Elkaar af en toe op de schouders slaan is niet voldoende, merkt journalist Max Scharnigg. ‘Vriendschappen hebben van tijd tot tijd nieuwe belevenissen nodig, en diepe gesprekken.’
Sinds deze zomer zit onze dochter op school, en aan de ongeveer vijfenveertig zorgen die je je als ouders in verband daarmee maakt, voegt mijn vrouw een zesenveertigste toe: ‘Ik hoop maar dat ze vriendinnetjes vindt.’ Mij leek dat een onnodige vrees, ik was niet eens op het idee gekomen. Geen vrienden maken in die hele lange schooltijd – was dat mogelijk? Nou, ik werd meteen uit de droom geholpen en wist daarna één ding zeker: dat mannenvriendschappen van meet af aan anders werken dan vriendschappen tussen vrouwen.
Mijn hele leven heb ik deze kwestie behandeld als ongeveer net zo onbeduidend als het kruidenperkje in de tuin. Daar groeien salie, lavas, tijm en rozemarijn, die elk jaar weer trouw terugkeren, ze vereisen nauwelijks aandacht en toch zijn ze mooi. Niks meer aan doen. Blijkbaar nemen mannen sommige zaken te licht op – kruidenperkjes en vrienden bijvoorbeeld.
Een keer iets beginnen en daar dan voor altijd op blijven teren – dat is bij vriendschappen een problematische strategie. Want we hebben veel meer vrienden nodig dan dat handjevol dat we uit onze kinder- en studietijd in ons volwassen leven hebben overgehouden. Velen van ons gaan heel oud worden. Velen van ons zullen eenzaam zijn als ze oud worden, hoe populair en omringd ze zich op sommige momenten ook voelen. Op tinderen en kinderen kunnen we dan niet langer rekenen.
Een keer iets beginnen en daar dan voor altijd op blijven teren – dat is bij vriendschappen een problematische strategie
Daarom hebben we vrienden nodig. We hebben ze nodig als oudedagsvoorziening, en als vangnet in de circustent van het leven. Vrouwen weten dat. Die pakken de kwestie ook na de vijfendertig vaak nog bewonderenswaardig pragmatisch aan: ze informeren bij die sympathieke moeder in de kinderopvang of bij die coole buurvrouw meteen naar de belangrijkste zaken, onthouden die voor de volgende keer en wisselen dan telefoonnummers uit.
Waarom wordt vriendschap sluiten – ooit zo’n achteloze vanzelfsprekendheid – voor volwassen mannen zo moeilijk? Zelden hoor je van een man boven de veertig dat hij een nieuwe beste vriend heeft gevonden. Waarom halen de vrouwen ons ergens in hun dertiger jaren in wat betreft het aantal sociale contacten, zoals een studie van de Aalto Universiteit in Helsinki heeft uitgewezen, en streven ze ons nog later in het leven helemaal voorbij?
En nog een vraag: waarom gaan we met de paar vrienden die we nog hebben op middelbare leeftijd vaak zo nonchalant om? Een Amerikaanse studie uit 2021 bracht het even alarmerend als plausibel klinkende feit aan het licht dat het aantal mannen met minstens zes intieme vrienden van 55 procent in 1990 was teruggelopen tot 27 procent in 2021. En ongeveer 15 procent van de mannen gaf aan helemaal geen intieme vrienden te hebben – vijf maal zoveel als in 1990. Deze ‘friendship recession’ en de daarbij aansluitende ‘male loneliness epidemic’ zijn symptomen van de westerse maatschappij geworden, die de laatste tijd veel aandacht trekken.
Niet behoeftig lijken
Vermoedelijk hangt het onderhouden van vriendschappen op een of andere manier samen met het vinden van nieuwe vrienden. Neem het klunzige gemak waarmee we in onze jeugd vriendschap sluiten met degene die in de wiskundeles naast ons zit of op het schoolplein met ons rondhangt. Dat gaat vanzelf en voelt meteen goed. Maar dat spreken we nooit uit. Waarom zou je goeie maatjes lastigvallen met emo-geklets? Elkaar stevig op de schouders slaan is wel genoeg. Zelfs levenslange mannenvriendschappen blijven daardoor vaak verrassend vrijblijvend.
Het nadeel is dat door een gebrek aan intimiteit en betrokkenheid de relatie steeds het risico loopt ongemerkt af te lopen, als een vergeten klok in een verhuisdoos. Bijvoorbeeld wanneer in het midden van het leven de carrière en het gezin decennialang voorrang krijgen. Dan hebben mannen de neiging de vrienden op stand-by te zetten en te denken dat ze na tien jaar probleemloos de draad weer op kunnen pakken. Ze willen zich – en dat is een typische en domme gewoonte van mannen – niet aanhankelijk tonen, niets eisen en niet behoeftig lijken. Zeggen: Hé, ik heb niet zo veel vrienden, ik zou het leuk vinden als we weer eens wat samen doen, krijgen mannen niet zo makkelijk over hun lippen. Aan het begin van de vriendschap is verzuimd daarvoor emotionele ruimte te scheppen.
Dus moeten we het doen met de karige dialogen als ‘Hé, hoe gaat ie?’ ‘Z’n gangetje’, die mannen elkaar eens per kwartaal als levensteken sturen. Vlak voor kerst mondt dat uit in de afspraak om samen een biertje te drinken. Maar dat is niet voldoende om een vriendschap nieuw leven in te blazen. Vriendschappen kunnen niet blijven bestaan uit het herkauwen van oude herinneringen of uit lange, zwaar aangezette monologen over het werk. Om niet hol te worden hebben vriendschappen van tijd tot tijd nieuwe belevenissen nodig, en diepe gesprekken. Waar avonturen vroeger deel uitmaakten van het dagelijks leven – op school, in de studentenflat, tijdens reizen en festivals – waren we vanaf een gegeven moment aangewezen op het ophalen van herinneringen.
Om niet hol te worden hebben vriendschappen van tijd tot tijd nieuwe belevenissen nodig, en diepe gesprekken
Maar daarvoor is later nog genoeg tijd. Er moet ondernomen worden. Als de dingen die je vroeger samen deed niet langer volstaan, dan gewoon samen iets nieuws beginnen – een sport, een hobby, een project, een berg. Vroeger zou je toch geen seconde geaarzeld hebben om je met deze gozer te laten insneeuwen?
Voor wie moeite heeft met omschakelen naar de actieve modus is het misschien behulpzaam om te doen alsof je een date voorbereidt: laten we naar die expositie gaan die nog maar twee weken duurt. Of struinen op een vlooienmarkt. Of gewoon, hoe clichématig ook, de ander te vragen te helpen bij het bouwen van het nieuwe tuinhuisje. Lekker praktisch: maak van je vriendschap je project!
Ook met doelgerichte vriendschappen is niets mis. Ze helpen de stilte en de passiviteit te overbruggen. Moeilijke zaken bespreek je makkelijker terwijl je schroevend onder een oude tractor ligt. Ik heb bijvoorbeeld al vijftien jaar een Moritz, die ik precies een keer per jaar acht uur zie, tijdens het vissen. In deze uren delen we alles met elkaar: het kleine bootje, de worstjes, wat er in onze levens gebeurd is in de afgelopen twaalf maanden. Tussen de bedrijven door lichten we het anker, doorstaan we slecht weer, fileren meerforellen en vallen in het water. Een dreamteam, werkelijk, we vertrouwen elkaar blind. Weer terug aan de wal, stappen we in onze auto’s en horen dan bijna een jaar lang niets van elkaar, tot een van ons zich genoopt voelt iets te schrijven als: ‘Hé ouwe, hoe is ’t?’ Tijdens de terugrit na zo’n Moritzdag denk ik vaak: Dit is dan misschien niet de perfecte vriendschap, maar toch op zijn minst de perfecte vorm.
Ook wie als man gelukkig getrouwd is, heeft een functionerend netwerk van vrienden nodig
Wat nieuwe vrienden betreft, ligt de zaak een beetje anders. De gedachte dat je eigenlijk met iemand bevriend zou moeten raken, als die al bij je opkomt, loopt vroeg of laat vast in een gebrek aan de juiste woorden, schouderophalen en onverschilligheid. Met de jaren valt het mannen steeds zwaarder om iemand dichterbij te laten komen. Om het vizier niet dicht te klappen. In plaats daarvan denken we: Ach, het kan ook zonder, het gaat toch best, laat maar.
Toch zouden juist die ‘gaat toch best’- mannen emotioneel belastbare vriendschappen goed kunnen gebruiken, vriendschappen waarin niet alleen voetbalpraatjes en vaarbewijzen besproken worden, maar ook ruimte is voor echte problemen, zorgen en ja, tranen.
Vrouwen benutten hun vriendinnen vaak als therapeuten voor dagelijks gebruik: ze ontslakken elkaar. Veel mannen hebben uiteindelijk alleen nog hun vrouw als stortplaats voor al wat emotioneel is, simpelweg omdat er verder niemand over is. Dat is voor beiden geen gezonde situatie, en het leidt tot een laatste, misschien wel belangrijkste inzicht: ook wie als man gelukkig getrouwd is, heeft een functionerend netwerk van vrienden nodig – al is het maar om die relatie gelukkig te houden.
Het wordt algemeen aangenomen dat we neerslachtig zijn in de winter. Maar sommige onderzoekers zetten vraagtekens bij de psychologische effecten van de seizoenen.
Velen van ons voelen zich opgewekt als de zomertijd weer ingaat, omdat na maandenlange neerslachtigheid door de koude winter de lente weer aanbreekt. Toch? Het verhaal is dat we de winter hebben doorstaan met als beloning een fonkelende aanloop naar de zomer. De gedachte aan de winter als een seizoen met donkere, deprimerende, koude dagen die mensen ternauwernood overleven, lijkt immer aanwezig. Die gedachte wordt in stand gehouden door artikelen over hoe je de ‘winterblues’ te lijf kunt gaan. Lichttherapie is een miljardenindustrie en in het noordwesten van de VS (waar ik woon) wordt er zelfs afgeteld naar wat wij ‘De Grote Duisternis’ noemen.
Sommige onderzoekers zetten hier echter hun vraagtekens bij en stellen de psychologische effecten van de winter ter discussie. Ze vragen zich af of we niet inmiddels zo vaak hebben gehoord dat de winter vreselijk is voor onze psyche, dat we daar ondubbelzinnig in zijn gaan geloven. Het begrip seasonal affective disorder [seizoensgebonden affectieve stoornis] – of liever nog de pakkende afkorting SAD – is zo populair dat het in alledaagse gesprekken wordt gebruikt.
‘De grafiek bleef het hele jaar door gewoon zo plat als een pannenkoek’
Steve LoBello, psycholoog en onderzoeker aan de Auburn University in Montgomery, wilde vaststellen wat de landelijke omvang is van SAD – een jaarlijkse depressie die strikt de cyclus van de seizoenen volgt, meestal optreedt in de herfst en de winter en weer afneemt in de lente en de zomer. Om te zien of depressies seizoensgebonden zijn, analyseerden LoBello en zijn team de gegevens van een onderzoek naar gedragsrisicofactoren door het CDC, de Amerikaanse tegenhanger van het RIVM. Honderdduizenden Amerikanen worden jaarlijks voor dat onderzoek gevraagd naar hun gezondheid en welzijn, en het bevat een aparte vragenlijst met betrekking tot depressie en angst.
‘We verwachtten dat het aantal gevallen in de winter zou toenemen en in het vroege voorjaar zou afnemen, maar vonden daarover niets in de gegevens,’ aldus LoBello over de studie die in 2016 werd gepubliceerd. ‘De grafiek bleef het hele jaar door gewoon zo plat als een pannenkoek.’ Ze vonden ook geen correlatie tussen een zware depressie en de breedtegraad (of uren daglicht) van de respondent. LoBello publiceerde een paar jaar later, in 2018, een andere studie waarin zelfs geen correlatie werd gevonden tussen milde depressie en de seizoenen. Toch domineert het idee dat we in de winter allemaal meer kans lopen om verdrietig en depressief te worden. Volgens LoBello is die gedachte meer gebaseerd op folklore dan op wetenschap.
SAD betrad de wereld van de psychologie door een artikel uit 1984 waarin een Amerikaans onderzoek onder 29 patiënten wordt beschreven. Deze patiënten hadden zich na een advertentie in de krant vrijwillig aangemeld voor het onderzoek en werden vooraf gescreend zodat alleen diegenen deelnamen die al gediagnosticeerd waren met een ernstige affectieve stoornis. De meesten van hen hadden een bipolaire affectieve stoornis en lieten weten dat ze gedurende ten minste twee voorgaande winters een depressie hebben gehad die in de lente of de zomer afnam.
Al snel werd de specificatie ‘seizoensgebonden’ toegevoegd aan het hoofdstuk over affectieve stoornissen in het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Tevens werden er criteria vastgesteld voor de diagnose SAD: iemand moet tijdens een bepaald seizoen lijden aan een zware depressie, die depressie moet verdwijnen tijdens een ander seizoen en dat patroon moet zich minstens twee jaar lang herhalen. Naar schatting lijdt tegenwoordig 4 tot 6 procent van de Amerikaanse bevolking tijdens de wintermaanden aan SAD – een kleiner percentage van de SAD-gevallen wordt veroorzaakt door de zomer. Deze percentages stemmen niet overeen met hoe gemakkelijk mensen de term op zichzelf toepassen.
‘De koude winterlucht zorgt ervoor dat ik me levendiger en alerter voel, terwijl zomerhitte me juist slaperig maakt’
De vraag hoe de seizoenen onze hersenen beïnvloeden is net als bij andere psychologische onderzoeken gecompliceerd en zeer uiteenlopend. Veel studies suggereren dat er voor sommige mensen enig verband bestaat tussen de seizoenen, blootstelling aan licht en symptomen van depressiviteit. Andere studies betwisten deze bevindingen. Zo is er een literatuuronderzoek uit 2008 van een team in Noord-Noorwegen dat zelfs in die extreme winteromgeving ‘geen correlatie kon vinden tussen depressieve symptomen en de hoeveelheid omgevingslicht’. Nationale gezondheidsdiensten in Zweden en Groot-Brittannië hebben gemeld dat het bewijs voor lichttherapie bij de behandeling van depressieve stoornissen niet overtuigend is. Dat wil niet zeggen dat niemand in de winter vanwege het weer depressieve symptomen ervaart, maar het is moeilijk om vast te stellen dat er voor de hele bevolking een verband bestaat tussen winter en een slecht humeur.
Zeker is in ieder geval dat niet ieders stemming en cognitie op dezelfde manier worden beïnvloed door de seizoenen. Hoewel langere, warmere dagen algemeen worden beschouwd als een soort volksremedie tegen neerslachtigheid, melden sommige mensen die in een klimaat leven waar de zon altijd schijnt dat ze zich niet lekker voelen door de afwezigheid van de winter. Kate Sedrowski, een 42-jarige bergbeklimmer en schrijver, groeide op in Michigan en studeerde in Boston voordat ze naar Los Angeles verhuisde. ‘Het ontbreken van seizoenen – en dan vooral van de winter – voelde voor mij gewoon niet goed,’ laat ze weten per e-mail. ‘De koude winterlucht zorgt ervoor dat ik me levendiger en alerter voel, terwijl zomerhitte me juist zo slaperig als een luiaard maakt. De korte dagen in de winter dwingen me om het daglicht te benutten om dingen voor elkaar te krijgen, voordat ik me kan ontspannen en overgeven aan de winterslaap als het donker wordt.’ Sedrowski, die nu in Golden in Colorado woont, zegt dat ze in de koude wintermaanden vol sneeuw de meeste energie heeft.
Sommige mensen ontdekken zelfs een ander soort productiviteit in de winter. De koelere, zuidelijke winter is nu Muriel Vega’s favoriete tijd van het jaar. Zij heeft als inwoner van Atlanta absoluut niet te lijden van strenge winters, maar is opgegroeid in een tropisch land waar het altijd zonnig en warm was. Vega vindt het prettig dat de hitte en de constante sociale verplichtingen onderbroken worden. ‘De winter is een heel bijzondere tijd om binnen te blijven,’ zegt de 36-jarige productmanager. De zomer staat meestal bol van de uitjes met vrienden, dagen op het strand en bezoeken aan het park, maar in de winter kan ze op andere manieren productief zijn. Dan besteedt ze meer tijd aan haar gezin, aan lezen en huiselijke dingen als schoonmaken en uitgebreid koken.
Tromsø
Hersenonderzoekers besteden ook aandacht aan de vraag of de winter ons mentaal slomer maakt. Timothy Brennen, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Oslo en gespecialiseerd in geheugen en cognitie, onderzoekt of verschillen tussen de seizoenen leiden tot verandering in cognitieve activiteit zoals herinnering, attentie of reactiesnelheid. Hij koos voor zijn onderzoek Tromsø in Noorwegen. Dat ligt boven de poolcirkel en twee maanden per jaar komt de zon er helemaal niet boven de horizon uit. Het maakt de stad bij uitstek geschikt voor dit soort onderzoek. ‘De meeste testen laten geen verschil in prestatie zien tussen zomer en winter, en als ze dat wel doen, suggereren vier van de vijf zelfs dat de winter voordelen heeft’, schrijft Brennen in zijn artikel. Toch schrijven velen van ons slaperigheid of gebrek aan geestelijke productiviteit toe aan een seizoensgebonden depressie. Als we allemaal echt depressief zouden zijn in de winter, aldus Brennen, ‘dan zou dat enorme gevolgen moeten hebben voor de samenleving. Maar dat is niet zo.’
De seizoenen beïnvloeden ons leven wel degelijk, verduidelijkt Brennen, maar steeds meer onderzoeken tonen aan dat de meesten van ons in de winter geen grote psychologische effecten ervaren zoals depressie en cognitieve sloomheid, ook al denken we van wel. Wakker worden op donkere winterochtenden kan bijvoorbeeld moeilijker zijn dan wakker worden in de zomer. ‘Maar suf zijn nadat je bent ontwaakt uit een diepe slaap heeft niets te maken met depressie,’ zegt hij. Je voelt in dergelijke gevallen de effecten van een verstoring van je slaapcyclus. Of je voelt de verleiding van een knus, warm bed op een koude ochtend.
We kunnen ons ongemakkelijk voelen bij lagere temperaturen of bij gevaarlijke weersituaties zoals sneeuwstormen. Ook kunnen we grapjes maken dat we het hele seizoen een winterslaap zouden willen houden. Maar ons zenuwstelsel en ons leven staan niet zomaar stil. Sommige van de drukste reisweekenden vinden plaats tijdens de wintervakantie. Veel mensen trekken in januari en februari naar de bergen om te skiën, snowboarden of sleeën. De winter kan zeker donker zijn en lastig om door te komen, maar voor de meesten van ons heeft het seizoen geen ernstigere effecten dan dat.
Toen een vloedgolf tientallen wilde paarden en koeien wegvaagde van de kust van North Carolina, had niemand verwacht dat er overlevers zouden zijn. Tot er hoefafdrukken in het zand verschenen. ‘Koeien zijn stoïcijnen; ze verbijten zich.’
De wilde paarden hebben allemaal een naam. Ze heten bijvoorbeeld Ronald, Becky of Clyde. Het klinkt wat gewoontjes, zelfs voor een paard, en toch is elke naam een soort ereteken. Want al jarenlang vernoemen de bewoners van Cedar Island in North Carolina ieder veulen dat in de plaatselijke kudde mustangs geboren wordt, naar de oudste nog levende persoon die zijn naam nog niet aan een paard gegeven heeft. Op die manier is elke eilandfamilie van oudsher verbonden met de kudde.
Cedar Island, gelegen in een deel van North Carolina dat bekendstaat als Down East, is wat tegenwoordig in de Verenigde Staten doorgaat als afgelegen. Hoewel het in vogelvlucht maar 65 kilometer verwijderd ligt van Cape Hatteras, met zijn toeristen, hypotheekmakelaars en restaurants met namen als Dirty Dick’s Crab House, blijft Cedar Island een plaats met slechts een handvol mensen en bedrijven, waar het onzeker is of je op zondagavond in een restaurant terecht kunt – of zelfs maar een bord hush puppies [gefrituurde maisdeegballetjes] kunt scoren. Bij aankomst merk je niet eens dat Cedar Island een eiland is. Als je de hoge Monroe Gaskill Memorial Bridge oprijdt, die het eiland met het vasteland verbindt, kun je gemakkelijk denken dat je een van de vele rustige, meanderende rivieren in de regio oversteekt. In feite is het de Thorofare, een smal zoutwaterkanaal dat de Pamlico Sound in het noorden en de Core Sound in het zuiden met elkaar verbindt. De Pamlico is een van de grootste lagunes aan de Amerikaanse kust, de Core is smal en compact. Cedar Island ligt ertussenin, en samen worden ze omsloten door de Outer Banks.
Onder het kolkende geweld van orkaan Dorian veranderde Cedar Island compleet
Ik schreef net dat Cedar Island twee lagunes scheidt, en op de kaart klopt dat ook. Maar in werkelijkheid is het gebied minder afgebakend. Delen van het kleine eiland staan soms onder water, afhankelijk van de wind, het getij en het seizoen, met name tijdens het orkaanseizoen.
Het amfibische karakter van Cedar Island was nog nooit zo duidelijk als op de ochtend van 6 september 2019. Onder het kolkende geweld van orkaan Dorian veranderde het gebied compleet. De Pamlico en Core Sound voegden zich samen tot één woeste watermassa, die Cedar Island deed slinken tot een fractie van zijn oppervlakte. Het eiland was niet langer gescheiden van het vasteland door de dunne blauwe lijn van de Thorofare, maar door bijna tien kilometer oceaan.
Mustangs
De meeste van de pakweg tweehonderdvijftig mensen die op het eiland woonden zaten veilig in hun huizen die gebouwd waren op een strook niet al te hoge grond, maar precies hoog genoeg om de gesel van de orkanen te doorstaan. De wilde paarden daarentegen – negenenveertig in totaal – hadden een probleem.
Er waren ook enkele koeien. Die hadden geen naam.
Er bestaat niet zoiets als een echte wilde koe. Hoewel de runderen op Cedar Island min of meer vrij rondlopen, heten ze in vaktermen ‘verwilderd’ – het zijn de afstammelingen van ontsnapte gedomesticeerde dieren. De mustangs op het eiland zijn ook verwilderd, en bezoekers komen vaak naar Cedar Island in de hoop de zogenaamde ‘bankerpaarden’ te zien. Maar bijna niemand komt speciaal naar het eiland om de ‘zeekoeien’ te fotograferen.
Door heel Amerika is de mustang – met zijn wapperende manen en roffelende hoeven – de aardse belichaming van schoonheid en vrijheid
Toch zijn de koeien opvallende verschijningen. Hun kleur varieert, maar de meeste hebben een blonde vacht die past bij het witte zand en de schittering van de zon op de noordelijke kaap van Cedar Island, waar zowel koeien als paarden rondzwerven. Toeristen zijn blij als ze de koeien zien maar toch niet zo blij als met de paarden. Hier en door heel Amerika is de mustang – met zijn wapperende manen en roffelende hoeven – de aardse belichaming van schoonheid en vrijheid. Voor de koeien geldt dat niet.
Voor de bewoners van Cedar Island maken de koeien deel uit van wat hun thuis zo eigen maakt, vormen ze een dierbaar en vertrouwd onderdeel van de gemeenschap en haar geschiedenis. In feite zijn de koeien al veel langer op het eiland dan de mustangs, die drie decennia geleden werden overgeplaatst uit de bekendere Shackleford Banks-kudde. Maar de relatie die mensen op het eiland hebben met paarden is anders dan die met koeien, zoals bijna overal ter wereld geldt.
‘Vroeger was dit paardenland,’ zegt Priscilla Styron, die al dertig jaar op Cedar Island of in de omgeving woont en op de veerbootterminal werkt. ‘Iedereen reed paard, er waren Pony Pennings [een jaarlijks event], we deden van alles. Iedereen was altijd aan het paardrijden.’ Wat de koeien betreft was het niet zo lang geleden voor eilanders nog normaal om er een van het strand te halen, om ze thuis vet te mesten en te slachten.
Toen orkaan Dorian Cedar Island naderde, maakte niemand zich druk om de dieren. Een eilandbewoner, die zichzelf een ‘eenvoudige boerenjongen’ noemt en zijn naam niet vermeld wil zien, lacht om het idee dat wilde dieren zich zouden laten bijeendrijven en van het eiland voeren tot de storm voorbij is. Niet dat iemand dacht dat het nodig was, aldus Priscilla Styron. ‘Meestal beschermen ze zichzelf, je hoeft je er geen zorgen om te maken,’ zegt ze. ‘Ze hebben betere zintuigen dan wij.’ Cedar Island had nog nooit meer dan een of twee exemplaren van zijn wilde kudden verloren in een storm – en Down East heeft meer dan genoeg dieren.
Een Cedar Island-koe heeft een redelijke kans om haar tienerleeftijd te halen, en soms zelfs haar dertigste verjaardag
In 2019 liepen er misschien vijfentwintig koeien op het eiland – niemand wist het zeker, want niemand hield de telling bij, zelfs niet de bewoners die op hun runderbuurtjes gesteld waren. Voor ten minste enkele koeien was Dorian niets nieuws. Weinig koeien in Amerika leven langer dan zes jaar; de meeste worden veel jonger geslacht. Maar een Cedar Island-koe heeft een redelijke kans om haar tienerleeftijd te halen, en soms zelfs haar dertigste verjaardag. Een koe die in 2019 twintig jaar oud was, kon minstens tien orkanen hebben meegemaakt: Dennis, Floyd, Isabel, Alex, Ophelia, Arthur, Matthew, Florence en twee Irenes. De kudde kon rekenen op de ervaring van de ouderen.
Complex sociaal gedrag
Biologen hebben pas onlangs ontdekt dat koeien complex sociaal gedrag vertonen, en dat ze diepgaand inzicht hebben, wat we niet zouden verwachten van dieren die we typeren als slonzig, zachtaardig en sloom. Een wilde kudde organiseert bijvoorbeeld crèches en deelt de kalveren in leeftijdsgroepen in. Meestal staat zo’n crèche onder toezicht van één volwassen koe terwijl de rest gaat grazen. Dat werkt alleen als de oppassers begrijpen dat het hun taak is te zorgen voor de kalveren die niet van hen zijn, zelfs als ze daardoor genoegen moeten nemen met minderwaardig voer terwijl de anderen van groenere weiden genieten. En de kalveren moeten snappen dat ze onder toezicht staan, ook al is hun moeder uit het zicht.
Niemand legde vast hoe de koeien reageerden toen Dorian naderde, maar evolutiebioloog Mónica Padilla de la Torre kan ons een goed beeld geven. ‘Ze zijn meestal niet bang voor storm. Ze houden van storm,’ vertelt Padilla. ‘Ze houden van koelte en schaduw, en ze zijn blij als het regent.’
Toen orkanen nog niet werden opgespoord door satellieten en weerradars, waren koeien nuttige voorspellers
Nog voor de orkaan aan de zuidelijke horizon opdoemde, begon de kudde zich waarschijnlijk al te verplaatsen – met die gebruikelijke traagheid van vee, dat maanwandelgangetje – naar een schuilplek. Toen orkanen nog niet werden opgespoord door satellieten en weerradars, waren koeien nuttige voorspellers. De migratie, vertelt Padilla, werd geïnitieerd door de leiders van de kudde. Bij vee wordt de pikorde vastgesteld na een gewelddadig treffen, en als dat eenmaal geregeld is, ontstaat er een goedaardige dictatuur. De leiders krijgen de beste plaatsen om te eten en de beste schaduw om in te liggen, en ze nemen belangrijke beslissingen, zoals wanneer het met een storm op komst tijd is om zich terug te trekken naar hoger gelegen gebied.
Voor het vee van Cedar Island was hoger gelegen gebied een berm van met kreupelhout bedekte duinen tussen het strand en het moerasland in. Daar graasden de koeien en kauwden en herkauwden ze, letterlijk. Het ruwe voer passeert een spijsverteringsorgaan, de pens, dat mensen niet hebben. Ze leken helemaal niet in paniek maar vormden een bucolisch tafereel, afgeleid van het Griekse woord boukolos, dat ‘koeherder’ betekent.
Een goede waarnemer, zegt Padilla, kon subtiele verschillen tussen de dieren hebben opgemerkt: moeders die waakzaam of onbezorgd waren, kalveren die speels of lui waren, overduidelijke eenlingen of paren die elkaar likten of verzorgden. Padilla heeft eens maandenlang de communicatie van koeien bestudeerd – ik vond haar woordspeling ‘koe-municatie’ verrassend sterk – door de in het wild lopende dieren die ze observeerde met bijnamen als Dark Face en Black Udder [Zwarte Uier], te onthouden. (Ze besefte toen nog niet dat die laatste een perfecte verwijzing is naar de klassieke Britse tv-komedie Blackadder. Wat is dat toch met koeien en woordspelingen?) Op Cedar Island, vertelt Padilla, was het niet zomaar een kudde die geconfronteerd met een storm. Het was een groep individuen, elk met persoonlijke relaties, inclusief wat Padilla zonder meer vriendschappen noemt.
Orkaan Dorian
Dorian arriveerde in het diepe duister van de eerste uren van 6 september. Drie dagen eerder had hij de Bahama’s geteisterd met windsnelheden van bijna 300 kilometer per uur, waarmee de orkaan het record verbrak voor de windsnelheid van een Atlantische cycloon die ooit aan land werd gemeten. Sommige waarnemers stelden zelfs voor hem als een categorie zes te classificeren op de vijfpuntsschaal van orkaankracht. Tegen de tijd dat hij North Carolina bereikte was hij wat afgezwakt, maar het was nog steeds een orkaan. Pikzwarte wolken pakten zich samen voor de maan en de sterren. De lichtjes van Cedar Island flikkerden met moeite door de regen heen. De orkaan raasde langs de kust op weg naar Cape Hatteras. Voor hij daar aan land ging, zweepte hij de Pamlico en Core Sound op tot een schuimende, spuitende massa, brullend blies hij zandplaten richting de duinen. Het struikgewas waaronder de koeien waarschijnlijk hun toevlucht hadden gezocht en dat door de voortdurende landinwaartse bries al steeds gebogen staat, kromp nog meer ineen onder het gebeuk van de storm. Dorian bereikte op Cedar Island een windstoot van 117 kilometer per uur – de sterkste die in de staat gemeten werd.
Toen het oog van orkaan Dorian griezelig kalm over het eiland was getrokken en de windsnelheid daalde tot slechts een stevige bries, leek er weinig meer te vrezen. De achterste helft van de storm moest nog komen, maar de bewoners van Cedar Island, mens of geen mens, hadden erger gezien. Zelfs in het laagseizoen heeft de kust van North Carolina te maken met orkanen. Als je beelden ziet van een strandhuis dat instort in de beukende branding, is de kans groot dat het is opgenomen op de Outer Banks. Wie rondrijdt in Down East ziet veel huizen op drie meter hoge palen; in sommige woningen kom je alleen met een lift op de eerste verdieping. Op kaarten is te zien dat een groot gebied van de Outer Banks, waaronder het grootste deel van Cedar Island en enorme delen van het vasteland, als de zeespiegel met iets meer dan dertig centimeter stijgt, onder water staat. Toch maken de bewoners geen aanstalten om te vertrekken. De klappen opvangen, daar zijn ze hier geoefend in.
Maar in dit geval gebeurde er iets ongewoons toen het centrum van de storm naar het noorden trok. Rond half zes ’s ochtends kreeg Sherman Goodwin, eigenaar van Island’s Choice, de enige winkel annex tankstation op Cedar Island, een telefoontje van een vriend die vlak bij de winkel woonde. Er was in het gebied een stormvloed aan het opkomen, zei de vriend. Een kwartier later, toen Goodwin door het schemerige ochtendlicht naar zijn winkel reed, was het water zo erg gestegen dat het over de motorkap van zijn Chevy-truck sloeg, die door de offroad-ophanging en de terreinbanden ook nog eens extra hoog is. ‘Het leek een vloedgolf die binnenstroomde,’ zei Goodwin. ‘Het ging heel snel.’
Om te begrijpen wat er die ochtend op Cedar Island gebeurde, moet je je voorstellen dat je over het oppervlak van hete soep blaast
Tegen de tijd dat Sherman en zijn vrouw Velvet – ‘Mijn moeder vond die film National Velvet zo leuk’ – hun winkel bereikten, moesten ze in het gebouw schuilen. Velvet zag in de storm een kikker langs een raam voorbij vliegen. Een schildpad spoelde aan tot bovenaan de trap bij de ingang. ‘Het scheelde niet veel of hij kwam de winkel binnen,’ zegt Sherman. Op een foto is te zien hoe de benzinepompen onderliepen tot aan de prijstikkers.
Om te begrijpen wat er die ochtend op Cedar Island gebeurde, moet je je voorstellen dat je over het oppervlak van hete soep blaast. De vloeistof gaat rimpelen en klotst tegen de andere kant van de kom. Dat effect had Dorian ook op de Pamlico Sound, maar hier ging het om een constante, krachtige wind die uren aanhield.
De orkaan stuwde het water naar de kust van het vasteland, dat in de woorden van Chris Sherwood, oceanograaf bij de U.S. Geological Survey (USGS), ‘absoluut perfect’ is om water binnen te krijgen dat door de wind is aangedreven. De rivieren Bay, Neuse, Pamlico en Pungo stromen in de Pamlico Sound door brede mondingen die het water net zo gemakkelijk binnenlaten als uitstoten. Een groot deel van de overige kustlijn is een enorme spons van moerassen. Wat zich in deze verzameling waterbekkens ophoopt, is in feite een berg van water die door de wind op zijn plaats wordt gehouden.
Mensen die de geluiden van North Carolina kennen, weten welke trucs de felle wind kan uithalen. Kusthistoricus David Stick legde eens uit dat tijdens een orkaan achthonderd meter zeebodem in de luwte van de Outer Banks bloot kan komen te liggen als het zeewater naar het westen wordt gestuwd. Wanneer dat gebeurt, kan er een bizar fenomeen optreden: van de landzijde kan nog een stormvloed komen die de eilanden voor de kust treft in wat een overstroming aan ‘Sound’-kant wordt genoemd. Wetenschappers kennen het als een seiche [haling].
De lawine van zeewater was gelijk aan ongeveer een derde van het gemiddelde debiet van de Amazonerivier
Toen het oog vanDorian de Pamlico Sound passeerde, begon de seiche die door de storm was veroorzaakt weer in te storten. Vervolgens begon de wind die vanuit de zuidelijke helft van de orkaan blies, dus in de tegengestelde richting, het water terug te drijven in de richting waar het vandaan kwam. In zekere zin daalde de seiche ook; het oceaangetij trok zich in de vroege ochtenduren terug, terwijl de orkaan, die nog steeds druk zette op de Atlantische Oceaan, het water naar het oosten dwong en een depressie achterliet. Deze krachten werkten samen om de seiche, die drie meter hoger was dan het waterpeil van de oceaan, uit de Pamlico Sound in oostelijke richting naar de Atlantische Oceaan te sturen.
Vloedgolf
De lawine van zeewater was gigantisch, gelijk aan ongeveer een derde van het gemiddelde debiet van de Amazonerivier, verreweg de grootste rivier ter wereld. De Amazone echter stroomt in zee via een enorme riviermond. De vloedgolf van Dorian probeerde de open Atlantische Oceaan te bereiken langs de ‘dijk’ die de Outer Banks-eilanden vormen, gescheiden van elkaar door slechts enkele nauwe kanaaltjes. Aan de zuidkant van de Pamlico Sound bevond zich een extra obstakel: Cedar Island.
Het water ging niet om het eiland heen. Het overspoelde het.
De vloedgolf verdween bijna net zo snel als hij was gekomen en trok verder naar de Outer Banks, waar hij zich op het eiland Ocracoke stortte als een muur van water die hoger was dan ze er ooit hadden gezien. Zodra Dorian was gepasseerd, begon het overstromingswater zich terug te trekken. Op Cedar Island bleef in de gebouwen een dikke, vettige smurrie achter en de wegen lagen vol puin, maar er werden geen ernstige gewonden gemeld. Meer dan een derde van de gebouwen op Ocracoke was beschadigd, maar voor zover bekend waren er geen doden gevallen.
‘Moeder Natuur heeft ze aan ons gegeven en dus kan Moeder Natuur ze ook weer van ons afnemen’
Zodra de oceaan voldoende gekalmeerd was en de eilandbewoners weer konden uitvaren, kwam het eerste nieuws naar buiten over verliezen uit de kuddes paarden en rundvee van Cedar. ‘Toen zagen ze er veel,’ zegt Styron. ‘Ik bedoel: drijvend.’ Dat Cedar Islanders hun hart niet op de tong dragen over zulke dingen, blijkt duidelijk uit de reactie van een anonieme bron als ik vraag wat de mensen erbij voelden dat veel dieren waren omgekomen. Na een ongemakkelijke pauze zegt hij: ‘Dat kun je wel raden, toch?’ En hij voegt eraan toe: ‘Moeder Natuur heeft ze aan ons gegeven en dus kan Moeder Natuur ze ook weer van ons afnemen.’
Als er al getuigen waren van wat er was gebeurd met de wilde kuddes van Cedar Island, dan hebben ze zich niet gemeld. Maar hoogstwaarschijnlijk heeft niemand iets gezien, want de vloedgolf kwam zonder waarschuwing in de duisternis, en de paarden en koeien liepen vaak ver bij de huizen vandaan. De dieren zullen niet diep geslapen hebben die vroege ochtend – wilde dieren zijn ’s nachts waakzamer dan mensen die veilig in hun huizen zitten. Toch waren ze misschien minder alert geworden, omdat ze voelden dat ze de zoveelste orkaan hadden overleefd.
Dan komt plotseling de zee het land op. Bijna drie meter hoog water bedekt de stranden. Het zet de moerassen onder, waar de koeien zich tegoed doen aan zeehaver en zeegras, en het stroomt over de laagste duinen. Uit het onderzoek van Padilla weten we hoe het schouwspel moet hebben geklonken: hoog, staccato geloei – de alarmkreet van een koe – schalt door de vochtige lucht, het gekrijs van de kalveren wedijvert met het brullen van de wind en de branding. In het water dat met duizelingwekkende snelheid stijgt, zoeken moederkoeien in allerijl naar hun jongen, terwijl rundermaatjes vechten om niet van elkaar gescheiden te worden.
Achtentwintig paarden zijn weggevaagd. Niemand weet precies hoeveel koeien er zijn meegesleurd – vier van hen lukt het aan land te blijven, en plaatselijke bewoners schatten later dat tussen vijftien en twintig dieren door de vloed zijn meegenomen. Waarschijnlijk tilde het water hun hoeven van de grond, het ene dier na het andere, eerst de veulens en kalfjes, daarna de volwassenen. Tot ze allemaal in de storm waren verdwenen.
Ander kaliber
De eilanden die gezamenlijk bekendstaan als de Core Banks, gelegen ten zuidoosten van Cedar Island, zijn ongeveer 60 kilometer lang en in de meeste gevallen nog geen anderhalve kilometer breed. Op de kaart zien ze eruit als een skeletachtige vinger die treurig naar de Noord-Atlantische Oceaan wijst. Zoals de meeste wadeilanden zijn ze laag – ongeveer 2,5 meter boven zeeniveau, met de hoogste duinen tot 7,5 meter – en samen vormen ze de Cape Lookout National Seashore, een beschermd natuurgebied. Orkanen houden altijd flink huis op wadeilanden, maar op de ochtend van 7 september 2019, de dag nadat orkaan Dorian toesloeg, werd duidelijk dat deze storm van een ander kaliber was.
Voor de orkaan over het gebied trok, waren North en South Core Banks van elkaar gescheiden door één passage, de Ophelia Inlet. Na de storm ontstonden er 99 extra kanalen, die de wadeilanden in 101 stukken verdeelden. Het waren niet gewoon inhammen, maar echte doorgangen. De seiche die over Cedar Island spoelde, botste tegen de wadeilanden en boorde zich er dwars doorheen. ‘In de geschiedenis van het park hadden we aan de Sound-kant nog nooit zoiets gezien als na orkaan Dorian,’ vertelt Jeff West, beheerder van Cape Lookout National Seashore. ‘Ik kreeg vaak het verwijt dat ik twintig procent van het park had laten verdwijnen.’
West zat op de eerste onderhoudsboot die van Cedar Island naar de Outer Banks voer. Hij meerde aan bij een Park Service-plek enkele kilometers noordwaarts op de Outer Banks en reed in een terreinwagen het strand af. Na vijftig meter kwam hij bij de eerste doorgang. Toen hij tot aan zijn nek in het water stond, vond hij het eerste karkas. Hij nam niet de tijd om vast te stellen of het een paard of een koe was. ‘Soms vinden grote vissen ze lekker,’ vertelt hij.
Uiteindelijk vindt het personeel van Cape Lookout bijna vijfentwintig dode paarden en koeien, en ook herten en zeevogels. De meeste lagen langs de openzeezijde van de South Core Banks, waarschijnlijk door Ophelia Inlet binnengedreven, voordat ze op het strand aanspoelden. De karkassen die het verst weg lagen werden gevonden bij de vuurtoren van Cape Lookout, bijna vijftig kilometer verwijderd van de plek waar de dieren in zee terechtkwamen.
Op Cedar Island waren ook zwemmende koeien gespot
Werkers van Cape Lookout begroeven de lichamen die niet door het tij waren meegevoerd.
De meeste media-aandacht ging naar de schade die was aangericht op het eiland Ocracoke. In het eerste bericht over de verloren kuddes van Cedar Island werd alleen gesproken over de verdronken paarden; de koeien kwamen pas in latere artikelen aan de beurt. In de nieuwsstroom dook een futiel berichtje op dat algauw werd vergeten toen de Democraten in het Congres een afzettingsprocedure tegen Donald Trump overhandigden.
De vraag is of koeien kunnen zwemmen. Dat kunnen ze. Wie kent niet de beelden van cowboys in het Wilde Westen die met hun kudde een diepe rivier oversteken, om ze naar groene weides of naar de markt te brengen? Op Cedar Island waren ook zwemmende koeien gespot. Een vaste bezoeker beschrijft ‘schattige kalfjes’ die in de rij staan om de oversteek te maken naar Hog Island, net ten zuidoosten van Cedar Island in de Core Sound. ‘Ik had zoiets van: Niet doen! Het is wel een halve kilometer, dat kunnen jullie niet,’ zegt hij. Maar voor de kalveren bleek het een makkie.
Een smal kanaal oversteken bij kalme zee is één ding, zwemmen tijdens een orkaan is totaal iets anders. Je moest wel erg optimistisch zijn om te geloven dat er dieren van Cedar Island waren die het hadden overleefd. ‘Door hoe de wind waaide was het volgens mij extreem zwaar om je hoofd boven water te houden. Je moest zwemmen terwijl de golven over je heen sloegen,’ zegt Pam Flynn, een gepensioneerde kleuterleidster die sinds 1972 in Down East woont en heeft gezocht naar overlevende dieren. ‘Het moet een marteling zijn geweest, die laatste momenten vol angst en pijn. Hartverscheurend.’
Pootafdrukken
Een maand ging voorbij. Als snel slibden de geulen weer dicht door de wind en de golven, maar wat vroeger de zuidelijke punt van de North Core Banks was, bleef twee jaar lang een apart eiland: Middle Core Banks. Op een dag begin oktober stapten leden van het team natuurbeheer van Cape Lookout in hun terreinwagen voor een routineklus op de Middle Core Banks. Bijna dagelijks speurden ze het strand af naar nesten van zeeschildpadden en vogels die gered moesten worden van een populair Amerikaans tijdverdrijf: strandrijden. Dit keer zagen ze iets heel anders: de sporen van een of ander groot dier. Ze waren te groot om van een hert te zijn, en ze hadden twee tenen in plaats van een hoef, dus ze konden niet van een paard zijn. Het kon niet anders of het waren de pootafdrukken van een koe. Een koe van Cedar Island.
‘Ik kon het eerst niet geloven,’ zegt West. Als het hulpteam hem foto’s van de pootafdrukken stuurt, wil West niets liever dan deze overlevende koe met eigen ogen zien.
West bracht zijn jeugd door op een ranch vlak bij Temple, Texas, waar hij leerde om koeiensporen te volgen. Die ervaring zou hem nu van pas komen. In de dagen nadat de hoefafdrukken waren ontdekt, bleek de koe hen steeds te vlug af te zijn, want nog niemand van de National Park Service had haar gezien. Vaak zijn de koeien van Cedar Island ’s nachts actief en verplaatsen ze zich zo snel als schimmen. En hoewel Middle en North Core Banks op sommige plekken zo smal zijn dat je in drie minuten van de Sound-kant naar de Atlantische kant loopt, bestaan ze vooral uit een labyrint van meertjes, moerassen en struikgewas waar het stikt van de vliegen. Bovendien hadden de reddingswerkers ook op de kleine, aangrenzende eilandjes hoefafdrukken gezien; ondanks haar recente zeeavontuur bleek de koe nog steeds korte oversteken te maken. ‘Totaal niet bang om te zwemmen,’ zegt West met bewondering in zijn stem.
Uiteindelijk vond hij het dier per toeval. West was uitgevaren naar Long Point op North Core Banks, waar enkele rustieke houten hutten stonden die het parkbeheer toen alles nog normaal was verhuurde aan toeristen. De stormvloed had twee stevige bouwwerken verwoest die de door Dorian geteisterde hutten van elektriciteit en gezuiverd water voorzagen. En daar staat hij op z’n dooie gemak te grazen, een duinkleurige koe in de duinen. Zijn vacht lijkt op goudkleurig zand dat over wit zand heen is geblazen. Hij is stevig gespierd en een beetje aan de zware kant: een doodgewone koe.
‘We waren ongelooflijk blij toen we de koeien zagen’
‘Krijg nou wat, als dat geen koe is!’ West herinnert zich dat hij het hardop zei. ‘Ik kon mijn eigen ogen niet geloven.’ De koe schrok toen ze West zag en ging ervandoor.
West wist dat hij de koe moest weghalen. Dat was niet alleen het beste voor het beest zelf, maar ook voor de wilde fauna en flora in het natuurgebied. Het personeel van Cape Lookout had het echter te druk met het opnemen en herstellen van de schade die Dorian had aangericht en kon zich niet om een eigenzinnig rund bekommeren. Het nieuwtje over de overlever verspreidde zich als een lopend vuurtje zodra bezoekers weer naar de Core Banks gingen en de sporen zagen. Onder hen bevonden zich Pam Flynn en haar vriend Mike Carroll. ‘We bleven steeds weer teruggaan,’ zegt Flynn. Ten slotte hadden ze geluk. ‘We waren ongelooflijk blij toen we de koeien zagen.’
Overlevers
Inderdaad: niet koe maar koeien, want het waren er drie. De klassieke bleekblonde, die West had gezien, een andere met grote, lichtbruine vlekken als een oude wereldkaart, en een bleek, jongvolwassen exemplaar, waarschijnlijk het kalf van de eerste koe. Op de een of andere manier hadden ze het overleefd en elkaar gevonden, en samen vormden ze een minikudde. ‘Ik begon weer te geloven dat er ook goede dingen in het leven zijn, een sprankeltje hoop,’ zegt Flynn. ‘Een teken dat het goedkomt, zo van: Het is oké, we komen hier doorheen en gaan verder.’
Op 12 november bracht de Charlotte Observer het verhaal van de overlevende koeien, en vervolgens brak er een mediacircus los op Cedar Island. Een onfortuinlijke plaatselijke figuur, die in de pers onjuist aangeduid werd als de eigenaar of verzorger (de koeien hebben geen van beiden), kreeg te maken met opdringerige verslaggevers aan de deur die hem achterna zaten op zijn eigen terrein. Vooral op televisie werd de geschiedenis van de overlevers gepresenteerd als een bizar goednieuwsverhaal. The Virginian-Pilot bestempelde hen als ‘de koeien die een natie in vervoering brachten’.
‘Ik begon weer te geloven dat er ook goede dingen in het leven zijn’
Het was het verrassingselement dat het verhaal zo aantrekkelijk maakte: in onze ogen zijn koeien domme, stuntelige, licht komische bruten, geen heldhaftige vechters. De media strooiden natuurlijk met woordspelingen, die het vitalistische verhaal een kinderachtig tintje gaven. Orkaan Dorian kwam ‘als een veedief in de nacht’ aan land en had ze ‘getemd’. Ze noemden het overleven van de koeien ‘een loeisterk verhaal’. The News&Observer uit Raleigh tweette: ‘Zeven kilometer “loeien” met de riemen die je hebt? Wie had gedacht dat koeien zo goed konden zwemmen?’
Om in te schatten hoe ver de koeien tijdens hun beproeving hadden gezwommen, gingen de journalisten uit van de kortste afstand tussen Cedar Island en de Core Banks en voor hun metingen gebruikten ze digitale hulpmiddelen zoals Google Maps. De meesten schatten de zwemafstand op zes kilometer; NBC gaf de voorkeur aan het precieze getal 5,46 kilometer. Maar toen Alfredo Aretxabaleta, een oceanograaf die bij de USGS werkt, een van deze rechtlijnige metingen zag, leek die hem onjuist. ‘Tijdens een storm denk ik niet dat dit de route is die ze zouden nemen,’ zegt Aretxabaleta. Hij vermoedt dat hun reis langer was – veel langer.
Aretxabaleta bestudeert de weg die objecten op drift afleggen, met behulp van computermodellen van wind, getijden en stromingen. Hij gooit soms traceerbare apparatuur in zee om te zien waar die heen drijft; zijn wetenschap wordt gekscherend ‘driftologie’ genoemd, maar helpt ons te begrijpen hoe klimaatverandering kusterosie kan beïnvloeden, waar olielozingen en andere soorten verontreiniging kunnen stromen, en waar we maritiem zoek- en reddingswerk moeten uitvoeren. ‘In zekere zin,’ zegt Aretxabaleta, ‘kan dit voorval met de koeien ons ook van nut zijn bij zoek- en reddingsacties.’
Toevallig groeide Aretxabaleta op in Spaans Baskenland, op een boerderij waar de koeien af en toe een duik namen in een irrigatievijver. (Zijn conclusie: ‘Het zijn geen goede zwemmers.’) Na orkaan Dorian begon Aretxabaleta in zijn vrije tijd de route te reconstrueren die de overlevende koeien van Cedar Island waarschijnlijk hadden afgelegd. Wat daaruit tevoorschijn kwam, strookte totaal niet met de theorie dat de koeien via de kortste route de Core Sound waren overgestoken.
Elke koe vecht niet zozeer om te zwemmen, maar om te blijven drijven
Volgens Aretxabaleta’s model is de zee, als in de grijze nevel van het eerste licht de koeien worden meegesleurd, een chaos van kolkend, schuimend en opspattend water. Met hun ogen slechts een paar centimeter boven water, verliezen de koeien al snel het land uit het oog tussen golven van wel drie meter hoog; voor een koe is het bijna onmogelijk om de rest van de deinende kudde in de gaten te houden. Elke koe vecht niet zozeer om te zwemmen, maar om te blijven drijven. De stromingen en getijden zijn de baas, versterkt door de kracht van de storm.
De dieren worden eerst met hoge snelheid naar het zuidoosten gestuwd langs de kust van Cedar Island en vervolgens naar het midden van de Core Sound, waar ze geleidelijk dichter naar de krachtige uitstroom bij Ophelia Inlet worden gezogen. Maar als het tij verandert van eb naar vloed, trekt Ophelia de dieren niet langer naar zich toe, maar duwt ze van zich af. Nu de oceaan weer de Sound in stroomt, wordt de kudde terug naar het noorden gedreven. Eindelijk keert het tij weer en heeft Core Sound vele tientallen nieuwe kanalen gevormd waardoor het water terug naar de Atlantische Oceaan wordt gestuwd. Net als in een badkuip met gaten, zijn het de grootste gaten die de sterkste zuigkracht hebben. Alle nog levende dieren worden weer naar Ophelia Inlet getrokken.
Het vooruitzicht om door een kanaal te moeten zwemmen, kan angstaanjagend zijn. Surfers graven soms doorgangen tussen de zee en het zoetwater dat zich achter de duinen heeft verzameld; de stroming die in zulke kanalen ontstaat, bootst een rivierversnelling na, met golven die hoog genoeg zijn om op te surfen. De Core Sound is niet veel rustiger dan dat. Nadat het vee van Cedar Island wordt weggespoeld, zakt de wind zeven uur lang niet onder stormkracht en blijven de schuimkoppige golven veel langer hangen. De Core Sound heeft ondiepe plekken zoals zandbanken, en Aretxabaleta hield daar rekening mee in zijn simulaties. Toch is het volgens hem onwaarschijnlijk dat de koeien gedurende hun reis ook maar een ogenblik houvast hebben gevonden op de bodem.
Zijn model verklaart hoe de koeien en paarden die dood werden gevonden op South Core Banks daar terechtkwamen, vervolgens de Ophelia Inlet werden ingezogen, om daarna aan de zuidkant in de open Atlantische Oceaan te verdwijnen. Volgens zijn schatting zwom geen van de overlevende koeien vier mijl in een rechte lijn. Aretxabaleta denkt dat de afstanden die de koeien levend of dood aflegden variëren van 45 tot bijna 65 kilometer. Zelfs de kortste afstand is aanzienlijk groter dan de afstand over het Engelse Kanaal. Dat is meer dan tien keer wat zwemmers afleggen in een Ironman-triatlon. Volgens de berekening van Aretxabaleta is de absoluut kortste periode die een koe in het water zou hebben gelegen 7,5 uur; de langste is 25 uur.
Geluk of wijsheid?
‘Waren het mensen geweest, dan was het ongelooflijk. Ik bedoel, zoals Robinson Crusoë,’ zegt hij. ‘Het feit dat die drie koeien het hebben overleefd, is haast een wonder te noemen.’
Maar stel dat we geen genoegen nemen met wonderen, laat staan een ‘loei van een wonder’ als dit! Stel dat we weigeren te geloven dat de koeien het puur toevallig hebben overleefd, dan nog kunnen we andere factoren in overweging nemen, die allemaal te maken hebben met hoe mensen rundvee behandelen.
De eerste mogelijkheid is dat de koeien van Cedar Island hun beproeving konden doorstaan doordat ze een ras apart waren, niet figuurlijk maar letterlijk. Bloedgroep- en DNA-tests laten zien dat de wilde paarden die op Cedar Island leven waarschijnlijk afstammen van Spaanse koloniale paarden, die in 1521 met Juan Ponce de León in de Verenigde Staten aan land kwamen. Ook de koeien kunnen Spaans koloniaal bloed hebben; maar dat weet niemand, omdat hun genetische samenstelling nog moet worden bestudeerd. Zeker is dat er sinds 1584 runderen zijn achtergelaten of schipbreuk hebben geleden langs de kust van North Carolina. De Cedar Island-runderen zouden een afstamming van meer dan vier eeuwen kunnen hebben.
Rundvee van Spaanse afkomst is berucht om zijn taaiheid
Spaans koloniaal rundvee is anders dan de commerciële rassen die vandaag de dag de overhand hebben. ‘Ze leven lang, het zijn goede moeders en ze eten dingen die andere runderen niet eten,’ zegt Jeannette Beranger, senior programmamanager bij de Livestock Conservancy in Pittsboro, North Carolina. ‘En ze zijn slim. De lokale bewoners zeggen altijd: “Pas op dat ze je lunch niet stelen!”’
Ze zijn ook berucht om hun taaiheid. In de tijd vóór de Burgeroorlog stond het pineywoods-rundvee van Spaanse afkomst er bijvoorbeeld om bekend dat het hitte kon verdragen, bestand was tegen ziekten en kon leven in een omgeving die te onherbergzaam was voor commerciële rassen. Het ruige karakter van de pineywoods-koeien leidde tot een heel andere relatie tussen hen en hun eigenaars dan we tegenwoordig zien in de industriële landbouw. Sommige veeboeren hadden zo veel respect voor hun vee dat ze niet toestonden dat er honden werden gebruikt die de dieren opjagen tijdens het bijeendrijven. Anderen vonden het verkeerd en onwaardig om de koeien binnen een omheining op te sluiten. Pas in de jaren 1950, met commercieel voer en gemotoriseerd materieel dat gebruikt werd om de weiden vrij te maken en te maaien, begonnen de pineywoods-kuddes te verdwijnen, hoewel een klein aantal boeren in het diepe zuiden ze nog steeds fokt.
Phillip Sponenberg, een veterinair wetenschapper die al vijftig jaar zoekt naar de zuiverste afstammelingen van Spaans vee in de Verenigde Staten, bespeurt aanwijzingen dat de koeien van Cedar Island althans een spoortje van die afkomst dragen. ‘Sommige zijn hoofdzakelijk wit maar hebben wel donkere oren, ogen, neuzen en hoeven. Dat is een vrij uniek kleurenpatroon dat in Noord-Amerika vaak een Spaanse oorsprong heeft,’ zegt hij. Sommige Cedar Island-runderen hebben ook gedraaide hoorns als die van een Spaanse koloniale koe.
Het feit dat er überhaupt koeien zijn die de vloedgolf van Dorian hebben overleefd, is een duidelijk bewijs dat het hier niet om gewoon rundvee gaat
Verschillende deskundigen die ik sprak, zeggen dat het feit dat er überhaupt koeien zijn die de vloedgolf van Dorian hebben overleefd, een duidelijk bewijs is dat het hier niet om gewoon rundvee gaat. De meesten waren het erover eens dat geen enkel modern ras zo’n ramp zou hebben doorstaan. Hieruit blijkt hoe we koeien hebben gedegradeerd en er zwakke en hulpbehoevende dieren van hebben gemaakt. We voelen ons er comfortabel bij en kunnen de onprettige gedachte mijden dat deze dieren, die we zo graag eten, de orkaan konden overleven doordat ze dezelfde mentale energiebronnen hebben als wij in extreme omstandigheden. Niet alleen een aangeboren overlevingsinstinct dus, maar een sterke wil om te leven – sterk genoeg om een urenlange strijd op leven en dood vol te houden.
Ik onderbreek hier mijn verhaal om te zeggen dat ik rundvlees eet. Mijn cornflakes eet ik met koemelk en in mijn kleerkast heb ik lederen schoenen en riemen. Toch stel ik net als veel andere mensen vragen bij het fokken en slachten van koeien. Het zijn ethische dilemma’s die ingewikkeld en zijn soms ronduit bizar. Maar ik had nooit gedacht dat ik nog eens bij de psychologie van de koe zou uitkomen. Ik wilde gewoon weten waarom de ene koe zwemmend een orkaan kon overleven en de andere niet.
Koeienpsychologie
Opmerkelijk genoeg voor een dier dat duizenden jaren voor het begin van de beschaving werd gedomesticeerd, stamt de wetenschappelijke bestudering van koeien, los van hun rol als vee, vooral van recente datum. Toen Mónica Padilla de la Torre meer dan tien jaar geleden het bestaande onderzoek naar communicatie tussen koeien bestudeerde, ontdekte ze tot haar verbazing dat er nog bijna niets over dit onderwerp was onderzocht. Daarom begon ze vanaf nul en ging ze de koeien door een verrekijker observeren, als een Dian Fossey van de weilanden. “Ik denk dat we de morele verantwoordelijkheid hebben om deze dieren, waar we al zo lang mee leven, te leren kennen,” zegt ze.
Voor een artikel in 2017 las Lori Marino, een biopsycholoog, elke studie die ze kon vinden over koeienpsychologie. Opnieuw viel de vondst tegen. ‘Er valt nog veel te leren over deze dieren,’ zegt Marino. ‘Er bestaat weerstand om hun cognitieve, sociale en emotionele complexiteit werkelijk onder ogen te zien.’
Het probleem is natuurlijk dat die complexiteit onze relatie met de soort kan verstoren. Onze houding ten opzichte van koeien komt volgens Marino voort uit de heersende ideologie die hen afschildert als saaie wezens die hun leventje wel goed vinden zo, ook al bestaat dat leventje uit overbevolkte stallen, onbehandelde kreupelheid, brandwonden door een gloeiend heet ijzer en kalveren die bij ze worden weggehaald – praktijken die van alledag zijn in de moderne bio-industrie.
Koeien zijn stoïcijnen; ze verbijten zich
In Marino’s analyse van het beschikbare onderzoek stelde zij echter vast dat koeien ‘een zeer gevoelige tastzin hebben’ en dat ze op dezelfde manier reageren op letsel of mogelijke pijn als honden, katten en mensen: ze vermijden deze door te hinken, kreunen en tandenknarsen, en vertonen als ze pijn hebben een hoger gehalte aan stresshormonen in hun bloed. Maar hevige pijn en stress zijn bij koeien wellicht moeilijker te herkennen, doordat ze zich als prooidieren evolutionair zo hebben aangepast dat ze geen enkel teken van zwakheid tonen dat roofdieren zou kunnen aantrekken. Koeien zijn stoïcijnen; ze verbijten zich.
Hoewel er weinig bekend is over koeienpsychologie, vond ik wat ik las toch verrassend. Het raakte me om te horen dat koeien elkaar gemakkelijk herkennen en dat ze in staat zijn koeien van welk ras dan ook te onderscheiden van andere diersoorten. Koeien kunnen met gemak door fysieke doolhoven navigeren en de weg in zich opslaan, en daarin zijn ze beter dan kippen, ratten en zelfs katten, zodat de onderzoekers in de studie concludeerden dat ‘de opgave te eenvoudig was’. Toen de koeien werden getest in complexere doolhoven, slaagde een op de vijf in de moeilijkste uitdagingen. Toen ze zes weken later opnieuw werden getest, wisten ze nog precies de weg door het doolhof te vinden.
Dit is relevante informatie om de vraag te kunnen beantwoorden waarom koeien een orkaan konden overleven door te zwemmen. Want je weg door een doolhof vinden, vergt niet alleen intelligentie maar ook motivatie. Weliswaar wist slechts een op de vijf koeien het ingewikkeldere doolhof door te komen, maar de reden daarvoor kan zijn dat koeien een hekel hebben aan alleen zijn en bang zijn op plekken waar roofdieren zich goed kunnen schuilhouden, zoals een doolhof. Tijdens de test bleek dat sommige koeien, ondanks dat ze aan het eind wat lekkers als beloning kregen, toch tegenstand boden, opgaven of bang werden, terwijl andere moediger en nieuwsgieriger waren. Volgens de onderzoekers ‘kan dit betekenen dat ook persoonlijkheid een rol speelt’.
Wilskracht
Dat ze waarschijnlijk een sterke persoonlijke wil hebben, blijkt ook uit voorbeelden van koeien die uit een slachthuis wisten te ontsnappen. Een van de opmerkelijkste gevallen is een koe van bijna 500 kilogram die in 2002 uit een fabriek in Cincinnati losbrak. Het crèmekleurige rund sprong over een hek van een meter hoog, werd gezien in een nabijgelegen zijstraat, vervolgens op een grote parkeerplaats, waarna ze zich uiteindelijk tussen de bomen in een stadspark wist te verbergen. Elf dagen lang kon ze de dierenbescherming ontwijken en was ze de verdovingspijlen, de vallen en zelfs thermische beelden van een politiehelikopter te slim af, totdat ze uiteindelijk werd gevangen.
De dieren die we opeten zijn naamloos, maar ontsnapte koeien die het nieuws halen worden vaak beloond met een naam. Daarna is het onwaarschijnlijk dat ze weer in de industriële productie belanden. In dit geval werd de koe Cincinnati Freedom genoemd, en ze verbleef de rest van haar dagen in een opvangcentrum waar ze weinig contact had met mensen maar wel een band ontwikkelde met drie andere koeien die uit het slachthuis waren ontsnapt. Toen ‘Cinci’ in 2008 stervende was, vielen haar maatjes de auto van een behandelend dierenarts aan.
We hebben altijd gedacht, vanuit onze heersende ideologie, om Marino’s term te gebruiken, dat de manier waarop koeien de wereld om hen heen ervaren uitsluitend aangeboren of instinctief is. Volgens deze benadering zou de overleving van de koeien, toen ze van Cedar Island werden meegesleurd in de woeste oceaan, uitsluitend zijn bepaald door geluk en fysieke kracht.
Is het denkbaar dat drie van hen zo’n buitengewone mentale kracht bezaten dat ze hun lichaam tot het uiterste konden laten drijven, alleen om te overleven?
Als elke koe een eigen persoonlijkheid heeft, misschien niet zo complex als de onze maar daarom niet minder uniek, dan moeten we die zienswijze wellicht bijstellen. Nadat de storm de kudde had meegesleurd, raakten sommige koeien misschien al snel in paniek en bezweken ze doordat ze water binnenkregen of uitgeput raakten. Andere, die door de sterke stroming van de seiche steeds verder van land werden meegesleurd, zouden geleidelijk hun vechtlust hebben verloren. Maar is het denkbaar dat drie van hen zo’n buitengewone mentale kracht bezaten dat ze hun lichaam tot het uiterste konden laten drijven, alleen om te overleven?
‘Hier is de term “wilskracht” op zijn plaats,’ zegt Marino. ‘Zonder twijfel.’
Niemand zal ooit zeker weten wat de koeien precies hebben doorgemaakt. Hebben de twee die later samen aan land werden gezien, ook samen gezwommen? We zullen er nooit achter komen. Maar we mogen er wel van uitgaan dat de koeien in het water ten minste hebben geprobeerd bij elkaar te blijven. Studies tonen aan dat de stress bij koeien alleen al doordat ze een andere koe zien vermindert. Waarschijnlijk waren ze minder bang voor het stormgeweld doordat ze samen waren en maakte dat alleen al het verschil.
We kunnen ons de drie koeien voorstellen terwijl ze wanhopig hun ogen dichtknijpen tegen de schuimende golven en de wind. De kou die in hun ledematen trekt, de pijn die hun spieren geleidelijk aan uitput, de dorst en honger na uren op zee, het gekmakende gejank van de wind. Dan eindelijk weer land zien, of misschien eerst ruiken. Het gebrul van de angstaanjagende zee-inhammen horen en vechten om er niet in meegezogen te worden.
Hun hoeven die het zand raken.
Krabbelen om voet aan de grond te krijgen.
Het land op gestuwd worden, terwijl het water onder hun poten doorraast. Teruggesleurd worden, de woeste oceaan in.
Eindelijk kunnen ze vrij rondlopen, buitengewoon opgelucht dat ze nog in leven zijn.
Wat daarna gebeurde, kunnen we illustreren aan de hand van een ander overlevingsverhaal van een dier. Toen orkaan Fran in 1996 toesloeg, trof een vloedgolf de kantoren van een autobergingsbedrijf uit New Bern, North Carolina, en steeg het water tot bijna een halve meter. Binnen zat waakhond Petey, die 25 centimeter groot was. Toen het water zich had teruggetrokken, vond de eigenaar van Petey zijn hond levend maar compleet uitgeput terug. Toen hij zag dat Petey tot aan zijn nek doorweekt was met modderig, olieachtig water, vermoedde hij dat zijn huisdier wel acht uur lang in het gebouw had gewatertrappeld om te overleven. Zoals elk dier dat een zware beproeving heeft doorstaan, sliep Petey vervolgens een paar dagen achter elkaar.
‘Mavericks’
Hoewel het tegenwoordig niet meer zo vaak gebruikt wordt, hebben we een woord voor koeien die net als mustangs vrij rondlopen: mavericks [buitenbeentjes]. Die naam hebben ze te danken aan een zekere Samuel A. Maverick uit Texas. Rond het jaar 1850 verdwenen zijn dieren, die niet opgemerkt waren, in het omliggende land. Er bestaat een versie van het verhaal waarin de koeien door een orkaan uiteengejaagd werden.
Het is dan ook niet zo gek dat op 21 november 2019 zes cowhands – compleet met lasso’s, beenkappen en sporen – de taak kregen om de drie ‘mavericks’ op North Core Banks te gaan zoeken. Een van de mannen droeg een geweer geladen met verdovingspijlen, en Jeff West reed met een Park Service-terreinwagen naast de cowhands te paard. Het plan was altijd geweest om de koeien terug te halen, zei West. Desondanks werd er hevig gediscussieerd.
‘Sommige mensen vonden dat we ze moesten afmaken. Einde probleem,’ zegt West. ‘Anderen vonden het zonde van het belastinggeld – dat hoorde ik vaak. Weer anderen zeiden dat we ze met rust moesten laten. Gewoon daar op de Banks laten rondlopen.’
‘Ze verdienen een leven. Maak van onze schatjes geen vlees, na alles wat ze moesten doorstaan!’
Velen waren van mening dat de koeien het alleen hadden overleefd om bij een eigenaar terecht te komen die ze zou vetmesten voor de slacht. Op de Facebookpagina van de Cape Lookout National Seashore kwam het thema naar voren dat de koeien het verdienden om in leven te blijven; door hun doop in de vloed waren ze hun plaats in het systeem der dingen ontstegen. ‘Als ze dan toch weggehaald moeten worden, breng ze dan naar een reservaat. Ze verdienen een leven. Maak van onze schatjes geen vlees, na alles wat ze moesten doorstaan!’ schreef Misty Romano. Don Riggs uit Asbury, New Jersey, schreef: ‘Meen je dat nou? Sla dan ook de boerderij over en breng ze meteen naar het slachthuis!’ Judy Cook uit Oak Island, North Carolina, vond de koeien gewoon ‘net zo cool als de paarden’.
De huidige opvatting over koeien is niet eenduidig. Velen van ons, zo niet de meesten, lijken in staat om ergens in hun hoofd het idee te koesteren dat koeien ook gevoelige wezens zijn die onze compassie verdienen. Even goed zijn we in staat om de gedachte te onderdrukken dat we koeien doden voor ons profijt, nadat we ze onder wrede omstandigheden hebben laten lijden. Jessica Due, senior directeur redding en dierenwelzijn bij Farm Sanctuary, een organisatie die zich inzet voor het stopzetten van de agrarische exploitatie van vee, vertelt een verhaal dat illustreert hoe dit kan uitpakken. Het opvangcentrum is meer dan eens door dezelfde man gebeld om een dier uit het slachthuis te komen redden. De man in kwestie is de eigenaar van het slachthuis. Hij belt in het zeldzame geval dat een koe tijdens de verwerking aan het bevallen is. Daar trekt hij de grens; hij wil absoluut niet dat deze moederkoeien gedood worden. Los daarvan ziet hij bijna dagelijks koeien geslacht worden.
Maar juist nu er meer onderzoek gedaan wordt ter ondersteuning van het idee dat koeien meer zijn dan we altijd dachten, liggen ze ook onder vuur als milieuvervuilers. Runderen zouden 9 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen veroorzaken, onder andere door hun beruchte winden en boeren die veel methaan bevatten. Koeien die door een orkaan heen zwemmen: het zou een hedendaagse prent van Hokusai kunnen zijn. Daarom kijken progressieven en veganisten uit naar een toekomst met veel minder koeien – om de planeet te redden, om de dieren te beschermen tegen onze wreedheid, of allebei. Maar in de rundvleesindustrie willen de meesten er nog niet aan dat koeien echt gevoel hebben. In de tienduizend jaar van de relatie mens-koe hebben de koeien nog nooit zo weinig medestanders gehad als nu.
Klimaatvriendelijke veeboerderij
Stephen Broadwell, de leider van de cowhands die bijna drie maanden na orkaan Dorian nog steeds over North Core Banks draven, is een van die medestanders. Broadwell draagt vaak een cowboyhoed en zijn huid is verweerd door de zon, maar hier houdt het stereotype zo’n beetje op. Hij groeide op tussen de maïs, tabak en sojabonen, in het gebied waar het Piemond Plateau in North Carolina en de kustvlakte in elkaar overgaan. Hij droomde ervan om ranger te worden. ‘Zo gaat dat, ik denk dat het in je zit,’ zegt hij. Op zijn dertiende nam hij een vakantiebaantje op een boerderij van 80.000 hectare in het zuiden van Colorado, en toen was het besloten: hij werd cowboy.
Hij studeerde vroegtijdig af aan de middelbare school, behaalde zijn diploma als dierenartsassistent en kon meteen aan de slag bij 3R Ranch Outfitters aan de voet van de Wet Mountains, ten zuidwesten van Pueblo. Daar kwam hij in aanraking met veehouderij die natuurlijke systemen probeert na te bootsen. ‘De buren zagen die ranch als een soort van magisch paradijs, maar het ging simpelweg om een wijze van bedrijfsvoering waarmee al jaren eerder begonnen was. Dat maakte me enthousiast.’
Het bedrijf dat hij tegenwoordig runt, Ranch Solutions, kan het best worden omschreven als een holistisch adviesbureau voor veehouderijen. Broadwell doet alles op je land wat nodig is, ook een nieuw huis bouwen en je eerste koeien weiden. Maar hij heeft één regel: als je meer vee wil houden dan goed is voor je land, dan doet hij niet mee. Hij laat foto’s zien waarop zijn team door het weelderige, kniehoge gras van het terrein van een klant rijdt. Het is een veld dat al was begraasd, maar waar het vee werd weggehaald voordat het helemaal kaalgevreten was. Het grasland werd bemest met stalmest en voorzien van begroeiing die zorgt voor meer stikstof in de bodem tijdens de winter, waardoor het grasland meer koolstof kan opslaan. Broadwell gelooft dat een veeboerderij een ecosysteem kan vormen.
We moeten minder koeien houden en ze laten grazen op een manier die het natuurlijke systeem nabootst
De bewering dat je met holistisch management zo ver kunt gaan, wordt fel betwist, maar recent onderzoek wijst uit dat vee inderdaad kan leven en sterven zonder bij te dragen aan klimaatverandering. (Hierbij moet worden opgemerkt dat er sprake is van een belangrijke ‘pot-verwijt-de-ketelfactor’, aangezien de CO2-voetafdruk van de gemiddelde Amerikaanse mens twee keer zo groot is als die van de gemiddelde Amerikaanse koe.) Maar we moeten wel minder koeien houden en ze laten grazen op een manier die het natuurlijke systeem nabootst. We moeten ze bovendien weghouden van land dat beter geschikt is voor voedselgewassen.
Ons vee zou in de toekomst wel eens kunnen lijken op de Cedar Island-kudde. Deze koeien zijn in staat hitte te overleven die moderne rassen zou doen uitdrogen, op land waar onze gewassen niet kunnen groeien. Ze hebben zich aangepast om te eten wat bijna geen ander dier kan. ‘Zelfs een geitenbok eet het niet,’ zegt Broadwell. Hier zijn de koeien ziekteresistent, drinken ze brak water en moeten ze zichzelf verdedigen tegen roofdieren. Ze hebben over het algemeen weinig nodig, laat staan koolstofrijke lekkernijen. Het is het soort koeien waar we in het verleden respect voor hadden, en misschien komt dat ooit terug.’
‘Ik groeide op met verhalen van mijn oudere familieleden over hoe ze koeien door de rivierbedding moesten drijven’ – steile kliffen en ravijnen. ‘Dat ze meer op herten dan op koeien leken,’ zegt Jeff West, terugdenkend aan zijn jeugd in Texas. ‘We hielden koeien in het militair reservaat van North Fort Hood, en we bemoeiden ons maar één keer per jaar met ze: als we ze gingen ophalen. Sommige koeien waren behoorlijk stoer. Maar niet zoals deze hier op Cedar Island. Ik ben nog nooit zulke koeien tegengekomen.’
Reddingsactie
Toen Ranch Solutions en West voor de reddingsactie op North Core Banks aankwamen, waren ze van plan om de overlevende koeien uit het moerasgras te halen, dat in een enorme laag modder groeit die op sommige plaatsen zo dik is dat een paard er tot aan de buik in kan wegzakken. Dan was er nog de chaparral [taaie begroeiing]. ‘Dicht is een slecht woord om het te beschrijven,’ zegt West. ‘Niemand komt erdoorheen, zo weerbarstig is het.’ Het kostte veel tijd om de koeien te lokaliseren en ze vervolgens naar open gebied te drijven, zodat ze een voor een met een pijl konden worden verdoofd. Twee van de drie waren door de verdoving gewillig genoeg om naar de trailer te worden geleid die met de veerboot naar het eiland was gebracht.
De derde koe, de eerste die na de orkaan gezien werd – alleen – was absoluut niet gewillig. Ze ontsnapte naar de noordkant en slaagde erin zich te verstoppen in bijzonder dichtbegroeid en moeilijk begaanbaar gebied. Het team kon nog net zien waar ze verdween en slaagde erin haar met een tweede pijl te raken. Daarna wachtten ze, want nu zou ze wel in slaap gaan vallen. Maar dat gebeurde niet. Uiteindelijk probeerden de cowhands haar te benaderen.
‘En weer ging ze ervandoor,’ zegt West.
Net achter de kust ligt het vakantieterrein van Long Point, waar West de koe een paar weken na de storm voor het eerst had gezien. De gebouwen staan nog steeds leeg. De wind giert en suist langs de verweerde houten muren. Met de hordeuren die piepen in hun roestige scharnieren en het hoefgetrappel van de paarden in het zand, is dit het perfecte decor voor een schietpartij in een spaghettiwestern. Een van de ruiters ziet een vrije vuurlijn. De knal van zijn geweer weerkaatst tussen de chalets en lost op in het gebrul van de kolkende branding.
Het lukt de koe opnieuw om weg te komen, ook al heeft ze drie shots aan verdovend middel in haar lijf en sijpelt het bloed van haar bleke vacht. Ze rent van het terrein af. Het strand op. Na bijna anderhalve kilometer kan ze niet meer. Dus wandelt ze verder. ‘Als een O.J. Simpson, maar dan in slow motion,’ zegt West. ‘Ik en alle andere cowboys in een trage achtervolging, stapvoets achter die koe aan, tot ze stopt.’
Als ze dan eindelijk stilstaat, staart ze hen aan. ‘Zo van: kom maar op,’ zegt West. De mannen omsingelen haar, maar ze slaagt er nog een laatste keer in om weg te komen. Dan gooien ze touwen om haar heen en dwingen haar naar de grond.
Daarna gaat het gemakkelijker. De zon staat al aan de horizon als ze een dekzeil onder haar buik trekken en haar het strand afslepen. Ingesloten tussen de wanden van de trailer komt ze bij naast haar twee overlevende koeienmaatjes. Het verse hooi en water dat hun wordt aangeboden, weigeren ze alle drie.
Hereniging
De volgende ochtend neemt Ranch Solutions de koeien mee in de ferry over de Core Sound en rijdt dan via de noordelijke kaap van Cedar Island naar het strand. Broadwell heeft de eer de deur van de aanhanger open te gooien. Met voorzichtige passen lopen de koeien naar de uitgang. Dan breken ze los uit hun cel. Ze rennen – galopperen – het zand op, met hun kop in de lucht en gespitste oren. Want ze voelen dat ze thuis zijn – en vrij.
Op Cedar Island bracht de terugkeer van de koeien een vertrouwd gevoel met zich mee. Toen ik een winkelier vroeg hoe de eilandbewoners nu met de dieren omgaan, aarzelde ze geen moment: ‘Hevig beschermend,’ zei ze. Niemand die ik sprak op Cedar Island kende iemand die getuige was van de hereniging van de drie koeien met de overgebleven kudde – de vier dieren die niet door de storm waren meegesleurd. Maar volgens Padilla hebben ze waarschijnlijk elkaars snuit besnuffeld, zachtjes geloeid en een beetje gestoeid. Dat kan ook van verdriet geweest zijn.
‘Alles wijst erop dat er besef van verlies is en leedgevoel, criteria die aan mijn opvatting van rouw voldoen’
Mensen die dit onderwerp hebben onderzocht, zoals Barbara J. King, emeritus hoogleraar antropologie aan het College of William and Mary en auteur van How Animals Grieve, denken dat de klap het hardst aankwam toen de overlevende dieren thuiskwamen en de kudde gedecimeerd aantroffen. Het zou best kunnen dat ze het gebied hebben afgezocht naar vermiste kuddegenoten en luid hebben geloeid in een poging contact te maken. King, die haar woorden zorgvuldig kiest, zegt: ‘Alles wijst erop dat er besef van verlies is en leedgevoel, criteria die aan mijn opvatting van rouw voldoen.’
Maar eenmaal thuis bleek er sprake te zijn van een andere soort verrassing. De koe die zo hard had gevochten om niet door de mannen te worden gevangen, bleek drachtig te zijn. Zou dat een rol hebben gespeeld bij haar overleving? Als een koe wil vechten voor haar leven, kan ze dan ook vechten voor het leven van haar ongeboren kalf? ‘Biologisch gezien zou dat geen gekke aanname zijn,’ zegt Padilla. ‘Ze wil dat het kalf in leven blijft.’
Twee maanden nadat ze was teruggebracht naar Cedar Island, beviel de drachtige koe van een gezond kalf, zo blond als de duinen. Alsof het wilde laten zien wat het in de baarmoeder had meegemaakt, werd het geboren met één bruin en één blauw oog. Het kalf kreeg geen naam, maar de moeder wel: Dori. Dat is geen verwijzing naar het personage in Finding Nemo dat zingt over hoe we in moeilijke tijden moeten blijven zwemmen, zwemmen, zwemmen; ze werd vernoemd naar orkaan Dorian.
Niet alle complotdenkers zijn gek, ontdekte Dean Burnett van The Guardian. Er zijn veel mogelijke redenen waarom mensen verwikkeld raken in complotten, en waarom die uiteindelijk zo ingewikkeld en hardnekkig worden als ze zijn.
Dit artikel verscheen al eerder in nummer 61.
Kent u dat: u zet het vuilnis buiten en in een hoek ziet u nog een zak staan die u was vergeten en u pakt hem op, maar hij is zo oud dat hij scheurt en opeens zwermen er allemaal woedende vliegen om u heen en rent u gillend terug het huis in en blijft drie uur lang sidderend onder de douche staan? Zoiets is het, denk ik. Zelf ben ik (blijkbaar) verwikkeld in verschillende complotten.
Als reactie op een schandelijk kritiekloze uitzending van Channel 5 over een maanlandingscomplot, ‘bekende’ ik in mijn blog dat het waar was, en beschreef ik nog meer ‘ware’ complotten om te laten zien hoe idioot het idee was. Volgens mij waren de complotten die ik verzon zo vergezocht dat niemand ze zou geloven, maar daarmee liet ik vooral zien hoe naïef ik zelf was over wat mensen voor zoete koek kunnen of willen slikken. Volgens velen heb ik dat natuurlijk alleen maar geschreven omdat ik een pion ben van de figuren achter het maanlandingscomplot.
Ook begreep ik, na mijn stuk over de aanval van Julie Burchil op transseksuelen, dat ik deel uitmaakte van minstens twee complotten: van een complot vóór transseksuelen en van een complot tegen transseksuelen. Hopelijk waren het verschillende mensen die me van deze elkaar uitsluitende dingen beschuldigden, maar dat weet je nooit.
Het kan natuurlijk zijn dat de psychiatrie zelf een complot is
Wat brengt iemand ertoe om meteen een complot te zien in iets betrekkelijk onbeduidends (zoals een door mij geschreven, niet onvergetelijke blog)? Het heeft weinig zin om alles op te noemen wat hierover bekend is. Het zou niets veranderen en ik leef waarschijnlijk niet lang genoeg om het af te kunnen maken. Maar er zijn veel mogelijke redenen waarom mensen verwikkeld raken in complotten, en waarom die uiteindelijk zo ingewikkeld en hardnekkig worden als ze zijn.
Het is belangrijk om complotdenkers niet weg te zetten als ‘labiel’, ‘gek’ of wat voor term ook waarmee je ze lachend kunt afdoen. Goed, het kan best zijn dat een extreme complotdenker wordt gedreven door een of andere psychische aandoening, zoals een angststoornis, paranoia of een psychose. Misschien is de kwaal niet ernstig genoeg om medisch ingrijpen te rechtvaardigen, of misschien is het geloof in complottheorieën de manier waarop mensen die zo’n stoornis hebben, hun symptomen in toom houden, een vorm van zelfmedicatie min of meer. Of het kan natuurlijk zijn dat de psychiatrie zelf een complot is.
Maar er is zeker geen direct verband tussen psychische stoornissen en complottheorieën. Je kunt in de officiële versie van de moord op JFK geloven en toch schizofreen zijn.
Ontvankelijk
Uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde mens zorgwekkend ontvankelijk is voor complottheorieën. Daar zijn veel mogelijke redenen voor, zoals het feit dat mensen vatbaar zijn voor pareidolia of paraidolie (de neiging om patronen en betekenissen te zien in willekeurige gebeurtenissen). Er zijn talloze factoren die je ontvankelijkheid voor complottheorieën beïnvloeden, maar er is niet één duidelijke indicator, dus het kan van alles zijn.
Een netwerk van complotdenkers kan best gezellig lijken als je gelooft wat zij geloven
Maar waarom? Misschien bevredigen complottheorieën bepaalde menselijke basisbehoeften? Volgens de piramide van Maslow zijn de meest basale menselijke behoeften die aan voedsel, onderdak, et cetera. In de westerse samenleving hebben we het geluk dat het wat dat betreft wel voor elkaar is. Daarna hebben we behoefte aan ‘veiligheid’: zekerheid en vrij zijn van angst. Angst wordt vaak veroorzaakt door het onbekende, dus als je de complotten en methoden van machtige, verborgen figuren eenmaal ‘kent’, zou dat kunnen helpen.
Saamhorigheid
Daarna hebben we de behoefte om ‘ergens bij te horen’. Mensen zijn sociale wezens en willen dus door anderen geaccepteerd worden. Zo’n netwerk van complotdenkers kan best gezellig lijken als je gelooft wat zij geloven, dus misschien biedt het complotdenken sommige mensen een gevoel van saamhorigheid? En vandaar kom je dan weer bij het volgende behoefteniveau: succes, erkenning en respect. Verbanden en bewijzen vinden voor complotten, doofpotten, et cetera, levert je in je eigen complotgroep vast de nodige schouderklopjes op.
Dat gemeenschapsgevoel is misschien ook de reden waarom sommige complotten zo hardnekkig zijn, hoe vergezocht ook. Binnen groepen gebeuren rare dingen. De invloed van normen en waarden, groepsdenken, mensen die de informatie beheersen, groepspolarisatie, het zijn maar een paar van de mechanismen die de groep bij elkaar houden, die ervoor zorgen dat de heersende ideeën altijd vergezocht zijn en afwijkende meningen uitbannen, hetgeen weer leidt tot bevestigende vooroordelen en tunnelvisie als het gaat om onderzoek.
Er zijn nog veel meer mogelijke verklaringen voor het gedrag van complotdenkers. Hoe vreemd het ook klinkt, het is zelfs mogelijk dat complottheorieën simpelweg geruststellend werken. Natuurlijk, het idee dat troepen reuzenhagedissen de mensheid vanuit het duister in hun macht houden, is angstaanjagend. Maar is dat minder eng dan de mogelijkheid dat we in een willekeurig universum leven waar niet-denkende krachten ons zonder oorzaak of reden kunnen uitdoven? Zoals de een zich tot God wendt, of tot het bovennatuurlijke, om deze mogelijkheid af te weren, zo wendt een ander zich misschien tot een complottheorie.
Sommige wereldberoemde wetenschappers (Darwin, Galilei) waren juist degenen die vraagtekens plaatsten bij het officiële verhaal
En voordat de rationelere lezers van het wetenschapskatern van The Guardian beginnen te sputteren: er worden tegenwoordig in het openbaar wel meer inzichten c.q. meningen geventileerd die op andersdenkenden kunnen overkomen als complottheorieën. De National Health Service wordt in het geheim geprivatiseerd en de media zijn medeplichtig? Ja hoor. De regering probeert goede doelen af te knijpen? Natuurlijk. O, je kunt het ‘bewijzen’? Ja, dat kunnen mensen altijd. Misschien hebben complotdenkers hun stigma niet helemaal verdiend. Sommige wereldberoemde wetenschappers (Darwin, Galilei) waren juist degenen die vraagtekens plaatsten bij het officiële verhaal.
En natuurlijk, misschien bestaan de complotten wél. Stel bijvoorbeeld dat dit blog helemaal geen analyse is van de psychologie van het complotdenken, maar een truc om het record ‘meeste krankjorume reacties’ op de site van The Guardian te breken? We zullen het nooit weten.
Ga niet naar geluk op zoek, want dan zul je het niet vinden. Je kan er ook niet te veel van hebben, dat verlamt. Hoewel er net zoveel voorstellingen van het ware geluk bestaan als mensen op de wereld, bevat dit artikel een paar waardevolle en universele lessen.
Soms klopt alles gewoon. Je vrienden zitten om tafel, het eten smaakt, de wijn is goed. Maar wanneer alles lijkt te koppen, waarom blijft geluk uitgerekend dán uit?
Ook gebeurt soms het tegendeel. Er wil geen goed gesprek ontstaan, de avond kabbelt maar voort en het wordt weer eens duidelijk dat plezier niet op afroep beschikbaar is.
Dan weet je het weer, je herinnert het je van vroeger: dat de mooiste avonden de avonden zijn die je niet had gepland. Dat er in de keuken werd gedanst, en dat niemand na afloop meer precies kon zeggen hoe dat zo was gekomen. Waaruit bestaat geluk nu eigenlijk?
Voorstellingen van het ware geluk zijn er net zoveel als er mensen op de wereld zijn
Van het ware geluk bestaan net zo veel voorstellingen als er mensen op de wereld zijn.
Pessimisten zeggen: geluk is de afwezigheid van leed.
Hedonisten zeggen: geluk is consumptie.
Neurobiologen zeggen: geluk is biochemie.
Aristoteles schreef: geluk is genoeg hebben aan jezelf.
Voor de arts Albert Schweitzer betekende het geluk ‘gewoon een goede gezondheid en een slecht geheugen’.
U-bocht van het geluk
‘De zekerste manier om het geluk te bereiken,’ zegt psychiater Manfred Lütz, ‘is met drugs.’ Heroïne, xtc: die garanderen geluk – als je tenminste gelooft dat het alleen maar een biochemisch proces is.
Er zijn periodes in het leven waarin we niet zo gelukkig zijn. ‘Mensen in de middelbare leeftijd, tussen 35 en 54, zijn het ongelukkigst,’ zegt neurowetenschapper Tali Sharot van het University College London (UCL).
De tevredenheid met het leven is het grootst bij jonge mensen tussen de 15 en 24, en vanaf midden vijftig wordt het weer beter. Dat is de zogeheten U-bocht van het geluk. We beginnen gelukkig, zinken weg en komen dan langzaam weer omhoog.
En dan zijn er nog de gelukkigste landen ter wereld. Op dit moment staat Finland volgens het ‘Wereldgeluksrapport’ van de Verenigde Naties bovenaan. In Helsinki duren de dagen op dit moment nauwelijks acht uur. In de winter is het daar vooral donker. Daar staat tegenover dat Finland de beste sauna’s ter wereld heeft en een sterke verzorgingsstaat.
In Zuid-Soedan, het ongelukkigste land op de lijst, schijnt de zon bijna altijd twaalf uur per dag. Dat land in het binnenland van Afrika staat ook op de laatste plaats in de welvaartsstatistiek; meer dan de helft van de mensen heeft er honger. Arm, maar gelukkig? Dat gaat hier zeker niet op.
Maakt geld gelukkig? En meer geld nog gelukkiger? Mensen citeren graag een studie van psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman die aantoont dat een jaarinkomen van rond de 65.000 euro genoeg is. Wie meer verdient, wordt daar niet gelukkiger van.
Een jaarinkomen van rond de 65.000 euro is genoeg. Wie meer verdient, wordt daarvan niet gelukkiger
Voor socioloog Hilke Brockmann van de Jacobs University in Bremen is dat onzin. Zij zegt dat geluk afhankelijk is van hoeveel we bezitten in vergelijking met onze medemensen. ‘Ongelijkheid,’ zegt zij, ‘maakt ons ongelukkig.’
Je kunt de zoektocht naar geluk eindeloos voortzetten. Onvermijdelijk duikt daarbij ook de bewering op dat je bewust voor het geluk kunt kiezen. Maar klopt dat ook?
Britse wetenschappers van de Universiteit van Reading bevestigden onlangs wat grote studies steeds weer laten zien: dat mensen die veel moeite doen om gelukkig te zijn, daar bijzonder vaak níét in slagen. En dat ze zelfs een hoger risico lopen om depressief te worden – de zoektocht naar geluk kan ongelukkig maken.
Vermijding en onderdrukking
Waarom dat zo is, wilden de psychologen weten. Ze testten honderden Britse studenten en zagen dat wie zich actief voornam gelukkig te zijn, vaak teruggreep op twee mechanismen die je in het leven langdurig beschermen tegen onaangenaamheden: vermijding en onderdrukking.
Leren voor een examen? Je bent gelukkiger wanneer je zorgt dat je een leuke dag hebt. Heb daar een slecht geweten over? Gewoon niet aan denken, dat is het beste.
De deelnemers die zeiden zich bewust te focussen op gelukkig zijn, waren tegelijk ook degenen die minder greep hadden op hun gevoelens.
Maar hoe moet het nu? Hoe kunnen we gelukkig worden zonder als een Wimpie Weernetniet door het leven te gaan? Hoe vinden we duurzaam geluk?
Optimisme krijgen we van nature mee, daar is de Londense neurowetenschapper Sharot in elk geval van overtuigd. ‘De mens ziet de wereld altijd rooskleuriger dan hij is. Eigenlijk veel te rooskleurig,’ zegt ze. Het is haar een raadsel hoe wij tegenover de duistere realiteit om ons heen zo goedgemutst kunnen blijven. Ze heeft zich voorgenomen dit raadsel te doorgronden.
Studies en getallen over hoe hardleers vol vertrouwen mensen in principe zijn, kent Sharot maar al te goed. Ze leidt het Affective Brain Lab van het UCL; met haar medewerkers onderzoekt ze hoe gevoelens ons handelen beïnvloeden. Vraag je de mensen uit om het even welk milieu, ongeacht of ze arm zijn of rijk, naar hun toekomst en die van hun familie, dan is ongeveer 80 procent optimistisch. ‘Het is moeilijk om tot een andere uitkomst te komen,’ zegt Sharot. De eigen kinderen? Heel slim. Kanker? Krijgen alleen anderen.
Het laboratorium stuurde Amerikaanse rechtenstudenten voor een onderzoek naar een cursus familierecht. Op dat moment lag het percentage scheidingen in de VS op 50 procent. Toch geloofde ook daarna bijna iedereen dat hun eigen huwelijk voor altijd stand zou houden. Zelf zijn mensen altijd de uitzondering op de regel.
Hoe kunnen we dit gebrek aan realiteitszin verklaren? Waarschijnlijk uit ons vermogen om het verleden naar onze hand te zetten. Want al nemen we graag aan dat ons geheugen er is om correcte herinneringen te leveren van wat we hebben meegemaakt, toch is dat niet wat het doet.
Zelf is men altijd de uitzondering op de regel
Het helpt je eerder om je je eigen toekomst te kunnen voorstellen en plannen te maken. Als je je bijvoorbeeld wilt voorbereiden op je vakantie, zegt Sharot, dan verzamel je puzzelstukjes van positieve momenten uit het verleden en arrangeer je die tot iets nieuws. ‘Het brein moet daarbij creatief te werk gaan.’
Dat brein verricht dit werk in hetzelfde gebied dat het ook gebruikt voor het verwerken van herinneringen. Dat proces noemt Sharot een ‘mentale tijdreis’.
Zo zwerven mensen met hun geest heen en weer tussen verleden en toekomst. En ze gaan daarbij even creatief om met de herinnering als met die toekomst.
Waarom is dat belangrijk met het oog op het geluk? ‘Wat wij van de toekomst verwachten, bepaalt ook onze tevredenheid in het heden,’ zegt Sharot. ‘Je verheugen op wat komt, dat maakt ons gelukkig.’
Daarom is het volgens Sharot ook geen verstandige strategie om uit voorzorg niet te veel te hopen. Wie zijn verwachtingen laag houdt uit angst teleurgesteld te worden, berooft zichzelf van geluk in het heden. Je verheugen op wat komt is de mooiste vreugde.
Opioïden
‘Een positieve instelling helpt over het algemeen,’ zegt Sharot. ‘Want onze instelling beïnvloedt ons handelen. Topsporters weten: je moet goud willen om minstens zilver te halen.’
Aan de andere kant, waarschuwt de neurowetenschapper, mag de optimist niet blind worden voor risico’s. Geen gordel omdoen in de auto, preventief kankeronderzoek overslaan: dat je positief ingesteld bent, vrijwaart je nog niet van gevaar.
Wat er gebeurt in de hersenen wanneer mensen geluk ervaren, is uitgebreid onderzocht. Er komt een lichaamseigen mix van opioïden vrij, vooral endorfinen. Je beleeft een roesachtige euforie. Maar die ebt weer weg, want het brein is niet gemaakt om constant geluk te ervaren – integendeel, dat kan zelfs schadelijk zijn.
In de jaren vijftig prikkelde de Amerikaanse psycholoog James Olds het beloningscentrum in de hersenen van ratten met stroomstootjes. De dieren vonden dit zo fijn dat ze pijn op de koop toe namen en zelfs vergaten te eten. Via een hefboompje konden ze zichzelf steeds opnieuw prikkelen. De ratten gebruikten het soms tot ze niet meer konden. Het oneindige geluk kostte hun bijna het leven.
Wanneer wetenschappers zich met geluk bezighouden, maken ze vaak een onderscheid tussen twee categorieën: het geluk als piekervaring – een vluchtige toestand – en de tevredenheid die we in ons leven ervaren, een duurzaam geluk. Sommige mensen hebben van nature iets meer van dit duurzame geluk meegekregen dan anderen, lijkt het. Wie kent ze niet, die opgeruimde lieden die zich door niets van hun stuk laten brengen?
Uit studies van tweelingen weten we dat verschillen in tevredenheid met het leven voor bijna eenderde genetisch bepaald zijn. De rest hangt af van zogeheten omgevingsfactoren: hoeveel liefde en binding we als kind hebben ervaren, welke kansen en mogelijkheden ons zijn geboden en hoe we die oppakken. Ons vermogen tot tevredenheid hebben we ook in eigen hand.
Neurobioloog Gerhard Roth uit Bremen beschrijft deze tevredenheid als een soort uitgangspunt van waaruit we het piekgevoel van het geluk beleven. ‘Geluk,’ zegt Roth, ‘is een kortstondige, positieve afwijking van het individuele tevredenheidsniveau.’
Deze toestand kennen zowel optimisten als pessimisten. Maar hoelang ze ervan kunnen genieten hangt af van hun graad van tevredenheid. Zo zou het bij optimisten langer duren, terwijl pessimisten al snel weer bedenken wat er allemaal mis kan gaan.
Materiële beloningen zoals geld activeren in het brein vooral een bepaald gebied, de nucleus accumbens, die een sleutelrol speelt in het beloningssysteem
Roth onderscheidt ook waaruit het geluk bestaat. Materiële beloningen zoals geld activeren in het brein vooral een bepaald gebied, de nucleus accumbens, die een sleutelrol speelt in het beloningssysteem. Ze veroorzaken een vergankelijk geluksgevoel, dat snel naar meer verlangt en moeilijk te verzadigen is.
Sociale beloningen daarentegen, zoals erkenning, lof of het gevoel van macht, werken langer door. Ze activeren hersengebieden waarin op een bewust niveau positieve en negatieve ervaringen worden verwerkt.
Maar ook dit soort geluk kan snel uitgewerkt zijn, zegt Roth. ‘Er komt een moment waarop macht vervelend, of lof te gewoon wordt.’
Intrinsiek geluk
Het enige soort geluk waarvan de dosis niet steeds verhoogd hoeft te worden is voor Roth het ‘intrinsieke geluk’: de ervaring vreugde te beleven aan wat je doet, die je uit jezelf haalt. ‘Dat kan betekenen dat je iets nieuws leert, hoort of ziet,’ zegt Roth.
Dat je plezier hebt in je werk, in muziek, literatuur of een goed gesprek. ‘Deze geluksmomenten verbinden zich met de eigen tevredenheid en scheppen een geluk dat langer blijft.’
Halverwege de jaren zeventig beschreef de psycholoog Mihály Csikszentmihályi nog een verheviging van dit geluksgevoel: de ‘flow’ die we beleven wanneer we volledig in een activiteit opgaan, en ruimte en tijd om ons heen vergeten. Het bereiken van deze flow-toestand kan gelden als de hogeschool van het geluk.
Alleen heeft dat geluk zijn prijs. Csikszentmihályi beschrijft die zo: ‘Flow-ervaringen lijken weliswaar moeiteloos, maar dat is zeker niet het geval. Vaak is er zware lichamelijke inspanning voor nodig, of een uiterst gedisciplineerde geestelijke activiteit.’
Dat ook zelfoverwinning bij het geluk hoort, wisten de antieke filosofen al. Aristoteles stelde in de vierde eeuw voor Christus het geluk – eudaimonia – voor als het resultaat van een deugdzame levenswijze. Niet iets wat je je even in het yoga-uurtje eigen maakt.
Meer dan 2000 jaar later, in 1776, werd het recht op een ‘streven naar geluk’ in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring opgenomen. Dat moest voor iedereen bereikbaar zijn, en niet alleen voor degenen die door geboorte al bevoorrecht waren.
In de loop der tijd, merkt de Amerikaanse historicus Darrin McMahon op, heeft de opvatting van het geluk als een ‘gegeven recht’ ertoe geleid dat het minder gezien werd als iets wat bereikt wordt door een cultivering van de eigen persoon; in plaats daarvan werd het een doel dat nagestreefd, bereikt en dan geconsumeerd kan worden. Geluk? Dat kopen we liefst.
Zwart gat
Wie heeft het zich nog nooit voorgesteld: rijk te zijn, je alles te kunnen veroorloven – wat zou je dan doen?
Sandra Filbert heeft het meegemaakt. Filbert is midden vijftig, blond, ze lacht veel. Ze draagt jeans, en een witte bloes. Maar geen horloge, geen sieraden. Geen tekenen van rijkdom.
Filbert wil niet dat haar rijkdom aan haar te zien is. Ze wil ook niet dat we voor dit verhaal haar ware naam gebruiken. Het geld heeft haar al genoeg narigheid opgeleverd. We ontmoeten haar in een Italiaans restaurant, waar ze spaghetti bestelt.
Filbert en haar broer hebben een groot pand geërfd. Dertig huurders, A-locatie in een grote stad. Een paar jaar geleden hebben ze het verkocht. De bank faxte haar een bankafschrift. Langzaam rolde het papier uit Filberts faxapparaat: er stonden meerdere miljoenen op.
Filbert had eerder een eigen onderneming geleid. Soms liep het goed, soms minder.
Toen ze het huis verkocht, liep het net slecht. ‘Maar ik was een leven lang gewend om op te staan en naar mijn werk te gaan,’ zegt Filbert. Ze dacht: wat heeft het leven voor zin als je je geld niet meer hoeft te verdienen?
Ze viel in een zwart gat. Ook een cruise hielp niet. Al na een paar dagen kreeg ze het er op haar zenuwen.
Toen ze terugkwam, pakte ze het werk op dat ze had laten liggen.
Wat heeft het geld haar gebracht? ‘Ik ben vrij, onafhankelijk,’ zegt ze. Maar het dankbaarst is ze voor het geploeter van de jaren daarvoor.
Het klinkt simpel, zegt Filbert, maar vroeger besefte ze dat niet. Voor haar is geluk: weten dat ze daar niet zoveel geld voor nodig heeft.
Eye-opener
Hilke Brockmann is professor sociologie aan de Jacobs University in Bremen; zij houdt zich al meer dan tien jaar bezig met de vraag wat mensen gelukkig maakt. Zij ziet het inzicht dat geld geen onbegrensde geluksbrenger is als ‘een van de grootste eye-openers in het geluksonderzoek’.
Hoeveel geld precies gelukkig maakt, of 65.000 genoeg daarvoor is of toch 100.000 euro per jaar, kan Brockmann niet zeggen. Zij gaat er, zoals de meeste onderzoekers, vanuit dat deze som afhangt van hoe een mens zich in vergelijking met zijn omgeving behandeld voelt. Dat het vooral de ongelijkheid is die iemand ongelukkig maakt.
Onderzoekers als Brockmann vragen de mensen in hun onderzoeken hoe tevreden ze zijn. Ze vragen naar hun levensomstandigheden. Hoe oud? Getrouwd? Kinderen? Hoe groot is hun woning? Hoeveel verdienen ze?
De uitkomst laat volgens Brockmann zien welke samenleving, welke politiek het voor elkaar krijgt het grootst mogelijke aantal burgers gelukkig te maken. ‘Op deze manier,’ zegt ze, ‘laat geluk zich verbazend goed meten.’
Het resultaat is eenduidig voor de westerse landen: ‘Hoe gelijker een samenleving is, hoe gelukkiger.’ Daarom eindigen de Noord-Europese landen in de ranglijst elke keer heel hoog.
Corruptie, honger en oorlog daarentegen maken ongelukkig. Een paar staten komen nooit hogerop in de lijst. Helemaal onderaan houden Jemen en Syrië Zuid-Soedan gezelschap.
Voor het persoonlijke geluk zouden steeds dezelfde fundamenten nodig zijn. Ten eerste: ‘Er moet genoeg geld zijn,’ zegt Brockmann. ‘De mensen moeten materieel verzekerd zijn.’ Ten tweede leven gelukkige mensen in goede sociale verhoudingen. ‘Op gelijke hoogte met familie en vrienden.’
En ten derde helpt het om een hogere zin in het leven te zien. Gelukkig, aldus Brockmann, is wie het gevoel heeft zijn tijd op aarde niet zinloos te verbeuzelen.
‘De ergste vergissing die mensen op zoek naar het geluk kunnen begaan, is dat ze geluk verwarren met succes’
Op deze drie ingrediënten komt alles neer: materiële zekerheid, sociale betrekkingen en een hoger doel in het leven. ‘Veel meer advies kan het geluksonderzoek niet geven,’ zegt Brockmann.
Maar waarom vind je bij de boekhandel om de hoek duizenden titels als je vraagt naar lectuur over het thema geluk?
Brockmann vindt die zelfhulpliteratuur dubieus. Je kunt hooguit iets leren van het voorbeeld van andere mensen, zegt ze. ‘Maar niemand moet enorm zijn best gaan doen om gelukkig te worden.
De ergste vergissing die mensen die op zoek zijn naar geluk kunnen begaan, zegt psychiater Manfred Lütz, is geluk te verwarren met succes.
Lütz is zenuwarts en psychotherapeut. Hij leidt het Alexianer ziekenhuis in Keulen en heeft gewerkt met verslaafden – mensen die bijzonder wanhopig naar geluk zoeken.
Ook heeft hij theologie gestudeerd. Het probleem van het geluk is voor hem daarom tevens dat van de eindigheid. ‘De mens in de Middeleeuwen,’ zegt hij, ‘leefde psychologisch gezien langer: hij telde zijn korte leven op aarde op bij zijn eeuwige leven in het hiernamaals.’
Het geloof in de eeuwige gelukzaligheid bestaat nu niet meer. Samengeperst in het heden wordt het leven een in tijd begrensd project. En daarmee worden we steeds angstiger. ‘Angst komt voort uit benauwdheid,’ zegt Lütz. ‘Ons leven is benauwder geworden.’
De vraag die de meeste mensen zich stellen is volgens hem: hoe kan ik zoveel mogelijk halen uit mijn korte leven?
Plicht
Zo is geluk een plicht geworden. En veel mensen geloven dat het te maken heeft met succes. ‘Ze zien beroemde mensen die succes hebben en denken: Die zullen wel gelukkig zijn.’
Een paar jaar geleden hield Lütz op het familiefeest ter gelegenheid van de verjaardagen van zijn beide dochters een toespraak. ‘Succes heb ik ze allebei nadrukkelijk niet gewenst,’ zegt hij. Waarom niet?
‘Succes hangt van zo veel toevalligheden af.’ Van het juiste moment, van de juiste plek en van vaardigheden die je misschien zelfs door veel inspanning niet kunt verwerven. Op al die dingen heb je geen invloed.
Wat geluk niet is
Waarop je wel invloed hebt: je kunt eigen kwaliteiten inzetten door betrokken te zijn met anderen. Verantwoordelijkheid nemen in het leven – dat heeft Lütz zijn dochters toegewenst. ‘Of dat tot succes leidt of niet, is bijzaak.’
Wat is dan het geluk? Lütz schudt zijn hoofd. Dat is niet de juiste vraag. Geluk heeft volgens hem voor miljarden mensen miljarden verschillende betekenissen.
Hij kan beter uitleggen wat geluk niet is, zegt Lütz. ‘Niet iets waar je naartoe kan werken.’ Als je iets doet om gelukkig te worden, zit je al fout.
‘Als ik mensen help, als ik merk dat ik bezig ben met iets goeds, dan ervaar ik een geluksgevoel,’ zegt hij. ‘Wie zegt: ik wil helpen om gelukkig te worden, die wordt het niet.’
Dus hoe vind je het geluk? ‘Een goede therapeut zegt niet: doe dit of dat, dan word je gelukkig,’ zegt Lütz. ‘Hij vraagt: wat heeft u de laatste keer gelukkig gemaakt? Hoe ging dat?’
Dit noemt hij het ‘brongerichte uitgangspunt’. Lütz zag dat voor het eerst bij een therapeut uit de VS.
‘De patiënt hing slap in zijn stoel. Mijn collega stelde de vraag: “Waar staat u, op een schaal van 0 tot 10 – waarbij 0 betekent: slechter kan het niet, en 10 staat voor: het probleem is opgelost.”
De patiënt zei: “Op 3.” “Waarom niet op 2 of 1?” vroeg de therapeut. De patiënt antwoordde: “Omdat dit en dat tenminste nog functioneert.” De collega vroeg verder: “Wanneer stond u voor het laatst op 4? Of op 5?”’
Lütz zag hoe de patiënt in zijn stoel steeds meer rechtop ging zitten. ‘Dat is heel ontroerend om te zien,’ zegt hij. ‘Hoe langer je over zo’n toestand spreekt, des te meer die voor die persoon weer werkelijkheid kan worden. En wat je dan kunt vinden, dat is je eigen, heel persoonlijke geluk.’
De huidige neiging om mindfulness te presenteren als wondermiddel voor allerlei moderne kwalen, is volgens auteur Sahanika Ratnayake gevaarlijk. In plaats van alleen maar wat aan de inhoud van ons hoofd knutselen om problemen op te lossen, zouden we moeten uitzoeken waarom we eigenlijk zo ontevreden zijn met ons leven.
Keuze uit het archief
Afgelopen week kwam naar voren dat spiritualiteit in China onder jongeren erg populair is. Volgens marktonderzoekers is er een verband tussen de groei van de industrie en het feit dat een groot aantal mensen in China lijdt aan een depressie.
In het Westen lijkt mindfulness tegenwoordig de oplossing te zijn voor al onze mentale problemen. In dit artikel van Aeon uit 2019 legt Sahanika Ratnayake, die afgestudeerd is in filosofie en boeddhistisch is opgevoed, uit wat de reden is dat mindfulness de afgelopen jaren zo’n hoge vlucht heeft genomen. Ze plaatst er echter ook een paar kritische kanttekeningen bij. ‘Mindfulness past in de trend naar simpelheid en individualisering, maar is sterk geneigd bredere overwegingen te veronachtzamen.’
Drie jaar geleden, toen ik aan Cambridge bezig was met mijn master filosofie, kon je bijna niet om mindfulness heen. De faculteit Psychiatrie was een grootschalig onderzoek gestart naar de effecten van mindfulness, in samenwerking met de afdeling studiebegeleiding van de universiteit. Het leek wel of iedereen die ik kende daar op de een of andere manier bij betrokken was: of ze volgden een mindfulnesscursus en vulden plichtsgetrouw enquêteformulieren in, of ze zaten net als ik in een controlegroep die geen cursus volgde, maar wel alle opwinding meekreeg. We kwamen bijeen in huizen van onbekenden om op de raarste uren te mediteren, en bespraken vol vuur onze meditatieve ervaringen. Het was een vreemde tijd.
Zelf ben ik opgevoed als boeddhist in Nieuw-Zeeland en Sri Lanka, en ik heb dus de nodige ervaring met meditatie, al had ik me er eigenlijk alleen oppervlakkig mee beziggehouden, net zoals veel ‘katholieken van huis uit’ tegenover hun godsdienst staan. Ik verveelde me te pletter wanneer mijn ouders me als kind meesleurden naar de tempel.
Maar op de universiteit ging ik wel in therapie, om te kunnen omgaan met de spanningen van een academische omgeving. Met mijn achtergrond is het niet verwonderlijk dat ik me aangetrokken voelde tot stromingen of methodes die beïnvloed waren door de boeddhistische filosofie en meditatie, en dus ook tot mindfulness. In de loop der jaren, voor en na dat Cambridge-onderzoek, hebben therapeuten me een heel arsenaal aan mindfulnesstechnieken bijgebracht. Ik heb geleerd om op mijn ademhaling te letten, mijn lichaam na te gaan en de vele verschillende dingen die ik dan voelde op te merken, om te kijken naar het spel van gedachten en emoties in mijn hoofd. Bij die laatste oefening horen vaak visuele beelden: je moet bijvoorbeeld je gedachten en gevoelens voor je zien als wolken in de lucht of bladeren die in een rivier drijven. Een populaire activiteit (al heb ik het zelf nooit geprobeerd) is zelfs het mindful eten van een rozijn, waarbij je je van begin tot eind bewust bent van de zintuigelijke ervaring, tot en met de veranderingen in de structuur van de rozijn en de verschillende smaken en geuren.
Steeds verder vervreemd
Aan het eind van het Cambridge-onderzoek merkte ik dat ik rustiger was geworden, meer ontspannen en dat ik beter in staat was afstand te nemen van al te heftige gevoelens. Mijn ervaringen kwamen overeen met de onderzoeksresultaten, die concludeerden dat geregelde mindfulnessmeditatie stress vermindert en veerkracht geeft. Toch had ik ook last gekregen van gevoelens waar ik niet goed de vinger op kon leggen. Het was of ik mijn eigen emoties en gedachten niet meer begreep. Vond ik het essay dat ik pas had geschreven slecht omdat de redenering niet echt klopte, of was ik alleen maar gespannen vanwege de naderende deadline? Waarom voelde ik me zo tekortschieten? Was dat het bedriegerssyndroom, een depressie of was ik gewoon niet geschikt voor een onderzoek als dit? Ik wist niet of ik bepaalde gevoelens en gedachten simpelweg had om dat ik gespannen was en geneigd om toe te geven aan melodramatische gedachten, of omdat er een goede reden was om die dingen te voelen en te denken. Iets in de mindfulnessoefeningen die ik me had eigen gemaakt, en in de manier waarop die me aanmoedigden om me bewust te zijn van mijn emoties, zorgde ervoor dat ik me steeds verder vervreemd voelde van mezelf en mijn leven.
Mensen die aan mindfulness doen, krijgen vaak expliciet de opdracht om de inhoud van hun eigen gedachten te negeren
In de tussenliggende jaren heb ik me erg beziggehouden met deze ervaring – zozeer zelfs dat ik stopte met mijn promotieonderzoek op een heel ander terrein van de filosofie en, hoe vervelend dat ook was, verscheidene studievakken opnieuw deed, om te begrijpen wat er was gebeurd. Ik volgde het spoor van oude boeddhistische teksten naar meer recente boeken over meditatie, om te zien hoe ideeën bij de hedendaagse mindfulnessbeweging terecht zijn gekomen. Wat ik heb ontdekt heeft verontrustende implicaties voor de manier waarop mindfulness je aanzet om te gaan met je gedachten en emoties en met je zelfbewustzijn.
Waar Europeanen en Noord-Amerikanen ooit hun toevlucht zochten tot religie of filosofie om zichzelf te begrijpen, omarmen ze nu steeds meer de psychotherapie en de neefjes daarvan. De mindfulnessbeweging is een duidelijk voorbeeld van deze verschuiving in culturele gewoonten rond zelfreflectie en het stellen van vragen aan jezelf. De diverse vormen van mindfulness zetten je niet aan tot nadenken over jezelf, maar laten je op een bepaalde manier kijken naar dingen die zich op het moment zelf voordoen – vaak beschreven als een ‘niet-oordelend bewustzijn van het huidige moment’. Mensen die aan mindfulness doen, worden gestimuleerd om zich niet kritisch of nadenkend met hun ervaringen bezig te houden, en vaak krijgen ze expliciet de opdracht om de inhoud van hun eigen gedachten te negeren.
Bij het eten van de rozijn, bijvoorbeeld, is de bedoeling dat je je richt op het proces van het eten en je niet afvraagt of je van rozijnen houdt, terugdenkt aan die rode doosjes die je vroeger meekreeg naar school, enzovoort. Zo moet je je ook als je op je ademhaling let of je lichaam nagaat, concentreren op de activiteit zelf en niet de stroom van je eigen gedachten volgen of toegeven aan gevoelens van verveling en frustratie. Het uiteindelijke doel is niet om niet te denken of te voelen, maar om op te merken wat er zoal in je opkomt, en dat dan met dezelfde lichtheid te laten passeren.
Een van de redenen waarom mindfulness zo gretig aftrek vindt, is dat de methode zich voordoet als waardenneutraal. In zijn boek Waar je ook gaat, daar ben je zegt Jon Kabat-Zinn, een van de grondleggers van de hedendaagse mindfulnessbeweging, dat mindfulness ‘niet botst met enige religieuze of zelfs wetenschappelijke overtuiging, je niet iets probeert te verkopen, en al helemaal geen geloofssysteem of ideologie.’ Volgens Kabat-Zinn en zijn navolgers kunnen mindfulnessoefeningen goed zijn voor het verlichten van lichamelijke pijn, het behandelen van psychische problemen en het verhogen van productiviteit en creativiteit, en helpen ze je om je ‘ware’ zelf te begrijpen. Zo is mindfulness een soort pasklaar antwoord geworden op een veelheid aan moderne kwalen – iets wat ideologisch onschuldig is en gemakkelijk in ieders leven past, ongeacht achtergrond, overtuiging of waarden.
Kritiek
Toch is er ook kritiek op mindfulness. De relatie met het boeddhisme, met name waar het gaat om meditatietechnieken, is een voortdurende bron van controverse. Boeddhistische geleerden maken de hedendaagse mindfulnessbeweging allerlei verwijten, variërend van het verkeerd interpreteren van het boeddhisme tot culturele toe-eigening. Kabat-Zinn heeft de gemoederen nog meer verhit door te beweren dat mindfulness het bewijs vormt voor de waarheid van belangrijke boeddhistische leerstellingen. Maar volgens critici zijn de niet-oordelende aspecten van mindfulness juist in strijd met boeddhistische meditatie, waarin individuen de opdracht krijgen hun ervaringen actief te beschouwen en te beleven vanuit de boeddhistische leer.
Anderen wijzen erop dat psychotherapie en mindfulness andere doelen hebben dan de belangrijkste overtuigingen binnen het boeddhisme. Waar psychotherapie bijvoorbeeld misschien probeert lijden te verlichten, is dat lijden volgens het boeddhisme zo diep verankerd dat je er juist naar zou moeten streven om de ellendige wedergeboortecyclus geheel te vermijden. Een derde soort kritiek komt tot uiting in de term ‘McMindfulness’. Critici zoals schrijver David Forbes en management-hoogleraar Ronald Purser stellen dat, nu mindfulness mainstream is geworden en niet meer alleen een vorm van therapie is, de massale verspreiding en commercialisering ervan hebben geleid tot verdunde en verkeerde versies, beschikbaar via apps als Headspace en Calm en onderwezen in cursussen op scholen, universiteiten en kantoren.
Om te begrijpen waarom mindfulness zo totaal ongeschikt is voor het bereiken van werkelijk zelfbegrip, moeten we kijken naar de weggestopte aannames over het zelf
Mijn eigen bezwaren tegen mindfulness zijn van een andere orde, al hebben ze er wel mee te maken. Door te beweren toepasbaar te zijn voor allerlei doelen, gebruikers en gelegenheden, versimpelt mindfulness de moeilijke opgave om jezelf te begrijpen. Dat past o-zo-netjes in een cultuur van techno-oplossingen, gemakkelijke antwoorden en zelf-hacks, waarin je allemaal alleen maar wat met de inhoud van je hoofd hoeft te knutselen om problemen op te lossen, in plaats van uit te zoeken waarom je eigenlijk zo ontevreden bent met je leven. Zoals ik zelf echter merkte is het niet genoeg om alleen maar te kijken naar je gedachten en gevoelens. Om te begrijpen waarom mindfulness zo totaal ongeschikt is voor het bereiken van werkelijk zelfbegrip, moeten we kijken naar de weggestopte aannames over het zelf die in de fundamenten van mindfulness besloten liggen.
Ondanks Kabat-Zinns verheven aanspraken op universalisme is mindfulness in werkelijkheid ‘metafysisch geladen’: de basis ervan is dat beoefenaars bereid zijn uitgangspunten aan te nemen die ze anders niet snel zouden aanvaarden. In het bijzonder is mindfulness geworteld in de boeddhistische leer van anattā ofwel het ‘niet-zelf’. Anattā is een metafysische ontkenning van het zelf, en beweert dat er niet zoiets is als een ziel, geest of enige onveranderlijke individuele basis voor identiteit. Deze zienswijze ontkent dat wij allemaal een onderliggend subject zijn van onze eigen ervaring. Westerse metafysica zegt juist meestal dat er naast gedachten, emoties en fysieke sensaties een entiteit bestaat die al deze ervaringen beleeft, en dat het logisch is om deze entiteit ‘ik’ of ‘mij’ te noemen. Volgens de boeddhistische filosofie is er echter geen ‘zelf’ of ‘ik’ waartoe deze verschijnselen behoren.
Het is opvallend hoeveel overeenkomsten er zijn tussen de strategieën die boeddhisten gebruiken om de ‘waarheid’ van anattā aan te tonen, en de oefeningen van mindfulnessbeoefenaars. Zo is er een techniek in het boeddhisme die gaat om het onderzoeken van gedachten, gevoelens en fysieke sensaties, en het vaststellen dat die van voorbijgaande aard zijn, zowel individueel als collectief. Je gedachten en emoties veranderen snel en fysieke sensaties komen en gaan, in reactie op prikkels. Als zodanig (zo wordt gedacht) kunnen zij niet de entiteit zijn die een leven lang blijft bestaan, en wat het zelf ook is, het kan niet zo vluchtig en kortstondig zijn als deze verschijnselen. Ook kan het zelf niet al deze verschijnselen bij elkaar zijn, aangezien die allemaal even vergankelijk zijn. Maar, zo zeggen de boeddhisten, dan is er naast deze verschijnselen ook niets dat het zelf zou kunnen zijn. En dat betekent dat er geen zelf is. Na het besef van de vergankelijkheid krijg je dan ook het inzicht dat deze verschijnselen onpersoonlijk zijn; als er geen ‘ik’ is aan wie voorbijgaande verschijnselen zoals gedachten kunnen worden toegeschreven, dan kunnen die gedachten dus onmogelijk ‘van mij’ zijn.
Net als hun boeddhistische voorgangers leggen hedendaagse mindfulnessbeoefenaars de nadruk op deze vergankelijkheid en onpersoonlijkheid. Oefeningen richten telkens weer de aandacht op de voorbijgaande aard van wat er op het huidige moment wordt waargenomen. Expliciete opdrachten (‘zie hoe gedachten gewoon lijken op te komen en te verdwijnen’) en visuele beelden (‘beschouw je gedachten als wolken die wegdrijven in de lucht’) versterken dat idee van voorbijgaandheid, en moedigen je aan niet al te zeer in je eigen ervaring te blijven hangen (‘je bent niet je gedachten; je bent niet je pijn’ zijn veelgebruikte mantra’s).
Persoonlijke verantwoordelijkheid
Ik schrijf mijn vroegere gevoel van vervreemding en desoriëntatie ten opzichte van mezelf toe aan de nauwe band tussen mindfulness en anattā. Met de leer van het niet-zelf doe je niet alleen afstand van vertrouwdere opvattingen over het zelf, maar ook van het idee dat psychische verschijnselen zoals gedachten en gevoelens van jezelf zijn. Daarmee wordt het moeilijker om te begrijpen waarom je bepaalde dingen denkt en voelt en om een breder verhaal over jezelf en je leven te vertellen. Het verlangen jezelf te begrijpen wordt vaak verbonden met het geloof dat er iets ís om te begrijpen, niet per se in de zin van een metafysische laag, maar een algemenere, blijvende entiteit, zoals je karakter of persoonlijkheid. We denken meestal niet dat gedachten en gevoelens losse, voorbijgaande gebeurtenissen zijn die toevallig in onze geest optreden. We zien ze eerder als iets wat ons toebehoort omdat ze ons op de een of andere manier weerspiegelen. Zo zullen mensen die bang zijn dat ze neurotisch zijn, die angst waarschijnlijk baseren op hun terugkerende gevoelens van onzekerheid en spanning, en hun neiging tot muggenziften. Ze zullen deze gevoelens herkennen als voortkomend uit het feit dat ze misschien een bepaalde persoonlijkheid of karaktertrek hebben.
Natuurlijk is het vaak praktisch en nuttig om even afstand te nemen van je eigen gespannen gepieker en emoties. Wanneer je die emoties kunt zien als drijvende bladeren kan dat helpen om de verhitte gemoederen wat te bedaren, zodat je patronen kunt onderscheiden en prikkels kunt identificeren. Maar na een bepaald punt laat mindfulness je geen ruimte om verantwoordelijkheid te nemen voor dergelijke gevoelens, of ze te analyseren. Je hebt niet veel aan mindfulness als je een keus moet bepalen tussen alle verschillende mogelijke antwoorden voor de vraag waarom je op een bepaalde manier denkt of voelt. Ook kan mindfulness niet verhelderen wat die gedachten en gevoelens misschien over je karakter zeggen. Mindfulness, geworteld in anattā, heeft daarvoor niet meer te bieden dan de gemeenplaats ‘ik ben niet mijn gevoelens’. Meer confronterende uitspraken zoals ‘Ik voel me onzeker’, ‘Dit zijn mijn gespannen gevoelens,’ of zelfs ‘Misschien ben ik een neurotisch persoon’, zitten niet in de gereedschapskist van mindfulness. Als je niet de eigenaar bent van je gevoelens en gedachten, is het moeilijk er verantwoordelijkheid voor te nemen. De band tussen het individu en zijn psychische verschijnselen is belangrijk, en daarbij horen vragen over persoonlijke verantwoordelijkheid en geschiedenis. Deze dingen zouden niet zo gemakkelijk opzijgeschoven moeten worden.
Om beter te kunnen begrijpen waarom je bepaalde gedachten en gevoelens hebt, moet je jezelf zien als een duidelijk individu, dat binnen een bepaalde context opereert
Mindfulness snijdt niet alleen de band tussen jezelf en je gedachten en gevoelens door, maar maakt het ook op een andere manier moeilijker om jezelf te begrijpen. Door afstand te doen van het zelf, scheid je dat van zijn omgeving en daarmee van zijn eigen verklarende context. Zo heb ik me de afgelopen maand behoorlijk ellendig gevoeld. Als ik mindful was, zou ik gevoelens van verdriet en hulpeloosheid opmerken en ook angstige gedachten. Mindfulness zou me misschien indirect helpen in te zien dat ik steeds dezelfde terugkerende gedachten had. Maar zonder enige vorm van een zelf, losstaand van maar wel ingebed in een sociale context, zou ik verder niet veel inzicht verwerven. Een reeks gedachten en gevoelens op zichzelf vertelt je niet of je overdreven reageert op kleine gebeurtenissen in je leven of, zoals ik, een passende reactie vertoont op recente tragische gebeurtenissen.
Om beter te kunnen begrijpen waarom je bepaalde gedachten en gevoelens hebt, moet je jezelf zien als een duidelijk individu, dat binnen een bepaalde context opereert. Je moet een bepaald beeld hebben van het zelf, want dat geeft aan wat een reactie is op jouw context en wat uit jezelf voortkomt. Ik weet dat ik een neiging tot neurotisch piekeren heb. Door mezelf beschouwen als een individu in een bepaalde context kan ik vaststellen of die zorgen voortkomen uit mijn innerlijke karaktertrekken of dat ik simpelweg op een externe situatie reageer. Vaak is het antwoord een mengeling van de twee, maar zelfs die ambiguïteit vraagt zorgvuldige analyse, niet alleen van de gedachten en gevoelens, maar ook van de specifieke context waarin die opkwamen.
De tendens bij mindfulness om de context juist buiten te sluiten, belemmert niet alleen het begrip van jezelf. Het maakt psychische problemen ook gevaarlijk apolitiek. Er verschijnt steeds meer literatuur waarin wetenschappers proberen de wortels van de problemen in de geestelijke gezondheid bloot te leggen, maar beleidsmakers hebben de neiging zich te verlaten op goedkope, zogenaamd alomvattende oplossingen voor een brede groep cliënten. Daarbij gaat de aandacht uitsluitend uit naar de inhoud van iemands psyche en de verlichting van zijn probleem, en wordt er verder niet gezocht naar de diepere sociaaleconomische en politieke omstandigheden die de problemen om te beginnen hebben veroorzaakt. Zo kampen veel ouderen met depressie, maar die wordt meestal aangepakt met farmaceutische en therapeutische middelen, zonder dat er wordt nagedacht over, zeg, sociaal isolement of financiële problemen. Mindfulness past in de trend naar simpelheid en individualisering, maar is sterk geneigd bredere overwegingen te veronachtzamen, omdat de aannames van de mindfulnessbeweging over het zelf geen ruimte bieden voor de opvatting dat individuen verstrikt zijn in en beïnvloed worden door de samenleving in het algemeen.
Ik wil niet beweren dat iedereen die aan mindfulness doet zich zo vervreemd zal voelen van zijn of haar eigen gedachten als ik toen, of dat mindfulness altijd je vermogen om jezelf te begrijpen zal beperken. Mindfulness kan een nuttig instrumenten zijn om je te helpen wat afstand te nemen van je innerlijke tumult. Het probleem is de huidige neiging om mindfulness te presenteren als een remedie voor alles en iedereen, een wondermiddel voor allerlei moderne kwalen.
Ik doe nog steeds aan mindfulness, maar tegenwoordig met mate. Ik doe misschien een mindfulnessmeditatie na een zware dag op mijn werk of wanneer ik niet kan slapen, maar niet als dagelijkse gewoonte. Met de belofte iedereen met alles te kunnen helpen presenteert de mindfulnessbeweging deze onpersoonlijke wijze van bewustzijn als de beste, die universeel te gebruiken zou zijn. Maar door zijn wortels in de boeddhistische leer van anattā sluit deze methode een bepaald soort diep, welbewust nadenken uit dat nodig is om erachter te komen welke van je gedachten en emoties jezelf weerspiegelen, welke een reacties zijn op je omgeving en – de moeilijkste vraag van allemaal – wat je eraan kunt doen.
Mannen willen een mooie vrouw en vrouwen een rijke man. Volgens evolutiepsychologen komt die trend voort uit aangeboren biologische impulsen. Maar met de toegenomen gendergelijkheid zijn partnerkeuzes ook veranderd.
Al tijdens hun eerste afspraakje zitten Mia en Josh te praten alsof ze elkaar al jaren kennen. Josh vindt het leuk dat Mia zo gevat is; Mia vindt Josh warm en goedlachs. Er bloeit iets moois tussen hen op, al worden ze zo nu en dan toch allebei bekropen door twijfel. Josh is de belangrijkste verzorger van een kind uit een eerder huwelijk en zijn financiële vooruitzichten zijn niet al te gunstig. Mia kan daar niet mee zitten, want Josh’ karakter maakt dat meer dan goed. Maar toch, hij is niet het type waar ze normaal gesproken op valt – het type dat veel jonger is dan zij, en ook nog eens sportief en aantrekkelijk. Josh droomt ondertussen van een vrouw die niet alleen geld heeft, maar ook nog eens ambities, status en een goede opleiding, en die het liefst ook nog gepromoveerd is (als het even kan in twee verschillende vakgebieden). Dat Mia alleen een academische graad heeft, is wel een struikelblok. Het is tenslotte de norm dat het vooral mannen zijn die ‘een goed huwelijk’ sluiten. Dit scenario klinkt misschien wat merkwaardig, en dat is ook de bedoeling: Ik heb een anekdote verzonnen over hoe de heteroseksuele dating scene er over honderd jaar uit zou kunnen zien. Momenteel lijkt het verlangen naar een jonge, aantrekkelijke partner van de andere sekse meer te spelen bij mannen dan bij vrouwen. En vrouwen zullen status en geld vaak laten prevaleren boven leeftijd en uiterlijk. Waarom? Veel evolutiepsychologen schrijven deze trend toe aan de macht van aangeboren biologische impulsen. Zij betogen dat vrouwen een oerverlangen hebben naar rijke mannen die voor hun kinderen kunnen zorgen tijdens de zwangerschap en de lange periode waarin de kinderen moeten worden grootgebracht. Mannen maken zich ondertussen vooral druk over de vruchtbaarheid van vrouwen, en daarvoor zijn uiterlijk en schoonheid goede indicatoren. In het verre verleden was dit gedrag adaptief en daarom heeft de evolutie het geselecteerd en voorgoed in onze genen gecodeerd. Natuurlijk, het moderne paringsritueel ziet er heel anders uit dan bij onze voorouders. ‘Desondanks worden de seksuele strategieën van onze voorouders ook nu nog met evenveel verve ingezet,’ schrijft psycholoog David M. Buss in The Evolution of Desire (2003).
Partnervoorkeuren
‘Ook in onze moderne wereld houden we vast aan onze geëvolueerde theorie over partnerkeuze omdat het de enige theorie is die wij kennen.’ (Er is maar weinig historisch of intercultureel onderzoek gedaan naar de partnervoorkeuren van LGBT’ers; zulke vragen zijn zonder meer belangrijk, maar helaas beschikken we over onvoldoende gegevens om daar goed onderzoek naar te doen.) De afgelopen vijftig jaar heeft er echter een aardverschuiving plaatsgevonden op het gebied van genderrollen. [In Nederland kregen vrouwen pas in 1994 wettelijk recht op gelijke beloning voor gelijk werk, en verkrachting binnen het huwelijk werd pas in 1991 strafbaar.] Je zou toch verwachten dat deze veranderende opvattingen over relaties hun weerslag hebben op de partnerkeuzes van heteroseksuele mannen en vrouwen? Of zijn we nog altijd willoos overgeleverd aan onze biologische bestemming, zoals evolutiepsychologen beweren?
De resultaten van het onderzoek zijn duidelijk: mannen en vrouwen groeien steeds meer naar elkaar toe in hun partnerkeuzes. Die ontwikkeling is duidelijk gelinkt aan de toegenomen gelijkheid tussen de seksen, waarbij vrouwen steeds meer toegang krijgen tot bepaalde middelen en mogelijkheden in het bedrijfsleven, de politiek en het onderwijs. In samenlevingen waar minder gelijkheid is tussen de seksen, zoals Turkije, geven vrouwen aan de financiële vooruitzichten van een partner maar liefst twee keer zo belangrijk te vinden als in landen met een grote gendergelijkheid, zoals Finland. Net zoals bij Josh en Mia zullen Finse mannen nu eerder dan Finse vrouwen hun partnerkeuze baseren op de opleiding die de ander heeft gehad.Natuurlijk varieert binnen elke maatschappij de mate van seksisme, en het algehele niveau van gendergelijkheid binnen een land laat zich niet altijd vertalen naar gendergelijke verhoudingen tussen individuen. Maar als de voorkeuren bij de partnerkeuze biologisch zijn bepaald, dan zou individueel seksisme daar geen invloed op moeten hebben. Uit onderzoek in negen landen blijkt echter het tegenovergestelde. Hoe minder positief een man staat ten opzichte van gendergelijkheid, hoe meer waarde hij hecht aan kwaliteiten als jeugdigheid en aantrekkelijkheid bij vrouwen; en hoe minder positief een vrouw staat ten opzichte van gendergelijkheid, hoe meer waarde zij hecht aan geld en status bij mannen.
Deze gegevens wijzen op enkele zwakke plekken in het verhaal van de evolutionair psycholoog
Deze gegevens wijzen op enkele zwakke plekken in het verhaal van de evolutionair psycholoog. Als genen bepalen wat we belangrijk vinden bij de partnerkeuze, hoe kan het dan dat onze naar verluidt ingebakken instincten, evenredig aan de mate van gendergelijkheid op maatschappelijk en individueel niveau, aan kracht inboeten? Toegegeven, ook evolutionair psychologen onderkennen dat culturele factoren en lokale gebruiken van invloed kunnen zijn op de manieren waarop mensen een partner kiezen. Maar gendergelijkheid wordt niet tot die factoren gerekend, aangezien zelfs in betrekkelijk gendergelijke samenlevingen de kloof tussen de voorkeuren bij mannen en vrouwen weliswaar kleiner wordt, maar niet geheel verdwijnt. Maar het ontstaan van een kleinere kloof ondersteunt onze aanname juist: het verschil wordt slechts kleiner in de mate waarin de gendergelijkheid groter wordt. Om het verschil helemaal te doen verdwijnen zou er sprake moeten zijn van een volledige gendergelijkheid. Maar daarvan is tot op heden geen sprake.
Verenigd Koninkrijk | website | aeon.co/magazine Deze site, met als motto ‘lees dieper’, werd opgericht in september 2012 en publiceert dagelijks een essay, waarbij de relativering van het snelle dagelijks leven vooropstaat.
Toen Leon twaalf was, vond zijn moeder plaatjes van kleine kinderen in ondergoed op zijn computer. Nu is Leon vijftien en volgt hij een therapie voor pedofiele jongeren. Het verhaal van een gezin dat altijd op scherp staat.
Keuze uit het archief
Verhalen over pedofilie en kinderporno houden de laatste jaren de media in de greep. Geen wonder, voor veel mensen is niets erger dan wanneer iemand zich vergrijpt aan een kwetsbaar en onschuldig kind. Door die maatschappelijke afschuw is een nieuw fenomeen ontstaan dat eveneens veel media-aandacht krijgt: de pedojager, een bezorgde burger die het recht in eigen hand neemt en al dan niet veroordeelde pedofielen opzoekt en mishandelt. Er wordt maar weinig geschreven over de dader zelf, en over mensen die pedoseksuele gevoelens hebben – want lang niet iedere pedofiel gaat over tot aanranding. Süddeutsche Zeitung publiceerde een aantal jaar geleden een aangrijpende longread over de vijftienjarige Leon, die in therapie is vanwege zijn gevoelens voor kleine meisjes. De Duitse krant volgde hem en zijn gezin een half jaar lang en deed uitgebreid en genuanceerd verslag, zonder veroordeling. Wie weet volgt er, nu Leon ouder is, ooit een follow-up-artikel.
Bij pedofilie zijn er verschillende seksuele oriëntaties: zo voelt Leon zich alleen aangetrokken tot meisjes, anderen alleen tot jongens. Als Leon uitlegt wat voor soort meisjes hij leuk vindt, beschrijft hij Maja, zijn buurmeisje. Hij heeft het over haar kroeshaar en haar gave, zachte huid, en eigenlijk is daar niets mis mee. Maar Leon is vijftien en Maja vijf. Vandaar het probleem.
Leon heeft wat artsen bij jongeren onder de zestien ‘seksuele interesse voor prepuberale lichaamsvormen’ noemen. Hijzelf gebruikt liever het begrip voor volwassenen: pedofilie. Dat met die interesse vindt hij te ingewikkeld. Leon is een pragmaticus. De therapie die hij volgt is gratis en er is zwijgplicht: ook de zorgverzekering komt er niets van te weten.
Verder is hij een jongen van vijftien die opgroeit in een dorp in de buurt van Maagdenburg en nu al groter is dan zijn moeder en haar partner. Zijn moeder, Julia Büchner, denkt na voor ze iets zegt. Leon denkt nauwelijks na, hij heeft altijd zijn woordje klaar. Als hij praat doen zijn gedachten en zijn mond een wedstrijdje wie het snelst is en soms struikelt hij over zijn woorden. Hij kan je uitleggen wat de snelheid van het licht betekent en twijfelt of hij op het gymnasium wel over zal gaan naar de volgende klas. Hij heeft sluik, bruin haar en waar over niet al te lange tijd zijn baard zal groeien, is zijn smalle gezicht wat donkerder. Zijn moeder is geblondeerd en heeft een rond gezicht. Soms ziet ze er erg moe uit voor een vrouw van midden dertig, tot ze begint te praten. Leon ziet er alleen moe uit als hij met zijn beste vriend Jannis tot drie uur in de nacht Halo heeft gespeeld op zijn Xbox.
Details aan de hand waarvan het gezin van Leon geïdentificeerd zou kunnen worden, zoals namen, beroep en woonplaats, zijn in dit artikel veranderd.
‘Fase’
Een vrijdagavond, voorjaar 2018. Over een maand wordt Leon zestien, dan wil hij met Jannis aan de zuip gaan. Hij is nu een jaar in therapie vanwege zijn pedofilie. Hij stelt voor een spelletje te gaan doen. Dat doet hij in het weekend vaak, hij blijft thuis en doet een bordspel of speelt op zijn Xbox. Of hij gaat naar Jannis, daar spelen ze op diens computer. Hij houdt niet van feestjes en bovendien is hij vrijdags na therapie vaak moe. Scotland Yard, schreeuwt Leon vanuit de gang. Nee, schreeuwt zijn moeder uit de keuken terug, dan doet ze niet mee, dat vindt ze stom. Bij de familie Büchner wordt even vaak geschreeuwd als gezwegen. Marcel, Julia’s partner, staat in de keuken de goulash voor zaterdag klaar te maken, hij heeft nachtdienst en moet straks weg. Als het over pedofilie gaat houdt hij zich erbuiten. Leon en zijn moeder besluiten tot Kolonisten van Catan. Omdat je daar minstens drie spelers voor nodig hebt, wordt de verslaggeefster ook ingeschakeld.
In de woonkamer heeft alles zijn plaats, er slingert niets rond, de tafel is nieuw en glimmend wit. Als Julia Büchner daar zo zit en vertelt hoe ze heeft ontdekt dat Leon in jongere, veel jongere meisjes is geïnteresseerd, praat ze met veel distantie, alsof ze het verhaal al duizend keer heeft verteld, en bovendien heeft ze het in haar hoofd minstens even vaak herhaald. Het was in de zomer van 2014, Leon was twaalf. Zijn moeder vond op de laptop, die voor het hele gezin is bedoeld, afbeeldingen van argeloos poserende vijf-, zesjarige meisjes in hun ondergoed. Afbeeldingen die iedereen kan vinden die op Google zoekt met de trefwoorden ‘meisje ondergoed’, ‘meisje badpak’, ‘meisje, vier, vijf, zes jaar’. Julia Büchner verdacht haar partner Marcel. Ze schreeuwde tegen hem. Hij overtuigde haar ervan dat hij het niet geweest kon zijn. Leon had de laptop de laatste keer meegenomen naar zijn kamer. Hij moest naar de plaatjes gezocht hebben. Leon gaf het toe. Toen was het Marcels beurt om te gaan schreeuwen.
Leons moeder ging met haar zoon naar een kinderpsycholoog, die haar uitlegde dat het een fase was. Waarom zou iemand van twaalf naar plaatjes van volwassenen kijken? Hij probeerde gewoon verschillende dingen uit om zijn seksualiteit te ontdekken. Destijds nam Leons moeder genoegen met deze verklaring. Nu zegt ze dat ze het toen al niet echt geloofde. Leon beloofde niet meer naar zulke plaatjes te zoeken. Zijn moeder beloofde dat ze hem niet meer zou controleren.
Zoiets werkt alleen als je elkaar vertrouwt, zegt Julia Büchner.
Hij riep, help me, wat moet ik doen, stop me maar in een inrichting!
Toen ze het afgelopen jaar een vrijwel identieke zoekgeschiedenis op de laptop aantrof, wist ze: dat kan geen fase meer zijn. Ze klopte voorzichtig op Leons kamerdeur om te zeggen dat ze hem iets wilde laten zien. Ze nam plaats op de grote, lichte bank en klapte de laptop open. Leon kwam zijn kamer uit sloffen en ging naast haar zitten. Hij begreep meteen wat ze had ontdekt. Toen hij naar het scherm keek begon Leon te huilen. Hij huilde als een jongen die het gevoel heeft dat hij als een rat in de val zit. Zijn moeder nam hem in haar armen, een gebaar dat hij als bijna vijftienjarige zo goed als nooit accepteerde. Hij riep, help me, wat moet ik doen, stop me maar in een inrichting!
Julia Büchner dacht, wat moet mijn kind in een inrichting? Ze belde de psycholoog en zei dat de fase weer terug was. De psycholoog adviseerde haar een therapie voor pedofiele mannen in de Charité in Berlijn, een van de oudste en grootste universitaire klinieken van het land. Daar hoorde Leons moeder dat er bij hetzelfde instituut nog een programma was: ‘Je droomt van hen’. Het is gericht op jongeren die zich tot prepuberale lichamen aangetrokken voelen. Tot kinderen dus.
In het gezin Büchner zijn ze open en houden ze tezelfdertijd hun mond. Praten kan de pijn verlichten en problemen oplossen, daarom volgt Leon sinds een jaar de therapie in de Charité. Maar praten kan de dingen ook compliceren, dat ervaren Leon en zijn moeder al binnen hun eigen familie. Marcel, de partner van Julia, praat niet graag over Leons pedofilie. Leons zusje Emily weet er zelfs helemaal niets van. Omdat ze zo’n praatgraag kind is, zegt haar moeder. Bovendien is ze maar een jaar jonger dan Leon. Ooit hadden de kinderen luizen, en Julia had hun op het hart gedrukt dat niet overal rond te bazuinen. Het hele dorp hoeft het niet te weten, had ze gezegd. Emily had geknikt. De volgende dag wist het hele dorp het. Tegen de vrienden van Leon en tegen Emily hebben ze gezegd dat Leon vanwege een huidziekte regelmatig naar de dermatologieafdeling in de Charité moet.
Sinds een jaar rijden Julia en Leon Büchner om de vrijdag naar Berlijn. Vanuit hun dorp bij Maagdenburg is dat 160 kilometer, twee uur heen en twee uur terug. Twee uur lang zit Leons moeder in een konditorei te wachten, soms drinkt ze chocolademelk, soms koffie. Als Leon naar buiten komt, eten ze af en toe nog een stuk taart, en vraagt zijn moeder of het goed ging. En Leon zegt ja of haalt zijn schouders op. Ze wil hem niet uithoren, zegt ze, het is zijn ding. Tijdens de rit terug zet Leon zijn koptelefoon op, trekt zijn capuchon over zijn hoofd en zet de muziek zo hard dat je het in de hele auto kunt horen. Hiphop, liefst van de Oostenrijkse rapper Dame, soms Ed Sheeran, Galway Girl.
Nauwelijks buiten
Leons moeder moet toezien hoe haar zoon langzaam maar zeker een leven opbouwt dat hij vanuit zijn kamer kan leven. In weekends komt hij nauwelijks buiten. Als hij al naar een feestje gaat is het een gamefeestje: multiplayervideogames. De paar vrienden die hij heeft, ziet hij op school. Over zijn kamer zegt hij trots: de kamer van een klassieke gamer. Zijn favoriete Xbox-games staan in een vitrine: GTA, Halo, Minecraft. Leon houdt van fantasy: Harry Potter,Lord of the Rings,The Hunger Games. Allemaal verhalen waarin jonge mensen avonturen beleven en belangrijke beslissingen nemen. Na school gaat Leon alleen de deur uit om naar de sportschool te gaan, zijn lichaam is belangrijk voor hem. Minstens drie keer per week moet hij sporten, anders mist hij iets: tafeltennis, jiujitsu, karate, atletiek, stoom afblazen.
Zijn moeder heeft het vaak met hem aan de stok over de vraag of hij wel genoeg eet. Op Instagram post Leon foto’s van zichzelf in een hoody, zonder bril, hij vindt zichzelf knapper als hij die niet op heeft. Leon vertelt graag het grapje dat hij geen grasmachine nodig heeft om het gras te maaien omdat hij er zelf een is. Hij moet al lachen terwijl hij het vertelt, omdat het zo’n stomme grap is. Hij zegt zelf dat hij niet weet wat voor soort man hij zal worden. Hij is bang dat hij ooit iets zal doen wat hij nu niet kan beïnvloeden. Ik heb mezelf nu nog in de hand, zegt hij, maar als je er logisch over nadenkt dat je alles wegstopt, wordt het waarschijnlijk ooit te veel.
Leon is een realist. Het is net als met computerspelletjes, zegt hij: pedofilie is geen fraaie eigenschap, maar is er gewoon. Als je gaat gokken, zegt ook iedereen dat het niet goed voor je is. Maar toch heb je er plezier aan en wil je er niet mee ophouden. Ik vind niet dat het iets slechts is.
Als iemand me vijf jaar geleden over een pedofiel zou hebben verteld, had ik gedacht: chemisch castreren, opsluiten die lui, zegt Leons moeder aan de tafel in haar woonkamer. Nu denk ik, jullie moeten het zelf uitzoeken, maar ga in therapie. Leon is zoals hij is, zegt ze. Misschien zou hij anders zijn als hij deze diagnose niet had. Maar ik geloof van niet.
Als je van Leons pedofilie weet, ga je anders met hem om. In de supermarkt, op straat, in de bus, vier- of vijfjarige meisjes vallen hem meteen op. Hij ziet ze al voordat je als begeleider überhaupt in de gaten hebt dat er een klein meisje in de buurt is. Tof, zegt Leon als hij een meisje mooi vindt. Als Leon ‘tof’ zegt, gaat zijn moeder nadenken.
Leon kan goed met andere kinderen omgaan, of ze nu even oud zijn of jonger. Als hij met Sophie, een meisje van acht, tafeltennist en ze een fout maakt, zegt hij, rustig maar, geen stress, je kunt het. Of hij tilt haar op, dan moet ze lachen. De grote kinderen in het team zeggen tegen Leon dat Sophie verliefd op hem is. Dat weet Leon wel, maar hij is toch niet verliefd op haar, dus? Hij vindt het schattig om te zien hoe ze voor ieder punt vecht. Tof.
Als er meer jonge kinderen bij zijn heeft Leon geen probleem. Het wordt pas moeilijk als hij met een meisje alleen is. Dan probeert hij zo intensief aan iets anders te denken dat hij vergeet dat er iemand anders in de buurt is. Meestal denkt hij dan aan tv-commercials en probeert hij zich details daarvan te herinneren: van die scènes waarin een gelukkig gezinnetje aan tafel zit te eten. Dat is zijn strategie: hij sluit zich af. Occlumentie, net als in Harry Potter. Maar meestal komt Leon toch al niet in zulke situaties terecht. Zijn moeder komt altijd als hij haar roept.
Op deze voorjaarsavond worden de regels van het bordspel uitgebreid: iedereen die een nederzetting of een stad bouwt, mag vandaag een medespeler een vraag stellen over pedofilie. Julia Büchner bouwt het eerst een straat.
Ze vraagt of ze zich zorgen moet maken als de buurkinderen langskomen. Ze vraagt het, omdat ze het serieus wil weten, omdat ze niet weet wat Leon denkt. In de keuken ruimt Marcel voorzichtig de vaatwasmachine uit. Leon zegt: zolang het meisje zich niet helemaal uitkleedt en niet zegt dat ze met hem naar bed wil, hoef je je geen zorgen te maken.
Hij is trots op zijn IQ, 138, hoogbegaafd, hij heeft een test gedaan. Bij elke discussie laat hij zijn moeder voelen dat hij beter kan argumenteren
Leon houdt van een beetje sarcasme. Hij is trots op zijn IQ, 138, hoogbegaafd, hij heeft een test gedaan. Bij elke discussie laat hij zijn moeder voelen dat hij beter kan argumenteren. Zij houdt vaak alleen het argument over dat ze nu eenmaal zijn moeder is. Dan stuift Leon naar zijn kamer, zet zijn koptelefoon op en denkt: waarom moet ik mensen gehoorzamen die minder intelligent zijn dan ik?
Vaak, als Julia Büchner ’s nachts wakker ligt, lijken haar gedachten wel een rij dominostenen. Als iemand het te weten komt? Hoe zullen de buren reageren? Kunnen we wel hier blijven wonen? Waar moeten we anders naartoe?
Een leven met Leon betekent een leven lang een vage angst met je meedragen dat hij een meisje iets aandoet. Een leven met Leon betekent ook met niemand over die angst kunnen praten. Sinds Leons moeder niet meer in een winkel werkt, is ze bijna de hele dag thuis en is ze in het dorp een soort opvangmoeder geworden. Als het gezin ’s zomers gaat barbecueën, zetten ze een behangerstafel in de tuin, dan zitten er zes of zeven kinderen van allerlei leeftijden worstjes te eten. Als iemand dat van Leon ontdekt, kunnen we het hier vergeten, zegt zijn moeder. Als pedofilie gelijkgesteld wordt aan kindermisbruik maakt dat haar bang. Omdat ze op Facebook de reacties leest onder artikelen over kindermisbruik: opsluiten, castreren, afmaken. Omdat ze dat vroeger zelf ook vond. En omdat ze pas door Leon van gedachten is veranderd. Ik kijk er nu anders naar, zegt ze, ik sta anders in het leven. Niet dat ik nu overal pedofielen zie, maar ik weet dat het in elk gezin kan voorkomen.
Leon heeft nog nooit iemand iets gedaan. Julia Büchner hoopt dat dat zo blijft. Ik hoop dat hij zichzelf niet ongelukkig maakt, zegt ze. Haar ouders, waarmee ze alles kon bespreken, zijn een paar jaar geleden kort na elkaar overleden. Met haar vriendinnen wil ze het er niet over hebben, omdat ze niet weet hoe die zullen reageren. Omdat ze bang is dat ze zo reageren als ze denkt. Er wordt zo veel gezwegen, zegt ze. Er moet meer gepraat worden. Aan de Charité willen ze zich ook met de ouders van de kinderen gaan bezighouden, maar dat duurt Leons moeder te lang. Ze voelt zich in de steek gelaten.
Marcel staat aan Julia’s kant als Leon begint te discussiëren, en hij brengt Leon naar therapie als Julia griep heeft en niet zelf kan rijden. Als het over de therapie zelf gaat geeft hij heel korte antwoorden. Hij ziet de kinderen als zijn eigen kinderen, al bijna negen jaar, hij zegt dat hij zich een leven zonder hen niet meer kan voorstellen. Maar ze zijn zoals ze zijn. En die therapie, ik hoop dat het wat wordt, zegt hij.
Maar pedofilie is niet te genezen zoals de meeste andere ziektes te genezen zijn. Als je het eenmaal hebt, gaat het vrijwel zeker niet meer over. Zeer waarschijnlijk ontstaat pedofilie in de puberteit, onder invloed van de geslachtshormonen, zegt Klaus Beier, directeur van het Instituut voor seksualiteit en seksuele geneeskunde van de Charité in Berlijn. Hij heeft zijn kantoor aan de Luisenstraße, dat heel licht zou moeten zijn omdat het hoge ramen heeft; toch is het donker, omdat er zulke eerbiedwaardige bomen voor staan. Onderzoek wijst uit dat ongeveer één procent van de mannen seksuele belangstelling voor prepuberale lichaamsvormen heeft, zegt Klaus Beier, en dat is een conservatieve schatting. Op de spelletjesavond heeft Leons moeder de kaart die ze heeft gekregen omdat ze de langste handelsroute heeft gelegd voor zich liggen en ze vraagt en vraagt maar door, alsof ze alleen deze ene avond heeft om alle antwoorden te krijgen. Ze vraagt of Leon Maja, het buurmeisje, aantrekkelijk vindt. Leon antwoordt te snel. Nee, zegt hij, dat gat in haar gebit is toch lelijk. Hij zet zijn kleine blauwe plastic stadjes in een cirkel. Zijn moeder sorteert haar kaarten en zegt oké.
Legaal en illegaal
In zijn therapie leert Leon dat pedofilie geen gevaar vormt, zolang alles alleen in zijn hoofd gebeurt. Hij leert het verschil tussen legaal en illegaal. Foto’s die op internet net zo toegankelijk zijn als afbeeldingen op websites voor kindermode, zijn legaal. Hentai, een bepaalde Japanse manga, waarin ook prepuberale kinderen in expliciet seksuele situaties voorkomen, zijn een randgeval. Kinderpornografische afbeeldingen en video’s zijn illegaal. Leon kent de lijst waar deze indeling op staat van buiten. Die geeft hem duidelijkheid. Op de plaatjes waarbij hij masturbeert staan meisjes van vijf of iets ouder. Eén keer in de week, schat hij.
Legaal en illegaal zijn categorieën die het de jongeren makkelijker moeten maken om met hun fantasieën om te gaan. Het verschil tussen goed en fout moeten ze zelf leren. Naar films waarin kinderen tot expliciet seksuele handelingen worden gedwongen, heeft Leon nog nooit gekeken. Zijn therapeute zegt dat ze hem gelooft. Zijn moeder wil hem geloven. Ik moet hem toch vertrouwen, zegt ze, anders word ik gek.
Andere tieners zijn chagrijnig omdat ze acné hebben, een beugel moeten dragen of zichzelf te dik vinden. Leon wordt voorbereid op een leven waarin hij geen gevaar voor meisjes van vijf mag worden. Klaus Beier, de professor aan de Charité, zegt dat patiënten moeten leren dat het aan hen ligt, en niet aan de kinderen of aan iets anders. Ze hebben de plicht ervoor te zorgen dat hun fantasieën geen daden worden. Jongeren kunnen dat heel goed accepteren, zegt Beier, omdat hun hersenen zich nog aan het ontwikkelen zijn, en de neuronale centra waar het geweten wordt ontwikkeld dus ook.
Op een koude zondagochtend in januari 2018 ziet Leon door het grote raam van de woonkamer Maja, hun buurmeisje, komen aanlopen. Hij gaat naar zijn kamer. Als ze aanbelt doet Leons moeder de deur open. Ze grinnikt als Julia Büchner bij wijze van begroeting haar vingers over haar schouders en gezicht laat gaan alsof er een beestje tegen haar op kruipt. Eigenlijk is ze daar al te groot voor, maar Maja moet giechelen. Vijf jaar, een gebit als een fietsenstalling. Maja is geweldig. Of Emily, Leons zusje, komt spelen, vraagt ze uit de kraag van haar windjack. Het laatste jaar stuurt Leons moeder de twee meisjes vaak naar buiten om te spelen, of ze let op dat Leon niet thuis is. Het valt Emily niet op. Leon interesseert zich helemaal niet voor kleine kinderen, zegt ze, daar kan hij niets mee.
Op de spelletjesavond wil Leon doorspelen, maar zijn moeder wil praten. Leon heeft net gezegd dat hij later kinderen wil. Je kunt aan zijn moeder zien dat ze nadenkt of ze wat ze wil zeggen ook echt gaat zeggen. Leon, als je een partner hebt, gaat het niet meer alleen om jou. Dan bepaal je ook wat voor leven je vrouw leidt.
Ik bepaal helemaal niets, zegt Leon terwijl hij opspringt. Als hij boos is op zijn moeder springt Leon vaak op.
Jawel, zegt zijn moeder en ze ruilt een paar kaarten uit haar hand met kaarten uit de doos. Jawel, als jullie kinderen hebben dan bepaal jij jullie leven, omdat ze zich voortdurend zorgen zal maken. En als jullie geen kinderen hebben, omdat zij dat niet wil, dan bepaal jij ook haar leven. Nietwaar, Marcel, roept ze over haar schouder.
Leon gaat weer zitten. Een paar seconden blijft het stil. Joa, klinkt het dan uit de keuken.
Leon heeft kans op een normaal leven. Hij is niet een wat je bij volwassenen ‘kernpedofiel’ zou noemen: iemand die seksuele contacten met volwassenen mijdt en alleen gefixeerd is op kinderen als partner. Hij vindt niet uitsluitend meisjes van vijf of acht aantrekkelijk, maar ook meisjes die even oud zijn als hij. Nog iets wat Julie Büchner zorg baart: Leon heeft het afgelopen halfjaar drie vriendinnetjes gehad. Dat gaat nog niet veel verder dan handje vasthouden, zegt zijn moeder, maar het bevalt haar niet hoe Leon met de gevoelens van die meisjes omgaat. Op het ogenblik is hij met Pia, ze waren een paar maanden geleden ook al een stel. Pia is veertien en zegt dat ze aseksueel is, maar dat maakt Leon niets uit. Leon heeft al nagedacht over hoe hij dat met die pedofilie aan Pia kan vertellen. Hij zou zeggen: mensen houden nu eenmaal van verschillende dingen, daar hebben ze geen invloed op. Hij zou zeggen: dat geldt ook voor hun seksualiteit. Hij zou zeggen: ik ben pedofiel. En ik ben er vrijwel zeker van dat dat niet zal veranderen. Hij gelooft dat Pia heel cool zou reageren. Desondanks zegt hij het natuurlijk niet. Zijn moeder wil het niet, en bovendien is Pia’s vader politieagent.
Maar jongeren zouden het veel beter begrijpen en er veel beter mee omgaan dan volwassenen, dat weet Leon zeker. Zijn moeder maakt zich te veel zorgen, zegt hij.
Leon wil later absoluut kinderen. Zijn eigen kinderen zou hij nooit iets kunnen aandoen, zegt hij.
Waarom komt seksueel misbruik desondanks zo vaak binnen het gezin voor?
Omdat mensen shit zijn, zegt Leon beslist. Als hij geen zin meer heeft om over zichzelf te praten, praat hij over fantasy. Over verhalen waarin andere jongeren avonturen beleven en zich niet bezig hoeven te houden met seksuele interesse en bange moeders en vrijdags naar therapie. Daarna vraagt hij welke beter is, de film The Hobbit of de Lord of the Rings-trilogie? En geeft zelf het antwoord: in Lord of the Rings is het verhaal veel beter, maar bij The Hobbit spelen ze aan het eind I See Fire van Ed Sheeran, man, dat is episch, zegt hij.
Het verband tussen een seksueel trauma in je eigen kindertijd en het ontstaan van pedofilie mag je niet zonder meer leggen
Of pedofilie erfelijk is of niet, is onduidelijk, wetenschappelijk is niet aangetoond dat er een verband bestaat. Toen Leon en Emily vijf en vier waren, vond Julia Büchner in het kantoor van haar man in een dekbedovertrek verstopte plaatjes van kleine kinderen in expliciete poses. Ze is van hem gescheiden omdat ze deze vondst in verband bracht met dingen die ze tot dan toe niet kon verklaren: opengescheurde pakjes condooms als ze thuiskwam, de kinderen waren anders als ze met hun vader alleen geweest waren. Jaren later heeft Julia de vader van Leon en Emily aangegeven. Maar de openbare aanklager in Maagdenburg heeft de klacht geseponeerd, met de motivering dat er geen bewijs is geleverd voor seksueel misbruik.
Nu weet Leons moeder zelf niet meer zeker wat er wel en wat er niet is gebeurd. De kinderpsychologe waar ze de kinderen destijds naartoe heeft gestuurd, zei dat ze moesten afwachten tot de kinderen groot genoeg waren om erover te praten. Ze heeft echtscheiding aangevraagd, kreeg de zorg voor de kinderen toegewezen, ontmoette Marcel, die van haar hield, en ze leerde weer een man te vertrouwen. Ze zijn nu bijna negen jaar samen, en bijna negen jaar is Marcel de stiefvader van haar kinderen. Leon en Emily hebben geen contact meer met hun vader. Dat willen ze niet.
Toen Leon met zijn therapie begon, heeft Julia haar zoon verteld dat ze dacht dat zijn vader ook pedofiel was. Leon was opgelucht. Het bevestigde hem in de gedachte dat hij het niet kan helpen dat hij zulke ideeën heeft. Maar dat gevoel van opluchting is bedrieglijk, zegt Klaus Beier. Als je een lekke band hebt en je ontdekt dat het komt doordat je over een punaise bent gereden, heb je desondanks nog steeds een lekke band.
Op de spelletjesavond perst Leons moeder alle gedachten die het laatste jaar of al langer geleden bij haar zijn opgekomen in een paar seconden. Als je partner eenmaal weet heeft van je pedofilie, is het elke dag opnieuw een strijd. Dan moet ze zich elke dag afvragen of ze bij je wil blijven of niet.
Leon roept hard: ík, ík ben toch degene die ermee moet leven!
Zijn moeder kijkt hem aan. Leon, zo heb ik je niet opgevoed, zegt ze. Je kunt niet blijven zeggen dat het alleen om jou draait. Wat denk je dat het met anderen doet? Jij hebt altijd iemand bij wie je terecht kunt. Wij niet. Wij hebben het er heel moeilijk mee en staan soms op instorten, zo gespannen zijn we. Hoe moeilijk denk je dat het voor Marcel en mij is?
Ja, erg moeilijk, denk ik, zegt Leon.
Ja, zegt zijn moeder, erg moeilijk.
Het is volkomen stil in de kamer en de keuken.
Seksueel trauma
Het verband tussen een seksueel trauma in je eigen kindertijd en het ontstaan van pedofilie mag je niet zonder meer leggen, zegt Klaus Beier. Vaak zullen mensen die zich seksueel hebben misdragen met kinderen, zeggen dat ze in hun jeugd zelf zijn misbruikt. Ze hopen dat er dan meer begrip voor hen is.
Het was in de zomer toen Leon tien was. Zijn moeder had hem naar een jeugdvakantiekamp op het platteland gestuurd. Klimmen, wandelen. In de loop van de tweede week belde de begeleiding Julia op om te zeggen dat een oudere jongen ervan verdacht werd een paar kleinere jongens tot seksuele handelingen te hebben gedwongen. Een van hen was Leon.
En er was de kwestie in het bos, een jaar later. Het jonge gezin, Leon, Emily, Julia en Marcel, had net het huis in de buurt van Maagdenburg betrokken. Een buurjongen van dertien had Leon meegenomen het bos in. Hij had gedreigd geweld te gebruiken als Leon niet deed wat hij wilde. Dus liet hij de oudere jongen dingen doen, uit angst. Leons moeder ontdekte wat er in het bos was gebeurd omdat Emily er toespelingen op had gemaakt. Ze sprak de buurjongen en zijn ouders erop aan, en de jongen gaf alles toe. Met Leon heeft ze er niet over gesproken omdat ze niet wilde dat hij alles nog een keer moest doormaken.
Als het leven van Leon een filmscript was, zou alles ondubbelzinnig zijn: Leons vader was de boosdoener. De jongen in het kamp was de boosdoener. De buurjongen in het bos was de boosdoener. Zij zijn er de schuld van dat Leon nu kinderen aantrekkelijk vindt, omdat het bij pedofilie gaat om machtsuitoefening en om het eigen verleden. Dat mag in Hollywood zo zijn, maar niet in het echte leven en niet in de medische wetenschap.
Voor de jongen in het vakantiekamp en ook voor de jongen in het bos had het geen consequenties. Julia Büchners reactie op wat haar kind al dan niet had meegemaakt was zorgen voor regelmaat in het dagelijks leven en structuur geven. Mijn kind heeft regelmaat nodig, dacht ze. Een veilig thuis, een gezin waar we elke avond samen eten.
Ze heeft toen lang naar een therapeut gezocht die met Leon kon praten over wat er in het kamp en in het bos was gebeurd. In de buurt kon ze niemand vinden die Leon als cliënt wilde hebben, ook specialisten niet. Ze hebben me allemaal afgewimpeld en gezegd, daar beginnen we niet aan, vertelt Leons moeder.
Ze zegt, deze strijd moet je gewoon alleen voeren. Regelmaat, structuur en een veilig thuis, daar houdt ze zich aan.
Thuis is pedofilie geen onderwerp, met Marcel heeft ze het er nooit over. Maar daar gaat het niet om, zegt Leons moeder. Het beste wat Marcel voor me heeft gedaan en nog elke dag doet, is dat hij er nog steeds is. Na alles wat er is gebeurd, is hij hier gebleven, zegt ze.
Hoeveel kan een gezin aan? Als je naar het gezin Büchner kijkt: ontzettend veel. Omdat ze openstaan tegenover de eigenaardigheden van de wereld en tegenover het toeval, dat soms kwaadaardig is. Omdat ze voor hun eigen en in dit geval ook voor vreemde kinderen alles doen om ze een normaal leven te bezorgen.
Klaus Beier zegt dat je geen slecht mens bent omdat je pedofiel bent. Want je wordt geen slecht mens door je fantasiewereld, maar door wat je doet. Hij zegt ook dat er veel mensen zijn met pedofiele neigingen die ze nooit in praktijk zullen brengen. Maar wat voor type iemand is, weet je niet.
Julia’s partner Marcel zegt dat de therapie ergens toe moet leiden. En, zegt hij, wat er nu gebeurt is veel belangrijker dan het verleden.
Ik heb eigenlijk een heel chill leven, zegt Leon.
Zijn moeder zegt: We komen overal doorheen, tot nu toe tenminste.
Het is vrijdagavond en het spel is nog lang niet afgelopen. Leon legt een paar kaarten in de doos, neemt een kleine plastic nederzetting van het bord en vervangt die door een kleine plastic stad.
Wat zal ik zeggen, zegt hij. Jullie moeten je niet zo veel zorgen maken.
Leons moeder haalt diep adem. Dat is niet genoeg, zegt ze, dat is gewoon niet genoeg. Leon, ik wens je al het geluk van de wereld. En ik wens je net zulke kinderen als jullie zijn.
Dank je, zegt Leon.
Geen dank, zegt zijn moeder.
Kunnen we nu doorspelen, vraagt Leon. Het duurt altijd eeuwig hier.
Theresa Hein, de auteur, heeft het gezin een half jaar lang gevolgd en ook met de therapeute van Leon gesproken. Hoe het met Leon zal gaan als hij volwassen is, weet niemand. Leon zegt dat hij, als hij tegen die tijd weer wil praten, van zich zal laten horen.
Nieuw onderzoek wijst uit dat er een nauwe relatie bestaat tussen hoe slaap ‘voelt’ en wat er fysiologisch gebeurt.
Ik heb vaak het gevoel dat ik niet lang heb geslapen, al heb ik urenlang in bed gelegen. Dat is een ervaring die Daniel Kay, professor in de psychologie en slaaponderzoeker, vaak te horen krijgt. Uit vroegere studies blijkt volgens hem dat mensen die aan slapeloosheid lijden wel líjken te slapen – met hun ogen dicht en hun hersenen in een karakteristiek slaappatroon – maar dat er een addertje onder het gras schuilt. ‘Raad eens wat ze waarschijnlijk zeggen als je ze wekt? “Ik was wakker.”’
Hij meent dat je je, in plaats van ‘wakker’ of ‘in slaap’ te zijn (alsof dat de enige twee mogelijkheden zijn), bewust kunt zijn van je omgeving terwijl je hersenen in een slaappatroon verkeren.
Zijn nieuwe onderzoek, dat gepubliceerd is in het blad Sleep, zou daar een verklaring voor kunnen geven. Het toonde aan dat bepaalde processen, die van doen hebben met het afnemen van het bewustzijn, bij slapeloze mensen beschadigd kunnen zijn.
‘Als we de hele dag tegen onszelf zeggen dat we moe zijn, zúllen we ons ook de hele dag moe voelen’
‘Dat maak ik elke dag mee,’ vertelt dr. David Cunnington, slaaparts en medeoprichter van Sleep Hub. Hij zegt dat wordt aangenomen dat er een nauwe relatie is tussen hoe slaap voelt en wat er fysiologisch gebeurt. Dus als mensen (zoals ondergetekende) zich bewust zijn van geluiden of dingen om hen heen, menen ze dat ze licht slapen of dat hun slaap niet van een gezonde kwaliteit is.
Maar hoewel we misschien denken dat totale bewusteloosheid de enige manier is van ‘goed’ slapen, is het normaal om je tijdens sommige slaapstadia bewust te zijn van zintuiglijke prikkels, zoals geluiden. Het brein slaapt niet als zelfstandig onderdeel, maar is opgebouwd uit vele verschillende systemen, legt dr. Cunnington uit. ‘Het is normaal dat sommige delen van de hersenen tijdens de slaap in een slaaptoestand verkeren, terwijl andere delen wakker blijven.’ Daarom kunnen moeders bijna onmiddellijk reageren op het gehuil van hun kind, of worden andere geluiden tijdens de nacht in onze dromen geïncorporeerd.
Een andere reden waarom slapelozen menen dat ze slecht slapen, is omdat ze onderschatten hoe lang ze doezelen. In een reeks studies vergeleken dr. Cunningham en collega’s hoe lang iemand dacht geslapen te hebben versus objectief gemeten slaap. Lijders aan slapeloosheid bleken gemiddeld twee uur per nacht langer te slapen dan ze dachten.
Cyclus doorbreken
Maar een van de moeilijkste aspecten van omgaan met slapeloosheid is niet het gebrek aan slaap op zich, maar de diepe uitputting die je de volgende dag voelt. Gelukkig zijn er manieren om die vermoeidheid te verlichten, zegt dr. Cunnington. Houding speelt een centrale rol. Wie de cyclus van negatief denken over slaap weet te doorbreken, kan zich de volgende dag fitter voelen.
Psycholoog Sharon Draper is het daarmee eens. ‘We zijn wat we denken,’ zegt ze. ‘Dus als we de hele dag tegen onszelf zeggen dat we moe zijn, zúllen we ons ook de hele dag moe voelen.’ Zij adviseert om die gedachten te vervangen door positieve, realistische ideeën over hoe je de dag doorkomt, en door te bedenken dat rust net zo essentieel is als slaap.
Dr. Cunnington zegt dat het ook belangrijk is om je opvattingen over slaap bij te stellen: omdat je het idee hebt dat je maar vier uur hebt gesluimerd, ben je nog niet gedoemd om de volgende dag moe te zijn, dus zet dat uit je hoofd. Om die dag door te komen, zegt Draper, helpt het om je aan je gewone routine te houden en je er niet doorheen te slepen met behulp van vele kopjes koffie of dutjes overdag. Als je je minder energiek voelt, neem dan heel korte pauzes om jezelf op te peppen zonder naar suiker of cafeïne te grijpen. Haal een frisse neus, drink een glas water of ga even wandelen. En als je naar bed gaat, doorbreek dan die cirkel van negatieve gedachten over dat je vast niet kunt slapen.
Dus vanavond zal ik mezelf geruststellen met de gedachte dat ik – hoewel ik het gevoel heb dat ik niet kan slapen – misschien al aan het indutten ben, en dat ik waarschijnlijk langer slaap dan ik aanneem. En als ik net zo in elkaar zit als de meeste lijders aan slapeloosheid, dan is de kans groot dat beide dingen waar zijn.
Centrum-linkse krant, opgericht in 1813 als Sydney Herald,vooral gelezen door 35-plussers met een vrij beroep. Sinds 1849 bestaat er ook een zondagseditie, The Sun Herald, met een eerder populaire dan intellectuele toon.
De enorme populariteit van mindfulness baart wetenschappers zorgen. ‘Sommige populaire meditatiepraktijken doen meer kwaad dan goed.’
Mindfulness is erg populair. Is dat reden tot zorg? Carl Erik Fisher denkt van wel. Fisher is professor klinische psychiatrie aan de Columbia-universiteit en psychotherapeut. In zijn therapiesessies maakt hij gebruik van meditatietechnieken en hij mediteert zelf ook. Toch vreest hij dat bepaalde populaire meditatiepraktijken, die verlossing zoeken in een heldere geest, de voordelen van meditatie meer kwaad dan goed doen. Recent onderzoek laat zien dat beoefenaars van mindfulmeditatie er schade van kunnen ondervinden.
‘De mindfulnesshype prent mensen in dat ze altijd strak gefocust moeten zijn op wat ze ervaren en hun geest moeten vrijwaren van invloeden en gedachten,’ aldus Fisher. ‘Maar dat is een volstrekt verkeerd beeld van waar het om gaat. Er is geen enkele traditie van mindfulness die zegt dat je je gedachten moet stopzetten. In een normale, niet-religieuze, klinische setting gaat het er alleen maar om dat je aandacht krijgt voor het hier en nu… Misschien moeten we eerst goed duidelijk maken wat mindfulness eigenlijk is, voordat we er overal op scholen en bedrijven posters over ophangen.’
Jaarlijks komen er alleen in de Verenigde Staten 1 miljoen nieuwe mediteerders bij. Willoughby Britton, directeur van het Clinical and Affective Neuroscience Laboratory van de Brown-universiteit, schreef vorig jaar in een paper: ‘Met meer dan twintig mindfulness-telefoonapps draagt mindfulness flink bij aan de miljardenindustrie rondom meditatie. In totaal bedient deze industrie ruim 18 miljoen meditatiebeoefenaars.’
Meditatie-ervaringen
Eén zorg betreft de overdreven aandacht van de mindfulnessbeweging voor positieve, gezonde dingen als het reduceren van stress of angsten. Daardoor wordt meditatie een middel om mentale hygiëne te bereiken.
Docent positieve psychologie Tim Lomas van de University of East London en zijn collega’s ondervroegen in 2014 mannelijke beoefenaars van meditatie. Van de dertig ondervraagden had een kwart last gekregen van sterke stemmingswisselingen – sommigen hadden moeite hun gedachten en gevoelens onder controle te houden; bij sommigen verergerden depressie en angsten en weer anderen werden psychotisch. Eén jonge man, een beginner, probeerde een methode uit waarmee gevorderden hun ‘ik’ proberen af te breken. ‘Ik stortte in elkaar, lag op de grond te snikken,’ vertelt hij. ‘Ik ervoer heel duidelijk dat alles tijdelijk was, maar dan zonder alles daaromheen, zonder het positieve van die ervaring. Ik had een allesoverheersend gevoel van wanhoop…’ Een andere man was iets minder negatief: ‘Je houdt soms niet van jezelf, je denkt: wat een lul ben ik ook.’ De conclusie van Lomas en zijn collega’s: ‘Deze studie laat duidelijk zien dat het welzijn van beoefenaars van meditatie in het geding is, zowel in een klinische omgeving als daarbuiten.’
De ambitie van Britton en haar collega’s met hun onderzoek uit 2017 was om het hele scala aan meditatie-ervaringen nauwkeurig op te tekenen. Zij wilden daarmee recht doen aan de verschillende ‘variëteiten van contemplatieve beleving’. Deze laatste zin is wellicht een bewuste verwijzing naar William James’ beroemde boek over de religieuze ervaring. In hun onderzoek gingen zij uit van zeven ervaringsdomeinen, die elk weer uit minimaal vijf soorten verandering bestonden die de beoefenaars konden hebben ervaren. Hun proefpersonen – 43 procent vrouwen en 57 procent mannen, met een gemiddelde leeftijd van 48 jaar – hadden bij het mediteren veelal vreemde en zware dingen beleefd. ‘Om ook aandacht te geven aan het soort ervaringen waar in de wetenschappelijke literatuur relatief weinig over wordt gesproken’, schreven de auteurs, ‘vroegen wij expliciet ook naar ervaringen die de beoefenaars onverwacht, moeilijk, beangstigend of functioneel beperkend hadden gevonden.’
‘Ik sloeg mezelf en zei dat ik slecht mediteerde, altijd zou blijven lijden en een rotleven zou hebben. Maar dat heb ik nu wel een beetje achter me gelaten’
Op het cognitieve vlak, met in totaal tien categorieën, werd ‘verandering van wereldbeeld’ (48 procent) het vaakst genoemd, direct gevolgd door een ‘verwrongen, irrationele of paranormale kijk op dingen’ (47 procent). Het meest genoemde type ervaring op het vlak van de waarneming was, met 42 procent, ‘hallucinaties, visioenen of illusies’. De ervaring die het meest werd genoemd lag op het affectieve vlak: ‘angst, bevreesdheid, paniek of paranoia’, genoemd door 82 procent van de ondervraagden. De andere vlakken van beleving waarnaar gevraagd werd waren: ‘somatisch’ (te maken hebbend met lichamelijke ervaringen) ‘conatief’ (met motivatie en doelgericht gedrag), ‘zelfgevoel’ en ‘sociaal’. De helft van de door Britton en haar collega’s geïnterviewde meditatiebeoefenaars ervoeren ‘veranderingen in de grens tussen (hen)zelf en anderen of tussen (hen)zelf en de wereld’ en een even groot deel gaf aan zich ‘sociaal beperkt’ te voelen.
Iemand die weet wat erbij komt kijken om een arhat, of ‘geperfectioneerd persoon’ te worden, zoals het in het theravada-boeddhisme heet, zal hier niet van opkijken. Om een arhat te worden, moet je het Nobele Achtvoudige Pad volgen – ‘de juiste kijk’, ‘het juiste gedrag’, ‘de juiste inzet’, enzovoorts. Het gaat er niet om of je een goed mens bent – want dat wordt sowieso verondersteld, schrijft Peter Harvey in An introduction to Buddhist Ethics. ‘Beschik je over deugd als een onmisbare basis voor verdere verbetering, dan kun je met meditatie gaan experimenteren. Doe je het goed, dan wordt je geest vanzelf rustiger, sterker… helderder.’ Dan kom je op een spoor terecht waarbij het proces zichzelf gaat voeden. Een heldere, rustige geest helpt je om je deugden te trainen, de ervaring lange tijd goed te doen verdiept je wijsheid en daarvan profiteren dan je meditatieve gaven weer.
Het onderdeel van dit Achtvoudige Pad waar Fisher het meeste moeite mee had, ‘zelfs op een meditatiekussentje’, was de ‘juiste inzet’. ‘Span ik me in en probeer ik heel hard om werkelijk geen seconde te missen? Of ontspan ik me en laat mijn geest overal naartoe dwalen waarheen hij maar wil?’ vertelt Fisher. Hij oordeelt niet meer zo hard over zichzelf als vroeger. ‘Je moet de balans tussen die twee houdingen weten te vinden. Er bestaat een heel spectrum aan reacties en tijdens een meditatiesessie bestrijk je dat hele spectrum,’ vertelt hij.
Fisher vond het meditatiecentrum in Zuid-Korea waar hij direct na zijn college met een beurs naartoe ging ‘een ongelooflijk verrijkende ervaring’. ‘Het overtuigde me ervan dat mindfulness prima samen kan gaan met wetenschappelijke psychiatrie en neurowetenschap.’ Toch kostte het mediteren hem vaak moeite. ‘Ik sloeg mezelf en zei dat ik slecht mediteerde, altijd zou blijven lijden en een rotleven zou hebben. Maar dat heb ik nu wel een beetje achter me gelaten.’ Grappig genoeg hielp het hem om in de buurt van ambitieuze New Yorkers te zijn. ‘Hun probleem is dat ze over het algemeen erg streng voor zichzelf zijn. De meeste mensen uit die stad zijn superstreng voor zichzelf!’ vertelt Fisher. ‘Niet dat mijn ervaringen per se ook opgaan voor anderen, maar ik merk dat ik veel gemeen heb met mijn patiënten en dat we voor dezelfde opgaven staan.’
Begonnen als online weekblad, maar verschijnt sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen de wetenschap en ons dagelijks leven. Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.
Amerikanen zijn dol op klassieke oplichters, schrijft Rachel Monroe. Ze zijn de ultieme belichaming van een typisch Amerikaanse mythe dat je bijna alles kunt worden wat je wilt. De ‘con man’, het is bijna altijd een man, is daarmee een van de niet-erkende grondleggers van Amerika. Maar Richie Peterson maakte het wel heel erg bont.
In het voorjaar van 2016 is Missi Brandt na vier loodzware jaren net weer een beetje opgekrabbeld. Ze is 45, al drie jaar van de alcohol af en haar leven is na een stormachtige scheiding in rustiger vaarwater beland. Ze woont met haar dochtertjes in een voorstad van St. Paul in Minnesota en werkt als stewardess. Missi vindt dat ze wel weer toe is aan een serieuze relatie, dus maakt ze een profiel aan op OurTime.com, een datingsite voor mensen van middelbare leeftijd.
Tussen de vele hopeloze gevallen – de wanhopige, de depressieve, de nog-net-niet-gescheiden types – springt de 45-jarige Richie Peterson eruit. Hij is beroepsofficier bij de marine, Afghanistanveteraan en nu bezig met een doctoraalstudie politieke wetenschappen aan de universiteit van Minnesota. Missi ‘liket’ zijn profiel en hij stuurt haar meteen een bericht en belt haar nog diezelfde middag. Ze praten over hun kinderen (hij heeft er twee, zij drie), hun respectievelijke scheidingen, de overwinning van hun drankprobleem. Richie vertelt haar dat hij nu met vakantie is in Hawaï, maar ze spreken af om elkaar te ontmoeten zodra hij terug is.
Een paar dagen later zal hij haar komen ophalen voor hun eerste afspraak, maar Richie is nergens te bekennen en hij reageert ook niet op haar apps. Missie zit thuis in haar zitkamer, nu eens woedend op hem (omdat hij haar heeft teleurgesteld) en dan weer op zichzelf (omdat ze zulke hoge verwachtingen had en dus teleurgesteld kon worden). ‘Ik dacht bij mezelf: Wat een sufferd ben ik toch. Hij zit natuurlijk lekker thuis met zijn vrouw en kinderen.’
Om tien uur die avond stuurt ze hem nog één laatste bericht: ‘Dit is onvergeeflijk.’ Een paar minuten later krijgt ze antwoord van Richies vriend Chris, die meldt dat Richie een auto-ongeluk heeft gehad. Het gaat gelukkig goed met hem, maar de artsen willen nog wat onderzoeken doen, omdat hij in Afghanistan aan zijn hoofd gewond is geraakt. Chris stuurt Missie een foto van Richie in een ziekenhuisbed, een beetje gebutst, vrolijk lachend tegen de camera. Missie voelt een golf van opluchting omdat Richie niets mankeert en omdat haar argwaan onterecht was.
Als ze hem uiteindelijk in levenden lijve ontmoet, is haar opluchting nog groter. Richie is lang en charmant, praat makkelijk, kan goed luisteren en wil kennelijk graag een relatie. Soms doet hij een beetje onhandig, maar dat schrijft Missi toe aan zijn gebrek aan ervaring – hij heeft haar verteld dat hij al in acht jaar niets met een vrouw heeft gehad. En het is leuk om met hem uit te gaan. Richie heeft een goede neus voor de aangename dingen des levens – dure restaurants, viersterrenhotels – en hij wil altijd per se de rekening betalen. Hij heeft bij een jachthaven in de buurt een motorboot liggen en neemt Missi en haar dochters vaak mee voor een middag op het water. De meisjes kunnen het goed met hem vinden, en ook met zijn hond. Richie laat vallen dat zijn nicht Vicki voor dezelfde luchtvaartmaatschappij werkt als Missi. De twee vrouwen hebben niet vaak samen dienst, maar ze kennen elkaar wel. Missi vindt het een grappig toeval. ‘Zeg maar niks tegen haar over ons,’ zegt Richie. ‘Op een dag verschijnen we samen op een familiefeestje en dan weet ze niet wat ze ziet; dat zal een goeie grap zijn.’
Als ze een paar maanden een relatie hebben, meldt ze zich een keer ziek voor haar werk en wordt prompt ontslagen. Richie neemt de rol van kostwinner op zich. Hij zegt dat hij de komende maanden wel haar vaste lasten zal betalen, dat ze zich geen zorgen hoeft maken, eerst moet ze maar gewoon haar leven weer op een rij krijgen en tijd aan de kinderen besteden. Misschien kan hij haar en haar kinderen wel opnemen in zijn eigen verzekering via de universiteit. En misschien, zegt hij tegen haar, met het gulle zelfvertrouwen van een rijk man, hóéft ze helemaal niet te werken. Dat aanbod trekt Missi eigenlijk niet zo erg – ‘Ik zag het niet zitten om thuisblijfmoeder te zijn,’ zegt ze – maar ze ziet het als een teken dat hun relatie serieus wordt.
Drama
Hoe langer ze met elkaar omgaan, hoe meer problemen er opduiken. Richie zegt vaak dat hij ‘niet aan drama doet’, maar het drama lijkt hem toch te achtervolgen. Het is alsof elk appje van hem weer een nieuwe ramp aankondigt. Hij moet zijn dochter Sarah naar een afkickkliniek brengen; hij moet zijn geliefde shih tzu Thumper laten inslapen. Richie heeft terugkerende medische problemen, overgehouden aan zijn diensttijd en Missi moet hem continu bij het ziekenhuis afzetten of ophalen. Hij zegt telkens plannetjes af, of komt gewoon niet opdagen als hij ergens wordt verwacht. Elke keer als Missi er genoeg van krijgt – waarom ben ik eigenlijk uit een beroerd huwelijk gestapt, als ik deze beroerde relatie ervoor in de plaats krijg? – is er weer een nieuwe tragedie (zijn moeder is gestorven, hij krijgt een motorongeluk), en dan laat ze zich weer vermurwen.
Op een dag begin augustus kijkt Missi uit een ondefinieerbaar voorgevoel stiekem in Richies portefeuille. Daarin zit een identiteitsbewijs van de staat Minnesota. De foto is onmiskenbaar van Richie, alleen de naam is heel anders: Derek Mylan Alldred. In de portefeuille zitten ook creditcards op naam van ene Linda. De moed zinkt Missi in de schoenen. Ze heeft al een tijdje een zeurend gevoel dat er iets niet klopt in hun relatie, maar die gedachte heeft ze steeds van zich afgezet omdat vindt dat ze niet zo wantrouwig moet zijn. De raadselachtige dingen in zijn portefeuille lijken te bevestigen dat Richie verwikkeld is in een of andere vorm van bedrog, al kan ze nog niet alle details daarvan overzien.
Als Missi ‘Derek Alldred’ googelt, komen er een stuk of vijf politiefoto’s van Richie/Derek op, en ook nieuwsberichten met onheilspellende koppen erboven, zoals ‘zwendelaar’ en ‘lange geschiedenis van bedrog’. Missi gaat op de bank zitten en leest langzaam, woord voor woord elk artikel dat ze kan vinden: Derek Alldred is met een vrouw getrouwd, heeft gedaan alsof hij de maandelijkse kosten voor hun huis betaalde en is vervolgens verdwenen toen de bank het huis opeiste. Derek Alldred heeft zich voorgedaan als chirurg, is met een vrouw en haar twee dochters ingecheckt in het chique Saint Paul Hotel, heeft de rekening laten oplopen tot bijna tweeduizend dollar en toen zonder te betalen het hotel (en de vrouw) verlaten.
Al lezend voelt Missi zich misselijk worden, alsof haar lichaam protesteert tegen de gedachte dat haar vriend geen wetenschapper en oorlogsheld is, maar een seriezwendelaar. En die creditcards in zijn portefeuille blijven door haar hoofd spoken: ‘Er moet verdorie nog iemand zijn die de pineut is,’ denkt ze. Het kost enig speurwerk, maar uiteindelijk lukt het haar om Linda te achterhalen op Facebook. Ze stuurt haar een bericht: ‘Je denkt vast dat ik gestoord ben,’ begint het.
De 46-jarige Linda Dyas ziet Missi’s bericht terwijl ze in het huis is dat ze deelt met Rich Peterson, die nu zeven maanden haar vriend is. Linda, een lange, blonde vrouw die altijd vol grapjes zit, heeft een nare scheiding achter de rug als ze Rich leert kennen op NoTime.com, en hij lijkt bijna te mooi om waar te zijn: een christelijke ex-militair, conservatief, net als zij. Als de ober bij hun eerste afspraakje hun borden op tafel heeft gezet, doet Rich zijn ogen dicht en zegt een prachtig gebed op. ‘Toen was ik helemaal verkocht,’ vertelt Linda in een wijnbar in St. Paul waar we hebben afgesproken. ‘Daar zat ik, op een eerste afspraakje, en hij gaat gewoon bidden in een restaurant. Het was zo ontroerend.’ Linda is verliefd. ‘Tot over mijn oren, wat denk je?’ zegt ze. ‘Binnen twee weken was hij voortdurend bij mij over de vloer.’
Na een paar maanden verliest Linda haar baan bij een financiële dienstverlener, maar Rich geeft haar het gevoel dat het niet erg is. Hij vindt een huurhuis in een chique voorstad van St. Paul, een huis dat ze zich in haar eentje nooit zou kunnen veroorloven, en zij en haar zesjarige zoon trekken erin. Linda hangt haar kleren naast de marine-uniformen van Rich; hij hangt de ingelijste oorkondes voor zijn verdiensten als militair – een Purple Heart en een Silver Star – aan de muur. Op een dag stuit ze op papieren van een spaarrekening van honderdduizend dollar die hij stilletjes heeft afgesloten voor de studie van haar zoon, en haar hart zwelt van liefde.
Maar de laatste tijd zijn er wat hobbels in hun relatie. Rich drinkt veel en al die ritjes naar het ziekenhuis – volgens hem vanwege de gevolgen van zijn oorlogsverwondingen – zijn doodvermoeiend. Als Linda Missi’s bericht leest, doet ze het eerst af als kwaadwilligheid van een jaloerse ex. Maar ze heeft al een paar weken het vage gevoel dat het tussen haar en Rich niet helemaal goed zit. Als ze na een paar dagen eindelijk de links opent die Missi haar heeft gestuurd, snapt ze waarom. ‘Mijn eerste instinct was: hoe krijg ik hem het huis uit?’ vertelt ze. Dat probleem lost hij zelf voor haar op, door aan te kondigen dat hij weer zo’n pijn heeft, hij moet echt naar de eerste hulp. Linda zet hem daar af en belt op weg terug naar huis de politie. Daarna blijft ze uren op. Om drie uur die ochtend laat Derek haar weten dat hij een Uber-taxi naar huis neemt, en Linda waarschuwt de politie. Als ze door haar raam de rood-blauwe lichten ziet flitsen, stuurt ze een bericht aan Missi, om haar te laten weten dat Derek is opgepakt.
Uiteindelijk komt Linda erachter dat Derek Alldred niet alleen heeft gelogen over zijn naam, zijn baan en zijn verleden – hij heeft ook haar spaarrekening leeggehaald om zijn verzonnen leven te financieren. Al bladerend door haar bankafschriften ziet ze de puzzelstukjes op hun plaats vallen: hoe hij haar creditcard voor noodgevallen uit haar juwelenkistje heeft gestolen, nieuwe betaalpassen op haar naam heeft aangevraagd om daarmee vervolgens chique etentjes en reisjes naar Hawaï met haar en andere vrouwen te betalen; hoe hij geld uit haar pensioenpotje heeft weten te halen om de creditcardnota’s te betalen, en om een boot en twee motorfietsen te kopen, zogenaamd als cadeautje voor haar; hoe hij haar telkens vroeg om hem bij het ziekenhuis af te zetten, waar Missi hem dan weer kwam ophalen zodra zij uit het zicht was; hoe haar naam op de een of andere manier de enige naam onder het huurcontract voor het huis is en zij nu dus aansprakelijk is voor de huur die ze niet kan betalen.
Als Linda’s hond de kamer binnen dartelt, moet Missi lachen: “Thumper!” zegt ze. “Ik dacht dat jij dood was!”
De avond na de arrestatie van Derek komt Missi naar haar toe, zodat Linda niet alleen hoeft te zijn. Als Linda’s hond de kamer binnen dartelt, moet Missi lachen: ‘Thumper!’ zegt ze. ‘Ik dacht dat jij dood was!’ (Dereks moeder leeft ook nog, horen ze later). Op het eerste gezicht hebben de twee vrouwen weinig gemeen. Missi is nuchter en ontspannen, met een yin en yang-symbool op haar grote teen getatoeëerd, terwijl Linda een typische conservatieve veteranenechtgenote is met het slepende accent dat haar Texaanse wortels verraadt. Maar de absurditeit van de situatie waarin ze samen zitten, schept een band.
De volgende dag, net als de politie van Washington County bij Linda thuis is om haar verklaring op te nemen, wordt er een pakje bij haar bezorgd, geadresseerd aan Rich Peterson. Linda neemt het pakje voorzichtig aan – het lijkt wel een boodschap vanuit een andere realiteit. Een van de politiemensen zegt dat ze het net zo goed kan openmaken: ‘Hij is toch geen echte persoon.’ In de doos zitten whisky en chocolade en een lief kaartje met ‘beterschap’ erop, van een vrouw die aan de afzender te zien maar een paar wijken bij haar vandaan woont.
Linda stuurt een bericht aan Missi en die stelt een heel dossier van artikelen over Dereks misdaden samen, dat ze naar de derde vrouw brengt, Joy (die alleen met haar tweede naam genoemd wil worden). Dat weekend komt Joy bij Linda langs en onder het soldaat maken van een fles wijn proberen de twee vrouwen de puzzelstukjes in elkaar te passen van de manier waarop zij zo enorm bij de neus zijn genomen. Ook Joy, een 42-jarige IT-manager, leert ‘Rich’ leren kennen op OurTime.com, in februari. Hij vertelt haar dat hij hoogleraar is en vrijwilligerswerk doet bij een daklozenopvang in het centrum. (Later ontdekken de vrouwen dat hij in feite in die opvang woonde, voordat hij bij Linda introk.) Ze hebben een paar maanden verkering gehad, tot ‘zijn leven één en al drama werd’, zoals Joy zegt. Ze maakt het uit, maar ze blijven vrienden. Op Onafhankelijkheidsdag stuurt hij haar nog een foto van zichzelf met zijn armen om Missi en haar kinderen heen, op de boot die Linda heeft betaald. ‘Ik heb een boot gekocht en ben vandaag een tochtje gaan maken met mijn zus en haar kinderen’, schrijft hij erbij. ‘Mijn leven is weer wat tot rust gekomen, zullen we het nog eens proberen?’ Joy besluit hem nog een kans te geven. Later ontdekt ze dat hij voor bijna achtduizend dollar aan sieraden van haar heeft gestolen, evenals haar paspoort en geboorteacte.
Het leven dat Derek – het is nog steeds lastig om hem niet per ongeluk Rich te noemen – voor zichzelf heeft verzonnen, is goed doordacht: hij heeft een e-mailadres van de universiteit van Minnesota en een persoonlijk pasje waarmee hij de beveiligingspoortjes van universiteitsgebouwen kan openen. Hij heeft de gewoonte om vanuit een collegezaal ‘tussen de colleges door’ met de vrouwen te FaceTimen. Hij voert urenlange telefoongesprekken – zogenaamd met zijn commandant, het hoofd van zijn faculteit of zijn dochter Sarah, drie mensen die niet blijken te bestaan – waarbij Linda inderdaad een stem aan de andere kant van de lijn hoort. Hij bezit uniformen en medailles en een stapel ingelijste, officieel uitziende oorkondes: een Purple Heart en een Silver Star, een lidmaatschap van commandoteam Team One, een diploma van een marinecursus mijnopruiming onder water. Er zijn zo veel tastbare voorwerpen die Dereks verhalen ondersteunen dat zelfs als er een sprankje twijfel opkomt, de vrouwen dat onderdrukken – het kan toch onmogelijk allemaal nep zijn, zeggen ze dan tegen zichzelf. Dat zou idioot zijn.
Er is nog een onderwerp dat in de gesprekken van de vrouwen telkens terugkeert: ‘We wisten ook dat er meer slachtoffers moesten zijn,’ zegt Lisa.
Amerikanen zijn dol op de klassieke oplichter. Met zijn nonchalance, zijn vrolijke weigering om bij één categorie of klasse te horen, zijn vermogen om zichzelf telkens opnieuw uit te vinden is de con man (het is bijna altijd een man) de ultieme belichaming van een van de meest typisch Amerikaanse mythes: je kunt bijna alles zijn wat je wilt! ‘De oplichter’, aldus schrijver Lewis Hyde, ‘is een van de niet-erkende grondleggers van Amerika.’
Oplichters gedijen in tijden van verwarring. ‘Een overgangsperiode is het geliefde speelterrein van de oplichter,’ schrijft Maria Konikova in The Confidence Game, een onderzoek naar de manier waarop zwendelaars de menselijke psychologie manipuleren. ‘Niets bezorgt hem meer plezier dan profiteren van de onrust die je ervaart als je vertrouwde wereld verandert.’ Het eerste grote tijdperk van de Amerikaanse fraudekunstenaar begon halverwege de negentiende eeuw. Het land was snel aan het verstedelijken; plaatsen die vroeger ver weg lagen, werden nu via spoorlijnen met de rest van het land verbonden. Amerikanen kwamen meer vreemden tegen dan ooit en dankzij de groeiende economie hadden ze meer geld dan eerdere generaties. Al die vreemdelingen en al dat geld leidden tot een tijd waarin alles was gebaseerd op vertrouwen, een tijd die vanwege zijn ‘onbegrensde geloof in menselijke beloften’ de inspiratiebron werd voor het satirische The Gilded Age van Mark Twain en Charles Dudley Warner.
Ook het internettijdperk met zijn eindeloze hoeveelheid vreemden en snel veranderende sociale mores is vruchtbare grond voor oplichters. Het Internet Crime Complaint Center van de FBI, dat zich bezighoudt met internetcriminaliteit, heeft in 2016 meer dan 300.000 klachten binnengekregen, wegens diefstal van in totaal meer dan 1,3 miljard dollar. Daarvan ging het bij 14.500 meldingen om relatiefraude, een cijfer dat sinds 2011 meer dan verdubbeld is. In 2016 was relatiefraude de op een na meest lucratieve vorm van internetfraude (na kabelfraude), die oplichters in totaal bijna 220 miljoen dollar heeft opgeleverd. Ter vergelijking: in dat jaar verspeelden de Amerikanen slechts 31 miljoen dollar aan phishing, zo’n 2,5 miljoen aan virusaanvallen en 1,6 miljoen aan nep-goede doelen.
De FBI waarschuwt dat ‘vooral vrouwen boven de veertig, die gescheiden, weduwe en/of gehandicapt zijn’ doelwit zijn van datingzwendel. In veel gevallen worden vrouwen online het hof gemaakt door mannen die beweren dat ze als militair naar Afghanistan zijn uitgezonden of op een olieplatform in Qatar werken. Na weken of maanden van intieme e-mails, tekstberichten en telefoontjes, heeft het zogenaamde vriendje dringend geld nodig om een kapotte laptop te kunnen vervangen of voor een vliegticket naar huis. Bij sommigen, zoals Derek of zoals ‘Dirty John’ Meehan wiens romantische bedrog vorig jaar werd onthuld door de Los Angeles Times, loopt een onlineromance uit op fysieke neprelatie, waarbij de oplichter soms met zijn slachtoffer gaat samenwonen of zelfs met haar trouwt. Derek is bijzonder omdat hij zo veel slachtoffers maakt: vaak heeft hij twee of drie relaties tegelijk aan de hand. Ontdekt een vrouw de waarheid, dan gaat hij snel naar een andere.
Volgens justitie geeft maar vijftien procent van de fraudeslachtoffers de misdaad aan bij de autoriteiten, voornamelijk uit ‘schaamte, schuldgevoel, gêne en ongeloof’. ‘Je voelt je echt heel ellendig over jezelf,’ zegt Missi, en ze imiteert het lelijke stemmetje in haar hoofd: ‘Wat ben jij een stom, stom, oerstom wijf.’
Maar Dereks slachtoffers laten zich er niet door hun schaamte van weerhouden om naar buiten te treden. Velen doen wel degelijk aangifte tegen hem – en komen er dan achter dat hij de kans dat hij de consequenties ervan moet dragen paradoxaal genoeg juist kleiner heeft gemaakt, doordat hij hen zo ver meevoerde in zijn bedrog.
Obsessie
De politie laat Derek na 48 uur gaan en zegt tegen Linda dat ze een sterkere zaak tegen hem willen opbouwen (volgens een woordvoerster van de politie heeft de officier van justitie besloten dat de beschuldigingen van fraude in de rechtszaal waarschijnlijk niet overeind blijven. Het leven van Linda is zo verstrengeld met dat van Derek dat het te lastig zal worden om te bepalen welke creditcardbetalingen frauduleus zijn en welke niet.) Zeven maanden later vaardigt de politie eindelijk een arrestatiebevel tegen Derek uit, omdat hij zich heeft voorgedaan als politieman. Maar dan is hij allang verdwenen.
Terwijl Linda haar financiën uitpluist, duikt haar schoonzus in oude nieuwsberichten over Derek, op zoek naar informatie waarmee hij voor de rechter kan worden gebracht. De meeste vrouwen die in die berichten aan het woord komen, zijn anoniem of worden alleen met hun voornaam genoemd. Een vrouw die Cindi Pardini heet, gebruikt echter wel haar volledige naam. Zij woont in San Francisco en werkt in de tech-industrie en volgens haar heeft Derek in 2013 in een paar maanden tijd honderdduizenden dollars (en 660.000 airmiles) van haar gestolen. Linda stuurt Cindi een bericht via Facebook en merkt al snel dat Cindi als een soort onofficieel vertegenwoordigster van Dereks aanklaagsters fungeert. Omdat haar naam als een van de weinige vindbaar is in verband met de zijne, sturen vrouwen die door Derek zijn bedrogen, berichten naar Cindi via Twitter, Facebook en LinkedIn. Zij onderhoudt contact met twaalf slachtoffers.
Cindi is niet altijd gemakkelijk in de omgang. Aan de telefoon met de andere slachtoffers kan ze urenlang doorpraten over Derek en de problemen die hij haar heeft bezorgd: hoe hij haar bankrekening heeft leeggehaald, haar kredietwaardigheid heeft ondermijnd en haar wereldbeeld overhoop heeft gegooid. ‘Ik zat niet goed in mijn vel toen,’ geeft Cindi nu toe. ‘Dit heeft de afgelopen vijf jaar mijn hele leven beheerst. Mijn vrienden en familie zeggen nu: “Waarom hou je er niet mee op? Je gaat eraan onderdoor.”’
Maar juist door die obsessie wordt Cindi de koppigste speurster in de zaak. Ze houdt zorgvuldig al het nieuws over Dereks wandaden bij en stuurt het door naar de politie. Ze meldt zich ook bij Dereks dochter, een meisje van middelbare-schoolleeftijd, dat, zo ontdekt ze, geen contact meer met haar vader heeft. (De tweede dochter, Sarah, is een verzinsel.) En ze praat met een jeugdvriend van hem, die zegt dat Derek, die is opgegroeid in een rijke voorstad van San Francisco, al jong een lastpak was. Derek heeft vaak met Missi over zijn familie gepraat en zo blijken in ieder geval een paar dingen die hij haar heeft verteld, te kloppen. ‘Dan had hij het erover dat het zulke lieve mensen waren, en dat hij het zwarte schaap van de familie was,’ vertelt Missi. Cindi heeft contact met een van zijn eerste slachtoffers, een vrouw die Derek begin jaren negentig heeft leren kennen en er toen van overtuigd was dat hij medicijnen studeerde en belangrijk onderzoek deed naar taaislijmziekte.
Cindi voegt Linda toe aan een groepsapp met een aantal andere slachtoffers en het is voor Linda wel troostrijk om verhalen met hen uit te wisselen en te zien dat zij helemaal niet dom zijn. In ieder geval heeft Derek kennelijk een voorkeur voor intelligente vrouwen; onder zijn slachtoffers zijn een arts en een paar vrouwen uit de tech-industrie. Linda zelf werkt als ingenieur bij een kerncentrale. Maar wat de andere vrouwen vertellen over hun pogingen om Derek voor zijn daden te laten boeten, is niet hoopgevend.
JoAnn, een 43-jarige vrouw uit Minneapolis, die haar achternaam niet gepubliceerd wil hebben, leert in augustus 2014 ‘Derek Allarad’ kennen op Match.com. Hij vertelt haar dat hij advocaat is bij een groot kantoor in het centrum van de stad; in werkelijkheid is hij ondergedoken omdat er een arrestatiebevel tegen hem loopt voor het oplichten van het Saint Paul Hotel. In de drie maanden dat zij samen zijn geeft Derek zo’n 23.000 dollar uit met JoAnns creditcards. Als ze hem bij de politie aangeeft, krijgt ze te horen dat het waarschijnlijk verspilling van haar geld en tijd is om juridische stappen tegen hem te ondernemen. ‘De frauderechercheur zei tegen me dat het mij veel te veel geld zou kosten om een advocaat in de arm te nemen en hem voor de rechter te slepen,’ vertelt JoAnn. ‘Volgens hem zouden ze zeggen dat ik gewoon mijn ex-vriendje beschuldigde uit bitterheid. Hij zei: “Als ik u was, zou ik het maar laten gaan…”’ Zes maanden en vele telefoontjes later vergoedt de creditcardmaatschappij eindelijk de betalingen. Maar JoAnn heeft er nog altijd spijt van dat ze Derek niet voor de rechter heeft gesleept. ‘Al was het maar vanwege al die vrouwen die hij na mij nog heeft gekwetst,’ zegt ze.
Alles bij elkaar heeft Derek sinds 2010 waarschijnlijk van minstens twaalf vrouwen in totaal ongeveer een miljoen dollar afgetroggeld. Hij heeft verschillende namen en beroepen gebruikt, maar de identiteiten die hij aannam hebben altijd een element van financiële autoriteit of mannelijke stoerheid: gedecoreerd veteraan, chirurg, airmarshal, investeringsbankier. Zwendelaars weten maar al te goed dat een uniform de illusie versterkt, en Derek kleedt zich graag in chirurgenoutfit of met militaire versierselen. Hij laat zijn oog meestal vallen op vrouwen van in de veertig of vijftig, liefst gescheiden, liefst met een paar kinderen en een hond of twee. Vaak zitten zijn slachtoffers net in een moeilijke periode – zijn pas gescheiden, hebben een gewelddadige relatie achter de rug of zijn herstellende van een ernstig ongeluk – en hij presenteert zich dan als de held en de man die voor haar zorgt, die haar komt redden. Zelfs vrouwen die het niet moeilijk hebben als ze Derek leren kennen, merken algauw dat hun leven ontspoort door de chaos die hij met zich meebrengt – ze raken hun baan kwijt, krijgen paniekaanvallen, verliezen het contact met familieleden.
Dereks slachtoffers kijken toe en wachten af tot hij een keer een fout maakt. Maar voor zover de groeiende groep slachtoffers kan zien is hij nooit aangeklaagd voor een misdaad tegen een van de vrouwen die hij heeft opgelicht, alleen voor het oplichten van bedrijven. Kennelijk vertrouwt Derek erop dat de politie misbruik van creditcards vaak niet al te serieus neemt, wanneer slachtoffer en dader elkaar kennen. Zelfs in zaken waarin de politie Derek wel vervolgt, hoeft hij altijd maar kort de cel in. Of hij vertrekt gewoon uit de stad – zoals die keer in 2014, nadat hij is betrapt op voor duizenden dollars aan frauduleuze uitgaven bij luxehotels. Als hij uiteindelijk wordt opgepakt en terug naar Minnesota gebracht, overdrijven de aanklagers het fraudebedrag en vragen ze een borgsom van 100.000 dollar.
‘Is dat niet een beetje gortig?’ vraag de rechter.
‘Rechter, als ik iets mag zeggen…’ antwoordt de officier, ‘de beklaagde is een oplichter. Hij heeft een aantal slachtoffers opgelicht in de staat Minnesota. Hij maakt de hele wereld wijs dat hij betrouwbaar is en steelt geld van mensen die dat niet kunnen missen.’
De rechter wijst het verzoek af. Een maand of zes later wordt Derek vrijgelaten. Kort daarna – en ondanks het feit dat hij is vrijgelaten onder voorwaarde dat hij in Minnesota blijft – zit hij op een strand in Hawaï met weer een vrouw die denkt dat ze de volmaakte man heeft gevonden.
Jarenlang heeft Derek zijn straf weten te ontlopen door zich telkens te verplaatsen; de plaatselijke politie heeft niet de bevoegdheid om hem tot voorbij de staatsgrenzen te achtervolgen. Maar voor de vrouwen die hij tot zijn slachtoffers heeft gemaakt gelden die beperkingen niet. Zij beginnen zijn omzwervingen door het land te volgen, en gebruiken sociale media om nieuws en informatie te delen – en om anderen te waarschuwen.
Missi neemt contact op met haar vroegere collega bij de luchtvaartmaatschappij, Vicki, die een aangetrouwde nicht van Derek is – dat gedeelte van zijn verhaal is tenminste niet helemaal gelogen. Als Missi haar heeft verteld wat Derek heeft aangericht, belooft Vicki dat ze alle informatie die ze krijgt zal doorgeven. Via een familielid hoort Vicki dat Derek is weggegaan uit Minnesota en nu bij zijn moeder in Sedona, Arizona, bivakkeert, waar hij – hoera – nog een veroordeling voor rijden onder invloed open heeft staan. Op aandringen van Missi waarschuwt Vicki de plaatselijke politie, die hem begin september 2016 oppakt en hem een paar dagen in de plaatselijke gevangenis vasthoudt. Het is niet veel, maar de vrouwen zijn al blij dat hij tenminste enige straf moet ondergaan.
Nog schadelijker dan de financiële verwikkelingen is de buts die hun vertrouwen in de wereld heeft opgelopen, dat oergevoel dat de dingen zijn wat ze lijken
Maar Derek heeft een opmerkelijk vermogen om telkens weer dezelfde truc uit te halen. Na afloop van zijn straf voor het rijden onder invloed begint hij een relatie met een jonge vrouw, waarbij hij zich voordoet als Navy SEAL Richard Peterson. Al snel ontdekt zij dat hij sieraden van haar heeft gestolen en verpand. Hij wordt gearresteerd, geeft toe wat hij heeft gedaan, gaat weer de gevangenis in, maar komt op borgtocht vrij en verschijnt nooit op de rechtszitting waar zijn vonnis wordt gewezen. In januari 2017 duikt hij op in Las Vegas, waar hij weer een nieuwe vrouw heeft leren kennen. Hij wordt er lid van een country club, laat daar de rekeningen hoog oplopen en verdwijnt in april weer uit de stad.
Telkens als nieuwe slachtoffers contact opnemen met Cindi Pardini, voegt zij hen toe aan de groepsapp, zodat ze hun verhalen met de andere vrouwen kunnen delen. Het is frustrerend dat ze altijd pas over Dereks jongste escapades horen als het leed al is geleden. Zijn slachtoffers kijken toe en hopen dat hij binnenkort een fout maakt die hem voorgoed de kop kost.
Wie in de media genoeg verhalen leest over handige oplichters, krijgt vreemd genoeg bijna zin om zelf eens met zo’n type uit te gaan. In The Big Con, misschien wel hét standaardwerk over Amerikaanse oplichters, noemt David Maurer hen ‘de aristocraten van de misdaad’. Schrijver en recensent Luc Sante heeft eens geschreven dat ‘de beste een combinatie bezitten van superieure intelligentie, een brede algemene kennis, acteerkwaliteiten, vindingrijkheid, fysieke kracht en improvisatietalent, waarmee ze in elk beroep de top zouden kunnen bereiken’. In films worden ze gespeeld met veerkrachtige tred en een twinkeling in hun ogen: denk aan Paul Newman in The Sting, Leonardo DiCaprio in Catch Me If You Can. De oplichter ziet er goed uit in een pak en houdt van een grapje. (‘Humor is nooit ver van het hart van de oplichter’, schrijft Sante). En wie wil niet graag in de grap meedelen? Onze voorliefde voor verhalen over oplichters is voor een deel een manier om onszelf gerust te stellen: wij zouden nooit zo dom zijn om ons bij de neus te laten nemen. Daarom willen we slachtoffers van een oplichter graag afdoen als inhalig (‘Je kunt een eerlijk man niet bedriegen,’ wordt wel gezegd) of gewoon oliedom: als het hun eigen schuld is dat ze zijn opgelicht, dan kan het ons dus niet overkomen.
Maar een tijdlang praten met de mensen die door zo iemand zijn gekwetst, is een uitstekende manier om je fantasieën over oplichters kwijt te raken. Dereks slachtoffers moeten hun verdwenen kredietwaardigheid weer zien te herstellen en krijgen telefoontjes van deurwaarders. Sommigen zijn zo kapot door hun ervaring dat vroegere medische problemen zijn teruggekomen, of hebben moeite om weer aan het werk te gaan.
‘Je verliest gewoon hele dagen,’ zegt Linda. Zij heeft een muur behangen met memovelletjes waarop Dereks wandaden in kaart zijn gebracht: ‘Daar was ik mee bezig, en niet met het zoeken naar een baan; niet met het regelen van de zaken rond de motorfiets, de bankrekening, de ongedekte cheques; niet met leven.’ Zij was blijven zitten met de huur voor een huis dat ze zich niet kon veroorloven en wist net genoeg geld bij elkaar te schrapen om alles te betalen, behalve de allerlaatste maand; nu heeft ze een huisuitzetting op haar naam staan. Zij en haar zoon bivakkeren op de bank bij vrienden, terwijl ze op zoek is naar een plek waar ze kunnen wonen en haar ex-man is een procedure begonnen om de voogdij over hun zoon te krijgen.
Nog schadelijker dan de financiële verwikkelingen is de buts die hun vertrouwen in de wereld heeft opgelopen, dat oergevoel dat de dingen zijn wat ze lijken. ‘Ik was totaal in de war – word ik nou voor de gek gehouden, of ben ik alleen maar extreem wantrouwig?’ vertelt Dereks laatste slachtoffer uit Las Vegas. ‘Het is zo vergezocht – je denkt gewoon: Dit kan niet. Hij krijgt een rol in je leven, in het leven van je familie, in je financiële zaken. Ik wist niets eens dat er mensen bestonden zoals hij.’ De schade strekt zich ook uit naar de familie en vrienden van de vrouwen. ‘Voor mijn moeder werd het bijna haar dood,’ zegt Linda. ‘Hij zat vaak urenlang met haar te kletsen. Ze kon het niet bevatten: “Was dat allemaal een leugen?”’
Veel vrouwen die ik heb gesproken voelen de dezelfde behoefte, namelijk om duidelijk te maken dat dit niet zomaar een kwestie van datingbedrog is. Ze wijzen erop dat Derek ook ziekenhuizen en verzekeringsmaatschappijen heeft opgelicht, lang voordat hij vrouwen begint te ontmoeten op datingsites, en dat hij buiten die gescheiden veertig-plusvrouwen nog veel meer mensen heeft bedot. Hij palmt hun ouders in, hun vrienden en collega’s; hij overtuigt hotelpersoneel en Mercedesverkopers, bankiers, makelaars en artsen. Hij weet lidmaatschappen los te peuteren van countryclubs en toegangspasjes van ziekenhuizen. Hij gaat om met echte veteranen, die hem op zijn woord geloven.
Dereks slachtoffers blijven dit onderstrepen, ik denk omdat ze weten dat misdaden tegen vrouwen, vooral als die in de privésfeer worden gepleegd, vaak niet op waarde worden geschat. ‘Voor de politie is het een huiselijke twist, zijn woord tegen het hare,’ zegt Linda. ‘Zij stoppen het in het hokje echtscheidingen en familierecht.’ Ze vertelt dat een agent tegen haar heeft gezegd: ‘Tja, het heeft toch niemand echt kwaad gedaan? Wij hebben belangrijker zaken aan ons hoofd.’ De vrouwen weten dat sommige mensen zodra ze het woord datingbedrog horen, dat vertalen in ‘zielige, wanhopige vrouw’. Daarmee bedoelen ze dat deze vrouwen beter hadden moeten weten. Of misschien dat ze zelf schuld hebben aan hun slachtofferschap. Als een vrouw haar ex aangeeft omdat hij van haar heeft gestolen, wie zegt dan dat ze niet gewoon een gebroken hart heeft en uit is op wraak? Derek zelf bedient zich maar al te graag van dat soort stereotypen; wanneer een slachtoffer zijn ware identiteit ontdekt, dreigt hij soms om de buitenwereld wijs te maken dat ze een slechte moeder is of alcoholist, een gestoorde vrouw die niet te vertrouwen is.
Zelfs Dereks slachtoffers, die beter begrijpen hoe dit werkt dan wie ook, plaatsen in hun gesprekken met mij geregeld vraagtekens bij elkaars keuzes: hoe kon ze het zo lang laten doorgaan, waarom heeft ze hem bij zich laten intrekken terwijl ze hem nauwelijks kende, hoe kan het dat ze deze of die overduidelijke leugen niet heeft doorzien? Hoe hardnekkig het geloof is dat oplichters altijd anderen overkomen, bewijzen de vrouwen die in Derek Alldreds verzinsels zijn getrapt zelf. Als zij de zeer vergelijkbare verhalen van andere slachtoffers horen, denken ze toch vaak: Daar zou ik nooit ingetrapt zijn.
Sinds Missi en Linda op elkaars pad zijn gekomen, is er tussen hen het eigenaardige type vriendschap gegroeid dat kan ontstaan uit gedeelde narigheid. Derek heeft hun levens met elkaar vervlochten zonder dat zij daarom hebben gevraagd, door Missi mee uit varen te nemen op de boot die hij met Linda’s geld heeft betaald; door Missi foto’s te laten zien van Linda’s zoon, zijn ‘neefje’. Aanvankelijk hangt er een lichte onderhuidse spanning tussen de twee vrouwen, omdat Derek geen geld heeft gestolen van Missi, terwijl hij meer dan 200.000 dollar van Linda’s pensioenrekening heeft gehaald. Joy heeft de theorie geopperd dat Missi degene was van wie Derek echt hield, een idee dat Linda meteen van de hand wijst: ‘Die man is niet tot liefde in staat.’
Op een warme dag in het afgelopen voorjaar ga ik met Linda mee naar het huis van Missi, in een voorstad van St. Paul. We praten urenlang over Derek, ontleden zijn daden en speculeren over zijn motieven. Laat die avond vertelt Linda nog een krankzinnig deel van het verhaal, over een huis van een half miljoen dat Derek voor hen tweeën wilde kopen, tot het geld voor de aanbetaling opeens op mysterieuze wijze was verdwenen.
‘Als je zo naar Linda luistert, denk je toch: Hoe kon je dat zomaar geloven?’ zegt Missi.
‘Ik had wel iets anders te doen,’ zegt Linda een beetje geïrriteerd. ‘Al had hij tegen me gezegd dat de hemel paars was, dan nog had ik gezegd: “O ja? Oké.” Ik had zo veel aan mijn hoofd toen.’
‘En ik niet, dus ik sprak hem wel op dingen aan,’ zegt Missi. Opeens klinkt ze verdrietig. ‘Maar ik liet hem telkens weer terugkomen.’
Op 17 mei 2017 verlaat Richie Taylor het huis dat hij deelt met zijn nieuwe vriendin, Dorie, om bij zijn broer en schoonzus te gaan eten. Dorie zit een beetje doelloos door de foto’s te scrollen op de iPad die Richie thuis heeft laten liggen, tot ze er een ziet waarbij ze abrupt stopt. Het is een screenshot van een Instagrampost waarop een man in een ziekenhuisbed te zien is. In het bijschrift staat ‘HEEL VEELDANK allemaal, voor jullie gebeden en steun… Mag maandag het ziekenhuis uit.’ Het account staat op naam van ‘Derek M Allred.’ ‘Ik dacht: Wat? Dat is Richie, zegt Dorie. Als ze ‘Derek Allred’ googelt (een andere spelling die hij soms gebruikt), vindt ze de stortvloed aan nieuwsberichten en politiefoto’s. Opeens begrijpt ze waar al die valse betalingen die steeds op haar creditcardafrekeningen opduiken, vandaan komen.
Dorie print de artikelen uit en brengt ze naar de politie in The Colony, het stadje vlak bij Dallas waar ze woont. ‘Ik dank nog steeds de hemel dat het een vrouwelijke agent was die mijn verklaring opnam,’ zegt ze. ‘Zij nam het serieus.’ Terwijl Dorie op bericht van de politie over de zaak wacht, speurt ze zelf het internet af naar informatie over Derek. Net als veel andere slachtoffers stuit ze op Cindi Pardini. De twee vrouwen spreken elkaar aan de telefoon. ‘Ik hoorde hoeveel ellende hij al had aangericht,’ zegt Dorie. ‘Ik zwoer een eed dat er na mij geen enkel slachtoffer meer zou vallen.’
Dorie zorgt dat de politie in Colony foto’s krijgt van Derek in zijn marine-uniform, en de rechercheurs nemen contact op met de criminele inlichtingendienst van de marine. Volgens de Stolen Valor Act van 2013 is het een federaal delict om te proberen voordeel te halen met valse militaire onderscheidingen – wat betekent dat de criminele inlichtingendienst een onderzoek kan starten dat zich over meerdere staten uitstrekt.
Als Dorie hem heeft betrapt, trekt Derek in bij zijn andere vriendin, Tracie Cunningham. Maar het duurt niet lang voordat Tracie, die bij een instelling voor verslavingsnazorg werkt, er genoeg van krijgt om hem de hele dag in huis te hebben. Hij is, vindt ze, veel te zeurderig, eist de hele tijd dat ze hem naar het ziekenhuis rijdt voor een of ander noodgeval. ‘Er zijn veel mannen die een beetje hoofdpijn krijgen en dan denken dat ze een enorme tumor hebben, dat ze doodgaan,’ zegt ze. ‘Dat is typisch iets voor mannen. Hij had dat ook. Echt dramatisch.’
Vlak na Memorial Day zet Tracie hem aan de kant. Een paar uur later krijgt ze op haar werk een telefoontje van de marinerechercheur, die haar vertelt dat ze een relatie heeft gehad met een oplichter. Voor zover ze weet heeft Derek niets van Tracie gestolen (‘behalve tijd en een beetje zelfrespect’), maar als ze over de andere slachtoffers hoort, is ze meteen bereid de onderzoekers te helpen hem te vangen.
Op aandringen van de rechercheur stuurt Tracie een appje aan Derek, waarin ze terugneemt dat ze het uit wil maken: ‘Het spijt me schatje, het kwam door de hormonen’ – en ze spreekt af dat ze hem na zijn volgende ziekenhuisafspraak naar huis zal rijden.
Als Derek klaarstaat om opgehaald te worden, waarschuwt Tracie de NCIS-agent en zijn collega’s. ‘Zij racen daarheen en ik ook, want dit wil ik niet missen,’ vertelt Tracie. Ze stopt bij de plek waar patiënten kunnen instappen. Door de glazen schuifdeuren van het ziekenhuis heen ziet ze Derek met handboeien om, geflankeerd door twee agenten. ‘Ik zet mijn alarmlichten aan, spring de auto uit met mijn mobiele telefoon en begin foto’s te schieten. De NCIS-agent roept ‘Nee!’, maar ik zeg ‘O jawel, ik moet hier foto’s van hebben. Dít is gerechtigheid voor andere mensen.’
Zo veel vragen
Als Derek eindelijk achter de tralies zit, vieren zijn slachtoffers een feestje, en sturen ze elkaar berichtjes met allerlei grimmige fantasieën over de toekomst die hem te wachten staat in de gevangenis. De NCIS ondervraagt slachtoffers in het hele land, en hun verhalen versterken het beeld dat Derek telkens opnieuw in de fout gaat.
Een paar dagen voor Kerstmis bekent Derek schuld op twee aanklachten voor identiteitsdiefstal en één voor postfraude, aanklachten die samen een maximum straf van 24 jaar cel kunnen opleveren. Bij het ter perse gaan van dit nummer is nog niet bekend wanneer het vonnis zal worden uitgesproken. Zijn slachtoffers hopen dat hij lang genoeg de gevangenis in moet om eruit te komen als een oude man, die niet meer zo gemakkelijk zijn weg naar de bankrekening van vrouwen kan flirten.
Ondertussen blijven ze moeizaam proberen hun leven weer op de rails te krijgen. Missi is eindelijk zover dat ze met haar dochters grapjes over Derek kan maken. Linda is na meer dan een jaar voorzichtig weer begonnen met daten. Laatst was ze met een man uit eten en kon ze het niet laten om in zijn portefeuille te gluren, alleen om er zeker van te zijn dat de naam die hij haar had gegeven klopte met zijn identiteitskaart.
Dorie, Dereks laatste slachtoffer – tot nu toe tenminste – heeft onlangs het rapport van de politie en een stapel artikelen over Alldred naar haar bank en haar creditcardmaatschappij gestuurd, om de financiële puinhoop die hij heeft gemaakt op te ruimen. Citibank heeft meteen de 7000 dollar aan onterechte betalingen die hij met een van haar creditcards had gedaan, vergoed, maar Chase heeft geweigerd haar te compenseren voor de 10.000 dollar die hij met een andere had uitgegeven. ‘Ze weigerden het geld aan me terug te storten, omdat ik de man kende, zeiden ze.’ (Ik heb de maatschappij om een reactie gevraagd, en Chase zei dat Dorie toestemming aan Derek had gegeven om de creditcard te gebruiken, en dat ze een frauderechercheur had verteld dat veel transacties wél geldig waren.)
Afgelopen zomer heb ik een afspraak voor een videogesprek met Derek in de Denton County Jail in Texas. Er zijn zo veel vragen bij me overgebleven: wie was er aan de andere kant van de lijn als Derek die urenlange gesprekken voerde met zijn ‘dochter’ of zijn ‘commandant’? Hoe is hij aan een e-mailadres en pasje van de universiteit gekomen? Had hij ergens een geheime voorraad contanten? En dan is er nog de vraag die, denk ik, niet te beantwoorden is, maar die ik toch moet stellen: hoe voelt het om zo goed te zijn in het veinzen van liefde?
Ik neem plaats in de bezoekersruimte en zit wat doelloos te krabbelen in mijn blocnote, terwijl het tijdstip van onze afspraak aanbreekt en voorbijgaat. Ik heb me net neergelegd bij de gedachte dat er niets gaat gebeuren, als het scherm plotseling oplicht en ik het hoekige gezicht met de stompe kin van Derek Alldred zie, dat ik zo goed ken van al die politiefoto’s. Hij draagt een oranje overall en de camera filmt hem vanuit een ongunstige hoek van bovenaf, als een onflatteuze selfie. Ik vertel hem dat ik journalist ben en hij reageert onaangedaan. ‘Ik wilde het bezoek eigenlijk afzeggen, maar de bewaker zei: “Weet je het zeker? Het is een knap meisje,”’ zegt hij en hij lacht tegen me. Aan het eind van ons gesprek zegt Derek dat hij zijn kant van het verhaal aan me wil vertellen, en alleen aan mij, en hij belooft dat we elkaar snel weer zullen spreken. Ik hang de telefoon op, met een speciaal soort journalistieke euforie, het trotse gevoel: ik heb mijn verhaal.
De maanden hierna heb ik verscheidene gesprekken met Derek. Hij is nooit helemaal klaar om iets substantieels te onthullen in het halve uur dat het videosysteem van de gevangenis ons toestaat. Hij wil wachten tot een bepaalde datum in de rechtszaak voorbij is, of hij moet eerst met zijn advocaat overleggen. ‘Elk verhaal heeft twee kanten,’ zegt hij steeds tegen me. ‘Twee kanten.’ Hij beweert bij hoog en bij laag dat hij me alles wil vertellen, maar op de een of andere manier worden onze telefoontjes steeds op een cruciaal moment verbroken; soms antwoordt hij helemaal niet. In het begin wijt ik onze communicatieproblemen aan het gebrekkige systeem van de gevangenis. Maar het wordt steeds erger.
Het duurt langer dan ik graag wil toegeven voor ik me realiseer wat ik eigenlijk voelde, na dat eerste bezoek aan de Denton County Jail, terwijl ik veel te hard langs de hooivelden van Noord-Texas reed, al meezingend met Merle Haggard: mijn toekomst is zonnig en vol beloftes, want ik heb een man ontmoet die me alles zal geven wat ik wil.
The Atlantic?
Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000
Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast geweldige journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.
Al decennia wordt er gespeculeerd over de gevaarlijke verslavende effecten van videogames. Maar volgens twee Amerikaanse psychologen is er geen enkel bewijs. ‘Na dertig jaar wetenschappelijk onderzoek moeten we concluderen dat games weinig verschillen van andere hobby’s.’
Snookerspeler Neil Robertson klaagt dat zijn profcarrière is geschaad door een slopende verslaving. Niet aan drank of drugs, maar aan videogames. In een recent interview voor Eurosport vertelde de Australische sporter dat de onbedwingbare drang om World of Warcraft te spelen hem danig parten heeft gespeeld bij de voorbereiding op een toernooi in China. ‘Ik sta nu twee maanden droog,’ vertelde hij de site. ‘Zoals mijn vriendin zegt: een mens heeft zijn verslavingen niet voor het kiezen. Multiplayer onlinegames, daar moet ik gewoon niet aan beginnen, want dat slokt me helemaal op.’
Dat is alleen nog maar het recentste artikel waarin geopperd wordt dat games misschien wel net zo verslavend zijn als drugs of gokken. De laatste twee decennia, waarin de populariteit van dit medium explosief is gegroeid, verschijnen er geregeld alarmerende berichten over tieners die als zombies aan hun pc gekleefd zitten, afkerig van huiswerk en sociale contacten. In Zuid-Korea, waar online gamen praktisch een nationale sport is en profgamers zo beroemd zijn als popsterren, heeft de politiek geijverd voor afkickcentra en wetgeving om de toegang tot games te beperken.
Stoornis
De twee belangrijkste westerse classificatiesystemen van mentale stoornissen bevatten binnenkort misschien ook aandoeningen die te maken hebben met buitensporig gamen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft een ‘game-gerelateerde stoornis’ opgenomen in het ontwerp voor een nieuwe versie van haar International Classification of Diseases (ICD-11). En ook in het recentste handboek van de Amerikaanse psychiatrievereniging (DSM-5) staat het als verslavingsstoornis vermeld, zij het nu nog in het hoofdstuk ‘Aandoeningen die verder onderzoek behoeven’. Dat houdt in dat het nog geen officiële stoornis is en de genoemde criteria nog niet voor klinisch gebruik zijn bedoeld.
En dat is misschien maar goed ook. In een recent artikel in The New York Times schrijven de psychologen Christopher J. Ferguson en Patrick Markey dat mensen die aan de voorgestelde criteria voldoen, geen problemen lijken te ervaren. Ze wijzen erop dat volgens een grootschalig onderzoek in het American Journal of Psychiatry zelfs het kleine percentage van de bevolking dat voor de diagnose acute gamesverslavingsstoornis in aanmerking komt (hooguit 1 procent), daarvan geen negatieve gevolgen voor de geestelijke of lichamelijke gezondheid ondervindt – wat niet bepaald strookt met hoe we doorgaans over geestesstoornissen denken. Dat komt doordat de handelingen die een verslaving definiëren misschien problematisch zijn als het om heroïne gaat, maar betrekkelijk normaal gedrag als je ‘online gamen’ vervangt door willekeurig welke andere hobby.
‘Ons artikel heette “Videogames zijn niet verslavend”,’ zegt Markey. ‘Een betere titel was misschien geweest: “Videogames zijn niet verslavender dan tuineren”. Alles wat de ene persoon een fijne tijdsbesteding vindt, kan een ander te ver doorvoeren.’
Hun artikel is vooral gericht tegen het fabeltje dat videogames verslavend zijn, maar Ferguson en Markey vragen zich ook af waarom dat idee zo wijd verbreid is. Waarom zijn zo veel mensen, van ouders tot onderzoekers tot een 91-jarige acteur als Dick van Dyke (onlangs in The Guardian), zo overtuigd van de verslavende werking en andere negatieve gevolgen van videogames, als daar geen enkel bewijs voor is?
Ik vermoed dat de echte oorzaak van bestaande problemen niet in het gamen schuilt, maar in iets anders – misschien iets wat mensen niet goed kunnen of willen aanpakken
Misschien is het een politiek probleem. Toen Ferguson bij de WHO aan de bel trok over de opname van gameverslaving als een stoornis in ICD-11, kreeg hij van iemand in de organisatie te horen dat de WHO ‘onder grote druk staat, vooral van Aziatische landen, om dit toch in de ICD op te nemen’. In Zuid-Korea baart gameverslaving de overheid zo veel zorgen dat er wetten zijn aangenomen om kinderen minder toegang tot onlinegames te geven, en in door de staat gefinancierde behandelcentra voor deze verslaving wordt onder meer elektroshocktherapie toegepast.
‘Het blijft de vraag of kinderen in sommige Aziatische landen, met name Zuid-Korea en China, inderdaad meer gamegerelateerd probleemgedrag vertonen dan in het Westen,’ zegt Ferguson. ‘De gegevens zijn niet eenduidig, omdat het moeilijk is om landen met elkaar te vergelijken, vooral als er geen heldere internationale standaard is om vast te stellen wat een gameverslaving inhoudt. Ik ben benieuwd of er bredere socioculturele problemen zijn die de kinderen parten spelen. Ik vermoed dat de echte oorzaak van bestaande problemen niet in het gamen schuilt, maar in iets anders – misschien iets wat mensen niet goed kunnen of willen aanpakken, of waarop ze minder gemakkelijk de schuld kunnen afschuiven.’
Vooroordelen tegen videogames zijn symptomen van een angst voor nieuwe media die van alle tijden is. Hetzelfde zag je bij de roman in de achttiende eeuw, stripverhalen en rock-’n-roll in de jaren vijftig en bloederige films in de jaren tachtig. Nu zijn games aan de beurt. En omdat het om een jong medium gaat, waar alleen jongeren belangstelling voor hebben en iets van begrijpen, zijn het vooral ouderen die zich om die jongeren zorgen maken. Dat is grappig, zegt Ferguson: ‘De mensen met een extreem negatief beeld van videogames hebben doorgaans ook een negatiever beeld van kinderen en jongeren. En dat geldt net zo goed voor onderzoekers als voor leken.’
En als onderzoekers zo’n negatief beeld hebben, is het voor hen maar al te gemakkelijk om de gevonden data bewust of onbewust zo te presenteren dat die hun beeld bevestigen. In de woorden van Ferguson: ‘In de sociale wetenschappen zijn data zo vloeibaar dat je ze bijna alles kunt laten zeggen.’
Wetenschappers kunnen dat probleem volgens Ferguson en Markey ondervangen door hun onderzoeksmethode vooraf vast te leggen (zogenaamde pre-registratie) en zo te voorkomen dat ze de methode achteraf aanpassen om de uitkomst een bepaalde kant op te sturen. Maar ook dan blijven de onderzochte variabelen zelf vaak zeer twijfelachtig. Zo is bijvoorbeeld onderzocht hoeveel hete chilisaus proefpersonen bereid zijn in andermans eten te stoppen, als indicatie voor hun agressieniveau. ‘En op basis van zo’n onderzoek wordt dan gezegd dat gewelddadige videogames ten grondslag liggen aan schietpartijen op scholen en andere vormen van echt geweld,’ zegt Markey. ‘En daar heb ik altijd grote twijfels bij.’
Markey hecht meer belang aan statistieken uit de echte wereld, zoals de waarneembare afname van geweldsmisdrijven die samenvalt met de piekverkoop van gewelddadige games. ‘Er zijn miljoenen mensen die gamen, dus alleen al op basis van de data over de hoeveelheid mensen die daaraan “verslaafd” zouden zijn, zie je dat het duidelijk iets heel anders is dan heroïne of andere harddrugs. Stel dat je ineens aan miljoenen mensen heroïne zou verstrekken. Wat dat voor onze maatschappij zou betekenen. Totale ineenstorting.’
‘Ik denk dat het probleem voor een groot deel zit in ons gebruik van het woord verslaving,’ zegt Markey. ‘Als ouder kun je weleens zeggen: Mijn kind is verslááfd aan dat spel. Maar dan bedoel je niet verslaafd zoals bij een cocaïneverslaving.’ En dat ouders zo op videogames neerkijken, getuigt volgens Ferguson ook van een gebrek aan inzicht. ‘Ze denken: mijn kind verdoet zijn tijd met iets wat ik waardeloos vind, en omdat het zich daar niet van kan losrukken om iets te doen wat ík waardevol vind, word ik bang dat het verslaafd raakt.’
Iedereen heeft natuurlijk zijn eigen vooroordelen. Zoals mensen met weinig verstand van games er soms onterecht op neerkijken, kunnen mensen die zelf gamen de waarde ervan overschatten. In hun boek Moral Combat, over de paniekzaaierij rond videogames, wijden Markey en Ferguson ook een hoofdstuk aan de fabeltjes over de weldadige effecten van videogames, zoals het schromelijk overdreven nut van denkspelletjes.
Het enige onweerlegbare nut van videogames lijkt te zijn dat ze leuk zijn: als je ervan geniet, kan dat een goede manier zijn om stress te verlagen. ‘Ook dat is weer een aanwijzing dat games waarschijnlijk weinig verschillen van andere hobby’s,’ zegt Ferguson. ‘Het is niet dat games een wondermiddel zijn of speciale kwaliteiten hebben, maar net als zoveel hobby’s geven ze je een goed gevoel. Sommige mensen zoeken hun ontspanning liever in een breiwerkje. Als je niet van gamen houdt, zal het niet werken. Dat lijkt misschien een open deur, en dat is het ook, maar het heeft dertig jaar wetenschappelijk onderzoek gekost om daarbij uit te komen.’
Wie objectief wil blijven, moet dus scherp kijken naar wat er precies met het woord ‘verslaving’ wordt bedoeld, en of die veronderstelde verslaving de gezondheid daadwerkelijk schaadt. Bij een heel klein percentage gamers kan inderdaad sprake zijn van problematisch of zelfs destructief gedrag, maar de cijfers geven geen aanleiding om te denken dat er sprake is van een verslavingsepidemie. Wie wetenschappelijk onderzoek wil aanvoeren, moet goed kijken welke variabelen er zijn onderzocht en of de gebruikte onderzoeksmethode vooraf is vastgelegd. We moeten kijken of de onderzoekers bepaalde opvattingen hadden en of ze voor hun onderzoek ook projectbeurzen hebben gekregen – want die worden volgens Ferguson sneller toegekend aan ‘alarmerende dingen’.
Misschien is de moraal van Neil Robertsons verhaal dus gewoon dat games die al je aandacht opeisen simpelweg niet samengaan met een profsport die al je aandacht opeist. Als je carrière maakt in een activiteit die in feite een hobby is, kun je andere, leukere hobby’s beter even links laten liggen.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Uit nieuw onderzoek blijkt dat veel Arabische mannen lijden aan stress en depressie. Hun chauvinisme zou wel eens aangedreven kunnen worden door een gevoel van zwakte, niet van kracht.
Ahmed woont in Caïro en heeft zijn vrouw toestemming gegeven om buitenshuis te werken. ‘Eerst wilde ik dat ze thuisbleef, maar het lukte haar om de kinderen op te voeden, voor het huishouden te zorgen en toch nog tijd over te houden om te gaan werken,’ zegt hij. Toch is hij daar kennelijk niet echt van onder de indruk. ‘Natuurlijk blijf ik als man wel de hoofdkostwinner. Dat kunnen vrouwen gewoon niet, volgens mij.’
Dat is de algemene opvatting in deze regio, waar mannen nog steeds de dienst uitmaken in het gezin, in het parlement en op kantoor. Het chauvinisme komt tot uiting in de wetgeving, waarin vrouwen worden behandeld als tweederangsburgers. Onlangs verscheen een rapport van de VN en lobbyorganisatie Promundo over een onderzoek naar de kijk van Arabische mannen op de relatie tussen man en vrouw. Volgens dat onderzoek vindt 90 procent van de mannen in Egypte dat de man het laatste woord hoort te hebben bij de beslissingen in het huishouden, en dat vrouwen de meeste huishoudelijke taken moeten uitvoeren.
Minstens twee derde van deze mannen meldt zich grote zorgen te maken om de veiligheid en het welzijn van hun gezin. In Egypte en Palestina zeggen de meeste mannen dat ze last hebben van stress of depressie als gevolg van een gebrek aan werk of inkomen
Geen verrassing, tot nu toe. Maar het onderzoek werpt wel nieuw licht op de worsteling van de Arabische mannen in de vier landen waar het is gehouden (Egypte, Libanon, Marokko en Palestina) en laat zien hoe die worsteling de ontwikkeling naar meer gelijkheid belemmert. Minstens twee derde van deze mannen meldt zich grote zorgen te maken om de veiligheid en het welzijn van hun gezin. In Egypte en Palestina zeggen de meeste mannen dat ze last hebben van stress of depressie als gevolg van een gebrek aan werk of inkomen. De cijfers over de gemoedstoestand van vrouwen zijn nog ernstiger, maar volgens dit onderzoek verkeren Arabische mannen in een ‘mannelijkheidscrisis’.
Arabische mannen verzachten hun patriarchale houding niet, integendeel: ze klampen zich eraan vast. In alle landen behalve Libanon denken jongere mannen niet wezenlijk anders over sekserollen dan oudere mannen. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn, maar volgens het rapport zou het feit dat jonge Arabische mannen moeite hebben om werk te vinden, zich een huwelijk te veroorloven en de status van kostwinner te krijgen, zich wel eens tegen mondige vrouwen kunnen keren. Met andere woorden, mannelijk chauvinisme zou wel eens aangedreven kunnen worden door een gevoel van zwakte, niet van kracht.
Een andere verklaring is dat het religieus conservatisme dat overal heerst, de mannen wantrouwig maakt tegenover nieuwerwetse vrijheden. Islamitische geestelijken zijn voorstander van quwamah, een soort voogdijschap dat mannen gezag geeft over vrouwen. In conservatieve landen als Saoedi-Arabië is dit officieel beleid. Maar de opvatting leeft ook in relatief liberale delen van de Arabische wereld, zoals Marokko, waar 77 procent van de mannen vindt dat het hun plicht is om het voogdijschap te voeren over vrouwelijke familieleden.
In zo’n sfeer komt geweld tegen vrouwen, al dan niet seksueel, veel voor. In de vier landen waar het onderzoek werd gehouden, gaf 10 tot 45 procent van de mannen die ooit getrouwd waren geweest toe hun vrouw te hebben geslagen. Tussen 31 en 64 procent van de mannen gaf toe vrouwen op straat te hebben lastiggevallen. Minder dan de helft van de Marokkaanse mannen vindt dat verkrachting binnen het huwelijk strafbaar gesteld moet worden, de meesten vinden dat een echtgenote verplicht is seks te hebben als haar man dat wil. Zo’n 70 procent van de Egyptische mannen staat nog steeds positief tegenover vrouwenbesnijdenis.
Overigens keurt ook meer dan de helft van de Egyptische vrouwen vrouwenbesnijdenis goed. Arabische vrouwen tonen in veel opzichten zelfs dezelfde opvattingen als de mannen. In Egypte en Palestina zegt meer dan de helft van de mannen en vrouwen dat een vrouw die verkracht is, met haar verkrachter moet trouwen. In minstens drie van de onderzochte landen zeggen meer vrouwen dan mannen dat een vrouw die zich provocerend kleedt, er zelf om vraagt lastig gevallen te worden. De meeste vrouwen in het onderzoek zeggen achter het idee van mannelijke voogdij te staan.
Psychologische hulp
Actievoerders hebben hard hun best gedaan om Arabische vrouwen aan te moedigen voor zichzelf op te komen. Maar ze hebben weinig gedaan om de houding van mannen te verzachten. Daar komt verandering in. Een van de ngo’s in de regio die het opnemen tegen de strenge mannelijkheidsnormen is het Libanese ABAAD; deze organisatie voert bewustwordingscampagnes en biedt psychologische hulp. De auteurs van het rapport, onder wie voormalig Economist-journalist Shereen El Feki, signaleren dat mannen relatief liberaler zijn geworden als het gaat om vaderschap en werkende vrouwen. Ze pleiten er ook voor dat jongens thuis en op school niet langer worden geslagen, want dat maakt de kans groter dat ze zelf later vrouwen zullen mishandelen.
Uit onderzoeken blijkt dat grotere gelijkheid tussen man en vrouw de Arabische landen rijker en eerlijker zou maken – geëmancipeerde vrouwen verdienen meer. Toch komt daarvoor vanuit de overheid maar weinig steun, al is er wel iets veranderd aan sommige wetten die vrouwen achterstelden. ‘We hebben nog geen Justin Trudeau in de Arabische wereld,’ zegt El Feki, in een verwijzing naar de sexy premier van Canada met zijn feministische ideeën. Maar Libanon heeft onlangs wel voor het eerst in zijn geschiedenis een minister voor vrouwenzaken aangesteld – een man.
Vertaler: Annemie de Vries
The Economist
Verenigd Koninkrijk | weekblad, | oplage 1.337.180
Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.
Iedereen vindt het fijn om op knopjes te drukken die oplichten en geluid maken. Positieve feedback geeft ons plezier. Ziedaar de kern van onze verslaving aan gokken, games en sociale media, betoogt Adam Alter.
Onlangs stapte ik in de lift op de zeventiende etage van een hoog gebouw in New York. Een jonge vrouw in de lift keek gegeneerd naar de kruin van haar kleuter terwijl die naar mij keek en grijnsde. Toen ik me omdraaide om op de knop naar de lobby te drukken, zag ik dat er al op alle knoppen was gedrukt. Kleine kinderen vinden het heerlijk om op knopjes te drukken, maar ze drukken alleen op álle knoppen als die oplichten. Al van jongs af aan hebben mensen de behoefte om te leren, en leren wil zeggen: zo veel mogelijk feedback uit de directe omgeving krijgen. De kleuter bij me in de lift grijnsde omdat feedback plezier oplevert, of dat nu in de vorm is van lichtjes of geluidjes of welke andere verandering in de toestand van de wereld dan ook.
Die zoektocht naar feedback houdt niet op als je volwassen bent. In 2012 produceerde een reclamebureau in België een straatcampagne die al snel viraal ging. Het bureau probeerde het Belgische publiek ervan te overtuigen dat de zender TNT televisieprogramma’s uitzond vol spanning en sensatie. De reclamemakers plaatsten een grote rode knop op een voetstuk op een schattig pleintje in een rustig Vlaams stadje. Boven de knop hing een grote pijl met een simpele instructie in het Engels: Push to add drama. De campagne werkte perfect, omdat het onmogelijk is om zo’n knop te weerstaan, zelfs op een rustig Vlaams pleintje. Een aantal volwassenen bewoog zich steels naar de knop, tot een wat dapperder type een stap verder ging en erop drukte. Je ziet die speciale blik in de ogen van iedereen die de knop benadert, dezelfde blik als de kleuter had, vlak voor hij zijn handje over de liftknoppen haalde.
In 1971 zat psycholoog Michael Zeiler in zijn lab tegenover drie hongerige witte duiven. De vogels waren gulzige eters en snelle leerlingen. Destijds probeerden veel psychologen erachter te komen hoe dieren op verschillende vormen van feedback reageren. Meestal werden duiven en ratten voor het onderzoek gebruikt, omdat die minder complex en geduldiger zijn dan mensen, maar dit onderzoek had verheven doelen. Zou het gedrag van een lagere diersoort overheden kunnen leren hoe ze liefdadigheid kunnen aanmoedigen en misdaad ontmoedigen? Zouden ondernemers overwerkte werknemers die in ploegendienst werkten kunnen inspireren om hun werk opnieuw zinvol te gaan vinden? Zouden ouders kunnen leren hoe ze perfecte kinderen kunnen grootbrengen?
Voor Zeiler de wereld kon veranderen, moest hij eerst uitvinden hoe hij het beste kon belonen. Een mogelijkheid was om elk wenselijk gedrag te belonen, net zoals sommige fabrieksarbeiders beloond worden voor elk gadget dat ze assembleren. Een andere was om datzelfde wenselijke gedrag te belonen volgens een onvoorspelbaar schema, zodat er het soort geheimzinnigheid ontstaat dat mensen ertoe aanzet om loten te kopen. De duiven waren grootgebracht in het lab, dus zij kenden het klappen van de zweep. Elke duif waggelde naar een knopje en pikte daar hardnekkig op in de hoop dat er een stroom duivenbrokjes zou loskomen. Tijdens sommige tests programmeerde Zeiler de knop zo dat hij eten leverde telkens als de duiven erop pikten; bij andere programmeerde hij hem zo dat er soms eten vrijkwam. Soms pikten de duiven voor niks, dan werd de knop rood en kregen ze alleen een flinke portie frustratie.
Feedbackexperiment
Toen ik voor het eerst over het onderzoek van Zeiler las, verwachtte ik dat het constante schema het effectiefst zou zijn. Als de knop niet perfect aankondigt wanneer er voedsel komt, moet de motivatie van de duif om te pikken wel afnemen, net zoals een fabrieksarbeider minder gemotiveerd zal zijn als je hem niet betaalt voor alle gadgets die hij in elkaar heeft gezet. Maar dat was niet wat er gebeurde. Als een soort gevederde gokkertjes pikten de duiven veel fanatieker op de knop als hij slechts 50 tot 70 procent van de tijd voedsel vrijgaf. (Toen Zeiler de knop zo programmeerde dat hij maar een op de tien keer de brokjes liet stromen, reageerden de ontmoedigde duiven helemaal niet meer.) De resultaten lagen ver uiteen: de duiven pikten bijna twee keer zo vaak als er geen garantie was dat ze beloond zouden worden. Later bleek dat hun hersenen veel meer dopamine produceerden als de beloning onverwachts kwam dan als die voorspelbaar was. Zeiler had een
belangrijk feit over positieve feedback vastgelegd: vaak geldt less is more. Zijn duiven werden aangetrokken door het mysterie van gemengde feedback, net zoals mensen zich voelen aangetrokken tot de onzekerheid van het gokken.
Zevenendertig jaar nadat Zeiler zijn resultaten publiceerde, bereidde een team van webontwikkelaars van Facebook zich voor om een dergelijk feedbackexperiment los te laten op honderden miljoenen mensen. Facebook heeft de mogelijkheid om op een ongehoord grote schaal experimenten met proefpersonen uit te voeren. Destijds had de website al tweehonderd miljoen gebruikers, een getal dat in de drie jaar erna verdrievoudigde. Het experiment had de vorm van een misleidend simpele nieuwe functie die de ‘like- knop’ heette.
Het valt bijna niet te overdrijven hoezeer de like-knop de psychologie van het Facebookgebruik heeft veranderd. Wat ooit begon als een passief middel om het leven van je vrienden te volgen was opeens heel interactief, en met precies het soort onvoorspelbare feedback die de duiven van Zeiler motiveerde. Elke keer dat ze een foto, een link of een statusupdate deelden, namen Facebookgebruikers een gok. Een bericht met geen enkele like is niet alleen privé pijnlijk, maar ook een soort openbare veroordeling: ofwel je hebt niet genoeg vrienden online of, erger nog, je internetvrienden vonden er niks aan. Net als duiven gaan we fanatieker op zoek naar feedback als we niet weten of we die krijgen. Facebook was de eerste grote sociaalnetwerksite die de like-knop introduceerde, maar andere sites hebben nu ook dergelijke functies.
Daarna werd het liken onderwerp van gesprek bij discussies over etiquette. Wat betekent het als je het bericht van een vriend niet liket? Als je een van de drie berichten liket, veroordeel je dan impliciet de twee andere? Liken werd een soort vorm van sociale bevestiging, het online equivalent van openlijk lachen als een vriend een grap maakt.
Toen ik in 2004 naar de Verenigde Staten verhuisde om een masteropleiding te volgen, was er online maar weinig entertainment. Dat was het tijdperk vóór Instagram, Twitter en YouTube, en Facebook was alleen beschikbaar voor studenten van Harvard. Ik had een goedkope Nokia die onverwoestbaar maar primitief was, dus internet bleef beperkt tot mijn studentenkamer. Op een avond stuitte ik na het studeren toevallig op een game die Sign of the Zodiac heette (afgekort tot Zodiac) en weinig mentale inspanning vereiste. Zodiac was een eenvoudige onlinefruitmachine die veel leek op de fruitmachine in een casino: je bepaalt hoeveel je wil inzetten en dan klik je telkens opnieuw gemakzuchtig op een knop en kijk je hoe de machine je laat winnen en verliezen. Eerst speelde ik om te ontstressen na lange dagen waarop ik veel te hard moest nadenken, maar ik raakte al snel verslaafd aan het belletje dat je hoorde als je een klein bedrag won en het langere melodietje dat na een groter bedrag klonk. Uiteindelijk drongen screenshots van het spel mijn dag binnen. Ik zag vijf roze schorpioenen voor me die op één rij kwamen te staan, de grootste jackpot van het spel, gevolgd door het liedje van de jackpot dat ik me nog steeds herinner. Ik had een milde vorm van gedragsverslaving en dat waren de zintuiglijke katers van de willekeurige, onvoorspelbare feedback die volgde bij elke keer winnen.
Mijn Zodiac-verslaving was niets bijzonders. Cultureel antropologe Natasha Dow Schüll heeft dertien jaar lang gokkers bestudeerd en de machines waaraan ze verslaafd raakten. De volgende beschrijvingen van fruitmachines zijn afkomstig van experts op het gebied van gokken en huidige en voormalige gokverslaafden:
– De fruitmachine is de crack van het gokken.
– Het is elektronische morfine.
– Het is het meest kwaadaardige soort gokken in de hele geschiedenis.
– De fruitmachine is het beste apparaat om verslaving te leveren.
Dit zijn nogal sensationele bewoordingen, maar ze geven wel weer hoe makkelijk mensen verslaafd raken aan gokken op een fruitmachine. Ik kan me goed in hen verplaatsen, want ik raakte verslaafd aan een gokspel dat niet eens echt geld uitkeerde. Het stimulerende geluidje als je na een paar keer verliezen won, was voor mij voldoende.
In de Verenigde Staten mogen banken online gewonnen geld niet beheren, waardoor gokken op internet vrijwel illegaal is. Heel weinig bedrijven zijn bereid om het op te nemen tegen het systeem, en zij die het wel doen, worden snel verslagen. Dat klinkt als iets positiefs, maar gratis legale spelletjes zoals Sign o f the Zodiac zijn ook gevaarlijk. Bij casino’s is de speler zwaar in het nadeel: gemiddeld genomen moet het casino winnen. Maar bij een spel zonder geld hoeft het casino helemaal niet te winnen. Zoals David Goldhill het zei, de CEO van het Game Show Network, dat ook veel online games produceert: ‘Omdat we niet worden beperkt door echt gewonnen geld dat we moeten uitbetalen, kunnen we 120 dollar uitbetalen voor elke 100 dollar die wordt ingezet. Dat zou geen enkel casino in de echte wereld meer dan een week lang kunnen doen zonder failliet te gaan.’ Het gevolg is dat het spelletje voor eeuwig kan doorgaan omdat de speler nooit zonder fiches komt te zitten. Ik heb Sign of the Zodiac vier jaar gespeeld en hoefde maar zelden aan een nieuw spelletje te beginnen. Ik won zo ongeveer 95 procent van de tijd. Ik stopte alleen met spelen als ik moest eten, slapen of ’s ochtends naar college moest. En soms stopte ik dan nog niet.
Verlies vermomd als winnen
In tegenstelling tot gratis spelletjes wint het casino meestal wel, maar casino’s overtuigen spelers er op een slimme manier van dat de uitkomst omgekeerd is. De eerste fruitmachines waren heel simpele apparaten: de speler trok aan de hendel van de machine om de drie mechanische rollen te laten draaien. Als |de drie rollen na het draaien in het midden bleven stilstaan op twee of meer dezelfde afbeeldingen, won de speler een aantal munten of punten. Maar tegenwoordig kunnen gokkers meerdere spellen tegelijk spelen, soms wel een paar honderd.
Stel dat de machine tien cent berekent om de rollen één keer te laten draaien. Als je alle vijftien spellen tegelijk speelt, kost elke keer draaien je één dollar vijftig. In feite speel je vijftien spellen tegelijk, in plaats van de ervaring te rekken door de rollen van één spel vijftien keer te laten draaien. Casino’s houden er wel van als je zo speelt: als ze je verslaan, dan doen ze dat vijftien keer zo snel. Maar elke keer dat je speelt, heb je ook vijftien maal zoveel kans dat je minstens één spel wint, en dat viert de machine door dezelfde felle lampjes te laten knipperen en dezelfde pakkende melodietjes te laten horen. Stel nou dat je alle vijftien spellen tegelijk speelt, wat je één dollar vijftig kost, en bij een van de vijftien spellen scoor je twee bommen op een diagonale lijn. Als twee bommen tien punten waard zijn, dan win je één dollar. Niet slecht, tot je beseft dat je in totaal bij deze keer draaien vijftig cent hebt verloren (je uitbetaalde één dollar min de prijs van het draaien: één dollar vijftig). En toch heb je de prettige feedback die bij het winnen hoort; het soort winnen dat Schüll en andere experts in gokken ‘verlies vermomd als winnen’ noemen.
Verliezen die vermomd zijn als winst tellen alleen omdat spelers het niet als verliezen beschouwen; zij beschouwen het als winnen.
Dat maakt moderne fruitmachines en moderne casino’s zo gevaarlijk. Net als het jongetje dat alle knopjes in mijn lift indrukte blijven volwassenen eigenlijk altijd gefascineerd door de spanning van mooie lichtjes en geluidjes. Als onze hersenen ons ervan overtuigen dat we winnen zelfs als we eigenlijk verliezen, hoe worden we dan geacht genoeg zelfbeheersing op te brengen om op te houden met spelen?
Het succes van fruitautomaten wordt afgemeten aan de “tijd op het apparaat”. Hoe langer de gemiddelde speler achter de automaat blijft zitten, hoe beter de automaat
Het succes van fruitautomaten wordt afgemeten |aan de ‘tijd op het apparaat’. Hoe langer de gemiddelde speler achter de automaat blijft zitten, hoe beter de automaat. Omdat de meeste spelers meer geld verliezen naarmate ze langer spelen, geeft de tijd op het apparaat een bruikbare benadering van de winstgevendheid.
Videogamedesigners gebruiken een vergelijkbare maatstaf, die weergeeft hoe sterk spelers opgaan in hun game en hoe leuk die is. Het verschil tussen casino’s en computerspellen is dat veel ontwerpers het belangrijker vinden om hun games leuk te maken dan om bakken met geld te verdienen. Bennett Foddy, die computerspel- ontwerpen doceert aan het Game Center van New York University, heeft een serie succesvolle games ontworpen die je gratis kan spelen, maar het ontwerpen van die spellen was eerder liefdewerk oud papier dan een lucratieve manier om geld te verdienen.
‘Computerspellen zijn onderworpen aan allemaal regeltjes,’ vertelt Foddy. ‘Als je met de cursor over een bepaalde box gaat, verschijnt er tekst of hoor je een geluidje. Ontwerpers gebruiken dit soort microfeedback om spelers nog meer te laten opgaan in het spel en ze meer in het spel te trekken.’ Een game moet die 140 regeltjes volgen, omdat de kans groot is dat gamers stoppen met een spel dat geen constante stroom kleine beloningen afgeeft die logisch bij de spelregels passen. Die beloningen kunnen zo subtiel zijn als een rinkeltje of een witte flits telkens als een personage over een bepaald vierkantje loopt. ‘Die stukjes microfeedback moeten vrijwel gelijk na de handeling volgen, want als er een strakke koppeling is tussen wanneer ik iets doe en wanneer iets gebeurt, dan denk ik dat ik het heb veroorzaakt.’ Zoals kinderen die op liftknopjes drukken om ze te laten oplichten worden gamers gemotiveerd door het gevoel dat ze een effect hebben op de wereld. Als je dat weghaalt, ben je ze kwijt.
Candy Crush Saga
De game Candy Crush Saga is een perfect voorbeeld. Op zijn hoogtepunt in 2013 genereerde het spel per dag meer dan 600.000 dollar aan inkomsten. Tot nu toe heeft King, het bedrijf achter de game, er ongeveer tweeënhalf miljard aan verdiend. Iets van een half miljoen tot een miljoen mensen hebben Candy Crush Saga op hun smartphone of via Facebook gedownload. De meeste spelers zijn vrouwen, wat nogal ongebruikelijk is voor zo’n kassucces. Het gigantische succes van het spel is moeilijk te begrijpen als je ziet hoe simpel het is. Spelers proberen rijtjes van drie of meer van dezelfde snoepjes te krijgen door snoepjes naar links, naar rechts, naar boven en naar onder te swipen. Snoepjes worden gecrusht: ze verdwijnen als je van die rijtjes maakt. De snoepjes erboven vallen naar beneden en nemen hun plek in. Het spel eindigt als het scherm vol is met snoepjes die niet gecombineerd kunnen worden. Foddy zei dat de game niet zozeer een succes was vanwege de regels, maar door juice.
Juice verwijst naar de laag oppervlakkige feedback die boven op de regels van het spel komt. Het is niet essentieel voor het spel, maar wel voor het succes ervan. Zonder juice verliest het spel zijn charme. Stel je maar eens voor dat de snoepjes vervangen zouden worden door grijze bakstenen en dat alle bekrachtigende kleurtjes en geluidjes die het spel zo leuk maken er niet meer zouden zijn. ‘Beginnende gamedesigners vergeten vaak om juice toe te voegen,’ zegt Foddy. ‘Als een personage in je game door het gras rent, moet het gras ombuigen terwijl hij erdoorheen rent. Dat laat zien dat het echt gras is en dat het personage en het gras in dezelfde wereld zijn.’ Als je een rijtje snoepjes maakt in Candy Crush Saga, klinkt er een aanmoedigend geluidje, de score voor dat rijtje knippert fel en soms krijg je complimentjes van een onzichtbare verteller met een zware tovenaar-van-Oz-achtige stem.
Juice versterkt feedback, maar het is ook ontworpen om de echte wereld met die van de game te verbinden.
Als er iets is wat juice goed laat uitkomen, dan is dat virtual-realitytechnologie, iets wat nog steeds in de kinderschoenen staat. Virtual reality (VR) plaatst de gebruiker in een omgeving waarin hij of zij totaal wordt ondergedompeld. Dat kan een bestaande omgeving zijn (een strand aan de andere kant van de wereld) of een denkbeeldige (het oppervlak van Mars). De gebruiker beweegt zich door die wereld en staat er net zo mee in contact als met de echte wereld. Geavanceerde VR biedt ook feedback voor verschillende zintuigen, waaronder aanraken, horen en ruiken.
In een podcast van 28 april 2016 vroeg auteur en sportcolumnist Bill Simmons de miljardair en investeerder Chris Sacca naar zijn ervaring met VR. ‘Ik maak me wel wat zorgen om mijn kinderen,’ zei Simmons tegen Sacca. ‘Ik vraag me af of die VR-wereld waar je jezelf in onderdompelt niet bijna beter is dan de echte wereld waarin je leeft. Ik hoef geen contact meer met mensen; ik kan gewoon de VR-wereld in stappen en VR-dingen doen en dat is dan mijn hele leven.’ Sacca, die in de begintijd bij Google heeft gewerkt en in Twitter investeerde, deelde de zorg van Simmons: ‘Dat is heel terecht. Een van de interessante aspecten van technologie is dat de verbetering van de resolutie, de geluidsmodellen en de responstijd veel sneller gaat dan onze eigen fysieke ontwikkeling. Ons organisme is hetzelfde gebleven; we zijn er niet op gebouwd om al dat goed gecoördineerde licht en geluid in ons op te nemen (…) je kan video’s uit de begintijd bekijken (…) waarin je boven op een wolkenkrabber staat, en je lichaam weigert je dan naar voren te laten stappen. Je lichaam is ervan overtuigd dat dat de rand van de wolkenkrabber is. En het is niet eens technologie met een superhoge resolutie of superimmersieve VR. Dus we hebben een waanzinnige tijd voor ons liggen.’
Al is virtual reality een veelbelovende ontwikkeling, er kleven ook grote risico’s aan. Jeremy Bailenson, hoogleraar communicatie bij het Virtual Human Interaction Lab van Stanford University, maakt zich er zorgen over dat het schade zal aanrichten aan hoe mensen in contact staan met de wereld. ‘Ben ik doodsbang voor een wereld waarin iedereen echt afschuwelijke ervaringen kan creëren? Ja, daar maak ik me best zorgen over. Ik maak me zorgen over wat er gebeurt als een gewelddadig videospel voelt alsof je een moord pleegt. En als pornografie voelt alsof je seks hebt. Hoe zal dat de manier veranderen waarop mensen met elkaar omgaan en hoe verandert het de maatschappij?’
Als VR wordt verbeterd, kunnen we met wie dan ook overal alles doen wat we willen, zo lang we maar willen. Zulk grenzeloos plezier klinkt geweldig, maar het zou persoonlijk contact weleens overbodig kunnen maken. Waarom zou je in de echte wereld leven met echte mensen die nooit perfect zijn als je kunt leven in een perfecte wereld die net zo echt voelt?
Maar in de handen van grote bedrijven en gamedesigners kan het ook een medium blijken voor de allernieuwste uit de hand lopende gedragsverslaving. Sommige sites en games zijn ervoor ontworpen om verslavend te zijn en ongelukkige consumenten in de val te lokken, maar andere zijn toevallig verslavend terwijl ze zijn ontworpen om leuk of boeiend te zijn. Het verschil tussen die twee is maar heel klein en sterk afhankelijk van de bedoeling van de ontwerper.
Toen Shigeru Miyamoto Super Mario Bros. ontwierp, wilde hij allereerst een game maken die hij zelf leuk vond om te spelen.
‘Daar draait het om,’ zei hij, ‘niet dat je zorgt dat iets goed verkoopt en heel populair is, maar dat je ergens gek op bent en iets maakt waar je als maker van houdt. Dat is het basisgevoel dat we moeten hebben bij het maken van games.’ Als je Super Mario Bros., dat regelmatig door gamedesigners wordt verkozen als de beste game aller tijden, vergelijkt met andere computerspellen op de markt, dan zie je bij de rivalen al snel de kenmerken van een game die zijn gebruikers misbruikt.
Adam Saltsman, die in 2009 in eigen beheer de hooggewaardeerde game Canabalt bouwde, heeft uitgebreid geschreven over de ethische kant van gamedesign. ‘Graaigames zijn ervoor ontworpen om misbruik te maken van hoe je in elkaar zit,’ zegt Saltsman. ‘Veel graaigames van de afgelopen vijf jaar maken gebruik van het zogeheten “energiesysteem”. Je mag de game vijf minuten spelen en dan is hij zo ingesteld dat je opeens niks meer kan doen. De game stuurt je dan na, zeg, vier uur een mail wanneer je weer kan gaan spelen.’ Ik zei tegen Saltsman dat me dat best een goed systeem leek; het dwingt gamers om een pauze in te lassen en moedigt kinderen aan om hun huiswerk te maken tussen twee sessies in. Maar dan komt het graaigedeelte. Volgens Saltsman: ‘Ontwerpers van games kregen door dat spelers wel een dollar wilden betalen om de wachttijd te verkorten, of om de hoeveelheid energie van de avatar te vergroten zodra de rustperiode van vier uur voorbij is.’
Ik kwam die graaistrategie tegen toen ik de game Trivia Crack speelde. Als je een paar keer het verkeerde antwoord geeft, zijn al je levens op en geeft een dialoogvenster je de keus: je wacht een uur tot je meer levens hebt of betaalt negenennegentig cent om meteen door te spelen.
Als je al minuten of zelfs uren speelt, wil je je niet gewonnen geven. Er staat veel op het spel en je hekel aan verliezen dwingt je om nog één keer wat in de automaat te gooien, steeds opnieuw. Je gaat spelen omdat je het leuk wil hebben, maar je blijft spelen omdat je wil voorkomen dat je je rot voelt.
De meeste mensen vinden een spel dat je altijd wint maar saai. Het klinkt in eerste instantie aantrekkelijk, maar het verveelt snel. Tot op zekere hoogte hebben we verlies, problemen en narigheid nodig, want zonder dat alles zou de sensatie van succes met elke nieuwe overwinning minder worden. Daarom besteden mensen hun kostbare vrije tijd ook aan ingewikkelde kruiswoordpuzzels en het beklimmen van gevaarlijke bergen, omdat de problemen van de uitdaging veel fascinerender zijn dan de wetenschap dat iets absoluut gaat lukken. Het gevoel dat er geleden moet worden is een ingrediënt van veel verslavende ervaringen, waaronder een van de simpelste en meest verslavende games aller tijden: Tetris.
In 1984 was Aleksej Pazjitnov aan het werk in een computerlab van de Russische Academie voor Wetenschap in Moskou. Veel van de wetenschappers van het lab werkten aan nevenprojecten, en Pazjitnov begon te werken aan een videogame. De game speelde leentjebuur bij tennis en een versie van domino met vier stukken, tetromino, dus combineerde Pazjitnov die woorden tot de naam Tetris. Hij werkte veel langer aan Tetris dan hij van plan was omdat hij niet kon ophouden met spelen.
Uiteindelijk liet Pazjitnov zijn vrienden van de Academie voor Wetenschap het spel spelen. ‘Ik liet mensen spelen en besefte dat ik niet gek was! Iedereen die eraan begon, kon niet meer ophouden. Ze bleven maar spelen. Mijn beste vriend zei: “Ik kan niet meer leven met dat Tetris van jou.”’ Zijn beste vriend Vladimir Potsjilko, een voormalig psycholoog, weet nog dat hij het spel meenam naar zijn lab in het Medisch Instituut van Moskou. ‘Niemand werkte meer. Dus toen heb ik het van alle computers gewist. Iedereen ging weer aan het werk tot er een nieuwe versie in het lab opdook.’
Tetris verspreidde zich van de Academie voor Wetenschap naar de rest van Moskou en daarna naar de rest van Rusland en Oost-Europa. Twee jaar later, in 1986, bereikte het spel het Westen, maar de grote doorbraak kwam in 1991 toen Nintendo een deal sloot met Pazjitnov. Bij elke Game Boy kreeg je voortaan een gratis spelcartridge met een herziene versie van Tetris.
Dat jaar legde ik geld opzij om uiteindelijk een Game Boy te kopen, en zo speelde ik Tetris voor het eerst. Het was niet zo blits als sommige andere van mijn favoriete games, maar net als Pazjitnov speelde ik het uren achterelkaar. Soms, als ik in slaap sukkelde, zag ik de blokjes voor me omlaag tuimelen tot complete horizontale lijnen: een opmerkelijk veelvoorkomende ervaring, die bekendstaat als het tetriseffect, iets wat mensen treft die lang achter elkaar een willekeurig animatiespel spelen. Ik dacht dat ik genoeg van Tetris zou krijgen, maar nu, meer dan vijfentwintig jaar later, speel ik het soms nog. Het heeft een lange levensduur omdat het met je meegroeit. In het begin is het makkelijk, maar naarmate je beter gaat spelen, wordt het spel moeilijker. Die stijgende moeilijkheidsgraad is een cruciaal punt dat het spel boeiend houdt, lang nadat je de basisvaardigheden onder de knie hebt. Wat je vooruitgang voor een deel zo leuk maakt, is dat je brein efficiënter wordt naarmate je beter gaat spelen.
Sterker nog, in 1991 noemde The Guinness Book of Records Tetris ‘het eerste videospel dat de hersenfunctie en efficiëntie verbetert’. Die claim is gebaseerd op onderzoek van psychiater Richard Haier aan de University of California. In 1991 vroeg Haier zich af of onze hersenen met de nodige oefening beter worden in het uitvoeren van moeilijke mentale opdrachten. Hij besloot mensen te observeren die een videogame onder de knie aan het krijgen waren, maar hij wist niet veel van de moderne wereld van het gamen. ‘In 1991 had niemand nog van Tetris gehoord,’ zei hij een paar jaar later in een interview. ‘Ik ging naar de computerwinkel om te kijken wat ze hadden en die jongen zei: “Hier, probeer dit maar eens. Dit hebben we net binnen.” Tetris was het ideale spel: het was makkelijk te leren, je moest oefenen om er goed in te worden en er was sprake van een goede leercurve.’ Dus Haier kocht een paar exemplaren van Tetris voor zijn lab en keek toe terwijl zijn proefpersonen het spel speelden. Hij ontdekte dat ervaring neurologische veranderingen opleverde: delen van de hersenen verdikten en de hersenactiviteit ging omlaag, wat suggereerde dat de hersenen van geoefende spelers efficiënter werkten. Maar wat in dit geval relevanter was: zijn proefpersonen vonden het geweldig om het spel te spelen. Ze schreven zich in om drie kwartier per dag te spelen, vijf dagen per week, tot acht weken lang. Ze kwamen voor het experiment (en de betaling die ze daarvoor kregen), maar bleven komen vanwege het spel.
Een bevredigend aspect van het spel is het gevoel dat je iets opbouwt, dat je inspanning een leuke toren van gekleurde steentjes oplevert. ‘Je ziet de chaos komen in de vorm van willekeurige stukken en dan is het aan jou om ze te ordenen,’ zei Pazjitnov. ‘Maar als je net de volmaakte lijn hebt gevormd, verdwijnt hij. Wat blijft staan, zijn de lijnen die je niet hebt kunnen voltooien.’ Michail Koelagin, Pazjitnovs vriend en medeprogrammeur, weet nog dat hij een enorme drang voelde om zijn fouten te herstellen. ‘Tetris is een spel met een bijzonder sterke negatieve motivatie. Je ziet nooit wat je goed hebt gedaan en je fouten zijn zichtbaar op het scherm. En die wil je altijd corrigeren.’
Het gevoel dat je iets creëert wat werk, moeite en kennis vergt is een drijvende kracht achter verslavende handelingen die in andere gevallen op den duur minder aantrekkelijk zouden worden. Het wijst ook op een verraderlijk verschil tussen drugsverslaving en gedragsverslaving: waar een drugsverslaving onverholen destructief is, zijn veel gedragsverslavingen heimelijk destructieve handelingen onder het mom van iets creëren. De illusie van vooruitgang zal je op de been houden zolang je hoge scores haalt, meer volgers binnenhaalt of meer tijd aan je werk besteedt, en dus wordt het steeds moeilijker om de drang om door te gaan te onderdrukken.
Sommige designers zijn fel gekant tegen games met een oneindig format, zoals bijvoorbeeld Tetris, omdat ze misbruik maken van een zwakheid in de motivatiestructuur van mensen: ze kunnen niet meer ophouden.
Mensen vinden het ideale punt tussen ‘te makkelijk’ en ‘te moeilijk’ onweerstaanbaar. Dat is het land van computerspellen, financiële targets, werkambities, sociale mediadoelen en fitnessdoelen die net genoeg uitdaging bieden.
Verslavende ervaringen liggen op dat ideale punt op de loer, op de plek waar stopregels ten onder gaan aan obsessieve doelgerichtheid.
Auteur: Adam Alter
Vertalers: Petra C. van der Eerden en Mirjam Nieman
Dit is een voorpublicatie uit ‘Superverslavend’ van Adam Alter, dat verschijnt bij Maven (€ 21,00).
Lacht het geluk je als beginnend gamer opvallend vaak toe? Dat is geen toeval: met een extra portie mazzel stimuleren de makers je om door te spelen.
Op 16 september 2007 uploadde een Japanse YouTuber die zich ‘Computing Aesthetic’ noemde een 48 seconden durende video met de oorverdovende titel ‘ULTRA MEGASUPERLUCKYSHOT’. De video toont een hoog scorende shot in Peggle, een immens populaire videogame waarin een balletje over het scherm klettert en punten verzamelt terwijl het door een menigte snoepkleurige pinnen stuitert, die kort nadat ze zijn aangeraakt verdwijnen; hoe meer stuiteringen, hoe meer punten. Hoewel Peggle enige vaardigheid vergt – voordat je het balletje schiet moet je als speler zorgvuldig op de lanceerder mikken die boven aan het scherm bungelt – ben je in principe overgeleverd aan de genade van de stuitering. Op het filmpje van Computing Aesthetic stapelen de punten zich op terwijl het balletje op goed geluk tussen pinnen stuitert. Bij het filmpje, dat bijna een kwart miljoen keer is bekeken, heeft hij geschreven: ‘Ik kon mijn ogen niet geloven toen dit gebeurde!!!!!!’
Maar deze speler had misschien minder geluk dan hij dacht. ‘Bij Peggle wordt het schijnbaar willekeurige stuiteren van de balletjes tegen pinnen soms gemanipuleerd om de speler een beter resultaat te geven,’ geeft Jason Kapalka, een van de gameontwerpers, toe. ‘We geven de spelers bij ongeveer de eerste zes levels een flinke portie extra “geluk”, zodat ze niet gefrustreerd raken.’ Het bijsturen van elke stuitering met maar een paar kompasgraden – maar niet zo veel dat het balletje op een onrealistische manier door de luchtledige zwalkt – is genoeg om beginners aan te moedigen en het spel niet te ongeloofwaardig te maken, aldus Kapalka.
Collectief onderhandelen
Eerlijkheid is de onuitgesproken belofte van de meeste videogames. Een alwetende en almachtige ontwerper ziet erop toe dat een videogame ultiem rechtvaardig kan zijn, en dat verwacht de speler ook. Maar als videogames helemaal volgens de regels worden gespeeld, kan de speler zich toch bedrogen voelen. Sid Meier, ontwerper van het computerspel Civilization, waarin spelers een land door geschiedenis, politiek en oorlog heen loodsen, kwam er algauw achter dat hij de kansen moest vergroten om deze psychologische plooi glad te strijken. Na uitgebreid testen bleek dat een speler die te horen had gekregen dat hij 33 procent kans had op succes tijdens een wedstrijd en toch drie keer op rij van zijn tegenstander verloor, woedend en ongelovig zou worden. (Bij Civilization kun je drie keer opnieuw dezelfde wedstrijd doen totdat je wint, al kost elk verlies je wel punten.) Dus veranderde Meier het spel om het beter te laten aansluiten bij cognitieve menselijke functies; als je kans om een wedstrijd te winnen een op drie was, garandeerde het spel dat je bij de derde poging zou winnen – iets wat indruist tegen de wetten van de kansberekening, maar wel de illusie van eerlijkheid wekt. Noem het de geluksparadox: geluk hebben is leuk, maar te veel geluk is onrealistisch.
Het voortdurend onderhandelen tussen spelers en ontwerpers dat eruit voortvloeide moet als een van onze meest abstracte vormen van collectief onderhandelen worden beschouwd.
In vroeger tijden werd geluk in de regel toegeschreven aan goddelijk ingrijpen; spellen waren evenzeer het terrein van de goden als een manier om menselijke bekwaamheid te testen. Geluk was een belangrijke component van de spellen van de oude Egyptenaren, wier godheid Thoth volgens Plato de uitvinder van de dobbelsteen was. De dobbelstenen werden oorspronkelijk gemaakt van astragali, de kootbeentjes van gehoefde viervoeters, die na het polijsten voor Egyptische bordspellen werden gebruikt en voor een vorm van goddelijke waarzeggerij die astragalomantie werd genoemd. In graftombes zijn vervalste dobbelstenen aangetroffen samen met oeroude spelborden; ook al geloofden de oude Egyptenaren dat een dobbelsteenworp de goddelijke wil uitdrukte, ze waren er niet vies van om het lot een handje te helpen.
Olaf Haraldsson, een elfde-eeuwse Noorse koning, stelde eens zijn geloof op de proef tijdens een potje dobbelen om een koninkrijk. Olaf was in een territoriaal dispuut verwikkeld met de koning van Zweden over het eiland Hissing; uiteindelijk besloot het tweetal het geschil met dobbelstenen te beslechten. De Zweedse koning gooide twee zessen en zei dat het geen zin had om verder te spelen. Olaf stond erop dat hij ook mocht gooien; als recente bekeerling tot het christendom was hij ervan overtuigd dat God de dobbelstenen gunstig voor hem zou laten rollen. Zijn geloof werd beloond met twee zessen. De mannen bleven om beurten hun dobbelstenen gooien, telkens twaalf punten. De zaak werd uiteindelijk beklonken toen bij Olafs laatste worp een van de dobbelstenen in tweeën spleet, wat resulteerde in een zes en een een en hem het koninkrijk opleverde met een ongeëvenaard gelukkige dertien.
Geluk is even belangrijk bij moderne spellen, of het nu gaat om het rammelen met dobbelstenen in een beker of de verraderlijke kanskaarten bij Monopoly. Maar de rol ervan is veranderd: mensen hebben de teugels overgenomen van de goden en geluk is een designtool geworden dat de ervaringen en verwachtingen van spelers kan veranderen.
Bij mechanische spellen is geluk de beschermende factor tegen het mechanisme zelf. Aan het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw merkte flipperkastenfabrikant Gottlieb uit Chicago dat beginnende flipperaars soms al tijdens de eerste momenten van het spel een bal verspeelden. Daarom introduceerden ze een metalen wandje in de vorm van een omgekeerde V, dat tijdens de eerste spelsecondes omhoogkwam tussen de flippers aan de onderkant van het apparaat zodat een verdwaald balletje niet in de goot verdween. Bij nieuwere flipperkasten wordt het blokkerende wandje door software bediend; of het omhoogkomt of niet is een kwestie van geluk en is versleuteld in het algoritme.
Bij volledig digitale videogames is geluk nog dieper ingebakken in de ervaring en moet het actief worden gestimuleerd. Als de voetbal bij FIFA langs de doelman zeilt, of als een meute raceauto’s om onverklaarbare reden vaart mindert om je te laten inhalen, is er sprake van een spookachtige ingreep van de hand van de gameontwerper. Het gevolg van deze manipulatie is dat je je gevleid voelt en daarom betrokken blijft. Maar het is een truc die subtiel moet worden toegepast. Een speler die voelt dat hij stiekem door het spel geholpen wordt zal zich betutteld voelen; geluk is tenslotte alleen geluk als het echt onvoorspelbaar is.
En daar beginnen de problemen.
Toen de goden verantwoordelijk werden gehouden voor geluk, konden we daar alleen maar om bidden. Nu kunnen de architecten van ons spelerslot worden opgezocht op LinkedIn. Door die kennis zijn we gevoeliger voor geluk dat niet helemaal koosjer lijkt, en dat moeten de ontwerpers compenseren.
Of de proefpersoon nu een duif, een rat of een mens is, de beste manier om aangeleerd gedrag te versterken is door het op willekeurige momenten te belonen
‘Zodra de speler zich bewust wordt van een vorm van pseudowillekeurigheid dreigt het plezier in geluk hebben ondermijnd te worden,’ zegt Paul Sottosanti, ontwerper bij Riot Games dat League of Legends uitbrengt, de meest gespeelde onlinegame ter wereld. Games waarbij je schijnbaar willekeurige beloningen krijgt maken vaak gebruik van een ‘pechtimer’, aldus Sottosanti, die garandeert dat je iets schijnbaar gelukkigs overkomt na een langdurige periode van tegenslag, variërend van tien minuten tot een uur, afhankelijk van het spel. Bij World of Warcraft hopen spelers elke keer dat ze een vijand verslaan met een ‘Legendary’ te worden beloond, een van de krachtigste wapens van de game. De kans dat je een Legendary krijgt is oneindig klein, maar ook daarvoor geldt een pechtimer. ‘Als een speler alleen maar wacht tot de pechtimer in werking treedt, kan de vermoeidheid toeslaan,’ zegt Sottosanti. ‘Het eerste wat ze voelen als ze eindelijk een Legendary krijgen is geen vreugde maar opluchting, misschien vermengd met treurigheid.’
Hoewel pseudowillekeurigheden in sommige gevallen zijn ontworpen om een gevoel van eerlijkheid te creëren, speelt soms ook winstbejag een rol. Met de toename van het aantal zogenoemde ‘freemium games’ – gratis games die echt geld opleveren tijdens het spel door de verkoop van virtuele items – ontstaat de verleiding om een schijnbare speling van het geluk zodanig te manipuleren dat er meer geld wordt uitgegeven. Als voorbeeld van een goed gebruikte pechtimer noemt Sottosanti het populaire virtuele kaartspel Hearthstone. ‘De kans op een waardevolle kaart neemt toe met elk pak dat er niet een bevat,’ zegt hij. ‘Na ongeveer veertig pakken heb je de virtuele garantie dat je er een trekt.’ De pakken zijn te koop voor spelers.
Deze techniek is rechtstreeks afkomstig uit een spelboek van de Amerikaanse psycholoog B.F. Skinner, uit de jaren vijftig. Of de proefpersoon nu een duif, een rat of een mens is, zo ontdekte Skinner, de beste manier om aangeleerd gedrag te versterken is door het op willekeurige momenten te belonen. De ontwerpers van gratis spellen ontdekten dat ze door met variabele tussenpozen kleine prijzen uit te delen spelers langer geïnteresseerd konden houden – en geld konden laten uitgeven.
Natasha Schüll is hoofddocent Media, Cultuur en Communicatie aan New York University en de auteur van Addiction by Design: Machine Gambling in Las Vegas. Wanneer een speler het gevoel heeft dat het geluk met hem is, zegt ze, ‘kun je dat toeschrijven aan een toegenomen activiteit van de neurotransmitters, zodat je weet dat er dopamine vrijkomt. Zelfs de dwangmatige pogingen om dat gevoel van euforie opnieuw op te roepen worden gestuurd door het beloningscentrum in de hersenen.’ Het vermogen van dopamine om ons in geluksjagers te veranderen is het duidelijkst zichtbaar in de effecten van sommige geneesmiddelen tegen de ziekte van Parkinson, die patiënten gokverslaafd kunnen maken doordat ze de hersenen vol dopamine laten stromen.
En de verleiding om het zich voordoen van waarschijnlijkheden te manipuleren, en daarmee het menselijk brein aan te spreken, is nergens groter dan in de gokindustrie, waar de berekeningen meestal door software worden gemaakt, zowel bij internetspellen als bij fysieke spellen in een casino. De resultaten van elke moderne fruitmachine zijn gebaseerd op een geheimzinnig computernetwerk dat willekeurige getallen genereert, en niet op het fortuinlijke samenspel van drie houten wieltjes. Maar het verliezen van dat soort geluk kan demotiverend werken. Daarom maken gokmachines vaak gebruik van de fictie van fysiek geluk – door bijvoorbeeld de indruk te wekken dat je net een riante uitkering bent misgelopen doordat de laatste corresponderende goudstaaf of citroen net te vroeg tot stilstand kwam. Dat verleidt je ertoe om nog een keer voor die nog steeds astronomische pot te gaan.
‘Op een haar na gemiste kansen genereren letterlijk gemengde gevoelens,’ zegt Luke Clark, die als psycholoog onderzoek naar gokken doet aan de University of British Columbia. ‘Aan de ene kant wekken ze aversie bij mensen op, aan de andere kant doen ze de motivatie toenemen omdat je het gevoel hebt dat je het spel onder de knie krijgt.’
Voor games die zwaar op geluk leunen is het handhaven van de illusie dat je er beter in wordt cruciaal. ‘De belangrijkste hersenstructuur is hier het striatum, een verzameling nuclei in het centrum van het brein, dat over het algemeen zowel beweging als beloning reguleert,’ zegt Clark. Dat gebied van de hersenen lijkt uitzonderlijk belangrijk voor het gevoel dat we de hand in ons eigen geluk hebben gehad. ‘Datzelfde gebied speelt een rol bij de vorming van gewoonten, die duidelijk ook relevant zijn voor verslaving.’
Als je een speler ervan overtuigt dat hij beter wordt in een spel dat op geluk is gebaseerd, neemt de kans toe dat hij zijn geluk gaat tarten. ‘De gokindustrie is al jaren in staat om individuele spelers te volgen, duidelijke historische profielen van klanten op te stellen en algoritmen toe te passen die kunnen voorspellen wanneer iemand dreigt te stoppen,’ zegt Schüll. Op basis van deze profielen kunnen de uitkeringskansen midden in een goksessie worden aangepast door een speler een kleine beloning te geven zodat hij blijft doorspelen. Veel Amerikaanse staten hebben wetten die deze manipulaties verbieden. Freemiumgames, die momenteel niet onder dezelfde wetten vallen als de gokindustrie, kunnen deze bonusuitkeringen vrijelijk blijven geven zodat een speler denkt dat hij geluk heeft – en dus blijft spelen en geld uitgeven.
Sommige ontwerpers hebben het manipuleren van het geluk überhaupt afgezworen. Larry DeMar, een bekende flipperspelontwerper, heeft de ballenredder lange tijd weggelaten omdat hij vond dat die de zuiverheid van het spel ondermijnde. Als je verliest, verlies je – pech gehad.
Deze zuivere spelbenadering weet spelers helaas niet altijd te overtuigen. ‘Tegenwoordig zien mensen bijna overal manipulatiepatronen die er helemaal niet zijn,’ zegt Jason Kapalka, de ontwerper van Peggle. ‘Toen ik aan onlinegames werkte, was het bijna onmogelijk om sommige spelers ervan te overtuigen dat er niet op de een of andere manier met de resultaten was gesjoemeld. Mensen kwamen met ingewikkelde theorieën over dat beginners betere resultaten kregen zodat ze een abonnement namen, of dat ervaren spelers met betere resultaten werden beloond omdat ze zulte trouwe klanten waren enzovoort.’
Ook gameontwerpers kunnen de draad kwijtraken. ‘Zelfs een ervaren ontwerper kan sommige details uit het oog verliezen als het project maar groot genoeg is,’ zegt Adam Saltsman, zelf een ervaren ontwerper, ‘en zelfs een ervaren speler kan een systeem verkeerd begrijpen en vaardigheid met geluk verwarren, of andersom.’
Als spelen de manier is waarop mensen oefenen voor het leven, volgt daaruit dat we willen dat onze spellen vol onzekerheden zitten, vol grillige momenten waaraan we onze strategie moeten aanpassen. Maar we zijn veeleisender geworden ten aanzien van de hoeveelheid geluk die spellen ons gunnen – niet te veel, niet te weinig. Wat constant blijft is onze belangstelling voor het geluk dat we ervaren. ‘Als we geluk hebben bij een spel ervaren we een sterk gevoel van harmonie en verbondenheid, bijna alsof we het patroon hebben ontdekt, en het hebben voorspeld,’ zegt Schüll.
De bron van dit geluk – of het nu de goden zijn of een willekeurige verdeling van kansen – is een kwestie van cultuur. Maar de boodschap van een ontmoeting met het geluk tijdens een spel is overal even troostrijk: we hebben gevonden wat we zochten.
Begonnen als onlineweekblad, verschijnt Nautilussinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen de wetenschap en ons dagelijks leven. Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.