De onafhankelijke Koreaanse filosoof Byung-Chul Han schrijft weinig, maar publiceert veel over het karakter van deze tijd. Met het essay De vermoeide samenleving bereikte hij meer dan honderdduizend lezers. De meeste tijd besteedt hij aan zijn tuin, of aan de muziek. Aan het trage leven.
Professor Byung-Chul Han is een 64-jarige man die het leven omgekeerd leeft. Hij is wakker als mensen slapen en gaat naar bed als anderen aan het werk gaan. Hij is er trots op een luie denker te zijn en schrijft slechts drie zinnen per dag. De meeste tijd besteedt hij aan het verzorgen van zijn planten en het spelen van stukken van Bach en Schumann op zijn Steinway. Dat zijn de dingen die er voor hem echt toe doen in het leven.
Han is geboren in Zuid-Korea, maar woont al 42 jaar in Duitsland. Hij is een ster van de hedendaagse filosofie en werd vooral bekend met een boek dat het karakter van onze tijd schetst: De vermoeide samenleving. Hierin ontleedt hij een maatschappij die totaal opgebrand is, vol uitgeputte mensen die roofbouw op zichzelf plegen en hun vrije tijd benutten met het wegduiken in hun mobiele telefoon.
Han, toegewijd aan het trage leven, is een ietwat excentrieke man. Hij doet wat hij wil omdat hij dat kan (hij is erg succesvol) en omdat hij deze benadering van het bestaan als politieke daad ziet. De wereld heeft de verkeerde weg gekozen en daarom gaat hij de andere kant op.
‘De mens leeft omgekeerd; hij gaat de andere kant op. Dat zegt Simone Weil [de Franse filosoof en auteur van Wachten op God]. Mensen zijn gewelddadig, ze vernietigen het milieu. Geen enkel dier is gewelddadig tegenover de natuur, behalve de mens. Hij verstoort datgene waaraan hij zijn leven te danken heeft. Hoe kun je ontsnappen aan dit leven dat op zijn kop staat? Door omgekeerd te leven.’
Reclame
Han heeft ingestemd met een ontmoeting. Het is een regenachtige middag in Berlijn, eind augustus.
De filosoof heeft net Die Krise der Narration (‘De crisis van het verhaal’) gepubliceerd, een boek waarin hij betoogt dat verhalen tegenwoordig niet meer te onderscheiden zijn van reclame: mensen en politici vermarkten hun leven op sociale media. Het draait allemaal om reclame en zelfpromotie. Hij vergelijkt storytelling met storyselling: communiceren via verhalen versus verkopen via verhalen. Kwaliteit lijkt er niet meer toe te doen, het belangrijkste is het verkopen wat je te bieden hebt. Dat geldt voor iedereen: politici, journalisten, socialemediagebruikers… en het resulteert in veel kleine flarden zonder diepgang. Vandaar de crisis van het verhaal.
Kwaliteit lijkt er niet meer toe te doen, het belangrijkste is het verkopen wat jete bieden hebt
Han is een nogal solitaire man. Hij leeft in zijn zelfgecreëerde bubbel en verdeelt zijn tijd over twee huizen: een appartement in het zuidwesten van Berlijn en een huis met een tuin, tussen een meer en een bos. Hij heeft een smartphone – zijn gruwel – die hij nauwelijks gebruikt. Hij neemt zelden op als iemand belt. Hij gebruikt hem, zegt hij, om de planten in zijn tuin correct mee te kunnen classificeren. Hij begeeft zich niet graag onder de mensen en geeft dan ook heel weinig interviews. De laatste keer dat El País hem persoonlijk sprak vóór dit gesprek was in 2014.
De ontmoeting met Han vindt plaats op het Alter St. Matthäus-kerkhof, een plek waar Berlijners graag wandelen. Het is een rustige, groene ruimte met eeuwenoude bomen, lange zwarte asfaltpaden en paarse bloemen. De gebroeders Grimm liggen hier begraven. De begraafplaats ligt dicht bij het appartement van Han.
Zelf kiezen
Han arriveert ruim een kwartier te laat, in nogal verfomfaaide staat. Hij parkeert zijn zwarte fiets op de parkeerplaats van de begraafplaats, zijn gegroefde voorhoofd bedekt met fijne regendruppels. Zodra hij ons heeft begroet – er is ook een tolk aanwezig, omdat Han liever Duits spreekt – bepaalt hij zonder aarzelen waar het interview zal plaatsvinden: op het terras van het kleine café op de begraafplaats.
Het begint iets harder te regenen. Een klein, nat tafeltje, een paar veelkleurige stoelen en een wankel regenscherm dat amper de ruimte bestrijkt waar we zitten. We worden allemaal nat, maar het lijkt Han niet te deren.
Hij bestelt een koffie, steekt een dunne sigaar op en wacht met verbeten uitdrukking op zijn gezicht tot het interview begint. Hij draagt een zwart overhemd, een beige riem en zwarte schoenen. Hij staat met zijn hakken op de achterrand van zijn schoenen, waardoor die in een soort sloffen veranderen. Hij maakt al direct duidelijk dat hij geen zin heeft om vragen over zijn boeken of zijn ideeën te beantwoorden. Zijn boeken spreken voor zich, daarom heeft hij ze geschreven. Ze zijn bedoeld om gelezen te worden, het is niet de bedoeling dat hij er vragen over krijgt.
Hij zegt dat hij niet onderbroken wil worden; hij wil zijn gedachtengang niet kwijtraken
Hij voelt zich ongemakkelijk bij de klassieke vorm van vraag en antwoord en neemt de vrijheid om zelf te kiezen waarover hij wil spreken. Hij begint met het geval van grensoverschrijdend gedrag dat Spanje de afgelopen tijd in zijn greep hield: stervoetballer Jenni Hermoso werd tegen haar wil gekust door de voorzitter van de Spaanse voetbalbond, na de winst in de finale van het WK voetbal voor vrouwen.
‘Als ik in filosofische zin nadenk over een kus, dan was dat geen kus… want hij [voorzitter Rubiales, die inmiddels is opgestapt] kuste haar en zij kuste hem niet. Dat is geweld. De hele #MeToo-beweging was goed. Terugvechten tegen seksueel geweld is goed. Maar nu is deze beweging tegen seksueel geweld zelf veranderd in geweld. Ze heeft eros vernietigd, ze heeft de verleiding vernietigd. Ik ken veel heel zelfstandige actrices – en ook veel feministen – die de #MeToo-beweging nu afwijzen, omdat die de verleiding vernietigt.’
Hij zegt dat hij niet onderbroken wil worden; hij wil zijn gedachtengang niet kwijtraken. Dan begint hij over zijn piano’s. Hij vertelt dat hij er drie heeft: een in zijn appartement – de Steinway – en twee Blüthners in het andere huis. Daar tuiniert hij terwijl hij naar Bach luistert – hij is gefascineerd door de Goldbergvariatiaties, waarmee hij zichzelf piano heeft leren spelen – en naar Schumann. Hij houdt van diens Kinderscènes. ‘Ik moet elke dag spelen, anders word ik ziek,’ verzucht hij. ‘Ook als ik reis. Daarom reis ik niet zo veel.’
Schoorvoetend stemt hij in met het beantwoorden van een vraag over onze samenleving, die het geduld om te luisteren en te vertellen is kwijtgeraakt. ‘Mensen lopen nu met hun oren dicht. Omdat ik geen goede ruimtelijke oriëntatie heb, vraag ik mensen als ik ergens heen ga waar een bepaalde straat is, maar dan blijken hun oren te zijn geblokkeerd door koptelefoons. Ze horen het niet. Dat betekent dat ze afgesloten zijn van de wereld, van de ander. Ze horen alleen zichzelf praten.’
Sluwheid van het kapitaal
Volgens Han is het verkeerd om geobsedeerd te zijn door de vrijheid van het individu. ‘Marx zei al: individuele vrijheid is de sluwheid van het kapitaal. We geloven dat we vrij zijn, maar diep van binnen produceren we alleen maar en vergroten we het kapitaal: het kapitaal gebruikt de individuele vrijheid om zich te vermenigvuldigen. Dat betekent dat wij, met onze individuele vrijheid, de voortplantingsorganen van het kapitaal zijn.’
‘Meer produceren, meer presteren en mezelf optimaliseren tot aan mijn dood… dat is geen vrijheid’
Dan brengt hij een van zijn belangrijkste ideeën naar voren. ‘Onder prestatie- en productiedwang is vrijheid niet mogelijk. Als ik mezelf dwing om meer te produceren, meer te presteren en mezelf optimaliseer tot aan mijn dood… dan is dat geen vrijheid.’
Hij zegt dat hij weinig schrijft. ‘Ik ben ontzettend lui. Ik werk meestal in de tuin en speel piano. Daarna zit ik dan misschien een uurtje achter mijn bureau. Misschien schrijf ik drie zinnen per dag, die dan resulteren in een boek. Maar nee, ik probeer niet te schrijven. Ik laat gedachten binnenkomen.’ Hij wacht tot de woorden tot hem komen. ‘De woorden in mijn boeken zijn niet van mij. Ik laat de woorden die mij bezoeken binnen en ik neem ze over. Ik claim geen auteurschap van mijn boeken; daarom zijn de woorden die erin staan ook wijzer dan ik. Daarom zouden mijn boeken geïnterviewd moeten worden, niet ik. Ik ben maar een idioot.’
Korte zinnen
Hoewel Byung-Chul Han weinig schrijft, zoals hij zelf zegt, kun je wel vaststellen dat hij veel publiceert. Gemiddeld komt er bijna één boek per jaar van hem uit (in het Duits en in vertaling). Wel gaat het om dunne pamfletten, van negentig tot honderdtwintig pagina’s, die zijn opgebouwd uit zeer korte zinnen. ‘Hij beheerst het genre van het korte essay als geen ander, hij heeft het zelf uitgevonden,’ zegt Raimund Herder, zijn uitgever in Spanje. De in Duitsland geboren uitgever, die nu in Barcelona woont, ontdekte Han in 2010 op de Frankfurter Buchmesse, waar hij een exemplaar van De vermoeide samenleving op de kop tikte. Terwijl van zijn eerdere boeken slechts een paar honderd exemplaren werden verkocht, waren dat er van dit essay meer dan honderdduizend in Latijns-Amerika, Zuid-Korea, Spanje en Italië. In Duitsland, Frankrijk en de Engelstalige wereld was de verkoop evenwel veel lager.
Grappig genoeg had Raimund Herder Han al eerder ontmoet: in 1988, toen hij filosofie studeerde aan de Universiteit van Freiburg. Hij herinnert zich hem nog goed, tijdens de lessen van professor Gerold Prauss: Han was de Koreaan in de klas ‘die opgewonden sprak’ en veel vragen stelde.
Han kwam naar Duitsland toen hij 22 was. In Zuid-Korea had hij metallurgie gestudeerd en hij zag zich gedwongen zijn ouders voor te liegen – ‘ze zouden me nooit toestaan filosofie te studeren’ – en te vertellen dat hij naar het buitenland ging om zijn technische studie voort te zetten. ‘Ik heb mijn ouders nooit een boek zien lezen. Ik ben een mutatie. Mijn vader was civiel ingenieur, hij bouwde dammen en metro’s in Korea.’ Duitsland trok hem enorm aan. Op een dag, toen hij zestien was, bracht zijn moeder platen van Bach mee naar huis. ‘Toen ik daarnaar luisterde, ontdekte ik dat Duitsland mijn spirituele thuis was.’
Han wordt er weleens van beticht te productief te zijn, of steeds weer dezelfde onderwerpen te behandelen
Hij studeerde ook filosofie in Parijs, een van zijn docenten daar was Jacques Derrida. Maar de denkers aan wie hij echt schatplichtig is, zegt Han, zijn Emmanuel Levinas, Walter Benjamin (die vaak wordt geciteerd in zijn nieuwe boek) en Simone Weil, die nu kennelijk in hem bestaat. ‘Simone Weil is onlangs bij me ingetrokken en praat de hele tijd tegen me. Dat is geen toeval, want ze stierf op 24 augustus, tachtig jaar geleden. Ze leeft nog steeds en ze praat tegen me, ik voer een interne dialoog met haar. Ik voel me de reïncarnatie van Simone Weil.’
Han wordt er weleens van beticht te productief te zijn, of steeds weer dezelfde onderwerpen te behandelen. Wolfram Eilenberger, essayist en voormalig directeur van de Duitse editie van het tijdschrift Philosophie, zegt dat Han hem doet denken ‘aan een specht die voortdurend tegen een klein stukje van een harde, dunne stam tikt. Hij heeft een thema gevonden en beschikt over een eigen stijl, op basis van een Duits dat hij met prachtige eenvoud gebruikt. Dat gezegd hebbende denk ik dat het tijd is dat hij eens van onderwerp verandert.’
Nogal stellig
In een artikel voor het wetenschappelijke tijdschrift Philosophy, in juli 2022, uitte Jesús Zamora Bonilla, een Spaanse hoogleraar logica en wetenschapsfilosofie, de kritiek dat Hans boeken vaak niet erg argumentatief zijn (ze zijn eerder nogal stellig) en dat ze bestaan uit ‘een opeenvolging van briljante en korte zinnen, die typerender zijn voor literatuur en poëzie dan voor filosofische essays’.
Han is zich ervan bewust dat hij kritiek krijgt. ‘Ze zeggen dat mijn gedachten en boeken te makkelijk zijn. Maar dat geldt bijvoorbeeld niet voor Todesarten. Philosophische Untersuchungen zum Tod (‘Soorten overlijden. Filosofisch onderzoek naar de dood’): als je dat leest, ontdek je een ander facet van mijn denken, met heel andere, complexe zinnen.’ Hetzelfde is het geval, zegt hij, bij zijn proefschrift Heideggers Herz (‘Heideggers hart’). ‘In het verleden schreef ik anders. Ik schreef boeken die heel moeilijk te lezen waren, zonder erover na te denken of ze wel begrijpelijk waren. Maar nu is toegankelijkheid voor mij heel belangrijk. De boeken van Slavoj Zizek zijn bijvoorbeeld volstrekt verwarrend. Die van Walter Benjamin zijn absoluut onbegrijpelijk… maar als je ze tien keer leest, begrijp je ze.’
Na vijftig minuten kletsen begint Han ongedurig te worden. Hij informeert opnieuw naar de fotograaf, die met zijn assistent in de kapel van de begraafplaats zit te schuilen voor de regen. Hij merkt op dat hij graag over het kerkhof wandelt en dat hij dagelijks naar een kerk gaat, niet ver hiervandaan. Hij is een spiritueel man. ‘Ja, ik ben katholiek.’ Omdat hij andersom leeft, gaat hij bidden als mensen uit de mis komen. ‘Het is sneu, als ik naar de kerk ga, zijn er amper tien mensen, het is leeg.’ Hij vertelt dat hij theologie heeft gestudeerd en dat hij ooit nog priester zou kunnen worden. Op de vraag of hij dat nog steeds overweegt, haalt hij zijn schouders op. ‘Ik kan het niet uitsluiten. Ik leef mijn leven omgekeerd. Als mensen de kerk verlaten, ga ik naar binnen.’
Grappenmaker
Han brengt een groot deel van de fotoshoot door in gesprek met de assistent van de fotograaf. Hij wil niet poseren, maar laat zich fotograferen terwijl hij praat. We lopen naar de grafstenen van de gebroeders Grimm. Han dwaalt tussen de bomen en voelt aan de bloemen. En net als er een einde aan het interview lijkt te komen, zegt hij dat hij honger heeft. Hij stelt voor dat we gezamenlijk gaan eten in Sale e Tabacchi, een Italiaans restaurant waar hij dol op is. Het is vlak bij het legendarische Checkpoint Charlie, de grenspost tussen de twee Duitslanden tijdens de Koude Oorlog.
Met een glas wijn in de hand – de recorder is uitgezet – komt Han warmer over. Zijn afstandelijkheid is verdwenen, hij lacht en vermaakt zich. Hij houdt niet van interviews, maar wel van een praatje. Hij is een echte grappenmaker; als er iets lolligs in hem opkomt, herhaalt hij het meerdere keren en lacht hij hoofdschuddend. Ontspannen, afwisselend in het Engels en Frans, haalt hij herinneringen op uit zijn leven. Aan het eind van het diner geeft hij ons desgevraagd toestemming om die eventueel in het artikel op te nemen.
Terwijl hij van zijn vissoep eet – een van zijn favoriete gerechten – zegt hij dat hij niet van koken houdt en dat hij nooit rundvlees eet. Hij bestelt altijd twee voorgerechten in restaurants en vertelt dat van alle wijnen rioja gran reserva hem het best helpt om in slaap te komen. Maar veel drinkt hij niet – ‘ik ben erg gematigd’ – en hij heeft bovendien een hekel aan het woord ‘genieten’. Hij vertelt ook over zijn liefde voor Italië – hij is met behulp van cd’s Italiaans aan het leren – en zegt dat hij één keer per jaar naar Zuid-Korea reist om zijn moeder te zien. Met zijn broers heeft hij nauwelijks contact; zijn jongere zus studeert compositie.
De avond valt over het regenachtige Berlijn. De fles raakt leeg. Han vertelt dat hij in Zuid-Korea graag de plekken uit zijn jeugd bezoekt. ‘De geuren daar geven me dat thuisgevoel – een gevoel van veiligheid. Uiteindelijk is dat mijn thuis: thuis is de plek waar je je jeugd hebt doorgebracht. Ik herontdek de geuren uit mijn kindertijd en dat maakt me gelukkig. Maar mijn spirituele thuisland is Duitsland.’
‘En wat is er op dit punt in je leven Duits aan jou? En wat is Koreaans?’
‘Als je mijn gedachten vergelijkt met een vrucht, dan zijn de schil en het vruchtvlees romantisch Duits. Maar de pit? Nee, die is van een exotische vrucht.’
De Italiaanse filosoof Donatella di Cesare is fel tegen de rechtvaardiging van wapenleveranties aan Oekraïne ‘omdat het land ook onze Europese waarden verdedigt’. Ze vraagt zich af welke waarden dat dan zouden zijn.
Wat betekent het om pacifist te zijn? Met die vraag maakte de Italiaanse filosoof Donatella di Cesare eind maart in een veelbekeken stellingname op het YouTubekanaal van de ngo Emergency furore. Daar verklaarde ze in hoeverre je als echte pacifist moedig tegen de mentale luiheid, tegen de simplificaties en mystificaties van het militaire establishment in moet denken. Daarbij zijn er geen grijstinten: ‘Of wapens, of vrede (…) Koester nooit bewondering voor geweld, haat nooit je vijanden (…) wij volgen de handelaren in de dood niet na in hun macabere dans, anders zullen we in Europa geen rechtvaardige vrede hebben, maar zoals Kant zegt, de eeuwige vrede van de kerkhoven en de dood.’
Koester nooit bewondering voor geweld, haat nooit je vijanden
Di Cesare is professor theoretische filosofie aan de Universiteit Sapienza Rome en tegenwoordig een van de meest prominente stemmen onder de hartstochtelijke pacifisten en consequente tegenstanders van wapens. Door haar openlijke stellingname heeft ze zich – net als de vredesactivisten in Duitsland – kwetsbaar gemaakt en moest ze de vijandige reacties verdragen waarmee je te maken krijgt wanneer je van internationale bondgenootschappen, staten en politici een alternatief verlangt voor militaire bewapening, maar als idealistische denker zelf geen concrete oplossingen kan bieden tegen een brute aanvalsoorlog, behalve dan de raad om tegenover de oorlogszuchtige logica eerst een pas terug te doen, na te denken, te beraadslagen en vreedzame alter-natieven te vinden.
Europese waarde
Ook al komt deze houding tegenover de oorlog tegenwoordig wat wereldvreemd over, toch is die gebaseerd op veel uitgebreidere filosofische overwegingen, die ook terug te vinden zijn in haar definitie van pacifisme. In een centrale passage van de YouTube-video betwijfelt ze bijvoorbeeld de gangbare bewering dat men Oekraïne militair moet helpen omdat het land ook onze Europese waarden verdedigt en ze vraagt zich af welke waarden dat dan zouden zijn.
Naar haar mening gaat het hier om vrijheid en democratie, jawel, maar vooral om vaderland, nationale iden-titeit en grond. Men mag volgens Di Cesare niet vergeten dat de huidige oorlogvoerende partijen twee zeer nationalistische staten zijn in een geglobaliseerd Europa. Een gevaarlijk scenario omdat de Europese bevolkingen in een geglobaliseerde wereld steeds sterker vermengd raken en de staten (gebieden met erkende grenzen en regeringen) het concept van de natie (een gemeenschap van mensen, verbonden door een taal, cultuur, religie en geschiedenis) zouden gebruiken om hun grenzen te versterken.
Zowel de staat als de natie zijn gevaarlijke mythen uit het verleden
De naties zouden op hun beurt de staat benutten om hun vermeende integriteit en het idee van etnische zuiverheid te propageren, wat tot discriminatie van vreemdelingen zou leiden. Volgens Di Cesare zijn beide, zowel de staat als de natie, echter gevaarlijke mythen uit het verleden. Zo ook de mythe van het vaderland, oftewel de aanname dat mensen in een land geboren worden en derhalve tot dit land behoren, dat daarom ook van hen zou zijn en waardoor ze de soevereiniteit en het recht zouden bezitten om anderen de toegang te weigeren. Tegenover zo’n Europa van staten, naties en vaderlanden formuleert zij de idee van een open Europa van coëxistentie, van het vreedzaam samenleven, van het samenwonen. Voordat je het hebt over het redden van Europese waarden moet het altijd in de eerste plaats gaan om het redden van mensenlevens.
Demystificeren
De argumentatie van Di Cesare is te begrijpen, maar toch laat ze je met het oog op de actuele situatie een beetje radeloos achter. Ze is overtuigend in haar eis om concepten als staat, natie en vaderland te demystificeren omdat daarmee oorlogshandelingen worden gerechtvaardigd, maar het is onduidelijk hoe haar ideeën in de huidige situatie toegepast zouden kunnen worden, zelfs wanneer alle Europese regeringen het plotseling met haar eens zouden zijn. Nog afgezien van het feit dat de prijs voor Oekraïne heel hoog zou zijn en Poetin als stralende winnaar uit de bus zou komen.
Natuurlijk moet je altijd – en liefst zonder wapens – koel blijven nadenken, onderhandelen en naar vrede streven, maar hoe moet je reageren als een agressor en autocraat daarvan niet onder de indruk is en liever vasthoudt aan het met geweld overeind houden van zijn eigen nationale mythe? Vrede is alleen mogelijk zolang allen zich daaraan committeren. Aan de andere kant behoort het niet tot de functieomschrijving van filosofen om pragmatische oplossingen te leveren. Door vragen te blijven stellen moeten en willen ze eerder aanzetten tot reflectie en het overwegen van alternatieven.
De oorlog maakt eclatante, voor veel mensen levensbedreigende of zelfs dodelijke tegenstrijdigheden zichtbaar
Toch moeten we Di Cesares vredelievende denken ook niet kortweg als irrelevant of zelfs naïef veroordelen. Haar houding ten aanzien van de actuele situatie en haar bezwaren jegens de EU en de NAVO zijn beter te begrijpen als je haar onlangs verschenen boek Stranieri residenti. Una filosofia della migrazione hebt gelezen. Want in de huidige oorlog met al zijn militaire, sociale en economische consequenties, maar in het bijzonder in de omgang van de Europese landen met Oekraiënse vluchtelingen, worden uitdagingen zichtbaar waarop een internationale gemeenschap met haar staten en naties wel dringend een antwoord moet vinden als ze ook in de toekomst een vreedzaam samenleven voor zo veel mogelijk mensen wil garanderen.
De oorlog maakt eclatante, voor veel mensen levensbedreigende of zelfs dodelijke tegenstrijdigheden zichtbaar. Di Cesare heeft daarop ook gewezen in een gesprek met NZZ Magazin: waarom beschouwen Europese landen Oekraïne en zijn vluchtelingen als dragers van Europese waarden, die men hartelijk ontvangt met een onmiddellijke verblijfsvergunning en geprivilegieerde steunmaatregelen, terwijl mensen uit andere landen uitgewezen, aan het lijntje gehouden, afgeschoven, in afgelegen kampen vastgehouden of op de Middellandse Zee teruggeduwd worden? Welke vluchtredenen zijn legitiem om asiel te krijgen? Wie definieert de criteria waarmee mensen uit oorlogsgebieden erkend worden, maar niet degenen die slechts vluchten voor een gewapend conflict, voor terreur, armoede, honger en de gevolgen van klimaatverandering? Wie wordt gedefinieerd als een welkome vluchteling die als economisch rendabel in een samenleving kan worden opgenomen, en wie krijgt de status van een gewone migrant, een in zekere zin foute vluchteling die een land zo snel mogelijk weer moet verlaten?
‘Filosofie van de migratie’
Ook de socioloog Steffen Mau heeft in zijn laatste boek Sortiermaschinen: Die Neuerfindung der Grenze im 21. Jahrhundert de aandacht gevestigd op deze ongerijmdheden. Terwijl in tijden van globalisering de wereld steeds opener lijkt en de mobiliteit van mensen toeneemt, worden landsgrenzen op een heel nieuwe manier beveiligd en worden er zelfs ‘slimme’ virtuele controlemechanismen ingevoerd, die tot ver over de grenzen van een enkel land reiken. Volgens Di Cesare legt de migrant de tegenstrijdigheid van dit nieuwe veiligheidsregime bloot: terwijl dezelfde staten enerzijds bij elke gelegenheid pleiten voor algemeen geldige mensenrechten, treden ze in de praktijk steeds meer op als deurwachters die de nieuw aangekomenen nationale en menselijke rechten weigeren door hun de toegang tot de VIP-afdelingen van de nationale chambres séparées te ontzeggen.
Tegenover de starre perspectieven van staten en naties die op grond van grondbezit een binnen en een buiten definiëren, eist Di Cesare in haar ‘filosofie van de migratie’ met denkers als Hannah Arendt, Immanuel Kant, Martin Heidegger, Jacques Derrida of Michel Foucault een eigentijds ius migrandi, een nieuw mensenrecht voor de realiteit van de zowel fragielere als mobielere levensomstandigheden van de eenentwintigste eeuw: een Europa van coëxistentie, in het besef dat ieder mens tijdelijk een plekje op deze aarde kan bewonen, maar dat nooit kan bezitten, wetend dat we ‘in de planetaire ballingschap van de globalisering allemaal inheemse vreemdelingen zijn’.
Hij vraagt alleen om een plaats in een nieuwe gemeenschap, in de verwachting met anderen samen te kunnen wonen
Met de figuur van de ‘inheemse vreemdeling’ beschrijft Di Cesare het concept van gastvrijheid en de verhouding tussen staatsburgers en vreemdelingen op een gelijkwaardige, nieuwe manier, in het kader van een wereldgemeenschap waarin iedereen de mogelijkheid heeft te wonen waar hij wil. Daarbij gaat het echter in geen geval om een soort wereldburgerschap of een liberale flexibiliteit en mobiliteit van werknemers op een internationale markt, maar om een ruimte voorbij grenzen en tegenstellingen. Om een nieuwe wereldorde waarin het samenleven, evenals – fundamenteler – het menselijke in-de-wereld-zijn, opnieuw gedefinieerd kan worden, zonder identitaire verwortelingen in een vermeend vaderland.
‘Europa moet inderdaad verdedigd worden’, schrijft ze in het nawoord bij de Duitse uitgave van haar boek, ‘maar niet in het teken van een afwijzende en zich afsluitende behoudendheid, maar in het teken van de transformatie.’ En met deze verandering van de wereldordening en de territoria worden niet alleen de fysieke grenzen bedoeld: ‘Wie de gruwel van de oorlog heeft moeten ervaren en honger en ellende moest verdragen, verlangt er niet naar om waar dan ook vrij te verkeren; hij hoopt daarentegen daar aan te komen waar de wereld weer iets gemeenschappelijks kan zijn. Hij streeft niet naar een lege kosmopolitische gemeenschap met de andere wereldburgers en maakt ook geen aanspraak op een plekje onder de zon; hij vraagt alleen om een plaats in een nieuwe gemeenschap, in de verwachting met anderen samen te kunnen wonen.’
Het voorstel dat Di Cesare met haar ‘filosofie van de migratie’ doet, is dus niet in de laatste plaats ook te begrijpen als een migratie van het denken. En mogelijk – of in het beste geval – draagt de afschuwelijke aanvalsoorlog er ondanks al zijn wapens toe bij dat veel mensen zich geestelijk opmaken om deze weg in te slaan, om zich althans in gedachten eens in een ander, vreedzamer Europa te begeven.
Een professor aan de Hanyang-universiteit in Seoel zou online college hebben gegeven terwijl hij in bad zat. De professor gaf zijn online lessen met alleen de audio ingeschakeld. Toen hij de camera van zijn computer een keer per ongeluk aanzette, was zijn bovenlichaam boven de waterlijn zichtbaar voor zijn studenten, aldus een lokale Koreaanse omroep. Hij zette de camera uit en vervolgde de les maar het geluid van spattend water in de badkuip bleef hoorbaar. Volgens zijn studenten was dat geluid al vaker hoorbaar en galmt de stem van de professor vaak alsof hij in een badkamer zit, schrijft The Korea Times.
De professor heeft zich verontschuldigd. Hij zei koorts te hebben gekregen na zijn tweede coronaprik maar zijn studenten niet te hebben willen teleurstellen door de les af te zeggen. De universiteit gaat de zaak tot op de bodem uitzoeken en beslist daarna of er disciplinaire maatregelen tegen de professor moeten worden genomen.
Berhanu Nega was een geliefde hoogleraar aan Bucknell University in Pennsylvania. Tot hij op een dag in 2015 zijn koffers pakte, en de leider werd van een Ethiopische rebellengroep in Eritrea.
Tot een paar jaar geleden was Berhanu Nega een van de meest geliefde hoogleraren op de Bucknell-universiteit. Als Ethiopische banneling met een doctoraat van de New School for Social Research in Manhattan doceerde hij Afrikaanse economische ontwikkeling, een populair vak aan de economische faculteit. Wanneer hij geen werkgroepen leidde of aan het werk was in zijn comfortabele huis in een groene wijk vijf minuten van de Bucknell-campus in landelijk Lewisburg, Pennsylvania, nam Nega deel aan academische conferenties in het buitenland of gaf hij lezingen over mensenrechten bij het Europese Parlement in Brussel.
‘De relatie tussen democratie en ontwikkeling hield hem sterk bezig,’ zegt John Rickard, hoogleraar Engels en een van Nega’s beste vrienden. ‘Hij betoogde altijd dat economische ontwikkeling niet levensvatbaar is zonder democratisering, en vice versa.’ Hij was actief in het sociale leven op de campus, supporter van de Philadelphia Eagles, voerde in 2008 campagne voor Barack Obama en stond bekend als een van de beste squashspelers op de faculteit van Bucknell. Hij en zijn vrouw, die ook uit Ethiopië komt en optometrist is, hebben twee zoons, die ze naar de beste scholen stuurden en die nu op de University of Pennsylvania en Carnegie Mellon studeren. In weekenden nodigde hij geregeld andere hoogleraren van Bucknell en hun gezinnen uit voor het eten en dan onderhield hij hen met verhalen over de Abessijnse cultuur en geschiedenis, onder het genot van Ethiopische gerechten die hij zelf bereidde; de kruiden haalde hij uit Addis Abeba en kneedde hij met de hand tot injera, een zacht zuurdesembrood van teffmeel.
Over zijn verleden bleef Nega vaag. Maar als studenten nieuwsgierig genoeg waren om hem te Googelen, ontdekten ze dat de man die in de collegezaal het ontwikkelingsbeleid in Afrika beneden de Sahara stond uit te leggen, zelf nauw betrokken was bij de oude vete tussen Ethiopië en buurland Eritrea, een conflict dat zich al een halve eeuw voortsleept. Dat conflict vlamde aan het begin van dit millennium weer op, in een grensoorlog om een onbetekenend stukje land van amper 650 vierkante kilometer, die uitliep op een heftige confrontatie waarbij beide landen duizenden troepen van zowel hun officiële strijdkrachten als niet-officiële milities langs de grens verzamelden.
Eén groep die aan Eritrese kant meevocht, noemde zich Ginbot 7 en bestond uit gedeserteerde Ethiopiërs. Nega had aan de wieg van deze groep gestaan: hij was in 2008 in Washington een van de oprichters geweest, samen met een andere Ethiopische banneling, Andargachew Tsege. De Ethiopische regering, die Nega twee jaar in Addis Abeba als politieke gevangene had opgesloten, veroordeelde hem nu bij verstek ter dood. Studenten van Bucknell waren onder de indruk van het verleden van hun docent. ‘Het maakte zijn colleges spannend,’ zegt Rickard.
Tsege fungeerde vanuit zijn basis in Eritrea als politiek leider van Ginbot 7, terwijl Nega de intellectuele leider was en fondsen wierf door geld in te zamelen bij de Ethiopische diaspora in Europa en de Verenigde Staten.
‘Extra lange sabbatical’
Maar op een dag in juni 2014 verandert dat allemaal, als Tsege, die door iedereen Andy wordt genoemd, onderweg naar de Eritrese hoofdstad Asmara een tussenstop maakt in Sanaa, de hoofdstad van Jemen. Terwijl hij in de transithal van het vliegveld op zijn vlucht zit te wachten, wordt hij gearresteerd door de Jemenitische veiligheidsdienst, die kennelijk samenwerkt met de Ethiopische inlichtingendienst. Hij wordt op een vliegtuig naar Addis Abeba gezet, waar hij triomfantelijk op de staatstelevisie wordt geshowd. Inmiddels is hij ter dood veroordeeld.
Daags na Tseges arrestatie werpt Nega zich op als diens vervanger in Eritrea. ‘Ik moest kiezen,’ zal hij later tegen mij zeggen. ‘Wilde ik academicus blijven, en commentaar blijven leveren vanuit een ivoren toren? Of kwam ik in actie, als betrokken burger?’ Nega zet zijn huis te koop en neemt onbepaald verlof van de universiteit. ‘Een extra lange sabbatical,’ zegt hij tegen zijn collega’s. Slechts een handjevol intieme vrienden, zijn vrouw en zijn twee zoons weten wat hij werkelijk gaat doen.
Op een julimiddag in 2015 pakt Nega zijn koffer, zegt zijn vrouw gedag en wordt door kameraden naar John F. Kennedy International Airport gereden. Hij heeft een laissez-passer van de Eritrese overheid, waarmee hij eenmalig het land binnen kan komen. Nega is op weg naar een nieuw leven in een straatarme dictatuur die wel het Noord-Korea van Afrika wordt genoemd; het regime is berucht om zijn steun aan de Somalische islamistische terreurbeweging Al-Shabaab, en om zijn militaire dienstplicht waardoor veel burgers van boven de achttien voor de rest van hun leven in het leger moeten dienen. Nega denkt op dat moment dat ook hij de aandacht van de regering-Obama heeft getrokken en is bang dat hij op het vliegveld zal worden tegengehouden en gerekruteerd door Homeland Security. Pas als het landingsgestel van het Egypt Air-toestel is ingetrokken en hij hoog boven de Atlantische Oceaan achteroverleunt in zijn stoel, op weg naar een van de meest geïsoleerde en repressieve landen van de wereld, kan hij zich ontspannen.
Op een kille avond in juli gaan de lampen boven Nega’s hoofd uit en zit de rebellenleider in het donker in een bungalow in de op 2300 meter hoogte gelegen stad Asmara. Nega heeft net een kaart uitgespreid op een salontafel en om mij de route te laten zien voor de geheime missie die hij de volgende ochtend wil ondernemen. Bij zonsopkomst zullen hij en een kameraad 450 kilometer naar het zuiden rijden naar de gemilitariseerde, met landmijnen bezaaide grensstreek tussen Eritrea en Ethiopië, om in een basiskamp van de rebellen iemand te ontmoeten die inlichtingen komt brengen. Zijn contact heeft ‘zeer gevoelige informatie’ de grens over gesmokkeld, over de posities van Ethiopische troepen en de kracht van verzetscellen in Ethiopië, die Nega hoopt te verbinden met zijn eigen strijders aan de Eritrese kant van de grens.
‘Ze willen de documenten die ze bij zich hebben, alleen aan mij persoonlijk overhandigen,’ vertelt Nega. ‘Zo gaat het meestal: ze willen dat ik gevoelig materiaal als eerste zie en de informatie vervolgens verspreid naar de rest van de organisatie.’
Nega, een zwaargebouwde, kalende achtenvijftigjarige met een haveloos voorkomen en een aangenaam bescheiden houding, wrijft over zijn voorhoofd terwijl de lampen even flikkeren en dan weer aanfloepen. Ginbot 7 is de afgelopen jaren gegroeid en tegenwoordig wordt de organisatie geleid door een raad van tachtig vertegenwoordigers over de hele wereld. Als commandant staat Nega aan het hoofd van verscheidene honderden rebellen in Eritrea en van een onbekend aantal gewapende strijders binnen Ethiopië die af en toe aanvallen uitvoeren uit naam van de beweging. Tijdens zijn vele bezoeken aan de frontlinies heeft hij ontmoetingen met medecommandanten, bekijkt hij de trainingen en geeft hij – hij blijft toch de professor – les over geschiedenis en democratie, met behulp van een schoolbord en krijtjes in een ‘lokaal’ in de bush.
Nega wendt zich weer naar de kaart en trekt een rechte lijn naar de Tezeké-rivier, het meest westelijke deel van de grens tussen Ethiopië en Eritrea. Veel deserteurs uit het Ethiopische leger steken daar over om zich bij de rebellen te voegen, maar de afgelopen weken is die ontsnappingsroute door het oprukken van de Ethiopische troepen in gevaar gekomen. ‘Ze brengen een grote troepenmacht naar dit gebied, want wij zijn nu het belangrijkste doelwit,’ zegt Nega. Met ‘wij’ bedoelt hij Ginbot 7, dat nu bekend staat als Patriotic Ginbot 7. ‘Ze sturen een groot deel van hun leger, artillerie en tanks dit gebied in. Tot nu toe hebben ze ons nog niet beschoten.’
Ooit waren deze twee gezworen vijanden één land. Eritrea was van 1890 tot 1941 een Italiaanse kolonie, maar werd na de Tweede Wereldoorlog geannexeerd door Ethiopië. Na een oorlog die drie decennia duurde, wisten de Eritreeërs zich in 1991 te bevrijden. Daarna onderhielden de twee buren een vreedzame relatie, tot 1998, toen een sluimerend conflict over de Yirga-driehoek, een rotsachtig stukje land langs de grens dat in koloniale kaarten nooit duidelijk was aangegeven, escaleerde en uitmondde in een twee jaar durende tank- en loopgravenoorlog, waarbij 100.000 mensen omkwamen. Ondanks bemiddeling onder auspiciën van de Verenigde Naties die het omstreden gebied aan Eritrea toekenden, houdt Ethiopië nog steeds het grensdorpje Badame bezet. Tienduizenden troepen staan tegenover elkaar, met tussen hen in een landschap van mijnen, bunkers, sluipschuttersnesten en andere stellingen.
Gewelddadige confrontaties aan de grens komen niet vaak voor, maar als het gebeurt zijn ze onverwacht en heftig. Half juni vorig jaar lanceerde Ethiopië volgens de Eritrese regering een grootschalige aanval aan de grens bij Tsorona, de eerste grote schending van het verdrag sinds 2012, mogelijk als vergelding voor aanvallen op de Ethiopische troepen door Ginbot 7. Eritrea beweerde dat het tweehonderd vijandelijke soldaten had gedood en driehonderd verwond, al waren de verliezen volgens Ethiopië kleiner. ‘Ze ontkennen het bijna altijd,’ zegt Nega tegen mij. ‘Als je de Ethiopische regering moet geloven, sneuvelt er nooit iemand.’
Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen
Ethiopië mag dan een bondgenoot van de VS zijn en naar Afrikaanse maatstaven een economische toppositie innemen, het land is ook berucht om zijn repressie. Het regime van de Tigraya-minderheid heeft honderden bloggers, journalisten en oppositiefiguren gevangengezet, en blijft aan de macht door politieke tegenstander te intimideren, verkiezingen te beïnvloeden en protesten met geweld neer te slaan. Volgens mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch hebben staatsveiligheidstroepen sinds november 2015 in de regio Oromia rond Addis Abeba meer dan vierhonderd demonstranten gedood. De protesten hebben zich verder uitgebreid naar de Amhara-regio; afgelopen augustus hebben veiligheidstroepen zo’n honderd demonstranten doodgeschoten en nog eens honderden verwond. Duizenden Oromos, een minderheidsgroep die ongeveer een derde van de bevolking uitmaakt, zijn zonder vorm van proces gevangengezet op verdenking van steun aan het Oromo Bevrijdingsfront, een afscheidingsbeweging. De Ethiopische marathonloper Feyisa Lilesa, die vorig jaar zilver won op de Olympische Spelen, vestigde de aandacht van de wereld op de wreedheden van het regime toen hij op de finish zijn gekruiste armen omhooghield uit, solidariteit met zijn mede-Oromos; hij zegt nu dat hij niet meer naar huis durft en heeft politiek asiel aangevraagd.
Aan de andere kant van de kamer in Nega’s bungalow zitten vier mederebellenleiders, allemaal leden van de Ethiopische diaspora, te eten. De mannen scheuren stukken injera af, dopen het brood in de shiro, een dikke saus, en spoelen alles weg met flesjes van het lokale Asmarabier. Op de televisie in de hoek van de kamer zijn beelden te zien van Esat, een satellietzender van de Ethiopische oppositie die uitzendt vanuit Europa en de VS. De mannen maken deel uit van een wisselend contingent van commandanten die van tijd tot tijd terugkomen naar Asmara om hun e-mail te checken en even te ontsnappen aan de primitieve omstandigheden in de bush. ‘We zijn nu met zijn vijven,’ zegt Nega, en hij stelt me voor aan zijn kameraden uit Dallas, Arlington, Calgary en Luxemburg. ‘Er is er ook nog een uit Engeland, die komt morgenochtend hierheen. Dan zijn we met zijn zessen. Vorige week waren we met zijn achten – we zijn zelfs ooit met elf man geweest.’
Het huis doet ook dienst als ziekenboeg voor rebellen die ziek zijn of in de strijd gewond geraakt, en biedt een tijdelijk toevluchtsoord voor deserteurs uit het Ethiopische leger die door de frontlinies heen weten te komen. Zo verscheen hier onlangs een voormalige piloot van de Ethiopische luchtmacht, een Oromo die na een reis van 42 uur per bus en te voet de Tekezé-rivier over was gezwommen naar Eritrea. Hij nam het besluit om te deserteren nadat hij in de gevangenis van Addis Abeba was beland, ‘valselijk beschuldigd,’ zo zegt hij tegen mij, ‘van het lidmaatschap van de Oromo-afscheidingsbeweging’.
’Zoals hij hebben we er veel,’ zegt Nega.
Nega trekt zijn jas aan om op zoek te gaan naar dieselolie voor de ochtendrit naar de grens. Met nog een andere rebel, ook uit Virginia, rijden we door de verlaten, onverlichte straten van Asmara, op zoek naar een benzinestation dat open is, maar het enige station dat we vinden heeft geen diesel meer; Nega zal de volgende ochtend moeten terugkomen, wat betekent dat hij later dan gepland naar de frontlinies kan vertrekken. Als we bij zijn huis terugkomen, wijst Nega op een stapel medische artikelen in de gang – verband, spalken, antibiotica, antimalariamiddelen – die hij naar zijn strijders wil gaan brengen, samen met drie kartonnen dozen vol zonnecellen die voor wat primitieve elektriciteit kunnen zorgen in de bush. In de kampen was Nega afhankelijk geweest van zijn mobiele telefoon voor contact met de buitenwereld, maar zelfs daar kan hij nu niet meer op rekenen. ‘Ze hebben de dekking voor telefoons afgesloten sinds de inval van de Ethiopiërs in Tsorona, vertelt hij, ‘Ik zal dagenlang onbereikbaar zijn.’
Opgegroeid met geweld
De eerste keer dat ik Nega ontmoet, eind mei 2016, is dat onder heel wat comfortabeler omstandigheden. Na tien maanden in Asmara was Nega teruggevlogen naar de Verenigde Staten voor een aantal besprekingen en om naar de diplomauitreiking van zijn jongste zoon Iyassu te gaan, die deze dagen afstudeert aan de University of Pennsylvania. Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen. Drie jaar geleden is het ‘reisdocument’ dat Nega, die geen Amerikaans staatsburger is, van het ministerie van Buitenlandse Zaken had gekregen, zelfs opgeschort en zijn aanvraag voor het staatsburgerschap van de Verenigde Staten is voor onbepaalde tijd stopgezet. Hij reist nu op een Eritrees paspoort dat in combinatie met zijn green card voldoende is om hem toegang te geven tot dit land – deze keer.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken weigert iets te zeggen over Nega of over Ginbot 7, maar Nega vermoedt dat de Amerikaanse regering niet positief staat tegenover zijn activiteiten. Maar, benadrukt hij, ‘niemand zegt ook dat ik ermee op moet houden. Ik denk dat ze weten dat dit niet tegen de VS gericht is. Wij vechten voor de basisprincipes waarop de Verenigde Staten zijn gegrondvest.’
We spreken elkaar in het weekend van Memorial Day op het terras van het chique Café Dupont aan Dupont Circle in Washington. Ook zijn zus Hiwot, die een techstart-up leidt in New York, zit aan tafel, net als zijn zoon Iyassu, een eenentwintigjarige die in zijn schooljaren een verdienstelijk hardloper was en binnenkort aan de slag gaat bij een investeringsbank in New York. Onder het genot van witte wijn en kipsalade hebben we het over de toespraak van Lin-Manuel Miranda bij de diploma-uitreiking, en Nega vertelt enthousiast dat hij na die uitreiking Donald Trump en vicepresident Joe Biden is tegengekomen (Trumps dochter en Bidens kleindochter studeerden tegelijk met Iyassu af). Ik vraag Iyassu of hij zich heeft verzoend met zijn vaders nieuwe leven in de frontlinie en hij knikt. ‘Uiteindelijk moet hij blijven streven naar waar hij in gelooft.’ Maar hij toont weinig animo om bij zijn vader op bezoek te gaan in diens Eritrese rebellenkamp, of om dieper in te gaan in de drijfveren van de Ginbot 7-beweging. ‘Ik ben net afgestudeerd – mijn leven heeft een eigen richting. Ik kan er niet zomaar tussenuit gaan. (…) Ik ben ook van een andere generatie dan hij.’
De oudere Nega hoort bij een generatie van Ethiopiërs die zijn opgeroeid te midden van opstand en geweld. Bij de lunch vertelt hij hoe het was om middelbare scholier te zijn, terwijl een marxistische junta, de door de Sovjets gesteunde Derg, keizer Haile Selassie omverwierp en een keiharde dictatuur vestigde. Nega was beschut opgegroeid, als zoon van een rijke ondernemer en moest nu toezien hoe het regime zich meester maakte van de uitgestrekte mais- en sojabonenboerderijen van zijn vader en hoe de veiligheidstroepen duizenden dissidenten, onder wie veel studenten, oppakten, gevangenzetten en executeerden. Hij en zijn twee oudere zussen werden lid van een verzetsbeweging, de Ethiopian People’s Revolutionary Army (E.P.R.P). Ze gingen ondergronds, sliepen in safe houses, probeerden uit handen van de politie te blijven. Zijn oudste zus is in die tijd opgepakt en in Dergs gevangenis verdwenen. Zijn familie heeft overal naar haar gezocht.
‘Er kwamen vaak mensen naar ons huis die tegen mijn ouders zeiden: “Ik heb haar daar en daar gezien.” Mijn moeder ging dan altijd weer naar haar op zoek,’ herinnert Nega zich. Later hoorde hij van haar vroegere celgenoten dat ze in de gevangenis was gestorven, waarschijnlijk door zelfmoord te plegen met de cyanidecapsule die ze om haar hals droeg. ‘Veel mensen hadden cyanide bij zich, want als je werd opgepakt, zou je gemarteld en uiteindelijk geëxecuteerd worden, en dan kon het zijn dat je door de martelingen werd gedwongen anderen te verraden,’ vertelt Nega. Toen de onderdrukking in Addis Abeba steeds harder werd, stuurde de E.P.R.P. Nega naar het noorden naar de provincie Tigray, het hart van een groeiende guerrillabeweging tegen de Derg; daar voerde hij aanvallen uit op regeringsstrijdkrachten. In 1978 barstte binnen de E.P.R.P. een strijd om de macht los, en Nega werd in de gevangenis gegooid. Een dag voordat de bewakers hun geweren op de resterende gevangenen richtten en er vijftien doodschoten, werd hij vrijgelaten. Nega vluchtte naar Soedan, woonde bijna twee jaar als vluchteling in Khartoem en kreeg in 1980 politiek asiel in de Verenigde Staten.
Hij haalde zijn bachelor aan de State University of New York op New Palz, waar hij ook in het voetbalteam speelde. Tijdens zijn doctoraalstudie aan de New School for Social Research woonde hij in Brooklyn en schreef zijn proefschrift over de mislukking van de Ethiopische landbouw onder het communistisch regime. Ondertussen werd de toestand in Ethiopië steeds rampzaliger. Toen de guerrillabewegingen halverwege de jaren tachtig in Tigray steeds meer aanvallen uitvoerden, blokkeerde de Derg-dictator Mengistu Haile Mariam de aanvoer van voedsel naar deze regio, en creëerde zo een verwoestende hongersnood waarin een miljoen mensen omkwamen.
Foto’s van uitgehongerde kinderen, verspreid door de nieuwsmedia, gaven de aanzet tot een internationale hulpactie, Live Aid, en vormden de inspiratie voor de pophit ‘We Are The World’, waarmee Ethiopië wereldwijd een synoniem werd voor honger. Toen Nega in 1990 een aanstelling als assistent-hoogleraar op Bucknell kreeg, was de hongersnood voorbij en bereikte de strijd van de opstandelingen zijn hoogtepunt. ‘Hij praatte nooit veel over zijn achtergrond of over het feit dat hij guerrillastrijder was geweest,’ zegt Dean Baker, een vroegere collega op Bucknell die nu aan het hoofd staat van het Center for Economic and Policy Research in Washington.
De drie opstandige groeperingen – het Volksbevrijdingsfront van de Tigraya, het Oromo Bevrijdingsfront en het Eritrese Volksbevrijdingsfront – versloegen in 1991, na tien jaar strijd, de Derg en marcheerden Addis Abeba binnen. De nieuwe regering, geleid door de Tigraya-rebellenleider Meles Zenawi, begon met de wederopbouw van het door de oorlog verwoeste land. Eindelijk had Nega reden tot optimisme. Hij kende Meles goed – de premier had tegelijk met zijn dode zuster gestudeerd en nadat de Tigraya aan de macht waren gekomen nam Nega verlof bij Bucknell en vloog met zijn vrouw en twee zoons, die allebei nog peuters waren, terug naar Addis om bij de wederopbouw te helpen. Nega geloofde in Meles’ ‘goede bedoelingen’.
Maar Nega’s enthousiasme voor de nieuwe regering taande al snel. Op de universiteit van Addis, waar hij parttime doceerde (hij had ook een aantal van zijn vaders bedrijven overgenomen), werden geen afwijkende meningen getolereerd; de studentenraad en de universiteitskrant werden verboden. Toen Nega zijn studenten aanmoedigde om academische vrijheid te eisen, viel de politie hen en andere demonstranten aan. Later, terwijl de onrust zich over de stad verspreidde, schoten ze 41 mensen dood. Nega zat een maand in de gevangenis wegens opruiing. ‘’s Nachts hoorde ik hoe gevangenen werden gemarteld, geslagen,’ vertelt hij.
In mei 2005, terwijl de economie snel groeide en de populariteit van de regering groot leek, hield Ethiopië verkiezingen – de eerste keer in de geschiedenis van het land dat de mensen werkelijk tussen verschillende partijen konden kiezen – en nodigde het internationale waarnemers uit om daarbij aanwezig te zijn. Maar de uitslag beviel Meles niet. Nega’s Coalition for Unity and Democracy won 137 van de 138 zetels in de gemeenteraad van Addis Abeba. Nega stond in de startblokken om burgemeester te worden, maar de regering weigerde de overwinning van zijn partij te erkennen en zette hem gevangen, samen met andere CUD-leiders. Amerikaanse collega’s voerden actie voor de bevrijding van Nega. ‘De Bucknell-faculteit keurde een motie goed om hem te steunen en aandacht te vragen voor zijn situatie,’ vertelt Rickard. ‘We spraken met journalisten, ambassadeurs, om te zorgen dat hij in de aandacht bleef.’ Mede dankzij internationale druk werd Nega na 21 maanden vrijgelaten en hij keerde terug naar de Verenigde Staten. De ervaring had hem ‘harder gemaakt’, zegt Samuel Adamassu, een lid van de Ethiopische diaspora die Nega en zijn gezin al sinds de jaren tachtig kent. ‘Hij realiseerde zich nu dat deze mensen alleen met geweld tot veranderingen gebracht kunnen worden.’
‘Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord’
Na onze lunch in Washington ben ik op een bijeenkomst in het Georgetown Marriotthotel, waar geld wordt ingezameld voor Ginbot 7 en waar zo’n vijfduizend leden van de Ethiopische diaspora aanwezig zijn. Nega staat op het podium voor een decor van Ethiopische en Amerikaanse vlaggen. Het zal een strijd op leven en dood worden, verzekert hij zijn enthousiaste publiek. ‘Je kunt niet onderhandelen met iemand die je komt verkrachten,’ gaat hij verder in het Amhaars, de belangrijkste taal van Ethiopië. ‘We moeten ze stoppen.’ Het verschil tussen de zachtaardige academicus die ik op het terras van Café Dupont heb gesproken en deze vurige rebel is enorm. Nega kondigt aan dat hij nieuws uit de frontlinie heeft: guerillero’s die zich loyaal aan zijn beweging hebben verklaard, hebben hun belangrijkste aanval tot nu toe uitgevoerd, bij de stad Arba Minch in Zuid-Ethiopië, op de plek van een voormalige Amerikaanse dronebasis. ‘We hebben twintig soldaten gedood en er vijftig verwond,’ zegt hij, en hij noemt dit ‘een nieuwe fase in de strijd’. (De Ethiopische regering beweerde later dat regeringstroepen de aanval hadden afgeslagen en dat slechts een paar militairen waren omgekomen.)
Bij de oprichting van Ginbot 7 in 2008, het jaar waarin hij weer op Bucknell ging doceren, had Nega nog verklaard dat de beweging ‘burgerlijke ongehoorzaamheid zou organiseren, de bestaande gewapende groepen binnen en buiten Ethiopië zou steunen en druk zou uitoefenen op de regering en de internationale gemeenschap om te onderhandelen’. Toch riep het Ginbot 7-platform later op om de regering te destabiliseren ‘met alle noodzakelijke middelen’, waaronder aanvallen op militairen en politie.
Het was een tegenstrijdige boodschap vanuit een Amerikaanse liberale universiteit die ooit in 1846 zijn eerste college had gegeven in de kelder van de First Baptist Church of Lewisburg. ‘Er is een grens overschreden,’ zegt Rickard, de hoogleraar Engels die Nega’s pleidooi voor geweld ‘verontrustend maar begrijpelijk’ vindt. ‘Hij is nooit een pacifist geweest, heeft de gewapende strijd nooit afgewezen. Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord. Zijn zuster is omgekomen en zijn beste vriend zit in de gevangenis, en verkeert in levensgevaar. Hij ziet geweld als acceptabel en nodig. Het is een beetje choquerend in zeker opzicht.’
Economische groei
Terwijl Ginbot 7 het vuur van het verzet aanblies, was Ethiopië bezig zichzelf opnieuw op de kaart te zetten als economisch succesverhaal. In navolging van het Zuid-Koreaanse en Chinese model van staatsgeleide ontwikkeling, leende Meles geld van staatsbanken en gebruikte hij westerse fondsen om zwaar te investeren in dammen, luchtvaartmaatschappijen, landbouw, onderwijs en gezondheidszorg. De Ethiopische economie nam een hoge vlucht en kende de afgelopen tien jaar een gemiddelde jaarlijkse groei van 11 procent, een van de hoogste groeipercentages van Afrika. Addis Abeba werd het pronkstuk van die transformatie, met een lightrailnet, talloze wolkenkrabbers, luxe hotels, chique restaurants en wijnbars afgeladen met kersverse miljonairs. Tegelijkertijd fungeerde het land als bolwerk tegen de verspreiding van de radicale islam in de hoorn van Afrika. Op dit moment levert Ethiopië 4400 manschappen voor een vredesmacht van de Afrikaanse Unie in Somalië en helpt het de vrede te bewaren langs de gespannen grens tussen Noord- en Zuid-Soedan. In juli 2015 bracht president Obama, op rondreis door Afrika, als eerste zittende Amerikaanse president in de geschiedenis een bezoek aan Ethiopië.
Toch beweerde Nega zowel in de collegezaal als in het buitenland, dat de gedaanteverwisseling van Ethiopië een luchtspiegeling was, geschapen om westerse waarnemers die zich zorgen maakten over het gebrek aan democratie in het land, te sussen. ‘In 2005 werd duidelijk dat ze via het politieke proces geen legitimiteit zouden krijgen, dus kwamen ze met dit nieuwe verhaal – ontwikkeling,’ zegt hij tegen mij. Nega houdt vol dat Ethiopië ‘de boeken heeft vervalst’ en dat het groeipercentage van het land grotendeels toe te schrijven is aan enorme infrastructurele projecten en westerse ontwikkelingshulp, terwijl de particuliere sector er nauwelijks aan bijdraagt. ‘De Wereldbank pompt maar geld in Ethiopië, alsof het niet op kan,’ zegt hij tegen mij. Het werkelijke groeipercentage komt volgens hem dichter bij de 5 tot 6 procent – het inkomen per hoofd van de bevolking is nog steeds het laagste in de wereld – en de zwakheid van de overheidsinstellingen zal uiteindelijk betekenen dat zelfs dat percentage niet vol te houden is.
Twee maanden voor het bezoek van Obama hield de regering verkiezingen, die in brede kring werd gezien als doorgestoken kaart, en waarin de regeringspartij alle 547 zetels in het parlement won. Maar Obama maakte duidelijk dat de veiligheid belangrijker was dan de andere problemen in de Hoorn van Afrika: staande naast Meles opvolger, premier Haile Mariam Desalegne, noemde hij de regering ‘democratisch gekozen’.
‘Ik was er ondersteboven van,’ zegt Nega tegen mij. ‘Ik begrijp de realiteit van de macht en snap wel waarom hij de Ethiopische regering steunt, maar om nou te zeggen dat die “democratisch gekozen” is? Ik walgde ervan.’
Drie dagen na mijn eerste ontmoeting met Nega in Asmara, en kort nadat hij is teruggekeerd van zijn afspraak aan de grens, rijden we aan het eind van de dag in zijn witte Hilux pick-uptruck door het landschap van zijn nieuwe leven. We passeren het armoedig uitziende en vrijwel verlaten Asmara Palace Hotel, dat vroeger een Intercontinental Hotel was, en een grote katholieke kerk waarvan Nega de naam niet weet. ‘Ik ben een beroerde toeristengids,’ zegt hij verontschuldigend. Als hij in Asmara is, brengt hij het grootste deel van zijn tijd door achter de computer, ofwel in zijn huis of in een geleend kantoor in het stadscentrum – een van de weinige plekken in de stad met een snelle internetverbinding. Eritrea heeft de slechtste internetdekking ter wereld, slechts 1 procent van de bevolking heeft toegang, en dankzij deze zeldzame breedbandverbinding kan hij via Skype bijpraten met zoons en zijn vrouw. ‘Ik geloof niet dat zij erg blij is dat ik hier zit,’ geeft hij toe, terwijl hij ongemakkelijk heen en weer schuift op zijn stoel. ‘We hebben het er maar niet meer over.’
Meteen na de onafhankelijkheid begin jaren negentig, onder Isaias Afewerki, de rebellenleider die president was geworden, werd Eritrea even als een voorbeeld gezien, een van de landen die de hoop van Afrika vormen. Toen ik in 1996 een bezoek aan het land bracht, vijf jaar nadat het zich van Ethiopië had losgemaakt, begonnen de voormalige rebellen de verwoeste economie nieuw leven in te blazen – ze herstelden wegen, bruggen en spoorlijnen naar de kust en deden een beroep op de Eritrese diaspora om in het land te investeren. Maar na de grensoorlog die van 1998 tot 2000 duurde, raakten de Eritrese leiders naar binnen gericht, en werden ze steeds wantrouwiger tegenover de buitenwereld. Afewerki onderdrukte dissidente geluiden, stuurde westerse journalisten en ngo’s het land uit, weigerde buitenlandse hulp, nationaliseerde bedrijven en ontmoedigde buitenlandse investeringen; volgens de Wereldbank is het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking nu 1400 dollar per jaar.
In 2009 legde de VN-Veiligheidsraad sancties aan Eritrea op, waaronder een wapenembargo en een reisverbod en het bevriezen van de aandelen van Eritrese topfunctionarissen, omdat het land wapens had geleverd aan Al-Shabaab, de radicaalislamitische organisatie die honderden terroristische aanslagen heeft gepleegd in Somalië en buurland Kenia. (Eritrea noemde de beschuldiging ‘bewuste leugens’.) In een VN-rapport uit juni 2016 wordt de Eritrese regering beschuldigd van ‘misdaden tegen de menselijkheid’, waaronder marteling, het gevangenzetten van andersdenkenden en een militaire dienstplicht zonder einde, die volgens de regering noodzakelijk is als voorbereiding op een nieuwe Ethiopische invasie.
‘Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen’
Nu er vrijwel geen investeringsgeld het land meer binnenkomt, is Asmara een stad die bevroren is in de tijd. Twee ezels sjokken over Harnet Avenue, de hoofdboulevard van de stad en staan af en toe stil om aan het gras rond een palmboom te knabbelen. We zien hoe grote groepen mensen over de keurige avenue lopen, langs een indrukwekkende roodbakstenen kathedraal, een art-decobioscoop uit de jaren dertig en scheefgezakte Italiaanse bakkerijen en cappuccinobars, en Nega verdedigt tegenover mij zijn besluit om zich tot de dictatuur te wenden om steun.
‘Moeten we het werkelijk hebben over het soort dictaturen waarmee de VS in bed liggen?’ vraagt hij me. ‘Dit is een land dat bereid was ons een toevluchtsoord te bieden, een land dat ooit deel van Ethiopië is geweest. Ik kijk naar al deze mensen, ik praat met ze en ze zijn net als ik, ze zijn even Ethiopisch als ik. Waarom zou ik geen hulp van ze krijgen?’
Nega houdt vol dat hij ook positieve kanten aan de dictatuur ziet. ‘Hoe arm het ook is, dit is het enige land dat zegt: “Wij gaan onze eigen koers varen – of je het leuk vindt of niet.” Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen. Dit is als een strijd tussen David en Goliath.’
Volgens hem is het rapport van de Verenigde Naties over de misdaden tegen de menselijkheid ‘overdreven’. (Een westerse diplomaat in Asmara, die me vroeg om zijn naam niet bekend te maken vanwege zijn politiek gevoelige positie, was het met Nega’s oordeel over het rapport eens; volgens hem was het gebaseerd op de getuigenissen van vluchtelingen in Europa, die er ‘belang bij hadden hun land zo kwaad mogelijk af te schilderen, om hun vluchtelingenstatus te rechtvaardigen’.)
Het is duidelijk dat Nega weinig geneigd is om kwaad te spreken over het land dat zijn beweging onderdak biedt – en dat elk moment weer kan intrekken. ‘Ik wil me niet in hun aangelegenheden mengen,’ zegt hij omzichtig. ‘Ze zijn tegenover ons altijd vriendelijk geweest.’ Privé kan de rebellenleider echter kritischer zijn. ‘Hij maakt zich geen illusies over Eritrea,’ vertelt zijn vriend en vroegere collega op Bucknell Dean Baker.
Ik vraag Nega of hij er vertrouwen in heeft dat de druk van de rebellengroepen de Ethiopische regering ten val kan brengen. Nega zegt te geloven dat hij op dit moment de beste kaarten heeft. ‘Dit verzet tegen de staat komt nu van alle kanten, uit alle delen van het land.’ Hij geeft zichzelf ‘vier of vijf jaar’ voor hij en zijn rebellenleger Ethiopië binnen zullen gaan als onderdeel van een nieuwe democratische orde. ‘Het duurt zeker geen tien jaar,’ zegt hij.
Tot het zover is zal Nega doorgaan met plannen maken en voorbereidingen treffen vanuit een onzeker en eenzaam schemergebied. Terug in de bungalow gaat hij me voor door de gang en laat me zien waar hij slaapt: een spartaanse kamer met alleen een eenpersoonsbed, een ladenkast en een nachtkastje met potjes vitaminepillen en medicijnen tegen hoge bloeddruk. (Hij heeft geen eigen ziektekostenverzekering meer sinds zijn vertrek bij Bucknell, maar valt nog wel onder de dekking van de Amerikaanse verzekering via zijn vrouw en heeft in mei in de VS voor drie maanden medicijnen gehaald.) Hij haalt een fles Absolut uit de vriezer en schenkt twee glazen in. We gaan op de betonnen binnenplaats zitten, naast een waslijn waaraan Nega’s was te drogen hangt. Weer valt de stroom uit en zitten we in de duisternis, tot het licht na een paar seconden weer aangaat. Het contrast met zijn vroegere leven in de VS – juichen voor de Lewisburg Green Dragons, het middelbare schoolhardloopteam van zijn zoon; vakanties aan de stranden van Maryland en North Carolina met zijn uitgebreide gezin – kon nauwelijks groter zijn.
‘Als gesteld bent op comfort en dat is je drijfveer, zul je dit nooit doen,’ zegt hij tegen me, terwijl hij een slokje van zijn ijskoude wodka neemt. ‘Maar soms sta je echt verbaasd. Ben je eenmaal een verbintenis aangegaan, dan worden al die dingen waarvan je dacht dat ze bij het dagelijks leven hoorden, ineens overbodige luxe.’
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.