Tag: Radicalisering

  • De trauma’s van de dochter van een Amerikaanse IS-strijder

    De trauma’s van de dochter van een Amerikaanse IS-strijder

    Allison Fluke-Ekren, een lerares uit Kansas, sleepte haar familie mee naar Syrië. Daar dwong ze haar dochter Leyla om een militaire training te volgen voor Islamitische Staat. Haar dochter heeft haar nu wat laatste woorden te zeggen.

    De stille maar strijdlustige Leyla Ekren komt oorspronkelijk van het platteland in Kansas. Ruim tien jaar geleden stopte haar kindertijd abrupt, toen haar moeder haar na het uitbreken van de oorlog mee naar Syrië sleepte.

    Zelfs toen ze aan tyfus leed, moest ze militaire training blijven volgen van haar moeder, een geharde militant die bezig was gestaag op te klimmen in de rangen van Islamitische Staat. Zowel mentaal als fysiek werd Leyla gekweld. Ze leed pijn, ze ijlde, en, hoewel ze nog maar tien jaar oud was, voelde ze haar levenslust verdampen. Het liefst wilde ze dood.

    ‘Ik kwam steeds dichter bij de dood,’ zegt ze over die periode. ‘Ik ging mentaal achteruit en mijn ribben waren door mijn huid heen zichtbaar, als een ladder. Mijn maag was zo erg uitgehold dat mijn buik op een kom leek. Ik had constant bloedneuzen en plotselinge toevallen. Mijn lichaam was aan het instorten, maar mijn moeder deed niets.’

    Ze overleefde het, waarna haar moeder, Allison Fluke-Ekren, Leyla opnieuw haar wil oplegde. Toen Leyla dertien was, werd ze gedwongen te trouwen met een IS-strijder, die haar verkrachtte. Leyla kon in de herfst van 2017 met steun van de Amerikaanse regering naar huis terugkeren. Ze was een tiener toen ze in Kansas van haar kind beviel.

    Trauma

    Het is al langer duidelijk hoe extreem de wandaden van IS in Syrië waren. Maar dit verhaal, dat door interviews, getuigenissen en juridische documenten wordt ondersteund, doet op buitengewone wijze verslag van misbruik dat een meisje door haar moeder te verduren kreeg. Even buitengewoon is het feit dat Leyla FBI-agenten hielp Fluke-Ekren op te sporen. In januari werd Fluke-Ekren teruggebracht naar de Verenigde Staten, waar ze werd vervolgd en maanden later schuld bekende aan het verlenen van materiële steun aan een terroristische organisatie.

    Het is inmiddels jaren geleden dat de Verenigde Staten de overwinning in Syrië verkondigden. Toch klinkt de schade die IS heeft aangericht nog altijd door tot in Overbrook in Kansas, een klein stadje net buiten het heuvelachtige Topeka. Leyla’s verhaal maakt duidelijk dat het Syrische trauma nog altijd voortleeft en niet tot het Midden-Oosten beperkt is gebleven.

    Leyla Ekren, die nu twintig is, vertelde haar verhaal dinsdag voor het eerst in het openbaar. Dat gebeurde in de rechtbank in het noorden van Virginia, waar haar moeder tot de maximum gevangenisstraf van twintig jaar werd veroordeeld. Bevend vertelde Ekren hoe ze in Syrië door haar moeder werd mishandeld. In een brief aan de rechtbank beschuldigde ze haar moeder ook van seksueel misbruik.

    ‘Ik heb me mijn hele leven lang vernederd gevoeld,’ vertelt Ekren, die zichtbaar moeite moet doen om haar verhaal over haar lippen te krijgen. Haar moeder heeft haar ‘als seksslavin aan een willekeurige IS-strijder’ uitgehuwelijkt, zo stelt ze, en haar in Raqqa achtergelaten bij haar ‘verkrachter’.

    Vóór de zitting deed Raj Parekh, assistent-officier van justitie in Virginia, al Fluke-Ekrens wreedheid uit de doeken via een memo. Ook haar oudste zoon, Gabriel Fluke, werd er het slachtoffer van. Hij sprak er tijdens de veroordeling kort over.

    Dergelijke memo’s doen meestal droog verslag van de misdaden in kwestie. Maar Parekh ging verder; hij schetst een meedogenloos portret van Fluke-Ekrens onophoudelijke misbruik en haar onwrikbare toewijding aan het extremisme.

    In de woorden van Parekh liet Fluke-Ekren ‘een spoor van verraad achter. Ze werd een militaire leider van de terroristen en in feite de keizerin van IS.’ Hij voegde eraan toe dat ze ‘gedreven werd door fanatisme, macht, manipulatie, de waan van onoverwinnelijkheid en extreme wreedheid’.

    Volgens Leyla moesten sommige meisjes als onderdeel van hun training video’s bekijken waarin Amerikaanse soldaten Iraakse vrouwen seksueel misbruiken

    Fluke-Ekren (42), gekleed in een zwarte hijab en een groen shirt met daarop het woord ‘gevangene’, ontkent met klem haar dochter te hebben mishandeld. Ook zou ze haar dochter niet hebben gedwongen te trouwen, maar zou dat Leyla’s eigen beslissing zijn geweest. Af en toe moet ze huilen. ‘Ik heb veel spijt van mijn keuzes,’ stelt ze.

    Fluke-Ekren groeide op in Lawrence, Kansas, op een boerderij van ruim 32 hectare die al meer dan een eeuw aan haar familie toebehoort. Ze trouwde in 1996 en kreeg kort daarna een zoon, Gabriel, en een dochter, Alaina. Het huwelijk hield geen stand; het echtpaar scheidde in 2002. Haar eerste man noemt haar een ‘oplichter’. Hun zoon onderschrijft dat, en voegt er nog aan toe dat ze ‘een monster’ is.

    In 2002, toen ze nog aan de Universiteit van Kansas studeerde, bekeerde Fluke-Ekren zich tot de islam. Ze trouwde opnieuw, deze keer met Volkan Ekren, een internationale student uit een welvarende Turkse familie. Ze kregen vijf kinderen, waaronder Leyla.

    Volgens familieleden zorgde Fluke-Ekren ervoor dat haar tweede man radicaliseerde. Het gezin verhuisde in 2008 naar Caïro, waar Leyla en Gabriel naar eigen zeggen regelmatig afgeranseld werden. Gabriel twijfelde of hij moest blijven om zijn broers en zussen te beschermen. Uiteindelijk koos hij ervoor Egypte te verlaten en bij zijn vader te gaan wonen.

    Tegen het einde van 2011 verhuisde het gezin naar Libië. Leyla zegt dat haar moeder vanaf dat moment obsessief naar jonge rekruten op zoek ging en begon te dromen over gewelddadige aanslagen. Fluke-Ekren wilde een lokale school veranderen in een militair trainingscentrum voor jonge vrouwen en hoopte dat haar man de islamitische militante groep Ansar al-Sharia kon overhalen het initiatief te financieren. Volgens Leyla moesten sommige meisjes als onderdeel van hun training video’s bekijken waarin Amerikaanse soldaten Iraakse vrouwen seksueel misbruiken.

    Velden met landmijnen

    Fluke-Ekren en haar man woonden in Benghazi toen in 2012 een Amerikaanse diplomatenpost en een nabijgelegen CIA-basis werden aangevallen. Vier Amerikanen kwamen bij de aanvallen om. Na afloop hielp Fluke-Ekren mee om gestolen documenten van de diplomatenpost door te nemen en samen te vatten. De documenten werden vervolgens naar Ansar al-Sharia doorgestuurd.

    De school werd uiteindelijk geen succes. Fluke-Ekren was teleurgesteld in de filosofie van Ansar al-Sharia, die kennelijk niet gewelddadig genoeg was. Eind 2012 of begin 2013 dwong ze haar familie naar Syrië te verhuizen. Daar sloot ze zich aan bij het Nusra-Front, een afsplitsing van Al Qaida. Haar man werd een belangrijke vertaler voor de groep. Volgens de aanklagers woonden ze samen in een verlaten fabriek aan de rand van Aleppo.

    Fluke-Ekren drong er opnieuw op aan dat jonge vrouwen militaire training zouden krijgen en probeerde een bataljon voor meisjes op te richten, maar het Nusra-Front stak daar een stokje voor. Ze verliet de groep en ging door met het trainen van haar dochter, die tyfus kreeg. Pas toen ze ervan verzekerd was dat ze geld van de familie van haar man zou krijgen, nam ze Leyla mee naar Turkije voor medische zorg. Leyla’s vader bleef in Syrië, waar hij toezicht hield op de training van IS-sluipschutters.

    De reis naar Turkije was slopend. Leyla herinnert zich dat ze, toen ze de grens eenmaal overgestoken waren, ‘kilometers door velden met landmijnen moest lopen’. Ze moest zich, terwijl ze ‘stuiptrekkingen had, in het hoge gras voor het Turkse leger verstoppen’.

    In Turkije vroeg Fluke-Ekren nieuwe paspoorten aan voor haar familie, wat ertoe leidde dat ze door medewerkers van de Amerikaanse ambassade in Ankara ondervraagd werd. Uit een rapport van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat de ambtenaren argwaan kregen door wat ze verklaarde over de activiteiten van haar man in Benghazi.

    In 2015 verhuisden ze naar Mosul in Irak. Fluke-Ekren ondersteunde daar de weduwen van IS-strijders die in de oorlog waren omgekomen. Later keerde het gezin terug naar Syrië, waar haar man overleed. Volgens de aanklagers kwam hij om bij een luchtaanval, terwijl hij op verkenning was voor een geplande terroristische aanval.

    Volgens Leyla dwong haar moeder haar in 2015 om met een IS-strijder te trouwen. Zo hoopte Fluke-Ekren, die sinds de dood van haar man geen overwicht meer had, weer politieke invloed te krijgen binnen IS. Uiteindelijk slaagde ze erin het bataljon op te zetten waar ze al zo lang van droomde. Tijdens de militaire training in Raqqa in Syrië leerden vrouwen en meisjes om te gaan met kalasjnikovs, granaten en zelfmoordgordels. Fluke-Ekren was van plan aanslagen te plegen in de Verenigde Staten, onder andere op een winkelcentrum en een universiteit in het Middenwesten.

    Fluke-Ekren ging verschillende huwelijken aan. Eerst was ze getrouwd met een man uit Bangladesh die voor IS werkte en gespecialiseerd was in de bouw van drones, waarmee hij van plan was chemische bommen te lanceren. Daarna trouwde ze met een leider binnen het IS-leger die verantwoordelijk was voor de verdediging van Raqqa. Hij zou later omkomen in de strijd.

    In totaal kreeg Fluke-Ekren elf kinderen en ze adopteerde er een. De familie kreeg veel te verduren: twee van haar kinderen stierven in Syrië, waaronder een baby en de vijfjarige Zaid, die bij een raketaanval om het leven kwam. Haar oudste dochter, Alaina, wordt nog steeds vermist, en een andere zoon woont in Turkije. Zes anderen wonen bij pleeggezinnen in Virginia.

    Ze relativeerde de dood van Leyla’s vader en haar broertje Zaid, want ze geloofde nu eenmaal dat ze voor een goede zaak vocht

    Leyla wist uit Raqqa te ontsnappen toen IS in de herfst van 2017 zijn controle over de stad verloor. Ze bereikte een controlepost in Baghuz die werd beheerd door de Syrische Democratische Strijdkrachten. In oktober van hetzelfde jaar legde Leyla, toen vijftien, een interview met CBS News af waarin ze anoniem bleef maar onthulde dat ze uit Kansas kwam. Ze vertelde dat haar vader haar tegen haar wil naar Syrië had gebracht en verklaarde, klaarblijkelijk onder invloed van haar moeder, dat die zich mogelijk in de Verenigde Staten bevond.

    ‘Hoi, mam,’ zegt ze in het interview. ‘Als je deze video ziet, neem dan alsjeblieft contact met me op.’ Vervolgens beschrijft ze de verschrikkelijke situatie in Raqqa en zegt ze dat haar man, een IS-strijder, is omgekomen bij een luchtaanval en dat ze zwanger is van hem.

    Fluke-Ekren was niet in de Verenigde Staten, maar in Syrië, waar ze voor de zoveelste keer zou gaan trouwen. Leyla vertrouwde erop dat haar moeder haar zou proberen te vinden. Ze maakte een socialemedia-account aan en sprak met FBI-agenten die haar moeder probeerden op te sporen af om hun gesprekken stiekem op te nemen.

    Fluke-Ekren nam in december 2020 via een gecodeerd chatprogramma contact op met haar dochter: ‘Ik ben ook bang, ik vraag me af of ik misschien met de FBI praat, ik weet het niet. Kun je me alsjeblieft een bericht sturen?’

    Dagen later gaf Leyla antwoord. Ze vertelde niet dat agenten haar al jarenlang onder druk zetten over haar moeder en stelde haar gerust door te zeggen dat de FBI geen interesse in haar had. ‘Dat is heel goed,’ antwoordde Fluke-Ekren. ‘En je doet het geweldig, ik ben trots op je.’ Ze voegde eraan toe dat haar dochter op een dag zou terugkeren naar Syrië.

    Snel daarna nam Fluke-Ekren weer contact op. Ze relativeerde de dood van Leyla’s vader en haar broertje Zaid, want ze geloofde nu eenmaal dat ze voor een goede zaak vocht. ‘Dan voel je geen spijt,’ zei ze.

    In de zomer van vorig jaar werd Fluke-Ekren aangehouden door onbekende strijdkrachten in Syrië. Na haar arrestatie in januari ondervroegen FBI-agenten haar over haar geadopteerde kind. Ze beweerde dat Volkan Ekren de vader was en verzweeg daarmee de grimmige waarheid.

    In werkelijkheid kwamen de ouders van het kind om bij een zelfmoordaanslag in Syrië, die volgens juridische documenten door Fluke-Ekren was aangemoedigd. De moeder, met wie Fluke-Ekren bevriend was geraakt, wilde de aanslag niet plegen omdat ze zwanger was.

    Maar Fluke-Ekren beloofde de moeder dat ze het kind zou opvoeden als ze de bomaanslag zou uitvoeren. Die belofte, aldus Parekh, is ze in elk geval nagekomen.

  • Voeg de daad bij het woord, meneer Macron

    Voeg de daad bij het woord, meneer Macron

    Ayaan Hirsi Ali, het toenmalige roemruchte kamerlid voor de VVD en tegenwoordig onderzoeker bij een conservatieve denktank in Californië vindt dat de Franse president ‘meer lef’ moet tonen om de radicale islam met wetgeving te bestrijden.

    In de eerste week van oktober zei Emanuel Macron dat hij een eind wilde maken aan het ‘islamitisch separatisme’ in Frankrijk omdat een minderheid van de naar schatting zes miljoen moslims in Frankrijk een ‘tegenmaatschappij’ dreigt te vormen. Enkele dagen later zagen we daar het zoveelste voorbeeld van, toen een geschiedenisleraar in een Franse voorstad op straat werd onthoofd. Samuel Paty had in de klas over vrijheid van meningsuiting gesproken en cartoons van Mohammed laten zien. Enkele ouders hadden geprotesteerd, wat tot meer ophef leidde, en uiteindelijk tot zijn dood. Paty werd vermoord, zei Macron, ‘omdat hij de vrijheid van meningsuiting behandelde, de vrijheid om te geloven of niet te geloven’. De president werpt zich nu op als verdediger van de Franse waarden en zegt vastbesloten te zijn de islamistische put te dempen.

    Dat Macron een anti-islamistische toespraak hield was op zichzelf al een teken dat het debat in Frankrijk snel verandert. Vijf jaar geleden, toen Fox News repte van ‘no-gozones’ in Parijs, dreigde de burgemeester van die stad met een proces. Nu zien we Emanuel Macron, het vleesgeworden politieke midden, waarschuwen dat de islamistische ‘ideologie’ als ‘einddoel’ heeft de samenleving ‘volledig in haar greep te krijgen’. Macron belooft een wet tegen ‘islamistisch separatisme’, wil het thuisonderwijs van moslims beperken en eist dat islamitische groeperingen die subsidies van de Franse staat ontvangen een ‘seculier handvest’ ondertekenen.

    Maar als het hem menens is, waarom zou hij het dan daarbij laten? Een week voor zijn toespraak, bijvoorbeeld, vond er een steekpartij plaats voor het kantoor van Charlie Hebdo. Het zou van moed en daadkracht getuigen als er een monument werd opgericht ter nagedachtenis van mensen die door islamisten zijn vermoord terwijl ze zich inzetten voor de vrijheid van meningsuiting: misschien een beeld van het team van Charlie Hebdo of van mijn overleden vriend Theo van Gogh. Bij de onthulling van dat monument zou Macron het – momenteel steeds wijder verbreide – waanidee kunnen weerleggen dat een kritische houding tegenover het islamisme en islamisten een uiting van ‘islamofobie’ is. Het verdedigen van de universele mensenrechten is een daad van compassie, geen ‘fobie’; wie dat niet keer op keer benadrukt, geeft extreemrechtse fanatici alleen maar vrij spel.

    Tijdens zijn toespraak zei Macron ook dat het zaak is ‘diegenen te bestrijden die in naam van een godsdienst zijn ontspoord (…) maar degenen die in de islam geloven en volwaardige burgers van de republiek zijn te beschermen’. Als hij dat werkelijk meent, kan hij wellicht de Franse moslims steunen en beschermen die zo moedig zijn zich uit te spreken tegen de radicale islam. Ook zou hij de Franse moslims kunnen steunen die zich inzetten voor het veranderen van de sharia, het in een historische context plaatsen van de soenna (de traditionele leefregels voor moslims) en het trekken van een duidelijke scheidslijn tussen religie en staat door de doctrinaire zuiverheid ter discussie te stellen. Om extremisten te bestrijden is het van groot belang onderscheid te maken tussen moslims die echte verandering willen en islamisten met gladde praatjes. Veel Franse moslims vechten tegen de islamisten, en Macron zou veel meer kunnen doen om hen te steunen.

    De ideologische strijd tegen het islamisme zal noodzakelijkerwijze lang zijn, en als hij wil slagen zal Macron ervoor moeten zorgen dat de Franse civil society en de filantropische instellingen volledig bij deze poging betrokken worden. Hij moet subversieve islamistische organisaties die de ideologische basis voor geweld leggen ontbinden, en andere Europese leiders oproepen hetzelfde te doen. Het is verbazingwekkend dat dit onderwerp zelfs nu nog door velen van hen wordt gemeden.

    Kernwaarden

    Ook zou hij de immigratiewetten kunnen aanscherpen om ervoor te zorgen dat de kernwaarden van de Franse samenleving meetellen bij toelating. Nieuwkomers in de Franse Republiek moet worden voorgehouden dat ze achter het Franse idee van sociale cohesie dienen te staan, wat betekent dat ze separatisme en islamisme afwijzen en geen lid zijn van organisaties die zich daarvoor inzetten.

    De bestaande wetgeving zou meer moeten worden toegepast. Niet zo lang geleden werd een Algerijnse vrouw die tijdens een Franse naturalisatieplechtigheid weigerde mannelijke ambtenaren de hand te schudden het staatsburgerschap onthouden. Op deze manier kan islamisten duidelijk worden gemaakt dat ze in Frankrijk niets te zoeken hebben.

    De Franse wet biedt de regering de mogelijkheid naturalisatieverzoeken af te wijzen op grond van ‘gebrek aan andere dan linguïstische assimilatie’. Dus in de geest van deze wet zou Macron moeten beginnen met het repatriëren van asielzoekers die zich schuldig maken aan geweld of het uitlokken daarvan, in het bijzonder tegen vrouwen.

    Veel Franse moslims vechten tegen de islamisten

    Qua buitenlandbeleid zou hij het ideologisch extremisme kunnen aanpakken dat de regeringen van – onder andere – Qatar en Turkije verspreiden door hun steun aan islamisten en islamistische en communitaristische bewegingen in Europa (inclusief Frankrijk). Hij zou zich veel geharnaster kunnen opstellen tegenover het Iraanse regime – zowel bilateraal als op EU-niveau – dat zich schuldig maakt aan vijandige activiteiten op Europese bodem, onvoorstelbare wreedheid tegenover de eigen bevolking en pogingen om het revolutionaire islamisme naar de rest van het Midden-Oosten te exporteren.

    Het Franse corps diplomatique beschikt nog altijd over buitengewoon veel historische en linguïstische kennis inzake Afrika, Azië en het Midden Oosten. Die zou kunnen worden ingezet tegen de activiteiten van groeperingen als de Moslimbroederschap, Tablighi Jamaat, Hezbollah, Hizb ut Tahrir en de vele vertakkingen daarvan. Macron zegt dat zijn wetsvoorstel de genadeslag zal betekenen voor islamitische groeperingen waarvan de principes in strijd zijn met die van de Franse Republiek.

    Hij kan dat doen door de geldstromen af te snijden van buitenlandse mogendheden naar de islamistische organisaties binnen Frankrijk. Macron heeft gelijk: het islamitisch separatisme dreigt Frankrijk inderdaad in twee naties te verdelen. Maar om het probleem echt aan te pakken moet de president niet alleen het lef tonen om de radicale islam aan de kaak te stellen, maar ook om die daadwerkelijk de kop in te drukken. 

  • De andere Fransen

    De andere Fransen

    Nieuws uit het buitenland is iets anders dan nieuws over het buitenland, luidt al honderd edities lang het adagium van 360. We laten lokale journalisten aan het woord over de situatie in hun land. Maar soms wijken we daarvan af, zoals hier. George Packer (staff writer bij The New Yorker en auteur van de grootse analyse van het moderne Amerika, The Unwinding) beschrijft zijn verkenning van ‘het andere Frankrijk’. Een betere titel – ja, op je honderdste verjaardag mag je zelfs beweren dat je het beter weet dan The New Yorker – zou misschien zijn ‘de andere Fransen’. Want zijn stuk gaat juist over hetzelfde Frankrijk en iedereen – binnen en buiten de Périphérique – die nolens volens meebouwt aan de toekomst van dat land.

    Fouad Ben Ahmed had nooit veel aandacht besteed aan Charlie Hebdo. Hij vond het satirische tijdschrift grof en te sterk gefixeerd op de islam en hij kon er niet om lachen, maar hij geloofde ook niet dat het blad veel kwaad deed. Een van de cartoonisten, Stéphane Charbonnier, tekende ook voor Le Petit Quotidien, een kinderblad waarop Ben Ahmed een abonnement had voor zijn kinderen. 
Op 7 januari 2015, toen hij hoorde dat twee broers met Algerijnse namen, Saïd en Chérif Kouachi, op 
de redactie van Charlie Hebdo twaalf mensen hadden geëxecuteerd, onder wie Charbonnier, als wraak voor covers van het blad waarop Mohammed belachelijk werd gemaakt, schreef Ben Ahmed op Facebook: ‘Mijn Franse hart bloedt, mijn moslimziel huilt. Niets, ABSOLUUT NIETS kan deze barbaarse daden rechtvaardigen. Praat me niet van media of politici die een spel zouden spelen, want er is geen excuus voor barbarij. #JeSuisCharlie’

    Forum

    Die avond verliet Ben Ahmed zijn huis in een Parijse voorstad en ging de stad in om samen met tienduizenden anderen een wake te houden. Zijn Algerijns-Tunesische afkomst is zichtbaar aan zijn donkere huid, en een paar blanke extremisten slingerden hem bedreigingen naar zijn hoofd, maar Ben Ahmed negeerde ze – Frankrijk was ook zijn land. Op 11 januari liep hij met anderhalf miljoen medeburgers in een mars vanaf de Place de la République.

    Ben Ahmeds Facebookpagina werd een forum waarop anderen, voornamelijk Franse moslims, over de aanslagen discussieerden. Velen uitten alleen hun verdriet en woede; sommigen kwamen met samenzweringstheorieën waarin ze beweerden dat dit een complot was om moslims in diskrediet te brengen. ‘Laat de politie maar onderzoek doen naar de achtergronden van dit bloedbad,’ vond Ben Ahmed. Een vrouw schreef: ‘Ik houd mijn hart vast voor de moslims van Frankrijk. De bekrompen of bange geesten zullen zich nog verder ingraven en een amalgame maken – alle moslims over één kam scheren met de terroristen.’ Ben Ahmed was het met haar eens: ‘Ons land zal nog verder verdeeld raken.’ Hij verdedigde zijn gebruik van de hashtag #JeSuisCharlie door te zeggen dat er, hoe legitiem het vóór de aanslag ook was geweest om kritiek te hebben op de inhoud van Charlie, daar nu geen plaats meer voor was. ‘Als we nu nog een debat gaan voeren over de redactionele koers van het blad, is het alsof we zeggen “Ja, maar…”,’ zou hij later tegen mij zeggen. ‘In deze omstandigheden is dat ondenkbaar.’

    Na het bloedbad van Charlie Hebdo heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues

    Ben Ahmed, 39 jaar, werkt als contactpersoon tussen de inwoners en het gemeentebestuur van Bondy, 
een voorstad ten noordoosten van Parijs, in het 93ste departement. Het 93ste was tientallen jaren lang 
een bolwerk van de vroegere arbeidersklasse en de communistische partij, maar staat nu vooral bekend om zijn inwoners van Arabische en Afrikaanse origine. Veel Parijzenaars associëren het 93ste met verloederde sociale woningbouw, criminaliteit, werkloosheid en moslims.

    Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip geworden, dat staat voor sloppenwijken waar immigranten in de meerderheid zijn. Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en sociale uitsluiting. De cités en hun bewoners zijn het onderwerp van veel bezorgde en boze discussies in Frankrijk. Onlangs verschenen twee boeken van de hand van de vooraanstaande politiek wetenschapper Gilles Kepel, Banlieue de la République en Quatre-vingt-treize [Drieënnegentig]. 
Het zijn studies naar het grootschalige verval en 
de groeiende segregatie tussen bevolkingsgroepen. Ook voor dat laatste kent het Frans een negatieve benaming: communautarisme.

    Na het bloedbad van Charlie Hebdo – en nadat een derde terrorist, Amedy Coulibaly, een zwarte politieagente bij een joodse school en vier joden in een koosjere supermarkt had doodgeschoten – heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. Weliswaar komt antisemitisme in deze geïsoleerde gemeenschappen steeds sterker op, maar het profiel van de Franse jihadist valt niet samen met een bepaalde klasse; veel jihadisten komen uit middenklassegezinnen. Het gevoel van uitsluiting in de banlieues is een nijpend probleem dat de overheid tientallen jaren heeft verwaarloosd, maar meer banen en betere huisvesting zullen geen eind maken aan het Franse jihadisme.

    Thiais, een voorstad ten zuiden van Parijs. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    Thiais, een voorstad ten zuiden van Parijs. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    Ben Ahmed woont al zijn hele leven in het 93ste. Een paar jaar geleden is hij met zijn vrouw Carolina en hun twee kinderen naar een klein huis in de omgeving van het vliegveld Charles de Gaulle verhuisd. Daar wonen ze dichter bij de particuliere school waar ze hun kinderen naartoe sturen omdat de meeste openbare scholen in het 93ste overvol en chaotisch zijn, en jongere, minder gekwalificeerde leerkrachten hebben. Als tiener woonde Ben Ahmed in een van de ergste voorsteden, Bobigny, in een beruchte cité die l’Abreuvoir heet. Als twintiger en begin dertiger werkte hij als buurtopbouwwerker voor de gemeente Bobigny met probleemjongeren – soms zijn eigen vrienden en buren, vaak jongeren die net uit de gevangenis kwamen of daar snel terecht zouden komen. Hij weet meer van het leven in de cités dan welke wetenschapper ook.

    Na de aanslagen schreef Ben Ahmed een open brief aan president François Hollande, onder de kop ‘Allemaal deels verantwoordelijk, maar niet schuldig’. Hij noemde zich een banlieuebewoner die vaak ‘de dood van dichtbij’ had gezien. Hij schreef over de problemen van de werkloosheid, de discriminatie en de collectieve afzondering van de samenleving. Hij bracht in herinnering hoe in oktober 2001 in Parijs een voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Algerije – de eerste sinds de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 – afgeblazen moest worden, toen duizenden Franse jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst boe riepen tijdens de 
Marseillaise en het veld op stormden onder het roepen van ‘Bin Laden, Bin Laden!’ Het Franse publiek reageerde met heilige verontwaardiging.

    ‘Het probleem manifesteerde zich daar, recht voor onze neus,’ schreef Ben Ahmed. ‘Maar wij stelden niet de juiste vragen, we kozen voor stigmatisering, afwijzing van de ander.’ Hij vervolgde: ‘Die dag is de tweedeling ontstaan, het gevoel afgewezen te worden door de politieke klasse, toen we andere vragen hadden kunnen stellen: Wat is er aan de hand? Wat is het probleem?’

    Ben Ahmed gaat altijd gekleed in een strak, donker pak, zelfs in het weekend, alsof zo’n formele stijl voor een Arabier uit het 93ste de enige manier is om serieus genomen te worden. Toen ik kort na de aanslagen een ontmoeting met hem had, zei hij tegen me: ‘In het Frans zeggen we: “De kap maakt de monnik niet” – maar helaas is dat wel het geval.’ Dat is ook de reden waarom hij altijd heel secuur Frans spreekt, niet de met Arabisch doorspekte straattaal van de banlieues. Hij draagt zijn haar gemillimeterd, de zwarte stoppels van zijn haarlijn komen op zijn 
voorhoofd samen in een puntje. Hij heeft een breed, jongensachtig gezicht en een ontwapenende lach.

    Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen

    Terwijl hij met grote, besliste passen door het 93ste beent, lijkt het wel of hij iedereen bij naam kent. Maar als jongere in l’Abreuvoir moest hij wel leren vechten – hij deed in die tijd aan boxe française, een vorm van kickboksen – en als hij onder druk staat, kunnen zijn ogen waakzaam en uitdrukkingsloos worden. Toen hij twee jaar geleden met zijn kinderen een bioscoop binnenkwam, zag hij dat een van de bezoekers een geweer bij zich had. (De man kwam een rekening vereffenen met zijn vrouw en haar minnaar.) Ben Ahmed zei tegen zijn kinderen dat ze moesten gaan liggen, sloop de tien meter naar de man met het wapen toe, greep hem van achteren beet, werkte hem naar de grond en hield hem in een Braziliaanse jiujitsu-houdgreep. Nadat er beveiligingsmensen bij waren gekomen, nam Ben Ahmed zijn kinderen mee de bioscoopzaal in om naar Man of Steel te gaan kijken.

    Ben Ahmed koesterde al langer politieke ambities, en door dit incident werd hij een plaatselijke held. Hij besloot zich kandidaat te stellen voor de gemeenteraad. ‘Ik kan met iedereen praten, want ik heb respect voor de ander. Ik geloof dat iedereen wel iets goeds in zich heeft.’ Ben Ahmeds vrouw en zijn vrienden vinden hem een beetje naïef, maar naïviteit is bijna onmisbaar voor een moslim uit de banlieues die in een tijd van nationale crisis tussen bevolkingsgroepen de Franse politiek in wil.

    Parallelle werelden

    De ringweg rondom Parijs staat bekend als de Périphérique. Als je de voorsteden binnenkomt of uitgaat, heet dat ‘de Périphérique oversteken’, alsof de ringweg een grens is. Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen. ‘Er zijn twee parallelle werelden,’ zegt Mehdi Meklat, een jonge blogger van Le Bondy Blog, die over het leven in de banlieues schrijft. Volgens hem is de relatie tussen Parijs en de voorsteden ‘schizofreen’.

    Met de RER, het spoorwegnetwerk dat Parijs met zijn voorsteden verbindt, ben je in negentien minuten van Gare du Nord bij de halte van Ben Ahmed. De rit begint in een tunnel en als de trein boven de grond komt, zijn de boulevards met hun talloze bistroluifels verdwenen. Zelfs het weer lijkt anders – vochtig en somber, met een wind die uit het zuidwesten blaast. (De voorsteden van het 93ste zijn ontstaan rond fabrieken die ten noordwesten van Parijs waren geplaatst, omdat daar de industriestank wegwaaide van de Lichtstad.) Het spoor doorsnijdt een wanordelijk landschap van met graffiti overdekte muren, glazen kantoorgebouwen, voetbalvelden, vuilnishopen, 
verlaten industrieterreinen, bescheiden huizen met rode daken en clusters van twintig verdiepingen hoge kolossen – de cités.

    De banlieues zijn veel diverser dan de getto’s van Amerikaanse steden. Tijdens een rit met de RER zag ik een man die Tamil sprak in zijn mobiele telefoon, een Aziatische vrouw die op haar twee zoontjes lette, Noord-Afrikaanse vrouwen in elk type hijab, of niet in hijab, een bejaarde blanke man, een zwarte man in blazer die de sportpagina’s van de krant zat 
te lezen, een Arabische man die in het gangpad stond te bedelen met een kind in zijn armen. Rijke wijken liggen naast arme, particuliere koophuizen staan tussen sociale woningbouw en mensen van alle kleuren en religies doen hun boodschappen in de lokale winkelcentra. In een restaurantje in Montreuil, aan een lege straat in de buurt van een cité, werden Arabische mannen bediend door een blanke serveerster. De banlieues hebben generaties immigranten gehuisvest, en de oudere lichting van Portugezen, Italianen en Polen is niet helemaal 
verdwenen met de komst van de recentere golven Arabieren, Afrikanen en Chinezen, in de afgelopen decennia. Aangenomen wordt dat de voorsteden nog altijd overwegend blank zijn, al weet niemand dat zeker, omdat het in Frankrijk verboden is gegevens bij te houden op basis van etniciteit of godsdienst. (Voor de cités is geen exacte telling nodig – die zijn 
in overgrote meerderheid Arabisch en zwart.)

    De zuidelijke voorstad Thiais wordt onderdeel van de nieuwe metrolijn Grand Paris Express Ligne 17, die in 2024 klaar zal zijn en niet alleen luchthaven Charles de Gaulle bedient maar ook luchthaven Le Bourget. Met de aanleg van de metrolijn is 1,8 miljar
    De zuidelijke voorstad Thiais wordt onderdeel van de nieuwe metrolijn Grand Paris Express Ligne 17, die in 2024 klaar zal zijn en niet alleen luchthaven Charles de Gaulle bedient maar ook luchthaven Le Bourget. Met de aanleg van de metrolijn is 1,8 miljar

    Hoe vitaal ze ook zijn, de banlieues lijken los te staan van de stad, en van Frankrijk zelf. Parijzenaars en toeristen zie je er zelden, en de bewoners klagen dat journalisten er alleen maar komen om verslag te doen van autobranden en druggerelateerde schietpartijen. De voorstad Clichy-sous-Bois, waar in 2005 de rellen ontstonden die zich vervolgens over het hele land verspreidden, probeert tegenwoordig wat extra inkomsten te genereren door nieuwsgierige buitenstaanders een tour de banlieue aan te bieden. Veel bewoners van de voorsteden denken er ondertussen niet aan om naar Parijs te gaan. Vergeleken met de Amerikaanse sloppenwijken zijn de kwaliteit van 
de woningen en de veiligheid in de banlieues nog redelijk goed, maar de psychologische afstand tussen het 93ste en de Champs-Élysées kan onoverkomelijk lijken – veel groter dan die tussen The Bronx en Times Square.

    De appartementenblokken in de cités, vaak gegroepeerd rond een apotheek, een supermarkt en een fastfoodtent, zijn naar binnen gericht. Vaak hebben ze geen straatnaam, geen duidelijke entree en onvoldoende parkeerplaatsen. Het gevoel van vervreemding wordt nog versterkt door de namen van de omringende straten en scholen, verwijzingen naar een historisch Frankrijk dat weinig te maken heeft met het dagelijks leven van de bewoners. 
De straten rond Gros Saule – een van drugs doortrokken cité waar de politie zich niet durft te vertonen – hebben namen als rue Henri Matisse en rue Claude Debussy.

    ‘Het is een sociale grens,’ zegt Badroudine Abdallah, een collega van Mehdi Meklat bij Le Bondy Blog. ‘Het gaat er niet alleen om of je zwart of Arabisch bent. Het gaat er ook om of je relaties hebt, een netwerk.’ Meklat en Abdallah, allebei in de twintig, vertellen me dat Franse leerlingen aan het eind van de lagere school een week lang stage moeten lopen. Hun klasgenoten kwamen, als ze geluk hadden, terecht in 
een armoedig bakkerijtje of een apotheek, en anders vonden ze geen plek, want bedrijven honoreren geen aanvragen van immigrantenkinderen uit het 93ste.

    Porte de Thiais. De Franse terrorist Amedy Coulibaly werd in het geheim begraven op een begraafplaats in Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    Porte de Thiais. De Franse terrorist Amedy Coulibaly werd in het geheim begraven op een begraafplaats in Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    Als je uit de banlieues komt is dat een grote belemmering op de arbeidsmarkt, en bijna elke inwoner die ik er tegenkwam kon wel een verhaal vertellen over discriminatie. Fanta Ba, dochter van Senegalese immigranten, gebruikt tegenwoordig op sollicitatieformulieren haar tweede naam, France, en verfranst haar achternaam tot Bas, maar ze heeft nog steeds geen werk. Elke keer als ze berichten over een terroristische aanslag in Frankrijk hoort, bidt ze: ‘Laat het geen Arabier zijn, geen zwarte, geen moslim.’ Op 7 januari zette ze de tv uit en vermeed ze twee dagen lang Facebook. Ze kon er niet tegen om telkens weer die gewelddadige beelden te zien, of te moeten horen dat alle moslims daar verantwoordelijkheid voor zouden dragen. ‘Om te moeten zeggen: “Je suis Charlie”, of: “Ik ben moslim en ik veroordeel dit” – dat was te veel gevraagd,’ zegt ze. ‘Ik had er niets mee te maken. Ik vroeg me af: hoe moet dit aflopen? Gaan ze straks een kruis zetten op de voordeuren van moslims of Arabieren?’

    Echte Fransen

    Ben Ahmed heeft een vriend in Bobigny, Brahim Aniba, die accountant is en zoals veel banlieuebewoners ooit een periode van werkloosheid heeft doorgemaakt. Om een uitkering te kunnen krijgen moest hij een afspraak maken bij een jobcoach. Aniba vertelde me dat de coach, om hem te helpen, vroeg: ‘Heb je geen tante die in Parijs of ergens anders woont? Want Bobigny, cité Grémillon, tja…’ Dat was het Franse equivalent van Schijtstad. De jobcoach raadde hem aan: ‘Als je een adres in Parijs hebt, een postbus, alleen maar om je post te ontvangen, dan is dat beter. En je achternaam, Aniba – die is wel oké, maar je voornaam, Brahim… gebruik liever B.’
    ‘Mevrouw, waarom laat ik niet liever gewoon meteen mijn broek zakken?’ zei Aniba.

    De simpele bepaling wie Frans is en wie niet, kan 
een luchtig gesprekje lastig maken. Als mensen de dertigjarige journaliste Widad Ketfi vragen waar 
ze vandaan komt, antwoordt ze: ‘Uit Bondy.’ Maar daarmee is de kous nooit af. ‘Welke afkomst?’ ‘Frans.’ ‘Waar komen je óúders vandaan?’ ‘Uit Frankrijk!’ 
Zelfs burgers met een immigrantenachtergrond duiden blanken vaak aan met de term Français de souche – ‘echte Fransen’. Wat impliceert dat mensen met een donkerder huid niet helemaal Frans zijn.

    Zoals Fanta Ba het zegt: ‘Je doet alles voor Frankrijk, om geaccepteerd te worden, maar je voelt dat je niet welkom bent.’ Dit geldt zeker voor moslims. In een enquête van Le Monde na de aanslagen gaf een meerderheid van de ondervraagden aan te vinden dat de islam niet verenigbaar is met de Franse waarden. 
In een cité als Trappes, waar Ba is opgegroeid, keren sommige moslims zich van de Franse samenleving af: vrouwen verdwijnen onder de zwarte abaya; mannen gaan van school om via internet islamitische kleding te verkopen. Ba draagt geen hoofddoek, 
maar ze is wel strikter geworden in haar geloof nu ze het moeilijk heeft, alleen en zonder baan. Als iemand zich terugtrekt, zegt zij, is dat vaak een reactie op uitsluiting.

    ‘Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat’

    Bij de verkiezingen van 2012 gingen negen van de 570 zetels in de Assemblée Nationale naar niet-blanke kandidaten – een toename van acht zetels. Frankrijk blijft een klassenmaatschappij, waar sociaal kapitaal het allerbelangrijkste is. Het land wordt geregeerd door de énarques – afgestudeerden aan de prestigieuze École Nationale d’Administration in Straatsburg. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet is een diploma van een eliteschool de enige garantie om een goede baan te vinden in een land dat kampt met economische stilstand. Dit geldt ook in Amerika steeds meer, maar in de VS integreren immigranten veel makkelijker dan in Frankrijk. Wat beide landen gemeen hebben – en wat ze uniek maakt – is een nationale identiteit die niet alleen gebaseerd is op geschiedenis, bloed, geboortegrond en cultuur, maar ook op de idee van de volkssoevereiniteit. In Frankrijk wordt dit ‘republicanisme’ genoemd, en in theorie geldt dit begrip voor het hele land. In de praktijk hangt je deelname aan de Franse republiek niet alleen af van democratie en secularisme, maar ook van wat je draagt, wat je eet en hoe je je kinderen noemt.

    In 2007 werd er een nationaal immigratiemuseum geopend in het Palais de la Porte Dorée, een art-decopaleis aan de oostrand van Parijs dat in 1931 voor een koloniale expositie werd gebouwd. Volgens de traditie hoort een nationaal museum in Frankrijk geopend te worden door de president, maar Nicolas Sarkozy, die immigratie tot speerpunt van zijn verkiezingscampagne had gemaakt, weigerde te komen opdraven. Het Musée de l’Histoire de l’Immigration opende zijn deuren zonder officiële ceremonie. (Pas zeven jaar later, in december 2014, verrichtte de socialist Hollande de inauguratieplechtigheid.) Toen ik in februari in het museum was, zag ik er maar weinig bezoekers. Veel Parijzenaars weten niet eens dat het bestaat.

    ‘Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip.’ © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    ‘Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip.’ © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    Een gemiste kans, want de tentoonstelling vertelt een rijk verhaal, dat teruggaat naar het midden van de negentiende eeuw, toen Frankrijk nieuwe immigranten ontving terwijl de rest van Europa die juist creëerde. Nog in de jaren dertig van de vorige eeuw had Frankrijk het grootste aantal immigranten per hoofd van de bevolking ter wereld. De bordjes in het museum bieden historische geruststelling: ‘De figuur van de niet-assimileerbare vreemdeling komt mee op elke immigrantengolf. Van de Italianen aan het eind van de negentiende eeuw tot de Afrikanen van vandaag, de stereotypen veranderen nauwelijks: immigranten zijn met te veel, ze brengen ziekten mee, ze kunnen in de criminaliteit belanden, het zijn vreemde elementen binnen de eigen natie. Deze angst voor vreemdelingen, die in tijden van crisis telkens weer de kop opsteekt, wordt vaak gecombineerd met antisemitisme en gevoed door racisme.’

    Het moeilijkst verteerbare aspect van het Franse koloniale verleden is Algerije. Dat land werd aan het begin van de negentiende eeuw door Europeanen gekoloniseerd. Het werd onderdeel van het Franse rijk en dat bleef het tot de onafhankelijkheid in 1962, na een oorlog van acht jaar waarin zevenduizend mensen omkwamen. Het is nauwelijks te overschatten hoe zwaar dit verhaal, dat zo dichtbij en zo treurig is, vervolgens werd onderdrukt. La battaglia di Algeri (De slag om Algiers), het neorealistische meesterwerk van filmmaker Gillo Pontecorvo over opstand, onderdrukking, terrorisme en marteling in Algiers, was in Frankrijk na zijn verschijning in 1966 vijf jaar lang verboden en is er nog steeds taboe. Op 17 oktober 1961 doodde de Franse politie bij een demonstratie voor de onafhankelijkheid van Algerije in Parijs tweehonderd mensen, onder meer door ze van de bruggen af in de Seine te gooien. Het heeft veertig jaar geduurd voordat Frankrijk erkende dat deze slachting had plaatsgevonden, en het incident wordt op scholen nog steeds nauwelijks vermeld. Jonge mensen in de banlieues vertelden me dat de koloniale geschiedenis op scholen slechts vluchtig wordt behandeld en dat er nauwelijks literatuur uit voormalige koloniën wordt gelezen.

    Geschiedenis

    Volgens Andrew Hussey, een Brits onderzoeker van het London University Institute in Parijs, vormt de onrust in de banlieues – telkens terugkerende rellen, autobranden, botsingen met de politie – een nieuw front in de lange oorlog tussen Frankrijk en zijn 
Arabieren, met name Algerijnen. Het doel van het geweld is niet hervorming of revolutie, maar wraak. ‘Het leven van de jongeren in de banlieues draait om wiet, meisjes, gangsters en islam,’ zegt hij. ‘Ze hebben geen historisch besef, zijn zich niet bewust van waar in Noord-Afrika ze vandaan komen, kennen alleen kleine beetjes Arabisch die ze niet begrijpen, stukjes islam die hun niet echt iets zeggen.’

    In zijn boek The French Intifada beschrijft Hussey het conflict in zulke harde bewoordingen dat zijn Franse uitgever weigerde er een Franse vertaling van uit te geven. Zijn onderzoek in de banlieues is minder genuanceerd dan dat van zijn collega-politicoloog Gilles Kepel (als ik tegenover inwoners van de banlieues de term ‘Franse Intifada’ liet vallen, werd er ongelovig gelachen), maar het is levendig en uit de eerste hand. Het boek begint met een ooggetuigenverslag van een acht uur durende ondergrondse veldslag op Gare du Nord, in 2007, tussen politieagenten en banlieuejongeren die schreeuwen: ‘Na’al abouk la France!’, Arabisch voor ‘Fuck Frankrijk!’ Hussey schrijft: ‘Deze kreet – eigenlijk meer een vervloeking – heeft niets te maken met de Franse traditie van volksopstanden.’ Maar hij heeft het in zijn portret niet over de banlieuebewoners die zowel moslim als Frans proberen te zijn – mensen als Fouad Ben Ahmed.

    Op een avond in een Thais restaurant in de voorstad Aulnay-sous-Bois zegt Ben Ahmed tegen me: ‘Ik ken mijn eigen geschiedenis nauwelijks. Daar wordt geen les over gegeven, en omdat ze zo pijnlijk is, hebben mijn moeder en mijn grootvader me er nooit over verteld.’ Hij kent wel de hoofdlijnen van de Frans-Algerijnse oorlog, en vertelt over pieds noirs – Franse kolonisten die Algerije als hun vaderland beschouwden en dat land na de onafhankelijkheid moesten ontvluchten – en harkis, Algerijnse moslims die het Franse gezag steunden en door andere Algerijnen werden verketterd. Aan het eind van de oorlog maakte geen van beide landen ruimte voor burgers met conflicterende loyaliteiten en identiteiten: Algerije werd een Arabische staat en Frankrijk dekte zijn wonden toe door te doen alsof het conflict nooit had plaatsgevonden. Wederzijdse schuldgevoelens en verwijten hebben verhinderd dat de pieds noirs, harkis en Algerijnen die om economische redenen naar Frankrijk immigreerden met hun gedeelde verleden in het reine kwamen. Ben Ahmed: ‘En aangezien noch onze ouders noch de overheid ons over onze geschiedenis vertellen, kunnen andere mensen ons nu leugens verkopen om dingen te rechtvaardigen die niet te rechtvaardigen zijn.’ Hij doelt op de jihadisten.

    Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij 
of zijn vrienden

    Ben Ahmeds grootvader was een Algerijn die dienst nam bij het Franse leger en in 1958 naar de Parijse banlieues immigreerde. De meeste immigranten uit die periode kwamen naar Frankrijk om te werken – als fabrieksarbeiders, of straatvegers – en woonden in krotten. Hun aanwezigheid zou maar tijdelijk zijn. Toen duidelijk werd dat de meeste immigranten niet naar huis zouden terugkeren, werden de krottenwijken opgeruimd en de arbeiders gehuisvest in de cités. Ben Ahmeds grootvader kon zich, dankzij zijn inkomen als militair, een klein huis in het 93ste veroorloven. Ben Ahmeds moeder werkte als secretaresse in een metaalbedrijf; zijn vader verdween toen Fouad twee was. Hij groeide in betrekkelijke welstand op in het huis van zijn grootouders, tot 1989, toen zij dat huis verkochten. Ben Ahmed was toen dertien.

    Zijn moeder zat in die tijd zonder werk en moest met haar zoon verhuizen naar l’Abreuvoir, de cité in Bobigny. Bij de bouw in de jaren zestig werd l’Abreuvoir gezien als een innovatief ontwerp, met zijn golvende, veertien verdiepingen hoge flatgebouwen en ronde groene torens. Maar in de jaren negentig was het een centrum voor heroïnehandel geworden. Op een keer kwam Ben Ahmed de benedenhal van zijn gebouw binnen en zag hij een man staan met een zak drugs en een pak bankbiljetten. ‘Donder op, of ik maak je af,’ zei de man. Ben Ahmed ging ervandoor.

    Op school deed hij niet erg zijn best en hij bleef verschillende keren zitten, maar zijn moeder dwong hem om door te gaan, want als hij van school ging zou haar bijstandsuitkering omlaag gaan. Hij droeg een steentje bij aan hun huishouden door wasmachines te bezorgen bij appartementen in Parijs. Hij had vrienden die in drugs handelden en zelf zou Ben Ahmed misschien ook de criminaliteit in zijn gegaan, als hij niet Carolina had leren kennen, de dochter van een politiek vluchteling uit Chili. Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij 
of zijn vrienden. Met hulp van Carolina maakte hij zijn middelbare school af, haalde aan de hogeschool zijn diploma maatschappelijk werk en werd jongerenwerker.

    Een van de jongeren die Ben Ahmed probeert te helpen, is J.-P., een losgeslagen jongen uit Salvador Allende, ook een cité in Bobigny. Ben Ahmed is twaalf jaar ouder dan hij en kent J.-P. al bijna sinds zijn geboorte. (‘Bobigny is net een dorp,’ aldus J.-P.) J.-P. is een métis: zijn vader is Arabisch, zijn moeder blank. Zijn grootvader is in 1984 uit Algerije gekomen en als straatveger gaan werken. Zijn vader hoort bij ‘een ontwortelde generatie met hun kont op twee stoelen’, zoals J.-P. het noemt – ongewenst zowel in hun oude als in hun nieuwe land. J.-P.’s vader leeft nog, maar de meeste van zijn vaders vrienden zijn jong gestorven, door geweld, drugs of aids.

    J.-P. groeide op als getatoeëerde fan van Scarface en Tupac Shakur. Op zijn veertiende werd hij van school gestuurd en begon hij drugs te verkopen en te stelen. ‘Tegenover mensen die met geweld de wet willen handhaven, moet je zelf het meest gewelddadig zijn als je het laatste woord wilt hebben,’ zegt J.-P. Hij ziet zichzelf niet als slachtoffer. ‘Ik was een klein klootzakje. Ik heb er zelf voor gekozen om daarin terecht te komen. Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat.’

    Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en social
    Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en social

    We rijden in Ben Ahmeds Citroën door het 93ste. J.-P., een jongen met een lichte huid, gescheurde spijkerbroek en slechte tanden, zit achterin. Hij doet geen moment zijn oortelefoons uit en trekt zich geregeld terug in een soort roes, om daar dan weer een en al concentratie en welbespraaktheid uit tevoorschijn te komen. Hij heeft sinds 2010 drie keer in de gevangenis gezeten. Zijn eerste veroordeling, zegt hij, was voor ‘zo’n beetje alles – wapenbezit, geweldpleging, drugs’.

    Ben Ahmed vertelt dat J.-P. en hij een tienermeisje hebben gekend van wie het vriendje een gangster was. Ben Ahmed had het meisje aangeraden om voorzichtig te zijn, en toen dit haar vriend ter ore kwam, sprak die Ben Ahmed erop aan: ‘Wat the fuck wil jij eigenlijk?’ De volgende avond vroeg Ben Ahmed een kennis uit de cité van de vriend om samen met een paar anderen naar hem toe te gaan en de man tot kalmte te brengen. Toen de vriend de groep zag aankomen, trok hij een pistool en vuurde waarschuwingsschoten af.

    ‘Soms is het moeilijk – als je bepaalde mensen wilt helpen en dan in een lastige situatie terechtkomt,’ vertelt Ben Ahmed me.

    ‘Twee jaar later ben ik nog met dat meisje naar bed geweest,’ zegt J.-P. lachend. ‘Diezelfde kerel schoot me in mijn been.’

    ‘Wat soms ook moeilijk is voor iemand als ik, is om J.-P. te helpen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Soms heb je het idee dat mensen niet klaar zijn om geholpen te worden.’

    ‘Hé, je wordt vervelend,’ zegt J.-P. ‘Geef me 100.000 euro. Dát zou pas helpen.’ Hij klaagt dat zijn maag rammelt. We zetten hem af bij een Senegalese cafetaria.

    ‘Je bent heel intelligent, maar er mankeert iets aan je hoofd,’ zegt Ben Ahmed tegen hem.

    ‘Ik hou van mijn leven,’ antwoordt J.-P. ‘Het is nooit te laat om te veranderen.’ Hij loopt weg, een beetje mank.

    ‘Ik ben bang dat het slecht met hem afloopt,’ zegt Ben Ahmed.

    Secularisme

    In 2004 nam het Franse parlement een wet aan die religieuze symbolen op openbare scholen verbood, als reactie op moslimmeisjes die met een hoofddoek op school kwamen. De wet was een bevestiging van het eeuwenoude Franse concept van de laïcité, secularisme, waarin de neutraliteit van de staat tegenover religie is verankerd en dat de religie uit het openbare domein moet weren. (In Amerika was het doel van het secularisme vrijwel het omgekeerde: daar werd het de staat verboden zich met religie te bemoeien.) Maar veel Franse moslims vatten het verbod op als een uiting van ongerechtvaardigde vijandigheid. Sommigen zeiden tegen me dat de wet een uitzondering maakt voor het joodse keppeltje, al is dat niet waar.

    ‘De school is een heilige plek in de republikeinse 
leer – het is de kerk van de republiek,’ zegt Vincent Martigny, politiek wetenschapper op de École Polytechnique bij Parijs. ‘Een individu, en zeker een kind, wordt op school een burger, wat een hogere vorm is van het individu.’

    Martigny merkt op dat ondanks de strikt republikeinse opvattingen in Frankrijk de overheid wel degelijk steun geeft aan culturele diversiteit – in de film, op plaatselijke festivals. Maar in een tijdperk van onzekerheid lijdt Frankrijk aan ‘morele paniekaanvallen’, zoals hij het noemt. In een enquête van dagblad Le Monde gaf onlangs 42 procent van de ondervraagden aan zich niet meer thuis te voelen in Frankrijk.

    Na de _Charlie_-moorden werden tientallen moskeeën in heel Frankrijk bekrast of beklad en sommige zelfs beschoten. Gesluierde meisjes en vrouwen werden lastiggevallen. Enkele Franse moslims klaagden dat de Franse autoriteiten wel gewapende militairen stuurden om joodse instellingen te bewaken, maar dat islamitische instellingen aanvankelijk geen bescherming kregen. Die klacht klopte wel, maar ging voorbij aan belangrijke verschillen in omvang en aard van de dreiging: joden maken minder dan 1 procent van de Franse bevolking uit, maar zijn slachtoffer van de helft van de haatmisdrijven in het land, en in de afgelopen jaren zijn ze herhaaldelijk doelwit geweest van dodelijk geweld.

    Op 8 januari 2015 werd er in het hele land een minuut stilte gehouden voor de _Charlie_-slachtoffers. Er werden minstens honderd incidenten gemeld van leerlingen op scholen in de banlieues die weigerden die stilte in acht te nemen. Mensen in het 93ste legden uit dat sommige opstandige jongeren alleen maar dwars wilden doen. Maar de publieke opinie was diep verontwaardigd. Sarkozy, die in zijn achterhoofd al bezig was met zijn volgende gooi naar het presidentschap in 2017, eiste dat scholen niet langer halal eten aanboden – als moslimkinderen geen varkensvlees wilden eten, dan aten ze maar niet.

    Hélène Kuhnmunch is lerares geschiedenis op een school voor middelbaar beroepsonderwijs in Colombes, een banlieue ten noordwesten van Parijs. De beroepsopleidingen worden verafschuwd, zegt ze, als instrumenten van ’uitsluiting van het systeem’, en ze beschikken over weinig geld. Kuhnmunch geeft al vijftien jaar les aan banlieuejongeren en ze houdt van hun gevoel voor humor en hun energie. In 2008 maakte ze samen met een groep immigrantenjongeren een documentaire over de Frans-Algerijnse geschiedenis die besloten lag in de families van de leerlingen. Eén jongen ontdekte dat zijn vader een van de Algerijnen was geweest die door de politie in de Seine waren gegooid. (Hij had het overleefd.)

    De lerares zegt dat haar leerlingen defensief hadden gereageerd op de _Charlie_-aanslagen, en ze voegt eraan toe: ‘Dit was niet nieuw, dit gevoel dat ze altijd weer worden aangesproken op hun afkomst en religie, dat ze worden beledigd.’ Kuhnmunch, die in Parijs woont, is niet naar de mars voor de eenheid op de Place de la République, gegaan, omdat ze wist ‘dat de banlieues daar niet zouden zijn’. Ze besteedde die dag aan het verzamelen van materiaal voor een les over de aanslagen.

    Die maandag op school stak een moslim zijn hand op. ‘Madame, die cartoons – ik was ertegen,’ zei hij. ‘Maar daarvoor schiet je geen mensen dood.’ Kuhnmunch vond het verdrietig dat hij blijkbaar dacht dat hij haar gerust moest stellen. Anderen herhaalden de complottheorieën die de ronde deden op sociale media, ook een dromerige, geestige jongen die een van haar liefste leerlingen was, maar die nu afwerend en boos deed. Kuhnmunch bracht het gesprek op de geschiedenis van het secularisme. In de banlieues is laïcité synoniem geworden met atheïsme en islamofobie. Kuhnmunch vertelde haar leerlingen over het Edict van Nantes in 1598, toen koning Hendrik IV voor het eerst rechten verleende aan de Franse protestanten. De klas discussieerde over wetten die aan het eind van de negentiende eeuw waren aangenomen, en waarmee godsdienstonderwijs op openbare scholen werd afgeschaft. Kuhnmunch liet haar leerlingen antiklerikale cartoons uit die tijd zien en samen analyseerden ze de tekeningen uit Charlie Hebdo (zij het niet die over Mohammed) in hun politieke context. ‘Ze realiseerden zich dat in de kwestie van de katholieke religie dezelfde argumenten werden gebruikt als in 2004 rond de hoofddoekkwestie,’ vertelt ze. ‘En daar keken ze van op – dat dit niet alleen maar tegen de islam gericht was, dat het voortkomt uit een traditie.’

    J.-P. biedt aan om me mee te nemen naar een moskee in Bobigny. Zelf gaat hij daar niet vaak heen; zijn verbondenheid met de islam heeft minder te maken met geloof dan met culturele identiteit. Op een 
vrijdagmiddag verschijnt hij bij het betonnen winkel
centrum in het centrum van de wijk, in een glanzende zwarte jas met capuchon, een lang zwart gewaad over een grijze joggingbroek, groen met gele sneakers en oortelefoons – de uitmonstering van de religieuze gangster. We lopen over een voetpad dat wegleidt van de socialewoningbouwblokken, onder spoorbanen door, omhoog naar een armzalige open plek naast een terrein waar vrachtcontainers staan weg te roesten. Er staat een dubbele oplegger naast een witte tent. Dit is de centrale moskee van Bobigny, een stad van vijftigduizend mensen. (Er zijn al jaren plannen voor een nieuwe moskee, maar die is nog steeds niet gebouwd.) Er ontstaat een opstopping op de plek waar mannen de deur van een van de opleggers binnen willen gaan. Vrouwen zijn nergens te zien, maar die zitten waarschijnlijk in de andere oplegger. Bij de ingang liggen de schoenen hoog opgetast. We persen ons de gebedsruimte in, die hoogstens tweeënhalve meter hoog is en zoeken een plek achterin.

    Minstens tweehonderd mannen liggen geknield, met hun hoofd voorover op het vloerkleed. Een paar kilometer hiervandaan zullen de schitterende, echoënde kerken van Parijs komende zondag vrijwel leeg zijn. De imam, een oudere Tunesiër die nauwelijks Frans spreekt, gaat voor in het slotgebed. J.-P. houdt zijn oortelefoons in.

    Na afloop, in het gedrang bij de uitgang – oude Noord-Afrikaanse mannen, zwarte jongemannen in straattenue, fundamentalisten met lange baard in enkellang gewaad – stelt J.-P. me voor aan een paar vrienden. ‘Allahu akbar,’ roepen ze verrast, bij wijze van welkom, maar kennelijk zijn ze nog meer verrast om J.-P. hier te zien. Hij zegt tegen mij: ‘Niet iedereen hoeft op dezelfde manier moslim te zijn. Er zijn 62 benaderingen van de islam.’

    Ik noem er een paar op waar ik iets over weet, zoals soefisme en salafisme. ‘Wij zijn allemaal salafisten,’ zegt J.-P. ‘We willen allemaal leven als de metgezellen van de Profeet in de zevende eeuw.’

    De salafisten die ik ken zijn fanatieke asceten – niet drinken, niet roken, geen vrije seks. J.-P. houdt wel van een drankje en is van plan zich vanavond eens flink te laten vollopen. Zijn opvatting van het salafisme lijkt niet veel meer dan de hoop om een betere moslim te worden.

    Ongewenste kinderen

    Eigenlijk voelt hij er weinig voor om me mee te nemen naar een cité – hij heeft daar te veel vijanden. In plaats van me rond te leiden in het wooncomplex waar hij zelf woont, neemt hij me mee naar de andere kant van de straat, naar een groot blok woontorens dat Chemin Vert heet. Ook hier kent J.-P. iedereen. ‘Dit is een groot rapper,’ zegt hij over een man die er rondhangt, en die knikt lusteloos. Voor een toren zitten twee jonge Arabieren; volgens J.-P. is een van hen een drugsdealer. De andere roept, als hij hoort dat ik uit Amerika kom: ‘Is het waar dat Tupac dood is?’ Een groep bebaarde mannen bij de moskee groet ons. J.-P. stelt me aan een van hen voor, en grapt dat de man binnenkort misschien wel naar Syrië afreist. De man lacht wat ongemakkelijk.

    In het uitgestorven hart van Chemin Vert, op een plein tussen acht woontorens van twintig verdiepingen, staat J.-P. stil. ‘Zie je?’ zegt hij, ‘Het sluit je in.’ De cité voelt als de buitenmuren van een gevangenis. Zelfs het brutalistische Bobigny is niet meer te zien. J.-P. staart in het niets. De lucht is zwaar van regen die niet wil vallen. ‘Er is helemaal niets voor jongeren hier,’ zegt hij. ‘Ik heb nog nooit de Mona Lisa gezien. Die wil ik graag zien voor ik doodga.’

    Midden in de cité bestellen we onze lunch aan de counter van een fastfoodtent: een schep gebakken vlees met gesmolten kaas. J.-P., die nog steeds zijn oortelefoons in heeft, vraagt aan de man achter de counter hoe die over Islamitische Staat denkt. De man zegt dat hij het maar slecht vindt. J.-P. is het met hem eens, maar hij vindt wel dat moslims worden onderdrukt. Als moslims in Syrië of Irak willen gaan vechten, is dat hun zaak. Frankrijk is iets anders. Als iemand Frankrijk kwaad doet, doet hij J.-P. ook kwaad.

    ‘Frankrijk is onze moeder,’ zegt J.-P. terwijl hij zit te eten. Zijn eigen moeder is een blanke Française. ‘Je vader, die geeft je meer – de islam. Maar je moeder blijft toch je moeder. En wat er ook gebeurt, je blijft 
je hele leven van haar houden. Ook al heeft ze niet goed voor je gezorgd.’

    Ook andere moslims noemen zichzelf de ongewenste kinderen van de republiek. Journaliste Widad Ketfi: ‘Als je kinderen hebt voor wie je niet zorgt, komt er een dag waarop je tegen ze zegt: “Doe dit”, en dan zullen zij zeggen: “Bekijk het maar. Je bent mijn vader niet.”’ Soms strijden Franse moslims om de liefde van hun vader met zijn andere, bemindere kinderen, de joden. Of anders gaan ze op zoek naar een andere vader.

    ‘De islam geeft soms de warmte, liefde en aandacht die de republiek niet geeft,’ zegt J.-P. Hij moet er zelf om lachen. ‘Want ik – ik ben verrot.’

    Er heerste in Frankrijk en daarbuiten het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    Er heerste in Frankrijk en daarbuiten het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    Toen ik J.-P. leerde kennen was hij op zoek naar werk. Uiteindelijk hielp Ben Ahmed hem aan een baan als huisschilder bij de gemeente Bondy. Maar J.-P.’s leven is niet bepaald stabiel. Er hangt hem een rechtszaak boven het hoofd – hij moet terechtstaan voor een gewapende overval. Hij zegt dat hij niet bang is dat hij weer naar de gevangenis moet, want hij is ‘vierhonderd procent onschuldig’. De eerste keer dat hij in de gevangenis zat, vertelt hij, was in Villepinte, vlak bij het vliegveld. Een van zijn medegevangenen daar was Amedy Coulibaly.

    Coulibaly, de Franse zoon van Malinese ouders, was opgegroeid in een cité ten zuiden van Parijs. Op zijn vijftiende begon hij een carrière in gewapende overvallen, en tijdens een van de periodes dat hij in de gevangenis zat, in 2006, leerde hij een pas bekeerde islamist kennen, Chérif Kouachi. De beide 23-jarigen vonden een mentor in een oudere jihadist, Djamel Beghal, die in Algerije was geboren en radicale islamistische opvattingen mee had gebracht toen hij in 1987 naar Frankrijk was verhuisd. Beghal was in 2000 in Afghanistan geweest en actief geworden voor Al-Qaida; het jaar daarop werd hij in Frankrijk aangeklaagd wegens het beramen van een bomaanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs. Vanuit een isoleercel in de gevangenis slaagde hij erin contact te onderhouden met Coulibaly en Kouachi. Op een bepaald moment maakte Coulibaly met een naar binnen gesmokkelde camera filmopnamen van de afschuwelijke omstandigheden in de gevangenis. De beelden verschenen op de Franse tv.

    De belangrijkste autoriteit op het gebied van jihadisme in Franse gevangenissen is een Iraanse socioloog in Parijs, Farhad Khosrokhavar. Voor zijn boek Radicalisation, dat vlak voor de aanslagen van januari vorig jaar uitkwam, bracht hij drie jaar lang drie dagen per week door in Franse gevangenissen, en zo ontwikkelde hij een theorie over de bekering van gevangenen. Het gebeurt in fasen. De meeste nieuwelingen groeien op zonder vader en zonder enige religieuze kennis – ze kennen alleen het gevaar en de vervreemding in de banlieues. Ze vervallen tot de misdaad en komen in de gevangenis terecht. J.-P. beschrijft de denkwijze van sommige medegevangenen zo: ‘Dat ik in de gevangenis zit, is de schuld van de staat – die heeft mij gedwongen dit leven te leiden.’ Gevangenen kijken vaak naar het nieuws op tv en zien oorlogsgeweld en dood in moslimlanden. Iemand als Coulibaly, zegt J.-P., gaat ‘dit allemaal door elkaar husselen’, bouwt zo zijn eigen ideologie op en ‘loopt tegen een slecht figuur op die hem beïnvloedt’. Een voormalige gevangene die ik in het 93ste leerde kennen, legde me uit dat islamisten zich richten op de fragiles, psychisch zwakke medegevangenen die nooit bezoek krijgen. Die vinden zo troost, een nieuwe identiteit en een politieke visie die de sociale rangorde waarin zij onderaan staan, omkeert.

    Volgens de analyse van Khosrokhavar worden deze gevangenen ‘opnieuw geboren’: ‘Via het jihadisme keren ze de minachting van de anderen om (…) Als ze jihadist zijn, worden anderen bang voor ze. Een van hen zei tegen me: “Als ze eenmaal bang voor je zijn, kunnen ze niet meer minachtend tegen je doen.”’ Na hun vrijlating gaan deze bekeerlingen op ‘initiatiereis’ naar het Midden-Oosten of Noord-Afrika, en daar leren ze extreem geweld acceptabel te vinden. Ze gaan denken ‘dat zij ergens anders thuishoren, bij de islamitische gemeenschap en niet bij de Franse samenleving’.

    Khosrokhavar schat dat wel 60 procent van de 64.000 gevangenen in Frankrijk moslim is. (Naar schatting maken moslims maar 8 procent van de totale Franse bevolking uit.) Voor deze gevangenen zijn nog geen tweehonderd gevangenisimams beschikbaar, vaak oudere immigranten die geen 
idee hebben van het leven in de banlieues.

    Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet

    Ooit had Frankrijk veel islamistische moskeeën, maar de Franse inlichtingendienst heeft gezorgd dat radicale imams verdwenen en nu zijn de moskeeën van het land strikt apolitiek. Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet. Bij het bekeringsproces zijn zelden meer dan drie mensen betrokken, om infiltratie te voorkomen. De Franse inlichtingendienst schat het aantal verdachte jihadisten op drieduizend, in een land van 65 miljoen mensen.

    Radicalisering is dus geen massaal verschijnsel in de banlieues. ‘Er zijn geen kweekvijvers voor jihadisten,’ zegt Jean-Pierre Filiu, arabist aan het elitaire Parijse instituut Sciences Po. Jihadist worden is een enorme stap, waarvoor je jezelf moet afzonderen, met je 
achtergrond moet breken en niet-moslims moet ontmenselijken.

    Na zijn vrijlating in 2007 leek het erop dat Coulibaly op het rechte pad wilde blijven. Hij vond een tijdelijke baan bij een Coca-Cola-fabriek, trouwde met zijn vriendin Hayat Boumeddiene middels een islamitische ceremonie en had zelfs een ontmoeting met president Sarkozy, tijdens een evenement ter promotie van werkgelegenheid voor jongeren. Maar Coulibaly 
leidde een dubbelleven. Hij brak met zijn ouders, 
die hij als ongelovigen beschouwde. Hij bleef contact onderhouden met Beghal en Kouachi en had na hun vrijlating een ontmoeting met de twee in Zuid-Frankrijk, waarbij hij ze van wapens en geld voorzag. ‘Als jihadisten ervandoor gaan,’ zegt Filiu, ‘gaan ze niet naar de banlieues. Ze gaan naar het platteland, naar een plek waar tien kilometer in de omtrek geen moslim te bekennen is.’

    Transformatie

    In 2010 arresteerde de Franse politie Coulibaly opnieuw en vond een voorraad explosieven in zijn appartement. Hij werd veroordeeld omdat hij plannen had gemaakt om een islamist uit de gevangenis te bevrijden die op verschillende plaatsen in Frankrijk bomaanslagen had georganiseerd, waarbij acht 
mensen waren omgekomen.

    Coulibaly werd naar 
de gevangenis in Villepinte gestuurd, waar op dat moment ook J.-P. zat. Ze keken samen tv en speelden tegen elkaar op de PlayStation. ‘Hij was aardig, lachte vaak, was prettig in de omgang,’ herinnert J.-P. zich. ‘Ik heb hem nooit iemand zien lastigvallen. Hij preekte nooit. Als iemand me had verteld dat deze persoon in staat was te doen wat er is gebeurd, zou ik daar mijn geld niet op hebben gezet.’ Coulibaly werd in maart 2014 vervroegd vrijgelaten. Hij verdween van de politieradar, tot hij vlak na het bloedbad bij Charlie Hebdo weer opdook als medeplichtige van de Kouachi’s en zelfverklaard strijder van Islamitische Staat.

    Meer dan de gebroeders Kouachi werd Coulibaly, die bij de bestorming van de koosjere supermarkt door de Franse politie werd doodgeschoten, voorwerp van fascinatie in de banlieues. De Kouachi’s waren als wezen opgevoed in een instelling in de provincie en radicaliseerden toen ze begin twintig waren, na de invasie van Irak, onder invloed van ronselaars in de noordoostelijke uithoek van Parijs. Bij de Kouachi’s leken alle voorwaarden voor een bestemming als jihadist aanwezig. Coulibaly was als zoon van een fabrieksarbeider door zijn beide ouders opgevoed in een cité ten zuiden van Parijs. En hij was zwart. 
De bekende jihadisten van Frankrijk waren tot dan toe Arabieren geweest, van Zacarias Moussaoui, de gedwarsboomde ‘twintigste kaper’ van 11 september, tot Mohammed Merah, die in 2012 in Toulouse drie joodse schoolkinderen, een rabbijn en drie paratroepers vermoordde. Een jongeman van Malinese afkomst vertelde me dat toen Coulibaly’s gezicht op de Franse tv verscheen, voor een zelfgemaakte IS-vlag, een vriend van zijn moeder uitriep: ‘O, nee – nu zullen ze óns de schuld geven. Daarom zeg ik je altijd dat je niet met Arabieren moet omgaan!’

    Mehdi Meklat en Badroudine Abdallah van Le Bondy Blog waren zo geïntrigeerd door Coulibaly, dat ze overwogen een roman over hem te schrijven. ‘Hij zou zo iemand kunnen zijn die we kennen,’ zegt Meklat. En toch had Coulibaly zich de rol van een groot man aangemeten. Nadat hij bij de koosjere supermarkt drie klanten en een medewerker had gedood, stelde hij zichzelf rustig aan zijn vijftien gijzelaars voor, met de woorden: ‘Je suis Amedy Coulibaly. Ik ben Malinees en moslim. Ik hoor bij Islamitische Staat.’ (Abdallah hoorde er de griezelige echo in van ‘Je suis Charlie’.)

    ‘De andere Fransen’ in de voorstad Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    ‘De andere Fransen’ in de voorstad Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    In video’s die voor de aanslag zijn opgenomen en na zijn dood gepost, wisselt Coulibaly telkens van kleding, alsof hij zijn transformatie wil onderstrepen. In de ene draagt hij het leren jack van een bendelid, in een volgende een militair kogelvrij vest, in een derde een tulband en het witte gewaad van de martelaar. In alle opnamen staat er een automatisch geweer naast hem. ‘Het was alsof hij voor zichzelf niet genoeg bestond,’ zegt Abdallah. ‘Het was niet genoeg om een gewone jongen te zijn.’

    Vanuit de supermarkt legde Coulibaly contact met 
de media, waarbij hij de politie te spreken vroeg en zijn trouw beleed aan IS. Tijdens de gijzeling rechtvaardigde hij tegenover zijn gijzelaars op boze toon zijn daden door te wijzen op het gevangenzetten van moslims, de vijandigheid tegenover vrouwen die de hijab droegen, de houding van Israël tegenover de Palestijnen en het Franse militaire optreden in Mali en Syrië. Waarom konden de Franse burgers wel een mars houden na het _Charlie_-bloedbad, wilde hij weten, maar hadden ze nooit gedemonstreerd voor vervolgde moslims? ‘Ík ben in Frankrijk geboren,’ verklaarde hij.

    Abdallah en Meklat wijzen erop dat in 2000, tijdens een gewapende roofoverval, de politie een goede vriend van Coulibaly voor zijn ogen heeft doodgeschoten. Met andere woorden, Coulibaly was een fragile. ‘Het was niet moeilijk hem zover te krijgen dat hij tegen de Franse samenleving ten strijde trok,’ zegt Abdallah, want Frankrijk had hem al afgewezen. Volgens deze verklaring valt er een redelijk directe lijn te trekken tussen Coulibaly’s leven in de Parijse voorsteden en het terrorisme. Maar dat verklaart niet waarom 
bijna geen enkele andere banlieusard – ook niet de criminelen die grotere vernederingen hebben moeten verduren – een massamoord op schoolkinderen, joden of cartoonisten heeft begaan. Zo is de maatschappelijke verklaring die in Frankrijk en in de 
VS opgeld doet bij links, vreemd spiegelbeeldig aan 
de rechtse neiging om een amalgame te maken – terroristen over één kam te scheren met alle moslims. Beide zienswijzen suggereren dat een dergelijke 
misdaad voor een groot deel toe te schrijven valt aan de identiteit van de dader, of dat nu een sociale of een religieuze identiteit is. Dit is niet alleen beledigend voor de overgrote meerderheid van de Franse moslims, maar bovendien ziet deze analyse Coulibaly niet als individu. En ze gaat voorbij aan het feit dat hij een bepaalde overtuiging had aangenomen. In een van zijn video’s beschrijft Coulibaly zijn motieven in de absolute bewoordingen die bij een ideologie horen: ‘Wat wij doen is volkomen legitiem, gezien wat jullie doen. Het is wraak. Jullie vallen het kalifaat aan, jullie vallen Islamitische Staat aan? Dan vallen wij jullie aan. Jullie zijn degenen die moorden. Waarom, omdat we de sharia naleven? Zelfs in ons eigen land mogen we de sharia niet naleven. Bepalen jullie soms wat er in de wereld gebeurt?’

    Een andere jongere die Ben Ahmed vroeger heeft geprobeerd te helpen, was Stéphane. Hij kwam uit een katholieke Haïtiaanse familie en groeide op in een cité in Bobigny, vlak bij zijn vriend J.-P. Toen 
Stéphane dertien was stierf zijn vader, en hij werd 
op school zo onhandelbaar dat hij werd weggestuurd. Hij belandde in de kleine criminaliteit en samen met zijn vrienden dronk hij zichzelf geregeld volkomen bewusteloos.

    Ideologie

    Op zijn zestiende hoorde Stéphane iemand een Koranvers opzeggen, en hij voelde dat de tranen hem in de ogen sprongen. Hij begreep de woorden niet, maar het geluid greep hem aan. De meeste van zijn vrienden waren moslim, en hij besloot zich te bekeren. Hij hield op met drinken en stopte met zijn cursus voor restaurantwerk, waarbij hij varkensvlees moest klaarmaken. Maar het lukte hem nog niet om op het rechte pad te blijven; op zijn negentiende werd hij gearresteerd en hij moest voor achttien maanden de gevangenis in. Daar bad hij vijf keer per dag en bij zijn vrijlating zwoer hij dat hij zijn leven zou beteren. Hij begon een bedrijf dat opblaaskastelen en andere materialen voor kinderfeestjes verhuurde en lette erop dat hij werklozen uit de buurt in dienst nam. Hij zette een groep op die uitstapjes voor jongeren uit de cités organiseerde. Hij trouwde met de nicht van J.-P. en nu hij een inkomen had, verhuisde hij naar een klein huis niet ver van dat van Ben Ahmed.

    Ik spreek Stéphane op een dag in februari. We zitten aan de keukentafel, terwijl zijn vrouw, die zwanger is, tv kijkt. Stéphane heeft een lichte baard en draagt een pyjamabroek en een T-shirt dat strak om zijn gespierde bovenlijf spant.

    Zijn antwoorden zijn kort en bondig, tot ik hem vraag welke rol het leven in de banlieues heeft gespeeld bij de aanslagen van januari.

    ‘Het is niet de buurt of de omgeving die dat veroorzaakt, het zijn de mensen zelf,’ zegt hij. Mannen als Coulibaly ‘denken dat alles in dit aardse leven zinloos is, een voorbijgaande fase. En die ideologie van hen – die krijg je niet doordat je in een banlieue woont. Dat is je geloof.’ Stéphane begrijpt wel dat Coulibaly ‘genoeg had van de onrechtvaardigheid die we hier in Frankrijk hebben’. Maar zelfs al was Coulibaly’s milieu de achtergrond voor zijn acties, het was niet de oorzaak. ‘Hij reageerde – en veel mensen reageren, weet je. Maar de meesten hebben niet zo’n sterk geloof dat ze de daden begaan die hij heeft begaan.’

    Wat houdt ze tegen? vraag ik.

    ‘Angst.’

    Stéphane buigt zich voorover, zijn ogen houden de mijne vast. Hij heeft niet gezegd dat hij Coulibaly’s daden goedkeurt, maar hij heeft ze ook niet regelrecht veroordeeld, zoals alle anderen die ik in het 93ste heb gesproken. Stéphane lijkt te willen zeggen dat wat Coulibaly onderscheidde van al die andere boze moslims in de banlieues, de intensiteit van zijn geloof was.

    ‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering’

    Andrew Hussey, de Britse wetenschapper in Parijs, beschrijft de bedwelmende, mystieke kracht van het jihadisme. ‘Het is geen ideologie die zich bezighoudt met sociale omstandigheden,’ zegt hij. ‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering.’ Hij vergelijkt het met het fascisme uit de jaren dertig. Jihadisme is iets heel anders dan gewone politiek. ‘Met deze ideologie maak je de stap van “ik ben niets” naar “ik zou alles moeten zijn”,’ zegt Hussey. Het jihadisme trekt volgens hem zowel rijke ingewijden zoals Bin Laden, als arme uitgeslotenen zoals Coulibaly. Het is ‘een zwevende ideologie, zoals de cloud – je hoeft er alleen maar in te loggen’.

    Ik vraag Stéphane wat de onrechtvaardigheid was waar Coulibaly op reageerde.

    ‘Onrechtvaardigheid tegenover moslims.’

    Van onrechtvaardigheid tegenover moslims is het voor Stéphane nog maar één stap naar de joden. Zij zijn, gelooft hij, een bevoorrechte gemeenschap in Frankrijk. Ze maken gebruik van hun tragische geschiedenis en het Franse schuldgevoel om macht te verwerven. Hij wijst erop dat er in Drancy, ook een banlieue in het 93ste, een herdenkingsmuseum staat tegenover de cité die het belangrijkste doorgangskamp in Frankrijk was voor joden die naar de concentratiekampen gingen. ‘Maar het bestaan van de slavernij, in Haïti, in Afrika, overal, willen ze niet erkennen,’ zegt hij. De Shoah was een misdaad. ‘Maar waarom wel het een erkennen en niet het ander? Je moet met gelijke maten meten. We zeggen: égalité, fraternité.’

    Joodse gemeenschap

    De misdaad van de slavernij kon niet erkend worden vanwege de enorme rijkdommen die ermee waren vergaard. Frankrijk had geld aan Israël gegeven als compensatie voor het Franse aandeel in de Holocaust – stel je voor wat het zou kosten om de slavernij te vergoeden! Coulibaly heeft zijn doelwit zorgvuldig gekozen, volgens Stéphane: ‘Het was een symbool, waarmee hij wilde zeggen: er is zo veel onrechtvaardigheid hier, richt je niet langer op de bedreigingen tegen één religie.’

    Ik vraag hem waarom Coulibaly zijn woede niet tegen een kerk heeft gericht, aangezien de meeste Fransen katholiek zijn. ‘Omdat Frankrijk niet overheerst wordt door de christenen,’ zegt Stéphane. Volgens hem heeft de piepkleine joodse gemeenschap in Frankrijk de Assemblée Nationale, de media en de banken in haar greep. De premier, Manuel Valls, is getrouwd met een joodse vrouw en volgens Stéphane is dat de reden waarom hij na de aanslagen op televisie verscheen en zei: ‘Frankrijk zonder joden is geen Frankrijk.’ Valls heeft niet gezegd: ‘Frankrijk zonder moslims is geen Frankrijk.’ Stéphane heeft niets dan lof voor Marine Le Pen, de huidige leider van het uiterst rechtse Front National. ‘De echte Fransen, de Français de souche, zij begrijpen dat in Frankrijk nu de joden de dienst uitmaken,’ zegt hij. Ik vraag hem of Le Pen, die bekendstaat om haar anti-immigratiestandpunt, een bedreiging vormt voor de Franse moslims. ‘Als ik Valls zie, denk ik: islamofoob,’ zegt Stéphane. ‘Bij Marine Le Pen denk ik: Puur Frans, wil alles aan de Fransen geven. Snap je?’

    ‘Ook aan jou dus?’

    ‘Aan mij? Ik ben Frans.’ Stéphane laat me zijn identiteitskaart zien. ‘Veel moslims gaan op Marine Le Pen stemmen.’ Ik had dit al eerder gehoord en ook sommige peilingen wijzen erop. ‘Je weet wat ze zeggen, de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.’

    Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd

    Ben Ahmed kent Stéphane al jaren, en hij waardeert het dat die bereid is tijd en geld te besteden aan de jongeren in de cités. Zijn succesvolle bedrijf vormt ook een inspiratiebron voor banlieuebewoners. Maar na de aanslagen van vorig jaar januari ontstond er een verschil van mening tussen hen. Stéphane hield vol dat Charlie Hebdo islamofoob was en Ben Ahmed dacht dat hij daarmee wilde zeggen dat de medewerkers hun lot hadden verdiend. Het meningsverschil maakte Ben Ahmed erg van streek.

    Vorige zomer leidde de strijd in Gaza overal in Frankrijk tot protesten, waarvan sommige gewelddadig 
en expliciet antisemitisch werden, met geweld tegen synagogen en koosjere winkels. Op een dag in augustus reed Ben Ahmed naar huis vanuit het gemeentehuis van Bondy, toen hij iemand hoorde schreeuwen: ‘Vuile jood!’ Hij stopte. Een man met een keppeltje liep weg voor een andere man.

    ‘Vuile klootzak!’ schreeuwde Ahmed naar de man die had gescholden. Het was iemand die hij kende en de man vroeg hem verbaasd: ‘Hé, waarom praat je zo tegen me?’

    ‘Als jij respect betoont aan hem, betoon ik respect aan jou,’ zei Ben Ahmed.

    De antisemiet liep weg. De jood bedankte Ben Ahmed. ‘Mensen maken een amalgame,’ zei hij, waarmee hij bedoelde dat Franse joden in de banlieues geregeld worden vereenzelvigd met Israëli’s.

    ‘Wordt u vaak uitgescholden?’ vroeg Ben Ahmed.

    ‘Nee, dit is de eerste keer. Het komt door de oorlog.’

    ‘Nee, hij is gewoon een klootzak,’ zei Ben Ahmed. ‘Een zichtbare minderheid, dat is alles.’

    Ben Ahmed was al te optimistisch. Er mogen dan zo’n drieduizend potentiële jihadisten in Frankrijk zijn, er zijn veel meer antisemieten, onder wie veel Français de souche. Een generatie geleden leefden geïmmigreerde moslims en joden in goede verstandhouding naast elkaar in de banlieues. Vandaag de dag zijn er weinig joden meer te vinden in de banlieues, en degenen die er zijn proberen hun identiteit zo veel mogelijk te verbergen. Een vriendin van Ben Ahmed vertelde dat haar joodse vrienden hun kinderen verboden om op straat een keppeltje te dragen.

    Het oude antisemitisme van Frans rechts en de nieuwere, door immigratie veroorzaakte spanningen kwamen in 2008 samen, toen Jean-Marie Le Pen, 
de oprichter van het Front National, peetvader werd van het derde kind van Dieudonné M’bala M’bala, de Frans-Kameroense komiek die met veel succes het schelden op joden tot amusement maakt. Dieudonné heeft een enthousiaste schare bewonderaars in de banlieues – wat Stéphane over joden zegt zou zo uit een monoloog van Dieudonné kunnen komen. Voor wie niet al in zijn kamp zit, is Dieudonné bijzonder ongeestig. Zijn film L’Antisémite uit 2012 begint als zogenaamd stomme film waarin Dieudonné, onder begeleiding van vrolijke pianomuziek, een Amerikaanse soldaat speelt die zojuist Auschwitz heeft bevrijd. (Helaas is historisch onbenul niet het enige mankement van de film.) Een kruiperige gevangene leidt hem rond door het kamp. In een gaskamer dept Dieudonné zijn hals met zyklon B, alsof het eau de cologne is; in een crematorium ziet hij de overblijfselen van kinderen aan voor kippenbotjes. Als hij in een leren leunstoel gaat zitten, zegt de gevangene tegen hem: ‘Pas op, je zit op mijn oma!’


    Dieudonné heeft het antisemitisme uit extremistische kringen gehaald en in de populaire cultuur gebracht. In Montreuil spreek ik een ambtenaar van de keuringsdienst voor restaurants, Saïd Allam, die ook fan is. ‘Dieudonné is hetzelfde als Charlie Hebdo – het is satire,’ zegt Allam. ‘Hij brengt sketches over joden om mensen aan het lachen te maken, Charlie Hebdo brengt cartoons over de Profeet om mensen aan het lachen te maken – dat is hetzelfde.’ Na de aanslagen schreef Dieudonné op zijn Facebookpagina, met de hem typerende pesterigheid: ‘Ik geloof dat ik Charlie Coulibaly ben.’ Als reactie vervolgden de autoriteiten hem wegens steun aan het terrorisme, en hij is verscheidene keren veroordeeld voor aanzetten tot rassenhaat; dit heeft ertoe geleid dat zijn bewonderaars de overheid ervan beschuldigen met twee maten te meten. ‘Mensen zeggen: met de moord op Charlie Hebdo is de vrijheid van meningsuiting vermoord,’ zegt Allam. ‘Maar ze hebben zelf de vrijheid van meningsuiting vermoord door Dieudonné voor het gerecht te slepen.’

    Dankzij het klagen over de dubbele moraal wordt de afschuw over de moorden verdrongen door een prettiger gevoel van slachtofferschap. Het argument dat Charlie Hebdo zich richt tegen religieuze politiek, terwijl Dieudonné het op joden gemunt heeft, was veel te subtiel voor de grimmige sfeer die na 7 januari opkwam. Dat geldt ook voor 
het inzicht dat wetten tegen haatzaaien altijd problematisch zijn, al was het maar omdat ze bijna onvermijdelijk de beschuldiging over zich afroepen dat ze selectief worden toegepast.

    Ben Ahmed verafschuwt Dieudonné. ‘Hij is de enige komiek die islamofoben, antisemieten en anti-elitairen in één ruimte bij elkaar krijgt, en ze allemaal aan het lachen kan maken,’ zegt hij. ‘Niet omdat hij grappig is, maar uit haat.’

    Wetteloosheid

    Een multiraciale bende onder aanvoering van Youssouf Fofana, een crimineel van Ivoriaanse afkomst, ontvoerde in 2006 een joodse verkoper van mobiele telefoons, Ilan Halimi. Ze brachten hem naar een cité aan de zuidkant van Parijs. De bende eiste losgeld. Volgens een lid van de bende geloofde Fofana dat de staat hem als een slaaf beschouwde, en dat ‘joden koningen waren omdat ze aten van het geld van de staat’. Fofana ging ervan uit dat alle joden rijk waren en eiste 450.000 euro. Maar de familie van Halimi kon zo veel geld niet opbrengen en de ontvoerders martelden Halimi met vuisten, brandende sigaretten, zuur en uiteindelijk messen.

    Na 24 dagen werd Halimi gevonden, naakt en verminkt, vastgebonden aan een boom in een park ten zuiden van Parijs. Hij stierf onderweg naar het ziekenhuis. Tijdens zijn lange martelgang wisten minstens vijftig mensen in de cité – van bendeleden tot buren – dat er iets gaande was, maar niemand belde de politie.

    In zekere zin was de zaak-Halimi nog verontrustender dan de aanslagen van januari. Dat zo veel inwoners het geweld hadden laten gebeuren, toonde aan dat wetteloosheid en haat regel waren geworden in de banlieues. Marc Weitzman, een romanschrijver die werkt aan een boek over het Franse antisemitisme, zegt dat de haat tegen joden in de banlieues ‘altijd op de achtergrond aanwezig is in de waarden waar ze mee zijn opgegroeid – klaar om geactiveerd te worden zodra hun nihilistische criminaliteit omslaat in een zoektocht naar betekenis.’ Voor sommige bewoners kan antisemitisme het pad naar radicalisering zijn.

    Ben Ahmed zegt dat hij twee opdrachten heeft in het 93ste: ‘Verkeerde ideeën in de religie corrigeren en een eind maken aan de stigmatisering van die religie.’ Twee doelen die heel wat evenwichtskunst vragen. Stel dat het corrigeren van onjuiste ideeën leidt tot meer stigmatisering van de islam? Hoe moet je bijvoorbeeld de religieuze ideeën noemen die, volgens Stéphane, Amedy Coulibaly de moed hebben gegeven om zijn daden uit te voeren?

    Allam, de restaurantinspecteur uit Montreuil, beklaagt zich er bij mij over dat de moorden het etiket ‘islamistische daad’ hebben gekregen. Hij voegt eraan toe: ‘Het is heel, heel ernstig om dat te zeggen, want het veronderstelt dat het begaan van moorden met een religie te maken heeft.’ Als een blonde man cartoonisten zou vermoorden omdat zij blonde mensen belachelijk maakten, zouden mensen hem krankzinnig noemen, stelt hij. ‘En een man die mensen doodt in naam van zijn religie is een krankzinnige.’

    Maar er is een verschil tussen de woorden ‘islamitisch’ en ‘islamistisch’, en dat zorgt ervoor dat er een essentieel politiek onderscheid te maken is tussen gewone gelovigen en ideologen. Dit onderscheid voorkomt juist dat moslims op één hoop worden gegooid met jihadisten. Niettemin heeft de wond van de uitsluiting zo lang doorgeëtterd onder de Franse moslims dat het onderwerp islamistisch terrorisme bijna te gevoelig is om aan te snijden. Voor een eerlijk gesprek daarover is een onderling vertrouwen nodig dat maar zelden voorkomt.

    Op een avond staat Ben Ahmed het eten klaar te maken in het huis van zijn buurvrouw, Valérie Tabet. Zij is weduwe, werkt als pianolerares en haar dochter zit op dezelfde school als de kinderen van Ben Ahmed. De twee gezinnen zijn goed bevriend. Tabet, die een lichte huid heeft en kort donkerblond haar, vertelt me dat het tegenwoordig niet veilig meer is voor jonge kinderen om in het 93ste alleen op straat te zijn, en dat Ben Ahmed een soort vaderfiguur is geworden voor haar dochter. Terwijl Ben Ahmed crêpebeslag uitgiet op een hete plaat, bespreken Valérie en hij hoe iemand terrorist wordt.

    Ben Ahmed zegt: ‘Ik heb de indruk dat het eigenlijk heel eenvoudig is, hoe bij deze mensen van de ene op de andere dag de knop om kan gaan.’

    ‘Het gaat niet van de ene op de andere dag,’ zegt Tabet.

    ‘Voor mij is het een kwestie van mensen die psychisch ziek zijn, misschien enigszins gestoord,’ zegt Ben Ahmed. ‘Deze mensen zijn fragiles, en op een bepaald moment worden ze geronseld door anderen…’

    ‘Er zijn zo veel jihadisten dat ik het niet met je eens kan zijn,’ valt Tabet hem in de rede. ‘De gebroeders Kouachi waren fragiles door hun omstandigheden – gebrek aan structuur, gebrek aan onderwijs, gebrek aan levensvisie, en dat leidt later tot geweld – maar ik ben het niet met je eens dat ze gestoord waren.’

    Ben Ahmed zegt dat hij dat ook niet bedoelde. Naast de psychiatrische gevallen zijn er ook de mensen die psychologisch zwak zijn, zoals de Kouachi’s: ‘Deze mensen zouden een straatgevecht begonnen zijn om niets, om een parkeerplaats.’ En hij voegt eraan toe: ‘Coulibaly, daar word ik een beetje bang van, omdat zijn gezinsleven normaler was.’ Op de een of andere manier was Coulibaly geïndoctrineerd, en vervolgens kon hij al te gemakkelijk aan wapens komen.

    ‘Daar is heel makkelijk aan te komen,’ stemt Tabet in. ‘Maar er zijn veel mensen die fragile worden gemaakt door de samenleving, omdat er niet genoeg werk is voor iedereen, vanwege sociale problemen en al die dingen. Maar wat ik zie is dat die mensen één ding gemeen hebben: het zijn allemaal moslims.’ Ze voegt er vlug aan toe: ‘En ik wil niet met de beschuldigende vinger wijzen, ik bedoel de mogelijke terroristen. Maar volgens mij is het probleem de dingen die ze horen in de moskeeën, in kleine groepen.’ Ze bedoelt de radicale, haatpredikende imams.

    Ben Ahmed zegt dat Tabet alleen maar herhaalt wat ze in de media hoort.

    ‘Maar íémand indoctrineert ze.’

    ‘De mensen die dat doen horen bij een netwerk, maar niet bij een netwerk dat je islamitisch zou noemen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Niet in een moskee.’ Hij zoekt naar de naam van de man die Coulibaly in de gevangenis heeft geronseld. ‘Djamel Beghal. Dat is geen imam.’

    ‘Je kunt niet zeggen dat er geen mensen zijn die de religie gebruiken om deze jongeren aan te trekken.’

    ‘Je zegt nu “mensen”, natuurlijk, maar je zei ook “imams”. Ik zeg niet dat ze niet bestaan, maar je generaliseert op basis van de uitzondering.’

    ‘Ik zeg dat er veel redenen bestaan, en de gemeenschappelijke deler is dat het jonge moslims zijn. 
En dat betekent iets – het betekent dat ze de religie gebruiken.’

    Ben Ahmed is kennelijk bang dat hij de islamofoben gelijk geeft als hij het met Tabet eens is. Die grens kan hij niet over. Het scheelt weinig of de twee belanden in een meningsverschil dat hun vriendschap blijvende wonden kan toebrengen.

    ‘Je mening is interessant,’ zegt Ben Ahmed. ‘Het punt is: ik ben ervan overtuigd dat het niet echt in moskeeën gebeurt. Het gebeurt in de gevangenis.’

    ‘Ja, dat is zeker,’ zegt Tabet.

    ‘En daarnaast er zijn mensen die naar de moskeeën komen om met jongeren te praten en dan sommigen daarvan weten in te kapselen.’

    ‘Voilà.’

    Nu hebben ze net genoeg gemeenschappelijke basis gevonden om verder te kunnen praten.

    Meer dan vijftienhonderd Franse burgers zijn het land uit gereisd om zich bij Islamitische Staat te voegen – een kwart van het totaal in Europa. Zo’n tweehonderd van hen zijn naar Frankrijk teruggekeerd. Een groeiend aantal van deze nieuwe rekruten heeft geen band met de banlieues. Volgens Farhad Khosrokhavar zijn de meeste Franse moslims die naar Syrië gaan nu jongeren uit de middenklasse, onder wie ook een aantal blanke bekeerlingen en een toenemend aantal vrouwen. Ze komen uit grote steden en kleine provinciestadjes. ‘Ze behoren niet tot gebroken gezinnen,’ zegt Khosrokhavar. Hun radicalisering kan zich in zeer korte tijd voltrekken, soms binnen enkele weken, meestal via sociale media. Ze gaan naar het Midden-Oosten omdat ze zich geraakt voelen door de narigheid waarin hun medemoslims verkeren. Sommigen schrikken daar terug voor het geweld van Islamitische Staat en proberen terug te keren; anderen voelen zich er juist door aangetrokken.

    Een paar dagen voor de aanslagen van januari vloog Hayat Boumeddiene, de vrouw van Coulibaly, van Madrid naar Turkije, waar ze de grens met Syrië overstak. Een bewakingscamera op het vliegveld van Istanboel legde haar vast bij haar aankomst in Turkije, samen met een jongeman met een vlassig baardje en lang zwart haar in een knotje. Dat was de 23-jarige Mehdi Belhoucine, afkomstig uit het 93ste. Zijn oudere broer Mohamed was rond 2009 via internet geradicaliseerd en stuurde daarna boodschappen door voor een netwerk van Franse jihadisten die op weg waren naar Centraal-Azië. Aangenomen wordt dat Mohamed en Mehdi nu in Syrië zitten. De broers zijn altijd uitstekende leerlingen geweest – Mohamed heeft een voortgezette opleiding in mijnbouwtechniek gevolgd, Mehdi in elektronica – en komen uit een middenklassegezin met een eigen huis. Ben Ahmed kent hun moeder, die met hem samenwerkt in het gemeentehuis van Bondy. ‘Een heel aardige vrouw,’ zegt hij. ‘Het is zo sneu.’

    ‘Vóór januari had ik een helder beeld van het jihadisme,’ zegt Sylvine Thomassin, de burgemeester van Bondy. ‘Het had te maken met gezinnen met een gebrekkige ontwikkeling, ouders die in de problemen zaten, kinderen die op school mislukten.’ Het was een vreemd ‘geruststellend schema’, omdat het de weg naar radicalisering voorspelbaar leek te maken. Toen kwam het verbijsterende nieuws over de band van de gebroeders Belhoucine met aanslagplegers in Parijs. De burgemeester, die de familie Belhoucine goed kent, vindt het nu onmogelijk om nog een profiel te geven. ‘Onze islamitische medeburgers wonen voor het overgrote deel in sociale huurwoningen en de meesten hebben met dezelfde problemen te kampen als degenen die geradicaliseerd zijn, en toch zijn zij niet geradicaliseerd,’ zegt ze. ‘Dus het probleem is kennelijk niet de banlieues. Misschien is het de extreme gevoeligheid van een heel kleine groep voor alle discussies om hen heen.’

    Medemenselijkheid

    De Parijse strafrechtadvocaat Xavier Nogueras vertegenwoordigt twintig Franse burgers die beschuldigd worden van jihadisme. Sommige van zijn cliënten zijn gewelddadig en gevaarlijk, zegt hij, maar de meesten zijn uit idealisme naar Syrië gegaan, om andere moslims te beschermen tegen het Assad-regime en een islamitische staat op te bouwen. 
Volgens hem vormen deze mensen geen gevaar voor Frankrijk en zou de staat ze niet voorgoed van zich moeten vervreemden met jarenlange celstraffen. Nogueras wil de motieven van zijn cliënten niet 
toeschrijven aan de sociale omstandigheden in de banlieues. Weinigen van hen hebben een criminele achtergrond; sommigen hadden een goedbetaalde baan bij een groot Frans bedrijf. ‘Wat mij het meest heeft verrast, is hun enorme medemenselijkheid,’ zegt Nogueras. Voor hem zijn jihadisten boeiender dan de drugsdealers en overvallers die hij ook in zijn praktijk tegenkomt. ‘Ze hebben meer te vertellen, veel meer ideeën. Volgens hun heilige boek moeten ze de sharia toepassen, die hun opdraagt hun vrouw te bedekken, niet seculier te leven. En we zijn in een land dat hen onvermijdelijk stigmatiseert, omdat 
het seculier is. Ze voelen zich hier niet thuis.’

    Het onderscheid dat de advocaat maakt tussen jihadisme thuis en in het buitenland klinkt me bepaald niet geruststellend in de oren. Coulibaly’s geloof kon hem er evengoed toe hebben gebracht om mensen 
in Syrië te vermoorden als in Parijs; ideologisch gedreven geweld kan overal plaatsvinden. Het ‘idealisme’ van cliënten die de sharia voor de hele wereld willen laten gelden, is in sommige opzichten zorgwekkender dan eenvoudige gewelddadigheid: zelfs 
al doet Frankrijk nu zijn best om moslims het gevoel te geven dat ze volwaardige kinderen van de republiek zijn, een kleine minderheid zal altijd principieel onverzoenlijk blijven.

    In een winkelstraat in het 93ste, in een schaars gemeubileerd appartement zonder naam bij de bel, spreekt Sonia Imloul, een maatschappelijk werkster van Algerijnse afkomst, geregeld af met de gezinnen van geradicaliseerde jonge mensen. Ze krijgt de gevallen door via de politie of via een meldpunt van de overheid waarbij de families hebben aangeklopt. Tijdens onze ontmoeting gaat Imloul aan de keukentafel zitten, steekt een sigaret op en zegt: ‘Ik heb hier kinderen gehad van artsen, journalisten, generaals. Het lijkt wel een nationale epidemie.’ Ze let ‘met argusogen’ op haar eigen veertienjarige zoon.

    Imlouls methode is erop gericht de band tussen een jongere en zijn of haar familie in stand te houden, voor er sprake is van een ‘initiatiereis’. ‘De familie heeft vaak het antwoord, zonder het te weten,’ zegt ze. Radicalisering komt al dertig jaar voor in Frankrijk; het kan nog wel eens dertig jaar duren voor er een goede oplossing voor gevonden is. Dat het probleem nu acuut is, komt volgens Imloul deels doordat het rigide secularisme van de republiek geen ruimte laat voor discussie over religieuze identiteit. ‘Als je met een radicaal niet over religie praat, kun je nergens over praten,’ zegt ze. Frankrijk benadert het probleem uitsluitend repressief. De ‘preventiegroep’ van Imloul is het enige programma in zijn soort van het land.

    De aanslagen van januari hebben een oprecht gevoel van crisis veroorzaakt, en premier Valls heeft hartstochtelijke toespraken gehouden waarin hij de ‘geografische, sociale en etnische apartheid’ veroordeelt die Franse burgers uit gebieden als het 93ste de toegang tot de republiek ontzegt. Thomassin, de burgemeester van Bondy (en de baas van Ben Ahmed), wijst me op een kaart aan waar hoogbouw wordt afgebroken en vervangen door kleinere gebouwen die zijn omgeven door groene ruimte. Het doel is om een nieuw gemeenschapsgevoel te creëren. De burgemeester van Le Blanc-Mesnil, een andere banlieue in het 93ste, vertelt over een vergelijkbaar plan, volgens de principes van het ‘New Urbanism’, waarin huurders van sociale woningen eigenaar van hun huis kunnen worden. Het lijkt erop dat Frankrijk, 
na tientallen jaren wegkijken, nu een inhaalslag probeert te maken.

    ‘We zijn in oorlog, maar niet tegen een godsdienst,’ heeft Valls gezegd. Frankrijk voert ‘een oorlog om onze waarden te verdedigen, die universeel zijn’. Hij riep Franse moslims op om dat ook als hún strijd te zien. ‘Het is een oorlog tegen terrorisme en het radicale islamisme, tegen alles wat tot doel heeft onze solidariteit, vrijheid, broederschap kapot te maken.’

    Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij

    Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd, terwijl de zwijgende meerderheid in Frankrijk, die steeds meer culturele onzekerheid ervoer, naar rechts opschoof en de banlieues aan hun lot werden overgelaten. De Front National-kiezer en de geradicaliseerde moslim voelen zich allebei in de kou staan. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet hebben de aanslagen van januari als een onderwaterbom al die onderstromen naar de oppervlakte gebracht. ‘Secularisme is onze gemeenschappelijke deler,’ zegt Bouvet. ‘Als er een gemeenschappelijke Franse identiteit is, dan is dat geen identiteit van wortels, het is geen christelijke identiteit, het zijn geen kathedralen, 
het is niet het blanke ras. Het is een politiek project. Als we het Front National de Franse identiteit laten definiëren, zal dat een definitie zijn op basis van ras, van bloed, van religie.’

    Frankrijk heeft een speciale rapporteur général voor secularisme, en op dit moment wordt die officiële functie vervuld door een serieuze jonge socialistische politicus, Nicolas Cadène. Volgens hem is Frankrijk er niet in geslaagd om een nationaal verhaal te scheppen waarin alle burgers een plek hebben. De schok van de aanslagen en de verdeeldheid daarna hebben een nieuwe benadering dringend noodzakelijk gemaakt. En hij schetst een pakket van hervormingen dat begint bij de scholen: leg uit wat de betekenis is van het secularisme, door ‘onpartijdige, neutrale’ feiten te onderwijzen over verschillende religies, om zo de leerlingen verdraagzamer en kritischer te maken; neem meer koloniale geschiedenis op in het lespakket; moedig Arabische lessen op openbare scholen aan, zodat dit niet aan de Koranschool wordt overgelaten. Een aantal van deze veranderingen wordt dit najaar al ingevoerd.

    Sciences Po – het instituut voor sociale wetenschappen waar arabist Jean-Pierre Filiu doceert – hanteert al meer dan tien jaar voor een deel van elke nieuwe lichting studenten enigszins andere toelatingseisen. De Franse wet verbiedt onderscheid naar etniciteit 
of religie, dus gebruikt Sciences Po geografie als criterium. ‘We willen studenten uit het 93ste binnenhalen,’ zegt Filiu. ‘Ik heb in die toelatingscommissies gezeten, en de kandidaten uit de banlieues horen bij de beste – als je daar vandaan komt, heb je la niaque, moed, een vechtersmentaliteit.’ Ik bedenk bij mezelf wat zo’n kans had kunnen betekenen voor Ben Ahmed.

    Eind maart 2015 zouden er verkiezingen worden gehouden in de honderd departementen van Frankrijk. Ben Ahmed besloot zich kandidaat te stellen als socialistisch vertegenwoordiger van Bobigny. Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij. Dagen en nachten liep hij in zijn oude buurt folders uit te delen en handen te schudden. 
De bewoners begroetten hem als een van hen, maar velen zagen er weinig heil in om te gaan stemmen. Tegen zijn vroegere buren die zich het meest verzetten – de oude vrouw in volledige hijab, de werkloze mannen bij het café, J.-P. en zijn bende – zei hij dat 
ze zich niet van stemmen konden onthouden als ze gelijkwaardige burgers wilden worden.

    Ben Ahmed werd vierde. Zelfs de kandidaat van het Front National kreeg meer stemmen dan hij. De socialisten deden het, als regeringspartij, overal slecht. Extreem-rechts zette zijn opmars voort. Maar Ben Ahmed laat zich niet ontmoedigen. Hij gelooft in 
de politiek, hij gelooft in Frankrijk. Hij gaat het de volgende keer weer proberen.

    Auteur: George Packer
    Vertaler: Annemie de Vries

    The New Yorker
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

  • 2. ‘We moeten een herhaling van de jaren dertig voorkomen’

    2. ‘We moeten een herhaling van de jaren dertig voorkomen’

    Yanis Varoufakis is bepaald geen fan van de huidige EU, die hij een mislukte federatie noemt. Maar als Groot-Brittannië de unie verlaat, opent dat volgens de voormalige Griekse minister van Financiën de deur voor xenofoben, nationalisten en tegenstanders van democratische soevereiniteit.

    Het allereerste Duitse woord dat ik leerde was ‘Siemens’. Dat stond als logo op onze robuuste koelkast uit de jaren vijftig, onze wasmachine, onze stofzuiger – op bijna ieder apparaat in mijn ouderlijk huis in Athene. De reden voor die specifieke trouw aan dat Duitse merk was mijn oom Panayiotis. Een germanofiele elektro-ingenieur, die vanaf halverwege de jaren vijftig tot eind jaren zeventig directeur was van Siemens 
in Griekenland.

    In de vroege ochtend van 21 april 1967 rolden op bevel van vier legerkolonels tanks door de straten van Athene en andere grote steden, en was ons land 
al snel gehuld in een dikke mist van neofascistische treurnis. Dat was de dag waarop de wereld van mijn oom instortte. Anders dan mijn vader, die eind jaren veertig met enkele jaren concentratiekamp had geboet voor 
zijn linkse ideeën, was Panayiotis wat tegenwoordig een neoliberaal wordt genoemd. Fanatiek anticommunistisch, wantrouwend ten opzichte van de sociaaldemocratie, had hij de Amerikaanse interventie gesteund in de Griekse burgeroorlog in 1946. Met zijn politieke ideeën en zijn positie als directeur van Siemens Griekenland behoorde hij tot de naoorlogse heersende klasse in Griekenland. Toen troepen van de staatsveiligheidsdienst of hun stromannen linkse demonstranten in elkaar sloegen en zelfs een briljant parlementslid, Grigoris Lambrakis, vermoordden, keurde hij dat schoorvoetend goed, onaangenaam maar noodzakelijk.

    De grote invloed van de Amerikaanse veiligheidsdiensten in de Griekse politiek in 1965 vond Panayiotis een aanvaardbare ruil: Griekenland had enige soevereiniteit aan westerse mogendheden overgedragen in ruil voor de bescherming tegen de dreiging van het Oostblok dat aan Griekenlands noordgrens lag. Op die grauwe dag in april werd zijn leven 
op zijn kop gezet. Hij kon simpelweg niet verdragen dat ‘zijn’ mensen het parlement ontbonden, de grondwet opschortten en potentiële dissidenten (inclusief rechtse democraten) interneerden in voetbalstadions, politiebureaus en concentratiekampen.

    Ondergronds

    Dat leidde bij hem tot een razendsnelle, bijna komisch aandoende radicalisering. Enkele maanden nadat de kolonels de macht hadden gegrepen, sloot hij zich aan bij een ondergrondse beweging, Democratische Verdediging, die voornamelijk bestond uit liberalen uit de elite zoals hij – hoogleraren, advocaten en zelfs een toekomstig premier. Ze plaatsten bommen in Athene, waarbij ze ervoor zorgden 
dat er geen slachtoffers vielen, om te laten zien dat de kolonels niet alles onder controle hadden.

    Enkele jaren leek Panayiotis – zelfs voor zijn eigen moeder – een van de vele intellectuelen die zich gedeisd hielden, zich niet met anderen bemoeiden. Niemand wist van zijn dubbelleven.

    Ik herinner me nog steeds het krakende geluid van een radio, verborgen onder een rode deken in het midden van de woonkamer. Iedere avond, om een uur of negen, kropen mijn vader en moeder samen onder de deken – en na de gedempte jingle waarmee het programma begon, gevolgd door de stem van de Duitse omroeper, reisde mijn zesjarige fantasie van Athene naar Midden-Europa. Deutsche Welle, de Duitse internationale radiozender, werd de dierbaarste bondgenoot van mijn ouders tegen de staatspropaganda: een venster op het democratische Europa.

    De reden voor die rode deken was de chagrijnige oude buurman Gregoris, van wie bekend was dat hij banden had met de geheime politie en graag mijn vader bespioneerde. Hoe vreemd het nu ook mag klinken, het luisteren naar de Deutsche Welle kwam op de lange lijst te staan van activiteiten waarop straffen stonden, die varieerden van intimidatie tot marteling. Nadat mijn ouders Gregoris hadden betrapt toen die in onze achtertuin rondsloop, namen ze geen enkel risico meer.

    Enkele jaren later kregen we via de Deutsche Welle te horen waar Panayiotis en zijn collega’s mee bezig waren geweest: er werd bekendgemaakt dat ze allemaal waren gearresteerd. Al een paar uur nadat een lid van de Democratische Verdediging bij toeval was opgepakt, werd de rest van de beweging ook opgerold. De politie hoefde alleen maar de agenda van de eerste man te lezen, want daarin stonden alle namen en adressen van zijn kameraden. Martelingen, de krijgsraad en lange gevangenisstraffen – in sommige gevallen de doodstraf – volgden.

    Yanis Varoufakis met zijn Nemesis: de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble. – © Krisztian Bocsi / Getty
    Yanis Varoufakis met zijn Nemesis: de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble. – © Krisztian Bocsi / Getty

    Een jaar nadat Panayiotis was opgepakt, versoepelde de militaire politie die hem vasthield zijn isolatieregime, door toe te staan dat ik als tienjarige één keer per week bij hem op bezoek mocht. Onze toch al sterke band werd hechter door de gesprekken die we daar voerden als jongens onder elkaar, en die hem wat afleiding bezorgden. Hij vertelde me over apparaten die ik nog nooit had gezien (computers noemde hij ze), vroeg naar de nieuwste films, beschreef zijn lievelingsauto’s. In afwachting van mijn bezoekjes bouwde hij met lucifers en ander materiaal dat hij van de bewakers mocht hebben modelvliegtuigjes voor mij. Vaak had hij daarin een boodschap voor mijn tante verborgen, of voor mijn moeder, en soms zelfs voor zijn collega’s bij Siemens. Lange tijd na zijn dood vond ik op zolder bij mijn ouders nog een lucifermodel van een Stuka-duikbommenwerper. En daar stond het, een enkel woord gericht tot niemand in het bijzonder: kyriarchia. Soevereiniteit.

    Bezoek aan Berlijn

    Het was bijna vijftig jaar na die avonden onder de rode deken dat ik in februari 2015 als Griekse minister van Financiën mijn eerste officiële bezoek aan Berlijn bracht. Mijn eerste bezoekadres was het ministerie van Financiën, voor een ontmoeting met de legendarische dr. Wolfgang Schäuble. Voor hem en zijn paladijnen was ik een lastpak. Onze linkse regering was gekozen op een programma dat, op zijn zachtst gezegd, niet zo goed paste in kanselier Merkels plannen om de eurozone op orde te houden. Ons succes was inderdaad een nachtmerrie voor Berlijn. Als wij erin zouden slagen er een nieuwe overeenkomst uit te slepen om de eindeloze recessie te stoppen die ons land in haar greep hield, zou die Griekse linkse ‘ziekte’ zich natuurlijk gaan verspreiden.

    Toen ik van Berlijns luchthaven Tegel dichter bij het oude hoofdkwartier van Goerings ministerie van Luchtvaart kwam – waar nu het ministerie van Financiën zetelt – vroeg ik me af of mijn gastheer zich zou kunnen voorstellen dat mijn hoofd vol zat met jeugdherinneringen waarin Duitsland een belangrijke vriend was. Eenmaal in het gebouw werden mijn assistenten en ik snel in een grote lift geleid. De lift kwam uit op een lange kille gang aan het einde waarvan de belangrijke man zat te wachten in zijn rolstoel. Mijn uitgestoken hand negeerde hij, en hij ging me resoluut voor zijn kantoor in. Hoewel mijn relatie met Schäuble in 
de loop der maanden hartelijker werd, stond die geweigerde hand symbool voor wat er mis is met Europa. Het was het symbolische bewijs dat Europa enorm was veranderd in de halve eeuw die sinds de tijd van de rode deken was verstreken.

    Voor mijn ouders was de Deutsche Welle een venster op democratisch Europa

    Een week na mijn ontmoeting in Berlijn ontmoetten Schäuble en ik elkaar opnieuw, maar nu aan de lange rechthoekige tafel van de Eurogroep, het beleidsbepalende orgaan van de eurozone waarin de ministers van Financiën zitting hadden, plus de vertegenwoordigers van de trojka – de ECB, de Europese Commissie en het Internationaal Monetair Fonds. Toen ik namens onze regering had gepleit voor een wezenlijke heronderhandeling over het zogenaamde ‘Griekse economische programma’, dat voornamelijk door 
de trojka was bedacht, verbijsterde dr. Schäuble me met een reactie die iedere democraat de rillingen op de rug zou moeten bezorgen: ‘Verkiezingen mogen niet het economische programma van een staat veranderen!’

    Tijdens een pauze in die tien uur 
durende vergadering, waarin ik mijn uiterste best had gedaan om enige economische soevereiniteit terug te winnen voor mijn murw gebeukte parlement en ons lijdende volk, probeerde een andere minister van Financiën me te troosten: ‘Yanis, je moet begrijpen dat geen enkel land tegenwoordig nog soeverein is. Vooral niet zo’n klein en bankroet land als het jouwe.’ Die redenering is waarschijnlijk de verderfelijkste denkfout die het publieke debat in onze moderne liberale democratieën heeft vergiftigd. Het betekent in feite dat soevereiniteit passé is, behalve voor de VS, China of misschien Poetins Rusland. In dat geval kun je net zo goed je land weggeven aan een transnationale statenbond waarin je eigen parlement klakkeloos de besluiten van de bond goedkeurt. Het interessante is dat dit argument niet alleen geldt voor kleine bankroete landen als Griekenland, gevangen in een slecht ontworpen eurozone. Diezelfde giftige wijsheid wordt tegenwoordig verkondigd in Engeland – waarschijnlijk als doorslaggevend 
argument om in de EU te blijven.

    Het probleem ontstaat zodra het onderscheid tussen soevereiniteit en macht vervaagt. Soevereiniteit gaat over wie rechtmatig besluiten neemt namens het volk, terwijl macht het vermogen is om die besluiten op te leggen aan de wereld eromheen. IJsland is een heel klein land; maar de bewering dat IJslands soevereiniteit een illusie is omdat het land te klein is om die macht te hebben, is net zoiets als de bewering dat een arm iemand zonder politieke invloed net zo goed zijn stemrecht kan opgeven.
    Om het iets anders te formuleren: kleine soevereine staten zoals IJsland kunnen keuzes maken binnen de bredere beperkingen die de natuur en de rest van de mensheid voor hen hebben gecreëerd. Hoe beperkt die keuzes ook zijn, de burgers van IJsland behouden de absolute autoriteit om hun gekozen vertegenwoordigers verantwoording af te laten leggen voor de beslissingen die ze hebben genomen (binnen de externe beperkingen van het land), en om ieder stuk wetgeving in te trekken waar die vertegenwoordigers in het verleden toe hebben besloten.

    Britse tegenstanders van een Brexit betogen op de campus van Northumbria University in Newcastle upon Tyne. 
– © Ian Forsyth / Getty
    Britse tegenstanders van een Brexit betogen op de campus van Northumbria University in Newcastle upon Tyne. 
– © Ian Forsyth / Getty

    Een statenbond zoals de EU kan natuurlijk tot onderling gunstige afspraken komen, zoals een militair defensief verbond tegen een gemeenschappelijke vijand, samenwerking tussen nationale politiediensten, open grenzen, de instelling van een vrijhandelszone. Maar zo’n bond kan nooit legitiem de soevereiniteit van een van de lidstaten opheffen of terzijde schuiven op basis van de beperkte macht die het toebedeeld heeft gekregen van de soevereine staten die overeen zijn gekomen in zo’n bond te participeren. Daar zou tegen ingebracht kunnen worden dat de EU over onberispelijke democratische geloofsbrieven beschikt. De Europese Raad bestaat uit de regeringsleiders, de Eurogroep uit de ministers van Financiën van de eurozone. Al die vertegenwoordigers zijn natuurlijk democratisch gekozen. Verder is er ook nog het gekozen Europese Parlement. Maar die redenering laat zien hoe diep de Europese waardering van de grondbeginselen van de liberale democratie is gezonken. Ook hierbij begaat men de cruciale vergissing om politieke autoriteit te verwarren met macht.

    Een parlement is soeverein – ook al betreft het geen machtig land – als het de uitvoerende macht kan ontslaan. Dat is in de EU niet mogelijk. Hoewel de leden van de Europese Raad en de Eurogroep van ministers van Financiën gekozen politici zijn, die in theorie verantwoording schuldig zijn aan hun nationale parlement, hoeven de Europese Raad en de Eurogroep zelf geen verantwoording af te leggen aan welk parlement dan ook, dus aan geen enkele kiezer in de EU.

    De Eurogroep, waar voor Europa de belangrijkste economische beslissingen worden genomen, is een orgaan dat zelfs niet eens bestaat in de Europese wetgeving, dat geen notulen bijhoudt van zijn procedures en hecht aan de vertrouwelijkheid van het overleg. Het orgaan handelt, om met Thucydides te spreken, op basis van het motto ‘de sterken doen wat hun goeddunkt en de zwakken moeten daaronder lijden’. Het is een structuur die is ontworpen om iedere soevereiniteit die wordt ontleend aan de burgers van Europa uit te sluiten.

    Ik heb Schäuble een keer voorgehouden dat wij, als de gekozen vertegenwoordigers van een continent in crisis, niet kunnen buigen voor niet-gekozen bureaucraten; we hebben de plicht om overeenstemming te bereiken. Hij antwoordde dat het naar zijn mening het belangrijkste is dat we de bestaande ‘regels’ respecteren. En omdat die regels alleen kunnen worden uitgevoerd door technocraten, moest ik met hen gaan praten. Telkens als ik probeerde de regels ter discussie te stellen die duidelijk niet uitgevoerd konden worden, was steevast de reactie: ‘Maar het zijn de regels!’

    Corruptie

    Er is een reden dat ik dit artikel begon met het verhaal van mijn oom Panayiotis. Dat komt door een vraag die me door een journalist werd gesteld tijdens de persconferentie na mijn eerste ontmoeting met dr. Schäuble, over een schandaal dat enkele jaren daarvoor was losgebarsten, toen uit een Amerikaans onderzoek bleek dat een zekere Michalis Christoforakos, een opvolger van mijn oom bij Siemens, Griekse politici omkocht om voor Siemens overheidscontracten binnen te halen. Toen de Griekse justitie de zaak begon te onderzoeken, verdween de man meteen naar Duitsland, waar de rechter zijn uitlevering voorkwam.

    ‘Minister,’ zei de journalist, ‘hebt u 
druk uitgeoefend op uw Duitse collega dr. Schäuble om Christoforakos uit te leveren aan Griekenland ter ondersteuning van het Griekse anticorruptiebeleid?’ ‘Ik ben ervan overtuigd,’ antwoordde ik, ‘dat de Duitse overheid het belang ervan inziet om onze gekwelde staat bij te staan in de strijd tegen 
corruptie. Ik vertrouw erop dat mijn collega’s in Duitsland het belang ervan inzien dat er nergens in Europa met twee maten wordt gemeten.’ Enigszins aangeslagen mompelde Schäuble dat zijn ministerie daar niet over ging.

    In het vliegtuig terug naar Athene dwaalde ik in gedachten af naar eind jaren zeventig. Nadat hij uit de gevangenis was vrijgelaten, keerde Panayiotis terug aan het roer van Siemens Griekenland. Hij was gelukkig in die baan, vertelde hij steeds, en trots op zijn werk. Totdat hij niet meer trots was en woedend ontslag nam. Ik weet nog dat ik vroeg waarom. Hij vertelde dat hij door zijn superieuren in Duitsland onder druk werd gezet om smeergeld te betalen aan Griekse politici en er zo voor te zorgen dat Siemens zijn dominante positie in Griekenland kon behouden.

    Moeten we het uiteenvallen van onze mislukte confederatie versnellen? Nee!

    In het noorden van Europa heerst de ontroerende opvatting dat Europa 
bestaat uit mieren en sprinkhanen – alle vlijtige mieren leven in het noorden, terwijl de spilzieke sprinkhanen zich op geheimzinnige wijze in het zuiden hebben verzameld. De werkelijkheid is veel genuanceerder. Een machtig corruptienetwerk heeft zich over al onze landen verspreid – en de instorting van het democratische controlesysteem, deels te wijten aan onze afnemende soevereiniteit, heeft mede ertoe bijgedragen dat dat netwerk aan ons gezicht was onttrokken.

    Als de legitieme politieke autoriteit zich terugtrekt, leidt dat tot bruut geweld, apathie en demonisering van de zwakkeren. Eind juni 2015 had de ECB onze banken gesloten, was onze regering verdeeld, diende ik mijn ontslag in als minister en capituleerde mijn premier voor de trojka. Met de verplettering van de Atheense lente werd het al gewonde Griekenland een ernstige klap toegediend. Het was ook de nederlaag van het idee van een verenigd, humanistisch, democratisch Europa.

    Onze unie valt uiteen. Moeten we het uiteenvallen van een mislukte confederatie versnellen? Als je, zoals ik, van mening bent dat zelfs kleine landen hun soevereiniteit kunnen behouden, houdt dat dan in dat een Brexit het logische gevolg is? Mijn antwoord is 
een nadrukkelijk ‘Nee!’ Als Engeland 
en Griekenland niet al in de EU zaten, zouden ze er zeker buiten moeten blijven. Maar als je er eenmaal in zit, is het van cruciaal belang om je te realiseren welke consequenties een vertrek heeft. Of je het nu leuk vindt of niet, we zijn ingebed in de Europese Unie, die verschrikkelijk instabiel is geworden en 
al uiteenvalt als een klein, noodlijdend land als Griekenland vertrekt, laat staan een belangrijke economie als Engeland. Moeten de Grieken of de Britten zich daar zorgen over maken? Ja, want in de maalstroom die op 
een uiteenvallen van die frustrerende federatie volgt zullen we allemaal verzwolgen worden – een postmoderne herhaling van de jaren dertig.

    Grieken protesteren tegen een bezoek van Angela Merkel aan Athene in 2012. – © Milos Bicanski / Getty
    Grieken protesteren tegen een bezoek van Angela Merkel aan Athene in 2012. – © Milos Bicanski / Getty

    Het is een grote vergissing om te veronderstellen – of je nu voor- of tegenstander van een vertrek uit de EU bent – dat die EU ‘ver van ons bed’ ligt. Een vertrek van Engeland uit de EU ondermijnt het voortbestaan van de unie. Griekenland en Engeland hebben dezelfde drie opties. De eerste twee zijn inwilliging van de eisen van Brussel of vertrek, beide even rampzalig. Beide leiden tot dezelfde dystopische toekomst: een Europa dat alleen geschikt is voor hen die gedijen in tijden van een grote depressie – de xenofoben, de ultranationalisten, de tegenstanders van democratische soevereiniteit. Alleen de derde optie blijft nog over: in de EU blijven om een grensoverschrijdend verbond van democraten te vormen, wat Europa in de jaren dertig niet is gelukt, maar wat onze generatie nu moet proberen, om te voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt.

    Is dat niet een utopie? Natuurlijk! Maar niet meer dan het idee dat de huidige EU ten onder zal gaan aan zijn antidemocratische hybris en de flagrante incompetentie die wordt aangewakkerd omdat er geen verantwoording hoeft te worden afgelegd. Of het idee dat de Britse of Griekse democratie weer tot leven gewekt kan worden in de boezem van een natiestaat waarvan de soevereiniteit nooit hersteld zal worden binnen een door Brussel gecontroleerde markt. Net zoals in het begin van de jaren dertig kunnen Engeland en Griekenland niet uit Europa ontsnappen door een mentale of wetgevende muur op te richten om zich achter te verstoppen. Of we verenigen ons om te democratiseren, of we lijden onder de consequenties van een pan-Europese nachtmerrie.

    Auteur: Yanis Varoufakis
    Vertaler: Paul de Bruijn

    De Griekse econoom Yanis Varoufakis 
(55) stond als minister van Financiën 
zes maanden in het middelpunt van de eurocrisis. Onlangs verscheen bij uitgeverij De Geus zijn boek Hoe Europa de stabiliteit in de wereld bedreigt.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

    Yanis Varoufakis, toen nog minister van Financiën, op weg naar Downing Street voor een vergadering met zijn Britse collega George Osborne. – © Jason Alden / Getty
    Yanis Varoufakis, toen nog minister van Financiën, op weg naar Downing Street voor een vergadering met zijn Britse collega George Osborne. – © Jason Alden / Getty

    Yanis Varoufakis

    ‘Ik zou ook wel graag eens de draai om de oren zien die Brussel krijgt als de uitslag van het Britse referendum de heer Juncker, mevrouw Merkel en… de heer Cameron niet zou bevallen,’ zei Yanis Varoufakis onlangs in een interview met de Britse krant The Guardian. De econoom Varoufakis (Athene, 1961), gespecialiseerd in speltheorieën, werd in januari 2015 minister van Financiën in Griekenland. Maar zes maanden later nam hij alweer ontslag, nadat het hem niet was gelukt om tot een akkoord te komen met de Europese Commissie, de ECB en het IMF over de verlenging van de programma’s voor de herfinanciering van de Griekse schulden.

    Ondanks zijn hevige kritiek op de Europese instellingen richtte hij in februari 2016 de Democracy in Europe Movement 2025 (DiEM25) op, met het devies: ‘Of de Europese Unie democratiseert, of zij gaat ten onder.’ 
‘Ons criterium is een pan-Europese democratische beweging,’ zei hij in het interview in The Guardian. ‘Zo niet, dan keren we terug naar een postmoderne versie van de jaren dertig.’

    KRANTENCITATEN

    Daily Mail, 4 februari
    ‘Wie spreekt er namens Engeland?’ vraagt de tabloid zich af, die doorgaans fel gekant is tegen de Europese Unie. De krant toont zich vooral verontrust over ‘de tsunami van migranten’ in de toekomst. Het nieuwe akkoord dat premier Cameron namens het Verenigd Koninkrijk met Brussel heeft bereikt om de Britten gerust te stellen ‘verandert daar helemaal niets aan’.

    New Statesman, 26 februari 2015
    ‘Boris slaat terug’: de Londense burgemeester is niet alleen een formidabele troef voor de pro-Brexit-campagne, maar ‘hij plaatst zich ook op de eerste rij om het voorzitterschap van de Conservatieve Partij over te nemen zodra Cameron zou aftreden’, meent het weekblad.

    The Spectator, 27 februari
    ‘Brexit ontketend’, kopt het Britse weekblad, dat voorziet dat ‘het referendum over de Europese Unie zich tegen Mister Cameron zal keren en hem te pakken zal nemen’.

    The Sun, 9 maart
    ‘De koningin steunt een Brexit’, verheugt de conservatieve tabloid zich, een fervent voorstander van het Britse vertrek uit de Europese Unie. De krant verwijst naar een gesprek dat de vorstin zou hebben gehad met de pro-Europese voormalige vicepremier Nick Clegg, waarin zij zou hebben gezegd: ‘Ik begrijp Europa niet’, daaraan toevoegend dat de unie zich ‘in de verkeerde richting’ beweegt.

    The Times, 22 april
    ‘Keer de Europese Unie de rug niet toe, zegt Obama tegen Groot-Brittannië.’ Tijdens zijn bezoek aan Londen op 22 april houdt de Amerikaanse president een pro-Europese toespraak, die de voorstanders van een Brexit in het verkeerde keelgat schiet.

  • Amerikaanse lessen voor Molenbeek

    Amerikaanse lessen voor Molenbeek

    Waarom zijn er in de VS geen aanslagen als in Parijs en Brussel, en vertrekken er zo weinig Amerikaanse moslims naar Syrië? Voor het antwoord op die vragen moet je in ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ zijn: 
Dearborn, Michigan.

    Van alle Amerikaanse voorsteden lijkt Dearborn, Michigan, 
misschien wel het meest op Molenbeek, waar de terroristen 
vandaan kwamen die de aanslagen pleegden op het vliegveld en in de metro van Brussel en afgelopen najaar in Parijs. Deze gewone voorstad van Detroit, die wel ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ wordt genoemd, heeft de grootste moskee van het land; in Dearborn vind je ook het Arabisch Museum, Arabische cafés, en halal beefburgers. De laatste tijd is Dearborn doelwit van rechtse angstzaaierij en bijtende, islamofobe commentaren. Ron Haddad, hoofd van de politie in Dearborn, vertelt dat hij op reizen door het land altijd maar één vraag krijgt. ‘Dan komt er iemand naar me toe, priemt zijn vinger in mijn gezicht, 
en vraagt: “Zullen de mensen in uw gemeenschap terroristische daden bij jullie melden?”’

    Wat ze bedoelen is: zullen moslims andere moslims aangeven? Haddad heeft dan zijn antwoord klaar: ‘Niet alleen zouden ze dat doen, ze doen het ook,’ zegt hij. ‘Ze hebben het al gedaan.’

    Amerikaanse moslims zijn sterker geassimileerd en patriottischer

    Dearborn en Molenbeek, ze verschillen van elkaar als dag en nacht. In een stad waar bijna een derde van de 95.000 inwoners Arabisch-Amerikaans is, heeft Haddads politiedienst een wijdvertakt netwerk aan contacten in de islamitische gemeenschap. Zijn politiemensen gaan geregeld op bezoek bij de achtendertig scholen en de vele moskeeën die de stad telt. Haddad ondersteunt een programma dat ‘Stepping Up’ heet, en dat onder andere een jaarlijkse prijsuitreiking organiseert voor bewoners die criminele activiteiten aangeven. 
De afgelopen jaren heeft zeker twee keer per jaar een moslimvader die zich zorgen maakte over de invloed van IS 
of andere onlinepropaganda op zijn kind, zijn eigen zoon aangegeven. 
Ook is het voorgekomen dat leerlingen van een overwegend islamitische 
middelbare school problemen rond 
een medeleerling kwamen melden.

    Dat komt volgens Haddad deels doordat er een plek is waar ze hun meldingen kúnnen doen, en deels doordat ze zich verbonden voelen met de rest van Dearborn, Michigan en de Amerikaanse samenleving. Het contact- en informantenprogramma dat hij leidt wordt door de Amerikaanse politie- en contraterrorisme-autoriteiten als voorbeeld gezien. En het is maar één klein onder-
deel van de weinig bekende, maar wijdverbreide inspanningen die in het hele land gaande zijn om netwerken op te bouwen binnen moslimgemeenschappen. Dat gebeurt zowel op landelijk als op federaal niveau, en binnenkort gaat er een nieuw financieringsprogramma van start voor deze inspanningen. 
Toch zijn slechts weinig Amerikanen van deze ontwikkelingen op de hoogte.

    In de race om het Amerikaanse presidentschap is het antimoslimsentiment weer een geliefd onderwerp, en niet alleen bij Donald Trump, met zijn voorstel om moslims te weren. Ook Ted Cruz heeft zijn steentje bijgedragen, toen hij zei: ‘We moeten de politie de middelen geven om de orde in 
islamitische wijken te handhaven, voordat die radicaliseren.’

    Een politieman in Dearborn houdt de wacht terwijl bezoekers de moskee verlaten, vlak na de aanslagen van 11 september 2001. – © Bill Pugliano / Getty Images
    Een politieman in Dearborn houdt de wacht terwijl bezoekers de moskee verlaten, vlak na de aanslagen van 11 september 2001. – © Bill Pugliano / Getty Images

    Amerikaanse politiemensen die betrokken zijn bij de pogingen om 
terrorisme tegen te gaan, voelen zich hier bepaald niet prettig bij: volgens hen is er al veel contact tussen Amerikaanse moslimgemeenschappen en de Amerikaanse politie- en inlichtingendiensten. En die gemeenschappen 
blijken niet ‘geradicaliseerd’ te zijn, maar juist verbazingwekkend coöperatief. Verschillende bronnen binnen de Amerikaans politie- en inlichtingendiensten schetsen een beeld van een grotendeels stilgehouden maar wijdverbreide manier van werken: om terrorisme tegen te gaan en inlichtingen te verkrijgen is de federale overheid diep doorgedrongen in moslimgemeenschappen. Hun aanpak bestaat niet zozeer uit surveilleren, maar uit geavanceerde, zij het soms inbreukmakende programma’s gericht op het versterken van contacten en het winnen van informanten. Het resultaat is volgens Amerikaanse functionarissen dat Amerikaanse moslimwijken veel meer meewerken aan het bestrijden van 
islamitisch terrorisme dan hun Europese tegenhangers.

    Bij de bron

    Onlangs ging de grootste van deze federale programma’s van start: een taskforce met vertegenwoordigers 
van de verschillende diensten, 
gecoördineerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat betekent dat geld en bevoegdheden die voorheen altijd over verschillende diensten waren verdeeld nu voor het eerst op één plek terechtkomen. Als onderdeel van dat programma zet de FBI zogenaamde ‘Shared Responsibility Committees’ 
op, waarin mensen uit de federale (FBI) en plaatselijke politie, de geestelijke gezondheidszorg, binnenstads- en schoolprogramma’s, maatschappelijk werkers en imams en andere religieuze leiders samen een aanpak bedenken – en tevens verdacht gedrag onder de aandacht van de FBI brengen.

    Het gaat er niet om verdachten in de val te lokken, zeggen de autoriteiten. De bedoeling is juist om de vervreemding bij de bron aan te pakken en jonge mensen die zich aangetrokken voelen tot IS of andere radicale propaganda, op andere gedachten te brengen en 
ze via therapie en gespreksgroepen terug te brengen naar de samenleving, voordat het te laat is. Maatschappelijk werkers en therapeuten zullen toegang krijgen tot geheime informatie en de Shared Responsibility Committees 
zullen onder andere bespreken of er sprake is van duidelijk misdadige opzet en of ‘alternatieve straffen’ in plaats van lange gevangenisstraffen misschien beter zullen werken.

    Antimoslimgraffiti op de muur van het Islamic Center in de stad. – © Bill Pugliano / Getty Images
    Antimoslimgraffiti op de muur van het Islamic Center in de stad. – © Bill Pugliano / Getty Images

    Maar natuurlijk geeft het programma ook een stevige basis aan het informantennetwerk van de FBI. Er is veel discussie geweest over dit soort programma’s. In New York maakte burgemeester Bill de Blasio een eind aan een controversieel profilingprogramma van het New York Police Department dat volgens de Amerikaanse burgerrechtenorganisatie ACLU [American Civil Liberties Union] zo ongeveer elke mannelijke moslim als verdachte aanmerkte.

    In de val

    Een van de middelen die het hoofd van de FBI kan inzetten in de strijd tegen potentiële terroristen – via agressieve undercoveroperaties – staat in de ogen van veel mensen bovendien gelijk met ouderwets in de val lokken. Uit een onderzoek uit 2014 door Human Rights Watch bleek dat ‘in sommige gevallen de FBI misschien wel terroristen heeft gemaakt van gezagsgetrouwe individuen door infiltratieoperaties uit te voeren die de bereidheid van het doelwit om een aanslag te plegen onderzocht en die vervolgens faciliteerde’. In het geval van de ‘Newburgh Four’ (vier moslimmannen uit Upstate New York die in 2014 door de FBI in de val werden gelokt en gearresteerd), zei een rechter dat ‘de overheid de misdaad en de middelen leverde en alle relevante belemmeringen uit de weg ruimde.’

    Volgens politiefunctionarissen zijn deze methodes wel degelijk effectief, al hebben ze ‘lone wolf’-aanslagen, zoals de schietpartij in San Bernardino en de bomaanslag op de marathon van Boston in 2013, niet weten te voorkomen.

    De Amerikaanse aanpak van moslimgemeenschappen is in het algemeen genuanceerder dan die in Frankrijk, waar de politie duizenden moslims 
in de gaten houdt die niets te maken hoeven te hebben met terreurplannen. En veel waarnemers geloven dat die genuanceerdheid een grote rol speelt bij het beantwoorden van die grote vraag: waarom hebben de Verenigde Staten, die toch lange tijd het hoofddoelwit zijn geweest van jihadistische haat, geen terreurprobleem van eigen bodem zoals Europa?

    De agressieve FBI-operaties staan volgens velen gelijk aan uitlokking

    Enkele redenen liggen voor de hand. Europa is geografisch verbonden met Syrië en andere terroristische vrijhavens, en de VS is dat niet. Maar de meeste deskundigen zijn het erover eens dat een deel van de verklaring ligt in de Amerikaanse moslimgemeenschappen zelf. De Amerikaanse moslims zijn veel sterker geassimileerd en patriottischer dan de vervreemde islamitische onderklasse in Frankrijk en België – die vaak bestaat uit ontevreden Algerijnse of Marokkaanse jongeren. En volgens Amerikaanse autoriteiten zijn Amerikaanse moslims zelf enorm behulpzaam geweest bij het verhinderen van aanslagen. ‘In de meer dan tien jaar dat ik nu bij de federale overheid werk, zijn Arabische en Zuid-Aziatische islamitische gemeenschappen in het hele land een van de grootste hulpbronnen geworden voor de bescherming van de veiligheid van ons land en het bevorderen van de Amerikaanse waarden,’ zegt George Selim, die bij Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is voor de nieuwe taskforce.

    Volgens radicaliseringsexpert Jessica Stern is één probleem voor IS-ronselaars in Amerika – waarvandaan procentueel tien keer minder moslims geprobeerd hebben af te reizen naar Islamitische Staat dan vanuit veel West-Europese landen – dat ‘Amerikaanse moslims gewoon te gelukkig zijn. Uit opiniepeilingen blijkt dat Amerikaanse moslims patriottisch zijn. Zij zijn aantoonbaar gelukkiger met de koers van het land dan niet-moslims. Als jongeren in de verleiding komen om zich bij een jihadistische groep te voegen, doen hun ouders vaak alles om ze tegen te houden. Gelukkig heeft de politie in verscheidene Amerikaanse steden een goede vertrouwensband met ze opgebouwd.’

    Dearborn en Molenbeek verschillen van elkaar als dag en nacht

    Een aantal gevallen in de afgelopen jaren illustreert hoe bepaalde situaties in de Verenigde Staten uit hadden kunnen groeien tot aanslagen à la Brussel, maar dat niet deden. In 2010 werd Farooque Ahmed, een genaturaliseerde Pakistaan uit Noord-Virginia, aangegeven door iemand uit zijn moskee en vervolgens aangeklaagd wegens het beramen van een aanslag op metrostations. In 2014 werd de FBI door een plaatselijke informant gewaarschuwd dat drie islamitische tieners van plan waren zich bij IS in Syrië te voegen.

    Moskeegangers passeren een auto met Amerikaanse vlag, eind 2001. –  © Bill Pugliano / Getty Images
    Moskeegangers passeren een auto met Amerikaanse vlag, eind 2001. – © Bill Pugliano / Getty Images

    Maar zoals altijd verplaatst de dreiging zich. John D. Cohen, die aan het hoofd stond van het programma tegen gewelddadig extremisme van Binnenlandse Zaken en nu doceert aan Rutgers University, zegt dat de IS-dreiging nu diffuus is en wordt verspreid via internet, zodat het niet veel zin meer heeft om zich op speciale moslimgemeenschappen te richten – althans niet in de Verenigde Staten. ‘Wat we nu zien 
is dat terroristen in spe niet gewoon in moslimgemeenschappen leven, en zelfs niet altijd een islamitische achtergrond hebben,’ zegt Cohen. ‘Het gaat vaak 
om verwarde mensen die hun leven betekenis willen geven door voor zo’n zaak te gaan vechten. Ze weten vaak nauwelijks iets van de islam.’

    Het is ook een kwestie van het efficiënt uitwisselen van inlichtingen, een belangrijk onderdeel van de inspanningen van Binnenlandse Zaken, dat in Europa veel minder ver gevorderd is. ‘Er zijn twee verschillen met West-Europa,’ zegt Cohen. ‘De ene is dat de immigrantengemeenschappen daar veel minder vertrouwen hebben in de 
politie en in andere mensen. Maar de andere reden waarom wij in dit land zo veel aanslagen hebben ontdekt en voorkomen, is dat de inlichtingenstroom tussen plaatselijke en nationale diensten ongelooflijk verbeterd is sinds 9/11. Ik vermoed dat de informatie over de verdachten die Turkije doorgaf aan de Belgische autoriteiten, wel naar de inlichtingendienst ging, maar misschien niet naar politiemensen. Het zou wel eens kunnen dat die er niet vanaf wisten.’

    Schadelijk

    In de Verenigde Staten vrezen veel betrokkenen nu dat de antimoslimretoriek uit de verkiezingscampagne schadelijk is voor hun zo zorgvuldig opgebouwde programma’s, waaronder ook de nieuwe task force.

    Haddad in Dearborn en andere Amerikaanse politiemensen zijn bang dat deze nieuwe golf openlijke islamofobie de radicalisering die zij juist hebben geprobeerd te beteugelen, weer aanwakkert. Tot nu toe lijken hun inspanningen te werken: Charles Kurzman, socioloog aan de University of North Carolina, zegt dat het relatief kleine aantal moslims in Amerika dat zich aangetrokken voelde tot de IS-ideologie, de laatste tijd nog verder is afgenomen. ‘Het aantal dat naar het buitenland wil reizen (waarschijnlijk naar Islamitische Staat) was tussen half 2014 en half 2015 op zijn hoogtepunt en is daarna aanzienlijk gedaald. Een mogelijke reden daarvoor is dat de aantrekkingskracht van IS is afgenomen door de gewelddadige en wrede beelden.’

    Auteur: Michael Hirsch
    Vertaler: Annemie de Vries

    Politico
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000

    Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.

  • Een jonge imam tegen radicalisering

    Een jonge imam tegen radicalisering

    De piepjonge Oussama Khallouf (20) preekt elke vrijdag in de moskee van Bonneville in de Haute-Savoie. Met in Frankrijk opgeleide imams zoals hij hoopt de regering-Hollande radicalisering tegen te gaan.

    Hij is een fan van carpoolplatform BlaBlaCar, ‘want een student groeit het geld niet op de rug’. Om twaalf uur ’s middags carpoolt Oussama vanaf zijn school in Château-Chinon in de Nièvre naar het huis van zijn ouders in Mâcon. Na een korte tussenstop reist hij met een deelauto verder naar Bonneville in de Haute-Savoie, waar hij sinds twee maanden elke vrijdag, de dag van het grote gebed, als imam fungeert. Met zijn spijkerbroek en basketbalschoenen, jack, stoppelbaardje en zijn iPhone in zijn hand ziet Oussama Khallouf er, buiten de moskee, doodgewoon uit. En zijn glimlach zal menig meisje in vervoering brengen. Daar beginnen we maar niet over, want hij geeft vrouwen maar zelden een hand, ‘niet omdat ze minderwaardig of onrein zouden zijn, zoals sommige mensen zeggen, maar uit respect, omdat de hand een deel van het lichaam is’. Daar komen we later op terug.

    Koranconcours

    We ontmoeten hem op de eerste verdieping van een gebouw in het centrum van Bonneville, op vijftig meter van de kerk. De gebedsruimte is krap maar de gelovigen schikken in. Je kunt hier niet buiten bidden, ‘want soms vallen er stenen uit het oude kasteel’, grapt Abdelkrim, een gelovige. Oussama heeft een witte qamis (lang gewaad) aangetrokken, met een capuchon in dezelfde kleur. Gezeten op zijn minbar (stoel) houdt hij in het Arabisch en Frans een preek over broederschap en het verbod op kwaadspreken. Twintig jaar en nu al prediker? De oude mannen die naar hem luisteren zitten er niet mee. Ze respecteren zijn eruditie en voordrachtskunst. Want deze jongeman kende op zijn twaalfde al de Koran uit zijn hoofd. In 2014 was hij finalist tijdens het twaalfde nationale Koranconcours in Parijs, waar de deelnemers gememoriseerde teksten moesten voordragen.

    Maar Oussama is in de eerste plaats student aan het Europese Instituut voor Menswetenschappen (IESH) in Château-Chinon, dat in 1992 is geopend door de aan de Moslimbroeders gelieerde Unie van Islamitische Organisaties in Frankrijk (UOIF). De school levert elk jaar een tiental in Frankrijk opgeleide imams af. Een beroepsopleiding die hoog op het verlanglijstje van de Franse overheid stond en sterk wordt aangemoedigd sinds de aanslagen van januari en november in Parijs. De studenten worden er tijdens hun opleiding aan herinnerd dat ze in een niet-confessionele maatschappij leven met diverse politieke, religieuze en filosofische stromingen. ‘Dit soort scholen is een alternatief voor buitenlandse opleidingen waar alleen maar Arabisch wordt gesproken en de Franse cultuur wordt miskend,’ benadrukte onlangs Frans premier Manuel Valls.

    ‘Vóór de komst van de islam waren meisjes geen mensen’

    ‘Ik ben geboren in Marokko maar op mijn dertiende bij mijn vader in Mâcon gaan wonen. Hij is ook imam. Ik wilde naar deze school om mijn kennis van de islam te verdiepen en die vervolgens te kunnen uitdragen. Wij krijgen na drie jaar een diploma en als je resultaten goed zijn kun je daarna voor een doctoraat gaan,’ legt hij uit. Elke lichting telt tweehonderd studenten, zestig procent mannen (vaak met baard) die niet allemaal imam worden, veertig procent vrouwen (voor het merendeel gesluierd) die zijn voorbestemd voor een carrière als vwo- of universiteitsdocent of onderzoeker.

    Tijdens de colleges zitten de meisjes achter de jongens. Is dat normaal? ‘Vóór de komst van de islam waren meisjes geen mensen, ze werden vaak al bij hun geboorte gedood en de moslims hebben hen beschermd en een bestaan gegeven,’ betoogt Oussama. ‘De sluier beschermt hen ook,’ voegt hij eraan toe.

    oussama

    Het collegegeld bedraagt 3500 euro per jaar. Dat is duur, dus Oussama moet de eindjes aan elkaar knopen. De moskee in Mâcon houdt collectes om hem te helpen en ook de Culturele Maghrebijnse Vereniging van Bonneville draagt wat bij. ‘Wij betalen zijn vervoer en we geven hem eten en onderdak,’ zegt Djamal Benchabana, EHBO-arts en een van de leidende figuren in de plaatselijke moslimgemeenschap.

    Fundamentalisme

    Maar waarom zou je zo ver zoeken naar zo’n jonge imam? Antwoord: ‘De onze is oud en hij preekt alleen in het Arabisch. En we hebben hier jongeren die ons veel zorgen baren. We dachten dat Oussama misschien een goede invloed op hen zou kunnen hebben.’ Het gaat om een groep van zo’n twintig geradicaliseerde jongeren die hun eigen vereniging hebben gevormd, een eigen prediker hebben en op internet naar ‘van alles en nog wat’ zoeken, zeggen de ouderen. Deze jongeren zijn bekend. In het begin waren het er drie, werkloos, cannabisdealers. ‘Ze begonnen naar de moskee te komen maar ze gedroegen zich slecht, er werd gevreesd dat ze de andere jongeren zouden aansteken en dus zijn ze eruit gezet,’ licht Oussama toe.

    Ze hebben op straat andere vrienden gevonden maar zouden de drugshandel hebben verruild voor een radicale beoefening van hun godsdienst. ‘Het gevaar is dat ze veldwerk verrichten,’ voegt Oussama eraan toe. Hij vertrouwt ons toe dat ze hem al zijn komen ‘testen’, dat wil zeggen, naar hem zijn komen luisteren.


    Wat zou hij tegen hen kunnen zeggen? Op school wordt hij ingewijd in de Franse socioculturele realiteit, maar daar weet Oussama al heel veel van. ‘De sociale misstanden en onrechtvaardigheden zijn de eerste redenen om te radicaliseren,’ benadrukt hij. De vallei van de Arve en de daar gevestigde fijnmechanische industrie, die bloeide in de jaren zeventig van de vorige eeuw, boden werk aan duizenden Noord-Afrikanen. Hun kleinzoons leven in een heel andere tijd, waar de werkgelegenheid schaars is. Oussama vervolgt: ‘Ik heb al geradicaliseerde jongeren ontmoet, ik stel ze vragen om hun kennis te testen en ik zeg ze dat ze niet in staat zijn om het woord van de Profeet te begrijpen. Maar ze halen bepaalde dubbelzinnige Koranverzen aan die door videopredikers naar eigen goeddunken worden uitgelegd. Het lijkt onmogelijk om ze ervan te overtuigen dat ze het mis hebben, maar de islam is een geduldige godsdienst, dus leg ik al mijn geduld in de schaal.’

    Ook van de moslims in Bonneville wordt veel geduld gevraagd voordat de plaatselijke overheid bereid is hun een terrein te verkopen voor de bouw van een ‘echte’ moskee. Die zou in 2018 moeten opengaan: 4200 vierkante meter, plaats voor 700 gelovigen, een moderne architectuur met een koepel en een school om Arabisch en de Koran te leren.

    Oussama denkt dat zo’n open, moderne plek het gevoel van trots en waardigheid kan vergroten en het fundamentalisme kan inperken. Hij heeft zin om er voltijds ‘aan de slag’ te gaan zodra zijn doctoraat binnen is.

    CONTEXT: Niet te veel islamitische realiteit alsjeblieft!

    Om in 2017 herkozen te worden riep François Hollande op tot verscherping van de veiligheidsmaatregelen en verlenging van de noodtoestand. Aan de andere kant ‘wil hij de 85 procent van de moslimbevolking die in 2012 op hem heeft gestemd niet tegen zich in het harnas jagen’, aldus The Wall Street Journal. Daarom ‘doet hij niet echt een poging om de radicale islam te definiëren, noch om actief op te treden tegen de rol die deze dikwijls speelt in de voorsteden van Parijs, Lyon en Marseille.’

    ‘Niet te veel islamitische realiteit alsjeblieft!’ lijkt het motto van de Franse autoriteiten volgens dit Amerikaanse hoofdartikel. ‘Het begint bijzonder politiek incorrect te worden om de islam in Frankrijk te associëren met een rechtvaardiging en motivering voor de gruwelen van het Franse jihadisme.’ Een houding die The Wall Street Journal inspireert tot de opmerking dat niemand veilig is, van de Noordzee tot aan de Middellandse Zee. ‘Wie leeft er nog meer met vijftienduizend “streng islamitische” salafisten in zijn buurt?’

    Auteur: Christian Lecomte
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Temps
    Zwitserland, dagblad, oplage 49.000
    Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.