Tag: Philby

  • 2. De spion als pr-instrument

    2. De spion als pr-instrument

    Het grote publiek is gefascineerd door spionnen, maar de waarde van hun inlichtingen is beperkt, schrijft Simon Kuper. ‘Ze zijn vaak het meest van nut als ze in de openbaarheid treden.’

    Ik heb net een boek geschreven waarvoor ik me moest begeven in de wereld van de Russisch-Britse dubbelspionnen ten tijde van de Koude Oorlog. Ik zag hoe deze mensen van het ene land naar het andere wipten, de schrik waren van elke Britse premier en vermoord werden – als het Russen waren. (Britse verraders brachten het er meestal levend vanaf, vooral als ze uit de hogere kringen kwamen.)

    Er is weinig veranderd. De Russische dubbelagent Sergej Skripal en zijn dochter Joelia belandden onlangs in kritieke toestand in het ziekenhuis van Salisbury, nadat ze waren aangevallen met een zenuwgas uit de Sovjettijd. Voormalig geheime politieman Vladimir Poetin herschept zijn eigen achtergrond: de wereld van de Koude-Oorlogsspionage. Poetin kan ons manipuleren omdat hij weet dat het bij spionage niet om de geheimen gaat. Het gaat om de reactie van publiek, media en politici, telkens als er weer een spion wordt ontmaskerd.

    Voor twee landen die weinig met elkaar te maken hadden voordat rijke Russen het centrum van Londen koloniseerden, hebben Rusland en Groot-Brittannië opmerkelijk lang aan uitgebreide wederzijdse spionage gedaan. Maar het grootste deel daarvan leidde nergens toe. Britse dubbelagenten als Kim Philby en Guy Burgess hebben zich er vaak over beklaagd dat de Sovjets hun inlichtingen negeerden. Veel van de Britse documenten die Philby aan de KGB leverde, werden niet eens in het Russisch vertaald.

    Paranoia

    Een van de oorzaken was paranoia. Een verrader kun je wel rekruteren, maar nooit vertrouwen. De KGB verdacht een gouden dubbelagent als Philby er altijd van dat hij een Britse mol was. En zelfs als de Sovjets wel in bepaalde informatie geloofden, raakte die nogal eens kwijt. Soms waren de koffers vol Britse geheimen gewoon te veel van het goede. Soms raakte informatie versnipperd of verdraaid op zijn weg door de KGB-hiërarchie. En stonden de inlichtingen de baas niet aan, dan gingen ze meestal alsnog de prullenmand in.

    Dat werd de Russen noodlottig toen Richard Sorge, een Russische agent in Tokio, herhaaldelijk het Kremlin waarschuwde voor een Duitse inval in de USSR. Op 15 mei voorspelde hij dat de invasie op 22 of 23 juni zou plaatsvinden. Maar Sorges inlichtingen wekten het misnoegen van de baas: Stalin beschouwde Duitsland toen nog als een bondgenoot. (Er werd gezegd dat Hitler de enige persoon was die hij vertrouwde.) Stalin zette Sorge weg als ‘een eikel die zichzelf een mooi leventje heeft bezorgd met wat fabriekjes en bordelen in Japan’. De Duitse invasie op 22 juni kwam voor de USSR als een volslagen verrassing.

    Ook Chroesjtsjov en Brezjnev stonden vaak sceptisch tegenover de informatie gespitst op bepaalde stukjes inlichtingen, schrijft de vroegere Britse ambassadeur in Moskou, Rodric Braithwaite, in zijn boek Armageddon and Paranoia. Braithwaite legt uit dat spionage nuttig is om bepaalde geheimen te vinden: zeg een scheikundige formule voor de atoombom. Maar het helpt zelden om de bredere intenties van de tegenstander te doorgronden. Zo voorzagen de spionnen van de Sovjets en die van het Westen in de jaren tachtig geen van beiden dat de andere kant bereid zou zijn om samen te werken aan het beëindigen van de Koude Oorlog.

    Alles wat in raadselen is gehuld, vindt het publiek fascinerend

    De meeste geheimen zijn trouwens gewoon ergens te vinden, bijvoorbeeld op een obscure technologiewebsite, of op bladzijde 437 van een wetenschappelijk boek dat niemand heeft gelezen. Kortom, ontdekkingen van spionnen hebben zelden invloed op regeringsbeleid. De wereld van de spionage is niet zozeer een schatkist, eerder een uitdragerij waarvan de eigenaar het overzicht over zijn voorraad is kwijtgeraakt. Spionnen, zegt spionageromanschrijver John le Carré, ‘leveren tweedehands inlichtingen die spannender zijn door de geheimzinnigheid waarmee ze zijn verkregen dan vanwege hun werkelijke waarde’.

    Die spannende geheimzinnigheid is inderdaad het belangrijkst. Alles wat in raadselen is gehuld, vindt het publiek fascinerend. Daarom hebben spionnen het grootste effect wanneer ze opduiken uit hun duistere wereld. Elke keer als een Britse functionaris werd ontmaskerd als Russische spion – een bijna rituele gebeurtenis die zich tussen 1946 en 1963 geregeld voordeed – nam het vertrouwen van de Britten in hun samenleving verder af. Britse spionnen konden elkaar niet meer aankijken zonder te denken: Ben jij misschien een KGB-agent?

    De angst binnen de Britse inlichtingenwereld draaide uit op een paranoïde ‘mollenjacht’ door ‘spionnenvanger’ Peter Wright, die de inlichtingendiensten in de jaren zestig en zeventig bijna verscheurde. Het werd een obsessie voor Wright om gerenommeerde Britse politici te ontmaskeren als Sovjetagenten. En zo veroorzaakten verraders als Philby een paranoïde verlamming binnen de Britse staat – niet door al die uren geheimen doorspelen aan contactpersonen in Londense bussen, maar door iets wat juist niet hun bedoeling was: hun ontmaskering.

    Evengoed is het Kremlin door het hacken van de saaie e-mails van de Amerikaanse Democratische Partij in 2016 waarschijnlijk ook niet meer over de VS te weten gekomen dan het al wist. Die hack was alleen belangrijk omdat de Russen (via Wikileaks) het materiaal openbaar maakten. De Amerikaanse media deden de rest. Rusland was van het aloude verzamelen van geheimen overgestapt op de informatieoorlog. Al dat lekken van verhalen heeft de presidentsverkiezingen duidelijk beïnvloed. Vervolgens zorgde de onthulling van de Russische rol (tegen de Russische wens in) ervoor dat de Amerikanen nog verder gepolariseerd raakten.

    Ook nu weer is de aanval op de afgedankte, onbeduidende dubbelagent Skripal voornamelijk een publiek statement. Rusland zegt tegen de Britten: wij kunnen in jullie land straffeloos moorden. En het zegt tegen machtige Russen in Groot-Brittannië: wij kunnen jou vermoorden. Omdat spionnen fascinerend zijn voor het publiek, komt de boodschap aan. (Eerdere mysterieuze sterfgevallen van Russische niet-spionnen in Groot-Brittannië hebben nauwelijks stof doen opwaaien.) De Russen gaan steeds bewuster paranoia zaaien. Net als veel andere Russische activiteiten in het buitenland verandert ook de Russische spionage in een pr-machine. Tegenwoordig is het de bedoeling dat Russische spionnen zichtbaar zijn.

    Auteur: Simon Kuper
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Still uit The Spy Who Came in from the Cold.

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk, dagblad, oplage 186.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • 1. De Britten zijn hun koelbloedigheid kwijt

    1. De Britten zijn hun koelbloedigheid kwijt

    Waarom speelt de oorlog tussen de veiligheidsdiensten zich juist op Britse bodem af? Dat is de schuld van de Engelsen, aldus de Russische site InoSMI. ‘Zij zijn gijzelaars geworden van een systeem dat ze zelf in het leven hebben geroepen.’

    De opeenvolging van raadselachtige sterfgevallen van Russische vluchtelingen die zich al enkele jaren voordoet in Londen stelt ons eens temeer voor de vraag: waarom vindt deze massale liquidatie van overlopers eigenlijk plaats op de Britse eilanden? In andere westerse landen komt het niet voor. Waarom heeft de grootste kolonie van Kremlin-tegenstanders zich juist in Groot-Brittannië gevestigd, en waarom heeft de oorlog tussen Russische en Britse spionnen zich na het eind van de Sovjet-Unie en de Koude Oorlog voortgezet? Het antwoord is een mengeling van historische, psychologische en geopolitieke factoren. Er zijn veel boeken over het onderwerp geschreven, maar ik wil enkele belangrijke punten onderstrepen. Zonder die punten is het onmogelijk de zaak-Skripal te begrijpen, of de zaak-Litvinenko*, of andere ‘markante momenten’ in deze eindeloze spionagekroniek.

    Engeland is bij uitstek het land van de spionage. Al in de elizabethaanse tijd brachten zijn geïsoleerde ligging en zijn beperkte natuurlijke hulpbronnen Londen ertoe van spionage en diplomatie de belangrijkste instrumenten te maken om zijn wereldhegemonie veilig te stellen. Sir Francis Welshingham richtte op bevel van Elizabeth I een geheime dienst van de kroon op en wist daarmee talrijke samenzweringen te verijdelen, zowel binnenlands als internationaal. De beroemde toneelschrijver en dichter Christopher Marlowe behoorde tot zijn informanten. Jonathan Swift, auteur van Gullivers reizen, en Daniel Defoe, schepper van Robinson Crusoe, waren allebei aan de inlichtingendienst verbonden.

    De eeuw daarna mengde Engeland zich met zijn diplomatie en spionage in het Europese politieke spel en hanteerde daarbij met succes het ‘verdeel-en-heers’-principe. Om Frankrijk de wereldhegemonie te betwisten maakten de Engelsen Napoleon naar hartenlust het leven zuur door het financieren van complotten, coalities en ten slotte de opstand in de Vendée. De beroemde Britse tv-serie Sharpe laat zien hoe de Engelsen actief het Spaanse verzet steunden in gebieden die door de troepen van Napoleon waren bezet.

    Kolonel Lawrence (van Arabië), ook een agent van de Britse inlichtingendienst, maakte zijn opwachting in de spionagegeschiedenis door de enorme inspanningen die hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog getroostte om het Ottomaanse Rijk te vernietigen door middel van steun aan de Arabische opstand op het Arabisch-Palestijnse Schiereiland. De ‘Britse route’ leidde ook naar Rusland, inclusief de deelname van de Engelsen aan de moord op keizer Paul I en Grigori Raspoetin.

    Een van de belangrijkste principes van de Britse politiek is altijd het opvangen van alle dissidenten geweest die ‘in verzet tegen de tirannie’ waren gekomen, en in bredere zin alle mensen die de wetten van hun land waren ontvlucht. Het Verenigd Koninkrijk werd het toevluchtsoord voor duizenden ‘dissidenten’ uit alle landen, van de Franse vrijdenker Voltaire halverwege de achttiende eeuw en Karl Marx halverwege de negentiende tot leden van islamistische groeperingen anno nu. De overlopers van de USSR en Rusland vormen een aparte categorie binnen dit keurkorps: men treft er de voormalige KGB-kolonel Oleg Gordievsky aan, de Tsjetsjeense ‘krijgsheer’ Ahmed Zakajev en vele anderen.

    De Britse gastvrijheid stoelt op koele berekening: door het opvangen van vluchtelingen beschikt Londen over een doeltreffend middel om druk uit te oefenen op de betrokken landen en die te chanteren bij politieke onderhandelingen. Er is ook een materieel belang: mannen met twijfelachtige fortuinen uit alle hoeken van de wereld, en in de eerste plaats Rusland, nemen in allerijl de wijk naar Engeland en vullen daar de belastingpot. De spionnen leveren informatie, de belastingvluchtelingen brengen hun kapitaal mee en die voordelen wegen op tegen eventuele diplomatieke geschillen. De woordvoerder van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken, Maria Zakharova, herinnerde er onlangs aan dat Rusland op uitlevering door Engeland wacht van minstens veertig aangeklaagde Russische staatsburgers.

    Laten we ook de mentaliteit van de Britse leidende klasse niet vergeten. Spionage als internationale sport beantwoordde aan de ‘voorliefde voor gevaar’ die werd gecultiveerd door de Engelse gentlemen, zodat de inlichtingendienst loten van de beste aristocratische stammen kon inlijven. Waar andere culturen zich eerder terughoudend opstelden tegenover het beroep van spion, is het in Engeland altijd omgeven geweest met een aureool van noblesse en een zekere romantiek. Iets wat je terugvindt in de literatuur, de film en de volkscultuur. Alleen al in de twintigste eeuw waren tal van beroemde schrijvers verbonden aan de Britse inlichtingendienst: William Somerset Maugham, Graham Greene, Anthony Burgess, Ian Fleming, John le Carré, Frederick Forsyth en Arhur Koestler.

    Niet voor niets wordt Engeland als het vaderland van de spionagethriller beschouwd. Geen enkele andere cultuur heeft het spionagethema zo uitgebreid en minutieus onderzocht. De lijst is eindeloos, dus laten we ons beperken tot enkele meesterwerken zoals The 39 Steps van Alfred Hitchcock (1939), The Third Man (1949), The Spy Who Came in from the Cold (1965) en The Ipcress File (1965), om nog maar te zwijgen van de eeuwige James Bond-serie (From Russia with Love etc.) en ten slotte de kaskraker Kingsman: The Secret Service (2014). De liefde van de Britten voor spionage laat zich verklaren door het feit dat ze het nut ervan inzien en zich ervan bedienen voor politieke doeleinden.

    Omdat deze ‘kunst’ zo hoog in aanzien stond, heeft de Engelse politieke elite de regels en risico’s ervan tot aan het vorige decennium geaccepteerd. Bij de zaak-Litvinenko, en meer nog bij de zaak-Skripal, lijken de gentlemen hun legendarische koelbloedigheid te zijn verloren. Rusland en alles wat daarmee te maken heeft is hun duidelijk een doorn in het oog. Vandaar dat de spionage gepaard gaat met russofobie. De combinatie van deze twee tradities, spionage en russofobie, verklaart voor een groot deel deze confrontatie die al decennia duurt en het gebruikelijke inlichtingenkader al lange tijd overstijgt.

    De russofobie begon in Frankrijk en Engeland na de napoleontische oorlogen, toen Rusland een invloedrijke mogendheid werd op het continent. In de jaren 1830, met de Poolse opstanden tegen het Russische Keizerrijk, kreeg de Europese russofobie duidelijk vorm. Daarbij speelde echter niet zozeer solidariteit met de Polen als wel de wil om Rusland te verzwakken. De betrekkingen tussen Engeland en Rusland kwamen nog meer onder druk te staan door de ‘Oosterse Kwestie’ en de bestemming van de Bosporus en de Dardanellen, die leidde tot de Krimoorlog (1853-1856) en wat ‘het Grote Spel’ werd genoemd, de geopolitieke confrontatie (met inzet van inlichtingendiensten en diplomatie) tussen het Verenigd Koninkrijk en Rusland in de tweede helft van de negentiende eeuw.

    Met uitzondering van de twee wereldoorlogen, toen Rusland (de Sovjet-Unie) en Groot-Brittannië bondgenoten waren, is de spionage- en informatieoorlog tussen de twee landen nooit gestopt

    In de jaren 1855-1865 publiceerden Alexander Herzen en Nikolaj Ogarev, onder het welwillende toeziend oog van de Britse autoriteiten, in Londen de eerste tegen de regering gerichte Russische tijdschriften die een beslissende invloed hadden op de liberale Russische intelligentsia. In het begin van de twintigste eeuw werd Engeland een van de belangrijkste toevluchtsoorden voor Russische dissidenten, met name revolutionaire socialisten, mensjewieken en bolsjewieken. In Londen werden het historische tweede en vijfde congres (1903 en 1907) van de Russische sociaaldemocraten gehouden, waar Lenin aan deelnam en waar het bolsjewisme als beweging werd geïnstitutionaliseerd. Het vijfde congres werd grotendeels gefinancierd door Britse industriëlen die sympathiseerden met de Russische Revolutie.

    Met uitzondering van de twee wereldoorlogen, toen Rusland (de Sovjet-Unie) en Groot-Brittannië bondgenoten waren, is de spionage- en informatieoorlog tussen de twee landen nooit gestopt. Denk alleen maar aan de Lockhart-affaire (1918), de operatie Trust en Sidney Reilly (1925); de laatste had in Engeland de bijnaam ‘spionnenkoning’ en inspireerde Ian Fleming tot het personage James Bond. Ook de Vijf van Cambridge leven voort in de geschiedenis, de legendarische superagenten, onder wie de beroemde Kim Philby, die in de jaren dertig van de vorige eeuw door de Sovjet-Unie werden gerekruteerd. De concurrentie tussen de diensten werd vooral levendig tijdens de Koude Oorlog, die duurde van 1946 tot 1991. De namen van de ‘helden’ en verraders van deze oorlog zijn welbekend. Vooral de Profumo-affaire, vernoemd naar de Britse minister van Defensie, zorgde voor sensatie en leidde tot het aftreden van de laatste in 1963. Het verhaal van escortgirl Christine Keeler, die zowel een verhouding had met Profumo als met Yevgeny Ivanov, een officier van de Russische militaire inlichtingendienst, hield de Britten in de ban als een spannend spionnenspel. In 1971 vond de grootste uitzetting van Sovjetdiplomaten uit de geschiedenis plaats, waarbij 105 agenten Londen moesten verlaten.

    Christine Keeler had zowel een verhouding met Britse minister van Defensie Profumo als met Jevgeny Ivanov, een officier van de Russische militaire inlichtingendienst.
    Christine Keeler had zowel een verhouding met Britse minister van Defensie Profumo als met Jevgeny Ivanov, een officier van de Russische militaire inlichtingendienst.

    Na de val van de USSR bleek de adempauze van korte duur: vanaf eind jaren negentig barstte de strijd tussen de inlichtingendiensten weer in volle hevigheid los. Londen werd het toevluchtsoord voor Russische oligarchen, economische criminelen, overgelopen spionnen en allerlei andere tegenstanders van Moskou. De beroemdste van hen, oligarch Boris Berezovski, stierf in 2013 onder nooit opgehelderde omstandigheden. De Russische oppositie in Londen, naar hartenlust uitgebuit door de Britse inlichtingendiensten, is echter voor een groot deel oncontroleerbaar geworden en handelt volgens haar eigen regels. Dat is precies de reden voor een hele reeks onverklaarbare aanslagen die de competentie en de logica van de klassieke inlichtingendiensten te boven gaan en waarschijnlijk het belang dienen van derden. De politieke schade van deze afschrikkingsexecuties is enorm. Het is duidelijk dat de Britten gijzelaars zijn geworden van een systeem dat ze zelf in het leven hebben geroepen.

    Engeland heeft voortdurend geklaagd over en aanstoot genomen aan de dood van Russische overlopers, omdat het zelf de regels van dit spel heeft geschreven waarin de internationale oorlog van de geheime diensten zich precies op haar eigen bodem voltrekt. En dan gaat het niet alleen om de Russische diaspora, maar ook om de islamisten die politiek asiel hebben gekregen dankzij steun van de plaatselijke geheime diensten en die momenteel oncontroleerbaar zijn geworden en tal van terroristische aanslagen plegen op het grondgebied van hun gastheren.

    • Aleksandr Litvinenko, KGB-agent tussen 1988 en 1999, stierf in 2006 in Londen aan een poloniumvergiftiging.

    Auteur: Dmitri Dobrov
    Vertaler: Peter Bergsma

    Openingsbeeld: Still uit The Third Man (1949).

     Sergej Skripal. – © HH
    Sergej Skripal. – © HH

    CONTEXT: De zaak-Skripal

    Op 4 maart 2018 werden de voormalige Russische dubbelspion Sergej Skripal en zijn dochter bewusteloos aangetroffen op een bankje in de Engelse stad Salisbury. Al heel snel bevestigden de Britse autoriteiten dat ze waren vergiftigd met novitsjok, een in Rusland geproduceerd zenuwgas. Omdat deze moordaanslag als een chemische aanslag op zijn grondgebied werd beschouwd, zette Londen drieëntwintig Russische diplomaten uit, waarna de Verenigde Staten en diverse Europese landen er op hun beurt ook meer dan honderd uitzetten. Moskou reageerde met dezelfde maatregel.

    Moskou is van mening dat er geen enkel bewijs is geleverd voor zijn verantwoordelijkheid voor de aanslag en spreekt van een westerse provocatie om Rusland te demoniseren en te isoleren. Terwijl de twee slachtoffers van Salisbury aan de beterende hand zijn, heeft de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens op 18 april verklaard dat haar laboratoria niet hebben kunnen vaststellen door welk land of welk laboratorium de giftige stof is geproduceerd, aldus het Russische dagblad Gazeta.ru. Maar de Britse vertegenwoordiger van de organisatie laat geen enkele ruimte voor twijfel: ‘Wij zijn van mening dat alleen Rusland over de technische mogelijkheden, de praktische ervaring en de motivatie beschikt om deze operatie uit te voeren.’

    InoSMI
    Rusland | inosmi.ru

    InoSMI is een informatiesite die zich specialiseert in de Russische vertaling van artikelen uit de buitenlandse pers. Inderdaad, net als 360. De naam is een samentrekking van twee Russische woorden die ‘buitenlandse media’ betekenen. ‘Alles wat het waard is om vertaald te worden,’ luidt hun slogan. Naast redacteuren en vertalers telt de redactie ook auteurs van oorspronkelijke artikelen in het Russisch.