Tag: rampgebied

  • Het leven in Turkije na de aardbeving: ‘Het zal nooit zijn alsof het niet gebeurd is’

    Het leven in Turkije na de aardbeving: ‘Het zal nooit zijn alsof het niet gebeurd is’

    Tijdens de aardbeving in Turkije zes maanden geleden verloor Turgut Aslantürk alles. Zijn vader, zijn broer, vrienden, buren. En zijn aanstaande bruid. Hij stopte met praten en op een gegeven moment ook met zoeken. Hij leeft nog, maar dat is alles.

    ‘We zijn gestorven,’ zegt hij later. Wat natuurlijk niet klopt – die zin kan niet bestaan. Niet in de eerste persoon meervoud in de voltooid tegenwoordige tijd. Maar toch is zijn uitspraak waar.

    De laatste minuut van wat zijn leven was, begon om 4.16 uur op 6 februari. Hij had nachtdienst, hij was wakker, hij stond in het uniform van zijn beveiligingsbedrijf bij de ingang van de kliniek waar hij werkt als bewaker. In Kahramanmaras, een kleine stad in Zuid-Turkije, hoog gelegen, koud in de winter, warm in de zomer, nog altijd arm.

    Noodlot, geluk, toeval – zijn rooster zorgde ervoor, als je het zo wilt noemen. Hoe dan ook, Turgut Aslantürk was niet thuis en lag niet in zijn bed toen het plafond naar beneden kwam, samen met beton en staal. Het appartement waar hij met zijn familie woonde en dat instortte, lag op de vierde verdieping van een gebouw met zeven woonlagen. In zijn woorden ‘stortte de wereld in boven onze hoofden’. Om 4.17 uur ’s ochtends schudde de aarde. Daarna deed tijd er niet meer toe.

    Tijdlijn vol overledenen

    Hij vertelt dat hij ’s nachts onmiddellijk vertrok. Weg van de kliniek – hij moest naar huis, checken, weten wat er aan de hand was. Onderweg belde hij zijn vader. Geen antwoord. Toen stond hij voor het huis dat hij een paar uur daarvoor had verlaten om naar zijn werk te gaan. Althans, hij stond voor wat zijn huis was geweest. Een nieuwe woonwijk, pas een paar jaar geleden gebouwd. De huizen moesten tegen elkaar zijn gezakt en toen zijn ingestort. Het duurde even voordat hij doorhad op welk deel van de berg puin zijn huis eindigde en dat van de buren begon.

    Urenlang stond hij daar. Hij ging niet weg. Alle drie werden ze op de eerste dag gevonden: zijn ouders en zijn broer. Hij zag hoe de reddingswerkers de lichamen wegdroegen. Zijn moeder ademde nog. Ze was de enige overlevende van de vijf in het huis, vijf van de honderdzeventig totaal. Dat was zijn kans op overleven geweest als hij in zijn bed had gelegen. Geluk?

    Zes maanden later vertelt hij over zijn tijdlijn op Instagram. Die stopte die nacht als een klok, net als zijn leven. Het is een tijdlijn vol overledenen – veel mensen zijn er niet meer. Turgut Aslantürk scrolt door de foto’s van de doden. Meer dan vijftigduizend mensen stierven alleen al in Turkije door de aardbeving, tienduizenden daarvan in Kahramanmaras. Op zijn Instagram-feed telt hij honderd doden. Zijn vader, zijn broer. Vrienden. Buren. Zijn bruid ook, zijn aanstaande bruid. Het zal nog even duren voordat hij haar naam noemt.

    We zijn gestorven, zegt hij. Zijn leven hield op. En toch wordt hij gewoon elke ochtend wakker, als hij tenminste geslapen heeft, of hij wil of niet. Het wordt licht, het wordt zomer. Hoe gaat het verder? Gaat het verder?

    De eerste keer dat ik hem ontmoette, was hij op zoek naar iets. Een stoere kerel, maar niet onvriendelijk. Eentje met een kaal hoofd, een klein snorretje, 34 jaar oud. De werkers kenden hem al. Met hun graafmachines groeven ze het puin weg van wat drie weken eerder zijn huis was geweest. En nu was hij, Turgut Aslantürk, de enige die hier nog elke dag kwam.

    Niemand verwachtte nog iets uit het puin, de laatste stemmen van de slachtoffers waren verstomd, er waren geen wonderen meer te verwachten, er lagen alleen nog dode mensen onder. Alles wat ooit bezit was lag er, ontwricht, vastgeklemd tussen stukken muur en ijzerdraad. Alle spijkerbroeken, schoolboeken, slippers. Een samengeperst leven.

    Turgut Aslantürk leek verlegen. Hij keek je niet aan, keek je niet in de ogen, hij richtte zijn blik op een punt ergens in de verte. Hij droeg de zwarte jas van zijn beveiligingsbedrijf, een zwarte broek, een zwarte rugzak op zijn rug. Zo liep hij tussen de graafmachines door over het met puin bezaaide terrein. Te midden van het stof en het gebrul van de machines. De andere overlevenden kwamen niet meer, die waren vertrokken naar de tentenkampen, ze bleven weg. Waar kwam hij voor?

    ‘Om iets te vinden,’ zei Turgut Aslantürk.

    Eén procent

    Hij had een soort van speciale vergunning, afgegeven door de graafmachinisten, hij mocht op de puinhoop komen. Bijna niemand anders mocht dat, het was te gevaarlijk. Alleen hij, want het was gewoon zijn adres. Een goed adres, had hij destijds gedacht. Naast het puin stonden nog de reclameborden van de bouwbedrijven: een nieuwe wijk, zoals overal in Turkije. Moderne gevels voor de Turkse middenklasse. Erdogans brave new world, snel gebouwd. Te snel.

    Enorme woede voelde hij op die koude dag in februari, twee weken later, toen er nog steeds sneeuw lag op de bergen boven Kahramanmaras. Nog niet alle doden lagen onder de grond – ze werden nu begraven in massagraven buiten de stad. ‘Ze moeten gestraft worden.’ Dat bleef hij maar zeggen. Met ‘ze’ bedoelde hij de regering. Erdogan, die hier altijd driekwart van de stemmen kreeg. Hij riep het tegen het lawaai van de gravers: ‘Slechte bouw! Slecht cement! Slechte grond!’ Vroeger was hier een moeras, en een akker. De moderne gevels die erop werden gezet, zijn ingestort.

    Turgut Aslantürk was op zoek naar iets wat hem zou verbinden met zijn leven van voor 6 februari

    En nu waren ze alles al aan het wegscheppen, aan het platwalsen als schroot. En hij dan? Hij had niets, helemaal niets. Hij had alleen nog wat hij de avond ervoor had meegenomen naar zijn nachtdienst. Wat zocht hij? ‘Iets persoonlijks.’ Hij was op zoek naar iets, zei hij, wat van zijn familie was geweest. Een foto misschien. Iets. ‘En het oude zwaard.’ Een erfstuk. Een stuk uit de Ottomaanse tijd, niet waardevol, maar wel iets ‘uit ons verleden’. Turgut Aslantürk was op zoek naar iets wat hem zou verbinden met zijn leven van voor 6 februari. Iets om aan te raken. Iets om te kunnen geloven dat dat leven echt had bestaan. In die tijd ging hij nog elke dag naar zijn werk, altijd in dezelfde kleren. Na afloop nam hij dan de bus naar het centrum, net als vroeger, de oude weg naar huis. Dan zocht hij een tijdje in het puin, maar vond geen zwaard, vond helemaal niets. ’s Avonds ging hij naar een van de opvanglocaties voor slachtoffers van de aardbeving in een basisschool, en ging dan in een hoekje liggen slapen.

    Alleen zijn. Turgut Aslantürk wilde niets liever dan dat. Hij wilde urenlang door het puin lopen, alleen tussen de graafmachines, strijdend met hun schoppen. Maar elke dag werd het minder waarschijnlijk dat hij nog iets zou vinden. ‘Eén procent.’ Zo hoog schatte hij zijn kansen in. Hij wist dat die eigenlijk nog dichter bij nul lagen. Maar hij kon er niets aan doen. Morgen zou hij terugkomen, zei hij.

    Hij was al bijna vertrokken, maar toen begon hij te smeken. De stoïcijnse Turgut Aslantürk – de man alleen op de berg puin, de man die even boos werd, maar die verder zijn kalmte had bewaard – vergat zijn trots. ‘Kan niemand me dan helpen? Kunnen jullie in Istanbul vragen wie me zou kunnen helpen? Is er dan helemaal geen hulp? Helemaal niets?’ Toen draaide hij zich om, naar de ravage van zijn huis om opnieuw in het puin te duiken.

    Ademhalingsoefeningen

    Een containerlandschap moest het nieuwe centrum worden van zijn stad, van Kahramanmaras. Vlak naast de ingestorte huizen van zijn wijk. Bakkerijen. Banken. Mobieletelefoonwinkels. Alles in containers naast elkaar, een winkelcentrum van blik. Het zou eruit moeten zien alsof het leven in de lente normaal doorging, maar nu zag het er alleen maar doods uit. Bussen met forenzen reden door het kapotte stadscentrum – het leven van alledag ging door, zij aan zij met de ramp. In het blikken winkelcentrum, op de rand van een muurtje, zat Turgut Aslantürk. Hij had die dag vrij.

    Hij had niets meer, maar was nog steeds werknemer. Hij was de man van februari. Hij sprak in korte zinnen. Zinnen die niet tot een gesprek leidden, maar alleen tot stilte. Had hij iemand om mee te praten? ‘Niemand, er is niemand meer.’ Zijn moeder? ‘Ze ligt in het ziekenhuis.’ In shock, net als hijzelf. Psychologische hulp? Hem waren ademhalingsoefeningen geadviseerd. ‘Dat helpt misschien twintig procent.’

    Zo zat het dus, hij was twintig procent oké. Hij woonde in de school, nog steeds. In Kahramanmaras waren de huren na de beving gestegen, ze waren verveelvoudigd. Mensen van de gemeente gingen rond en controleerden de onbeschadigde huizen op bestendigheid tegen aardbevingen. Naar verluidt sloegen ze binnen op de muren, waarna ze de huizen veilig verklaarden. Die werden zo gewild dat bijna niemand ze kon betalen. Maar veilig? Wie moest dat geloven?

    Turgut Aslantürk wilde weg. Nee, hij was niet meer de man die hij in februari nog was. Een maand lang, tot in maart, was hij elke dag naar de puinhoop van zijn huis gegaan en had hij niets gevonden. Nu vermeed hij de aanblik, vermeed hij de buurt en het liefst zou hij de hele stad, en nog liever het land, mijden. ‘Er zijn toch veel Turkse arbeiders in Duitsland?’ vroeg hij. ‘Kan ik daar niet heen? Wat doe ik hier nog?’

    Psychologen uit Istanbul en Ankara werkten nu als vrijwilliger in het aardbevingsgebied. In de containerstad beschreef Nazan Rümeysa Tekin – een therapeute uit Ankara en gespecialiseerd in trauma’s – wat er was gebeurd met iemand als Turgut Aslantürk. ‘Dit zijn de zwaarste gevallen,’ zei ze. ‘Dit zijn degenen die hun hele netwerk, alles, zijn kwijtgeraakt.’

    ‘Je bent niet gek geworden, er is alleen iets geks met je gebeurd’

    Volgens Nazan Rümeysa Tekin moet ze haar patiënten steeds opnieuw één ding vertellen, keer op keer: je bent niet gek geworden. Er is alleen iets geks met je gebeurd. Mensen durven amper gebouwen te betreden of te slapen, ze hebben angst voor de nacht. Om 4.17 uur kwam de beving als een nachtmerrie.

    Van elke vijf mensen die de beving hebben meegemaakt, is er een ernstig getraumatiseerd. Ze zouden hoofdpijn hebben van het geschreeuw. De psycholoog zegt dat het geschreeuw van degenen die door de aardbeving bedolven werden niet kan worden uitgewist, dat het in de geest blijft hangen. Voor altijd? ‘Het zal nooit zo zijn alsof je het niet hebt meegemaakt.’ Het enige wat je kunt doen, is proberen een nieuw leven op te bouwen. Nieuwe huizen, nieuwe vrienden. ‘Een mooi leven, misschien,’ aldus Nazan Rümeysa Tekin.

    Voor haar, 25 jaar oud en net van de universiteit, is het haar eerste crisismissie. ‘Maar zoiets als dit maakt iedereen eens voor de eerste keer mee,’ zegt ze in haar containerkantoortje.

    In april dacht Turgut Aslantürk na over hoe hij zijn schulden kan afbetalen. Want die waren er nog, net als zijn baan en de jas van zijn bedrijf. Zijn schuld bedraagt 70.000 Lira – voor de beving was dat zo’n 3500 euro. ‘Voor de bruiloft,’ vertelde hij. Voor de nieuwe flat met zijn bruid. Ze zouden het in de herfst vieren.

    Obstakel

    De derde ontmoeting. Hij staat op wacht voor zijn kliniek, in de namiddag, het is bloedheet, maar toch draagt hij zijn zwarte uniformjasje. Hij is altijd komen opdagen voor zijn dienst, elke dag. Dat is normaal, toch?

    Hij heeft even pauze. Turgut Aslantürk drinkt een kopje thee in de kantine, een container die voor de kliniek staat. Voor zijn werkplek. Binnen, in de kantinecontainer, doet de airconditioning haar werk. Verpleegkundigen eten toast, chocoladerepen. ‘We moeten weer bij zinnen komen,’ zegt hij. Zo begint het gesprek. Deze keer is hij aanweziger, maar zijn zinnen zijn nog steeds karig. Vandaag praat hij in ieder geval. Turgut Aslantürk vertelt. Over Seyma.

    Nou ja, vertellen is een groot woord. Het blijft een obstakel in het gesprek. Als je erover begint, slaat hij dicht. Geen details over haar, niets over hoe ze was. Een buurvrouw, een vriendin, jonger dan hij. Vijfentwintig. Wederzijdse vrienden stelden hen aan elkaar voor, een jaar voor de beving. Hij hield van haar vriendelijkheid, zegt Turgut Aslantürk. ‘Ze wilde altijd alles delen.’ Een goed mens. Zijn blik wordt nerveus, dwaalt af naar beneden, naar de tafel. ‘In september zouden we …,’ zegt hij. Trouwen.

    Nog geen vol jaar na de beving. Dan zouden ze hun intrek hebben genomen in een nieuwe flat, waarvoor Turgut Aslantürk al dingen had gekocht, de wasmachine, de televisie. Ze zouden met z’n tweeën verhuizen, misschien weg van het centrum. Verder weg, naar waar de meeste gebouwen overeind zijn gebleven, naar waar de overgrote meerderheid van de mensen het overleefd heeft. Waren ze eerder getrouwd, dan was de aarde later gaan schudden, slechts enkele maanden maar.

    Is dat wat hij denkt? Nu, een half jaar later? ‘Altijd,’ zegt Turgut Aslantürk. ‘Elke dag.’

    In april wilde hij niets liever dan vertrekken, nu trekt hij zich steeds verder terug. Hij slaapt nu in een containerkamp, maar niet samen met anderen in een container, ook al is er airconditioning. Hij woont in een tent. Alleen. Zo wil hij het. Hij heeft een deur die hij dicht kan doen. Van canvas weliswaar, maar het is een deur.

    Het moeilijke, zegt de psycholoog uit Ankara, is dat de aardbeving maar doorgaat voor sommigen. Door het leven in het kamp, door de noodtoestand. Het is moeilijk voor mensen om ermee in het reine te komen zolang zich niets nieuws voor hen aandient. Maar wat zou dat moeten zijn? Het kost tijd.

    De steden zijn in juli nog net zo kapot als in april en het leven is nog even provisorisch, met supermarkten in containers

    Zes maanden is niet lang. Als je voor de derde keer naar het aardbevingsgebied reist, verwacht je dat er iets veranderd is. Je ontmoet Turgut Aslantürk voor de derde keer, je ziet de ruïnes weer, de ravage en de graafmachines in het puin. Er ligt zoveel puin dat je er hele steden mee zou kunnen bedekken. De steden zijn in juli nog net zo kapot als in april en het leven is nog even provisorisch, met supermarkten in containers en daarnaast het dagelijkse leven van degenen die het geluk hebben dat hun huis nog overeind staat.

    Door de hitte ruik je nu de lijken. Vlak naast de ruïnes, op een bankje in het park, flirten twee jongens en twee meisjes met elkaar, het is zomer. Er is een oudere vrouw, die met haar auto rond de verwoeste huizen van familieleden rijdt, zoekend. Net als Turgut Aslantürk. Ze zoekt niet naar iets persoonlijks zoals hij, maar naar dingen die ze kan gebruiken. Ze komt net uit de ruïne van haar oom, een strijkplank in haar handen.

    Haar huid is rood van de zon, haar hand trilt. Dit is de eerste keer dat ze hier komt. Naar huis zou ze zeggen, als het niet zo fout zou klinken. ‘Eerst ging het niet,’ zegt ze. Een half jaar lang kon ze niets. ‘De eerste maand trilde ik alleen maar.’ Net als Turgut Aslantürk draagt ze een getal met zich mee. Ze noemt het meteen als haar gevraagd wordt of ze mensen is kwijtgeraakt. ‘Ja, dat ben ik,’ zegt ze. ‘Veertig.’

    Ze stopt de strijkplank in de auto en rijdt weg. Voor het huis van haar oom waait een vel papier op door de wind. Het is een CV van een jonge vrouw, ingenieur, heel goed in Microsoft Excel.

    Geen plannen

    Op dezelfde dag ontmoet je twee andere vrouwen, allebei voor het eerst in de stad sinds de aardbeving, allebei lopend tussen het puin. De ene huilt stilletjes, de andere luid. Ze lopen door hun stad alsof de aardbeving gisteren heeft plaatsgevonden. Geschokt door wat ze zien. De meeste anderen doen alsof de ruïnes normaal zijn en schenken er geen aandacht meer aan. Schok en onverschilligheid, er zit maar weinig tussen.

    Ook voor hem, voor Turgut Aslantürk. Hij heeft niet alleen de anderen verloren, maar ook zichzelf. Waarschijnlijk omdat een mens alleen bestaat in relatie tot anderen. Zonder de anderen weet hij niet meer wie hij is. Turgut Aslantürk kent zichzelf niet meer, dát is zijn verhaal.

    Nu, in juli, zijn de emoties opgelost, alsof hij niets meer voelt. Woede? Leidt tot niets. Zelfs woede op Erdogan of op de regering niet. In mei ging hij niet naar de stembus. Weggaan? Moeilijk. Hij laat het leven even los. Hij gaat aan het werk of bezoekt zijn moeder en doet dan van binnen zijn tent op slot. Er zijn geen plannen meer, zegt hij.

    Natuurlijk, hij is jong. Ooit zal hij weer in een flat wonen. Als er één ding is dat de Turkse regering kan, dan is het bouwen. De eerste bouwplaatsen in het aardbevingsgebied zijn al te zien, de president heeft iedereen nieuwe huizen beloofd voor volgend jaar. Experts zeggen dat dat niet kan, dat er weer te snel gebouwd wordt.

    Turgut Aslantürk zal zijn leven weer in elkaar moeten zetten, ooit zal hij zijn tent verlaten. Misschien neemt hij deze winter zijn intrek in een van de containers. Nieuwe mensen vinden, vrienden die zijn tijdlijn op Instagram tot leven brengen. Een vrouw als Seyma misschien, of iemand heel anders, iemand die hij niet meer met Seyma vergelijkt. Niet nu, maar over een half jaar. Nu is het nog te vroeg.

    ‘Het zal nooit zijn alsof het niet gebeurd is.’ Met die zin van de psycholoog zal hij moeten leven. Zelf zegt hij: ‘Het zal nooit meer hetzelfde zijn.’ De thee is op, wat valt er verder nog te zeggen? ‘Niets,’ zegt Turgut Aslantürk. Hij moet weer aan het werk, de kliniek bewaken.

    Vandaag en morgen ook en elke dag daarna.

  • Zo is Turkije er twee maanden na de aardbeving aan toe: ‘Je familie, je vrienden zijn dood’

    Zo is Turkije er twee maanden na de aardbeving aan toe: ‘Je familie, je vrienden zijn dood’

    Op 6 februari werden Turkije en Syrië getroffen door zware aardbevingen. Nog steeds wonen miljoenen mensen in tenten en rouwen ze om hun doden. Süddeutsche Zeitung bezocht de gehavende stad Kahramanmaras.

    Een bestuurder van een graafmachine vertelt hoe hij merkt dat zijn schop niet op betonpuin, kabels of kapotte schoolboeken is gestoten, maar op een lichaam. ‘Dan wordt die vochtig,’ zegt hij.

    Hij graaft verder, voorzichtig nu. Vocht in deze stoffige berg, waarin alles is samengeperst van wat ooit iemands huis was. Vocht is een teken van leven, een leven dat voorbij is. ‘Je wordt er voortdurend aan herinnerd,’ zegt hij. Elk moment, elke keer als de schep van zijn machine de berg puin in gaat. Al wekenlang doet hij niets anders. Ligt er een lichaam? Is het een dood dier?

    Wil hij dan niet wegkijken, om niet te hoeven zien wat de schep raakt? ‘Ik let op,’ zegt hij. ‘Vanzelfsprekend. Altijd.’

    Verder

    April in de Turkse stad Kahramanmaras, twee maanden na de aardbevingen. Ze noemen het nu de ramp van de eeuw en dat klinkt groot maar ook passend. Volgens de Turkse regering kwamen iets meer dan vijftigduizend mensen om. In Syrië zou het om ongeveer zevenduizend slachtoffers gaan. De Turkse oppositie wantrouwt de cijfers, nu ze heeft ontdekt dat sinds de bevingen bijna driehonderdduizend mobiele telefoons niet meer bereikbaar zijn.

    Meer dan twee miljoen mensen leven in tenten, volgens president Erdogan. Dat cijfer klopt in ieder geval. Tijdens een urenlange tocht langs Koerdische dorpen tot aan de Middellandse Zee zie je overal verwoesting. Overal tenten. Een vluchtelingenkamp zo groot als half Duitsland, een vluchtelingenkamp op een begraafplaats. ‘We moeten verder.’ Reizend door de regio is er geen zinsnede die je vaker hoort.

    In de kapotte straat, de straat van de graafmachine, ging een kapper weer open. Stofwolken buiten en binnen, en alsof het normaal is: de geur van eau de cologne. Stilte. Alleen het gezoem van een scheerapparaat. Als je langere tijd in het aardbevingsgebied bent, lijkt het normale absurd.

    Je went aan de verwoesting, aan de scheefgezakte flatgebouwen, de opengereten gevels. Wat opvalt is het dagelijks leven. Pendelbussen rijden langs de ruïnes van Kahramanmaras, vol met mensen die van hun werk komen. Juweliers in Adiyaman zijn open en mensen kopen er gouden ringen. Met de ruïnes in hun blikveld.

    Op de vraag hoe dat is, eerst de aardbevingen en dan de overstromingen, komt geen antwoord

    Selma Sarikaya verliet haar woonplaats Adiyaman meteen na de bevingen. Haar familie woonde in de bergen, in een dorp niet ver weg. In Tut. Met haar man kocht Sarikaya een container, die ze op een stuk land bij de rivier in Tut zetten. Sarikaya, eind vijftig en al oma, creëerde een plek voor haar familie voor de eerste tijd. Of voor langer. Tegen haar broer in het dorp zei ze: Hier kunnen we bomen planten.

    Deze avond, na het breken van het vasten – het is ramadan – staat die broer in het donker naast de rivier. Zijn naam is Mehmet Kurt. ‘Het leven moet doorgaan,’ zegt hij.

    Het bericht kwam op 15 maart om half zeven ’s ochtends, anderhalve maand na de aardbevingen. Kort tevoren was een lawine van de berg boven Tut naar beneden gekomen. Een modderstroom.

    Kurt reed weg uit het dorp, naar de container. Die was verdwenen onder een muur van water en modder. ‘Hij werd verpletterd,’ zegt Kurt. Hij doorzocht de heuvel, vertelt hij. Vond een van zijn nichtjes. Zijn zus Selma vond hij ook. Een nichtje en haar kind van nog geen twee jaar oud werden dagen later door reddingswerkers gevonden, enkele kilometers verderop. Van de container was bijna niets meer over. De vier bewoners waren dood.

    Zo gaat het vaak in deze regio. Tussen leven en dood zitten slechts enkele meters, een paar seconden

    De minister van Binnenlandse Zaken kwam over uit Ankara. De pers was er ook. In gele regenponcho’s liep de stoet door Tut. Ergens daartussen liep ook Mehmet Kurt, de broer. Op de vraag hoe dat is, eerst de aardbevingen en dan de overstromingen, komt geen antwoord maar een schouderophalen. ‘Wat moet ik zeggen?’

    Hij wijst naar de modderige aarde in de duisternis. ‘Daar,’ zegt hij, wijzend naar vijf meter verderop. ‘Daar stond haar auto, er is niets mee gebeurd.’ De rivier liep op dat punt onder de weg door via een pijp. Die pijp was niet bestand tegen de plotselinge stroomvloed en brak. De uitbarsting raakte de container van Selma Sarikaya. De weg, zegt haar broer, had nooit zo aangelegd mogen worden. Misschien hadden ze pech. Aan de andere kant: de aanleg van de weg was illegaal.

    Zo gaat het vaak in deze regio. Tussen leven en dood zitten slechts enkele meters, een paar seconden. Je ziet een onaangetast gebouw met daarnaast een hoop puin. Goed gebouwd, slecht gebouwd. Geluk, pech. Voor de een gaat het leven door, bijna zoals normaal; van de ander is de complete familie weggevaagd. De zus van Mehmet Kurt stierf en twee van haar dochters en een kleindochter. Acht mensen uit de container leven nog omdat ze eruit weg wisten te komen. Het gebeurde anderhalve maand na de bevingen en twee weken voor deze avond waarop Mehmut Kurt mensen bij hem thuis heeft uitgenodigd. ‘Thee?’

    Nieuw in de wereld

    Twee maanden is een lange tijd. De journalisten trokken verder – niet alleen de buitenlandse maar ook de Turkse. De mediakaravaan duikt weer op als Recep Tayyip Erdogan een iftarmaaltijd nuttigt met slachtoffers. Het breken van het vasten. De media zijn er bij wanneer hij mensen briefjes van tweehonderd lira, iets minder dan tien euro, toesteekt en zijn arm om hun schouder legt. In het aardbevingsgebied is het nu ook verkiezingstijd.

    In het stof staan de wagens van het Turkse postkantoor, de wagens van de banken, met daarop ‘mobiel filiaal’. Je kan brieven versturen en geld opnemen tussen de ruïnes, en als je wilt kan je bidden in een mobiele moskee. Er zijn containerdorpen ontstaan met winkels en snackbars, want ja: het leven gaat overal door.

    Twee maanden is een korte tijd, de mensen die er niet meer zijn hadden net nieuwjaar gevierd. Op de massabegraafplaats in Kahramanmaras zit een oudere man naast een graf. Hij heeft een luidspreker bij zich, luistert naar een gebed, kijkt naar de grond. Hij is alleen tussen honderden, nee, duizenden graven.

    Is het echt gebeurd? Met zo’n blik lopen de overlevenden over straat. Het leven gaat door maar op hun gezicht staat nog steeds de schok te lezen. Nu, tijdens ramadan, staan ze ’s avonds in de rij, ook in het aardbevingsgebied komen ze bijeen om het vasten te breken. Het leger heeft veldkeukens opgezet voor slachtoffers en hulpverleners.

    Hij arriveert in de middaghitte, als de machinisten van de graafmachines het voor gezien houden. Dan gaat hij op zoek

    Een psycholoog van het ministerie voor Gezinszaken staat in de rij en zegt dat ze hier is om psychologische eerste hulp te verlenen, meer niet. Achter haar spreekt een imam over het leven na de bevingen. ‘Het is alsof je opnieuw geboren wordt,’ zegt hij. ‘Je familie is dood, je vrienden zijn dood. Je bent weer nieuw in de wereld.’

    ‘Ja,’ zegt iemand op een berg puin aan de rand van de stad, ‘we leven.’ Hij stelt zich voor als Mohammed. Hij is degene die kan vertellen waar alles wat op 6 februari is ingestort is gebleven. Het puin van Kahramanmaras ligt onder meer platgewalst in een veld naast een verkeersader, tussen fabrieken en autodealers.

    Er is niemand, lijkt het, als je over draden klautert, balletschoenen, pruiken, schoolboeken en nog veel meer schoolboeken. Alles is door de graafmachines samengeperst tot een massa van een paar meter hoog. Het is een waanzinnig dode plek. Maar dan verschijnt er een mens in het puin: Mohammed.

    Hij draagt een plastic zak over zijn schouder, met restjes koper erin. Hij gaat even zitten. Syrië, Idlib, de oorlog, op de vlucht, nieuw in Turkije, werken in textielfabrieken, werken op een heftruck. Zo somt hij het op. ‘Het leven,’ zegt hij. ‘Maar zonder geluk. Ze zeggen: je bent buitenlander. En je wilt hier niet voor altijd blijven.’

    Hij overleefde de nacht van de aardbeving, net als zijn vrouw en zoon. Ook met zijn flat is bijna niets gebeurd. Maar de fabrieken zijn kapot. Er is geen werk meer, nergens. ‘Kijk mij dan,’ zegt hij. ‘Vierentwintig jaar oud en nu zit ik hier.’ Op de puinhopen van een aardbeving. Strikt genomen is hij een dief. Hij arriveert in de middaghitte, als de machinisten van de graafmachines het voor gezien houden. Dan gaat hij op zoek. Naar koper. Naar alles wat verkocht kan worden.

    Acht jaar na zijn vlucht uit Syrië, twee maanden na de aardbevingen. Wat moet er van zo’n leven worden? Waar streeft Mohammed naar?

    ‘Gewoon rust,’ zegt hij. ‘Meer heb ik niet nodig.’

    Lees ook: