Tag: pessimisme

  • Waarom pessimisme zinloos is – en zelfs averechts werkt

    Waarom pessimisme zinloos is – en zelfs averechts werkt

    We vinden onszelf scherpzinnig en goed geïnformeerd als we pessimistisch zijn over de wereld. Maar het omgekeerde is waar, schrijft FT-redacteur Jemima Kelly.

    In de zelfhulpwereld wemelt het van de motiverende leuzen over de kracht van positief denken en het ombuigen van negatieve gedachten. ‘Zodra je je negatieve gedachten vervangt door positieve, zul je positieve resultaten boeken.’ ‘Positief denken is meer dan een loze kreet.’ ‘Niets is goed of slecht, het is wat ons denken ervan maakt.’ (Die laatste is maar liefst van Shakespeare, bij monde van Hamlet.) 

    Maar als het aankomt op onze manier van denken en praten over de buitenwereld, om precies te zijn, over de toekomst van die wereld, worden we geacht een zeer sombere toon aan te slaan. We lijken collectief te hebben besloten dat we te allen tijde een niet-aflatend, murw makend pessimisme aan de dag moeten leggen. Als je iets optimistisch of opwekkends zegt, ben je niet alleen onverschillig en ongevoelig voor al het leed in de wereld, maar kom je ook weinig serieus over en ben je gewoon totaal niet cool.

    In de loop der jaren heb ik me er vaak over verbaasd dat vrienden of kennissen, wanneer ik hen vraag hoe het met ze gaat, iets antwoorden in de trant van: ‘O, niet zo best, de wereld is zo’n kutzooi tegenwoordig.’ Dan knik ik maar een beetje, hoewel ik soms niet eens weet over welke kutzooi ze het precies hebben. De overvloed aan catastrofes waarop ze kunnen doelen (Gaza, antisemitisme, klimaatverandering, AI?) laat zien dat er genoeg is om pessimistisch over te zijn.

    Maar er is ook van alles om positief over te zijn. Ik zal de volledige lijst hier niet opnoemen, maar vorig jaar lag het kindersterftecijfer lager dan ooit, kwam er een doorbraak in de behandeling van alzheimer, werd er een goedkoop en effectief vaccin tegen malaria goedgekeurd en bereikte de populatie steenarenden in Schotland dankzij een herstelproject een recordhoogte.

    We vinden onszelf misschien scherpzinnig als we zo pessimistisch zijn, maar uit onderzoek blijkt het omgekeerde: een onderzoek uit 2017 dat door Ipsos MORI werd uitgevoerd in 28 landen, wijst uit dat de ondervraagden die het minst geïnformeerd zijn over verschillende maatstaven voor menselijke vooruitgang, het meest pessimistisch waren over de toekomst.

    Pessimisme is vaak ongerechtvaardigd. Maar wat belangrijker is, het kan ook schadelijk zijn

    52 procent van de ondervraagden geloofde ten onrechte dat extreme armoede verergerde; in feite ontworstelen elke dag zo’n 100.000 mensen zich aan extreme armoede. Degenen in armere landen waren hiervan beter op de hoogte én bleken optimistischer te zijn over de toekomst. Ook opvallend was dat 41 procent van de Chinese ondervraagden het eens was met de stelling dat de wereld erop vooruitging, tegenover maar 4 procent van de Britten en 6 procent van de Amerikanen (de Fransen waren het meest misérable, met maar 3 procent).

    Pessimisme is dus vaak ongerechtvaardigd. Maar wat belangrijker is, het kan ook schadelijk zijn. Pessimisten denken misschien dat hun onheilsprofetieën ons aanzetten om in actie te komen, maar er zijn veel onderzoeken waaruit het omgekeerde blijkt.

    In een onderzoek uit 2015, gepubliceerd in het jaaroverzicht van de American Academy of Political and Social Science, werd bijvoorbeeld de hypothese onderzocht dat mensen die op de hoogte waren van de manieren waarop geo-engineering de uitstoot van broeikasgassen kan helpen verminderen, achterover zouden leunen waar het klimaatverandering betrof. De stelling werd niet bevestigd; integendeel, mensen bleken zich, eenmaal geconfronteerd met praktische oplossingen, juist meer zorgen te gaan maken over de opwarming van de planeet.

    ‘Mensen denken dat pessimisme een oproep tot actie is, een manier om anderen wakker te schudden – zodat ze tot actie worden aangezet, de straat op zullen gaan om te demonstreren en op de juiste partij zullen stemmen,’ zegt filosoof Maarten Boudry van de Universiteit van Gent. ‘Maar hoe harder je als doemdenker predikt, hoe meer je mensen het idee geeft dat alle kansen verkeken zijn en we het net zo goed op kunnen geven.’

    Er wordt vaak gezegd dat je niet te veel hoop moet koesteren, zodat je niet teleurgesteld wordt

    Een artikel in Philosophy & Public Affairs kwam tot een soortgelijke conclusie, namelijk: ‘pessimisme vormt eerder een belemmering voor dan een bijdrage aan het verminderen van existentiële risico’s’.

    Overdreven pessimisme kan er ook toe leiden dat de geloofwaardigheid in het geding komt, dat er wantrouwen ontstaat jegens een ogenschijnlijk betrouwbare bron als de ramp waarvoor deze waarschuwde niet is uitgekomen. Het Amerikaanse congreslid Alexandria Ocasio-Cortez heeft in 2019 bijvoorbeeld gezegd dat ‘de wereld over twaalf jaar ten onder gaat tenzij we klimaatverandering aanpakken’. Zullen we over zeven jaar dan dus uitgestorven zijn?

    Er wordt vaak gezegd dat je niet te veel hoop moet koesteren, zodat je niet teleurgesteld wordt. Maar het is juist het gebrek aan hoop dat de mens fataal kan worden. Uit onderzoek blijkt dat het sterftecijfer onder pessimisten hoger ligt. En als gevolg van pessimisme kunnen zich allerlei nare en gevaarlijke fenomenen verspreiden: chaos, nihilisme en – misschien wel net zo angstaanjagend – het soort roekeloze ‘wat-kan-er-nou-misgaan’-optimisme dat Marc Andreessen voorstaat in zijn Techno-Optimist Manifesto.

    We moeten een manier vinden om te voorkomen dat pessimisme een selffulfilling prophecy wordt. We moeten pessimisme weer oncool zien te maken.

    Jemima Kelly schrijft wekelijks een column over verschillende onderwerpen, variërend van cultuuroorlogen tot crypto, en ze presenteert ook podcasts. Voordat ze bij FT kwam, was ze verslaggever bij Reuters.

  • Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Hoe moet het verder met deze wereld? Ontwerper Bruce Mau ziet het zo: er zijn twee keuzes die zich opdringen. Of gebruikmaken van alle mogelijkheden die dit tijdperk ons biedt en een sprong in de ongewisse toekomst maken. Of ons blijven wentelen in veilige, vertrouwde patronen.

    2018 was de vijftigste verjaardag van wat ik als de laatste grote revolutie beschouw: de chaos van 1968, het jaar toen in de Vietnamoorlog het tij begon te keren, overal studentenprotesten uitbraken en de Praagse lente hardhandig de kop werd ingedrukt. Tegenwoordig wordt Noord-Amerika geconfronteerd met niet één, maar twee revoluties: een revolutie van kansen en een revolutie van afwijzing. Het voelt misschien niet als een revolutionaire tijd, maar wie goed om zich heen kijkt, ziet dat economische, sociale en politieke krachten ons momenteel in twee richtingen trekken. De ene richting zal ons verder vooruit stuwen, de andere zal ons terugduwen. Ons lot hangt af van welke revolutie wij omarmen.

    De revolutie van kansen wordt gedreven door onderwijs, wetenschap, innovatie en design. Ons dagelijks leven kan altijd slimmer, sneller, gemakkelijker, lichter, groener, rechtvaardiger, opener, toegankelijker en mooier. Van de energiebronnen die we gebruiken tot de producten die we kopen, van het voedsel dat we eten tot de manier waarop we omgaan met onze omgeving en met elkaar, alles wordt zo ontworpen dat het steeds beter aan onze behoeften voldoet.

    Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit

    Praktisch elke meetbare trend van belang is in de afgelopen tweehonderd jaar ten goede gekeerd. Grote problemen zijn opgelost, van de bestrijding van besmettelijke ziektes tot gratis openbaar onderwijs. We zijn op de maan geland. We hebben continu mensen aan het werk in een internationaal ruimtestation, we laten een wagentje over Mars karren en lanceren kneitergrote raketten die op eigen kracht kunnen landen. Vele naties bundelen hun krachten in de strijd tegen polio, malaria, aids, ebola, armoede, honger en klimaatverandering. We hebben een wereldwijde infrastructuur voor de productie en het vervoer van goederen, voor vliegverkeer en telecommunicatie. Meer dan vier miljard mensen hebben inmiddels toegang tot internet, en daarmee tot enorme hoeveelheden informatie en nieuwe kansen, en de landbouwproductie is ten opzichte van 1961 meer dan verdrievoudigd.

    Toch zijn veel commentatoren er op de een of andere manier van overtuigd dat we achterop raken. ‘In Amerika neemt het vertrouwen af,’ kopte The Atlantic in januari 2018 bij een artikel over het dalende vertrouwen in de overheid, de media en het bedrijfsleven. In een Ipsos-enquête zei meer dan de helft van de Canadese ondervraagden in 2017 dat de jongeren van nu slechter af zijn dan de generatie van hun ouders. We zijn ervan overtuigd dat we slecht presteren, dat onze instellingen falen, dat we niet in staat zijn de belangen van de wereldgemeenschap boven onze persoonlijke of nationalistische belangen te stellen, niet van onze fouten leren en niet bereid zijn ons gedrag te veranderen in het algemeen belang.

    In 1820 leefde naar schatting 94 procent van alle wereldburgers in extreme armoede. Het verschil tussen rijk en arm was gigantisch. Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit. We kunnen allebei onderwijs genieten, met het vliegtuig reizen en op vakantie gaan, we hebben mobiele telefoons, computers en internet, we drinken koffie van Starbucks en maken gebruik van Google. Dat al die mogelijkheden wereldwijd openliggen voor miljarden mensen is hét kenmerk van onze tijd.

    Nooit is er in de geschiedenis zoveel rijkdom gecreëerd als in de afgelopen vijftig jaar. Miljarden mensen zijn toegetreden tot de mondiale middenklasse. Die groep telt volgens één studie nu 3,8 miljard mensen en is daarmee voor het eerst in de geschiedenis groter dan de groep mensen die in armoede leeft. Door nieuwe vormen van betalingsverkeer en economische uitwisseling hebben ook de allerarmsten tegenwoordig toegang tot de rijkdom van de markt. De Keniaanse mobiele betaaldienst M-Pesa schijnt twee procent van de Keniaanse huishoudens uit de armoede te hebben getild, louter door deze mensen voor het eerst toegang te bieden tot een bankrekening. Dat is de revolutie van kansen: zorgen dat iedereen die kansen kan benutten.

    © Josh Barwick
    © Josh Barwick

    De revolutie van afwijzing staat voor wanhopig vasthouden aan verouderde technologieën, industrieën en energiesystemen, ongeacht de gevolgen voor mens, milieu en economie. G20-landen geven nog steeds 444 miljard dollar subsidie aan fossiele brandstoffen. (In 2016 gaf Canada 3,3 miljard dollar aan de fossiele-brandstofindustrie.) Ondanks de dalende vraag naar steenkool hamert president Trump erop dat de Amerikaanse steenkoolindustrie moet worden gered, en zijn regering heeft tientallen milieuvoorschriften geschrapt, waaronder veiligheidsvoorschriften voor het boren in zee.

    De revolutie van afwijzing leidt ook tot een steeds grotere concentratie van rijkdom in de handen van een steeds kleinere groep, zodat één procent van de mensheid nu meer dan veertig procent van alle rijkdom ter wereld bezit. De inkomensongelijkheid is in Noord-Amerika, Rusland, China en India sinds 1980 heel snel toegenomen en in Europa matig, zo blijkt uit het World Inequality Report van 2018. In regio’s waar de ongelijkheid niet is gestegen, was die al extreem hoog: ongeveer zestig procent van alle rijkdom in het Midden-Oosten blijft in handen van de rijkste tien procent van de bevolking. Zelfs in Canada, een land met een levensstandaard die voor velen een ideaal is, is het bezit van de rijkste 87 families gelijk aan dat van alle bewoners van de provincies Newfoundland en Labrador, Prince Edward Island en New Brunswick samen. Het gevaar dreigt dat de rijkste burgers een leven gaan leiden dat volledig is afgescheiden van het onze en zo hun binding met de maatschappij verliezen. De toekomst ligt niet in ommuurde villawijken en vip-lounges, maar in platforms die de voordelen van onze tijd binnen ieders bereik brengen.

    Gezondheid

    Onze levensduur is ontegenzeggelijk de beslissende graadmeter voor de mate waarin we beschikken over goede gezondheidsvoorlichting, goede zorg en een gezonde leefomgeving. De levensduur neemt wereldwijd al tweehonderd jaar toe. Op sommige plaatsen gaat dat sneller dan op andere en in tijden van crisis of conflict kan de levensduur ook weleens afnemen. Maar de algemene trend is onmiskenbaar. De technologische en wetenschappelijke vooruitgang heeft onze mogelijkheden voor medisch ingrijpen vergroot, resulterend in nieuwe vormen van gezondheidszorg, een lagere kindersterfte en een langere levensduur. Op het vlak van medische innovatie worden er voortdurend nieuwe technologieën voor ingrijpen in het menselijk lichaam bedacht en gerealiseerd.

    Armen, benen, handen, gewrichten, tanden, ogen, hart, nieren, huid, oren, alvleesklier, botten, kraakbeen, lever en longen: allemaal kunnen we die nu vervangen of herstellen. Hugh Herr, die aan het Massachusetts Institute of Technology prothesen ontwikkelt en bij het bergbeklimmen zelf zijn onderbenen heeft verloren, grapt weleens dat hij medelijden heeft met mensen die hun ledematen niet kunnen upgraden. Zijn eigen kunstbenen worden steeds beter – hij heeft nu al speciale benen om te hardlopen en om te klimmen – terwijl de rest van zijn lichaam gewoon veroudert, net als dat van andere mensen. Hij voorziet een toekomst waarin prothesen niet alleen worden gebruikt om ontbrekende ledematen te vervangen, maar om het menselijk lichaam te verbeteren, een toekomst waarin kunstmatige alternatieven te verkiezen zijn boven onze eigen botten en organen.

    Als wij mensen de handen ineen slaan, kunnen we ziekten compleet van de aardbodem vagen. De pokken was de eerste ziekte die officieel uitgeroeid werd verklaard. Het uitroeien van malaria zal niet lukken, maar de verspreiding ervan kan tegen die tijd wel sterk worden teruggedrongen. Sinds er in 1988 een begin werd gemaakt met het uitroeien van polio, is het aantal ziektegevallen al met minstens 99 procent gedaald.

    Ondertussen worden in de revolutie van afwijzing pseudowetenschap en complotdenken verkozen boven wetenschappelijke feiten. Sinds 2009 is in twaalf staten van de VS een stijging te zien van het aantal mensen dat vaccinaties weigert met een beroep op hun ‘wereldbeschouwing’. Ook in Europa grijpt de weerstand tegen vaccinatie eveneens om zich heen. Ongefundeerde geruchten over neveneffecten worden breed uitgemeten en nieuw leven ingeblazen op internet, vooral via sociale media. In dit geval geeft de nieuwe technologie een stem aan groepen die angst willen zaaien en zo de fundamenten van kennis en waarheid ondermijnen.


    De revolutie van kansen belooft politieke vrijheid en een ingrijpende machtsverschuiving naar echte democratie in maatschappelijke processen en marktmechanismen. Dat betekent vrij verkeer van mensen, vrijheid van meningsuiting en een vrije pers.

    Al sinds halverwege de jaren zeventig stijgt het aantal democratische regeringen ter wereld. In 2016 waren volgens het Pew Research Center bijna zes op de tien regeringen democratisch. Dat is een enorme prestatie, als je bedenkt dat er tweehonderd jaar geleden nog maar één officiële democratie bestond (de Verenigde Staten), waarin je toen alleen nog stemrecht had als je man, blank en grondbezitter was. De afgelopen zeventig jaar heeft een enorme afname van politiek geweld laten zien. In Canada is de maatschappelijke betrokkenheid gegroeid: meer Canadezen zijn lid van groepen en organisaties binnen hun gemeenschap, en volgens cijfers uit 2013 over politieke en culturele organisaties is meer dan de helft van de leden daarin actief via internet. Het internet en alle platforms die daarop mogelijk zijn, maken de weg vrij voor een ongekende participatiegraad in onze democratie.

    Soms voelt dat misschien niet zo, en met reden. Wereldwijd zit de vrijheid al tien jaar in het slop: Turkije, Polen, Venezuela en Hongarije glijden af naar een vorm van autocratie. Crowdfunding, sociale media en videoplatforms zijn gebruikt om mensen tegen elkaar op te zetten in plaats van verbinding te zoeken. In Myanmar heeft het leger gebruikgemaakt van Facebook om mensen tot geweld tegen de Rohingya aan te zetten op een manier die doet denken aan het gebruik van de radio tijdens de genocide in Rwanda. En extreemrechtse partijen in Europa zetten sociale media in om de angst voor migranten aan te wakkeren en aan te dringen op sluiting van de landsgrenzen.

    Ook de vrijheid van meningsuiting wordt bedreigd. Freedom House constateerde dat van juni 2016 tot mei 2017 dertig van de vijfenzestig regeringen die deze onafhankelijke Amerikaanse mensenrechtenorganisatie volgt, geprobeerd hebben het online debat de kop in te drukken. In Turkije zijn meer dan 180 mediakanalen en uitgeverijen opgedoekt. Staatshoofden als Donald Trump en de Filipijnse Rodrigo Duterte worden steeds feller in hun aanvallen op de media. De laatste heeft persvrijheid zelfs ‘een privilege’ genoemd en gezegd dat journalisten die zijn vermoord waarschijnlijk ‘wel iets gedaan’ zullen hebben om dat te verdienen. In die trends ontwaar ik de revolutie van afwijzing, waarbij leiders angst zaaien om in naam van nationalisme en nationale veiligheid burgerrechten te ontmantelen.

    Of we het nou willen of niet, we zijn allemaal afhankelijk van elkaar

    Waarom is dat van belang? Omdat we, of we het nou willen of niet, allemaal van elkaar afhankelijk zijn. Op de lange termijn is het succes van de burgers van één land volledig afhankelijk van het succes van alle andere landen. Ideeën, goederen en mensen gaan tegenwoordig met grote snelheid de hele wereld rond. Onze grootste problemen op het gebied van economie, gezondheidszorg, politiek en milieu lopen over landsgrenzen heen. Net als mensen: of je nu denkt aan vluchtelingen die willen ontkomen aan vervolging (of aan de gevolgen van de klimaatverandering) of aan immigranten op zoek naar werk. In 2036 kan één op de twee Canadezen een immigrant of een kind van een immigrant zijn. We moeten daar niet voor terugdeinzen en geen hindernissen opwerpen, maar blij zijn met een wereld waarin culturen, rassen en talen zich vermengen en nieuwe vormen van rijkdom en schoonheid opleveren.

    Klimaatverandering

    De tweesprong waar we voor staan wordt het scherpst geïllustreerd in de klimaatverandering. Volgens het laatste rapport van het VN-Klimaatpanel hebben we nog maar elf jaar om te voorkomen dat de mensheid te kampen krijgt met verwoestende overstromingen, droogtes en vluchtelingencrises. Als de temperatuur met twee graden stijgt, zal 99 procent van alle tropische koraalriffen sterven, zal een vijfde van de insecten meer dan de helft van hun leefgebied verliezen en zullen miljoenen mensen uit tropische gebieden geëvacueerd moeten worden om te ontkomen aan droogtes en overstromingen. Beperking van de temperatuurstijging tot 1,5 graad of minder – een doel dat het rapport schetst – zou vereisen dat de CO2-uitstoot in 2050 wereldwijd is teruggedrongen tot nul.

    Bij zulke sombere voorspellingen is het gemakkelijk om pessimistisch te worden. Maar hoewel we vaak slecht op problemen anticiperen, hebben we ook bewezen dat we kunnen doorpakken als er een crisis voor de deur staat. Er is goed nieuws: overal ter wereld komen mensen en overheden in actie. Een non-profitorganisatie in Michigan is bezig sequoia’s te klonen om met de aanplant daarvan de oude oerbossen te herstellen. Op een strand in Mumbai hebben meer dan duizend vrijwilligers onder leiding van een jonge advocaat 3,5 miljoen kilo afval opgeruimd. China heeft plannen voor een enorme markt in emissierechten en India heeft inmiddels wereldwijd de grootste markt voor het veilen van duurzame energieprojecten.

    De twee revoluties die ik heb geschetst, lijken misschien een simplistisch model voor een complexe, steeds veranderende wereld. Maar ze helpen ons te zien hoe we verder moeten. We hebben uiteindelijk allemaal het recht om onze revolutie zelf te kiezen, en zo zal elk land en elke regio zijn eigen keuze maken. Maar als we niet samen kiezen, als we niet samen de revolutie van kansen zien zullen we vanzelf vervallen in de revolutie van afwijzing. En dan lopen we onze kansen mis.

    Auteur: Bruce Mau
    Vertaler: Frank Lekens

    The Walrus
    Canada | verschijnt 10 x per jaar | oplage 60.000

    The Walrus publiceert longreads over Canadese en internationale actualiteiten evenals fictie en poëzie van Canadese auteurs.

  • Waren we maar nooit geboren

    Waren we maar nooit geboren

    In tegenstelling tot wat veel mensen denken is het leven, volgens antinatalist professor David Benatar, nogal afschuwelijk. Elk verweer pareert hij behendig. Het is alleen de moeite waard om te blijven leven omdat de dood een groter kwaad is.

    Keuze uit het archief

    Van alle kanten wordt ons duidelijk gemaakt dat de tijden waarin we leven niet de leukste zijn. Oorlogen, klimaatverandering, migratie, inflatie: de hoeveelheid narigheid lijkt oneindig. In dit interview met The New Yorker zegt de ‘antinatalistische’ filosoof David Benatar dat we ons beter niet meer kunnen voortplanten. ‘Zowel het leven als de dood is verschrikkelijk. Samen vormen ze een existentiële tang – de bankschroef waarin ons bestaan gevangenzit.’

    David Benatar is misschien wel de meest pessimistische filosoof ter wereld. Volgens deze ‘antinatalist’ is het leven zo’n lijdensweg dat mensen uit mededogen zouden moeten besluiten geen nageslacht meer te verwekken. ‘Goede mensen doen er alles aan om hun kinderen voor leed te behoeden, maar lijken slechts zelden te beseffen dat er maar één gegarandeerde manier is om te voorkomen dat je kinderen leed te verduren krijgen: geen kinderen ter wereld brengen’, schrijft hij in zijn boek Better Never to Have Been: The Harm of Coming Into Existence (2006). Jezelf voortplanten is volgens Benatar intrinsiek wreed en onverantwoord. Niet alleen omdat iedereen iets vreselijks kan overkomen, maar omdat het leven op zichzelf ‘doordesemd is van leed’. Mede daarom vindt hij dat de wereld beter af zou zijn zonder bewuste levensvormen.

    Better Never to Have Been heeft voor zo’n theoretisch filosofieboek een opvallend breed publiek bereikt. Het krijgt een waardering van 3,9 sterren op GoodReads, waar één lezer het betitelt als ‘verplichte kost voor mensen die voortplanting gerechtvaardigd vinden’.

    Nic Pizzolatto, bedenker van de HBO-serie True Detective, las het boek enkele jaren geleden en maakte een nihilistische antinatalist van het personage Rust Cohle, gespeeld door Matthew McConaughey. (‘In mijn ogen is het menselijk bewustzijn een tragische fout in de evolutie,’ zegt Cohle in de serie.) Nadat Pizzolatto in de pers had laten vallen waar hij zijn inspiratie vandaan had, begon de doorgaans publiciteitsschuwe Benatar in interviews tekst en uitleg te geven over zijn opvattingen, die hij doordachter en humaner vindt dan die van Cohle. En nu heeft hij een nieuw boek geschreven, The Human Predicament: A Candid Guide to Life’s Biggest Questions, waarin hij zijn antinatalistische ideeën verder aanscherpt, uitbouwt en in een bredere context plaatst. Het boek opent met een motto uit T.S. Eliots Four Quartets, ‘Humankind cannot bear very much reality’, en de belofte om ‘nietsontziende’ antwoorden te geven op vragen als ‘Heeft ons leven zin?’ en ‘Zouden we beter af zijn als we het eeuwige leven hadden?’

    Man met honkbalpetje

    Benatar is in 1966 geboren in Zuid-Afrika. Hij is hoofd van de vakgroep Filosofie aan de Universiteit van Kaapstad, waar hij ook leidinggeeft aan het Bioethics Centre, opgericht door zijn vader Salomon, een volksgezondheidsdeskundige. (Better Never to have Been is opgedragen ‘aan mijn ouders, ook al hebben zij me op de wereld gezet’.) Buiten deze kale feiten is op internet weinig informatie over hem te vinden. Er staan geen foto’s van hem online en op YouTube-films van zijn colleges zijn alleen PowerPoint-afbeeldingen te zien. Er staat één filmpje op YouTube met de titel ‘What Does David Benatar Look Like?’ Daarin wordt ingezoomd op een korrelige foto van enkele mensen in een collegezaal, tot er uiteindelijk een pijl verschijnt bij het vage, pixelige hoofd van een man met een honkbalpetje.

    Toen ik The Human Predicament had gelezen, schreef ik Benatar of ik hem eens mocht interviewen. Hij stemde meteen toe, maar stuurde nog een mail toen hij een paar van mijn artikelen had gelezen. ‘Ik zie dat je graag een portret geeft van de geïnterviewde, en niet alleen van zijn of haar werk’, schreef hij. ‘Nu is het zo dat ik erg op mijn privacy gesteld ben en het vreselijk zou vinden om mezelf zo gedetailleerd beschreven te zien als de mensen in je andere interviews. Ik zal dus niet ingaan op vragen die ik te persoonlijk vind. (En ik vind het ook niet prettig als er een foto van mij bij het artikel wordt geplaatst.) Ik begrijp het volledig als je onder die voorwaarden liever afziet van een interview. Maar als je een interview wilt afnemen waarin je daarmee rekening houdt, dan heel graag.’

    Het lijdt geen twijfel dat Benatar niet van publiciteit houdt. Maar zijn anonimiteit dient ook een doel: die moet verhinderen dat lezers psychologische verklaringen gaan zoeken voor zijn opvattingen, dat ze die toeschrijven aan depressie, trauma’s of andere aspecten van zijn persoonlijkheid. Hij wil dat zijn argumenten op hun eigen merites worden beoordeeld.

    ‘Mensen vragen weleens of ik kinderen heb,’ zegt hij tijdens ons gesprek. (Hij heeft een kalme, evenwichtige manier van praten en een Zuid-Afrikaans accent.) ‘Dan zeg ik: ik zie niet in wat dat ertoe doet. Als ik kinderen heb, dan is dat hypocriet – maar dan kunnen mijn argumenten nog wel kloppen.’

    Als hij vertelt dat hij al ‘heel jong’ antinatalistische opvattingen had, vraag ik hoe jong dan precies. ‘Als kind al,’ zegt hij na een korte stilte, met een ongemakkelijke glimlach. Dit is precies het soort persoonlijke vragen dat hij liever niet beantwoordt.

    We hebben afgesproken in het World Trade Center, waar The New Yorker kantoor houdt. Hij heeft een klein, sportief postuur en een spits gezicht en draagt een blauwe trui op een keurige pantalon. Ik herken hem aan zijn honkbalpetje. We installeren ons in een stel gemakkelijke stoelen op de 64ste verdieping, bij een raam met een prachtig uitzicht over de stad: links de Hudson, rechts de East River en recht voor ons de wolkenkrabbers van Midtown Manhattan.

    Sociale wetenschappers vragen mensen of ze gelukkig zijn. Mensen moeten hun leven dan een cijfer geven van één (‘slechter kan niet’) tot tien (‘beter kan niet’). Volgens het World Happiness Report van 2017 gaven Amerikanen van 2014 tot 2016 hun leven gemiddeld een 6,99 – lager dan Canadezen (7,32), maar hoger dan Soedanezen (4,14). In een andere enquête luidt de vraag: ‘Hoe zou u zichzelf al met al omschrijven: (i) heel gelukkig, (ii) redelijk gelukkig, (iii) niet erg gelukkig of (iv) helemaal niet gelukkig?’ In landen als India, Rusland en Zimbabwe wordt deze vraag de laatste jaren steeds positiever beantwoord. In 1998 vond 93 procent van de Amerikanen zichzelf nog heel gelukkig of redelijk gelukkig. In 2014, na de grote recessie, was dat percentage slechts licht gedaald, tot 91 procent.

    Als je de mensen mag geloven, deugt het leven dus wel. Maar volgens Benatar hebben ze ongelijk. ‘In tegenstelling tot wat veel mensen denken is het leven in feite nogal afschuwelijk’, schrijft hij in The Human Predicament. En met een lange opsomming van rampspoed probeert hij aan te tonen dat zelfs gelukkige mensen een veel slechter leven leiden dan ze zelf denken. We hebben bijna altijd honger of dorst, schrijft hij, en anders moeten we wel naar de wc. Vaak lijden we aan ‘thermisch ongemak’ – we hebben het te koud of te warm – of we zijn moe of kunnen niet in slaap komen. We worden geplaagd door jeuk, allergieën, verkoudheid, menstruatiepijn en opvliegers. Het leven is één lange opeenvolging van ‘frustratie en irritatie’: in de file staan, in de rij staan, formulieren invullen. We moeten werken voor de kost en dat werk put ons vaak uit. Zelfs ‘mensen die plezier hebben in hun werk, kunnen daarin ambities hebben die nooit worden vervuld’. Veel eenzame mensen blijven single, en getrouwde mensen maken ruzie of scheiden. ‘Mensen willen jonger zijn, er jonger uitzien en zich jonger voelen, maar worden onverbiddelijk alleen maar ouder.’

    Ze hopen het beste voor hun kinderen, maar worden vaak door die kinderen teleurgesteld. Als onze dierbaren lijden, lijden wij met ze mee. Als ze sterven, zijn wij in de rouw.

    Benatars observaties ontlokken je automatisch de vraag: “Als het leven zo erg is, waarom maak je jezelf dan niet van kant?”

    Benatars observaties ontlokken je automatisch de vraag: ‘Als het leven zo erg is, waarom maak je jezelf dan niet van kant?’ Maar hij trekt 43 pagina’s uit, een heel hoofdstuk, om aan te tonen dat de dood onze problemen nog verergert. ‘Het leven is ellendig, maar de dood ook’, besluit hij. ‘Het leven is natuurlijk niet in alle opzichten slecht. De dood ook niet. Maar in belangrijke opzichten zijn zowel het leven als de dood verschrikkelijk. Samen vormen ze een existentiële tang – de bankschroef waarin ons bestaan gevangen zit.’ Volgens hem is het beter om helemaal niet in die bankschroef te belanden. Mensen vragen zich weleens af of het leven de moeite waard is. Volgens Benatar kun je die vraag beter opdelen in deelvragen: is het de moeite waard om te blijven leven? (Ja, want de dood is een groter kwaad.) Is het de moeite waard om aan het leven te beginnen? (Nee.)Benatar is lang niet de enige antinatalist. Boeken als Every Cradle Is a Grave van Sarah Perry en The Conspiracy Against the Human Race van Thomas Ligotti vinden ook aftrek. Er zijn veel ‘misantropische antinatalisten’. De Beweging ter Vrijwillig Uitsterven van de Mensheid telt bijvoorbeeld duizenden leden, die allemaal vinden dat de mens beter kan uitsterven ten behoeve van het milieu. In de ogen van misantropische antinatalisten is niet het leven het probleem, maar de mens. Benatar is dan weer een ‘barmhartige antinatalist’. Zijn ideeën lijken op die van de filosoof Thomas Metzinger, die zich bezighoudt met bewustzijn en kunstmatige intelligentie. Metzinger predikt het digitale antinatalisme: volgens hem is het onethisch om computerprogramma’s met een kunstmatig bewustzijn te creëren, omdat je dan een toename van het lijden in de wereld teweegbrengt. Hetzelfde argument kun je toepassen op mensen.

    CONTEXT: David Benatar

    Het begrip ‘antinatalisme’ wordt toegeschreven aan de Belgische ‘activistische filosoof’ Théophile de Giraud (Namen, 1968), die zich onder meer afficheert als ‘halfgare performer’, aanhanger is van de beweging Childfree en oprichter van de Dag van niet-ouders, het ‘collectief van hardnekkige anti-geboortekabouters’. Zijn lijfspreuk: ‘Als u van kinderen houdt, verwek ze dan niet.’
    De Franstalige Giraud is auteur van geschriften onder titels als De onbeschaamdheid van de voortplanting (2000) en in 2006 De kunst van het guillotineren van voortplanters. Antinatalistisch manifest. Hij riep in België de Niet-ouderdag in het leven. In Frankrijk vindt Giraud navolging bij de schrijfster Corinne Maier (1963), econoom en psychoanalytica, die in 2004 de bestseller Bonjour Paresse schreef, met als ondertitel: ‘De kunst en noodzaak van het zo weinig mogelijk doen in grote organisaties’ (in het Nederlands vertaald als Liever lui), gevolgd in 2007 door een boek met de Engelse titel No Kid (dezelfde titel in Nederlandse vertaling). Maier behoorde in 2016 tot de 100 Women.
    De oorsprong van het gedachtegoed ligt bij de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) en diens pessimistische kijk op de positie en de willoze rol van de mens in de schepping. Sommige antinatalisten houden er stelregels op na zoals deze: ‘Wees eerlijk. Deel uw persoonlijke ervaringen in het leven zonder de problemen te verkleinen en de genietingen te overdrijven.’

    Als een bokser die op zijn tegenstoten heeft geoefend weet Benatar een hele reeks bezwaren behendig te pareren. Volgens velen wegen de mooiste ervaringen in het leven – liefde, schoonheid, nieuwe dingen ontdekken – ruimschoots op tegen de nare ervaringen. Maar Benatar beweert dat pijn meer kwaad doet dan genot ons goed doet. Pijn duurt langer. ‘Je hebt wel chronische pijn, maar er is niet zoiets als chronisch genot,’ zegt hij. En pijn is intenser: wie is bereid vijf minuten van de ergst denkbare pijn te ondergaan in ruil voor vijf minuten van het grootst denkbare genot?

    Op een abstracter niveau is het missen van goede ervaringen bovendien niet zo erg als het hebben van slechte. ‘Voor een bestaand mens is de aanwezigheid van slechte zaken slecht en de aanwezigheid van goede zaken goed,’ legt Benatar uit. ‘Maar zet dat eens af tegen de situatie van een mens die niet bestaat: dan is de afwezigheid van slechte zaken goed, maar de afwezigheid van goede zaken niet slecht, want er is niemand die ze mist.’ Die asymmetrie ‘ondermijnt de goedheid van het bestaan’, vervolgt hij, want hieruit blijkt dat ‘alle onaangename dingen en alle ellende en al het leed zonder enig werkelijk verlies kunnen worden afgewend.’

    Tegenstanders zeggen dat hij met al dat gepraat over pijn en genot de plank misslaat: of het leven nu goed is of niet, het is wel zinvol. Benatar werpt tegen dat het menselijk leven op kosmisch niveau zinloos is: we leven in een onverschillig universum, misschien zelfs een ‘multiversum’, waarin we aan doelloze, blinde natuurkrachten zijn onderworpen. Als we aan die kosmos geen zin kunnen ontlenen, resteert ons alleen ‘aardse’ zingeving. En volgens Benatar heeft het ‘iets van een cirkelredenering om te zeggen dat het doel van het menselijk bestaan erin ligt dat we elkaar moeten helpen’. Ook het argument dat strijd en lijden het bestaan zin kunnen geven, verwerpt hij. ‘Ik geloof niet dat lijden zinvol kan zijn,’ zegt hij. ‘Ik denk dat mensen proberen zin te geven aan hun lijden omdat het anders gratuit en ondraaglijk is.’ Het klopt wel, zegt hij, dat ‘Nelson Mandela zin aan zijn lijden gaf door wat hij ermee deed – maar dat rechtvaardigt niet wat hij heeft moeten ondergaan’.

    Ik vraag Benatar of zijn opvatting geen aansporing moet zijn om naar een betere wereld te streven. Hij zegt dat de mogelijkheid van een betere wereld in de toekomst geen rechtvaardiging kan zijn voor het lijden van de mensen in het heden. En een radicaal betere wereld zit er volgens hem ook niet in. ‘Dat gaat niet gebeuren. We lijken onze les nooit te leren. We leren het nooit. Misschien is er af en toe een enkeling die zijn les leert, maar die blijft toch al die waanzin om zich heen zien,’ zegt hij. ‘Je kunt wel roepen: zien jullie in godsnaam dan niet dat jullie steeds dezelfde fouten maken? Kunnen we het niet eens anders aanpakken? Maar dat gebeurt niet.’ Want uiteindelijk zijn ‘leed en ongemak te diep in het bestaan van bewuste levensvormen verankerd om te worden geëlimineerd’. Hij klinkt emotioneel, zijn ogen worden vochtig. ‘We zijn gedwongen te aanvaarden wat onaanvaardbaar is. Het is onaanvaardbaar dat mensen, en andere levende wezens, moeten doormaken wat ze moeten doormaken, en ze kunnen er praktisch niets tegen doen.’ In een gewoon gesprek zou ik iets troostends mompelen. Nu weet ik niet wat ik moest zeggen.

    Benatar heeft een veganistisch restaurant uitgekozen om te gaan lunchen en daar lopen we naartoe, langs de Hudson. Aan het eind van Vesey Street komen we langs het Irish Hunger Memorial: een stukje Ierse grond van duizend vierkante meter, dat in 2001 naar New York is overgebracht als monument voor de miljoenen slachtoffers van de Ierse hongersnood van 1845. Benatar wil het even bekijken en de historische teksten bij de ingang lezen. Die hongersnood heeft zeven jaar geduurd. Eén man schreef later: ‘Het leeft in mijn herinnering als één lange nacht van smart.’

    Het is warm. In Battery Park zitten moeders met hun kinderen op het gras te picknicken. Een groepje collega’s speelt tafeltennis. Stelletjes lopen hand in hand langs het water. Hardlopers rennen op de paden: gespierde kerels in hun blote bast, vrouwen in modieuze sportoutfits.

    ‘Wringen je opvattingen nooit met wat je om je heen ziet?’ vraag ik.

    ‘Ik heb er niets op tegen dat mensen plezier maken, en ik weet heus wel dat er ook leuke dingen in het leven zijn,’ lacht Benatar. Ik zie dat hij zijn trui heeft uitgetrokken en in hemdsmouwen loopt. Zijn honkbalpetje lijkt onwrikbaar op zijn hoofd te zitten. We passeren de plek waar acht weken later een negenentwintigjarige man met een pick-up zal inrijden op voetgangers, met acht doden en elf gewonden tot gevolg.

    Benatar vindt zijn eigen ideeën net zo verontrustend als iedereen. Hij ventileert ze dan ook met gemengde gevoelens. Hij is niet het type dat een kerk inloopt om van de kansel te roepen dat God niet bestaat. Hij ziet het dus niet zitten om ambassadeur voor het antinatalisme te worden. Het leven is al vervelend genoeg, zegt hij. Hij houdt zichzelf voor dat zijn boeken, zware filosofische kost, alleen worden gelezen door mensen die al naar zulke ideeën op zoek zijn. Hij hoort van lezers dat ze blij zijn om hun eigen heimelijke gedachten eindelijk verwoord te zien. Een man met kinderen liet Benatar weten dat hij na het lezen van Better Never to Have Been inzag dat hij ze beter niet had kunnen krijgen. Mensen met ondraaglijke geestelijke en lichamelijke aandoeningen schrijven dat ze wensen dat ze nooit hadden bestaan. En hij hoort ook weleens dat mensen zijn ideeën overtuigend vinden, maar zich erdoor verlamd voelen.

    ‘Met die mensen heb ik zo te doen,’ zegt hij zacht. ‘Ze zien de realiteit onder ogen en betalen daar de tol voor.’ Ik vraag of zijn ideeën hem ook wel eens te veel worden. Hij glimlacht ongemakkelijk – weer zo’n persoonlijke vraag – en zegt: ‘Schrijven helpt.’

    Hij denkt niet dat het antinatalisme ooit breed ingang zal vinden. ‘Het druist tegen te veel biologische drijfveren in.’ Toch put hij er troost uit. ‘De waanzin van de wereld als geheel – daar kunnen jij en ik toch niets tegen uitrichten?’ zegt hij onder het lopen. ‘Maar ieder stelletje, elk mens kan besluiten om geen kinderen te krijgen. Daarmee voorkom je al een immense hoeveelheid leed, en dat is mooi meegenomen.’

    Tweestrijd

    Als vrienden een kind krijgen, moet hij op zijn woorden letten. ‘Dan ben ik in tweestrijd,’ zei hij. Een kind voortbrengen ‘is vrij afschuwelijk, gezien de situatie waarin dat kind zal belanden’. Anderzijds: ‘optimisme maakt het leven draaglijker’. Toen een collega hem enkele jaren geleden vertelde dat ze zwanger was, reageerde hij terughoudend. Kom op, zei ze, je móét toch blij voor me zijn. Na enig gewetensonderzoek zei Benatar: ‘Ik vind het wel leuk… voor jou.’

    In het restaurant zitten we naast een moeder en haar dochtertje. Een meisje van een jaar of acht, met een jurkje aan en een boek in haar hand.‘

    Wil je die meenemen naar huis?’ vraagt de moeder, en ze wijst naar de frietjes.

    ‘Ja!’ zegt het meisje.

    Benatar en ik zetten ons gesprek voort, maar ik vind het lastig om binnen gehoorsafstand van die moeder en haar kind over antinatalisme te praten. Onder het eten babbelen we dus vooral over onze werkgewoonten.

    Daarna nemen we buiten afscheid. ‘Ik wandel nog wat rond,’ zegt Benatar. Hij wil nog even rondkijken in de West Village voordat hij naar het vliegveld gaat.

    Ik loop terug naar het World Trade Center en daal daar af in de Oculus, de gigantische koopgoot plus metrohalte die hier na de aanslagen van elf september is gebouwd. Ik kijk op naar het gewelf, de witmarmeren ribben van het dak dat hoog boven de mensen uit torent – als een kruising tussen een skelet en een kathedraal. Onder aan de roltrap zie ik een vrouw met één arm in haar mouw staan worstelen om haar jas aan te trekken. Een corpulente zakenman met oordopjes in snelt langs mij heen de trap af en stoot met zijn koffertje tegen me aan. Onderaan houdt hij de jas van de vrouw even op, zodat ze haar arm in de mouw kan steken.

  • Opening Dossier: De nasleep voor het Oostblok

    Opening Dossier: De nasleep voor het Oostblok

    Hongarije, Polen, Slowakije… herkennen zich niet in de democratische waarden van het Westen en varen een eigen koers, die pessimistisch en materialistisch is.

    De Polen kiezen voor het Chinese model, en populisten verslaan geregeld de traditionele partijen. Op de oostflank van de Europese Unie kampt men nog steeds met de nasleep van de geschiedenis.

    1. De diepste kloof is die tussen Oost en West

    2. Waarom het Oost-Europese populisme 
anders is

    3. Laten we niet langer 
de boksbal van Europa zijn

    4. De Polen kiezen voor het Chinese model

    5. De Tsjechen zijn een geval apart

    6. Context: Kroaië, Kurz, minipoetins en het IJzeren Gordijn

    Beeld: Aanhangers van de Hongaarse oppositiepartij Jobbik vieren de 170e verjaardag van de opstand tegen het Habsburgse Rijk op 15 maart 2018.
 – © Marton Monus / HH