Nikki Haley, voormalig gouverneur van South Carolina en ambassadeur van de Verenigde Naties, heeft dinsdag haar kandidatuur voor het presidentschap aangekondigd. Zij wordt daarmee de eerste belangrijke rivaal van voormalig president Donald Trump voor de Republikeinse nominatie van 2024, bericht AP News.
Twee jaar geleden zei Haley nog dat ze haar voormalige baas niet zou uitdagen tijdens de presidentsverkiezingen in 2024. Maar vanwege onder meer de economische problemen van het land en de behoefte aan een ‘generatiewisseling’, een knipoog naar de leeftijd van de zesenzeventigjarige Trump, veranderde ze van gedachten.
Haley was de eerste vrouw en eerste persoon uit een minderheidsgroep die gouverneur van South Carolina werd
De eenenvijftigjarige Haley is de eerste in een lange rij Republikeinen die zich naar verwachting in de komende maanden kandidaat zullen stellen voor de presidentsverkiezingen van 2024. Mocht Haley worden verkozen, dan zou zij de eerste vrouwelijke president van het land zijn en de eerste Amerikaanse president van Indiase afkomst. Als dochter van Indiase immigranten groeide ze op in een klein stadje in South Carolina. In haar jeugd werd ze vaak racistisch bejegend. In haar videoboodschap stond ze stil bij de impact die dat heeft gehad op haar persoonlijk leven en politieke loopbaan.
Voordat ze de politiek inging, was Haley accountant. Met haar verkiezingsoverwinning in 2010 was ze de eerste vrouw en eerste persoon uit een minderheidsgroep die gouverneur van South Carolina werd – en als achtendertigjarige de jongste gouverneur van het land. Haley mocht spreken op de Republikeinse Nationale Conventie van 2012 en reageerde namens de Republikeinen op de State of the Union van president Barack Obama in 2016.
Speech stond in het teken van een herverkiezingscampagne
Dinsdag heeft de Amerikaanse president Biden zijn jaarlijkse State of the Union-toespraak gehouden. Daarin prees hij de economische vooruitgang en de resultaten in de wetgeving die onder zijn bewind werden geboekt, waarbij hij regelmatig de frase ‘Laten we het werk afmaken’ herhaalde, die waarschijnlijk ook te horen zal zijn als leus in zijn herverkiezingscampagne, schrijft NPR.
Het was zijn eerste toespraak tot het Congres sinds de Republikeinen tijdens de tussentijdse verkiezingen in november de controle over het Huis van Afgevaardigden in handen kregen. De State of the Union wordt van alle toespraken van Biden waarschijnlijk het best bekeken. Daarom maakte hij van de gelegenheid gebruik om zijn verschil van mening met de Republikeinen over bepaalde thema’s te laten horen en op die manier verkiezingssteun te werven, aldus de publieke radiozender.
Biden wil met zijn speech natuurlijk ook zijn eigen imago oppoetsen
Een van die thema’s is de verhoging van het schuldenplafond. Afgelopen maand waarschuwde het Amerikaanse ministerie van Financiën dat de VS de limiet hebben bereikt en het gevaar loopt zijn schulden niet meer terug te kunnen betalen als het Congres niets doet. Biden riep het Congres op om het schuldplafond zonder voorwaarden te verhogen.
De Amerikaanse president wil met zijn speech natuurlijk ook zijn eigen imago oppoetsen, aldus NPR. Uit een recente peiling bleek dat 62 procent van de Amerikanen vindt dat Biden in zijn eerste twee jaar maar weinig gepresteerd heeft. Hij benadrukte de economische winsten, de lage werkloosheidscijfers, de afnemende inflatie en de vele wetten inzake onder andere de infrastructuur en hogere uitkeringen voor veteranen die aangenomen zijn.
Vijftien jaar na de Amerikaanse inval in Afghanistan zijn de taliban weer aan de macht. Dat moet niet worden gezien als bewijs van een inherente vorm van Afghaanse wreedheid, schrijft de Indiase marxist Vijay Prashad. ‘Dit vertoont de vingerafdrukken van het Westen en de Saoedi’s.’
Het is nu vijftien jaar geleden dat het Amerikaanse leger de aanval inzette op Afghanistan. Deze aanval was het openingssalvo van de wereldwijde strijd tegen terrorisme. De Amerikanen wisten met massale bombardementen de taliban en Al-Qaida te verjagen naar de bergen of naar de buurlanden – waaronder Pakistan. Een van de mensen die het strijdtoneel ontvluchtten was Osama bin Laden, die pas werd gedood in 2011 – tien jaar later. Wat Amerika met deze oorlog beoogde was eenvoudig: voorkomen dat Afghanistan Al-Qaida een veilig toevluchtsoord zou bieden, en de taliban verjagen zodat Afghanistan een democratie zou worden. Er werd ook gerept van meer vrijheid voor vrouwen en scholing voor de Afghaanse bevolking.
Anderhalf decennium later is de taliban weer aan de macht. De beweging maakt de dienst uit in grote delen van het platteland, en dreigt ook weer de overhand te krijgen in belangrijke stedelijke gebieden. Kunduz, in het noorden, is afwisselend in handen van de taliban en van het Afghaanse Nationale Leger. In de provincie Helmand, in het zuiden, waar de Amerikaanse troepenmacht is gestationeerd, dreigt de taliban de hoofdstad Lashkar Gah in te nemen. De taliban heeft al zes van de veertien districten van Helmand in handen. Met andere woorden: een groot deel van zuidelijk Afghanistan zit in de tang van de taliban.
Niet een van de Amerikaanse oorlogsdoelen is bereikt
Niet alleen is de taliban terug in grote delen van Afghanistan, inmiddels hebben nóg radicalere groeperingen bovendien IS-Khorasan geformeerd. Vlak bij de Pakistaans-Afghaanse grens – in Nangarhar – kan IS vrijwel straffeloos zijn gang gaan. Op 4 oktober 2016 kwam een Amerikaanse soldaat om het leven, die te voet op patrouille was, door een bom van IS. Hij was de derde Amerikaanse soldaat die in 2016 om het leven kwam. Aanvankelijk werkte IS samen met groeperingen van de taliban, maar later werden de banden verbroken. Het is een van de vele plekken in het grensgebied van Pakistan en Afghanistan waar de zwarte vlag wappert. Mijn vriend en collega, wijlen Saleem Shahzad, schreef dat al in 2008 ‘de ideologie van Al-Qaida zich zo diep had genesteld in de hoofden van de bewoners van de bergstreken, dat hun strategie zo duidelijk in alle bergen en alle rotsen en alle stenen van het gebied was geëtst, dat de aanvoerders van de strijders zich niet al te veel zorgen maakten over de krachtmeting met de sterkste legers ter wereld’. Het doet er weinig toe of de plaatselijke groepering is gelinkt aan Al-Qaida, aan het Haqqani-netwerk of aan Islamitische Staat – ze hebben allemaal hetzelfde streven.
Niet een van de Amerikaanse oorlogsdoelen is bereikt: Afghanistan is nog altijd een toevluchtsoord voor strijders en democratie lijkt een onhaalbaar ideaal in deze situatie. In Kaboel zijn zonder meer successen geboekt – de stad is gegroeid en de bevolking heeft toegang tot bepaalde diensten. Hier maakt Ashraf Ghani de dienst uit, de voormalig topman van de Wereldbank – hij bestudeert statistieken om een beleid te ontwikkelen dat niet verder rijkt dan de buitenwijken van de hoofdstad. Ghani weet dat veiligheid van het allergrootste belang is. Vlak nadat Ghani in 2014 aan de macht kwam zocht hij toenadering tot Pakistan – dat nog altijd steun biedt aan de taliban, zowel op militair terrein als op het gebied van de inlichtingendiensten. Hij wilde dat Pakistan een vredesovereenkomst zou sluiten met de taliban en andere militante groeperingen. De Afghaanse Quadrilaterale Coördinatie Groep – QCQ – die dit jaar in het leven is geroepen, bestaande uit Afghanistan, China, Pakistan en de Verenigde Staten, is bedoeld om druk uit te oefenen op de strijders teneinde hen aan de onderhandelingstafel te krijgen. Tot nog toe is daar weinig van gekomen. Ghani lijkt niet langer goede banden te onderhouden met Pakistan. Zijn troepen doen hun uiterste best maar ze spelen weinig meer klaar dan het eigen grondgebied behouden, of grondgebied terugveroveren dat de taliban had ingenomen. Niets wijst erop dat ze aan de winnende hand zouden zijn.
Amerika mag dan zijn grondtroepen hebben teruggetrokken, het blijft de taliban en andere militante groeperingen bestoken vanuit de lucht. Bij deze aanvallen – voornamelijk met drones – worden weliswaar leiders gedood, maar ze brengen de taliban geen echte schade toe. Toen de taliban in 2015 erkende dat hun leider – moellah Omar – twee jaar eerder was omgekomen, werd er meteen bij gezegd dat moellah Akhtar Mansour de nieuwe leider was. Op 21 mei 2016 werd Akhtar Mansour gedood door een Amerikaanse droneaanval in de Pakistaanse provincie Beloetsjistan. Zijn dood leek de taliban nauwelijks te deren. Hij werd vrijwel ogenblikkelijk vervangen door de islamitische geleerde moellah Haibatullah Akhundzada. Akhundzada’s naaste medewerkers zijn de zoon van moellah Omar, moellah Yaqoob, en Sirajuddin Haqqani, die aan het hoofd staat van het Haqqani-netwerk. Deze taliban kan niet op de knieën worden gedwongen door de leiders uit te schakelen.
Vredesbesprekingen met de taliban zitten er niet in. Militaire overwinningen in het hele land sterken hen in het idee dat ze nog veel grotere delen van het land kunnen innemen voordat ze aanschuiven bij de onderhandelingen. Ondertussen heeft president Ashraf Ghani een deal gesloten met een van de meest weerzinwekkende moedjahedienleiders – Gulbuddin Hekmatyar, die aan het hoofd staat van Hezb-e-Islami. Vele jaren geleden vertelde de Afghaanse communistenleider Anahita Ratebzad me dat Hekmatyar de gevaarlijkste is van alle moedjahedienleiders. Hij had naam gemaakt door zuur in het gezicht te gooien van studentes aan de universiteit van Kaboel. De Amerikanen roemden hem tijdens de jihad tegen de communistische regering, noemden hem een ‘strijder voor de vrijheid’. Het was destijds een stuitend schouwspel, en nu is het een bewijs van het totale mislukken van het Amerikaanse project en van Ghani’s op statistieken gebaseerde ‘good governance’. Hekmatyar is Pakistans handlanger in Kaboel.
Linkse krachten
Amerika heeft dit jaar alleen al zevenhonderd luchtaanvallen uitgevoerd – allemaal ter ondersteuning van het Afghaanse leger. Amerika heeft bijna driehonderd droneaanvallen uitgevoerd in Pakistan, gericht tegen de top van de taliban en Al-Qaida. De aanval waarbij moellah Mansour om het leven kwam was in Beloetsjistan, buiten de aanvalszone die in 2010 is overeengekomen tussen Amerika en Pakistan. Dit is niet de enige indicatie dat de betrekkingen tussen Amerika en Pakistan onder druk staan. Amerika heeft Pakistan onomwonden laten weten dat men niet moet rekenen op F-16’s of militaire steun zonder dat aan strikte voorwaarden is voldaan. In de National Defense Authorization Act van 2016 staat letterlijk dat Pakistan de taliban in Noord-Waziristan moet blijven bestoken, het Haqqani-netwerk moet ondermijnen en moet voorkomen dat Pakistaanse militanten Afghanistan binnendringen.
Het is ijdele hoop dat een overeenkomst tussen Afghanistan en Pakistan afdoende is om dit probleem op te lossen. Tientallen jaren geleden heeft het Westen de handen ineengeslagen met mensen als Hekmatyar, teneinde de linkse groeperingen in Afghanistan te dwarsbomen. Vandaag de dag is er weinig meer over van die linkse groeperingen. Ze zijn van de kaart geveegd – verbannen of vermoord – en de herinnering eraan is volledig weggevaagd. De middelen waarover Afghanistan beschikt om een einde te maken aan de nachtmerrie van de laatste jaren zijn ernstig verminderd door een totale afwezigheid van linkse krachten. De sociale krachten die zijn losgemaakt door het Westen, Saoedi-Arabië en Pakistan hebben de Afghaanse samenleving verscheurd. Deze sociale omwenteling – met de moedjahedien als culminatie van het Afghaanse patriottisme – heeft niet alleen ongekende investeringen geëist, maar ook veel tijd. Momenteel is er geen beweging die tegengas kan geven. Er gloort misschien een heel kleine kans op vrede in Afghanistan, maar denk vooral niet dat er op lange termijn sprake kan zijn van stabiliteit en vooruitgang. Toen Links aan het bewind was, werd zeventig procent van de banen in het onderwijs vervuld door vrouwen, en bestond het ambtenarenapparaat voor vijftig procent uit vrouwen. Veel mensen zullen ervan opkijken dat destijds veertig procent van de artsen in Afghanistan vrouw was. Het Westen heeft deze positieve ontwikkeling eigenhandig gedwarsboomd. Dat het Westen Afghanistan heeft teruggezet in de tijd, onder het mom van vrouwenrechten, is ronduit stuitend. Dat Hekmatyar weer in Kaboel zit en dat de taliban overal in het land weer in opkomst is, moet niet worden gezien als bewijs van een of andere inherente vorm van Afghaanse wreedheid. De sociale morbiditeit van de Afghaanse samenleving vertoont de vingerafdrukken van het Westen en de Saoedi’s. Dat er geen eenvoudige oplossingen zijn is niet de schuld van Afghanistan. Iemand als Anahita Ratebzad, de Afghaanse communiste, had een visioen van hoe de samenleving eruit zou kunnen zien. Als zij nog had geleefd, zou ze opnieuw hebben gehuild van woede om haar land – na vijftien jaar van een wereldwijde strijd tegen het terrorisme.
Vijay Prashad is hoogleraar International Studies aan Trinity College in Hartford, Connecticut. Hij schreef achttien boeken, waaronder Arab Spring, Libyan Winter, The Poorer Nations: A Possible History of the Global South en The Death of a Nation and the Future of the Arab Revolution. Hij schrijft iedere woensdag een column op AlterNet.
Mocht Hillary Clinton in november president worden, dan zal ze waarschijnlijk een veel agressiever buitenlandbeleid voeren dan Barack Obama. En misschien zelfs wel dan Donald Trump. Mark Landler, Witte Huisverslaggever voor The New York Times, beschrijft waar die militaire angehauchtheid vandaan komt.
Hillary Clinton zat thee te drinken in de goed verstopte werkkamer van haar officiële kantoor op het ministerie van Buitenlandse Zaken en maakte de balans op van haar eerste ambtsjaar. De werkkamer had meer iets van een huiskamer – gezellig door de houten lambrisering en de boekenplanken vol aandenkens aan haar drie decennia in het openbare leven: een beeldje van haar heldin Eleanor Roosevelt, een honkbal met de handtekening van sterspeler Ernie Banks van de Chicago Cubs, een houten figuurtje van een zwangere Afrikaanse vrouw. De intieme sfeer leende zich voor een minder formeel interview dan de gebruikelijke locatie, haar imposante officiële kantoor met zijn marmeren haard, dikke gordijnen, kristallen kandelaar en rijkelijk versierde wandlampen. Maar op de ochtend van 26 februari 2010 praatte Clinton over iets gevoeligers dan buitenlandse zaken: haar relatie met Barack Obama. Zeggen dat ze haar woorden met zorg koos is een understatement. Ze leek op iemand van de explosievenopruimingsdienst die moest beslissen welke kleur draad ze moest doorknippen zonder haar relatie met het Witte Huis op te blazen.
‘Ik denk dat we een uitstekende onderlinge verstandhouding hebben opgebouwd over alles wat je je kunt voorstellen,’ zei Clinton over de man die ze tijdens de campagne in 2008 nog had afgeschilderd als naïef, onverantwoordelijk en totaal ongeschikt voor het presidentschap. ‘En we hebben een aantal interessante en zelfs ongebruikelijke ervaringen opgedaan.’ Ze leunde voorover terwijl ze sprak, gebaarde met haar handen en was goedlachs. Tijdens gesprekken met verslaggevers toont Clinton meer warmte dan Obama, al is de kans dat ze het achterste van haar tong zal laten zien kleiner.
Oorlog en vrede
Clinton begon, zoals zo vaak, over de VN-klimaattop in Kopenhagen van december 2009, die zij en Obama gezamenlijk voor een mislukking hadden behoed. Ze sprak over het vredesproces in het Midden-Oosten, een speerpunt van de president, dat ze nieuw leven moest inblazen. Maar ze had het begrijpelijkerwijs liever niet over onderwerpen waarover Obama en zij van mening verschilden, zoals dat van oorlog en vrede, waar Clintons activistischere houding al op onvoorspelbare manieren in botsing was gekomen met de terughoudendere opstelling van Obama. Ze had generaal Stanley McChrystal gesteund toen deze adviseerde om veertigduizend extra manschappen naar Afghanistan te sturen, om vervolgens genoegen te nemen met een lager aantal van dertigduizend (waarmee Obama akkoord ging, op voorwaarde dat ze in juli 2011 zouden worden teruggetrokken, wat zij als problematisch beschouwde). Ze stond achter het plan van het Pentagon om in Irak aanwezig te blijven met een leger van tien- tot twintigduizend manschappen (iets waartegen Obama zich verzette, voornamelijk omdat hij zich niet van de wettelijke bescherming van de Iraki’s kon verzekeren, iets wat hem zou achtervolgen toen IS een groot deel van het land bezette). En ze drong erop aan dat de VS wapens zouden leveren aan de rebellen in de Syrische burgeroorlog (een idee dat Obama aanvankelijk verwierp, om er later schoorvoetend mee in te stemmen).
Deze fundamentele spanning tussen Clinton en de president zou een wezenskenmerk blijven van haar vierjarige ambtsperiode als minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens het eerste regeringsoverleg over Rusland in februari 2009 stelden adviseurs van Obama voor om de VS enkele symbolische concessies aan Rusland te laten doen, als blijk van goede wil. Clinton, die als laatste aan het woord kwam, verwierp het idee met de woorden: ‘Ik ga niet voor niets iets opgeven.’ Haar hardnekkigheid maakte indruk op Robert Gates, de van George W. Bush overgenomen minister van Defensie, die beducht was voor een veranderd Rusland. Hij stelde ter plekke vast dat ze iemand was met wie hij zaken kon doen. ‘Ik dacht: Geen makkelijke tante,’ zei hij me.
Een paar maanden na mijn interview in haar kantoor kwam het tot een nieuw meningsverschil, toen Obama een beveiligde telefoon pakte voor een weekendoverleg met Clinton, Gates en een handvol andere adviseurs. Het was 4 juli 2010, vier maanden nadat Noord-Korea een korvet van de Zuid-Koreaanse marine had getorpedeerd, waarbij 46 opvarenden omkwamen. Nu, na een wekenlang heftig debat tussen het Pentagon en het ministerie van Buitenlandse Zaken, maakten de Verenigde Staten zich op om te reageren op deze schaamteloze provocatie. Het aanvankelijke plan – ontwikkeld door James Steinberg, Clintons onderminister van Buitenlandse Zaken – was om het vliegdekschip George Washington naar de kustwateren ten oosten van Noord-Korea te sturen, bij wijze van ongebruikelijk machtsvertoon.
Maar admiraal Robert Willard, de toenmalige bevelhebber in de Grote Oceaan, wilde het vliegdekschip een agressievere koers laten varen, naar de Gele Zee tussen Noord-Korea en China. Het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken had de VS voor zo’n actie gewaarschuwd, wat voor Willard een reden te meer was om druk te zetten. Hij benaderde chef-staf Mike Mullen, die er op zijn beurt bij zijn baas, de minister van Defensie, op aandrong de route te wijzigen. Gates ging akkoord, maar daarvoor was het wel nodig dat de opperbevelhebber achter een besluit stond dat zowel politieke als militaire repercussies kon hebben.
Gates legde het voorstel om de George Washington naar de Gele Zee te sturen voor, met als argument dat de VS niet de indruk moesten wekken te buigen voor China. Clinton steunde hem krachtig. ‘We moeten doordouwen,’ had ze een paar dagen eerder tegen haar assistenten gezegd.
Maar Obama was niet overtuigd. De George Washington was al onderweg; de koers veranderen was niet een besluit dat je zomaar eventjes nam.
Geharnaste retoriek
Het was niet het laatste debat waarin Clinton aan de kant van Gates zou staan. Het tweetal ontdekte algauw dat ze een midwesterse opvoeding deelden, een voorliefde voor een stevige borrel na een lange werkdag en een diepgewortelde scepsis over de intenties van Amerika’s vijanden. Bruce Riedel, een voormalige veiligheidsanalist die Obama’s aanvankelijke herziening van de oorlogsoperaties in Afghanistan leidde, zegt: ‘Ik denk dat Gates en het leger een beetje verbaasd waren: ze hadden een linkse regering verwacht, en nu ontdekten ze dat ze een minister van Buitenlandse Zaken hadden die nog wat rechtser was dan zijzelf – nog iets gretiger dan zijzelf, tot op zekere hoogte. Vooral op het gebied van Afghanistan, waarvan Gates volgens mij wist dat er meer moest gebeuren, dat er meer troepen naartoe moesten worden gestuurd, terwijl hij tegelijkertijd twijfelde of dat zou werken.’
Nu Hillary Clinton opnieuw een gooi naar het presidentschap doet, kan het verleidelijk zijn haar geharnaste retoriek over de wereld minder als een kernprincipe te beschouwen dan als een uitgekiende politieke manoeuvre. Maar Clintons instincten op het gebied van het buitenlands beleid zitten er stevig ingebakken en zijn gebaseerd op koel realisme en, in de woorden van een van haar assistenten, ‘een standaardkijk op de Amerikaanse uitzonderingspositie’.
Trump heeft niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor militair optreden getoond als Clinton
Daarin verschilt ze van Barack Obama, die militaire verwikkelingen vermeed en de Amerikanen probeerde te verzoenen met een wereld waarover de VS niet langer de onbetwiste heerschappij voerden. En ze zal in dat opzicht waarschijnlijk ook verschillen van de Republikeinse kandidaat die ze bij de algemene verkiezingen tegenkomt. Ondanks zijn grootspraak over het platbombarderen van Islamitische Staat heeft Donald Trump niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor buitenlands militair optreden getoond als Clinton.
‘Hillary behoort duidelijk tot de traditionele gevestigde orde van het Amerikaanse buitenlandbeleid,’ zegt Vali Nasr, die haar op het ministerie van Buitenlandse Zaken adviseerde over Pakistan en Afghanistan. ‘Ze gelooft, net als vorige presidenten, tot Reagan en Kennedy aan toe, in het belang van militair optreden – in het oplossen van het terrorisme, in het laten gelden van Amerikaanse invloed. Obama ging gaandeweg meer op de inlichtingendiensten vertrouwen dan op het leger. Het idee van de inlichtingendiensten was: het enige wat je nodig hebt om af te rekenen met het terrorisme zijn de NSA [de Nationale Veiligheidsdienst] en de CIA, drones en speciale operaties. Zo bood de CIA Obama de mogelijkheid om een havik te zijn zonder het leger te hoeven inzetten.
Republikeinse vader
Anders dan andere recente presidenten – Obama, George W. Bush of haar man, Bill Clinton – zou Hillary Clinton het ambt aanvaarden met een lange staat van dienst op het gebied van de nationale veiligheid. Die staat van dienst kun je op verschillende manieren bekijken, maar het onthullendst is haar decennialange cultivering van het militaire apparaat – niet alleen van ‘burgers’ als Gates, maar ook hoge bevelhebbers, de mannen met de medailles. Haar affiniteit met de strijdkrachten wortelt in de levenslange overtuiging dat een uitgekiend gebruik van militaire macht van wezenlijk belang is voor de verdediging van nationale belangen, dat Amerikaanse interventie meer goed doet dan kwaad en dat de invloedssfeer van de Verenigde Staten zich dient uit te strekken – om Bush te citeren – tot in ‘elke duistere uithoek van de wereld’. Tijdens de bombastische, door testosteron verhitte presidentsverkiezingen van 2016 is Hillary Clinton onverwachts de enige havik die nog in de race is.
Voor wie Clintons biografie kent, kan haar militaire angehauchtheid geen verrassing zijn. Ze groeide op in de woelige nadagen van de Tweede Wereldoorlog, als dochter van een onderofficier van de marine die jonge matrozen trainde voordat ze naar de Grote Oceaan werden verscheept. Haar vader, Hugh Rodham, was een trouwe Republikein en een communistenvreter, en ze nam zijn gezichtspunten over. Ze vertelt vaak over haar meisjesdroom om astronaut te worden, en ze noemt de afwijzingsbrief van NASA de eerste keer dat ze met geslachtsdiscriminatie te maken kreeg. Haar echte reden om zich aan te melden, heeft ze geschreven, was misschien wel het feit dat het haar vader zorgen baarde dat ‘Amerika achterliep op Rusland’.
De politieke bekering kwam later, nadat Vietnam en de jaren zestig over Wellesley College heen waren geraasd, waar ze zich tijdens haar afstudeerplechtigheid uitsprak tegen de gevestigde orde. Maar zelfs in het tumultueuze jaar 1968 was haar overgang van Republikein naar Democraat nog niet afgerond en bezocht ze de conventies van beide partijen. Als Republikeinse stagiaire in Washington vroeg ze die zomer aan Melvin Laird, een Congreslid uit Wisconsin, of het wel verstandig was dat Lyndon B. Johnson steeds verder bij Zuidoost-Azië betrokken raakte.
Na haar rechtenstudie had ze haar merkwaardigste ervaring met het militaire apparaat. In 1975, het jaar waarin ze met Bill Clinton trouwde, bezocht ze een rekruteringsbureau van de marine in Arkansas om te informeren naar de mogelijkheden om dienst te nemen bij de actieve of reservetroepen. Ze was jurist, legde ze uit; misschien kon ze zich op een of andere manier nuttig maken. De rekruteerder, herinnerde ze zich twee decennia later, was een jongeman van ongeveer 21, in optimale lichamelijke conditie. Clinton was op dat moment 27, net overgeplant uit Washington, docent aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Arkansas en getooid met een bril met jampotglazen. ‘Je bent te oud, je ziet niks en je bent een vrouw,’ zei hij. ‘Misschien wil de landmacht je wel hebben.’
‘Dat was geen erg bemoedigend gesprek,’ zei Clinton tijdens een lunch voor vrouwelijke militairen op Capitol Hill in 1994. ‘Ik besloot toen maar uit te kijken naar een andere manier om mijn land te dienen.’
Sommige journalisten hebben hun twijfels uitgesproken over de waarheid van dit verhaal, dat ze in de herfst van 2015 herhaalde tijdens een ontbijt met kiezers in New Hampshire: er is in elk geval geen concreet bewijs dat het gebeurd is en Bill vertelde in 2008 een andere versie, waarin marine en leger waren omgedraaid. Waarom zou iemand die net een rechtenstudie aan Yale had voltooid en net in het huwelijk was getreden plotseling een uniform willen aantrekken? Haar motieven zijn onmogelijk na te gaan, maar Ann Henry, een oude vriendin uit Arkansas, komt met een theorie: ‘In die dagen probeerden vrouwelijke faculteitsleden uit wat de grenzen waren van carrières die voor vrouwen gesloten leken. Ik denk niet dat het verzonnen is. Zoiets was typisch iets voor haar.’
First Lady
Clintons volgende langdurige contact met het militaire apparaat kwam pas toen ze first lady was, bijna twee decennia later. In het Witte Huis wonen lijkt in veel opzichten op wonen op een militaire compound. Als de president in het Oval Office is, staat voor de West Wing een marinier op wacht. Het medisch centrum en het telecommunicatiesysteem worden gerund door militairen. De marine bestiert de kantine, mariniers transporteren de president per helikopter, de luchtmacht doet datzelfde per vliegtuig. Camp David is een marinefaciliteit. Het dagelijks contact met mannen en vrouwen in uniform, zeggen Clintons vrienden, heeft haar gevoelens voor hen versterkt.
In maart 1996 bezocht de first lady Amerikaanse troepen die in Bosnië waren gestationeerd. De reis werd jaren later berucht toen ze beweerde, tijdens de campagne van 2008, dat ze door scherpschutters was beschoten nadat haar militaire C-17-toestel was geland op een Amerikaanse basis in Tuzla. (Chris Hill, een diplomaat die die dag ook aan boord was, herinnerde zich helemaal geen scherpschutters, alleen kinderen die haar boeketten lentebloemen aanboden.) Maar de goede sfeer tijdens haar rondgang langs de mess en de recreatiezalen was allerminst geveinsd. Met haar tienerdochter naast zich maakte ze grappen en grollen met de jonge mannelijke en vrouwelijke militairen – een ervaring, schreef ze, die ‘blijvende indruk op Chelsea en mij heeft gemaakt’.
Jack Keane, een van de architecten van de inval in Irak, heeft wellicht de meeste invloed op Clinton gehad
Toen Clinton in de Senaat werd gekozen, had ze belangrijke politieke redenen om zich om het militaire apparaat te bekommeren. Het Pentagon zat midden in een langdurig, politiek beladen proces van het sluiten van militaire bases; de staat New York was al geslachtofferd door de sluiting van de luchtmachtbasis Plattsburgh in 1995, waarbij 352 banen verloren gingen. De delegatie van New York was vastbesloten de resterende bases te behouden, met name Fort Drum, de thuisbasis van de 10e Bergdivisie. In oktober 2001, een maand na de aanslagen van 11 september, reisde Clinton naar Fort Drum op uitnodiging van generaal Buster Hagenbeck, die net tot commandant van de divisie was benoemd en een maand later naar Afghanistan zou worden gezonden.
Net als veel officieren met wie ik sprak koesterde hij nogal wat vooroordelen jegens Clinton wegens haar jaren als first lady; de vrouw die die middag rond borreltijd in zijn kantoor verscheen, beantwoordde daar echter niet aan.
‘Ze ging zitten,’ herinnert hij zich, ‘trok haar schoenen uit, legde haar voeten op de salontafel en zei: “Generaal, waar kan ik hier een koud biertje krijgen?”’ Het was het begin van een dialoog die zich over twee oorlogen uitstrekte. In de lente van 2002 leidde Hagenbeck Operatie Anaconda, een zestiendaagse aanval op taliban- en Al-Qaidastrijders in de Shah-i-Kotvallei, de grootste oorlogsoperatie tot dan toe. Toen de generaal terugkwam naar Washington om de verenigde chefs van staven te briefen, nam Clinton hem mee uit eten op Capitol Hill voor haar eigen briefing. Ze spraken ook over de voorbereidingen van de regering-Bush voor een oorlog in Irak, iets wat Hagenbeck met angst en beven volgde. De generaal, zo bleek, was meer een duif dan de senator. Hij waarschuwde haar voor de risico’s van een invasie, die op dat moment in het Pentagon op touw werd gezet. Het zou zijn alsof je een ‘bijenkorf omschopt’, zei hij.
Hagenbeck vergeeft Clinton dat ze in 2002 voor militair ingrijpen in Irak stemde. ‘Dat deed ze weloverwogen,’ zegt hij. ‘En later had ze er spijt van.’ Wat voor hem belangrijker was dan het stemgedrag van Clinton, was haar niet-aflatende openbare steun aan het militaire apparaat, of het nu ging om het beschermen van Fort Drum of het feit dat ze achter hem stond tijdens het eerste moeilijke jaar in Afghanistan.
Clintons opleiding in militaire zaken begon pas echt in 2002, nadat ze door een verpletterende nederlaag van de Democratische Partij tijdens de midterm-verkiezingen enkele plaatsen in senatoriale senioriteit was opgeschoven. De Congresleiders van de partij boden haar een plaats aan in ofwel de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen ofwel de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten. Ze koos voor Strijdkrachten en brak daarmee met een lange traditie van New Yorkse senatoren als Daniel Patrick Moynihan en Jacob Javits, die het prestige van Buitenlandse Betrekkingen verkozen. Strijdkrachten gaat over aardsere zaken als uitkeringen voor veteranen en was lange tijd het domein geweest van Republikeinse haviken als John McCain. Maar na 11 september zag Clinton Strijdkrachten als een betere voorbereiding op haar toekomst. Voor een politica die wilde laten zien dat ze niet voor een kleintje vervaard was – een vrouw die opperbevelhebber wilde worden – was het een perfecte leerschool. Ze stortte zich er met hart en ziel in.
Andrew Shapiro, de toenmalige adviseur buitenlandse zaken van senator Clinton, schakelde tien deskundigen in – onder wie Bill Perry, die minister van Defensie was onder haar man, en Ashton Carter, die uiteindelijk Obama’s vierde Defensieminister zou worden – om haar in alles in te wijden, van algehele strategie tot defensieaankopen. Ze bezocht elke commissievergadering, hoe onbeduidend ook. In 2003 bezocht ze op Thanksgiving Day de troepen in Afghanistan en ze sprak op elke belangrijke militaire basis in de staat New York. Inmiddels – dertig jaar nadat ze door een marinerekruteerder in Arkansas was afgewezen – was Hillary Clinton een militaire doordouwer geworden.
Jack Keane is een van de architecten van de inval in Irak; hij heeft wellicht ook de meeste invloed gehad op de manier waarop Hillary Clinton over militaire kwesties denkt. Keane, een beer van een vent met een vierkante kop en glad Brylcreem-haar, straalt het ultieme zelfvertrouwen uit dat je van een gepensioneerde viersterrengeneraal mag verwachten. Inmiddels is hij een goedbetaald lid van het militair-industriële complex, met bestuursfuncties bij onder andere General Dynamics. Hij is geen man die aarzelt om militair in te grijpen en hij heeft weinig boodschap aan burgers als Obama, die dat wel doen.
Keane leerde Clinton kennen in de herfst van 2001, toen zij net senator was en hij onderbevelhebber van het leger, met een grote staat van dienst in Vietnam, Somalië, Haïti, Bosnië en Kosovo. Hij had verwacht dat ze intelligent, hardwerkend en politiek bedreven zou zijn, maar hij was niet voorbereid op het respect dat ze toonde voor het leger als instituut, of op haar medeleven met de offers die door soldaten en hun families waren gebracht. Keane was ervan overtuigd dat hij een neppoliticus van een kilometer afstand kon ruiken, maar bij haar rook hij niets. ‘Ik heb mensenkennis; dat is een van mijn sterke kanten,’ vertelde hij me. ‘Niet dat ik het nooit mis heb, maar het gebeurt niet vaak.’
Clinton mocht Keane ook onmiddellijk. ‘Ze is dol op die Ierse korzeligheid,’ zegt een van haar Senaatsassistenten, Kris Balderston, die er die dag bij was. Toen Keane na drie kwartier opstond voor een gesprek in het Pentagon met een Poolse generaal, maakte ze duidelijk dat ze nog niet klaar was en vroeg om een vervolggesprek. ‘Oké, maar het heeft me drie maanden gekost om deze afspraak te krijgen,’ antwoordde Keane haar droogjes. Clinton barstte uit in een schor gelach. ‘Dat probleem los ik wel op,’ beloofde ze.
Ze hield woord: de twee zouden elkaar het volgende decennium vele malen ontmoeten en praten over de oorlogen in Afghanistan en Irak, de nucleaire dreiging van Iran en andere hete hangijzers in het Midden-Oosten. Soms kwam Keane langs op haar kantoor in de Senaat; andere keren gingen ze samen eten of wat drinken. Hij begeleidde haar tijdens haar eerste bezoek aan Fort Drum en regelde haar eerste reis naar Irak.
Ze spraken meestal niet over politiek, maar tijdens een ontmoeting in Clintons Senaatskantoor in januari 2007 probeerde Keane haar te overtuigen van de logica van het sturen van extra troepen naar Irak. De maand daarvoor had hij president Bush ontmoet in het Oval Office en hem geadviseerd dat de VS vijf tot tien leger- en marinebrigades moesten inzetten om het oproer in de steden te onderdrukken; alleen zo, had hij betoogd, zou er rust komen in een land dat werd verscheurd door sektarische strijd. Keane wekte daarmee de woede van enkele van zijn collega-generaals, die vreesden dat zo’n strategie de afhankelijkheid van Irak zou vergroten en de Amerikaanse betrokkenheid zou verlengen. Maar hij maakte veel indruk op de opperbevelhebber, die algauw twintigduizend extra manschappen naar Irak stuurde.
Clinton was een ander verhaal. ‘Ik ben ervan overtuigd dat dat niet zal werken, Jack,’ zei ze hem. Ze voorspelde dat Amerikaanse soldaten die in Iraakse steden patrouilleerden, zouden worden ‘opgeblazen’ door soennitische milities of Al-Qaidastrijders. ‘Ze dacht dat het ons niet zou lukken,’ herinnert Keane zich, ‘en dat er meer slachtoffers door zouden vallen.’
Ze had natuurlijk ook politieke overwegingen. Barack Obama was bezig de basis te leggen voor zijn kandidatuur, half januari, waarin hij zou benadrukken dat hij tegen de oorlog in Irak was geweest, terwijl zij ervóór had gestemd – een stem die haar ook tijdens de Democratische voorverkiezingen van dit jaar nog achtervolgt. Obama was bezig een fondsenwervingscampagne op te zetten die in drie maanden tijd 25 miljoen dollar zou opleveren, wat het politieke kamp van Clinton deed huiveren en hem tot een formidabele tegenstander maakte. Hoewel ze met Keane van mening verschilde over Irak, vroeg Clinton hem om officieel adviseur te worden. ‘Hoezeer ik je ook respecteer,’ antwoordde hij, ‘dat kan ik niet doen.’
Keanes vrouw had gezondheidsproblemen, waardoor hij eerder uit actieve dienst was getreden, en hij steunde in de regel geen presidentskandidaten. Ergens in 2008 – hij weet niet meer precies wanneer – vertelde Clinton hem dat ze er verkeerd aan had gedaan te twijfelen aan het sturen van extra troepen. ‘Ze zei: “Je had gelijk, het heeft echt gewerkt,”’ herinnert Keane zich. ‘Ik vond dat ze over nationale veiligheidszaken altijd eerlijk tegen me was.’
Keane en Clinton bleven praten, zelfs nadat Obama had gewonnen en zij minister van Buitenlandse Zaken werd. Ze waren het meestal eens. Keane was, net als Clinton, voor een krachtiger interventie in Syrië dan Obama. In april 2015, een week voordat ze haar kandidatuur aankondigde, vroeg Clinton hem om een briefing over de militaire opties voor het bestrijden van Islamitische Staat. Tijdens een presentatie van twee uur en twintig minuten pleitte Keane onder meer voor een vliegverbod boven delen van Syrië, waardoor de luchtmacht van de Syrische president Bashar al-Assad geneutraliseerd zou worden en deze laatste zou worden gedwongen tot een politieke schikking met oppositiegroepen. Zes maanden later verklaarde ze zich publiekelijk voorstander van zo’n vliegverbod, waarmee ze nog verder van Obama af kwam te staan.
‘Ik ben ervan overtuigd dat deze president onder geen enkele omstandigheid zijn tanden zal laten zien, ook al is het nog zo dringend,’ vertelde Keane me. Hij zat in de bibliotheek van zijn huis in McLean in Virginia, tussen rijen boeken over militaire geschiedenis en strategie. Zijn kritiek op Obama was nauwelijks nieuw of origineel, maar weerspiegelt wel het denken van Clinton en haar politieke adviseurs. ‘Een van de problemen van de president, waardoor zijn diplomatieke inspanningen worden verzwakt, is dat leiders niet geloven dat hij militair geweld zal gebruiken. Daarin verschilt de president wezenlijk van Hillary Clinton. Zij zou militair geweld als een realistische optie beschouwen, maar alleen als er geen andere opties zijn.’
Generaals
De vriendschap met Keane gaf Clinton ook directe toegang tot zijn informele netwerk van actieve en gepensioneerde generaals. De interessantste daarvan was ongetwijfeld David Petraeus, die Clintons geharnaste ambities deelde en ook een leven vol bedwelmende successen en vernederende tegenslagen had gekend. Beiden werden beschuldigd van een slechte omgang met geheime informatie: Clinton omdat ze haar privéserver en privé-e-mailadres had gebruikt voor het afhandelen van gevoelige regeringszaken, wat tot een politiek schandaal zou leiden; Petraeus omdat hij een dagboek met geheime informatie aan zijn biografe en maîtresse had verstrekt.
Tijdens Clintons eerste reis naar Irak, in november 2003, vloog Petraeus, die toen als tweesterrengeneraal bij de 101ste luchtmachtdivisie diende, haar van zijn hoofdkwartier in Mosul naar de relatieve veiligheid van Kirkuk om haar en haar delegatie te briefen. ‘Ze zat vol vragen,’ herinnert hij zich. ‘Zoiets betekent veel voor een bevelhebber.’ Tijdens volgende reizen, toen hij in rang was gestegen, lichtte Petraeus haar in over zijn plannen om Iraakse legertroepen te trainen en van wapens te voorzien. Beiden hadden daar baat bij: Petraeus bouwde een band op met een prominent Democratisch Senaatslid, Clinton poetste haar imago op als vriendin van het leger. ‘Ze deed het op de ouderwetse manier,’ zegt hij. ‘Ze deed het door relaties aan te knopen.’ Toen Petraeus begin 2007 werd teruggestuurd naar Irak als hoogste militair, gaf hij elk lid van de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten een exemplaar van het Amerikaanse Veldhandboek voor oproerbestrijding door leger en mariniers. Clinton las het hare van begin tot eind.
Hoewel Clintons bezwaar tegen het sturen van extra troepen hout sneed, zou het haar later opbreken, net als het feit dat ze vóór de oorlog had gestemd. Ditmaal was het haar bondgenoot Bob Gates die de geest uit de fles haalde. In zijn memoires schreef Gates dat ze tegenover hem en de president had bekend dat haar verzet politiek gemotiveerd was omdat ze op dat moment met Obama in de strijd om de Democratische voorverkiezingen in Iowa was verwikkeld. (Obama, schreef Gates, gaf ‘in bedekte termen’ toe dat ook hij er om politieke redenen tegen was geweest.) Tijdens een interview met Diane Sawyer van ABC News sloeg Clinton terug met de woorden dat Gates ‘misschien de context of de betekenis had gemist, want ik was wel degelijk tegen het sturen van extra troepen’. Haar verzet, zei ze tegen Sawyer, werd ingegeven door het feit dat de mensen op dat moment geen escalatie van de oorlog zouden accepteren. ‘Dit is geen politiek in electorale, politieke termen,’ zei Clinton. ‘Dit is politiek in de zin dat het Amerikaanse publiek achter zulke besluiten moet staan.’ Tijdens het volgende debat over het sturen van extra troepen liet ze zulke bedenkingen achterwege.
Om Bernie Sanders te dwarsbomen bracht ze haar boodschap op één lijn met die van Obama
‘We hebben kaarten nodig,’ zei Hillary Clinton tegen haar assistenten. Het was begin oktober 2009, en ze was net terug van een vergadering in de Situation Room. Obama’s oorlogskabinet had gediscussieerd over de vraag hoeveel extra troepen er naar Afghanistan moesten worden gestuurd, waar de Verenigde Staten, in beslag genomen door Irak, de taliban de gelegenheid hadden gegeven zich te hergroeperen. Het Pentagon, meldde ze, had indrukwekkende kaarten met kleurcodes gebruikt om zijn plannen te ontvouwen voor het stationeren van troepen verspreid over het land. Door de aandacht voor details hadden Gates en zijn commandanten een kordate, goed voorbereide indruk gemaakt, waarbij het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat aandrong op het meesturen van burgerpersoneel, bleekjes afstak. Tijdens de volgende vergadering, op 14 oktober, ontvouwde het team van Buitenlandse Zaken zijn eigen kaarten met de inzet van diplomaten, juristen en landbouwexperts die de soldaten naar Afghanistan zouden moeten volgen.
Clintons focus op kaarten was typerend voor de manier waarop ze in het eerste grote oorlog-en-vredesdebat van de regering-Obama stond. Ze wilde serieus worden genomen, ook al was haar ministerie minder belangrijk dan het Pentagon. Eén manier om dat te doen was het meesturen van burgerpersoneel, het stokpaardje van haar vriend Richard Holbrooke, de speciale gezant in de regio. ‘Ze wilde met alle geweld dat haar briefingboeken net zo dik en nauwgezet zouden zijn als die van het Pentagon,’ herinnert een topadviseur zich. Ze aarzelde ook niet om zich met de zaken van het Pentagon te bemoeien en stelde gedetailleerde vragen over de training van Afghaanse troepen en de militaire planning.
Ze was vastbesloten niets te missen, een besluit dat misschien geworteld was in een diepergelegen onzekerheid over haar rol binnen de regering, die meer op het Witte Huis was geconcentreerd dan ooit in het moderne tijdperk. In de ochtend van 8 juni 2009 mailde ze twee assistenten met de vraag: ‘Ik hoorde op de radio dat er vanochtend een kabinetsvergadering is. Klopt dat? Kan ik erheen? Zo niet, wie sturen we dan?’ Op 10 februari 2010 belde ze vanuit huis naar het Witte Huis, maar kwam niet voorbij de telefonist, die niet geloofde dat ze echt Hillary Clinton was. Toen haar werd gevraagd haar kantoornummer te geven om haar identiteit te bewijzen, zei ze dat ze dat niet kende. Uiteindelijk legde Clinton gefrustreerd neer en liet opnieuw bellen door het ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘als een keurige en gehoorzame minister’, zoals ze later op quasiberustende toon schreef. ‘Op eigen houtje bellen was niet toegestaan.’
Afghanistandebat
Het debat over de troepen in Afghanistan, een drie maanden durend drama van rivaliserende ego’s, gelekte documenten en eindeloos overleg, wordt als een typisch voorbeeld gezien van de strijd tussen de geslepen militaire bevelhebbers van het Pentagon en een onervaren jonge president, waarbij Joe Biden voor Obama’s advocaat van de duivel speelde. Hoewel deze voorstelling van zaken klopt, doet ze de rol van Clinton tekort. Door zich aan de kant van Gates en de generaals te scharen verleende zij hun voorstellen politiek gewicht en bood ze weerwoord aan de scepsis van Biden.
Toch mag haar rol ook niet worden overschat; ze heeft geen kentering in het debat teweeggebracht of er een duidelijk standpunt in verwoord. Maar haar niet-aflatende steun voor de krachtige aanbeveling van generaal McChrystal maakte het wel moeilijker voor Obama om voor een minder verregaande optie te kiezen. (McChrystal werd later door Obama ontslagen nadat zijn assistenten zich tegenover het blad Rolling Stone neerbuigend hadden uitgelaten over bijna elk lid van diens oorlogskabinet; alleen voor Hillary was een uitzondering gemaakt.)
‘Hillary stond vierkant achter wat McChrystal vroeg,’ zegt Gates. ‘Ze maakte duidelijk dat ze zijn verzoek om veertigduizend extra manschappen onverdeeld steunde. Later maakte ze duidelijk dat ze alleen bereid was geweest genoegen te nemen met dertigduizend omdat ik dat had voorgesteld. Ze hield in feite meer vast aan het oorspronkelijke aantal dan ik.’ Gates geloofde dat als hij Clinton, de voorzitter van de verenigde chefs van staven Mike Mullen, de commandant van het Centrale Commando David Petraeus en hemzelf op één lijn kon krijgen, Obama moeilijk nee zou kunnen zeggen. ‘Hoe kon je deze vier ruiters van de nationale veiligheid negeren?’ zegt Geoff Morrell, destijds woordvoerder van het Pentagon.
Zoals Clinton profiteerde van haar verbond met de militaire bevelhebbers, zo gaf ze hun ook politieke rugdekking. ‘Ik zal je een smerig geheimpje verklappen,’ zegt Tom Nides, een van haar voormalige onderministers op Buitenlandse Zaken. ‘Ze wisten allemaal dat ze haar aan hun kant moesten hebben. Ze wisten dat als zij de Situation Room binnenliep en achter hen stond, de dynamiek enorm zou veranderen. Als zij haar mond opendeed, kon ze de sfeer in de zaal veranderen.’
David Axelrod herinnert zich een vergadering waarin Clinton ‘hun mening vrijwel woordelijk verkondigde; dat weten ze vast nog wel. Ze wilde ze elke soldaat geven waar McChrystal om vroeg.’ Toch won Clinton niet op alle punten. Nadat hij had toegezegd manschappen te zullen sturen, voegde Obama er één eigen voorwaarde aan toe: dat de soldaten zo spoedig mogelijk weer zouden worden teruggetrokken, te beginnen in de zomer van 2011 – een deadline die uiteindelijk noodlottiger bleek dan een verschil van tienduizend manschappen. Clinton verzette zich tegen zo’n openbare deadline, met als argument dat Amerika de taliban daarmee in de kaart speelde en hen zou aanmoedigen te wachten tot de VS vertrokken – wat dan ook precies gebeurd is.
Tijdens de laatste dagen van het debat kreeg Clinton het ook aan de stok met haar eigen ambassadeur in Kaboel, Karl Eikenberry. Ook hij verschilde met haar van mening over de wijsheid van het sturen van extra manschappen. Op 6 november 2009 stuurde hij een lang telegram aan Clinton – later uitgelekt naar The New York Times – waarin hij op overtuigende wijze betoogde dat het voorstel van McChrystal de VS zou opzadelen met ‘onmetelijk veel hogere kosten en een grootschalige militaire rol in Afghanistan voor onbepaalde tijd’.
De analyse van Eikenberry bleek voor een groot deel juist, vooral zijn waarschuwing voor het tot op de draad versleten Amerikaanse partnerschap met de Afghaanse president Hamid Karzai. Extra pijnlijk was dat hij een gepensioneerde driesterrengeneraal was die van 2005 tot 2007 het bevel in Afghanistan had gevoerd. Clinton, die niet om het telegram had gevraagd, was furieus en vreesde dat het een debat kon verstoren dat zij en het Pentagon op het punt stonden te winnen.
Wat het telegram duidelijk maakte, was in hoeverre het Afghaanse debat door militaire overwegingen werd gedomineerd. Hoewel Clinton erop aandrong tot een akkoord te komen met het Afghaanse buurland Pakistan, betekende haar steun aan Gates, Petraeus en McChrystal dat ze niet de aangewezen persoon was voor diplomatieke alternatieven. ‘Ze heeft bijgedragen aan de overmilitarisering van de probleemanalyse,’ aldus Sarah Chays, destijds adviseur van McChrystal en later van de voorzitter van de verenigde chefs van staven Mike Mullen.
In oktober 2015 dwongen het aanhoudende geweld in Afghanistan en de erfenis van het wanbeleid van Karzai Obama ertoe af te zien van zijn plan om de laatste Amerikaanse soldaten tegen het eind van zijn presidentschap terug te trekken. Een paar duizend manschappen zullen daar voor onbepaalde tijd blijven. En Clintons voorstel voor het meesturen van burgerpersoneel is nooit echt van de grond gekomen.
Verkiezingscampagne
‘Het lijdt geen twijfel dat Hillary Clintons gespierdere benadering van het Amerikaanse buitenlandbeleid beter is toegesneden op 2016 dan op 2008,’ aldus Jake Sullivan, haar politieke topadviseur bij Buitenlandse Zaken en nu de belangrijkste adviseur in haar campagne.
Het was december 2015, 53 dagen voor de Democratische voorverkiezingen in Iowa; ik sprak Sullivan in Clintons royale hoofdkwartier in Brooklyn, waar hij me uitlegde hoe ze haar boodschap vormgaf in een campagne die steeds meer werd gedomineerd door zorgen over de nationale veiligheid. Clintons strategie, zei hij, was tweeledig: aan kiezers uitleggen dat ze een duidelijk plan had om de dreiging van het islamitische terrorisme het hoofd te bieden, en haar Republikeinse tegenstanders aan de kaak stellen als mensen die iedere vorm van ervaring en geloofwaardigheid misten op het gebied van nationale veiligheid.
Clinton had alle reden om de havik in zichzelf los te laten. Na de aanslagen in Parijs en het Californische San Bernardino bereikte de zorg over een grote aanslag in Amerika een hoogtepunt. Een peiling van CNN/ORS wees uit dat een meerderheid van 53 procent van de Amerikanen achter het sturen van troepen naar Syrië of Irak stond, een belangrijke verschuiving na de oorlogsmoeheid gedurende het grootste deel van Obama’s presidentschap. De Republikeinse kandidaten hanteerden apocalyptische metaforen om hun vastberadenheid te tonen. Ted Cruz dreigde een bomtapijt over Islamitische Staat af te werpen om te kijken of woestijnzand kon gloeien; Donald Trump riep de VS op alle moslims de toegang tot het land te ontzeggen ‘totdat duidelijk is wat de dreiging is van dit probleem’.
Maar de publieke voorkeur voor militaire actie is meestal vergankelijk. Drie weken later toonde dezelfde peiling dat het aantal voor- en tegenstanders gelijk was, 49 procent. Trump is geen voorstander van het sturen van nieuwe Amerikaanse soldaten naar Irak en Syrië (evenmin als Clinton trouwens). Hij staat sceptischer tegenover interventies dan zij en verkondigt luidkeels dat hij ook tegen de oorlog in Irak was. Hij wil dat de VS minder aan de NAVO afdragen en heeft al gesproken over het intrekken van de Amerikaanse veiligheidsparaplu boven Azië, zelfs als Japan en Zuid-Korea dan zelf kernwapens zouden aanschaffen om zich te verdedigen. Daarmee komen de kiezers bij de algemene verkiezingen misschien voor een ongebruikelijke keus te staan: die tussen een Democratische havik en een Republikeinse weifelaar.
Om de steeds opstandiger senator Bernie Sanders uit Vermont te dwarsbomen paste Clinton haar boodschap tijdens de Democratische voorverkiezingen zorgvuldig aan om op één lijn te komen met Barack Obama en diens raciaal diverse coalitie. Maar tijdens de algemene verkiezingen zal dat moeilijker worden. ‘De pers zal bovenmatige belangstelling tonen voor de scores,’ zegt Sullivan. ‘Dat kan de aandacht makkelijk afleiden van haar vermogen om te zeggen waar het op staat.’
Om te tonen dat ze een goede toekomstige opperbevelhebber is, zal Clinton zich ongetwijfeld beroepen op haar ervaring bij Buitenlandse Zaken. Afgelopen herfst, tijdens een reeks beleidstoespraken, begon Clinton zich duidelijker af te zetten tegen het nationale veiligheidsbeleid van de president. Ze zei dat de VS meer speciale commandotroepen naar Irak moesten sturen dan Obama had toegewezen, om de Iraki’s en Koerden te helpen in de strijd tegen IS. Ze toonde zich een voorstander van een gedeeltelijk vliegverbod boven Syrië. En ze beschreef de dreiging van IS voor Amerikanen in grimmiger bewoordingen dan de president. Zoals vaak het geval is bij Clinton en Obama, betroffen de verschillen niet zozeer de koers als wel de intensiteit. Evenmin als hij pleitte ze voor het sturen van grondtroepen naar het Midden-Oosten. Clinton hield vol dat haar plan geen breuk was met het zijne, maar alleen een ‘intensivering en versnelling’ daarvan.
Hoe goed de haviksinstincten van Clinton bij de stemming in het land passen is nog de vraag. Amerikanen hebben genoeg van oorlog en blijven beducht voor buitenlandse verwikkelingen. En toch wijzen peilingen uit, na de terughoudende Obama-jaren, dat ze net zo ontevreden zijn met het beeld van hun land als een uitgebluste wereldmacht die amechtig op de been probeert te blijven in een wereld van opkomende grootmachten als China, herrijzende imperia als het Rusland van Vladimir Poetin en de dodelijke nieuwe slagkracht van Islamitische Staat. Als Obama’s minimalistische benadering een noodzakelijke reactie was op de maximalistische stijl van zijn voorganger, dan verlangen Amerikanen misschien naar iets daartussenin, het soort gestaalde pragmatisme dat Clinton een leven lang heeft uitontwikkeld.
‘De president heeft een aantal harde beslissingen genomen,’ zegt Leon Panetta, na Bob Gates Obama’s minister van Defensie en vóór David Petraeus directeur van de CIA. ‘Maar het resultaat is gemengd en de vrees bestaat dat de president er niet in is geslaagd duidelijk te maken wat de rol van Amerika in de eenentwintigste eeuw is.’
‘Misschien lukt het hem alsnog,’ voegt hij eraan toe, beseffend hoe weinig tijd Obama nog rest. ‘Haar zou het zeker lukken.’
Mark Landler is sinds 2011 Witte Huiscorrespondent voor The New York Times. Dit artikel is een bewerkt uittreksel uit zijn boek Alter Egos: Hillary Clinton, Barack Obama and the Twilight Struggle Over American Power, dat deze maand in Nederlandse vertaling verschijnt bij Hollands Diep.
*Op 21 juni is Landler te gast bij het John Adams Institute.
Locatie: Vondelkerk Amsterdam Aanvang: 20.00 uur*
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.