Als mensen niet kunnen reizen maar elkaar wel willen bereiken, sturen ze spullen. In Kosovo gaat dat via een informeel postnetwerk opgezet door burgers.
Het is nog donker als ik naar de Petrakija-straat ga, in de richting van de Muziekacademie, gedesoriënteerd en verward door de realiteit van de vroege ochtend in Sarajevo. De klok in de toren van de kathedraal, iets verderop om de hoek, slaat zes uur.
Bij de laatste slag van de kerkklok dringt het irritante geluid van een Viber-oproep door tot mijn slaperige geest. Wat nu weer? Ik neem de telefoon op.
‘Hé, waar ben je?’
Ze klinkt boos.
Ik werp een blik op mijn telefoon: 6:02 uur. Klotekathedraal. Heeft God zich vanochtend misschien ook verslapen?
‘Wat is er aan de hand? Ik ben maar twee minuten te laat!’ zeg ik, nu zelf ook boos. ‘We zijn niet in Zwitserland!’
Op dat moment zie ik haar – precies op de hoek van Štadler en Pehlivanuša, waar we hebben afgesproken – gehurkt voor haar auto. Ze ziet mij ook. We hangen allebei op. ‘Hajde, schiet op!’ roept ze naar me.
Rada houdt er niet van als passagiers te laat komen. Niet omdat ze geen geduld kan opbrengen. Als haar werk geduld vereist wacht ze, zelfs urenlang als het moet. Maar vandaag niet. Rada heeft een strak schema. Om 6:05 uur halen we iets boven Parkuša een pakketje op. Dobrinja, 6:25 uur, een jonge kerel wacht op ons, hij gaat werken in een hotel aan de Albanese kust. Dan, om 6:30 uur, in de wijk Mojmilo, tegenover de Koning Fahd-moskee – de grootste in Sarajevo, een geschenk van Saoedi-Arabië – halen we een dokter op; een gerespecteerde dame, die deze rit vaak maakt. En dan richting Pale, vanwaar Ivana, een programmeur, op weg gaat naar Belgrado voor een werkvergadering en familiebezoek.
Rada weet dat als ik twee, drie of vijf minuten te laat ben, alle anderen minstens even lang moeten wachten, en misschien nog wel langer als we ook voor een stoplicht komen te staan. En Rada haat het als haar passagiers moeten wachten. Ook degenen die op haar passagiers wachten en degenen die op de pakjes wachten die Rada bij zich heeft en die meestal al minstens zo belangrijk zijn, hebben een hekel aan wachten. Bovenal wil Rada dat we de rivier de Drina bereiken en de grens oversteken voordat het verkeer drukker wordt, zo rond half negen ’s ochtends. Als dat niet lukt, zullen al deze mensen nog veel langer moeten wachten.
Ik schaam me een beetje.
‘Maar goed. We komen er wel,’ zegt ze. ‘Hoe is het met je? Nog nieuws? Hoe is het met je moeder?’
Raar poeder
Sinds ze twintig jaar geleden begon met het vervoeren van passagiers tussen Sarajevo en Belgrado, heeft Rada een extra – maar niet minder belangrijke – transportfunctie, als onderdeel van een informeel postnetwerk. Ze vervoert alles wat mensen maar willen verzenden, zolang het legaal is en in haar auto past. Wat meestal het geval is.
‘In Belgrado kwam er een vrouw naar me toe. Ze had echt alles gekocht wat je je maar kunt voorstellen – die liep gewoon winkels binnen en begon haar tassen te vullen. Doe dit maar, doe dat maar. Ze kwam met twee enorme tassen en vroeg of er genoeg ruimte was in de kofferbak. Ik keek en zag boven op een van de tassen een enorme zak popcorn liggen. Nou mevrouw, dacht ik bij mezelf, moet u die popcorn echt ook opsturen? Er is toch popcorn in Sarajevo? Maar wat kon ik doen, ze stuurde het naar haar moeder. We vinden de ruimte wel, zei ik.’
Dit keer is niet alleen Rada aan het werk. Ook mijn tas zit vol pakketjes. Ik neem een doosje sigaretten van het merk Drina uit Sarajevo mee voor een vriend en de avond ervoor heb ik een enveloppe met documenten gekregen – wat of voor wie ze zijn weet ik niet, maar het is belangrijk dat ze zo snel mogelijk in Belgrado aankomen – en een zakje gevuld met een vreemd poeder met grote brokken en een grove textuur. De man die me het zakje overhandigde noemde de naam van het spul, maar ik begreep niet wat hij zei. Hij herhaalde het. Ik begreep hem nog steeds niet, maar besloot te doen alsof ik het wel begreep. Nu vraag ik me af of het legaal is. Ik hoop van wel. Hij zag er betrouwbaar uit. Ook de persoon die het contact tussen ons legde leek in orde. Hoe dan ook, het is beter om dit niet aan Rada te vertellen. Maar als er ruimte is voor de popcorn, moet er ook ruimte zijn voor mijn rare poeder.
Een paar maanden later, 300 kilometer verderop, op een bruisende lentemiddag op het busstation van Belgrado.
Ik ben een postbode op een belangrijke missie en ik heb geen tijd te verspillen aan beleefdheden
Met grote passen loop ik naar de hal met loketten. Dan worden mijn stappen korter: de smalle gang tussen de loketten en de vertrekplatforms is ramvol met passagiers, koffers, geschreeuw, gehaast, verwarde blikken, omhelzingen en kussen.
Te midden van de drukte wordt mijn blik getroffen door een oude analoge stationsklok. De lange witte wijzers bieden een rustgevend beeld: het is 15:49 uur. Ik hou ervan als ik te vroeg ben, al is het maar één minuut.
Dan gaat mijn telefoon. ‘Waar ben je?’
We ontmoeten elkaar bij de toegang tot het busplatform. We kennen elkaar niet, maar herkennen elkaar gemakkelijk. Hij houdt een grote doos vast met daarin een synthesizer. Het is een pakket dat ik bij een gezamenlijke vriend moet afleveren.

Ik neem de doos aan. ‘Oké, dat was het,’ en we gaan weer uit elkaar. Ik ben een postbode op een belangrijke missie en ik heb geen tijd te verspillen aan beleefdheden. Ik ren naar een loket en koop een kaartje.
Buiten, op perron 4, stroomt de bus naar Pristina vol.
Lievelingspop
Ik begon mijn ‘baan’ als postbode in de herfst van 2020, toen ik zo vaak tussen Belgrado en Pristina op en neer reisde dat het mensen begon op te vallen. (Om op te vallen is het eigenlijk al voldoende dat je vaker reist dan, nou ja, nooit.)
En dus kreeg ik op een dag een telefoontje van een vriend die ik al een tijdje niet had gesproken, maar die op de een of andere manier van mijn reisgedrag op de hoogte was. Een gezin uit Pristina was op vakantie in Belgrado, en toen ze weer thuiskwamen bleek dat hun dochter haar pop had laten liggen. Hoewel Pristina op de weerkaart van Radio Televisie Servië staat aangegeven als onderdeel van Servië, bestaat deze stad wat de Servische postdienst betreft niet, en hetzelfde geldt voor andere plaatsen in Kosovo waar Serviërs niet de meerderheid vormen. Particuliere bezorgdiensten zijn veel te duur. De enige manier waarop de pop Pristina kon bereiken was als iemand hem meenam.
Zou je dat willen doen? Het is niet dringend. Maar eigenlijk wel. Het is haar lievelingspop.
De keer daarop kwam er een verzoek van de andere kant: hé, hebben ze dat Skenderbeg-drankje nog? Neem er alsjeblieft twee voor me mee, ik mis het echt! Vervolgens, in Pristina: het is niet makkelijk om filmrolletjes te vinden voor analoge camera’s, en er is een winkel in Belgrado waar ze niet zo duur zijn. Kun je er een aantal voor me meebrengen? Een paar maanden later stonden op mijn lijstje met succesvolle opdrachten: vinylplaten van de Belgradose new wave, een kilo gedroogde worst, de sleutels van iemands appartement en boeken van Petrit Imami over de gemeenschappelijke geschiedenis van Serviërs en Albanezen (gelukkig, maar ironisch genoeg, waren die in Belgrado meteen uitverkocht).
En toen begon het me te dagen dat bijna al het persoonlijke verkeer tussen Kosovo en Servië – tussen naaste familieleden, neven en vrienden, tussen degenen die zijn vertrokken, degenen die zijn gevlucht, degenen die zijn gebleven en degenen die ergens tussenin vastzitten – afhankelijk is van drie bussen die dag en nacht rijden tussen Belgrado, Pristina en Prizren, en van de kleine groep mensen die met deze bussen reist.
Terwijl de chauffeurs in keurige witte shirts haastig bagage inladen, wordt mijn aandacht getrokken door een oudere dame in het zwart die naast een enorme geruite tas staat. Het is me niet duidelijk hoe ze die hier heeft gekregen. Ze wacht geduldig in de rij. Ze glimlacht naar me, en we raken aan de praat.
‘Waar gaat u heen in Kosovo?’
‘Ik ga niet op reis, jongen. Ik stuur dingen naar mijn familie.’
Ik wil haar vragen wat ze hun stuurt, maar één blik op de enorme Chinese tas beantwoordt mijn vraag. Hij zit vol zelfgemaakt eten, zorgvuldig verpakt in plastic ijsdozen en grote glazen potten. Is dat sarma [gevulde wijnbladeren]? Ik zie ook een oude plastic doos van een kaasmerk uit Sombor, bijeengehouden door dikke elastieken zodat wat er ook in zit, misschien een salade, er tijdens de reis in blijft zitten.
‘Stuurt u vaak dingen?’
‘Niet zo vaak. Ze hebben daar eten, het is niet zo dat ze niets hebben. Maar ze vinden het heerlijk als ik voor ze kook. Onlangs vierde mijn kleindochter haar verjaardag. Dus maakte ik taart. Het is handig zo, ik zet het gewoon op de bus. Anders zou het onmogelijk zijn.’
Ik bedenk hoe het zou gaan als je aan de balie in een postkantoor zelfgemaakt eten verstuurt
Ik sta er even bij stil en bedenk hoe het zou gaan als je aan de balie in een postkantoor zelfgemaakt eten zou versturen. Het serieuze gezicht van de bediende die je aankijkt door het glas. Wat zit er in de doos? Een aardbeientaart en sarma met gedroogde ribbetjes. Hoe snel wilt u het laten bezorgen? Onmiddellijk, zodat het niet bederft, u weet hoe warm het de afgelopen dagen is geweest! De waarde? Onbetaalbaar.
Geen politieagent
Zoals ik zal ontdekken tijdens verschillende reizen en tientallen gesprekken met mensen die dwars door de Balkan dingen versturen en ontvangen, gaat het niet alleen om voedsel en de mogelijkheid dat het zal bederven.
Oom Pera keert terug naar Lipjan, waar hij al meer dan zestig jaar woont. Hij was op bezoek in Belgrado. We zitten samen in een bus. Ergens rond de tolweg bij Bubanj Potok bied ik hem een paar Plazma-koekjes aan. In ruil geeft hij me, als we bij een tankstation ergens rond Pojate stoppen, een sigaret. Ik vraag hem of hij per post iets uit Servië verstuurt of ontvangt.
‘Nee,’ zegt hij beslist. ‘Je weet het nooit met hen. Twee maanden geleden was mijn zoon op zoek naar autopapieren van een vriend in Kraljevo. Die zijn nog steeds niet aangekomen.’
Oom Pera vertrouwt de instituties duidelijk niet. En te oordelen naar het aantal dingen dat dagelijks met de bus meereist, is hij niet de enige.
In gezelschap van de chauffeurs in een halfdonker café langs de weg dat de hoopvolle naam ‘Evropa’ draagt, probeer ik te achterhalen wat er zoal wordt verstuurd. De meeste reizigers zitten buiten te wachten op het teken voor vertrek.
‘Probeer je uit te vissen of we drugs bij ons hebben?’ vraagt een man me nors, terwijl hij me een stuk kip aanbiedt dat hij net uit aluminiumfolie heeft gehaald.
Hij bood me de kip aan uit beleefdheid. De vraag stelde hij uit openlijk wantrouwen. ‘Maak je geen zorgen, ik ben geen politieagent,’ zeg ik tegen hem. Ik haal mijn perskaart tevoorschijn. Afrim veegt zijn vingers af en bekijkt hem met oprechte nieuwsgierigheid. De gedachte komt bij me op dat mensen in dit café waarschijnlijk al veel dingen uit hun zak hebben gehaald, maar dat dit vast en zeker de eerste keer was dat het om een kaart van de Internationale Federatie van Journalisten ging. Het lijkt enig effect te sorteren.

‘Wat de mensen sturen? Nou, van alles. Documenten vooral,’ zegt Afrim. ‘Papieren voor pensioenen in het noorden, in Belgrado, voor degenen die vóór de oorlog in bedrijven werkten, voor onroerend goed, als iemand iets verkoopt in Kosovo. Medicijnen. Mensen sturen ook geld. Mobiele telefoons, kleren. Van alles en nog wat.’
‘Hebben jullie weleens problemen?’ vraag ik. Afrim werpt me een scherpe blik toe. Weer die achterdocht. Zijn collega Edin voegt zich bij het gesprek: ‘Het gebeurt weleens dat mensen niet komen opdagen om hun spullen op te halen. Of ze vragen ons ergens anders op hen te wachten… Maar hoe kan ik in godsnaam wachten?’
‘Wat gebeurt er dan met die pakjes?’
‘We brengen ze terug naar het bureau en de afzender haalt ze daar dan weer op.’
‘Komt het weleens voor dat niemand ze ophaalt?’ Terwijl ik die vraag stel, zie ik ineens een magische antiekwinkel voor me, met her en der allerlei voorwerpen die mensen in de loop der jaren zijn vergeten, elk met zijn eigen geschiedenis, zijn gewone en ongewone verhaal…
In die halve of hele minuut lijk je meer vertrouwen op te bouwen dan ooit mogelijk zou zijn met een postmedewerker
Mijn gedachtespinsels worden ruw onderbroken door Afrim: ‘Nee, nooit. Er komt altijd iemand. Kom, laten we gaan.’
Het versturen van pakjes per bus of taxi, per chauffeur, vriend of kennis, is een van de meest functionele sociale uitvindingen op de Balkan. Het gaat net zo snel als een auto of bus. En voor een plek waar treinverbindingen zijn vernield en vliegverbindingen domweg zijn opgeheven, is het de snelste manier om dingen te versturen en te ontvangen.
Eén specifieke persoon – de chauffeur, vriend of kennis – zorgt voor de levering. Het is iemand die je kent of die je op z’n minst een keer hebt ontmoet, iemand die je ooit een hand hebt gegeven en met wie je een paar woorden hebt gewisseld. In die halve of hele minuut lijk je meer vertrouwen op te bouwen dan ooit mogelijk zou zijn met een postmedewerker achter een loket met reclamefoto’s van gele busjes die altijd op tijd zijn.
Wie vertrouwt u meer, een bedrijf met een slogan die garandeert dat uw zending binnen 48 uur wordt geleverd, en die u de mogelijkheid biedt uw zending te volgen via een speciale code? Of een chauffeur die op de vraag ‘Wanneer komt het ongeveer aan?’ – die u voorzichtig uitspreekt, om maar niet de indruk te wekken dat u hem opjaagt, hij heeft tenslotte alle recht om zijn eigen schema aan te houden – eerst in de verte kijkt, dan een trek van zijn sigaret neemt en ten slotte rook uitblazend zegt: ‘Dat hangt van de spits af, maar niet voor negen uur’? En dan noemt zo iemand altijd een te vroeg tijdstip; beter dat jij moet wachten dan de hele bus.
Op een of andere manier kiezen verbazingwekkend veel mensen in de Balkan voor optie 2.
Regels
En dan is er nog de kwestie van de prijs.
Wanneer je iets per post verstuurt, zijn er een aantal relevante criteria: het gewicht van het voorwerp, de waarde ervan en de afstand en snelheid van de bezorging. Websites en apps van de post staan vol gedetailleerde tabellen en berekeningen waarmee je de prijs tot op de cent kunt berekenen. Maar hoe dan ook is die prijs meestal vrij hoog. Als je een pakket van een halve kilo van Servië naar Bosnië wilt sturen, zonder retourformulier, speciale bezorging of luchttransport, kost dat je ongeveer 18 euro. Wil je dat pakket via DHL in Kosovo krijgen, dan is de prijs ongeveer 50 euro.
Verstuur je het op de informele manier, dan stap je het domein binnen van een magisch Balkanritueel dat wordt begrensd door duidelijke regels waarbinnen absoluut niets duidelijk is. Wanneer een vriend of kennis een pakje meeneemt, staat het aanbieden van geld voor die dienst ongeveer gelijk aan het vervloeken van hun moeder. Er is een ongeschreven regel dat je de helper uitnodigt voor een glas vruchtensap of een kop koffie, maar wel tactvol. Het moet lijken alsof je hem niet alleen maar uitnodigt omdat hij je heeft geholpen, maar omdat je echt graag iets met hem wilt drinken.
Tegelijkertijd wordt haast verwacht dat de ander het aanbod zal afslaan, omdat geen van jullie tijd of zin heeft om iets te gaan drinken. Als jullie samen een drankje hadden gewild, zouden jullie dat wel hebben gedaan, ook zonder pakjesbezorging. Maar zonder dat drankje sta je wel in het krijt bij de helper. Mocht je ooit iets doen wat de persoon in kwestie niet zou bevallen, dan zal die overal rondbazuinen hoe dwaas het was om jou te helpen!
Bij buschauffeurs liggen de zaken iets anders. Elke dag, soms twee keer per dag, vervoeren zij pakketten over de grens, waarmee ze een risico nemen (hoewel: ze controleren vaak wat erin zit, en als het er illegaal of gevaarlijk uitziet of gemakkelijk kan breken, zullen ze het weigeren, ongeacht hoeveel geld ze aangeboden krijgen). Ze houden zorgvuldig bij wat ze meenemen, voor wie, en waar mensen hen opwachten. Ze schrijven namen en telefoonnummers op, bellen afzenders vanaf slecht verlichte haltes langs de snelweg en maken ruzie met mensen die te laat zijn of gewoon vergeten zijn hun pakje op te halen.
Kol’ko daš
Sommigen rekenen het equivalent van een volledig buskaartje, anderen de helft. Bij weer anderen mag je zelf de prijs van de dienst bepalen.
En zo komen we bij de waardevolle sociale regel kol’ko daš: zoveel als je kunt geven. Zoals met alles in deze regio is deze regel niet wat hij lijkt. Op het eerste gezicht staat het je vrij om de waarde van de dienst zelf te beoordelen. Maar eigenlijk maak je vooral een inschatting van de andere kant van de transactie, namelijk: met welk bedrag kun je voorkomen dat de ander zich beledigd voelt? Daarom betaal je vaak meer dan de dienst werkelijk waard is.
Maar toch is het nog altijd goedkoper dan de post, en oneindig veel leuker.
We hebben een strak schema, maar Rada staat een snelle pauze toe bij het tankstation, omdat iemand naar het toilet moet. Ik maak van de gelegenheid gebruik om een sigaret te pakken, of liever gezegd, dat was mijn plan, maar ik realiseer me dat mijn sigaretten op zijn. Gelukkig heb ik een slof Drina-sigaretten meegenomen om aan mijn vriend Bojan uit Belgrado te overhandigen. Hij vindt het vast niet erg.
De termen Drina en Sarajevo spelen een belangrijke rol in zijn leven, en niet alleen vanwege de sigaretten. Bojan behoort tot een kleine groep journalisten in Servië die consequent blijven schrijven over de Servische oorlogsmisdaden in Bosnië in de jaren negentig. Elke week ontvang ik links naar artikelen die, vrees ik, bijna niemand leest.
Maar Bojan geeft niet op. Hij werkt momenteel aan een documentaire over de Belgrado-kring, een groep liberale intellectuelen en vredesactivisten die begin jaren negentig in opstand kwamen tegen het regime, de oorlogen en de misdaden van Milošević. Dertig jaar later is er zelfs geen verre echo van hun stemmen meer te horen in de Servische politiek. De groep is nu slechts een herinnering in het hoofd van een kleine kring van toegewijden.
Als we door Romanija rijden, heb ik het gevoel dat we een van zijn verhalen betreden. We begeven ons in de prachtige natuur van Oost-Bosnië. Op verkeersborden staan plaatsnamen die herinneren aan de gruwelijkste episoden uit de oorlog, plekken waarover velen in Servië alleen maar hebben gehoord via de getuigenissen in Den Haag. Ze staan symbool voor bloed-baden, verkrachtingen en etnische zuiveringen. Hier, vlak voor Sokolac, vinden we de afslag naar Rogatica. Je reist omhoog tot Han Pijesak, dan ga je naar Vlasenica, Milići en Zvornik, en als je vanuit Zvornik naar het zuiden zou reizen, zou je Srebrenica bereiken.
Uiteindelijk bereiken we de Drina.
‘Vroeger rookte ik Yorks uit Rovinj,’ vertelt Bojan, ‘maar toen werden in 1991 alle banden met Kroatië verbroken. Dus stapte ik over op Drina’s.’
Slechte beslissing, Bojan, want de banden met Bosnië duurden ook niet veel langer. Begin deze eeuw begon hij ze weer te roken in Sarajevo. Bojan houdt van Sarajevo; soms verdwijnt hij daar gewoon, en dan komt hij levendiger dan ooit terug.

En waarom breng ik hem Drina’s, zijn die er dan niet in Belgrado? In maart 2022 sloot de honderdveertig jaar oude tabaksfabriek van Sarajevo, in een land waar bijna een derde van de volwassen bevolking bestaat uit hartstochtelijke rokers. Er zijn echter nog steeds voorraden oude Drina’s, en Bojan wil ze roken zolang ze er nog zijn.
Zou je ongeveer hetzelfde kunnen zeggen over de Belgrado-kring? De anti-oorlogsgedachte in Servië is verdwenen en we roken al jaren de voorraden op. Maar ook die slinken.
Einde van de wereld
De tijd dat het oversteken van de grens bij Merdare spannend was – zowel voor Serviërs bij de Kosovaarse controlepost als voor Albanezen bij de Servische controlepost – is voorbij. Toch wordt het op de een of andere manier altijd wat stiller in de bus als deze Kuršumlija nadert; de sfeer wordt grimmig en gespannen. Een duister voorgevoel. Misschien draagt het verlaten landschap om ons heen daaraan bij. Lege velden, lege straten, lege huizen. En een volledig verlaten weg, die naar het einde van de wereld lijkt te leiden.
Hier en daar zie je op borden langs de weg Albanese plaatsnamen: Kastrat, Ljuša. Ook het dorp Arbanaška ligt in de buurt. Maar hier wonen al lang geen Albanezen meer. Op een heuvel bij Degrmen, op twee kilometer van Merdare, verrijzen de donkere ruïnes van de kerk van Beć, die vanaf 1912 werd gebouwd met geld van Servische immigranten uit de Sandžak, Montenegro en Zubin Potok. Die vestigden zich op het land van de Albanezen en Turken die na de Servisch-Ottomaanse oorlog van 1876 naar Kosovo waren gevlucht. Door de armoede na de Eerste Wereldoorlog werd de bouw van de kerk uitgesteld tot betere tijden, die nooit kwamen. Er zijn hier ook niet veel Serviërs meer; de beschadigde weg naar het mythische Kosovo voert door een van de armste gemeenten van Servië.
In doodse stilte verzamelt hij onze ID-kaarten en sorteert ze zorgvuldig in zijn handpalm, en gaat dan naar buiten
Een oproep in het Servisch en Albanees galmt door de bus: ‘Houd uw identificatiebewijs gereed!’ Omdat Servië en Kosovo elkaar niet erkennen, zijn paspoorten voor Kosovaarse en Servische burgers hier ongeldig. Eerst komt de Servische politieagent binnen. In doodse stilte verzamelt hij onze ID-kaarten en sorteert ze zorgvuldig in zijn handpalm, en gaat dan naar buiten. Na de controle geeft de chauffeur onze kaarten terug, maar algauw komt de Kosovaarse politieagent binnen en begint de hele procedure opnieuw.
Plots is er een probleem. De douane-beambte blijft rond de achterbak hangen. Hij maakt ruzie met de bestuurder en laat hem iets zien. De passagiers aan de rechterkant van de bus staren naar hem, de passagiers aan de linkerkant staren aandachtig naar die aan de rechterkant, omdat ze de douane-beambte niet kunnen zien. Wat heeft hij gevonden? Zullen ze ons doorlaten? Diep weggestopte angsten komen boven. Plotseling weten we dat alles mogelijk is.
De chauffeur schudt zijn hoofd. De douanier schudt ook zijn hoofd. Het is alsof hij hier niets mee te maken wil hebben. Hij slaat de deur van de kofferbak dicht. Ik heb het gevoel dat we allemaal weer kunnen ademen.
We rijden Kosovo binnen. Nu zien we borden met Servische plaatsnamen, maar geen Serviërs.
Belgrado, eind mei.
Lula begroet me op de binnenplaats van een oude villa in het centrum van de stad. Op straat heerst een helse middagdrukte. Op de binnenplaats, vol tere rode en gele bloemen, is het volledig stil.
Lula lijkt in veel opzichten op die villa: elegant, triest en naar binnen gekeerd. ‘Ik ben al lang niet meer buiten geweest,’ zegt ze tegen me. ‘Dit is mijn stad niet meer.’
De brief en de tas zijn netjes en op tijd bij haar afgeleverd. Ik besluit niet te informeren naar de inhoud van de enveloppe. Ik neem aan dat er een reden voor was dat hij verzegeld was. Maar ik kan het niet laten om te vragen naar de zak met het mysterieuze poeder.
Mix voor soep
‘Tarhana,’ lacht Lula. ‘Een mix voor soep. Mijn tante Ešrefa uit Travnik bereidt dit voor me, en stuurt het via mijn neef. Ze bereiden het anders in Servië. Ook lekker, maar die van haar vind ik lekkerder. In Servië zeggen ze meestal “tarana”, omdat ze hier niet van die “h” houden – die is overgenomen uit het Turks. Net als in Bosnië begonnen ze hem in te voegen op plaatsen waar hij niet thuishoort.’
We zitten in restaurant Kraljevo, niet ver van een grote parkeerplaats aan de Sarajevska-straat in Belgrado, waar Rada normaal gesproken passagiers oppikt en afzet. Waar anders?
Ze heeft de hele dag in de auto gezeten en is erg moe, maar ze heeft tijd om te praten. Ze vertelt me dat ze de laatste tijd vaak flauwvalt. Laatst kwam ze amper de auto in, maar ze gaf niet op.
Aan Marko, die de vrouw bij wie hij mocht onderduiken in de oorlog maar spullen blijft sturen – bonen, paprika’s, walnoten, kajmak [een soort zure room], een pot honing en 50 of 100 euro – vroeg Rada eens of het niet veel makkelijker zou zijn om haar het geld te sturen, zodat ze het eten zelf kan kopen? ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘dat heb ik geprobeerd, maar ze is blij als ze die doos kajmak ontvangt en dan kan zeggen: “Kijk eens wat mijn lieve Marko me heeft gestuurd.”’
En toen begreep ik het eindelijk. Spullen reizen niet, mensen wel. Als mensen niet kunnen reizen, sturen ze spullen. Maar zelfs dan zijn het eigenlijk niet de spullen die reizen, maar de gevoelens van die mensen.
