Het grote publiek is gefascineerd door spionnen, maar de waarde van hun inlichtingen is beperkt, schrijft Simon Kuper. ‘Ze zijn vaak het meest van nut als ze in de openbaarheid treden.’
Ik heb net een boek geschreven waarvoor ik me moest begeven in de wereld van de Russisch-Britse dubbelspionnen ten tijde van de Koude Oorlog. Ik zag hoe deze mensen van het ene land naar het andere wipten, de schrik waren van elke Britse premier en vermoord werden – als het Russen waren. (Britse verraders brachten het er meestal levend vanaf, vooral als ze uit de hogere kringen kwamen.)
Er is weinig veranderd. De Russische dubbelagent Sergej Skripal en zijn dochter Joelia belandden onlangs in kritieke toestand in het ziekenhuis van Salisbury, nadat ze waren aangevallen met een zenuwgas uit de Sovjettijd. Voormalig geheime politieman Vladimir Poetin herschept zijn eigen achtergrond: de wereld van de Koude-Oorlogsspionage. Poetin kan ons manipuleren omdat hij weet dat het bij spionage niet om de geheimen gaat. Het gaat om de reactie van publiek, media en politici, telkens als er weer een spion wordt ontmaskerd.
Voor twee landen die weinig met elkaar te maken hadden voordat rijke Russen het centrum van Londen koloniseerden, hebben Rusland en Groot-Brittannië opmerkelijk lang aan uitgebreide wederzijdse spionage gedaan. Maar het grootste deel daarvan leidde nergens toe. Britse dubbelagenten als Kim Philby en Guy Burgess hebben zich er vaak over beklaagd dat de Sovjets hun inlichtingen negeerden. Veel van de Britse documenten die Philby aan de KGB leverde, werden niet eens in het Russisch vertaald.
Paranoia
Een van de oorzaken was paranoia. Een verrader kun je wel rekruteren, maar nooit vertrouwen. De KGB verdacht een gouden dubbelagent als Philby er altijd van dat hij een Britse mol was. En zelfs als de Sovjets wel in bepaalde informatie geloofden, raakte die nogal eens kwijt. Soms waren de koffers vol Britse geheimen gewoon te veel van het goede. Soms raakte informatie versnipperd of verdraaid op zijn weg door de KGB-hiërarchie. En stonden de inlichtingen de baas niet aan, dan gingen ze meestal alsnog de prullenmand in.
Dat werd de Russen noodlottig toen Richard Sorge, een Russische agent in Tokio, herhaaldelijk het Kremlin waarschuwde voor een Duitse inval in de USSR. Op 15 mei voorspelde hij dat de invasie op 22 of 23 juni zou plaatsvinden. Maar Sorges inlichtingen wekten het misnoegen van de baas: Stalin beschouwde Duitsland toen nog als een bondgenoot. (Er werd gezegd dat Hitler de enige persoon was die hij vertrouwde.) Stalin zette Sorge weg als ‘een eikel die zichzelf een mooi leventje heeft bezorgd met wat fabriekjes en bordelen in Japan’. De Duitse invasie op 22 juni kwam voor de USSR als een volslagen verrassing.
Ook Chroesjtsjov en Brezjnev stonden vaak sceptisch tegenover de informatie gespitst op bepaalde stukjes inlichtingen, schrijft de vroegere Britse ambassadeur in Moskou, Rodric Braithwaite, in zijn boek Armageddon and Paranoia. Braithwaite legt uit dat spionage nuttig is om bepaalde geheimen te vinden: zeg een scheikundige formule voor de atoombom. Maar het helpt zelden om de bredere intenties van de tegenstander te doorgronden. Zo voorzagen de spionnen van de Sovjets en die van het Westen in de jaren tachtig geen van beiden dat de andere kant bereid zou zijn om samen te werken aan het beëindigen van de Koude Oorlog.
Alles wat in raadselen is gehuld, vindt het publiek fascinerend
De meeste geheimen zijn trouwens gewoon ergens te vinden, bijvoorbeeld op een obscure technologiewebsite, of op bladzijde 437 van een wetenschappelijk boek dat niemand heeft gelezen. Kortom, ontdekkingen van spionnen hebben zelden invloed op regeringsbeleid. De wereld van de spionage is niet zozeer een schatkist, eerder een uitdragerij waarvan de eigenaar het overzicht over zijn voorraad is kwijtgeraakt. Spionnen, zegt spionageromanschrijver John le Carré, ‘leveren tweedehands inlichtingen die spannender zijn door de geheimzinnigheid waarmee ze zijn verkregen dan vanwege hun werkelijke waarde’.
Die spannende geheimzinnigheid is inderdaad het belangrijkst. Alles wat in raadselen is gehuld, vindt het publiek fascinerend. Daarom hebben spionnen het grootste effect wanneer ze opduiken uit hun duistere wereld. Elke keer als een Britse functionaris werd ontmaskerd als Russische spion – een bijna rituele gebeurtenis die zich tussen 1946 en 1963 geregeld voordeed – nam het vertrouwen van de Britten in hun samenleving verder af. Britse spionnen konden elkaar niet meer aankijken zonder te denken: Ben jij misschien een KGB-agent?
De angst binnen de Britse inlichtingenwereld draaide uit op een paranoïde ‘mollenjacht’ door ‘spionnenvanger’ Peter Wright, die de inlichtingendiensten in de jaren zestig en zeventig bijna verscheurde. Het werd een obsessie voor Wright om gerenommeerde Britse politici te ontmaskeren als Sovjetagenten. En zo veroorzaakten verraders als Philby een paranoïde verlamming binnen de Britse staat – niet door al die uren geheimen doorspelen aan contactpersonen in Londense bussen, maar door iets wat juist niet hun bedoeling was: hun ontmaskering.
Evengoed is het Kremlin door het hacken van de saaie e-mails van de Amerikaanse Democratische Partij in 2016 waarschijnlijk ook niet meer over de VS te weten gekomen dan het al wist. Die hack was alleen belangrijk omdat de Russen (via Wikileaks) het materiaal openbaar maakten. De Amerikaanse media deden de rest. Rusland was van het aloude verzamelen van geheimen overgestapt op de informatieoorlog. Al dat lekken van verhalen heeft de presidentsverkiezingen duidelijk beïnvloed. Vervolgens zorgde de onthulling van de Russische rol (tegen de Russische wens in) ervoor dat de Amerikanen nog verder gepolariseerd raakten.
Ook nu weer is de aanval op de afgedankte, onbeduidende dubbelagent Skripal voornamelijk een publiek statement. Rusland zegt tegen de Britten: wij kunnen in jullie land straffeloos moorden. En het zegt tegen machtige Russen in Groot-Brittannië: wij kunnen jou vermoorden. Omdat spionnen fascinerend zijn voor het publiek, komt de boodschap aan. (Eerdere mysterieuze sterfgevallen van Russische niet-spionnen in Groot-Brittannië hebben nauwelijks stof doen opwaaien.) De Russen gaan steeds bewuster paranoia zaaien. Net als veel andere Russische activiteiten in het buitenland verandert ook de Russische spionage in een pr-machine. Tegenwoordig is het de bedoeling dat Russische spionnen zichtbaar zijn.
Voor Liana Aghajanian vormden de in goudfolie verpakte chocoladebolletjes in de jaren tachtig en negentig hét symbool van het goede leven in de VS. Dit gevoel bleek universeel onder immigranten.
Voor mij en vele andere immigranten is leven in Amerika nauw verbonden met Ferrero Rocher. Ik kwam aan het einde van de jaren tachtig met mijn ouders vanuit het Midden-Oosten naar de Verenigde Staten. We waren Iraans-Armeense vluchtelingen die na de oorlog tussen Irak en Iran een nieuw bestaan probeerden op te bouwen. Zoals zoveel andere immigrantengezinnen omarmden we onwennig onze nieuwe, vreemde Amerikaanse identiteit terwijl we ons vastklampten aan de oude, die ons duizenden jaren lang van een bestaan had verzekerd.
Naast de Amerikaanse dollar en de Iraanse toman was Ferrero Rocher het derde wettige betaalmiddel dat voor mij heilig en reëel was. De in goudfolie verpakte zoete lekkernij was een glanzend bolletje waarin tussen laagjes chocoladevulling en stukjes hazelnoot de pijn, de vreugde en de dromen van immigranten schuilgingen. Het was een verholen handdruk, een teken van respect en goede smaak. Het was een symbool van het ‘goede leven’, iets wat als geen andere eetwaar stond voor sociaaleconomische aspiraties.
De meeste Amerikanen kennen Ferrero Rocher tegenwoordig van Nutella, maar lang voordat die hazelnootcrème als ingrediënt in bijna elk recept voor een hip dessert voorkwam, was de uitwisseling van een doosje Ferrero Rocher (met 48 stuks erin als je geluk had) een geheime, universele taal onder immigranten uit de jaren tachtig en negentig. Die was in zwang in de o zo gastvrije cultuur van je familie: je ging nooit zonder lege handen bij iemand langs, zelfs al waren het onbekenden. En nam je Ferrero Rocher mee, dan wisten je gastheren zeker dat ze met jou op goud gestuit waren. Ook stond de lekkernij steevast op tafel bij immigranten thuis, waar ze werd gepresenteerd ter ere van de gasten.
Bij schrijfster Tasbeeh Herwees en haar Libisch-Amerikaanse familie hadden ze dankzij haar moeder altijd Ferrero Rocher in huis, maar was het een soort verboden vrucht die was voorbehouden aan bezoekers. ‘Het was het soort chocola dat ze altijd ergens verstopte,’ zegt ze. ‘Ze werd hels als we aan haar voorraad Ferrero Rocher kwamen.’ Herwees groeide in het Californische Culver City op in een appartementencomplex waar alleen maar Libisch-Amerikaanse gezinnen woonden, allemaal met een schaaltje Ferrero Rocher op tafel voor de gasten. Ze associeerde het chocoladesnoepje met de Libische cultuur, want ze hadden het alleen bij haar thuis, op Libisch-Amerikaanse bruiloften en in Libië zelf. ‘Ik had een tante die altijd een Ferrero Rocher tevoorschijn toverde wanneer ik bij haar langsging. Ik kon ervan op aan dat ze ze in huis had,’ zegt ze. ‘Daardoor werd ze een van mijn favoriete tantes. Voor mij had het iets decadents. Zelfs wanneer ik er nu een eet, heeft het nog iets speciaals.’
De hevige emotionele reactie die dit ene chocolaatje bij immigrantengezinnen opriep was universeel. Hun leven was doortrokken van oorlog, geweld, politieke onrust en sociaaleconomische ongelijkheid. Terwijl hun wereld veranderde, was Ferrero Rocher een constante factor, een toegankelijke brug tussen heden en verleden. Inmiddels is het een nostalgische herinnering aan wat het voor immigrantenkinderen zoals ik betekende om in Amerika op te groeien.
Ook al zit er goudfolie om het snoepje, de maker was van eenvoudige komaf. (Niettemin bleek het vermogen van de erfgenamen van het Ferrero-Rocher-imperium uiteindelijk meer dan 20 miljard dollar waard.) Toen aartsvader Pietro Ferrero tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn banketbakkerszaak dreef, waren ingrediënten als chocola schaars. Vandaar dat hij ter compensatie hazelnoten toevoegde. Het smeersel dat hij uitvond heette eerst SuperCrema voordat het begin jaren zestig werd omgedoopt tot Nutella, een combinatie van het woord voor ‘noot’ en het Italiaanse achtervoegsel waarmee iets zoets wordt aangeduid, ella.
Ferrero Rocher kwam in 1982 in Europa op de markt. Een variant met kokosnoot en amandel, Raffaello, volgde acht jaar later. Pietro’s zoon Michele, die de eer toekomt dat hij het buitenste chocoladelaagje toevoegde, was een vrome katholiek die elk jaar een pelgrimage naar het Franse heiligdom Lourdes ondernam. Toen hij op Valentijnsdag 2015 op negentachtigjarige leeftijd overleed, werd bekend dat zijn inspiratie voor Ferrero Rocher de Roc de Massabielle was geweest, een bolvormige grot in Lourdes waar de maagd Maria zou zijn verschenen aan de heilige Bernadette, een veertienjarige boerenmeisje dat hout aan het sprokkelen was.
Het is dus niet zo vreemd dat het eten van een Ferrero Rocher een welhaast religieuze ervaring is. Onder de chocola en de stukjes hazelnoot zit een dun, krokant korstje, met daar weer onder een klodder romige, Nutella-achtige chocola. In het midden bevindt zich één hele hazelnoot, als het beeld van de Notre Dame van Lourdes in de grot waar Maria aan Bernadette verscheen.
Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep
Maar hoe kon een religieus geïnspireerd Italiaans snoepje zo geliefd worden onder Amerikaanse immigranten? Zoals zo vaak heeft het antwoord alles te maken met marketing. Terwijl andere fabrikanten van chocoladesnoepjes, bijvoorbeeld Godiva, zich in luxueuze winkelcentra positioneerden, was Ferrero Rocher overal te vinden in etnische supermarkten die het snoepje importeerden, en uiteindelijk ook in goedkope Amerikaanse drogistenketens als CVS en Rite Aid. Het had meer glans en was duurder dan Whitman’s en Russell Stover en het had dat exotische vleugje Europese verfijning, waardoor het op slag een betaalbaar luxeartikel werd. ‘Het lekkerste chocolaatje ooit!’ aldus Amerikaanse advertenties voor Ferrero Rocher, en we konden er geen genoeg van krijgen. Het werkte. Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep.
In een poging de internationale chocolademarkt te domineren bouwde Ferrero Rocher fabrieken en productiecentra in Oost-Europa, Azië, het Midden-Oosten en Afrika. De lekkernij drong door tot het onderbewustzijn van Roemenen, Indiërs, Armeniërs, Libanezen, Chinezen, Nigerianen en vele anderen die zich door de aura van het geïmporteerde luxeartikel aangesproken voelden. In Hongkong, waar het chocolaatje bekendstaat als ‘goudzand’, vertegenwoordigde het van meet af aan een bepaalde sociale status. Zakenlieden uit Hongkong brachten het als geschenk mee naar het vasteland van China, vooral met Chinees Nieuwjaar. ‘De Hongkongse cadeautraditie en -gebruiken werden gretig overgenomen, vooral door de 80 miljoen Chinezen in Guangdong, en zo ontstond de band tussen Ferrero Rocher en de Chinese geschenktraditie,’ schreef Lawrence L. Allen in Chocolate Fortunes: The Battle for the Hearts, Minds, and Wallets of China’s Consumers. Chinese handelsbeperkingen hielden Ferrero Rocher eerst nog buiten de deur. Toen het snoepgoed in 2007 ten slotte toch voet aan de grond kreeg, waren er al nepversies in omloop. Een populaire was volgens Allen Fretate Relish, een andere Tressore Dore, dat in 2008 gedwongen werd de productie te staken en het Italiaanse bedrijf een schadevergoeding van 43.000 dollar moest betalen.
Alice Chung, van wie de ouders vlak voor haar geboorte in 1984 vanuit Hongkong naar de VS emigreerden, herinnert zich het in ‘goud verpakte chocolaatje’ als een essentieel onderdeel van haar kindertijd. Ze weet nog dat haar ouders grote partijen bij Costco en Price Club insloegen. Niet alleen hadden ze altijd Ferrero Rochers in huis – en verstopten ze die zelfs omdat ze zo gewild waren –, ze namen ze ook in hun koffer mee naar China, tot groot genoegen van hun familie. ‘De verpakking is simpel, maar feit is dat we op goud belust zijn,’ zegt ze. ‘Het staat voor de voorspoed en de rijkdom die we anderen toewensen.’
De liefde voor Ferrero Rocher is zo groot dat het snoepje zelfs als smeergeld wordt gebruikt. Een Ferrero-Rocher-liefhebber die halverwege de jaren negentig in Oekraïne woonde en anoniem wenst te blijven, vertelde dat hij als tolk uitstapjes en vervoer begon te regelen voor wie steden als Kiev en Charkov wilde bezoeken. Toen hij een keer op zeer korte termijn een verzoek voor zo’n reisje kreeg, waar speciale reserveringen voor nodig waren die niet alleen duurder bleken, maar ook uitsluitend weggelegd voor de hogere kringen, verzon hij een list. ‘Ik wilde best meer betalen, maar nam ook een bos bloemen of een doosje Rafaello’s of Ferrero’s mee naar het reisbureau, want die waren in Oekraïne helemaal je van het. De medewerkers waren diep onder de indruk,’ zegt hij. ‘De meesten zijn vrouwen die vaak overwerken zonder daarvoor betaald te krijgen, want de economie van Oekraïne is een zootje. Chocolaatjes en wat extra geld was beter dan extra geld zonder chocolaatjes. Het heeft diverse malen gewerkt.’
Nutella zit tegenwoordig in elk hip dessert.
Of we nu wel of geen Ferrero Rochers kregen of weggaven, ik vond altijd wel een manier om er een te jatten van een tafel vol zelfgebakken taart, dadels, noten en overvloedige hoeveelheden van de stroperige koffie die overal in het Midden-Oosten wordt gedronken. Dan at ik hem heel langzaam op, een eindeloos proces, wat iemand mogelijk op het idee bracht dat ik ondervoed was. Ik at me door elk laagje van het gouden ei heen totdat ik bij de hazelnoot in het midden was aanbeland. Ik wilde dat het eeuwig duurde, maar dat is nooit gebeurd. Als ik geen geduld had, slokte ik hem in één hap op, wat evenveel voldoening gaf. Daarna pulkte ik de stickertjes met ‘Ferrero Rocher’ in gouden letters van het doosje en plakte ze op mijn kleren, als een naambadge.
De aantrekkingskracht was alleen niet zo universeel als ik dacht, en waarschijnlijk geeft niets de minachting voor Ferrero Rocher beter weer dan de uitzinnige reactie op de beruchte reclame die bekendstaat als ‘het ambassadeursfeestje’ en die in 1993 voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk werd vertoond. Hij vervulde het klassenbewuste Britse publiek, dat zich lang voor de Brexit al niet erg Europees voelde, met afschuw. De commercial, met beroerde nasynchronisatie en de gezwollen achtergrondmuziek van een Italiaanse soap, speelt zich af op de receptie in een anonieme Europese ambassadeursresidentie. Een plichtgetrouwe butler loopt door de zaal met een berg Ferrero Rochers op een dienblad en palmt de zwijmelende internationale gasten in, onder wie een Française: ‘Monsieur, wiz zis Rocher you are really spoiling us!’
Met één iconisch zinnetje werden het chocolaatje én de merkpositionering op verrukkelijke wijze belachelijk gemaakt en voor eeuwig opgestoten in de Britse popcultuur. Achttien jaar geleden sprak William Cook in een artikel over de commercial in de New Statesman van de ‘eeuwige spagaat tussen de mythe van het ambassadeleven en de realiteit van de winkel op de hoek’. De boodschap van hang naar luxe en goede smaak was in de ogen van sommigen juist smakeloos. ‘Britse kijkers maken zich vaak vrolijk óver buitenlanders, niet mét buitenlanders,’ schreef Cook.
Kapitalistisch spel
Tientallen jaren later is de reclame-die-zo-slecht-was-dat-hij-weer-goed-werd en die compleet over the top is grappiger dan ooit. Maar juist die spanning tussen mythe en werkelijkheid sprak immigranten zo aan: wat fantastisch dat je je een luxeartikel kon permitteren met daaraan de herinnering dat je het al je hele leven met je familie deelde. Misschien was het gewoon niet te bevatten voor mensen die nooit door een verhuizing waren gedwongen hun in de loop van generaties gevormde welvaart en cultuur vaarwel te zeggen.
Ferrero Rocher speelde in op die relatie, bijvoorbeeld door het product in verband te brengen met het hindoeïstische lichtjesfeest Divali. ‘Waarom hebben we het zo speciaal gemaakt?’ zegt de voice-over van een in India uitgezonden commercial. ‘Omdat we weten hoe speciaal het is om met Divali bij je dierbaren te zijn.’ Het was een geniale zet in het wereldwijde kapitalistische spel, precies wat mijn familie nodig had toen we destijds de enorme veranderingen in ons leven doormaakten die ons thuisgevoel langzaam uitholden.
Tegenwoordig is de Ferrero Group niet alleen doorgedrongen tot de Amerikaanse markt, hij neemt die ook over. Eerder dit jaar kocht het bedrijf voedingsconcern Nestlé voor een slordige 2,8 miljard dollar nadat het eerder al Fannie May Confections voor 115 miljoen dollar had overgenomen, evenals gomproducent Ferrara Candy Company. Het afgelopen jaar noteerde de Ferrero Group volgens het vakblad voor de snoepindustrie Confectionary News een wereldwijde omzet van 12,96 miljard dollar. In de VS is Ferrero Rocher volgens marketingdirecteur Shalini Stansberry van Ferrero Premium Chocolates USA het op drie na grootste chocolademerk.
In een tijd vol jarennegentignostalgie en met een hevig Amerikaans immigratiedebat speelt Ferrero Rocher nog net zo’n grote rol in mijn leven als toen ik opgroeide. Ik koop de chocolaatjes nog altijd en neem ze nog steeds mee wanneer ik bij iemand op bezoek ga, zoals mijn ouders dat deden. Ik mag graag denken dat de Amerikaanse immigrantenbevolking Ferrero Rocher aan zijn succes in dat land heeft geholpen, zoals het ons ook ooit van dienst is geweest.
Liana Aghajanian is een Armeens-Amerikaanse journalist. Ze is gespecialiseerd in narratieve journalistiek en internationale verslaggeving. Aghajanian werd geboren in Iran, en groeide op in Los Angeles.
Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, hebben de daders zo veel mogelijk publieke belangstelling nodig. Daar komen wij journalisten in beeld, wij boodschappers van de terreur laten ons ge- en misbruiken voor propaganda van terroristen.
Moeten we dan zwijgen? Nee, zegt Bastian Berbner van Die Zeit, we moeten afstompen. De belangstelling voor de aanslagen moet afnemen.
Bewogenheid is eindig. Na de aanslag op het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo kwamen voor een protestwake bij de Brandenburger Tor bijna twintigduizend mensen bijeen, die als solidariteitsbetuiging met de slachtoffers de Marseillaise zongen en T-shirts droegen met de tekst ‘Je suis Charlie’.
Tien maanden later, toen terroristen opnieuw toesloegen in Parijs, kwamen er niet eens meer tweeduizend mensen naar de Brandenburger Tor. Wel keken er bijna tien miljoen mensen naar Brennpunkt [een soort extra journaal met achtergrondinformatie over bijzondere gebeurtenissen] op Das Erste.
Enkele maanden later voerden terroristen aanslagen uit in Brussel en vervolgens in Londen, maar naar Brennpunkt keken in beide gevallen nog maar zes miljoen mensen en naar de Brandenburger Tor kwam vrijwel niemand meer.
Nu, na Barcelona, trok Brennpunkt nog maar iets meer dan vier miljoen kijkers. Protestwaken werden niet meer gehouden.
Er zijn ook zo veel aanslagen geweest de afgelopen twee jaar. Hannover, Essen, Würzburg, Ansbach, Berlijn, Hamburg, Kopenhagen, Londen, Nice, Brussel, Sint-Petersburg, Stockholm, Manchester, Londen, verscheidene keren Parijs, verscheidene keren Istanboel en dat zijn ze nog niet eens allemaal.
Ergens onderweg is ons medelijden bekoeld
We zien de beelden van de Ramblas in Barcelona, maar we kijken er inmiddels naar als naar een ongeluk op de snelweg. Een korte blik, een moment van ontzetting en daarna keren we terug naar onze emotionele comfortzone.
Vreselijk hoe we afstompen, hè?
Nee, niet vreselijk. Integendeel. Ik denk dat dat het beste is wat ons kan gebeuren.
Als het gaat om de vraag hoe de aanslagen te voorkomen zijn, dan wordt meestal gesproken over strengere wetgeving, extra politieagenten en nieuwe apparatuur voor gezichtsherkenning. Hoewel iedereen weet dat niet alle aanslagplegers zich daardoor laten tegenhouden.
Er is echter een veel effectiever middel voor terreurbestrijding. Een middel dat het terrorisme als geheel attaqueert en niet de individuele terroristen, het hart van de hydra en niet de vele koppen ervan.
Je kunt het afstomping noemen. Ik zou het positiever formuleren: gerichte desinteresse.
Dat klinkt in eerste instantie misschien cynisch, vooral voor de slachtoffers van terreuraanslagen en hun naaste verwanten. Maar je moet je realiseren hoe terrorisme functioneert – en afgelopen december in herinnering roepen.
Anis Amri reed toen met een vrachtwagen in op de kerstmarkt op de Breitscheidplatz in Berlijn. Hij verpletterde kraampjes, reed mensen omver en wist aan politie en veiligheidsdienst te ontkomen. Evengoed wisten ze precies naar wie ze moesten zoeken. Op zijn vlucht bracht Amri een groet voor een bewakingscamera. En hij was zo vriendelijk om zijn paspoort in de vrachtwagen achter te laten.
De aanslagpleger in Nice, die 86 mensen overreed, liet op zijn beurt zijn rijbewijs in de vrachtwagen liggen en in de vluchtauto van de aanslagplegers bij Charlie Hebdo vond de politie eveneens een paspoort.
Terroristen die op de vlucht zijn en in plaats van hun identificatie te bemoeilijken hun paspoort laten zien?
Natuurlijk is dat geen onachtzaamheid, geen fout die ze telkens weer begaan. De terroristen doen dat voor mensen zoals ik, voor ons journalisten. Net zoals ze videoboodschappen online zetten of beelden van de daad op Facebook plaatsen. Ze willen dat wij artikelen over hen schrijven, dat wij hun naam in zo groot mogelijke letters op de voorpagina afdrukken en een foto van hen erbij zetten. Ze willen dat het hele land over hen hoort, het liefst de hele wereld.
Symbolisch en willekeurig
Een misdaad wordt namelijk pas een terroristische daad door de publieke belangstelling. Een gewone moord en een die terreur moet zaaien lijken in wezen heel sterk op elkaar: de ene mens vermoordt een ander. Het verschil is het motief. Moorden, bijvoorbeeld uit begeerte of jaloezie, zijn gericht op heel specifieke personen, want anders hebben ze geen zin. De dader hoopt dat zijn daad zo min mogelijk mensen ter ore komt, het liefst niemand. Hoe geheimer, hoe beter.
Bij een moord die een terreuraanslag moet worden, is het precies andersom. De slachtoffers zijn symbolisch en vaak willekeurig gekozen. Het kan iedereen overkomen, feestgangers, voetbalsupporters, tieners bij een popconcert. En de daad en de dader moeten bij zo veel mogelijk mensen bekend worden. Hoe openlijker, hoe beter.
Een paar jaar terug was er een aanslag die bijna ten onder ging in het tumult rond de grote aanslagen in Brussel, Parijs en Berlijn, maar waarin zich de essentie van het terrorisme weerspiegelde. Een paar weken geleden ben ik naar de plaats van die aanslag gereden, naar Saint-Étienne-du-Rouvray, een dorp in de buurt van de Noord-Franse stad Rouen.
Ik liep het uit forse steenblokken opgetrokken kerkje in, waar over een paar minuten de mis zou beginnen. Links voorin zat een man met gebogen rug, grijs haar en een grijze jas. Ik kende hem van televisie, had op internet foto’s van hem gezien en in Franse kranten over hem gelezen.
Guy Coponet is 88 jaar oud. Na de dienst sprak ik hem aan en hij vertelde me wat er op deze plek was gebeurd.
Die dag, 26 juli 2016, was er vrijwel niemand naar de dienst gekomen: alleen Coponet, zijn vrouw en drie nonnen. Maar Coponet verheugde zich erop, want zijn beste vriend, priester Jacques Hamel, stond voorin bij het altaar. Met zijn 85 jaar was Hamel allang met pensioen, maar soms viel hij nog in.
Vlak voor het eind van de dienst vliegt de deur van de sacristie open en stormen twee in het zwart geklede mannen naar binnen. Ze hebben een mes in hun hand en schreeuwen ‘Allahoe akbar’. Een van de twee stort zich op de priester, die voordat de messteken hem treffen nog roept: ‘Ga weg, Satan!’ Vervolgens zakt Hamel ineen op het altaar en sterft.
De aanslagplegers hebben een mens om het leven gebracht, maar tot nog toe zijn daarvan slechts vijf mensen getuige geweest: het echtpaar Coponet en de drie nonnen. Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, moet de daad zich onderscheiden van de dertien andere moorden die er gemiddeld per dag in Europa worden gepleegd, maar waarover je nauwelijks iets hoort.
Vijf mensen moeten er miljoenen worden. Een eerste stap hebben de twee mannen in het zwart al gezet, want ze hebben de moord voorzien van symboliek: een priester, een kerk. Maar dat is niet voldoende.
De man die Hamel heeft gedood, kijkt op van het lichaam, loopt naar Guy Coponet en drukt hem een smartphone in de hand; de camerafunctie is al gestart. Hij zegt: ‘Jij gaat filmen, opa!’ Guy Coponet richt de lens op het altaar en legt vast hoe de man boven het lichaam poseert.
Een jihadist met een bebloed mes boven een dode priester op het altaar van een christelijke kerk in Europa – de islamisten kennen de kracht van deze beelden. Dat geldt ook voor Coponet. ‘Dit gaan ze op internet zetten, dacht ik, maar ik heb toch gefilmd. Wat had ik moeten doen?’
Na een paar seconden komt de aanslagpleger terug en bekijkt de kwaliteit van de beelden. Hij zegt: ‘Bijna zonder trillen, opa!’ Dan steekt hij toe. Drie keer. In de arm, in de rug, in de nek. Coponet zakt bloedend op de vloer. Hij houdt zich dood en bidt.
Dan richten de aanslagplegers zich op de vrouwen, die in shock tussen de kerkbanken staan. ‘Nu zijn wij aan de beurt, dachten we,’ herinnert zuster Huguette zich, een tengere vrouw van tachtig jaar. Maar de aanslagplegers beginnen te praten. Huguette zegt: ‘Een van hen droeg ons op: “Als jullie later op televisie komen, dan moeten jullie zeggen dat elke aanslag in Syrië wordt gevolgd door een aanslag in Frankrijk.” Toen wisten we dat we het er levend af zouden brengen.’
Terrorisme is communicatie. Aanslagplegers willen een boodschap overbrengen. Niet zozeer aan hun directe slachtoffers, de drie nonnen of Guy Coponet en zijn vrouw, niet zozeer aan de mensen op de Breitscheidplatz en de concertbezoekers in de Bataclan, als wel aan alle anderen.
In de nuchtere taal van de terrorismeonderzoekers worden de mensen voor wie deze boodschap is bedoeld de ‘geïnteresseerde derden’ genoemd. Bij veruit de meesten van ons, laten we zeggen 99 procent, neemt die interesse de vorm aan van angst, schrik en soms ook wraaklust. Als we de huilende zuster Huguette op televisie zien, als we horen hoe ze vertelt over het martelaarschap van de priester schudden we vol afgrijzen ons hoofd, houden we misschien wel geschokt een hand voor onze mond en betrappen we ons mogelijk op de gedachte: Dat moeten we die monsters betaald zetten!
Dat is het moment waarop een misdaad terreur wordt.
Misschien zullen we ons de volgende ochtend in de metro afvragen: Is die man met die baard iets van plan? Misschien gaan we een tijdje niet meer naar de kerk, omdat we bang zijn dat ons hetzelfde overkomt als Guy Coponet. Barcelona moet mooi zijn, maar is een andere reisbestemming niet veiliger? Moet je echt elk jaar naar een kerstmarkt?
De gedachte volstaat. We waren niet aanwezig bij de aanslagen, we hebben niet gezien hoe Jacques Hamel in elkaar zakte, we hebben niet gehoord hoe het hout van de kerstkraampjes op de Breitscheidplatz versplinterde. Toch heeft de angst ons bekropen. We zijn geterroriseerd.
En het is mijn schuld.
Niet alleen die van mij natuurlijk, maar van ons journalisten, van mij en al mijn collega’s die over terrorisme berichten.
De meeste mensen vernemen het nieuws van een aanslag via een pushbericht op hun smartphone, via de Tagesschau, van een stem uit de autoradio of door een blik in de krant. Maar ook wanneer politici zich erover uitlaten, wanneer bijvoorbeeld Angela Merkel een aanslag ‘ten scherpste veroordeelt’ of de minister van Buitenlandse Zaken zijn medeleven betuigt, zijn het journalisten die deze stemmen met hun camera’s en microfoons de huiskamer in brengen.
Boodschappers van de terreur
Het is pijnlijk om toe te geven, maar wij journalisten zijn de boodschappers van de terreur, via ons worden vijf bang gemaakte mensen miljoenen bang gemaakte, woedende, om wraak schreeuwende mensen, verspreid over de hele wereld. De Tagesschau berichtte over Hamel, net als CNN. Natuurlijk kan ik nu het beroemde zinnetje ‘Don’t shoot the messenger’ aanhalen, wat zo veel betekent als: de boodschapper heeft geen schuld aan de boodschap die hij overbrengt. Alleen in dit geval klopt dat niet.
De hele handelwijze van de terroristen is gericht op verspreiding via de media. Ze willen ons journalisten ertoe bewegen zo veel, zo lang en zo sensationeel mogelijk te berichten. Daarom kiezen ze symbolische doelwitten. Daarom dwingen ze Guy Coponet om te filmen. Daarom laten ze de vrouwen leven. Wat is er schokkender dan huilende nonnen op televisie? De aanslagplegers van Rouen is één dode meer waard dan zes doden.
Al in de jaren vijftig dacht een Algerijnse revolutionair er hardop over na wat beter zou zijn: tien vijanden doden in een afgelegen oord waarvan niemand getuige is, of één in Algiers, zodat mensen in verre landen en belangrijke politici er de volgende dag van horen. Hiermee formuleerde hij het leidmotief van het huidige terrorisme.
De terroristen maken gebruik van ons journalisten. En wij laten ons gebruiken, steeds opnieuw.
Terroristisch geweld is er altijd geweest, maar pas in de moderne tijd werd het een machtig fenomeen. Volgens historica Carola Dietze uit Braunschweig verspreidde het zich in de loop van de negentiende eeuw in eerste instantie ‘waar de transport- en de communicatietechnologie bijzonder vergevorderd waren en het politiek geïnteresseerde publiek zich zeer sterk had gemanifesteerd’.
Dus: vooral in Europa.
In 1858 gooide de revolutionair Felice Orsini in Parijs een bom naar de auto van de Franse keizer Napoleon III, in de hoop daarmee een volksopstand te ontketenen.
In 1881 vermoordden anarchisten de Russische tsaar Alexander II toen hij in zijn koets door Sint-Petersburg reed.
In 1914 schoot een Servische nationalist in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand dood en gaf daarmee indirect de aanzet tot de Eerste Wereldoorlog.
Alle drie de daden waren politieke moorden zoals die al millennialang werden gepleegd, maar met één verschil. De aanslagen vonden niet in het geniep plaats, maar in het openbaar, midden in Europese metropolen. Er waren honderden getuigen en via de kranten en telegrafen verspreidde het vreselijke nieuws zich binnen een paar dagen over het hele continent.
Opeens hadden kleine terreurgroepen, zelfs individuen, een middel gevonden om met een geringe inspanning het wereldgebeuren te beïnvloeden. De publiciteit: het was een wapen geworden. Benut, naargelang de historische context, door fascistische, antikoloniale, nationalistische of communistische strijders.
Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.
Terroristen werden propagandisten van de daad, maar ook van het woord. Ulrike Meinhof, een van de leiders van de RAF, was journaliste. In juni 1970, nog voor de eerste terreuraanslagen van de groep, publiceerde Der Spiegel ongeredigeerde stukken uit een RAF-pamflet dat Meinhof had geschreven. Jaren later, in september 1977, zagen Duitsers die de televisie aanzetten een uitgeputte werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, die in doodsangst voorlas uit de Stuttgarter Zeitung. De RAF had hem ontvoerd. De groep maakte het Duitse publiek tot getuige van deze schandelijke vertoning en zette daarmee de Bondsregering onder druk.
De geschiedenis van de media en die van de terreur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op elke mediatechnische doorbraak volgt een nieuwe vorm van terrorisme.
Toen er voor het eerst live verslag van de Olympische Zomerspelen werd gedaan op televisie, in 1972 in München, vielen Palestijnen het Israëlische team aan. De beelden gingen de hele wereld over, niemand praatte meer over sport, iedereen had het over het Midden-Oosten.
Toen halverwege de jaren negentig televisiezender Al-Jazeera was opgericht, stuurde Osama bin Laden zijn koeriers met boodschappen naar de redactie van het station. En zoals Der Spiegel Meinhofs woorden had afgedrukt, zo verspreidde Al-Jazeera het gedachtegoed van Bin Laden.
Maar op een gegeven moment verminderde de belangstelling van de zender voor de lange teksten, waarop Bin Laden van strategie veranderde. Hij liet zijn strijders spectaculaire aanslagen uitvoeren, bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, een aanval op een Amerikaans oorlogsschip en uiteindelijk, in september 2001, de succesvolste terreuraanslag uit de geschiedenis, die zo perfect was geënsceneerd dat geen redactie ter wereld een keus had. Nog vrijwel dagelijks worden de beelden wel ergens op televisie vertoond en met elke keer dat iemand de vliegtuigen de torens in ziet vliegen, doen de islamisten hun voordeel.
De vorm van terrorisme die de islamisten bedrijven is de tot nog toe totalitairste. De RAF viel vertegenwoordigers van de politieke en economische elite aan, Bin Laden richtte zijn pijlen op iedereen die zich niet kon vinden in zijn radicale interpretatie van de islam. Niemand mocht zich veilig voelen, iedereen moest bang zijn.
De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online
Dan vindt er een beslissende ontwikkeling plaats. Meer dan honderd jaar lang hadden de terroristen de journalistieke filters moeten trotseren om het publiek te bereiken. Ze waren aangewezen op de berichtgeving in kranten en op de radio. Met de uitbreiding van internet komt daar verandering in.
De eerste terreurgroep die dat systematisch benut, is de Iraakse tak van Al-Qaida. Wanneer hun leider, Abu Musab al-Zarqawi, in mei 2004 de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg onthoofdt, wordt de video daarvan binnen 24 uur een half miljoen keer gedownload. De terroristen hebben een rechtstreekse manier gevonden om de schokkendste beelden in de hoofden van mensen over de hele wereld te prenten.
Niet veel later komen er camera’s op de markt die niet groter zijn dan een luciferdoosje.
Aanvankelijk filmen beoefenaars van extreme sporten daarmee hun spectaculaire skiafdalingen of skateboardsprongen, maar dan bevestigt de kruimelcrimineel Mohammed Merah in maart 2012 zo’n camera op zijn borst in de Zuid-Franse stad Toulouse. Hij filmt hoe hij in een joodse school een rabbi en drie kinderen doodschiet. Wanneer een speciale eenheid twee dagen later zijn woning omsingelt, is hij nog op zijn laptop bezig om de beelden te monteren.
Even na middernacht weet Merah op een op andere manier het politiekordon te doorbreken. Hij zou kunnen vluchten, maar in plaats daarvan loopt hij naar de brievenbus om de USB-stick met de 24 minuten durende film naar het Parijse kantoor van Al-Jazeera te sturen. Daarna gaat hij terug naar zijn woning. Korte tijd later wordt hij doodgeschoten.
Tegenwoordig stelt de zogenaamde Islamitische Staat zich niet meer tevreden met het simpelweg filmen van zijn opmars, aanvallen en executies. De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online.
En wij journalisten verspreiden ze verder. De collega’s van de televisieredacties kunnen immers niet even voor een reportage naar het kalifaat rijden. Ze gebruiken dus de films die IS zelf maakt, weliswaar met klein in een hoekje geschreven ‘propagandavideo’, maar dat verandert niets aan het feit dat we beelden zien die IS van zichzelf schetst. Beelden van onthoofdingen, weliswaar geblurd, maar de fantasie vult de gaten op. Video’s van strijders die glimlachend in de camera kijken en vertellen hoe fijn ze het vinden om ongelovigen met botte sabels de keel door te snijden.
Zo is IS in ons hoofd de belichaming van het kwaad geworden. Na de aanslag in Barcelona kopte The Times ‘Evil strikes again’. Het kwaad slaat weer toe. Niet een paar gesjeesde figuren, nee, het kwaad als zodanig, niet minder dan dat! Vreugdekreten bij de terroristen. Doel bereikt. Iedereen is bang.
De effecten van dit soort berichtgeving zijn uitstekend gedocumenteerd. In een Israëlisch onderzoek ontdekten wetenschappers dat mensen die gruwelijke details van aanslagen op televisie zien symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen.
Bij een ander wetenschappelijk onderzoek, eveneens uitgevoerd in Israël, deelde een psychologe meer dan tweehonderd mensen in twee groepen in. De ene groep liet ze nieuwsreportages over terrorisme zien, de andere overig politiek nieuws. De leden van de eerste groep vertoonden veel meer tekenen van angst.
Uit enquêtes blijkt dat de Amerikanen tegenwoordig banger zijn voor terreur dan voor hittegolven en auto-ongelukken, hoewel die twee laatste verantwoordelijk zijn voor een veelvoud van sterfgevallen.
Maar wat heeft IS eraan dat mensen in Europa of Amerika bang zijn?
Bang gemaakte maatschappijen gedragen zich als een in een hoek gedreven hond, die panisch om zich heen bijt. Dat geldt treurig genoeg in het bijzonder voor democratieën, want daar slaat de angst van de mensen algauw om in eisen aan de politiek. Om niet zwak over te komen moet die iets doen, en vaak is dat te veel.
Het beste voorbeeld is 11 september. In de eerste oktoberdagen van 2001 eiste volgens een enquête 92 procent van de Amerikanen een militaire reactie op de terreuraanslag. Wat volgde waren de oorlogen in Afghanistan en Irak. Een paar terroristen hadden de VS geprovoceerd, en als reactie werden complete landen aangevallen waarbij honderdduizenden mensen de dood vonden, grotendeels onschuldige slachtoffers van wie de families Amerika voortaan als vijand beschouwden. Hierna volgden Guantanamo, Abu Ghraib, het verraad aan de mensenrechten.
Veel gemakkelijker hadden de VS het de ronselaars van de terreur niet kunnen maken, want die kregen een hele reeks valide argumenten aangereikt.
Terroristen laven zich aan de escalatie. Ze provoceren, steken toe, vallen aan, tot ze een reactie krijgen. De RAF wilde met haar aanslagen de Duitse staat dwingen zijn vermeende nazigezicht te tonen. De islamisten willen de hele westerse wereld tot een grote slag bewegen. Ook de terroristen die nog nooit in Syrië of in Irak zijn geweest en in de kinderkamer of een achterafmoskee zijn geradicaliseerd, zien zichzelf als dappere soldaten in een heroïsche oorlog.
Die oorlog bestaat niet. De strijd tegen het terrorisme is in werkelijkheid een confrontatie met enkele radicale misdadigers. Als we het militaire vocabulaire overnemen, zoals de toenmalige Franse president François Hollande die het na de aanslagen in Parijs over een ‘oorlogsdaad’ had, of zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung die na Barcelona opnieuw repte van een ‘oorlog tegen het westen’, dan doen we hun een groot plezier. We verheffen hen tot iets wat ze niet zijn.
De vijf stappen van het terrorisme zijn dus: één, er wordt een aanslag gepleegd, twee, er wordt veel over bericht, drie, de berichtgeving leidt tot angst die op zijn beurt, vier, tot een overdreven reactie leidt en uiteindelijk, vijf, tot nieuw terrorisme.
Als journalist zou je kunnen tegenwerpen dat op stap twee, berichtgeving, niet per se stap drie, angst, hoeft te volgen. Dat het erop aankomt hoe we berichten. Ook ik heb dit argument vaak gebruikt in discussies, maar als ik eerlijk ben beschouw ik het inmiddels als een goed klinkende uitvlucht. Het stelt ons geweten gerust, maar in werkelijkheid klopt het niet. Hoe moet ik over terreuraanslagen berichten zonder angst te zaaien?
Schrijf ik over de dader – zoals de redactie van Bild die dezer dagen foto en naam van de vermoedelijke aanslagpleger in Barcelona publiceerde –, dan plaats ik hem op een voetstuk en maak ik de 99 procent bang (‘Stel dat er nog meer zijn zoals hij’).
Bericht ik over de slachtoffers – zoals dezer dagen RTL-verslaggevers die het verhaal vertelden van de zevenjarige Julian uit Australië die in Barcelona omkwam –, dan voed ik eveneens de angst (‘Stel dat het mijn kind zou zijn’) en bovendien het verlangen naar wraak.
Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden “Amri”, “Breitscheidplatz” en “kerstmarkt” roepen bepaalde beelden op
Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden ‘Amri’, ‘Breitscheidplatz’ en ‘kerstmarkt’ roepen bepaalde beelden op.
Er is daarom maar één oplossing: we zouden moeten voorkomen dat dit mechanisme überhaupt op gang komt. We zouden moeten stoppen met het berichten over terreuraanslagen.
Laten we het ons heel even proberen voor te stellen: geen pushberichten meer op onze smartphone, geen bericht in de Tagesschau, geen Brennpunkt daarna, geen politici die arm in arm voor fotografen poseren en statements van medeleven afgeven, en mochten ze dat wel willen dan ontbreekt een microfoon. De Brandenburger Tor zou niet meer in de kleuren van het getroffen land worden verlicht, de aanslagplegers zouden geen reden meer hebben om zich helden te voelen; ze zouden verschrompeld zijn tot wat ze eigenlijk zijn – criminelen. En wij zouden allemaal gewoon verder leven alsof er niets was gebeurd. We zouden zonder angst de metro in blijven stappen, naar Barcelona blijven vliegen en naar de kerstmarkt blijven gaan.
Een aanslag zou dan alleen rechtstreekse gevolgen hebben voor de familie van de slachtoffers, de ooggetuigen, het medisch personeel en enkele therapeuten – net als bij een auto-ongeluk. Dat kan altijd nog om honderden mensen gaan, maar in elk geval geen miljoenen meer. Na een kettingbotsing op de A8 zet niemand de Brandenburger Tor in de schijnwerpers. De angst zou zijn beteugeld. Onze maatschappij zou gezonder zijn.
Het Werther-effect
Dit gedachtespel is aangenaam en een kwelling tegelijk, vooral voor mij als journalist, want natuurlijk druist het in tegen hoe ik mijn beroep zie. Het is mijn taak om verslag te doen. Systematisch zwijgen zou een vorm van zelfopgelegde censuur zijn, die intern meteen aanleiding zou geven tot discussies over de persvrijheid.
Wat vaak wordt vergeten is dat er een situatie is waarin wij journalisten dit soort zelfcensuur allang bedrijven – het alleen anders noemen.
In 1974 kwam een Amerikaanse socioloog tot de ontdekking dat zich in de VS altijd buitengewoon veel mensen van het leven beroofden als vlak daarvoor een artikel over zelfmoord in The New York Times was verschenen. Hij noemde het fenomeen ‘het Werther-effect’, naar de gebeurtenissen rond de beroemde achttiende-eeuwse roman van Goethe, de waarschijnlijk gevaarlijkste bestseller uit de literatuurgeschiedenis. Destijds hadden veel lezers het voorbeeld van de vertwijfelde hoofdpersoon Werther gevolgd en zich een kogel door het hoofd gejaagd.
Deze bevindingen werden in ontelbare onderzoeken bevestigd: hoe meer er over een zelfmoord wordt geschreven, hoe groter het aantal navolgers. Daarom hebben journalisten in veel landen afgesproken om maar heel beperkt over zelfmoorden te berichten.
Toen bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden in Wenen halverwege de jaren tachtig steeg, gaf een Oostenrijks voorlichtingsbureau een brochure uit waarin stond dat journalisten zich moesten onthouden van ‘sensationele’ berichtgeving, in geen geval details van de daad of een foto moesten publiceren en bovendien het artikel van een telefoonnummer moesten voorzien waar mensen hulp konden krijgen. De Oostenrijkse journalisten hielden zich eraan, het aantal zelfmoorden daalde met een derde en bleef vervolgens laag.
Geen berichtgeving redt levens – bij het thema suïcide is dat voor ons journalisten voldoende reden om te zwijgen.
Vier weken geleden stond er een interessant artikel in het gerenommeerde Journal of Public Economics over een onderzoek van Michael Jetter, een Duitse econoom aan de University of Western Australia. Jetter heeft 61.132 aanslagen uit de periode 1970-2012 tegen het licht gehouden aan de hand van de vraag of de terroristen door berichtgeving in de media tot hun daden waren aangezet. De conclusie: steeds wanneer er in de media bijzonder veel aandacht was besteed aan een aanslag, kwam het in de daaropvolgende zeven dagen tot nieuwe aanslagen, waarbij gemiddeld drie mensen de dood vonden.
Jetter heeft daarmee het bewijs geleverd dat er ook bij terreuraanslagen een soort Werther-effect optreedt. Mediaberichtgeving brengt nieuw terrorisme voort. Anders gezegd: omdat wij verslag doen, sterven mensen. 99 procent van de geïnteresseerde derden mogen dan met angst en schrik reageren als ze op het avondjournaal de huilende non Huguette zien, maar er zijn ook mensen die in dezelfde situatie het tegenovergestelde voelen – enthousiasme. Als die mensen horen hoe de terroristen de priester doodstaken, hoe de aanslagplegers van Parijs bomvesten aandeden en zich bij het voetbalstadion opbliezen, dan zien ze dat als instructie. Die mensen zetten de televisie uit en gaan erop uit om te moorden.
Er zouden minder aanslagen en minder doden zijn als wij journalisten zwijgzamer waren.
De ochtend na de aanslag in Barcelona klikte ik door de nieuwssites op internet. Spiegel Online had de eerste zes artikelen aan de terreur gewijd, de online-edities van de Süddeutsche Zeitung en de Franfurter Allgemeine Zeitung eveneens, bij Die Zeit waren het de eerste vier, bij Bild ook, maar op de site van die laatste stonden ook nog een video en een galerij ‘De foto’s van de terreur’. Ik moest een heel stuk naar beneden scrollen alvorens iets te vinden over belastingen, de verkiezingsstrijd of de Bundesliga die die avond van start zou gaan.
Een paar uur later stak een man op het marktplein van de Finse stad Turku in op negen voorbijgangers, van wie twee overleden. Of hij werd geïnspireerd door de aanslag in Barcelona is nog onduidelijk, maar er zijn zeker tekenen die daarop wijzen.
Als terroristen mede worden aangespoord door onze reportages, waarom houden we er dan niet mee op? Waarom behandelen we zelfmoordterroristen als aanslagplegers en niet als zelfmoordenaars?
Nu zou je daar tegen in kunnen brengen dat een zelfmoordenaar alleen zichzelf doodt en een zelfmoordterrorist ook vele anderen. De aanslagpleger slaat toe in de openbare ruimte; hij valt onze maatschappij aan en de mensen hebben het recht om dat te weten. Kortom, terrorisme is te belangrijk om het te verzwijgen.
Ik heb dit altijd een valide argument gevonden, tot afgelopen zomer. Toen was ik een van de honderden journalisten die naar München reisden nadat een jongeman kort daarvoor negen mensen had doodgeschoten in het Olympia-Einkaufszentrum. Iedereen, ook ik, dacht: Daar is hij dan, de eerste grote terreuraanslag in Duitsland. De stad was in paniek, voor ons journalisten was het duidelijk dat dit onderwerp ons dagen en waarschijnlijk weken zou gaan bezighouden. Veel redacties stuurden de dag daarna nog versterking.
Maar toen gebeurde er iets bijzonders. Het bleek dat de moorden geen terreuraanslag waren, maar een ‘klassiek’ geweldsincident – en meteen was alles anders: de mensen haalden opgelucht adem. Voor ons journalisten was het onderwerp opeens kleiner, de redacties reserveerden minder ruimte en veel collega’s vertrokken.
En dat terwijl het aantal slachtoffers niet naar beneden was bijgesteld en het verdriet van de nabestaanden er niet minder op was geworden. Nog altijd was onduidelijk of er medeplichtigen of ingewijden waren, veel vragen waren nog onbeantwoord. Maar op een of andere manier was de druk van de ketel.
We vinden terroristen veel gevaarlijker dan eenlingen die in het wilde weg om zich heen schieten, maar het risico om bij zo’n laatste geweldsincident om te komen is veel groter.
In onze waarneming hebben we van iets relatief ongevaarlijks iets gevaarlijks gemaakt. Dat is een enorm succes voor de terroristen. Met hun propaganda hebben ze deze verkeerde voorstelling stevig in ons verankerd. Maar als het belang dat we toedichten aan een aanslagpleger geconstrueerd is, dan moeten we het ook kunnen deconstrueren, zodat we met dezelfde gemoedstoestand op de volgende terreuraanslag reageren als na het opgelucht ademhalen in München.
Als we dat afgelopen juli al hadden gedaan, dan hadden we misschien moorden kunnen voorkomen. Het onderzoek van Michael Jetter naar het terroristische Werther-effect was destijds nog niet gepubliceerd. Maar toen ik het later las, moest ik terugdenken aan de zomer van afgelopen jaar, want de schietpartij in München was immers niet de eerste gewelddaad.
Eerst viel een islamist mensen met een bijl aan in een regionale trein in Würzburg. Een golf van publiciteit.
Vier dagen later München. Elk medium berichtte erover.
Twee dagen later blies een aanslagpleger in Ansbach zich op.
Het lijkt alsof het Werther-effect moeiteloos over ideologische kloven heen springt. Wie tot geweld neigt, imiteert een recent voorbeeld: een schutter dat van een islamist en een islamist dat van een schutter.
Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel
Natuurlijk maak ik me geen illusies. Een mediablackout voor terreur zal ons niet lukken. Het zou ook niet voldoende zijn als bijvoorbeeld Die Zeit de berichtgeving zou staken. Ook Der Spiegel,Der Stern, de Süddeutsche Zeitung,Bild, kortom alle Duitse media zouden moeten meedoen. En zelfs dat zou niet volstaan, want veel Duitsers stellen zich op de hoogte via de BBC, The New York Times of de Neue Zürcher Zeitung.
En dan zijn er natuurlijk nog de sociale media, die aan de andere kant van het journalistieke filter opereren. Je kunt immers niet voorkomen dat iemand ‘Je suis Charlie’ twittert en dat iedereen dat kopieert. Of dat een ooggetuige een wiebelige video van dode mensen post, zoals na Barcelona.
Je zou bloed zien of een aanslagpleger ‘Allahoe akbar’ horen roepen – ik moet er niet aan denken welk feest de leugenachtige media zouden vieren als er dan geen artikel over in de krant stond. De media zouden worden uitgemaakt voor een kartel dat informatie achterhoudt, en nog terecht ook.
De terroristen weten dat wij niet anders kunnen – en daar maken ze gebruik van.
Er is daarom maar één manier om de berichtgeving te reduceren, om eerst de journalisten en vervolgens de terroristen tot zwijgen te brengen: de belangstelling voor de aanslagen moet afnemen. We moeten afstompen.
Daarom is elke aanval die ons koud laat, elke aanslag die we snel weer vergeten, elke dag waarop de Brandenburger Tor niet uit solidariteit in een vlag van licht is gehuld een stap in de goede richting. Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel.
Bastian Berbner won in 2015 de Duitse Reporter Award voor zijn buitengewoon goede interviews. Hij studeerde Arabisch en schrijft als freelancer voor onder meer Die Zeit. Ook maakt hij films.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
Een dorpje in Zuid-Servië heeft besloten zich om te dopen tot Poetinovo. Het initiatief moet de ontvolkte regio nieuw elan geven.
Adzinci, een gehucht bij het plaatsje Gajtan, in het kanton Medveda… Over het algemeen lopen verhalen over afgelegen dorpjes aan de rand van Servië niet goed af. Meestal wordt erover gesproken in de verleden tijd: ‘Ooit was er in het kanton een dorp…’
Maar de bewoners van Adzinci hebben besloten het noodlot te tarten. In hun gevecht om het dorp te laten voortbestaan op de kaart van Servië, aarzelden ze niet om zich in de sferen van de hogere politiek te begeven. En ze mikten hoog – wat amper verbazing mag wekken, want het dorp ligt op 1000 meter hoogte. Op een dag besloten ze de naam van hun gehucht te veranderen, en het nieuwtje gaat nu de hele wereld rond. Die keuze illustreert eerder de tekortkomingen van de politiek dan die van de bewoners van het dorp. Er was dus eens een dorpje Adzinci dat werd omgedoopt tot… Poetinovo.
Het eerste diplomatieke contact tussen Adzinci en Rusland gaat terug tot de tijd waarin mr. Petronijevic, de beroemde Belgraadse advocaat, die in het dorp is geboren, Russische vrienden begon uit te nodigen in zijn buitenhuis. ‘Onder de gasten waren danseressen, journalisten… en toen, op een dag, begon iemand, ik geloof een van mijn neven, over de naam van ons dorp. Hij had het idee om Adzinci om te dopen tot Poetinovo,’ vertelt Zoran Delibasic. ‘Het was grappig! Het idee sloeg aan en verspreidde zich snel.’
Om vermoedens dat de dorpsbewoners gemanipuleerd zouden zijn te weerleggen wordt uitgelegd hoe het idee is ontstaan. ‘We hebben er lang over nagedacht. Ons dorp droeg de naam van een Turkse hadji die in de negentiende eeuw in deze contreien had verbleven. Een bezetter, dat ging niet. Het besluit werd na maandenlange beraadslagingen genomen. We hebben een bord met de nieuwe naam laten maken: Poetinovo. Mr. Petronijevic is toen met een Russische journalist gekomen die alles gefilmd heeft en online heeft gezet. Daardoor zijn er ook andere journalisten op afgekomen, tot ons aller vermaak. Er is een dorp in Syrmië (in het noorden van Servië) dat al jarenlang Putinci heet, maar niemand die er aandacht aan schenkt,’ aldus Miroslav Petrovic.
De bewoners van Adzinci hebben meer gevoel voor humor dan dat ze nou zo pro-Poetin zijn of russofiel, ondanks het feit dat sommige dorpsbewoners T-shirts dragen met de beeltenis van Poetin. ‘Als we geweten hadden dat Trump zou winnen, hadden we misschien een andere naam gekozen. Maar er zijn meer dorpjes in de streek: die kunnen zich altijd nog laten omdopen tot Trumpovo!’ grapt Zoran Delibasic.
e hebben hem horen zeggen dat het besluit om het dorp om te dopen zou zijn genomen door twee mannen, omdat er niet meer inwoners waren. Maar ’s zomers zijn we hier toch met vijfentwintig man, of zelfs vijfendertig
Maar dan moet je wel een dorp zien te vinden dat nog niet ontvolkt is, en dat is nog niet zo makkelijk. In Adzinci brengen maar twee families de winter door. De voorzitter van de gemeenteraad van Gajtan bevestigt dat er bijna niemand meer woont. Een zware dreun voor de trots van de inwoners van Poetinovo. ‘Hij weet niet waar hij het over heeft. We hebben hem horen zeggen dat het besluit om het dorp om te dopen zou zijn genomen door twee mannen, omdat er niet meer inwoners waren. Maar ’s zomers zijn we hier toch met vijfentwintig man, of zelfs vijfendertig, van alle leeftijden. Het is pure jaloezie, want geen enkel huis is hier ouder dan vijftien jaar en er worden nu weer vier nieuwe gebouwd. Wij waren de eersten in deze streek met straatverlichting. Hij zegt dat we alleen een bord hebben neergezet, maar vergeet dat we de hele zomer hebben overlegd,’ aldus Miroslav Petrovic.
Het is gemakkelijk om vanuit Belgrado de spot te drijven met deze dorpsruzies. Maar het aanleggen van waterleidingbuizen en het oprichten van enkele lantaarnpalen in de dorpen in de Medveda is te vergelijken met de lancering van satellieten vanuit het kosmodroom van Bajkonoer! En dat komt door de verantwoordelijke politici in Belgrado. Je moet je er dus niet over verbazen dat Adzinci zich heeft omgedoopt tot Poetinovo en hoopt te profiteren van zijn nieuwe naam. ‘De mensen denken dat het nieuws Poetin zou kunnen bereiken en dat hij het dorp zelfs zou kunnen helpen. Waar het eigenlijk aan schort is een goede weg om Adzinci te bereiken,’ aldus Zoran Delibasic.
Het zou kunnen dat Poetin een weg laat aanleggen, maar voor de rest zijn de inwoners van Adzinci gewend hun eigen boontjes te doppen. Dat gold met name voor het bord met de naam van het dorp. ‘Vijf of zes jaar geleden hebben we zelf een nieuw bord met de naam “Adzinci” neergezet, want het oude bestond niet meer. Dat was in de tijd dat mensen werden aangemoedigd met vervroegd pensioen te gaan en te profiteren van sociale plannen. De mensen die afkomstig waren uit deze streek begonnen terug te keren. Met hun uitkeringen hebben ze hun huizen gerenoveerd en elektriciteit aangelegd. Elk huis heeft een badkamer,’ zo wordt gemeld.
‘Vroeger woonden hier in de streek wel vijfduizend mensen; tegenwoordig telt Gajtan niet meer dan honderdvijftig zielen. Er waren twee scholen, nu is er nog maar één leerling,’ vertelt Miroslav Petrovic, die zo de vinger op de zere plek van de afgelegen regio’s van Servië legt: de ontvolking. Maar de inwoners van Adzinci laten het er niet bij zitten. Vroeger was het agrarisch gebied. Nu wordt 90 procent van de percelen niet meer bewerkt. Is er geen veeteelt? Geen probleem! Het ontbreekt de inwoners van Adzinci niet aan ondernemingsgeest.
‘We zitten hier in bergachtig gebied, ideaal om veeteelt te ontwikkelen. We zijn een soort fabriek in de open lucht. Het is ook een regio met veel thermale bronnen. Dat opent perspectieven voor thermaal toerisme. Als we een beter wegennet zouden hebben, zouden we bereikbaar kunnen zijn vanuit de bestaande badplaatsen, met name Prolom Banja en Sijarinska Banja, en toeristen kunnen ontvangen, hun onze plaatselijke specialiteiten en dranken aanbieden,’ legt Zoran Delibasic uit.
In Adzinci – of Poetinovo, wat maakt het uit – ontbreekt het de mensen niet aan initiatieven. Hoefden ze er nou maar niet de wereldpolitiek bij te halen om hun plaatselijke problemen op te lossen…
Auteur: Marko Lovric
Vertaler: Dirk Zijlstra
NIN
Belgrado | weekblad | oplage 30.000
Prominent weekblad uit voormalig Joegoslavië heeft zich heruitgevonden. Nu het meest serieuze Servische magazine.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.