van schulden op de groei gestaag afneemt, maar dat de verhouding schulden-vermogen stabiel blijft. Het zullen dus vooral de rijken zijn die door de met schulden gefinancierde coronaprogramma’s nog rijker worden. Dat zal helemaal tot de conclusie leiden dat de markt alleen het niet klaarspeelt en dat we een sterke overheid nodig hebben die financiert, opricht en op gang helpt. Waarbij de centrale banken nog altijd voor het geld zorgen.
Vermogensbeheerder Jens Ehrhardt, een marktliberaal van de oude school, beschouwt de huidige weg desondanks als de enige mogelijke. Over een paar decennia kun je het erover hebben wat je met al die schulden doet, zegt hij.
‘De ECB zou de schulden gewoon voor eeuwig moeten laten staan,’ stelt hij in een interview met Capital, ‘of ze meteen helemaal moeten afschrijven’. Zo’n schuldsanering, de bevrijding van oude verplichtingen, zou voor Ehrhardt zelfs een manier zijn om afscheid te nemen van de staatseconomie – en terug te keren naar de markteconomie.
In Nigeria eist een jeugdige protestbeweging dat er een einde komt aan het brute optreden van de overheid. Ook Nobelprijswinnaar Wole Soyinka roept op tot het terugtrekken van het leger en – ook al is het daar bedroevend laat voor – tot verzoenende dialoog.
Toen ik half oktober terugkeerde van verplichtingen in het buitenland, wachtte mij een prachtig geschenk in de vorm van een protestbeweging: een soms boze, soms betoverende en ontroerende, soms luidruchtige beweging, met zonder meer stevige verwachtingen, maar altijd dynamisch, visionair en goed georganiseerd. Ze eiste dat er een einde zou komen aan het brute optreden van veiligheidsdiensten, en dan met name dat van de beruchte politie-eenheid Special Anti-Robbery Squad (SARS). Natuurlijk staat SARS voor het parasitaire karakter van het bewind in al zijn vertakkingen, dat zagen we ook, hoewel uiteraard niet letterlijk, aan het karakter van de eerste formele reactie van de vicepresident.
De beweging bestaat uit leden van de Nigeriaanse orde van advocaten, feministische groeperingen, technocraten, studenten, hoge geestelijken, industriële organisaties en kunstenaars: schrijvers, filmmakers, acteurs, muzikanten. De energie, creativiteit en vastberadenheid van deze onmiskenbaar jeugdige beweging verspreidden zich door middel van indrukwekkende strategieën over het hele land. Sommige betogingen ademden de sfeer van festivals als Woodstock, andere van de gelehesjesprotesten of de verzetsgolven van Lech Walesa’s Solidariteitsbeweging, of, nog dichterbij, recenter en relevanter: van de stug aanhoudende protesten in Mali, waar ons eigen land een belangrijke rol speelde in het oplossen van de spanningen.
Zoals ik op zaterdag 17 oktober bij de viering van het tienjarige bestaan van Freedom Park [in Lagos] in mijn ‘boodschap aan de jeugd’ al zei, laten deze jongeren vers bloed door oude aderen stromen. Inderdaad: wat een geluk om te leven, om te zien dat jongeren eindelijk hun toekomst in eigen handen beginnen te nemen.
Maar – en klinkt dit niet bekend? – plotseling, bijna van de ene op de andere dag, voltrok zich een complete omslag. Veiligheidsdiensten – welke afdeling precies is nog niet duidelijk – voerden zware jongens aan om het verzet te breken. Er zijn beelden van, ze zijn op grote schaal gedeeld: een stoet van blinkende auto’s met afgedekte nummerborden die rondreed om criminelen en ander tuig op te pikken en in de buurt van de vreedzame protesten af te zetten, om die te verstoren. Deze huurlingen staken geparkeerde voertuigen van betogers in brand en gingen de demonstrerende jongeren te lijf met knuppels en machetes. Ze bestormden ten minste één gevangenis en lieten gevangenen vrij. Achteraf is vastgesteld dat een aantal van deze vandalen gerekruteerde gevangenen waren, die vermoedelijk niet alleen contant maar ook in natura zijn betaald.
We zijn weer terug bij het geweld van Abacha, een groteske reprise!
Wat begon met hier en daar wat gewonden, culmineerde gisteravond, dinsdag 20 oktober, in Lekki [een buitenwijk van Lagos] in een dodelijke schietpartij met een nog onbekend aantal slachtoffers. Door deze kwaadaardige tussenkomst veranderde het protest in één klap op rampzalige wijze van karakter. Voor het eerst raakte het in de greep van ongebreidelde woede en nihilisme. Georganiseerde strijdlust maakte plaats voor wraakzuchtige, alzijdige haat. In delen van de hoofdstad Abuja volgde een reeks brandstichtingen. Onder andere de bekende Apo-markt – waarvan de naam herinneringen oproept aan de brute moord door SARS op zes jongeren, beter bekend als de Apo Six – ging in vlammen op.
Déjà vu
Terwijl het geweld redeloos om zich heen greep, ging ik gisteren op weg naar Abeokuta, mijn geboortegrond. Na het passeren van acht of negen door betogers opgeworpen wegversperringen moest ik uiteindelijk noodgedwongen terugkeren. Het was één groot déjà vu: de opstanden in de voormalige Westelijke Regio van Nigeria, de anti-Abachabeweging [tegen Sani Abacha, president en dictator van Nigeria van 1993 tot 1998] et cetera.
Maar de mislukte poging had me wel in staat gesteld de stemming en de transformatie van de beweging te peilen. Ik was beter voorbereid. Ik stelde de reis uit tot de volgende dag, dat wil zeggen: tot vandaag. In de tussenliggende acht à tien uur hebben de spanningen een kookpunt bereikt. In Lekki, waar de meeste vreedzame demonstraties plaatsvonden, openden soldaten het vuur op ongewapende betogers, waarbij een onbekend aantal slachtoffers viel. Bij één zo’n buitenrechtelijke executie raakte een Nigeriaanse vlag letterlijk in onschuldig bloed gedrenkt. Een filmopname hiervan is viraal gegaan. Ik heb telefonisch gesproken met ooggetuigen.
Een van hen, een bekende Nigeriaan, vertelde op tv wat hij met eigen ogen heeft gezien. De regering moet ophouden dit land te beledigen met nukkige ontkenningen.
Zoals gepland hernam ik bij het krieken van de dag de reis naar mijn geboortestad Abeokuta, waarbij ik opnieuw op vele – dit keer een twaalf- tot vijftiental – wegversperringen stuitte, die steevast het tafereel waren van kolkende woede. Het was een schril contrast met de inclusiviteit van de protesterende ‘familie met een gemeenschappelijk doel’ uit de begindagen. De hartverwarmende bonding en het solidariteitsgevoel waren vervlogen. Bij de wegversperring vlak voor het regeringsgebouw waren de betogers het weerbarstigst. Uiteindelijk werd ik gedwongen tot een offerande voor de ‘rite de passage’ – ik voelde het al aankomen: ik moest uit de auto stappen en hen toespreken. Dat deed ik. Ze hadden geen idee wat er in mijn hoofd omging: dit kan niet waar zijn! We zijn weer terug bij het geweld van Abacha, een groteske reprise!
Legeringrijpen
Het is van groot belang dat de regering te horen krijgt dat het leger SARS inmiddels heeft verdrongen als grootste boosdoener. Uit mijn rondvraag tot dusver blijkt dat de gouverneur van Lagos de hulp van het leger niet had ingeroepen en niet had geklaagd over een ‘verstoring van de openbare orde’. Niettemin heeft het leger gekozen voor een autoritaire ingreep en daarmee een welhaast ongeneeslijke wond toegebracht aan de nationale psyche.
Uiteraard moest ik bij aankomst in Abeokuta, mijn geboortestad, weer een wegversperring passeren. Dat verliep soepeltjes. Ik had het zien aankomen, en ik ben ervan overtuigd dat er ondertussen alweer nieuwe wegversperringen zijn opgeworpen.
Het is pathetisch en fantasieloos om, zoals sommigen, te beweren dat het voortdurende protest schadelijk is voor de economie et cetera. De coronacrisis hakt al ruim acht maanden in op de Nigeriaanse economie – voor wat die waard is. Maar het is uiteraard een stuk lastiger om corona met een spervuur aan kogels te bedwingen; mensenlevens zijn een makkelijker doelwit. Als bewijs van de overwinning kun je zelfs pronken met trofeeën, zoals de met bloed doordrenkte Nigeriaanse vlag waarmee een van de slachtoffers liep te zwaaien toen hij werd vermoord.
Gouverneurs van de betrokken gebieden kunnen onmiddellijk iets ondernemen: eisen dat de soldaten zich terugtrekken. Met spoed bijeenkomsten met inwoners beleggen; 24-uurs-uitgaansverboden zijn niet de oplossing. De zorg voor de veiligheid van de bevolking overnemen met alle middelen die je kunt verzinnen. Ervoor zorgen dat de lokale gemeenschappen zelf de macht krijgen om op te treden, om de infiltratie van tuig en het inhalige, fnuikende opportunisme aan banden te leggen.
We voelen mee met de nabestaanden en roepen deelstaatregeringen op om materiële verliezen, waar dan ook, te compenseren. Wil het genezingsproces in gang kunnen worden gezet – als we in elk geval mogen aannemen dat dit het uiteindelijke streven is – dan moet het leger excuses aanbieden, niet alleen aan het land maar aan de hele wereld. De feiten spreken voor zich: jullie, het leger, hebben het vuur geopend op ongewapende burgers.
Er moet een compensatieregeling komen en de garantie dat dergelijke misstanden niet nog eens zullen plaatsvinden. Pas daarna kunnen zowel de regering als de veiligheidsdiensten een betekenisvolle, zij het bedroevend late dialoog met de samenleving aangaan. Niet commanderen, praten!
Lang stond Kameroen bekend als een rustige, vreedzame haven in een woelige regio. Maar sinds enkele jaren lijkt president Biya zich weinig aan te trekken van de gewone burger. Overheidsfunctionarissen spiegelen zich aan de werkstijl van de president, wat neerkomt op ‘niets doen, of extreem weinig’.
Op de grofkorrelige beelden, gefilmd met een mobiele telefoon, drijven Kameroense soldaten twee vrouwen voort over een zandweg. Een van de vrouwen draagt een baby op haar rug. De andere vrouw houdt een jong meisje bij de hand. Ze worden op de voet gevolgd door een kleine menigte. De soldaten schelden de vrouwen uit, slaan ze in het gezicht. Iemand zegt: ‘BH, jullie gaan eraan.’ ‘BH’ staat voor Boko Haram, de Nigeriaanse terreurgroep, sinds een aantal jaren actief in het noorden van Kameroen, waarmee het Kameroense leger de strijd heeft aangebonden. De vrouwen worden van de weg geleid en geblinddoekt. Een soldaat trekt het zwarte T-shirt van het meisje uit en bindt het om haar hoofd. De persoon die alles filmt, vermoedelijk een soldaat, zegt: ‘We doen dit echt niet voor de lol, meisje, maar je ouders dwingen on…’ Hij wordt onderbroken door geweerschoten en de vier slachtoffers – de twee vrouwen, het meisje en de baby – vallen op de grond. Terwijl de soldaten met hun laarzen zand over de lijken schoppen, merkt een van hen dat het meisje nog leeft. Een soldaat laadt zijn geweer opnieuw en vuurt een laatste schot af. Hier eindigt het filmpje.
In een onderzoek dat eind september werd gepubliceerd, concludeerde de BBC dat deze moorden in maart of april 2015 plaatsvonden in het dorpje Krawa Mafa. Maar het filmpje dook pas afgelopen juli op in sociale media. Regeringswoordvoerder Issa Tchiroma Bakary deed het meteen af als ‘nepnieuws’, maar kwam een maand later met de aankondiging dat zeven soldaten in verband met dit incident waren gearresteerd. Vlak voor zijn aftreden betoonde Zeid Raad al-Hussein, de chef van de VN-mensenrechtenraad, zich bezorgd in reactie op het filmpje. ‘Ik maak me ernstige zorgen dat deze moorden die op camera zijn vastgelegd geen geïsoleerde gevallen zijn.’
Tweederangsburgers
De terreur van Boko Haram is niet het enige probleem van Kameroen. Sinds 2016 kampt het land ook met een opstand onder de Engelstalige minderheid in de westelijke regio’s. In tegenstelling tot de strijd tegen Boko Haram, die zijn hoogtepunt in 2015 beleefde, zal dit conflict de komende maanden, zo niet jaren, zwaar drukken op de politiek en de binnenlandse veiligheid van het land.
Met deze twee conflicten werd in de aanloop van de presidentsverkiezingen van 7 oktober serieus gezaagd aan de troon van de zittende president, Paul Biya, die zich juist jarenlang liet voorstaan op het bewaren van de vrede en de orde in een anderszins onstabiele regio. [De verkiezingen zijn inmiddels geweest. Oppositiepartij Kamto claimt te hebben gewonnen, maar de officiële uitslag laat op zich wachten. Experts verwachten dat Biya als winnaar uit de strijd zal komen en zijn zevende termijn zal ingaan.] Naar het zich laat aanzien staan hem moeilijke tijden te wachten, vergelijkbaar met enkele van de woeligste periodes uit de recente geschiedenis van het land: de mislukte coup van 1984, de wekenlange algemene staking tegen het bewind in 1991, en de straatprotesten tegen de stijgende voedselprijzen in 2008, waarbij meer dan honderd doden vielen.
De crisis rondom de Engelstalige minderheid, die in oktober 2016 uitbrak, resoneert in het hele land. Dit heeft twee redenen. Ten eerste zijn de Engelstalige militante groeperingen, anders dan Boko Haram, ontstaan op eigen bodem. Ten tweede worden de grieven van de separatisten over het gebrek aan ontwikkeling en kansen gedeeld door veel burgers. Het conflict vindt zijn oorsprong in de complexe geschiedenis van Kameroen. Als voormalige Duitse kolonie werd het land na de Eerste Wereldoorlog opgesplitst in een Frans en Engels protectoraat, dat ieder de taal van het ‘moederland’ als voertaal instelde, hoewel er tot op de dag van vandaag nog altijd meer dan tweehonderd talen worden gesproken. In 1961, een jaar na de onafhankelijkheid, stemde de helft van de Engelssprekenden voor aansluiting bij buurland Nigeria, terwijl de andere helft ervoor koos een federatie te vormen met het Franstalige deel van Kameroen.
De Engelstalige Kameroeners, die in twee regio’s wonen en officieel een zesde van de totale bevolking uitmaken, voelen zich sindsdien behandeld als tweederangsburgers. Ze klagen over het gebrek aan investeringen en beleidsmaatregelen die indruisen tegen het beloofde federalisme. Zo wordt het gebruik van de Franse taal overal doorgedrukt, ten koste van het Engels. Eind 2016 kwam het tot een uitbarsting, toen advocaten en leraren, gefrustreerd over de opmars van het Frans in plaatselijke scholen en rechtbanken, de straat op gingen. De betogingen breidden zich razendsnel uit en werden hard neergeslagen. Een jaar later, op 1 oktober 2017, vonden in diverse steden in de twee Engelstalige provincies, Zuidwest en Noordwest, vreedzame marsen plaats. Een aantal separatisten riep een onafhankelijke staat uit; Ambazonia, vernoemd naar de Ambas Baai aan de Atlantische kust, waarop veiligheidstroepen hardhandig ingrepen. Er vielen meer dan twintig doden en honderden betogers belandden in de gevangenis, aldus Amnesty International.
De vrouwen die ervan werden beschuldigd bij Boko Haram te horen worden samen met hun kinderen door een groep soldaten naar de dood geleid. Still uit het filmpje dat viral ging.
David, een Engelstalige Kameroen, herinnert zich het harde optreden van de veiligheidstroepen nog goed. Hij liep met zijn familie mee in een vreedzame mars toen de soldaten het vuur opende. Zijn broer werd dodelijk geraakt. De familie ontvluchtte de plaats des onheils, op de voet gevolgd door de soldaten, die vervolgens hun dorp aanvielen. De dorpelingen verscholen zich in de jungle en staken de grens over met Nigeria. Liever dan als vluchteling door het leven te gaan, nam David – niet zijn echte naam – de wapens op. ‘Ik wil me wreken, want dit is mijn land.’ Hij sloot zich aan bij de Ambazonia Defense Force (ADF), een groepering die zo’n 1500 strijdkrachten telt, verspreid over twintig kampen. De meeste strijders hebben alleen oude jachtgeweren, maar tegenover hun povere uitrusting staat een ongekende strijdlust.
Ik ontmoette David in juli toen ik als embedded journalist meeliep met de ADF in de graslanden in Zuidwest. Het is een moeilijk toegankelijk gebied, ten eerste omdat de regering journalisten uit de regio weert en ten tweede omdat de transportinfrastructuur er veel te wensen overlaat. Het leent zich dus perfect voor een guerilla; Kameroense soldaten wagen zich zelden buiten bewoond gebied. Er zijn een handvol Engelstalige milities actief. Volgens de regering hebben deze milities meer dan 120 leden van de veiligheidstroepen gedood, maar het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger. De separatisten hebben ook civiele ambtenaren en tribale leiders die aan de kant van de regering staan ontvoerd, en in sommige gevallen gemarteld en vermoord. Mensenrechtenorganisaties hebben de gewapende milities ervan beschuldigd scholen, soms met geweld, te sluiten. Volgens Amnesty zijn 42 scholen aangevallen. De separatisten maken zich schuldig aan mensenrechtenschendingen: volgens Amnesty hebben ze dit jaar meer dan vierhonderd burgers geëxecuteerd, en volgens Human Rights Watch en de BBC zijn minstens twintig dorpen platgebrand. Talloze aanvallen zijn waarschijnlijk niet eens gemeld.
Naar schatting zijn 256 duizend Kameroeners door het escalerende conflict ontheemd. Een van hen is Charity Achu, een kapster die een eigen salon had in de provincie Zuidwest. Op een dag vielen soldaten haar dorp binnen en begonnen in het wilde weg te schieten. Halsoverkop ontvluchtte ze samen met haar man en hun vier kinderen het huis, met achterlating van al hun bezittingen. De jongste, een baby nog, droeg ze in haar armen. Vijf maanden hield het gezin zich schuil in de jungle, waar ze met moeite wisten te overleven. Achu vernam van andere vluchtelingen dat drie van haar broers waren vermoord. Het gezin bereikte uiteindelijk een dorp aan de kust. ‘Behalve de kleren aan ons lijf hadden we niets’, vertelt ze. ‘We waren gedwongen te bedelen.’ Ze kregen schone kleding van behulpzame dorpsbewoners en vluchtten met een bootje naar Nigeria, dat volgens de Verenigde Naties inmiddels meer dan 21 duizend Kameroense vluchtelingen telt.
De oppositie is het erover eens dat een dialoog met de Engelstalige Kameroeners en meer autonomie van de Engelstalige regio’s kunnen bijdragen aan de beëindiging van het conflict. President Biya heeft onlangs een Ministerie voor Decentralisatie in het leven geroepen en twee Engelstaligen aan het hoofd van andere ministeries geplaatst. Maar zijn regering weigert te onderhandelen met de Engelstalige leiders, die als terroristen worden beschouwd. En Ayuk Tabe, de eerste president van de interim-regering van Ambazonia, die in januari werd opgepakt, zit nog altijd zonder enig vorm van proces vast. De halsstarrige weigering om te onderhandelen heeft de roep om onafhankelijkheid alleen maar aangewakkerd; wat in de Engelssprekende regio’s ooit de wens van een splinterbeweging was, wordt nu meer en meer omarmd. Ondertussen werkt het conflict onder de Franstalige bevolking als een splijtzwam. Anders dan het streven van Boko Haram naar een fundamentalistisch-islamitische staat, kan de roep van de Engelstaligen om beter bestuur en betere basisinfrastructuur rekenen op veel bijval. In de afgelopen tien jaar heb ik alle uithoeken van het land bezocht en de wensenlijst is overal hetzelfde: goede wegen, een ziekenhuis en een school, kortom basisvoorzieningen die de staat domweg niet levert. Op sociale media werd om die reden vooral aan het begin van deze crisis veelvuldig geschreven dat de Engelstaligen met hun roep om beter bestuur als voorbeeld konden dienen voor de rest van het land.
Voor veel Kameroeners bevestigen de mensenrechtenschendingen die in de Engelstalige gebieden door de veiligheidstroepen worden begaan het beeld dat de regering zich weinig gelegen laat liggen aan de gewone burger. In veel opzichten is het soms willekeurige geweld van het leger exemplarisch voor de regering in het algemeen. ‘Het is een soort gedecentraliseerde tirannie’, zegt de prominente Kameroense politieke filosoof Achille Mbembe. ‘Dat betekent dat iedere staatsambtenaar op zijn eigen, lage niveau een kleine tiran is. Het is een opmerkelijke democratisering van autoritaire dynamiek.’
De integriteit van staatsambtenaren is af te lezen aan de kwaliteit van hun maatpakken en horloges
Het hart van dit regeringsapparaat bevindt zich in Yaoundé, de groene heuvelachtige hoofdstad in het binnenland. De ministeries zijn gehuisvest in een handvol sjieke art-decogebouwen die in de jaren zeventig niet ver van de breedste boulevard zijn gebouwd. Zet één stap over de drempel, en alle glans verbleekt. Gammele liften brengen bezoekers naar donkere gangen met versleten tapijten. Achter de deuren in deze gangen gaan sjofele kantoren schuil waar regeringsambtenaren onderuitgezakt in hun bureaustoel een dutje doen, de krant lezen of vastgekluisterd zitten aan hun mobiele telefoon. De werkdagen zijn kort. Tot elf uur ’s ochtends melden secretaresses dat hun bazen ‘ieder moment kunnen binnenlopen’ en na vier uur ’s middags zijn ze meestal ‘in vergadering’.
Mbembe legt uit dat deze overheidsfunctionarissen zich spiegelen aan de werkstijl van president Biya zelf, wat neerkomt op ‘niets uitvoeren, of extreem weinig’. Biya brengt een groot deel van zijn tijd in het buitenland door, meestal in een vijfsterrenhotel in Genève. Van de 36 jaar dat hij nu president is, is hij opgeteld zo’n viereneenhalf jaar op privéreisjes naar het buitenland geweest. Hoewel het salaris van staatsambtenaren niet hoog is, gelden overheidsfuncties doorgaans als de best betaalde baantjes vanwege de wijdverbeide corruptie en de hoge dagvergoedingen die overheidsmedewerkers krijgen voor het bijwonen van vergaderingen. Een van mijn vrienden die voor een multilaterale organisatie werkt, zegt dat hij de integriteit van staatsambtenaren kan aflezen aan de kwaliteit van hun maatpakken en horloges.
Om zijn greep op de macht te behouden, houdt president Biya deze worsten aan vriend én vijand voor. Hij schuift hun bovendien lucratieve baantjes toe, zoals ministerposten of directeursfuncties van overheidsbedrijven. Met name potentiële opponenten worden op die manier afgekocht. Gedurende zijn regeerperiode heeft deze aanpak Biya genoopt tot het vinden van creatieve oplossingen bij het in steeds kleinere punten snijden van de overheidstaart, wat ertoe heeft geleid dat er inmiddels 64 ministers en staatssecretarissen zijn. Het onderwijs alleen al is verdeeld over vier ministeries: een voor de lagere school, een voor de middelbare school, een voor hoger onderwijs en een voor beroepsonderwijs. Biya heeft ook altijd een stok achter de deur voor wanneer zijn positie wordt bedreigd. Hij degradeert zijn ondergeschikten wanneer het hem uitkomt en desnoods zet hij ze achter slot en grendel. Er zitten ondertussen zoveel hoge functionarissen in de bekende Kondengui-gevangenis in Yaoundé, meestal op beschuldiging van corruptie, dat het hele land de grap kent dat ze een schaduwregering kunnen vormen. Dankzij deze tactieken is Biya het op één na langst zittende niet-koninklijke staatshoofd; na de president van zuiderbuur Equatoriaal-Guinea, Teodoro Obiang Nguema, die sinds 1979 aan het roer staat.
Buitenlandse investeerders
De internationale gemeenschap heeft Kameroen decennialang bewierookt vanwege de vrede en stabiliteit, wat het land aantrekkelijk maakt voor buitenlandse investeerders. Ondanks de welig tierende corruptie blijft de internationale geldkraan open. In 2017 ontving Kameroen 700 miljoen euro aan ontwikkelingshulp. Washington haalde de banden met de Kameroense regering aan toen het land de strijd met Boko Haram aanbond, waarmee het in één klap bondgenoot werd in de oorlog tegen het terrorisme.
Maar de Amerikaanse steun ligt onder het vergrootglas: vorig jaar onthulde Amnesty International en het onderzoeksbureau Forensic Architecture dat Kameroense soldaten vermeende Boko Haram-aanhangers hadden gemarteld op bases waar ook Amerikaanse militairen zijn gelegerd. De Amerikaanse ambassadeur in Yaoundé, Peter Henry Barlerin, die eerder nog de loftrompet over Kameroen had gestoken, koos na deze onthulling voor een hardere lijn. Na een ontmoeting met Biya verklaarde hij de ‘executies’ en ‘het plunderen en platbranden van dorpen’ in de Engelstalige regio’s ter sprake te hebben gebracht. Tevens had hij de president op het hart gedrukt ‘zich te bezinnen op zijn nalatenschap en te bedenken hoe hij de geschiedenis in wilde gaan’. Hij had er nog aan toegevoegd dat George Washington en Nelson Mandela uitstekende rolmodellen waren.
De Kameroense regering vatte dit op als een regelrechte aanval en riep Barlerin op het matje. De ambassadeur moest verzekeren dat hij de oppositie niet financieel steunde. ‘We hebben geen voorkeur voor een presidentskandidaat’, zei hij nadien in een interview met The New York Times. ‘We zijn voor een sterk en stabiel Kameroen.’ Dat standpunt had president Macron ook al uitgedragen. In zijn samenvatting van het telefoongesprek dat hij in juli met Biya had gevoerd, liet hij in één minuut tijd vier keer het woord ‘stabiliteit’ vallen.
Wat de crisis rondom de Engelstaligen betreft verschillen Frankrijk en de VS wel van aanpak: Frankrijk weigert tot dusver de mensenrechtenschendingen van het leger openlijk te bekritiseren. Macron benadrukt in plaats daarvan het belang van ‘nationale cohesie’, een statement waarmee hij Biya, die fel gekant is tegen onafhankelijkheid van de Engelstaligen, lijkt te steunen. Dit weerspiegelt de diepgewortelde bond tussen het regime en Frankrijk, de voormalige koloniale macht. Frankrijk heeft het bewind van Biya van meet af aan gesteund. In de loop der jaren heeft Biya Frankrijk 35 keer bezocht, volgens gegevens van het internationale journalistieke onderzoekscollectief OCCRP, en hij heeft alle Franse presidenten sinds François Mitterrand de hand geschud. Franse bedrijven hebben veel activa in het land. Het olieconcern Perenco bezit concessies voor olie-exploitatie. The Bolloré Group exploiteert een spoorlijn, de internationale containerterminal in Douala en de diepzeehaven in Kribi in de Golf van Guinea. Lafarge heeft een aantal cementfabrieken. De export van bananen en hout is grotendeels in handen van Franse bedrijven.
Tijdens de laatste Common Wealth Games in Australië keerde een derde van de Kameroense delegatie niet huiswaarts
Hoe de verkiezingen ook mogen uitpakken, de situatie voor de gewone bevolking zal niet een-twee-drie veranderen. In de periode van langdurige stagnatie zijn de Kameroeners geconditioneerd om klein te dromen. Veel werkeloze afgestudeerden staan met beltegoedstalletjes langs de weg, handenwringend in de genadeloze zon of in de striemende regen, wachtend op klanten. Anderen proberen op straat geld in het laatje te brengen met de verkoop van tweedehandskleren of -schoenen. Sommigen besluiten hun geluk elders te beproeven. Op internationale sportevenementen zijn er altijd wel Kameroense atleten die in het gastland achterblijven, in de hoop op een nieuw leven. Tijdens de laatste Common Wealth Games in Australië bijvoorbeeld, keerde een derde van de Kameroense delegatie niet huiswaarts. Ook bij de Olympische Spelen van 2008 in Beijing en de Olympische Spelen van 2012 in Londen ontsnapte ongeveer een derde van de Kameroense ploeg uit het atletendorp. En dan is er nog de groep die de gevaarlijke overtocht over de Middellandse Zee waagt. De frustratie wordt misschien nog het best verwoord in de populaire rapsong This Country Kills the Youth van de Kameroense rapper Valsero: ‘This country kills the youth, and the old don’t let go. Once they get in power, they don’t let go… This country is like a bomb, and for the youth, it’s a grave.’
Platform dat diepgaande analyses biedt van internationale ontwikkelingen om deze voor beleidsmakers, academici en geïnteresseerde lezers in context te plaatsen. Onpartijdig, maar noemt zichzelf liberaal en internationaal. De content wordt geleverd door een wereldwijd netwerk van experts.
De inwoners van Myanmar staan bekend om hun buitengewone solidariteit. Alleen geldt die dus niet voor de Rohingya.
De eerste buurt in Yangon waar ik woonde had al vrijwel geen charme toen ik er aankwam. Vlak daarna raakten we het enige wat er nog leuk aan was kwijt toen de gemeenteraad de bomen langs de straat liet kappen om de weg tot zes banen te verbreden. In één klap werd de tot dan toe verwaarloosde straat een drukke verbindingsweg tussen de flats in het centrum en de buitenwijken van de stad in het oosten.
Op een avond zag ik een auto de hoek om slingeren en een man aanrijden die langs de kant van de weg liep. In minder dan een minuut hadden vele tientallen mensen zich rond de plek van het ongeluk verzameld. Twee van hen verzorgden de gewonde man terwijl tien of vijftien anderen het verkeer gingen regelen. Omdat de politie nergens te bekennen was, haakten weer anderen de handen in elkaar om een versperring te vormen en te voorkomen dat de man achter het stuur, die duidelijk dronken was, ervandoor zou gaan. Algauw kwam er een plaatselijke ambulance, bemand door een groep vrijwilligers, die de gewonde man op een brancard van bamboe afvoerden naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.
Zes cijfers
Ik dacht na over die avond tijdens een recent bezoek aan Phandeeyar, een technologisch centrum in Yangon dat de drijvende kracht is achter Myanmars opkomende, digitale industrie. De afgelopen twee jaar heeft Phandeeyars ‘Accelerator’-programma met succes jonge ontwikkelaars begeleid die op apps gebaseerde bedrijven willen opzetten. In twee van de eerste start-ups worden al investeringen gedaan die tot in de zes cijfers lopen.
Wat vooral opvallend is aan het programma is de maatschappelijke betrokkenheid van de mensen die eraan meedoen. Eén start-up werkt aan de digitalisering van medische dossiers, wat een steunpilaar kan zijn voor de gezondheidszorg in Myanmar, die onder chronische financiële tekorten lijdt. Een ander werkt aan de start van een nationaal recyclingsysteem, dat van de grond af moet worden opgebouwd. De initiatiefnemers ontlenen hun motivatie aan de treurige aanblik van al het vuil waarmee afvoeren en rivieren door het hele land verstopt raken. De oprichters van RecyGlo werken intussen samen met kantoren en privéscholen om het vuilnis in Yangon op te halen – papier wordt verkocht aan plaatselijke bedrijven terwijl andere recyclebare producten in grote hoeveelheden naar China worden verscheept.
‘Dit hoort eigenlijk door de staat te worden gedaan,’ zei RecyGlo’s medeoprichter Yamin Oo. ‘Maar in een ontwikkelingsland kan de staat niet zo veel doen. Daar is een ondersteunend systeem voor nodig.’
Myanmar staat bekend als een van de meest liefdadige landen ter wereld als het om giften en vrijwilligerswerk gaat. Maar het is misschien juister om te zeggen dat de mensen hier gewend zijn geraakt een handje te helpen als de staat daar de middelen niet voor heeft. Nadat ongekende overstromingen in 2015 meer dan honderdduizend dorpelingen uit hun huis verdreven, vormden zich rondom Yangon spontaan liefdadigheidsgroepen die geld vroegen aan automobilisten om voorraden te kopen die ze later zelf naar de opvangkampen reden. Vorig jaar, na wanordelijk verlopen onderhoudswerkzaamheden aan een aantal drukke buslijnen, boden vrijwilligers gestrande reizigers een rit in hun auto aan.
Maar dit verantwoordelijkheidsgevoel jegens de gemeenschap, dat zo vaak een voorbeeld is van Myanmar op zijn best, heeft ook een donkere keerzijde. Het afgelopen jaar heeft het land zich ingegraven als reactie op het massale geweld tegen de Rohingya-minderheid, die nog steeds buiten de grenzen van die collectieve solidariteit valt. Onlineactivisten die Aung San Suu Kyi steunen – de feitelijke leider van het land, wier regering verantwoordelijk is voor de chaotische reactie op de vluchtelingenexodus – hebben geprobeerd om buitenlandse media in diskrediet te brengen en de wereldwijde verontwaardiging over Myanmar af te doen als een samenzwering.
In de staat Rakhine, het epicentrum van de crisis in het afgelopen jaar, hielden inwoners humanitaire hulp aan Rohingya tegen. In één stad beschuldigden inwoners een boeddhistische winkeleigenares ervan dat ze zaken deed met moslims, waarna ze haar kaalschoren en lieten rondlopen met een bord waarop ‘verrader’ stond.
Tot nu toe heeft de regering weinig gedaan om haar burgers in het gareel te houden of om de destructievere instincten een halt toe te roepen. Maatschappelijke organisaties zeggen dat ze worden tegengewerkt. Kundige technocraten die geen banden hebben met de partij van Suu Kyi worden wantrouwig bekeken. Mensen die antimoslimagitatie veroordelen worden bedreigd en kunnen niet rekenen op hulp van de politie of steun van de staat. Of, erger nog, ze worden het doelwit van hinderlijke aanklachten.
Een groot deel van Myanmars recente geschiedenis is een aaneenschakeling van gemiste kansen. Het is moeilijk om het gevoel af te schudden dat we weer zo’n gemiste kans voorbij zien komen.
In 2013 opgericht magazine over politiek, economie, zaken en internationale betrekkingen, vanuit een Aziatisch perspectief. Onderdeel van mediareus Nikkei, onder meer de eigenaar van de Financial Times.
CONTEXT: VN-bezoek
Myanmar gaat in beginsel akkoord met het bezoek van de ambassadeurs van de lidstaten van de Veiligheidsraad van de VN, die op dit moment wordt voorgezeten
door Peru. De internationale vertegenwoordiging gaat op een nog niet vastgesteld tijdstip ook naar Bangladesh, naar de omgeving van Cox’s Bazar, waar zich zevenhonderd- duizend uit Birma gevluchte Rohingya’s bevinden.
De Birmaanse regering had in februari een dergelijk bezoek nog uitgesloten. Nu, begin april, heeft ze haar toestemming gegeven, maar de details over het bezoek zijn nog niet bekend. Daarom is het onduidelijk of de VN-delegatie ook toegang krijgt tot de Birmaanse deelstaat Arakan (tegenwoordig Rakhine), het woongebied van de Rohingya’s.
Adam Curtis (61) is een BBC-journalist die al een aantal (lange) semidocumentaire(series) op zijn naam heeft staat. In zijn jongste, HyperNormalisation (2016), betoogt hij dat overheden, financiers en technologische utopisten sinds de jaren zeventig de complexe ‘echte’ wereld hebben ingeruild voor een simpele nepwereld, die wordt gerund door grote bedrijven en onder controle gehouden door politici.
The Guardian schreef dat de film ‘een passend voorwoord zou kunnen zijn bij Donald Trumps “global horror show”’. En verder: ‘Curtis betoogt dat wij zijn verdwaald in een nagebootste wereld en de werkelijkheid achter de fake niet meer waarnemen.’
En dat was ruim voor aan Trumps overwinning op 8 november 2016. HyperNormalisation bevat veel materiaal uit de BBC-archieven, en fragmenten van films als Dr. Strangelove,Stalker,Deep Impact,Independence Day,Godzilla,Armageddon en The Rock.
We stoppen onze huizen vol met slimme apparaten. Maar de gegevens die ze doorgeven, kunnen eenvoudig worden misbruikt door bedrijven en overheden. Mediafilosoof Ian Bogost maakt zich grote zorgen.
Ik maak me zorgen. Over het welzijn van mijn gezin. Over mijn huis. Mijn stomme spullen, en mijn dierbare spullen. Doet iedereen toch? ‘Geluk,’ zegt Don Draper in de pilot van Mad Men, ‘is vrij zijn van angst.’ Bedrijven verkopen remedies tegen die angsten – ook al zijn ze soms ingebeeld. Mondwater, bedacht als remedie voor de verzonnen aandoening halitose. De gympen van Nike, waarop meer wordt gesjokt dan hardgelopen. Het modernistische kastje van glas en aluminium van Apple, de droom van iedere controlfreak. Zoals mensen oorspronkelijk een mobiele telefoon kochten voor hypothetische noodgevallen, zo moeten ook slimme apparaten met een internetverbinding nu allerlei angsten bezweren. Camera’s met bewegingsdetector om boosaardige babysitters van snode plannen te weerhouden. Een videocamera in de deurbel om straatventers en inbrekers af te schrikken. Een digitale weegschaal om een ramp met je gasbarbecue te voorkomen. Sensoren die waarschuwen voor overstroming.
Op individueel niveau zijn zulke angsten en remedies meestal onschadelijk en hooguit vergeefs. Maar als veel mensen zo’n product gaan gebruiken, wordt het tijd om je zorgen te maken. Slimme apparaten veroorzaken ingrijpende veiligheidsproblemen – zoals duidelijk blijkt uit een recente botnetaanval, waarbij slecht beveiligde settopboxen en internetcamera’s werden gebruikt om het halve internet plat te leggen [zie kader ‘Cyberleger’, onderaan]. Met de totale controle die het ‘internet der dingen’ belooft, verruil je de onzekerheid van angst voor de zekerheid van totaal toezicht. Als je gadgets wilt hebben om alles in de gaten te houden, moeten die gadgets ook jou in de gaten kunnen houden. In veel sterkere mate dan je denkt.
Heb je een cirkelzaag of een vibrator in huis? Dat vindt je verzekeraar misschien interessant – en anders je werkgever wel
Ik kijk op mijn smartphone naar de app Sense. Die toont me een livegrafiek van het stroomverbruik in mijn huis. Als ik een lamp aandoe, gaat de grafiek meteen een beetje omhoog. De data zijn afkomstig van een in de meterkast geïnstalleerde verbruiksmeter – een klein oranje doosje met een wifi-antenne om de data via internet door te geven aan Sense. Op een ander scherm van de app wordt met kleine en grote cirkels gevisualiseerd hoeveel stroom de afzonderlijke apparaten in huis verbruiken. Mijn airco-installatie is de grootste cirkel, dan komt de oven (we zijn cupcakes aan het bakken), daarna de lamp. Zodra ik de lamp uitschakel, verdwijnt die cirkel als bij toverslag. Mijn lampen en mijn oven zijn niet verbonden met internet, maar omdat mijn meterkast dat nu wel is, weet Sense wanneer ik welke apparatuur gebruik, en hoelang, en hoeveel stroom dat kost.
Deze vorm van data-analyse wordt energy disaggregation genoemd, ‘energiedesaggregatie’, en bestaat al sinds de jaren tachtig. Bij desaggregatie van energiesignalen wordt geprobeerd het totale stroomverbruik in een gebouw uit te splitsen naar afzonderlijke segmenten: het verbruik van de airco, huishoudelijke apparatuur, verlichting, enzovoort. Met deze methode wordt van oorsprong het verbruik en de efficiëntie van elektrische apparatuur gemeten. Maar Sense Labs, de start-up in Massachusetts waarvan ik dat apparaatje in de meterkast mag uitproberen, heeft grotere en vreemdere plannen.
Mike Phillips, de CEO van Sense, komt uit de wereld van de spraakherkenning. Zijn bedrijf SpeechWorks, dat in 2000 naar de beurs ging, heeft spraakherkenningssoftware ontwikkeld voor telefonische keuzemenu’s bij grote bedrijven. Sommige technieken waarmee computers spraak kunnen herkennen en begrijpen, blijken ook toepasbaar op stroomverbruik. Sense desaggregeert het stroomverbruik door uit minieme wijzigingen in voltage en wattage de signatuur van afzonderlijke apparaten af te leiden. Ter verhoging van de kwaliteit van die herkenning beschikt het systeem over lerend vermogen: door de data van alle verbruikspatronen van alle elektrische apparatuur van alle Sense-gebruikers te verzamelen, kan de app steeds meer apparaten steeds beter en sneller herkennen.
Op het eerste gezicht lijkt Sense alleen een product voor mensen met obsessieve neigingen: mensen die alles in huis op internet willen aansluiten om er op hun smartphone naar te kunnen turen, mensen die hun stroomverbruik tot ver achter de komma willen bijhouden, mensen die geregeld bang zijn dat ze de oven of het strijkijzer aan hebben laten staan. Maar Sense Labs is er niet alleen voor de kostenbewuste of ziekelijk bezorgde consument. Op het eerste gezicht lijkt de waarde van het systeem vooral te schuilen in de inzage in je stroomverbruik. Maar dat zegt nog veel meer over wat er in je huis gebeurt, legt Phillips uit. Als Sense-gebruikers bijvoorbeeld zien dat om vier uur ’s middags de tv aangaat, kunnen ze daaruit afleiden dat de kinderen veilig thuis zijn van school. Als ze zien dat de oven aangaat, weten ze dat hun wederhelft niet is vergeten om de kip in de oven te doen. Als ze kijken wanneer de garagedeur gisteravond voor het laatst is gebruikt, weten ze of hun tiener inderdaad op tijd thuis was. Zo hoopt Sense uiteindelijk een soort huisbrein te bieden dat veel meer doet dan alleen je stroomverbruik meten.
Dan kan het ook functies van andere gadgets overnemen. Een veelgebruikt apparaatje van het internet der dingen is bijvoorbeeld een vochtmeter met wifi, zoals die van Twine. Monteer die in je kelder en je krijgt een tekstbericht zodra de kelder overstroomt. Sense kan dat doen door het verbruik van je vaste kelderpomp te meten. Op de website van Sense worden nog allerlei andere veelbelovende toepassingen genoemd, zoals een melding dat de wasmachine klaar is of een overzicht van hoeveel je tv kijkt. Uiteindelijk kun je apparaten via dit systeem misschien ook aan- en uitzetten.
In de praktijk is zelfs een simpel seintje dat de was klaar is nog toekomstmuziek. Op dit moment kan Sense alleen een overzicht tonen van wanneer verschillende apparaten aan- en uitstaan. Voor zover het die apparaten dus herkent. Het duurt een paar dagen voordat Sense de apparaten in je huis begint te herkennen, en volgens Phillips heeft de app na een maandje een compleet overzicht. Zo zie ik maar een paar van de lampen in ons huis in de app staan, en sommige apparaten staan soms wel in de lijst en dan weer niet. Dat is een verschil met de onmiddellijke bevrediging van de meeste internetgadgets: Sense is traag en semipermanent. Het apparaat moet door een professionele monteur worden geïnstalleerd (zodat je jezelf niet elektrocuteert). En het werkt alleen als er wifi is – maar de meterkast zit vaak in de kelder of de garage, terwijl de wifi-router vaak heel ergens anders staat. Sense overweegt het kastje te voorzien van een ethernetingang, maar veel huiseigenaren hebben ook geen ethernetkabel naar de meterkast liggen.
Deze consumentenversie van stroomdesaggregatie staat dan ook nog in de kinderschoenen. De precisie van het Sense-systeem moet nog groeien, en dat gebeurt vanzelf naarmate meer mensen het systeem installeren en het in staat stellen zijn kennis te vergroten. Sense lijkt mij het begin van een nieuwe en blijvende ontwikkeling van het internet der dingen. Om die toekomst te ontsluiten moet Sense een dienst leveren die interessant genoeg is om voldoende consumenten over te halen dit apparaat permanent in hun meterkast te installeren. In een tijd waarin met ‘slimme’ apparaten grootschalige DDoS-aanvallen worden gepleegd en je met een drone de verlichting van een kantoorgebouw kunt hacken, vormt de zorg om onze veiligheid en privacy misschien nog de grootste hinderpaal voor grootschalige invoering.
Op het gebied van beveiliging is Sense in theorie een verbetering op reeds bestaande slimme apparaten, die al in grote aantallen worden gebruikt terwijl bij het ontwerp ervan de beveiliging vaak is verwaarloosd. Als je niet meer elk afzonderlijk apparaat maar alleen één sensor in de meterkast met internet laat communiceren, verminder je het aantal mogelijke inbraakpunten. Alleen het Sense-kastje zelf kan dan nog worden gehackt. Maar met privacy ligt het lastiger. Sense luistert immers mee met elk elektrisch apparaat in huis en legt daar alles van vast. Dat zijn wel heel veel privacygevoelige en bijzonder waardevolle data.
Early adopters installeerden de slimme thermostaat van Nest vaak zonder ten volle te beseffen hoeveel dat apparaat weet over wie er wanneer in huis is. Toen Nest in 2014 voor 3,2 miljard dollar door Google werd gekocht, kon Google dat kijkje in al die huishoudens in één klap combineren met wat het verder over zijn gebruikers weet: wat ze op internet zoeken, waar ze zich bevinden, enzovoort. Sense biedt dezelfde mogelijkheid om direct data te verzamelen over alles wat mensen thuis met stroom doen – wat tegenwoordig bijna alles is.
Dom houden
De Nest-thermostaat weet ruwweg wanneer iemand wel en niet thuis is. Maar als je een smartphone met Google Maps hebt, wist Google dat waarschijnlijk toch al. Sense kan ook zien wanneer mensen specifieke apparaten en lampen gebruiken: hoe vaak en hoelang. Het lijkt misschien onschuldig dat ze meten hoe vaak jij je garagedeur en je oven gebruikt, tot je bedenkt dat big data nu al worden gebruikt om te beoordelen of mensen in aanmerking komen voor een verzekering of een lening. Hoe vaak je garagedeur open- en dichtgaat kan iets zeggen over het risico dat je loopt als automobilist, afgemeten aan hoe vaak en op welke tijdstippen je de auto gebruikt. En hoe vaak je de elektrische oven of het fornuis, de blender of de magnetron aanzet (of juist niet) kan iets zeggen over het kookpatroon in een huishouden, en daarmee over de gezondheid van de leden daarvan. Heb je een cirkelzaag of een vibrator in huis? Ook dat vindt je verzekeraar misschien interessant – en anders je werkgever wel. Een sollicitant bij wie iedere dag het strijkijzer aanstaat is misschien aantrekkelijker dan iemand die elke dag een ‘persoonlijke stimulator’ gebruikt. En een magazijnmedewerker die in zijn vrije tijd met gevaarlijk gereedschap in de weer is, is misschien een minder aantrekkelijke werknemer dan iemand die in zijn vrije tijd meestal veilig voor de tv zit.
Ook de commerciële toepassingen van deze data zijn legio. Stel dat Amazon, Walmart en Google niet alleen weten welke producten hun klanten zoeken en kopen, maar ook welke alledaagse niet-elektronische producten ze al bezitten en hoe vaak ze die gebruiken. Dan kan hun pornoconsumptie worden afgezet tegen hun drinkgedrag. Hun slaapgewoonten (afgeleid van het gebruik van de tv en lampen in huis) tegen hun neiging om online impulsaankopen te doen. Hebben mannen die zich dagelijks elektrisch scheren een voorkeur voor boxershorts en mannen die dat om de dag doen een voorkeur voor slips? Binnenkort weet Facebook het misschien en past er dan zijn advertenties op aan.
Voorlopig kan Sense zulke gedetailleerde informatie nog niet geven. Maar mettertijd zal het potentieel van deze vorm van dataverzameling groeien. Niet alleen door het zelflerend vermogen van hun systeem, maar ook omdat desaggregatie van stroomverbruik uiteindelijk misschien wordt ingebakken in afzonderlijke apparaten of zelfs in het hele stroomnet. Voor het internet der dingen moeten apparaten nu ieder afzonderlijk een netwerkverbinding kunnen maken. Dat is een van de redenen dat die slimme apparaten zo lastig te beheren zijn, om niet te zeggen ronduit onveilig. Maar het stelt je ook in staat om die slimme apparaten dom te houden: je kunt er altijd voor kiezen om de wifi-functie van je waterkoker of je koelkast níét te gebruiken, en er gewoon thee mee te zetten of eten mee te koelen zoals je vroeger gewend was. Zodra echter eenmaal een apparaatje zoals dat van Sense is geïnstalleerd, kunnen gegevens over welke apparaten je gebruikt, en hoe vaak en wanneer, gewoon worden verzameld via het lichtnet, ook zonder dat jij als consument daar weet van hebt.
De meeste zogenaamde slimme apparaten zijn eigenlijk oliedom. Ten eerste omdat ze vooral ten dienste staan van een Internet der Dingen Die Je Helemaal Niet Nodig Hebt
Ik ben te rade gegaan bij mijn collega Justin Romberg van Georgia Tech, docent elektrotechniek en deskundige op het gebied van digitale signaalverwerking. Een gewoon apparaat zoals een blender of een scheerapparaat kan volgens hem gemakkelijk met een elektriciteitsmeter samenwerken door een vooraf bepaalde elektrische puls te versturen, om aan te geven wanneer het aan en uit wordt gezet of zelfs extra informatie te geven over wat het uitvoert. Het is hypothetisch en het zou nog jaren kosten om zoiets uit te rollen. Maar als het voortaan standaard wordt ingebouwd, kan die ingebouwde puls compatibel worden gemaakt met lokale analysesystemen als Sense of met een uitleespunt buitenshuis. Dan staan straks alle apparaten stiekem te vertellen hoe ze door hun eigenaar worden gebruikt. Neutraal kun je deze techniek dus bepaald niet noemen.
Het moet gezegd dat de leiding van Sense zich bewust is van de privacygevaren van hun dienst. Mike Phillips erkent dat het van vitaal belang is voor het succes van zijn product om het vertrouwen van de consument te winnen. Maar hij hoopt dat vertrouwen van meet af aan te hebben. Volgens de eigen voorwaarden mag het bedrijf immers geen gegevens doorverkopen zonder expliciete toestemming van de gebruiker en belooft het alle gegevens te wissen als een gebruiker daarom vraagt. Sense behoudt zich wel het recht voor geanonimiseerde data te gebruiken om zijn zelflerende algoritmes te voeden.
Technologiebedrijven veranderen hun voorwaarden natuurlijk aan de lopende band, en zodra zo’n met durfkapitaal gefinancierd bedrijf succes heeft, wordt het meestal opgekocht. In dat opzicht garandeert de financiering van Sense misschien wat meer fatsoen in de omgang met data dan bij traditionele start-ups. In september heeft het bij een investeringsronde 14 miljoen dollar opgehaald, met als grootste investeerders twee fondsen die naar investeringen in nieuwe energie zoeken voor grote, traditionele bedrijven: Energy Impact Partners, een investeringsfonds waarin uitsluitend energiebedrijven deelnemen, en de investeringstak van Shell. Door slimme energiemeters in te voeren om de facturering te automatiseren en het aanbod beter af te stemmen op de vraag, hebben energiebedrijven het wantrouwen van de consument aangewakkerd, die vaak met monopolisten te maken heeft. Lindsay Luger, managing director van Energy Impact Partners, zegt dat de investeerders in haar fonds manieren zoeken om het contact met hun klanten te verbeteren. Huiseigenaren zijn misschien niet dol op energiebedrijven, maar wel op hun huis; voor veel Amerikanen is dat hun kostbaarste bezit. Een product als Sense kan energiebedrijven in staat stellen hun klanten nieuwe diensten aan te bieden op het gebied van duurzaamheid, controle en automatisering in huis. Veel energiebedrijven proberen deze ontwikkeling te stimuleren door korting te geven op de aanschaf van een Nest-thermostaat, en in de toekomst misschien ook op het kastje van Sense.
Nieuwe databases
Dat kan natuurlijk weer leiden tot het aanleggen van nieuwe databases. Luger toont zich net als Phillips bewust van het privacy-aspect, maar zegt ook dat mensen er steeds minder moeite mee hebben persoonlijke data te delen, zeker als ze er zelf beter van worden. En dat zou allemaal prima zijn, als Sense garanties kon bieden tegen mogelijk ander gebruik van die data in de toekomst. Maar als start-up moet het bedrijf uiteindelijk toch erkennen dat het een financieel instrument in handen van zijn investeerders is.
Op dat vlak heeft Sense een voordeel dat zowel indrukwekkend als angstaanjagend is. De meeste zogenaamde slimme apparaten zijn eigenlijk oliedom. Ten eerste omdat ze vooral ten dienste staan van een Internet der Dingen Die Je Helemaal Niet Nodig Hebt: apparaten met internet verbinden maakt simpele zaken vaak nodeloos ingewikkeld. Vraag maar aan de man die elf uur lang probeerde thee te zetten met een wifi-waterkoker. Ten tweede zijn het domme apparaten omdat de processoren die erin zitten complete computertjes zijn, terwijl die apparaten toch weinig meer bieden dan een extra knopje en de mogelijkheid om data door te sluizen. Tel daarbij op de veiligheidsproblemen, en dat hele internet der dingen lijkt eigenlijk grote zottigheid.
Erger nog: het alternatief voor die domme ‘slimme’ apparaten is misschien niet intelligentie maar geslepenheid. Mensen als Mike Phillips en Lindsay Luger kunnen nog zo eerlijk en vol goede bedoelingen zijn, een dienst zoals die van Sense blijft een doos van Pandora. Meer dan ooit moeten de maatschappelijke en ethische implicaties van een product worden beoordeeld op basis van alle mógelijke toekomstige manieren waarop het kan worden gebruikt.
Luger zegt dat haar fonds geen investeringen doet met een specifieke exitstrategie in het achterhoofd. ‘Ontwikkel een goed bedrijf en je vindt vanzelf een uitgang,’ zegt ze. Ze wijst erop dat het systeem van Sense voor veel sectoren interessant kan zijn: energiebedrijven, de beleggers in haar fonds, zijn logische kandidaten om het op te kopen. Maar ze erkent dat ook Google en Amazon interesse kunnen hebben, evenals verzekeraars of fabrikanten die de door hun apparatuur gegenereerde data willen verzamelen. De toekomst van datadesaggregatie in huishoudens lijkt er dus een te worden van data die continu wordt verzameld.
Als die toekomst al te bedreigend wordt, kunnen gebruikers altijd een monteur inschakelen om het kastje van Sense uit hun meterkast te halen. Maar de werkelijkheid is nooit zo simpel, zeker niet als een curiositeit eenmaal de norm is geworden. Hoe makkelijk is het nu nog om op internet te zoeken zonder Google, om contact met je vrienden te onderhouden zonder Facebook of te netwerken zonder LinkedIn? Het is allang duidelijk dat consumenten hun persoonlijke data grif afstaan in ruil voor geld of kortingen. Verzekeraars vinden dat ook interessant. Straks kun je misschien je auto niet meer verzekeren als je er geen internetkastje in wilt installeren. Of krijg je geen zorgverzekering als je geen fitnesstracker gebruikt. Kun je geen lening afsluiten zonder volledige inzage te geven in je socialmediagebruik. En kun je misschien geen stroom meer afnemen zonder in te stemmen met het gebruik van zo’n energiedesaggregator.
Voeg daarbij de onzekerheid over hoe technologiebedrijven en de nieuwe regering gaan samenwerken onder president Trump, en het verzamelen van al die informatie over het alledaagse leven van gewone mensen gaat steeds minder lijken op een eerlijke uitwisseling van gratis diensten en steeds meer op de ongeplande komst van een maatschappij van totaal toezicht. Het lijkt vergezocht om zo’n beeld te schetsen naar aanleiding van een energiemetertje van 250 dollar dat nu nog weinig afnemers heeft en gemaakt wordt door alleraardigste mensen met de beste bedoelingen. Maar zoiets lijkt altijd vergezocht tot het ineens een voldongen feit is. Het schrikbeeld van een slim apparaatje zoals dat van Sense valt samen met de belofte die het uitdraagt: dat dit echt de toekomst is, en dat die onafwendbaar is. Dat is wel iets om even bij stil te staan als je een apparaat aanzet of een stekker in het stopcontact steekt. Op den duur, over niet al te lange tijd zelfs, zal de kleine elektrische puls die dat veroorzaakt via de blender en de spaarlamp zo je huis uit zweven, naar de cloud daar boven, waar hij wordt geboekstaafd en bewaard door federale instanties en marketingafdelingen en actuarissen – tot in eeuwigheid.
Ian Bogost is in de VS een bekende persoonlijkheid in de wereld van de videospelletjes. Behalve ontwerper is hij ook hoogleraar in de informatica aan het Georgia Institute of Technology, en mediafilosoof. Zijn specialiteit is het ontwerpen van ‘serieuze’ videospelletjes met sociale en politieke thema’s (veiligheid op luchthavens, bescherming van consumenten tegen het maken van schulden, grieppandemieën et cetera). Hij gaat ook door voor een pionier op het gebied van newsgames, die steeds vaker opduiken – een toepassing van journalistieke technieken in videospelletjes waarbij de informatie op een ludieke en interactieve manier wordt verpakt.
CONTEXT: CYBERLEGER
Veel op het internet aangesloten apparaten zijn slecht beveiligd, waardoor ze een wapen kunnen worden in cyberaanvallen.
Op 21 oktober 2016 ‘kreeg de wereld een voorproefje van de toekomst met een grootschalige cyberaanval, die de toegang blokkeerde tot talrijke websites, zoals die van Twitter en Amazone’, brengt Foreign Policy in herinnering. Die dag kozen de hackers de Amerikaanse onderneming Dyn, waarvan de servers het verkeer op het internet regelen, tot doelwit. Hun wapen? Een leger dat bestond uit een fenomenaal aantal op internet aangesloten objecten, zoals camera’s, printers en zelfs babyfoons, die werden ingezet zonder medeweten van de eigenaren of gebruikers.
‘Deze manipulatie berust geheel op het feit dat de honderden miljoenen apparaten die bij dit soort aanvallen worden ingezet, worden verkocht met weinig ingebouwde beveiliging, áls er al sprake is van enige beveiliging’, betoogt Motherboard.
Deze nieuwe vorm van agressie heeft niet alleen tot gevolg dat de verbindingssnelheid van het internet wordt vertraagd. De aanvallen vormen een werkelijke bedreiging voor de objecten die worden aangevallen, voor het privéleven van de eigenaren, maar ook voor hun gezondheid en in sommige gevallen zelfs voor hun leven. Dat is in elk geval de boodschap die vooraanstaande deskundigen op het gebied van internetbeveiliging medio november vorig jaar neerlegden in een rapport aan het Amerikaanse Congres.
Volgens deze experts ontbreekt een degelijke beveiliging ook op computers en andere op het internet aangesloten instrumenten in ziekenhuizen, vooral in systemen die bijvoorbeeld het functioneren van liften, de ventilatie en andere installaties regelen. ‘Het is niet zo lastig om je voor te stellen welke dodelijke catastrofe zich zou kunnen voordoen – en dat dwingt de overheid tot ingrijpen om dit falen van de markt te corrigeren’, schrijft Bruce Schneier, veiligheidsexpert aan Harvard, in MIT Technology Review. Schneier pleit voor een agentschap dat regels opstelt voor de ‘cyberveiligheid’.
VS – DE TV KIJKT MEE
‘Uw televisie bespiedt u ongetwijfeld meer dan dat u naar het scherm kijkt’, waarschuwt Pacific Standard. Het Amerikaanse tijdschrift heeft één speciaal merk op het oog, namelijk Vizio, de nummer 1 op de markt van ‘intelligente’ tv-toestellen in de Verenigde Staten.
‘De toestellen registreren de kijkgewoonten van de bezitter en delen die gegevens met reclamebureaus, die op hun beurt u weten terug te vinden op uw laptop of op andere apparatuur die met het internet in verbinding staat’, onthult Standard.
Het systeem wordt in werking gesteld door een ‘mankement’ aan de toestellen van dit merk (om het systeem uit te schakelen moet de gebruiker zelf actie ondernemen), in tegenstelling tot de toestellen van de concurrentie, waarvan het volgsysteem pas in werking treedt als de gebruiker daarin toestemt.
We worden omringd door apparaten die op het internet der dingen zijn aangesloten, ‘maar elk van die apparaten is een potentieel lek in het wereldwijde web’, schrijft Süddeutsche Zeitung verontrust. Om onze apparatuur te beveiligen is niets zo goed als een deugdelijk wachtwoord, raadt de Duitse krant aan, die het onderwerp grondig heeft onderzocht. Vergeet het klassieke ‘123456’, dat vaak tevoren op het apparaat is geïnstalleerd en dat veel gebruikers na aankoop niet wijzigen.
Maar dan moet de fabrikant de koper wel de mogelijkheid bieden de toegangscode te wijzigen. En daar schort het soms aan, constateert de Süddeutsche. Het Duitse bureau voor veiligheid op het gebied van informatica raadt trouwens aan om de UPnP-functie (Universal Plug and Play) uit te schakelen, die het apparaat in staat stelt in een systeem te functioneren, maar die tevens piraterij vergemakkelijkt. Bovendien moet de gebruiker van dergelijke apparaten zo veel mogelijk de nieuwste updates installeren die de fabrikant verstrekt.
Tot op heden tonen de fabrikanten zich nauwelijks geïnteresseerd in beveiliging
Een ingewikkelde maar relatief veilige methode is het installeren van een zogeheten VPN (Virtual Private Network), schrijft de krant. Het betreft een privénetwerk dat alle apparaten in huis onderling verbindt. Daartoe moet waarschijnlijk de hulp van een specialist worden ingeroepen.
De verantwoordelijkheid voor de beveiliging van dergelijke apparaten berust dus geheel bij de gebruiker, benadrukt de krant. ‘Die opgelegde verantwoordelijkheid is een vergissing, want de gebruikers zijn goeddeels afhankelijk van de fabrikant.’ Hun bewegingsvrijheid is wat dit soort apparaten betreft dus beperkt. ‘Ze kunnen noch het gebruikssysteem kiezen, noch aanvullende apparatuur installeren om zich te beveiligen.’
Tot op heden tonen de fabrikanten zich nauwelijks geïnteresseerd in beveiliging, en het wordt hoog tijd dat daar verandering in komt, schrijft de Süddeutsche, die de suggestie doet een keurmerk te introduceren waarop de koper kan aflezen in hoeverre een product veilig te gebruiken is.
VS – BARBIE ALS KLIKSPAAN
Is met internet verbonden speelgoed het nieuwe doelwit van Big Brother? Die vraag stelde onlangs New Scientist, dat zich verontrust afvroeg hoeveel van dat speelgoed de Kerstman dit jaar weer onder de kerstboom had gelegd. Al in 2015 veroorzaakte Hello Barbie, het popje waarmee de kleintjes kunnen praten, een schandaal.
Alle woordjes die de kinderen uitspreken worden opgevangen door een microfoon en doorgestuurd naar en ontleed door algoritmen voor stemherkenning, opdat het popje een enigszins adequaat antwoord op gestelde vragen kan formuleren.
‘Er is op zich niets illegaals aan het functioneren van Hello Barbie’, schrijft het wetenschapsblad, ‘maar een fabrikant kan zich keurig houden aan alle wetten en voorschriften en niettemin het privédomein van kleine kinderen betreden. Want die kindertjes begrijpen niet dat een speelpopje geen geheimen kan bewaren en dat alles wat ze tegen hun Barbie zeggen ook afgeluisterd kan worden door een onzichtbare batterij ingenieurs en ontwerpers – en ook door hun ouders.’
ITALIË – DE TOEKOMST IS AL BEGONNEN
Het internet der dingen – en niet alleen het internet van de computers en mobiele telefoons – behelst een woud van voorwerpen (van auto’s en thermostaten tot broodroosters en pacemakers) die met het internet zijn verbonden voor meer gemak en – dat was de oorspronkelijke belofte – voor meer veiligheid, schreef de Italiaanse krant Corriere della Sera eind 2014, verwijzend naar een rapport van Europol over onlinecriminaliteit. Naast diefstal van persoonlijke gegevens en identiteitsfraude kan piraterij ten aanzien van gebruiksvoorwerpen die met internet zijn verbonden leiden tot ‘lichamelijke schade, zelfs tot de dood’.
‘Het risico van een hartinfarct, veroorzaakt door een hacker via een pacemaker, bestaat natuurlijk, maar die dreiging lijkt veraf, de daad van een krankzinnige’, relativeerde de krant, die tot de slotsom kwam: ‘De bescherming van de persoonlijke gegevens van miljoenen mensen zou daarentegen prioriteit moeten krijgen. Europol heeft in elk geval alarm geslagen.’
DUITSLAND – ANGSTAANJAGEND ONDERZOEK
De Süddeutsche Zeitung heeft onlangs na maandenlang onderzoek een serie artikelen gepubliceerd over de veiligheid van op het internet aangesloten apparatuur. ‘Alleen al in Duitsland worden duizenden apparaten geproduceerd die niet worden beveiligd met een wachtwoord en voor iedereen toegankelijk zijn’, luidt de conclusie. De journalisten hebben gebruikgemaakt van de zoekmachine Shodan (shodan.io), waarop een lijst wordt bijgehouden van apparatuur die op het internet moet worden aangesloten, maar het zonder beveiliging moet stellen. Dat kunnen webcams zijn, maar evenzeer controlesystemen in waterzuiveringsinstallaties. Hele levens worden blootgelegd aan wie maar wil toekijken, terwijl elk niet-beveiligd apparaat tevens kan dienen als schakel in massale cyberaanvallen.
ISRAËL – KNIPPERLICHT IN DE NEGEV
Op een avond in 2016 begonnen de ‘intelligente’ lampen van een gebouw van het Weizmann Instituut en vervolgens ook van een woonflat in Beer Sheva in de Negev-woestijn voortdurend aan en uit te knipperen, zonder regelmaat, en ze veranderden daarbij ook nog eens bij voortduring van sterkte en van kleur. Waren ze gek geworden?
In werkelijkheid werden beide gebouwen ‘aangevallen’ door onderzoekers van het Weizmann Instituut zelf en van de Dalhousie-universiteit in het Canadese Halifax, die erin waren geslaagd de controle in beide gebouwen over te nemen. Daartoe hadden ze een ‘informaticaworm’ ontwikkeld met behulp van een tamelijk onbekend internetprotocol, genaamd ZigBee, een standaard voor verbindingen op korte afstand, te vergelijken met de Bluetooth-technologie.
‘De onderzoekers toonden aan dat zij door controle te krijgen over slechts één enkele lamp, binnen een paar minuten een groot aantal andere lampen in de nabijheid een voor een konden manipuleren’, schreef_ The New York Times._ Dezelfde techniek zou gebruikt kunnen worden, aldus de krant, als opstapje om informatie te stelen, enorme hoeveelheden spam te versturen en zelfs een groot aantal aanvallen van epilepsie te veroorzaken.
ISRAËL – DE KOPTELEFOON TELEFONEERT
Stelt u zich voor dat uw koptelefoon en andersoortige luidsprekers zich zouden ontpoppen tot microfoons. Of nog erger: dat men uw gesprekken zou kunnen afluisteren via dit soort apparaten. Het klinkt als sciencefiction, maar toch zijn onderzoekers van de Ben Goerion Universiteit in Beer-Sheva daar op redelijk eenvoudige wijze in geslaagd, zo maakten zij eind vorig jaar bekend.
‘Ze ontwikkelden “vijandige” programmatuur om de membranen van dergelijke apparaten in omgekeerde richting te laten werken, waarbij geluidstrillingen uit de omgeving werden omgezet in electromagnetische signalen,’ zo bericht The Times of Israel. De onderzoekers beweren dat er op het moment geen enkel antwoord bestaat tegen hun programmatuur.
NIEUW-ZEELAND – ZELFS DE VIBRATOR WORDT NIET ONTZIEN
In de zomer van vorig jaar onthulden twee hackers uit Nieuw-Zeeland hoe zij erin slaagden clandestien verbinding te maken met seksspeeltjes. Ze richtten hun aanvallen op We-Vibe 4 Plus, een van de meest verkochte producten op deze markt, en vingen gegevens op die door de apparaatjes werden uitgezonden.
‘Wat het duo vond was verbazingwekkend,’ schrijft het Amerikaanse onlinemagazine Motherboard. Niet alleen bleek het apparaat elke minuut zijn temperatuur door te seinen naar de fabrikant, maar ook de intensiteit waarmee het apparaat werd gebruikt werd terstond gemeld.
De fabrikant wordt er op die manier rechtstreeks van verwittigd dat het apparaat wordt gebruikt en op welke wijze, of het nu op het internet is aangesloten of niet. Dat is verontrustend nieuws, want afgezien van de manifeste inbreuk op het privé-leven van de gebruiker, is de verkoop of het bezit van dit soort speelgoed in een aantal landen, waaronder India en de Filippijnen, verboden.
Omdat de Algerijnse overheid het laat afweten, zijn zeven dorpen in het noordelijke provincie Kabylië overgegaan tot zelfbestuur. De afgelopen jaren werden al tal van voorzieningen gerealiseerd, zoals stromend water en afvalrecycling. De volgende stap is een museum om toeristen te trekken.
‘De staat is afwezig in onze dorpen. Ze denken pas aan ons als ze de politie hiernaartoe sturen om ons de oproepen voor militaire dienst te bezorgen.’ Wie de moeite neemt om door dit deel van Kabylië te trekken, zal vast getroffen worden door de woeste schoonheid van de streek, maar niet alleen daardoor. Afgelopen mei werd in de provincie het project Ayla Tmurt [rijkdom en grondstoffen] gelanceerd: een regionaal plan om zeven dorpen gezamenlijk te ontwikkelen. Het idee is om solidair te zijn en elkaar zo veel mogelijk te helpen: alle voorzieningen worden onderling gedeeld, ook binnen de dorpen zelf.
Dat is hard nodig, want zowel ’s zomers als ’s winters hebben de bewoners van de dorpen veel te lijden. In de zomer is het stikheet in het gebied, terwijl de winters juist hard zijn. Het is bitterkoud en er valt vaak meer dan een meter sneeuw. De meeste van deze dorpen zijn moeilijk bereikbaar, niet alleen ’s winters. Maar de streekbewoners hebben wel wat anders om over te klagen dan de slechte wegen. ‘De meeste van onze dorpen zijn voor hun lokale ontwikkeling volledig op zichzelf aangewezen. We moeten zelf maar zien hoe we, met onze beperkte middelen, overleven in dit geïsoleerde, bergachtige gebied,’ vertelt een zestigjarige aan de rand van het dorp Iguersafène in de gemeente Idjer (een van de zeven gemeenten die bij het plan betrokken zijn). De dorpelingen hebben er hun eigen bestuur opgezet. Het dorpscomité, Tajmaât, zit overal bovenop en is verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van het dorp. Dit systeem van zelfbestuur functioneert goed; de bewoners hebben, met hulp van émigrés in Frankrijk, alle projecten zelf gefinancierd.
Brandschoon
Het dorp oogt brandschoon, je zult hier niet snel een peuk op straat aantreffen. Niet verwonderlijk trouwens: overal in het dorp staan borden om de voorbijganger eraan te helpen herinneren zich om zijn omgeving te bekommeren. Sinds 2012 betaalt elk huishouden een door het dorpscomité vastgestelde milieubelasting van 400 Algerijnse dinar [1000 dinar is 8,64 euro] per jaar. Ook wordt er goed op gelet dat iedereen zijn afval scheidt. Her en der op straat staan afvalcontainers in verschillende kleuren, elk voor een bepaald type afval.
Organisch afval, glas en plastic worden in een speciaal met dit doel ingerichte centrale verder verwerkt. Het plastic afval wordt verkocht aan een recyclingbedrijf, wat het comité weer wat extra inkomsten oplevert. Het organisch afval wordt op een centraal punt buiten het dorp samengeperst en als compost verzameld. Voor het vervoer ervan is een tractor aangeschaft; de jongeman die hem rijdt krijgt 25.000 dinar per maand.
‘We geven wel 8 miljoen dinar per jaar uit. Al deze projecten financieren we zelf. Elk gezin draagt zo’n 800 dinar per jaar bij en oud-dorpsbewoners in het buitenland maken 60 euro over,’ vertelt voormalig wiskundeleraar en fabrieksdirecteur Arezki Messaoudène, nu voorzitter van het dorpscomité van Iguersafène. In het dorp wonen momenteel 4500 mensen, wat het de grootste agglomeratie van de gemeente Idjer maakt. In de afgelopen jaren is er in Iguersafène een levendige artistieke cultuur in de openlucht ontstaan, vooral nadat het dorp in 2014 de twaalfde editie van het festival Raconte-Arts organiseerde.
‘Bij ons zijn zelfbestuur en zelfvoorzienendheid een cultuur geworden. Aangezien er geen hulp van de overheid komt, doen we het maar zelf. Maar dat is al heel lang zo, eigenlijk al sinds de onafhankelijkheid,’ vertelt de voorzitter. In 1957 wilden 65 dorpelingen zich met wapens en munitie bij het verzetsleger ALN aansluiten, en ze besloten daarom dienst te nemen in het koloniale leger. Zodra zij onder de wapenen waren, organiseerden ze een collectieve ontsnapping naar het hoofdkwartier van kolonel Amirouche. Als represaille maakte het Franse leger het hele dorp met de grond gelijk.
Na de onafhankelijkheid beschikte de staat nauwelijks over middelen, dus de dorpelingen moesten zelf voor de wederopbouw van hun dorp zorgen. In die tijd ontstond de eerste vrijwilligersdienst, en al snel kwam er een tweede om het dorp van vers bronwater te voorzien. ‘De gemeente hoefde alleen nog voor de waterzuivering te zorgen,’ vertelt de voorzitter. ‘In 2008 hebben we gevraagd of 145 nieuwe woningen op het elektriciteitsnet konden worden aangesloten, maar tot nu toe is dat niet gebeurd. We leven hier heel geïsoleerd in de bergen en kunnen niet wachten tot de staat ons komt helpen.’ In 1998 besloten de bewoners stromend water in hun woningen aan te leggen en installeerden ze hun eigen watermeters. Dit project werd uit eigen middelen gefinancierd en kostte in totaal 34 miljoen dinar. Maandelijks betalen de gezinnen niet meer dan honderd dinar per woning.
Alleen in de droge tijd tussen juni en december is het watergebruik gelimiteerd. ‘In die periode mag het gebruik niet boven de tachtig liter water per dag per persoon uitkomen. Gaat een huishouden daar overheen, dan moet het een boete van vijfhonderd dinar per kubieke meter betalen, oftewel een halve dinar per liter,’ vertelt de voorzitter van het dorpscomité. Voor het onderhoud van de waterleiding heeft het dorp voltijds een loodgieter in dienst genomen, die 25.000 dinar per maand verdient.
1. Een bewonersbijeenkomst in Iguersafène; 2. Overal in de dorpen roepen borden op om het milieu te beschermen; 3. Dorpelingen metselen een muurtje.
Vrijwilligersdiensten zijn in het dorp traditie en vinden elke week plaats. Iedereen moet op zijn beurt een taak vervullen in het algemeen dorpsbelang. Is iemand zonder geldige reden afwezig, dan mag hij of zij zijn beurt inhalen of moet anders een boete van duizend dinar per dag betalen. In de laatste maanden hebben de dorpelingen, met uit de dorpskas betaalde materialen, honderd meter waterleiding aangelegd, de wegen om het dorp heen onderhouden, de straten verbreed om ze berijdbaar te maken en twee pleinen aangelegd. Verder is het dorpskerkhof opgeknapt en is verlichting aangelegd op de weg naar dit kerkhof. ‘De realisatie van al deze projecten heeft zo’n 6,5 miljoen dinar gekost,’ vertelt de president van het dorpscomité.
Het dorp heeft ook een lokale verordening, die door de inwoners nauwgezet wordt nageleefd. Wel is deze verordening momenteel onderwerp van discussie, want de dorpelingen willen hem amenderen. ‘De discussie over een nieuwe verordening zal eind dit jaar worden afgesloten. We moeten hem aanpassen aan de huidige tijd, want zowel het dorp als de mentaliteit van de bewoners zijn veranderd,’ zegt Arezki Messaoudène. In alle dorpen die we bezochten leeft een sterk moreel besef: de dorpelingen laten iemand die hulp nodig heeft nooit in de steek. Armlastige personen ontvangen structurele hulp. Net als in veel andere dorpen in Kabylië, heeft ook in dit dorp de dorpsraad veel gezag; de voorzitter van het dorpscomité heeft eerder een gidsfunctie.
Het dorpscomité vergadert zowat elke dag, helemaal sinds de leden voor hun werk een vergoeding ontvangen
Dat geldt ook voor het dorp Boumessaoud in de gemeente Imsouhal in dezelfde streek, dat maar 350 inwoners telt. Dit jaar werd Boumessaoud tot het schoonste dorp van Kabylië gekozen [in oktober ontving het als prijs 10 miljoen dinar van het ministerie voor Water en Milieu]. Bij de ingang van het dorp ontmoeten we de 66-jarige metselaar Nacer Ami. Hij is lid van het dorpscomité en vertelt ons dat hier dezelfde verordening van kracht is als in Iguersafène. ‘De enige verschillen zijn de manier waarop de contributie wordt geïnd en de hoogte van de boetes,’ vertelt hij. In Boumessaoud betalen de bewoners het comité 120 dinar per persoon per jaar.
Tweemaal per week draaien de dorpelingen vrijwilligersdiensten. Het dorpscomité vergadert zelfs zowat elke dag, helemaal sinds de leden voor hun werk een vergoeding ontvangen. Nacer Ami’s 22-jarige zoon Ramdane, die als kok werkt in Azazga, verzekert ons dat zijn dorp ‘zich helemaal niet had voorbereid op de verkiezing voor het schoonste dorp’. ‘We waren er gewoon klaar voor, omdat we al ruim tien jaar als vrijwilligers aan het onderhoud van ons dorp werken. Dat is een traditie die we van onze voorouders hebben meegekregen. Alle tekeningen, beelden en versieringen van het dorp zijn door de bewoners zelf gemaakt,’ legt Ramdame uit.
Al in 1974 legden de bewoners van Boumessaoud hun eigen riolering aan; in 1991 werd die vernieuwd. Daarvoor werden, met geld uit de dorpskas, voor in totaal 10 miljoen dinar vier boren aangeschaft. Net als in Iguersafène, krijgt het dorp vooral steun van naar Frankrijk geëmigreerde ex-bewoners. ‘Afgezien van Sonelgaz is de staat in de overheid niet meer aanwezig. Het gemeentebestuur hebben we ooit om ondersteuning gevraagd en we kregen toen enkel twee emmers verf van ze. Als we alleen van hun afhankelijk waren, zouden we nog in het stenen tijdperk leven,’ zegt Nacer Ami wrang.
In deze twee dorpen, evenals in het nabijgelegen Tazerouts, speelt het comité voor scheidsrechter bij conflicten tussen dorpelingen. ‘Maar als twee strijdende partijen ook samen met het comité geen overeenstemming kunnen bereiken, dan moet de voltallige dorpsraad zich over de kwestie buigen. Wordt er dan nog geen oplossing gevonden, dan wordt het geschil overgedragen aan justitie. Besluit een van de partijen die stap op eigen houtje te zetten, dan betaalt hij daarvoor een boete van 10.000 dinar. Maar tot nu toe heeft nog niemand dat gedaan,’ vertelt de 44-jarige Slimane Aït Khaldoun, die lid is van het dorpscomité van Tazerouts. De bewoners van dit dorp kozen al in 1960 voor zelfbestuur.
‘Uit onze eigen middelen hebben we onder andere een dorpsplein aangelegd, meerdere fonteinen, een draaimolen van 500.000 dinar en een crèche,’ vertelt de 59-jarige Youssef Aït Ali Amara, een gepensioneerd politieman die ook lid is van het dorpscomité. Het dorpscomité van Tazerouts, een stadje met 1200 inwoners op 1200 meter hoogte, wordt bij de totstandkoming van deze projecten ondersteund door een stel lokale winkeliers.
Museum
Maar niet alleen door hen. Slimane erkent dat de families van zijn dorp, net als die uit andere dorpen in de streek, kunnen rekenen op ‘contributie uit de diaspora, van gepensioneerden in Frankrijk, en ook van voormalige mujahideen die in de Algerijnse vrijheidsstrijd hebben gevochten’. Maar volgens hem zijn die inkomsten onvoldoende. ‘Ons dorp heeft een slechte infrastructuur. We hebben geen middelbare school, geen ziekenhuis, geen vergaderzaal. Ook hebben we geen sportaccommodatie, bioscoop of polikliniek. We kunnen lang niet alles doen wat we zouden willen,’ zegt Slimane met spijt in zijn stem. Er heerst vaak ook onduidelijkheid over of de staat verplicht is de stoffelijke overschotten van ex-bewoners die in het buitenland zijn overleden te repatriëren. Politieke organisaties in de diaspora stellen het gebrek aan steun van de kant van de overheid hierbij aan de kaak en vinden dat de staat het op zich zou moeten nemen. Voor de dorpen met zelfbestuur vormt dit echter niet langer een probleem. In het dorp Tabourt met 900 inwoners, dat onder de gemeente Tifagha valt, neemt de vereniging van oud-dorpelingen in Frankrijk de repatriëringskosten van stoffelijke overschotten voor haar rekening.
Ondanks de beperkte middelen ontbreekt het in deze autonome dorpen niet aan ideeën. Het dorpscomité van Tazerouts wil een opnamestudio voor jonge artiesten uit het dorp inrichten, en een radiostation. Verder moet er een tweede watertoren komen en wil men de geldprijs van 7 miljoen dinar die het dorp vorig jaar kreeg, toen het werd uitverkozen tot het op een na schoonste dorp van Kabylië, investeren in de bouw van een museum op de hoogste heuveltop van de regio.
In Iguersafène wil het dorpscomité zelf het plastic afval gaan recyclen, om het vervolgens tegen een betere prijs door te kunnen verkopen. Daarvoor is al een contract gesloten met een klant in Béjaïa. Maar daarbij blijft het niet: het comité wil ook een studiecentrum in het bos openen waar scholieren en studenten, waar ze ook vandaan komen, zich aan de studie kunnen wijden. De bewoners van het dorp hopen met dit project meer bezoekers en toeristen te lokken. Zoals de jonge Idir Raab het verwoordt: ‘De toekomst ligt in handen van de generaties die de bloeiperiode van deze autonome dorpen in Kabylië hebben meegemaakt.’
In 1990 is ‘Het Land’ opgericht door journalisten die van de officiële staatskrant afkomstig waren. Directeur Omar Belhouchet heeft in het buitenland verscheidene prijzen voor journalistiek en persvrijheid ontvangen.
Een nieuwe Britse wet die overheidsdiensten vrijwel ongelimiteerd inzicht geeft in het surf- en belgedrag van burgers, is een onaanvaardbare inbreuk op het privéleven, schrijft de website Spiked.
De Investigatory Powers Act (IPA), die overheidsinstellingen toegang geeft tot e-mail- en telefoonverkeer en onlangs vrijwel ongewijzigd door het Hogerhuis kwam, is een weerzinwekkend staaltje van staatsbemoeienis. De IPA, in november vorig jaar gelanceerd door toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Theresa May, sleept de al bestaande en even weerzinwekkende inlichtingenwetgeving het digitale tijdperk binnen. Ingevolge de IPA zullen internet- en telefoonbedrijven voortaan alle gegevens over telefoontjes en websitebezoeken van hun klanten twaalf maanden lang moeten bewaren. Dat betekent dat alle mogelijke overheidsinstanties, van douane en inlichtingendiensten tot de nationale gezondheidsdienst en de voedsel- en warenautoriteit, in potentie precies kunnen zien welke sites je het afgelopen jaar hebt bezocht en wie je allemaal hebt gebeld.
En dat is nog niet alles. De IPA zal veiligheidsdiensten en politie ook toestaan computers, telefoons en netwerken te ‘hacken’ om te horen wat je zegt, te zien waar je naar kijkt en te weten wat je typt. En daarbij mogen ze alle middelen gebruiken die ze nodig achten, inclusief het benutten van zwakke plekken in software, wat klinkt als een recept voor een complot tussen bedrijven en staat.
Privacy is ook van wezenlijk belang voor het openbare leven, dat afhankelijk is van zelfverzekerde, onafhankelijk denkende individuen
Volgens May, die de IPA trots en eufemistisch roemde als een ‘inlichtingensysteem dat toonaangevend is in de wereld’, zullen de Britse veiligheidsdiensten daarmee alleen maar ‘de bevoegdheden krijgen die ze nodig hebben om ons land te beschermen’. Als dat vertrouwd klinkt, dan is het omdat elke aantasting van onze vrijheid die de staat zich permitteert wordt gerechtvaardigd met onze veiligheid. Zo noemde de voormalige New Labour-minister van Binnenlandse Zaken Jack Straw de RIPA, de voorloper van deze wet, in 2000 ‘de aangewezen manier om witwassen, mensenhandel, pedofilie, tabakssmokkel en andere ernstige misdrijven aan te pakken’.
Maar de ervaring met de RIPA is leerzaam. In de praktijk ontaardde de bescherming van burgers tegen ernstige misdrijven al snel in het betrappen van diezelfde burgers op kleine vergrijpen. Alleen al in 2009 werd de RIPA voor 552.550 snuffelgevallen gebruikt, waarvan tweeduizend keer door plaatselijke autoriteiten die individuen wilden betrappen op gruwelijke misdrijven als het niet opruimen van afval of hondenpoep. Gezien het gebruikelijke wantrouwen van de Britse staat jegens het maatschappelijk middenveld mag worden aangenomen dat Mays nieuwe versie van de Snuffelwet al even nuttig zal zijn voor de bemoeials.
Maar wat opvallend is aan de reacties op Snuffelwet 2.0, in vergelijking tot die op de oorspronkelijke versie van New Labour, is hoe onverdeeld kritisch deze zijn geweest. Voorspelbaar was misschien dat Edward Snowden, de tot verklikker bekeerde voormalige medewerker van de Amerikaanse Nationale Veiligheidsdienst, sprak van ‘de meest extreme vorm van staatstoezicht in de geschiedenis van de westerse democratie’. Ook was het nauwelijks verbazingwekkend dat de burgerrechtenbeweging Liberty van dik hout planken zaagde: ‘Onder het mom van contraterrorisme heeft de Britse staat het meest indringende toezichtsysteem ontwikkeld van alle democratieën in de menselijke geschiedenis.’ Maar ook de VN laten niets heel van de IPA: Joe Cannataci, de speciale rapporteur voor het recht op privacy, zei dat ‘massale toezichtsmaatregelen en massaal hacken, zoals voorzien in de IPA, eerder onwettig dan wettig verklaard zouden moeten worden’. Zelfs de Daily Star plengde een progressieve traan en vroeg klaaglijk: ‘Het einde van porno?’
Velen wezen er ook op hoe gedwee het parlement is geweest, met schaduwminister Keir Starmer van Labour die het wetsvoorstel praktisch door het Lagerhuis loodste. Maar dat Labour zich niet al te fel heeft verzet mag nauwelijks een verrassing heten. New Labour liep voorop met het snuffelen van staatswege, niet in de laatste plaats met de RIPA. Hun parlementariërs houden bijna net zoveel van de privacy van burgers als van Jeremy Corbyn. En ook al zitten veel sterren van het paternalistische autoritarisme van New Labour, van Jack Straw tot David Blunket, niet langer op de groene bankjes van het Lagerhuis, ze zijn nog steeds te vinden op het luxueuze rode pluche van het Hogerhuis. Dat het wetsvoorstel geen serieuze weerstand ondervindt, bewijst dat het parlement wordt gedomineerd door een politieke klasse die al lange tijd gewoon is het publiek te wantrouwen en te verachten.
Maar er is ook nog een groter probleem. Het ontbreken van serieuze oppositie tegen het wetsvoorstel is niet alleen maar te wijten aan een gebrek aan ruggengraat, maar ook aan de culturele devaluatie van de privacy zelf. Hoewel velen kritiek hadden op de IPA en verwezen naar Orwell en totalitarisme, leken maar weinigen te kunnen zeggen waarom privacy belangrijk is, waarom het waardevol is.
En dat is een probleem, omdat privacy iets is dat op waarde moet worden geschat, niet alleen omdat het mensen in staat stelt onder de radar te blijven, zich te verstoppen, maar ook omdat het van wezenlijk belang is voor het openbare leven, dat afhankelijk is van zelfverzekerde, onafhankelijk denkende individuen. De persoonlijke arena is namelijk de ruimte waar we verschillende aspecten van onszelf kunnen ontwikkelen, ideeën kunnen uitproberen, gedachten en gevoelens kunnen onderzoeken en een rijk en uitgesproken innerlijk leven kunnen opbouwen. Zodra het oog van de staat deze persoonlijke, intieme ruimte binnendringt, of kan binnendringen, raakt deze persoonlijke, intieme ruimte verstikt. Men moet plotseling handelen en spreken alsof men gevolgd en beoordeeld kan worden. De taal wordt aan zelfcensuur onderworpen, gedrag intern gecontroleerd, websites worden gemeden. Wie denkt dat het toezicht houden op het privéleven van mensen, vooral waar het politiek extremisme of seksueel afwijkend gedrag betreft, een progressieve, positieve ambitie is, zal dit ongetwijfeld als een manier beschouwen om de maatschappij te verbeteren. Maar zo’n paternalistisch plan is tot mislukken gedoemd. Mensen stoppen niet met geloven wat ze geloven of met voelen wat ze voelen; ze zetten alleen een openbaar masker op, zelfs privé. In het koninkrijk van de transparantie heersen leugen en kwade trouw.
Beloofde land
Waar privacy ontbreekt, bloeit het conformisme. Het afkalven van de privacy, of het nu komt door de IPA of het almaar toenemende staatstoezicht op internetgedrag in het algemeen, maakt het individu machteloos tegenover druk van buitenaf, de druk om zich te conformeren aan het gemiddelde, om het geloof van de dag aan te hangen, of dat nu anticommunistisch is, zoals in het Amerika van McCarthy, of politiek correct, zoals vandaag de dag. Individuen verliezen zichzelf in de openbare en officiële orthodoxie.
Het is moeilijk om dan niet te denken aan de meest nachtmerrieachtige toezichtsmetafoor: de koepelgevangenis van Jeremy Bentham, een rond gebouw met een toren in het midden van waaruit elke kamer, en daarom elke bewoner, volledig zichtbaar is. Bentham, een negentiende-eeuws filosoof en maatschappelijk hervormer, dacht hiermee de ideale gevangenis te hebben ontworpen, maar in de handen van de twintigste-eeuwse Franse filosoof Michel Foucault werd het een duister visioen van maatschappelijke discipline en straf in het algemeen, een maatschappij, kortom, waarin iedereen, zichtbaar voor alle anderen, de druk voelt om zich te conformeren, om te handelen zoals men denkt dat anderen dat van hem verwachten.
‘Zichtbaarheid is een val’, schreef Foucault. Voor mensen als May, Starmer en de rest lijkt het meer op het beloofde land.
Deze onafhankelijke website werd in 2000 opgericht door vrijwilligers en wordt gefinancierd door donateurs – en een beetje reclame. De site heeft als doel om inhoud van hoge kwaliteit te bieden, en doet dat in rubrieken als Hot Topics, Free Speech, British news, etc.
De Amerikaan Scott Santens wacht een overheidsinitiatief over het basisinkomen niet af, maar probeert via crowdfunding in zijn levensonderhoud te voorzien.
Scott Santens denkt de laatste tijd veel aan vis. En dan vooral aan het aforisme: ‘Als je iemand een vis geeft, heeft hij voor een dag te eten. Als je iemand leert vissen, heeft hij zijn hele leven te eten.’ Wat Santens wil weten is het volgende: ‘Als je een robot bouwt die kan vissen, verhongeren alle mensen dan, of hebben alle mensen dan te eten?’ Santens is 37 en een van de leiders van de beweging voor een basisinkomen, een wereldwijd netwerk van duizenden voorstanders (alleen al 26.000 op de Amerikaanse nieuwssite Reddit) die vinden dat regeringen elke burger een maandelijkse toelage moeten geven die groot genoeg is om hun basisbehoeften te dekken.
Met het idee van een basisinkomen wordt al decennia lang gespeeld, en het heeft op steun kunnen rekenen van uiteenlopende leiders als Martin Luther King Jr. en Richard Nixon. Maar in plaats van op een regeringsinitiatief te wachten is Santens begonnen om via crowdfunding een eigen basisinkomen van 1000 dollar per maand te verwerven. Hij is al bijna halverwege. Santens denkt dat de banengroei niet langer gelijke tred houdt met de automati-sering, en hij ziet een inkomen van regeringswege als een bruikbare oplossing. ‘Het gaat er niet om dat we in de toekomst een basisinkomen nodig hebben, we hebben het nu nodig,’ zegt Santens, die in New Orleans woont. ‘De mensen hebben het niet in de gaten, maar we zien de effecten al overal om ons heen, in de banen en in het loon dat we krijgen, in de uren die we voor lief nemen, in de extreme inkomensongelijkheid en in het verlies van koopkracht.’
Als je een robot bouwt die kan vissen, verhongeren alle mensen dan, of hebben alle mensen te eten?
Robots
Veel deskundigen geloven dat, anders dan in de twintigste eeuw, de mensen in deze eeuw de automatisering niet één stap voor zullen kunnen blijven door middel van beter onderwijs en het vergroten van hun vaardigheden. Een recente studie van de Universiteit van Oxford waarschuwt dat 47 procent van alle bestaande banen binnen de komende twee decennia geautomatiseerd zal kunnen worden.
Zorgen over robots die menselijke arbeid vervangen duiken steeds vaker op in de toonaangevende media, zoals op de voorpagina van The Wall Street Journal. Recente boeken zoals The Second Machine Age en Who Owns the Future? voorspellen dat als het om robots en werk gaat, de tijden zijn veranderd. In Europa, waar het sociale vangnet groter is, lijken mensen meer open te staan voor het idee van een basisinkomen dan in de Verenigde Staten.
De Zwitsers gaan in 2016 een referendum houden voor een basis-inkomen [van 2000 euro per maand]. De meeste kandidaten voor de recente parlementsverkiezingen in Finland staan achter het idee. Maar in de VS is de kwestie nog taboe voor de toonaangevende politici: zij blijven twijfels houden over de rechtvaardigheid en uitvoerbaarheid van een basisinkomen en verwerpen de vooronderstelling dat automatisering kantoorbanen kost.
Vandaar dat Santens het heft in eigen handen heeft genomen. ‘Ik heb voor crowdfunding gekozen om mezelf en anderen onmiddellijk in staat te stellen voor het basisinkomen van alle anderen te pleiten,’ zegt Santens. Anders dan de meeste crowdfunders vraagt Santens geen beginkapitaal voor een specifiek project, zoals een technologische start-up, een non-profitorganisatie of een speelfilm.
Evenmin vraagt hij geld voor een specifiek probleem, zoals onbetaalde medische kosten. Hij vraagt om gratis geld om zijn leven te leiden. Alles wat hij meer bijeenkrijgt met crowdfunden dan 1000 dollar per maand zal aan andere basisinkomensactivisten worden gedoneerd. Maar het geld dat hij als freelanceschrijver verdient houdt hij zelf. Volgens hem zou met een basis-inkomen van overheidswege hetzelfde gebeuren: de mensen zouden het extra geld dat ze met hun werk verdienen zelf houden.
Techno-optimisme
Santens crowdfundingproject valt niet alleen in goede aarde bij progressievelingen die van nature voor overheidsuitkeringen zijn, maar ook bij sommige voorstanders van het libertarisme, zoals Matt Zwolinski, hoogleraar Filosofie aan de Universiteit van San Diego. Naar zijn mening zou een basisinkomen de bureaucratische nachtmerrie van het huidige Amerikaanse sociale vangnet van 1 biljoen dollar kunnen verkleinen. Hij juicht Santens poging toe, omdat die bewijst dat een basisinkomen mogelijk is zonder overheidsbemoeienis. ‘Veel mensen gaan ervan uit dat als sociale zekerheid of postbezorging of een basisinkomen een goed idee is, daar automatisch uit volgt dat we de uit-voering ervan aan de staat moeten overlaten,’ aldus Zwolinski. ‘Maar dat volgt daar helemaal niet uit. Soms – en ik denk heel vaak – worden belangrijke sociale doelstellingen beter gerealiseerd door middel van vrijwillige gedecentra-liseerde actie dan door de dwingende gecentraliseerde controle die karakteristiek is voor de moderne staat.’
Maar andere voorstanders van het basisinkomen staan sceptisch tegenover crowdfundingprojecten. ‘Als dit een paar activisten helpt om het idee voor het voetlicht te brengen en er steun voor te verwerven, dan kan dat volgens mij een positieve maar waarschijnlijk uiterst marginale ontwikkeling zijn,’ zegt Martin Ford, een pleitbezorger voor het basisinkomen en de auteur van The Rise of the Robots, waarin een zich snel uitbreidende overname van banen door automatiserings-systemen wordt voorspeld. ‘De treurige werkelijkheid is dat veel van de mensen die een basisinkomen het hardste nodig hebben waarschijnlijk niet op veel sympathie van vrijwillige donoren kunnen rekenen,’ zegt Ford.
‘Dat zie je al bij liefdadige doelen: de mensen geven voor gezinnen, kinderen en huisdieren, maar niet zo gauw voor alleenstaande dakloze mannen.’ Ford waarschuwt tegen wat hij de ‘libertarische/techno-optimistische fantasie’ van een particulieresectoroplossing noemt. ‘De overheid is ondanks al haar gebreken het enige aangewezen instrument dat we hebben.’
Zullen mensen die genoeg hebben om van te leven, niet stoppen met werken?
Publieke financiering
Degenen die sceptisch staan tegenover een basisinkomen zullen misschien vragen: Als je mensen genoeg geeft om van te leven, zullen ze dan niet stoppen met werken? Zullen ze niet lui worden? Bevindingen uit pilotstudies van Guy Standing, hoogleraar Ontwikkelingsstudies aan de Universiteit van Londen en medeoprichter van het Basic Income Earth Network, wijzen op het tegendeel. ‘Wanneer mensen niet langer uit angst werken, worden ze productiever,’ aldus Standing. Karl Widerquist, een andere leider van de wereldwijde basisinkomensbeweging, juicht het project van Santen eveneens toe, maar zegt er wel bij dat het doel van de beweging niet is om een particulier gefinancierd basisinkomen te creëren.
‘Wat we nodig hebben is een publiek gefinancierd basisinkomen voor iedereen; particuliere liefdadigheids-instellingen kunnen – en moeten – dat niet doen,’ zegt Widerquist, hoogleraar Filosofie aan de School of Foreign Service in Qatar (onderdeel van de Universiteit van Georgetown) en auteur van diverse boeken en artikelen over het basis-inkomen. Widerquist organiseerde afgelopen maart ook de laatste editie van het North American Basic Income Guarantee Congress in New York. ‘Het doel van een particulier basisinkomen is om te laten zien hoe goed het werkt, er aandacht voor te vragen en de invoering van een echt algemeen basisinkomen te bevorderen,’ aldus Widerquist.
‘Wat we nodig hebben is een publiek gefinancierd basisinkomen voor iedereen’
Kwaliteit van leven
Ondertussen vraagt Santens in New Orleans via Twitter aan voorstanders van een basisinkomen om een beetje te dagdromen en zich voor te stellen wat ze met hun tijd zouden doen als ze een basisinkomen hadden. ‘Ik zou tijd hebben om te schrijven, en nu op een waardiger manier,’ twitterde een respondent. Een andere schreef: ‘Twintigjes voor muzikanten. Fooien. Werk van plaatselijke kunstenaars aan mijn muren. Dikke pakken poen voor fietstaxibestuurders. Ik zou dolgraag #mybasicincome delen.’ Santens zelf zal doorgaan als freelance-schrijver, maar nu met meer gemoedsrust. ‘Het enige verschil tussen nu en toen zal eigenlijk mijn kwaliteit van leven zijn, omdat ik me niet meer druk zal hoeven te maken over hoe ik in mijn basisbehoeften kan voorzien,’ zegt hij. ‘Dat is al heel wat… weten dat ik aan het begin van elke maand genoeg geld voor huur en eten zal hebben, dat ik eindelijk mijn schulden zal kunnen aflossen en op een dag misschien zelfs wat kan gaan sparen. Maar op de vraag of ik met een basis-inkomen alles zal kunnen doen wat ik het liefste doe,’ voegt hij eraan toe, ‘kan ik tot mijn grote geluk antwoorden dat dat precies is wat ik nu al doe.’
David R. Wheeler
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.