Het gaat om voormalige Oegandese rebellen van de ADF
Bij een aanval in het noordoosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) door de Armed Democratic Forces (ADF), een rebellengroep die banden heeft met de Islamitische Staat (ISIS), zijn minstens 43 mensen omgekomen, meldt Al Jazeera.
De regionale woordvoerder van het leger, luitenant Jules Tshikudi Ngongo, zei donderdag dat minstens 43 landgenoten zijn gedood en 44 huizen zijn platgebrand tijdens de aanval, die woensdagavond plaatsvond in Bafwakoa, in de provincie Ituri.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Het leger heeft moeite om de ADF, geleid door voormalige Oegandese rebellen, in bedwang te houden, terwijl het tegelijkertijd strijdt tegen verschillende andere rebellengroepen in het oosten – waarvan de grootste de M23 is, die wordt gesteund door Rwanda‘, voegt de Qatarese zender eraan toe.
Syrië staat nu aan het begin van de overgangsperiode
De nieuwe Syrische autoriteiten kondigden woensdag aan dat Ahmed al-Sharaa, de de facto leider van Syrië die op 8 december de macht greep door Bashar al-Assad omver te werpen, de opdracht had gekregen om een ‘wetgevende raad (…) te vormen voor de overgangsperiode’. Hoelang die periode zal duren werd niet gespecificeerd. Ze kondigden ook de ontbinding aan van het voormalige parlement, van alle gewapende groepen die het offensief tegen het voormalige regime hadden geleid, en van het leger. De Baath-partij, die Syrië meer dan zestig jaar bestuurde, houdt ook op te bestaan.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Dit is een historische dag’ voor het land, aldus Osama Bin Javaid, correspondent van Al-Jazeera in Damascus. Hij wees erop dat de overgangsperiode die nu begint de weg vrijmaakt voor een opheffing van de sancties die het Westen het vorige regime van Assad heeft opgelegd. Maandag bereikte de Europese Unie overeenstemming over een ‘routekaart’ voor het verlichten van deze sancties, in navolging van Washington, dat tijdelijke verlichting aankondigde om te voorkomen dat basisdiensten zoals de ‘levering van elektriciteit, energie, water, sanitaire voorzieningen’ en humanitaire hulp zouden worden belemmerd.
De groep zou afstand hebben gedaan van radicale elementen
Op woensdag riep Ankara de internationale gemeenschap op om de islamistische groepering Hayat Tahrir al-Cham (HTC), de drijvende kracht achter de val van het regime van Bashar al-Assad, van de lijst van terroristische organisaties te schrappen. In een interview met Al-Jazeera zei het hoofd van de Turkse diplomatie, Hakan Fidan, dat de groep ‘enorme vooruitgang heeft geboekt door afstand te nemen van Al-Qaida, Daesh en andere gerelateerde radicale elementen’.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Fidan verwierp ook de recente verklaring van de Amerikaanse president Donald Trump dat de overwinning van de rebellen in Syrië een ‘onvriendelijke machtsovername’ door Ankara was. ‘Het is de wil van het Syrische volk die vandaag de macht overneemt,’ zei de minister. ‘Met de omverwerping van Bashar al-Assad en de fragmentatie van Syrië oefent Turkije nu een belangrijke invloed uit op de toekomst van de regio,’ merkte de Qatarese zender niettemin op.
Dat maakte rebellenleider Al-Sharaa dinsdag bekend
De leider van de islamistische groep Hayat Tahrir al-Sham (HTC), Ahmed al-Sharaa, kondigde dinsdag aan dat ‘de verschillende rebellengroeperingen’ die het regime van Bashar al-Assad ten val brachten ‘ontmanteld zullen worden’ en dat hun strijders ‘getraind zullen worden om deel uit te maken van de gelederen’ van het nieuwe Syrische leger, meldt El País.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
HTC zal als eerste zijn gelederen ontbinden ‘in het algemeen belang van het land’, zei de militaire leider van de groep, Mourhaf Abou Qasra. ‘In elke staat moeten militaire eenheden geïntegreerd worden in een militaire instelling,’ zei hij.
De aankondiging van de vorming van een leger heeft een ‘juridische dimensie die diplomatieke contacten en het opheffen van sancties zou moeten vergemakkelijken’. HTC staat immers nog steeds op de lijst van terroristische organisaties van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken staat, schrijft El País.
Dienstplichtigen die onder Assad vochten krijgen amnestie
Rebellenleider Ahmed al-Sharaa, beter bekend onder zijn schuilnaam Abu Mohammad al-Julani, beloofde dinsdag voormalige functionarissen van het Syrische regime die betrokken waren bij martelingen te zullen opsporen. Aan de andere kant ‘verleende hij amnestie’ aan lager leger- en veiligheidspersoneel. Deze verklaringen suggereren dat de Syrische rebellen ‘een evenwicht proberen te vinden tussen het uitvoeren van represailles en tegelijkertijd het opvullen van het machtsvacuüm dat achterbleef nadat president Bashar al-Assad naar Rusland vluchtte en de Syrische regering uiteenviel’, analyseert The New York Times.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De leider van de Hayat Tahrir al-Cham (HTC) groep heeft beloofd ‘zeer binnenkort een lijst te publiceren met de namen van de meest hooggeplaatste betrokken functionarissen’. De groep zal beloningen uitloven voor degenen die informatie verschaffen over degenen die verantwoordelijk zijn voor oorlogsmisdaden, voegde hij eraan toe.
‘Mensenrechtenexperts geloven dat het tijd zal kosten om een Syrische politiemacht en rechtssystemen op te zetten die in staat zijn om dergelijke misdaden te berechten, en dit kan alleen als de veiligheid in het land is hersteld,’ merkt het Amerikaanse dagblad op.
Syrische rebellenstrijders, geleid door de radicale islamitische groep Hayat Tahrir Al-Cham (HTC), ‘verdubbelden woensdag hun inspanningen om de centrale stad Hama in te nemen’, aldus The Washington Post. Syrische regeringstroepen proberen de rebellen nog steeds terug te dringen, maar de laatsten hebben de stad bijna volledig omsingeld, volgens het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten (OSDH).
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Het verlies van Hama, gelegen op minder dan 130 kilometer ten zuiden van Aleppo en zo’n 200 kilometer ten noorden van Damascus, ‘zou een grote klap zijn voor de regering en zou de rebellen dichter bij Homs brengen, een strategische stad en toegangspoort tot de Middellandse Zeekust van Syrië’, aldus het Amerikaanse dagblad.
Volgens het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten (OSDH) zijn de rebellen die een offensief in het noorden leiden dinsdag dicht bij Hama, de op drie na grootste stad van Syrië, gekomen. Hama is een strategische locatie in centraal Syrië tussen Aleppo en de hoofdstad Damascus. Het leger maakte melding van ‘hevige gevechten’, vooral in het noorden van de provincie Hama, terwijl ‘grote versterkingen’ waren aangekomen in de stad, volgens een militaire bron die geciteerd wordt door het officiële agentschap Sana.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Op 27 november lanceerde de rebellencoalitie, gedomineerd door de radicale islamitische groep Hay’at Tahrir Al-Sham (HTS), de voormalige Syrische tak van Al-Qaeda, een bliksemoffensief in het noordwesten van het land. Ze veroverden tientallen steden en een groot deel van Aleppo, de op één na grootste stad van Syrië, voordat ze hun opmars naar het zuiden voortzetten.
De Russische president Vladimir Poetin, wiens land samen met Iran de belangrijkste bondgenoot is van Damascus, zei dinsdag tijdens een telefoongesprek met zijn Turkse ambtgenoot Recep Tayyip Erdogan dat hij wilde dat het offensief van de rebellen ‘snel’ zou eindigen.
‘Het Syrische regime zou onder druk kunnen worden gezet om te onderhandelen door zijn Iraanse en Russische sponsors, die proberen hun macht te behouden en hun militaire betrokkenheid op het terrein te beperken,’ schrijft L’Orient-Le Jour.
De rebellen hebben de complete stad Aleppo in handen
Syrische en Russische vliegtuigen hebben maandag gebieden gebombardeerd die in handen waren van opstandelingen in het noordwesten van Syrië. Daarbij kwamen elf burgers om, waaronder kinderen, nadat het regime de stad Aleppo had verloren, aldus het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten (OSDH).
Het is de eerste keer sinds het begin van de oorlog in 2011 dat de regering, een bondgenoot van Iran en Rusland, de volledige controle over de noordelijke stad heeft verloren. Dit is een zware klap voor het regime, die werd uitgedeeld door de islamistische groep Hayat Tahrir Al-Sham (HTS) en geallieerde Syrische rebellengroeperingen, waarvan sommige worden gesteund door Turkije.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De Syrische president Bashar al-Assad kreeg maandag de steun van Russische en Iraanse functionarissen. Moskou, dat verschillende bases heeft in Syrië, zei dat het Damascus en zijn strijdkrachten wilde helpen om de opstandelingen in de provincies Idlib, Hama en Aleppo terug te dringen. Ondanks de Russische steun ‘lijken de rebellen door te gaan met hun opmars door Aleppo’, meldt The New York Times.
‘Alleen al het feit dat ze er in een paar dagen in geslaagd zijn om een groot deel van het door de regering gecontroleerde gebied in te nemen, toont de zwakheden aan van het Iraans-Russische partnerschap dat al-Assad heeft geholpen om jaren van conflict te overleven’, analyseert het Amerikaanse dagblad.
Aanleiding is de moord op vier inheemse kinderen door de EMC
De Colombiaanse regering heeft een halt toegeroepen aan een wapenstilstand met Estado Mayor Central (EMC), een afsplitsing van voormalige Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC). Dat schrijft El Espectador. Aanleiding is de moord op vier inheemse kinderen die probeerden rekrutering door de EMC te voorkomen. De opschorting van de wapenstilstand geldt in vier Colombiaanse provincies.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De EMC is een van de bewegingen die zich afsplitste van de FARC, nadat die groepering vrede sloot met de Colombiaanse regering in 2016. De EMC, die voornamelijk actief is in het zuiden van Colombia, houdt zich bezig met illegale drugs- en wapenhandel en mijnbouw. Elders in het land, met name bij het grensgebied met Venezuela, zijn ook veel dissidente groeperingen actief.
De huidige president Gustavo Petro beloofde bij zijn aantreden totale vrede met de vele gewapende groeperingen die actief zijn in Colombia. Onder meer met de ELN, de grootste nog actieve guerrillabeweging, zijn vredesbesprekingen gaande. Volgens Petro zijn wapenstilstanden echter niet van nut zolang bewegingen blijven doorgaan met geweld.
President Gustavo Petro wil totale vrede voor zijn land
De Colombiaanse regering gaat opnieuw vredesbesprekingen voeren met de guerrillabeweging het Nationaal Bevrijdingsleger (ELN), schrijft The Guardian. Bij zijn aantreden liet de nieuwe president van Colombia Gustavo Petro al weten dat het herstarten van deze onderhandelingen hoog op zijn politieke agenda staan. Volgens hem is Colombia toe aan totale vrede en moeten er daarom akkoorden worden gesloten met de nog bestaande rebellengroeperingen.
De gesprekken vinden plaats in de Venezolaanse hoofdstad Caracas en worden geleid door Cuba en Noorwegen. Het is niet voor het eerst dat de beweging, met circa 2500 leden de grootse nog actieve rebellengroep in Colombia, om de tafel zit met de Colombiaanse regering. Onder de vorige regering van de conservatieve Iván Duque werd de stekker echter uit het vredesproces getrokken, nadat de ELN in 2019 22 agenten in opleiding ombracht bij een bomaanslag in Bogotá.
Tegenwoordig verdient de groep, die in 1964 werd opgericht, vooral aan illegale mijnbouw en drugshandel. Hierdoor bestaat de angst dat met name jongere leden van de ELN zich zullen afsplitsen en doorgaan met de lucratieve illegale handel, iets wat ook gebeurde in de nasleep van het vredesproces met de FARC.
In Syrië zijn door de oorlog veel mannen spoorloos. Hoe moeten hun echtgenotes zich opstellen? De Syrische Islamitische Raad heeft onlangs een fatwa uitgevaardigd.
De Syrische Islamitische Raad heeft op 17 september een fatwa uitgevaardigd met regels waaraan een vrouw gebonden is als haar echtgenoot afwezig of spoorloos is. Volgens de officiële website van de Raad zijn er veel vrouwen van wie de echtgenoot soms al jaren gevangenzit zonder dat ze weten waar hij is of hoe het met hem gaat, of hij dood is of nog in leven. Hoe dienen vrouwen zich onder dergelijke omstandigheden te gedragen? Moeten ze hun man als overleden beschouwen? Kunnen ze om een echtscheiding vragen? Mogen ze hertrouwen?
De rechtsgeleerden noemen een man vermist als er niets van hem is vernomen, als er geen nieuws van hem is, als het niet bekend is of hij dood is of levend of als hij gevangen is genomen dan wel spoorloos als gevolg van de oorlog. In die gevallen wordt ervan uitgegaan dat hij nog leeft, wat betekent dat de echtgenote niet mag hertrouwen noch haar aandeel mag erven. Dat mag allebei pas als zijn dood door een islamitische rechter is bevestigd.
In geval van aanhoudende vermissing kan de echtgenote een rechter verzoeken de dood vast te stellen of de scheiding wegens geleden schade uit te spreken. Indien de rechter de dood waarschijnlijk acht, stelt hij een wachttijd in. Als de echtgenoot niet binnen die tijd opdaagt, wordt bepaald dat hij is overleden.
Als blijkt dat de echtgenoot nog leeft, kan hij zijn vrouw terugclaimen. De rechter verklaart daarop een eventueel tweede huwelijk nietig
Als later blijkt dat de echtgenoot nog leeft, kan hij zijn vrouw terugclaimen. De rechter verklaart daarop een eventueel tweede huwelijk nietig. De vrouw moet dan drie maandstonden wachten alvorens terug te keren naar haar eerste echtgenoot, met een nieuw huwelijkscontract. Als hij haar terugkeer niet wenst, kan hij teruggave eisen van de bruidsschat van de tweede echtgenoot. Wat zijn keuze ook is, er valt niet aan te tornen.
Volgens de Raad mag een vrouw hoe dan ook om opheffing van het huwelijk verzoeken indien de afwezigheid van de echtgenoot haar nadeel heeft berokkend, hij haar met te weinig middelen van bestaan heeft achtergelaten, of wanneer zij vreest in zonde te vervallen. De rechter buigt zich echter pas een jaar na de verdwijning van de echtgenoot over dit verzoek, teneinde diens rechten veilig te stellen.
Wanneer een huwelijk wordt opgeheven nog voordat het is geconsumeerd, moet de vrouw de bruidsschat terugbetalen aan de familie van de verdwenen of afwezige echtgenoot. Als het huwelijk wordt ontbonden nadat het al is geconsumeerd, behoort de bruidsschat haar volledig toe.
Indien de echtgenoot afwezig blijft, maar er wel informatie over hem bekend is zonder dat hij kan worden bereikt, bijvoorbeeld omdat hij naar een ver land is afgereisd of omdat hij ergens is waar hij niet weg kan, is het huwelijk nog geldig en kan de vrouw niet hertrouwen. Doet zij dat toch, dan is het nieuwe huwelijk nietig en zal het worden ontbonden, ook als zij schade heeft geleden door de langdurige afwezigheid van haar oorspronkelijke echtgenoot.
De toelichting van de Syrische Islamitische Raad hierbij luidt: ‘Indien de vrouw in bevrijd gebied woont [dus niet onder de controle van het officiële bewind], wordt haar zaak rechtstreeks aan een shariarechtbank voorgelegd. Indien verblijvend in een derde land, machtigt zij een persoon of een gespecialiseerde instantie om haar zaak voor te leggen aan een gerecht in bevrijd gebied, teneinde langs deze weg een uitspraak te verkrijgen over scheiding of overlijden.’
Berhanu Nega was een geliefde hoogleraar aan Bucknell University in Pennsylvania. Tot hij op een dag in 2015 zijn koffers pakte, en de leider werd van een Ethiopische rebellengroep in Eritrea.
Tot een paar jaar geleden was Berhanu Nega een van de meest geliefde hoogleraren op de Bucknell-universiteit. Als Ethiopische banneling met een doctoraat van de New School for Social Research in Manhattan doceerde hij Afrikaanse economische ontwikkeling, een populair vak aan de economische faculteit. Wanneer hij geen werkgroepen leidde of aan het werk was in zijn comfortabele huis in een groene wijk vijf minuten van de Bucknell-campus in landelijk Lewisburg, Pennsylvania, nam Nega deel aan academische conferenties in het buitenland of gaf hij lezingen over mensenrechten bij het Europese Parlement in Brussel.
‘De relatie tussen democratie en ontwikkeling hield hem sterk bezig,’ zegt John Rickard, hoogleraar Engels en een van Nega’s beste vrienden. ‘Hij betoogde altijd dat economische ontwikkeling niet levensvatbaar is zonder democratisering, en vice versa.’ Hij was actief in het sociale leven op de campus, supporter van de Philadelphia Eagles, voerde in 2008 campagne voor Barack Obama en stond bekend als een van de beste squashspelers op de faculteit van Bucknell. Hij en zijn vrouw, die ook uit Ethiopië komt en optometrist is, hebben twee zoons, die ze naar de beste scholen stuurden en die nu op de University of Pennsylvania en Carnegie Mellon studeren. In weekenden nodigde hij geregeld andere hoogleraren van Bucknell en hun gezinnen uit voor het eten en dan onderhield hij hen met verhalen over de Abessijnse cultuur en geschiedenis, onder het genot van Ethiopische gerechten die hij zelf bereidde; de kruiden haalde hij uit Addis Abeba en kneedde hij met de hand tot injera, een zacht zuurdesembrood van teffmeel.
Over zijn verleden bleef Nega vaag. Maar als studenten nieuwsgierig genoeg waren om hem te Googelen, ontdekten ze dat de man die in de collegezaal het ontwikkelingsbeleid in Afrika beneden de Sahara stond uit te leggen, zelf nauw betrokken was bij de oude vete tussen Ethiopië en buurland Eritrea, een conflict dat zich al een halve eeuw voortsleept. Dat conflict vlamde aan het begin van dit millennium weer op, in een grensoorlog om een onbetekenend stukje land van amper 650 vierkante kilometer, die uitliep op een heftige confrontatie waarbij beide landen duizenden troepen van zowel hun officiële strijdkrachten als niet-officiële milities langs de grens verzamelden.
Eén groep die aan Eritrese kant meevocht, noemde zich Ginbot 7 en bestond uit gedeserteerde Ethiopiërs. Nega had aan de wieg van deze groep gestaan: hij was in 2008 in Washington een van de oprichters geweest, samen met een andere Ethiopische banneling, Andargachew Tsege. De Ethiopische regering, die Nega twee jaar in Addis Abeba als politieke gevangene had opgesloten, veroordeelde hem nu bij verstek ter dood. Studenten van Bucknell waren onder de indruk van het verleden van hun docent. ‘Het maakte zijn colleges spannend,’ zegt Rickard.
Tsege fungeerde vanuit zijn basis in Eritrea als politiek leider van Ginbot 7, terwijl Nega de intellectuele leider was en fondsen wierf door geld in te zamelen bij de Ethiopische diaspora in Europa en de Verenigde Staten.
‘Extra lange sabbatical’
Maar op een dag in juni 2014 verandert dat allemaal, als Tsege, die door iedereen Andy wordt genoemd, onderweg naar de Eritrese hoofdstad Asmara een tussenstop maakt in Sanaa, de hoofdstad van Jemen. Terwijl hij in de transithal van het vliegveld op zijn vlucht zit te wachten, wordt hij gearresteerd door de Jemenitische veiligheidsdienst, die kennelijk samenwerkt met de Ethiopische inlichtingendienst. Hij wordt op een vliegtuig naar Addis Abeba gezet, waar hij triomfantelijk op de staatstelevisie wordt geshowd. Inmiddels is hij ter dood veroordeeld.
Daags na Tseges arrestatie werpt Nega zich op als diens vervanger in Eritrea. ‘Ik moest kiezen,’ zal hij later tegen mij zeggen. ‘Wilde ik academicus blijven, en commentaar blijven leveren vanuit een ivoren toren? Of kwam ik in actie, als betrokken burger?’ Nega zet zijn huis te koop en neemt onbepaald verlof van de universiteit. ‘Een extra lange sabbatical,’ zegt hij tegen zijn collega’s. Slechts een handjevol intieme vrienden, zijn vrouw en zijn twee zoons weten wat hij werkelijk gaat doen.
Op een julimiddag in 2015 pakt Nega zijn koffer, zegt zijn vrouw gedag en wordt door kameraden naar John F. Kennedy International Airport gereden. Hij heeft een laissez-passer van de Eritrese overheid, waarmee hij eenmalig het land binnen kan komen. Nega is op weg naar een nieuw leven in een straatarme dictatuur die wel het Noord-Korea van Afrika wordt genoemd; het regime is berucht om zijn steun aan de Somalische islamistische terreurbeweging Al-Shabaab, en om zijn militaire dienstplicht waardoor veel burgers van boven de achttien voor de rest van hun leven in het leger moeten dienen. Nega denkt op dat moment dat ook hij de aandacht van de regering-Obama heeft getrokken en is bang dat hij op het vliegveld zal worden tegengehouden en gerekruteerd door Homeland Security. Pas als het landingsgestel van het Egypt Air-toestel is ingetrokken en hij hoog boven de Atlantische Oceaan achteroverleunt in zijn stoel, op weg naar een van de meest geïsoleerde en repressieve landen van de wereld, kan hij zich ontspannen.
Op een kille avond in juli gaan de lampen boven Nega’s hoofd uit en zit de rebellenleider in het donker in een bungalow in de op 2300 meter hoogte gelegen stad Asmara. Nega heeft net een kaart uitgespreid op een salontafel en om mij de route te laten zien voor de geheime missie die hij de volgende ochtend wil ondernemen. Bij zonsopkomst zullen hij en een kameraad 450 kilometer naar het zuiden rijden naar de gemilitariseerde, met landmijnen bezaaide grensstreek tussen Eritrea en Ethiopië, om in een basiskamp van de rebellen iemand te ontmoeten die inlichtingen komt brengen. Zijn contact heeft ‘zeer gevoelige informatie’ de grens over gesmokkeld, over de posities van Ethiopische troepen en de kracht van verzetscellen in Ethiopië, die Nega hoopt te verbinden met zijn eigen strijders aan de Eritrese kant van de grens.
‘Ze willen de documenten die ze bij zich hebben, alleen aan mij persoonlijk overhandigen,’ vertelt Nega. ‘Zo gaat het meestal: ze willen dat ik gevoelig materiaal als eerste zie en de informatie vervolgens verspreid naar de rest van de organisatie.’
Nega, een zwaargebouwde, kalende achtenvijftigjarige met een haveloos voorkomen en een aangenaam bescheiden houding, wrijft over zijn voorhoofd terwijl de lampen even flikkeren en dan weer aanfloepen. Ginbot 7 is de afgelopen jaren gegroeid en tegenwoordig wordt de organisatie geleid door een raad van tachtig vertegenwoordigers over de hele wereld. Als commandant staat Nega aan het hoofd van verscheidene honderden rebellen in Eritrea en van een onbekend aantal gewapende strijders binnen Ethiopië die af en toe aanvallen uitvoeren uit naam van de beweging. Tijdens zijn vele bezoeken aan de frontlinies heeft hij ontmoetingen met medecommandanten, bekijkt hij de trainingen en geeft hij – hij blijft toch de professor – les over geschiedenis en democratie, met behulp van een schoolbord en krijtjes in een ‘lokaal’ in de bush.
Nega wendt zich weer naar de kaart en trekt een rechte lijn naar de Tezeké-rivier, het meest westelijke deel van de grens tussen Ethiopië en Eritrea. Veel deserteurs uit het Ethiopische leger steken daar over om zich bij de rebellen te voegen, maar de afgelopen weken is die ontsnappingsroute door het oprukken van de Ethiopische troepen in gevaar gekomen. ‘Ze brengen een grote troepenmacht naar dit gebied, want wij zijn nu het belangrijkste doelwit,’ zegt Nega. Met ‘wij’ bedoelt hij Ginbot 7, dat nu bekend staat als Patriotic Ginbot 7. ‘Ze sturen een groot deel van hun leger, artillerie en tanks dit gebied in. Tot nu toe hebben ze ons nog niet beschoten.’
Ooit waren deze twee gezworen vijanden één land. Eritrea was van 1890 tot 1941 een Italiaanse kolonie, maar werd na de Tweede Wereldoorlog geannexeerd door Ethiopië. Na een oorlog die drie decennia duurde, wisten de Eritreeërs zich in 1991 te bevrijden. Daarna onderhielden de twee buren een vreedzame relatie, tot 1998, toen een sluimerend conflict over de Yirga-driehoek, een rotsachtig stukje land langs de grens dat in koloniale kaarten nooit duidelijk was aangegeven, escaleerde en uitmondde in een twee jaar durende tank- en loopgravenoorlog, waarbij 100.000 mensen omkwamen. Ondanks bemiddeling onder auspiciën van de Verenigde Naties die het omstreden gebied aan Eritrea toekenden, houdt Ethiopië nog steeds het grensdorpje Badame bezet. Tienduizenden troepen staan tegenover elkaar, met tussen hen in een landschap van mijnen, bunkers, sluipschuttersnesten en andere stellingen.
Gewelddadige confrontaties aan de grens komen niet vaak voor, maar als het gebeurt zijn ze onverwacht en heftig. Half juni vorig jaar lanceerde Ethiopië volgens de Eritrese regering een grootschalige aanval aan de grens bij Tsorona, de eerste grote schending van het verdrag sinds 2012, mogelijk als vergelding voor aanvallen op de Ethiopische troepen door Ginbot 7. Eritrea beweerde dat het tweehonderd vijandelijke soldaten had gedood en driehonderd verwond, al waren de verliezen volgens Ethiopië kleiner. ‘Ze ontkennen het bijna altijd,’ zegt Nega tegen mij. ‘Als je de Ethiopische regering moet geloven, sneuvelt er nooit iemand.’
Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen
Ethiopië mag dan een bondgenoot van de VS zijn en naar Afrikaanse maatstaven een economische toppositie innemen, het land is ook berucht om zijn repressie. Het regime van de Tigraya-minderheid heeft honderden bloggers, journalisten en oppositiefiguren gevangengezet, en blijft aan de macht door politieke tegenstander te intimideren, verkiezingen te beïnvloeden en protesten met geweld neer te slaan. Volgens mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch hebben staatsveiligheidstroepen sinds november 2015 in de regio Oromia rond Addis Abeba meer dan vierhonderd demonstranten gedood. De protesten hebben zich verder uitgebreid naar de Amhara-regio; afgelopen augustus hebben veiligheidstroepen zo’n honderd demonstranten doodgeschoten en nog eens honderden verwond. Duizenden Oromos, een minderheidsgroep die ongeveer een derde van de bevolking uitmaakt, zijn zonder vorm van proces gevangengezet op verdenking van steun aan het Oromo Bevrijdingsfront, een afscheidingsbeweging. De Ethiopische marathonloper Feyisa Lilesa, die vorig jaar zilver won op de Olympische Spelen, vestigde de aandacht van de wereld op de wreedheden van het regime toen hij op de finish zijn gekruiste armen omhooghield uit, solidariteit met zijn mede-Oromos; hij zegt nu dat hij niet meer naar huis durft en heeft politiek asiel aangevraagd.
Aan de andere kant van de kamer in Nega’s bungalow zitten vier mederebellenleiders, allemaal leden van de Ethiopische diaspora, te eten. De mannen scheuren stukken injera af, dopen het brood in de shiro, een dikke saus, en spoelen alles weg met flesjes van het lokale Asmarabier. Op de televisie in de hoek van de kamer zijn beelden te zien van Esat, een satellietzender van de Ethiopische oppositie die uitzendt vanuit Europa en de VS. De mannen maken deel uit van een wisselend contingent van commandanten die van tijd tot tijd terugkomen naar Asmara om hun e-mail te checken en even te ontsnappen aan de primitieve omstandigheden in de bush. ‘We zijn nu met zijn vijven,’ zegt Nega, en hij stelt me voor aan zijn kameraden uit Dallas, Arlington, Calgary en Luxemburg. ‘Er is er ook nog een uit Engeland, die komt morgenochtend hierheen. Dan zijn we met zijn zessen. Vorige week waren we met zijn achten – we zijn zelfs ooit met elf man geweest.’
Het huis doet ook dienst als ziekenboeg voor rebellen die ziek zijn of in de strijd gewond geraakt, en biedt een tijdelijk toevluchtsoord voor deserteurs uit het Ethiopische leger die door de frontlinies heen weten te komen. Zo verscheen hier onlangs een voormalige piloot van de Ethiopische luchtmacht, een Oromo die na een reis van 42 uur per bus en te voet de Tekezé-rivier over was gezwommen naar Eritrea. Hij nam het besluit om te deserteren nadat hij in de gevangenis van Addis Abeba was beland, ‘valselijk beschuldigd,’ zo zegt hij tegen mij, ‘van het lidmaatschap van de Oromo-afscheidingsbeweging’.
’Zoals hij hebben we er veel,’ zegt Nega.
Nega trekt zijn jas aan om op zoek te gaan naar dieselolie voor de ochtendrit naar de grens. Met nog een andere rebel, ook uit Virginia, rijden we door de verlaten, onverlichte straten van Asmara, op zoek naar een benzinestation dat open is, maar het enige station dat we vinden heeft geen diesel meer; Nega zal de volgende ochtend moeten terugkomen, wat betekent dat hij later dan gepland naar de frontlinies kan vertrekken. Als we bij zijn huis terugkomen, wijst Nega op een stapel medische artikelen in de gang – verband, spalken, antibiotica, antimalariamiddelen – die hij naar zijn strijders wil gaan brengen, samen met drie kartonnen dozen vol zonnecellen die voor wat primitieve elektriciteit kunnen zorgen in de bush. In de kampen was Nega afhankelijk geweest van zijn mobiele telefoon voor contact met de buitenwereld, maar zelfs daar kan hij nu niet meer op rekenen. ‘Ze hebben de dekking voor telefoons afgesloten sinds de inval van de Ethiopiërs in Tsorona, vertelt hij, ‘Ik zal dagenlang onbereikbaar zijn.’
Opgegroeid met geweld
De eerste keer dat ik Nega ontmoet, eind mei 2016, is dat onder heel wat comfortabeler omstandigheden. Na tien maanden in Asmara was Nega teruggevlogen naar de Verenigde Staten voor een aantal besprekingen en om naar de diplomauitreiking van zijn jongste zoon Iyassu te gaan, die deze dagen afstudeert aan de University of Pennsylvania. Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen. Drie jaar geleden is het ‘reisdocument’ dat Nega, die geen Amerikaans staatsburger is, van het ministerie van Buitenlandse Zaken had gekregen, zelfs opgeschort en zijn aanvraag voor het staatsburgerschap van de Verenigde Staten is voor onbepaalde tijd stopgezet. Hij reist nu op een Eritrees paspoort dat in combinatie met zijn green card voldoende is om hem toegang te geven tot dit land – deze keer.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken weigert iets te zeggen over Nega of over Ginbot 7, maar Nega vermoedt dat de Amerikaanse regering niet positief staat tegenover zijn activiteiten. Maar, benadrukt hij, ‘niemand zegt ook dat ik ermee op moet houden. Ik denk dat ze weten dat dit niet tegen de VS gericht is. Wij vechten voor de basisprincipes waarop de Verenigde Staten zijn gegrondvest.’
We spreken elkaar in het weekend van Memorial Day op het terras van het chique Café Dupont aan Dupont Circle in Washington. Ook zijn zus Hiwot, die een techstart-up leidt in New York, zit aan tafel, net als zijn zoon Iyassu, een eenentwintigjarige die in zijn schooljaren een verdienstelijk hardloper was en binnenkort aan de slag gaat bij een investeringsbank in New York. Onder het genot van witte wijn en kipsalade hebben we het over de toespraak van Lin-Manuel Miranda bij de diploma-uitreiking, en Nega vertelt enthousiast dat hij na die uitreiking Donald Trump en vicepresident Joe Biden is tegengekomen (Trumps dochter en Bidens kleindochter studeerden tegelijk met Iyassu af). Ik vraag Iyassu of hij zich heeft verzoend met zijn vaders nieuwe leven in de frontlinie en hij knikt. ‘Uiteindelijk moet hij blijven streven naar waar hij in gelooft.’ Maar hij toont weinig animo om bij zijn vader op bezoek te gaan in diens Eritrese rebellenkamp, of om dieper in te gaan in de drijfveren van de Ginbot 7-beweging. ‘Ik ben net afgestudeerd – mijn leven heeft een eigen richting. Ik kan er niet zomaar tussenuit gaan. (…) Ik ben ook van een andere generatie dan hij.’
De oudere Nega hoort bij een generatie van Ethiopiërs die zijn opgeroeid te midden van opstand en geweld. Bij de lunch vertelt hij hoe het was om middelbare scholier te zijn, terwijl een marxistische junta, de door de Sovjets gesteunde Derg, keizer Haile Selassie omverwierp en een keiharde dictatuur vestigde. Nega was beschut opgegroeid, als zoon van een rijke ondernemer en moest nu toezien hoe het regime zich meester maakte van de uitgestrekte mais- en sojabonenboerderijen van zijn vader en hoe de veiligheidstroepen duizenden dissidenten, onder wie veel studenten, oppakten, gevangenzetten en executeerden. Hij en zijn twee oudere zussen werden lid van een verzetsbeweging, de Ethiopian People’s Revolutionary Army (E.P.R.P). Ze gingen ondergronds, sliepen in safe houses, probeerden uit handen van de politie te blijven. Zijn oudste zus is in die tijd opgepakt en in Dergs gevangenis verdwenen. Zijn familie heeft overal naar haar gezocht.
‘Er kwamen vaak mensen naar ons huis die tegen mijn ouders zeiden: “Ik heb haar daar en daar gezien.” Mijn moeder ging dan altijd weer naar haar op zoek,’ herinnert Nega zich. Later hoorde hij van haar vroegere celgenoten dat ze in de gevangenis was gestorven, waarschijnlijk door zelfmoord te plegen met de cyanidecapsule die ze om haar hals droeg. ‘Veel mensen hadden cyanide bij zich, want als je werd opgepakt, zou je gemarteld en uiteindelijk geëxecuteerd worden, en dan kon het zijn dat je door de martelingen werd gedwongen anderen te verraden,’ vertelt Nega. Toen de onderdrukking in Addis Abeba steeds harder werd, stuurde de E.P.R.P. Nega naar het noorden naar de provincie Tigray, het hart van een groeiende guerrillabeweging tegen de Derg; daar voerde hij aanvallen uit op regeringsstrijdkrachten. In 1978 barstte binnen de E.P.R.P. een strijd om de macht los, en Nega werd in de gevangenis gegooid. Een dag voordat de bewakers hun geweren op de resterende gevangenen richtten en er vijftien doodschoten, werd hij vrijgelaten. Nega vluchtte naar Soedan, woonde bijna twee jaar als vluchteling in Khartoem en kreeg in 1980 politiek asiel in de Verenigde Staten.
Hij haalde zijn bachelor aan de State University of New York op New Palz, waar hij ook in het voetbalteam speelde. Tijdens zijn doctoraalstudie aan de New School for Social Research woonde hij in Brooklyn en schreef zijn proefschrift over de mislukking van de Ethiopische landbouw onder het communistisch regime. Ondertussen werd de toestand in Ethiopië steeds rampzaliger. Toen de guerrillabewegingen halverwege de jaren tachtig in Tigray steeds meer aanvallen uitvoerden, blokkeerde de Derg-dictator Mengistu Haile Mariam de aanvoer van voedsel naar deze regio, en creëerde zo een verwoestende hongersnood waarin een miljoen mensen omkwamen.
Foto’s van uitgehongerde kinderen, verspreid door de nieuwsmedia, gaven de aanzet tot een internationale hulpactie, Live Aid, en vormden de inspiratie voor de pophit ‘We Are The World’, waarmee Ethiopië wereldwijd een synoniem werd voor honger. Toen Nega in 1990 een aanstelling als assistent-hoogleraar op Bucknell kreeg, was de hongersnood voorbij en bereikte de strijd van de opstandelingen zijn hoogtepunt. ‘Hij praatte nooit veel over zijn achtergrond of over het feit dat hij guerrillastrijder was geweest,’ zegt Dean Baker, een vroegere collega op Bucknell die nu aan het hoofd staat van het Center for Economic and Policy Research in Washington.
De drie opstandige groeperingen – het Volksbevrijdingsfront van de Tigraya, het Oromo Bevrijdingsfront en het Eritrese Volksbevrijdingsfront – versloegen in 1991, na tien jaar strijd, de Derg en marcheerden Addis Abeba binnen. De nieuwe regering, geleid door de Tigraya-rebellenleider Meles Zenawi, begon met de wederopbouw van het door de oorlog verwoeste land. Eindelijk had Nega reden tot optimisme. Hij kende Meles goed – de premier had tegelijk met zijn dode zuster gestudeerd en nadat de Tigraya aan de macht waren gekomen nam Nega verlof bij Bucknell en vloog met zijn vrouw en twee zoons, die allebei nog peuters waren, terug naar Addis om bij de wederopbouw te helpen. Nega geloofde in Meles’ ‘goede bedoelingen’.
Maar Nega’s enthousiasme voor de nieuwe regering taande al snel. Op de universiteit van Addis, waar hij parttime doceerde (hij had ook een aantal van zijn vaders bedrijven overgenomen), werden geen afwijkende meningen getolereerd; de studentenraad en de universiteitskrant werden verboden. Toen Nega zijn studenten aanmoedigde om academische vrijheid te eisen, viel de politie hen en andere demonstranten aan. Later, terwijl de onrust zich over de stad verspreidde, schoten ze 41 mensen dood. Nega zat een maand in de gevangenis wegens opruiing. ‘’s Nachts hoorde ik hoe gevangenen werden gemarteld, geslagen,’ vertelt hij.
In mei 2005, terwijl de economie snel groeide en de populariteit van de regering groot leek, hield Ethiopië verkiezingen – de eerste keer in de geschiedenis van het land dat de mensen werkelijk tussen verschillende partijen konden kiezen – en nodigde het internationale waarnemers uit om daarbij aanwezig te zijn. Maar de uitslag beviel Meles niet. Nega’s Coalition for Unity and Democracy won 137 van de 138 zetels in de gemeenteraad van Addis Abeba. Nega stond in de startblokken om burgemeester te worden, maar de regering weigerde de overwinning van zijn partij te erkennen en zette hem gevangen, samen met andere CUD-leiders. Amerikaanse collega’s voerden actie voor de bevrijding van Nega. ‘De Bucknell-faculteit keurde een motie goed om hem te steunen en aandacht te vragen voor zijn situatie,’ vertelt Rickard. ‘We spraken met journalisten, ambassadeurs, om te zorgen dat hij in de aandacht bleef.’ Mede dankzij internationale druk werd Nega na 21 maanden vrijgelaten en hij keerde terug naar de Verenigde Staten. De ervaring had hem ‘harder gemaakt’, zegt Samuel Adamassu, een lid van de Ethiopische diaspora die Nega en zijn gezin al sinds de jaren tachtig kent. ‘Hij realiseerde zich nu dat deze mensen alleen met geweld tot veranderingen gebracht kunnen worden.’
‘Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord’
Na onze lunch in Washington ben ik op een bijeenkomst in het Georgetown Marriotthotel, waar geld wordt ingezameld voor Ginbot 7 en waar zo’n vijfduizend leden van de Ethiopische diaspora aanwezig zijn. Nega staat op het podium voor een decor van Ethiopische en Amerikaanse vlaggen. Het zal een strijd op leven en dood worden, verzekert hij zijn enthousiaste publiek. ‘Je kunt niet onderhandelen met iemand die je komt verkrachten,’ gaat hij verder in het Amhaars, de belangrijkste taal van Ethiopië. ‘We moeten ze stoppen.’ Het verschil tussen de zachtaardige academicus die ik op het terras van Café Dupont heb gesproken en deze vurige rebel is enorm. Nega kondigt aan dat hij nieuws uit de frontlinie heeft: guerillero’s die zich loyaal aan zijn beweging hebben verklaard, hebben hun belangrijkste aanval tot nu toe uitgevoerd, bij de stad Arba Minch in Zuid-Ethiopië, op de plek van een voormalige Amerikaanse dronebasis. ‘We hebben twintig soldaten gedood en er vijftig verwond,’ zegt hij, en hij noemt dit ‘een nieuwe fase in de strijd’. (De Ethiopische regering beweerde later dat regeringstroepen de aanval hadden afgeslagen en dat slechts een paar militairen waren omgekomen.)
Bij de oprichting van Ginbot 7 in 2008, het jaar waarin hij weer op Bucknell ging doceren, had Nega nog verklaard dat de beweging ‘burgerlijke ongehoorzaamheid zou organiseren, de bestaande gewapende groepen binnen en buiten Ethiopië zou steunen en druk zou uitoefenen op de regering en de internationale gemeenschap om te onderhandelen’. Toch riep het Ginbot 7-platform later op om de regering te destabiliseren ‘met alle noodzakelijke middelen’, waaronder aanvallen op militairen en politie.
Het was een tegenstrijdige boodschap vanuit een Amerikaanse liberale universiteit die ooit in 1846 zijn eerste college had gegeven in de kelder van de First Baptist Church of Lewisburg. ‘Er is een grens overschreden,’ zegt Rickard, de hoogleraar Engels die Nega’s pleidooi voor geweld ‘verontrustend maar begrijpelijk’ vindt. ‘Hij is nooit een pacifist geweest, heeft de gewapende strijd nooit afgewezen. Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord. Zijn zuster is omgekomen en zijn beste vriend zit in de gevangenis, en verkeert in levensgevaar. Hij ziet geweld als acceptabel en nodig. Het is een beetje choquerend in zeker opzicht.’
Economische groei
Terwijl Ginbot 7 het vuur van het verzet aanblies, was Ethiopië bezig zichzelf opnieuw op de kaart te zetten als economisch succesverhaal. In navolging van het Zuid-Koreaanse en Chinese model van staatsgeleide ontwikkeling, leende Meles geld van staatsbanken en gebruikte hij westerse fondsen om zwaar te investeren in dammen, luchtvaartmaatschappijen, landbouw, onderwijs en gezondheidszorg. De Ethiopische economie nam een hoge vlucht en kende de afgelopen tien jaar een gemiddelde jaarlijkse groei van 11 procent, een van de hoogste groeipercentages van Afrika. Addis Abeba werd het pronkstuk van die transformatie, met een lightrailnet, talloze wolkenkrabbers, luxe hotels, chique restaurants en wijnbars afgeladen met kersverse miljonairs. Tegelijkertijd fungeerde het land als bolwerk tegen de verspreiding van de radicale islam in de hoorn van Afrika. Op dit moment levert Ethiopië 4400 manschappen voor een vredesmacht van de Afrikaanse Unie in Somalië en helpt het de vrede te bewaren langs de gespannen grens tussen Noord- en Zuid-Soedan. In juli 2015 bracht president Obama, op rondreis door Afrika, als eerste zittende Amerikaanse president in de geschiedenis een bezoek aan Ethiopië.
Toch beweerde Nega zowel in de collegezaal als in het buitenland, dat de gedaanteverwisseling van Ethiopië een luchtspiegeling was, geschapen om westerse waarnemers die zich zorgen maakten over het gebrek aan democratie in het land, te sussen. ‘In 2005 werd duidelijk dat ze via het politieke proces geen legitimiteit zouden krijgen, dus kwamen ze met dit nieuwe verhaal – ontwikkeling,’ zegt hij tegen mij. Nega houdt vol dat Ethiopië ‘de boeken heeft vervalst’ en dat het groeipercentage van het land grotendeels toe te schrijven is aan enorme infrastructurele projecten en westerse ontwikkelingshulp, terwijl de particuliere sector er nauwelijks aan bijdraagt. ‘De Wereldbank pompt maar geld in Ethiopië, alsof het niet op kan,’ zegt hij tegen mij. Het werkelijke groeipercentage komt volgens hem dichter bij de 5 tot 6 procent – het inkomen per hoofd van de bevolking is nog steeds het laagste in de wereld – en de zwakheid van de overheidsinstellingen zal uiteindelijk betekenen dat zelfs dat percentage niet vol te houden is.
Twee maanden voor het bezoek van Obama hield de regering verkiezingen, die in brede kring werd gezien als doorgestoken kaart, en waarin de regeringspartij alle 547 zetels in het parlement won. Maar Obama maakte duidelijk dat de veiligheid belangrijker was dan de andere problemen in de Hoorn van Afrika: staande naast Meles opvolger, premier Haile Mariam Desalegne, noemde hij de regering ‘democratisch gekozen’.
‘Ik was er ondersteboven van,’ zegt Nega tegen mij. ‘Ik begrijp de realiteit van de macht en snap wel waarom hij de Ethiopische regering steunt, maar om nou te zeggen dat die “democratisch gekozen” is? Ik walgde ervan.’
Drie dagen na mijn eerste ontmoeting met Nega in Asmara, en kort nadat hij is teruggekeerd van zijn afspraak aan de grens, rijden we aan het eind van de dag in zijn witte Hilux pick-uptruck door het landschap van zijn nieuwe leven. We passeren het armoedig uitziende en vrijwel verlaten Asmara Palace Hotel, dat vroeger een Intercontinental Hotel was, en een grote katholieke kerk waarvan Nega de naam niet weet. ‘Ik ben een beroerde toeristengids,’ zegt hij verontschuldigend. Als hij in Asmara is, brengt hij het grootste deel van zijn tijd door achter de computer, ofwel in zijn huis of in een geleend kantoor in het stadscentrum – een van de weinige plekken in de stad met een snelle internetverbinding. Eritrea heeft de slechtste internetdekking ter wereld, slechts 1 procent van de bevolking heeft toegang, en dankzij deze zeldzame breedbandverbinding kan hij via Skype bijpraten met zoons en zijn vrouw. ‘Ik geloof niet dat zij erg blij is dat ik hier zit,’ geeft hij toe, terwijl hij ongemakkelijk heen en weer schuift op zijn stoel. ‘We hebben het er maar niet meer over.’
Meteen na de onafhankelijkheid begin jaren negentig, onder Isaias Afewerki, de rebellenleider die president was geworden, werd Eritrea even als een voorbeeld gezien, een van de landen die de hoop van Afrika vormen. Toen ik in 1996 een bezoek aan het land bracht, vijf jaar nadat het zich van Ethiopië had losgemaakt, begonnen de voormalige rebellen de verwoeste economie nieuw leven in te blazen – ze herstelden wegen, bruggen en spoorlijnen naar de kust en deden een beroep op de Eritrese diaspora om in het land te investeren. Maar na de grensoorlog die van 1998 tot 2000 duurde, raakten de Eritrese leiders naar binnen gericht, en werden ze steeds wantrouwiger tegenover de buitenwereld. Afewerki onderdrukte dissidente geluiden, stuurde westerse journalisten en ngo’s het land uit, weigerde buitenlandse hulp, nationaliseerde bedrijven en ontmoedigde buitenlandse investeringen; volgens de Wereldbank is het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking nu 1400 dollar per jaar.
In 2009 legde de VN-Veiligheidsraad sancties aan Eritrea op, waaronder een wapenembargo en een reisverbod en het bevriezen van de aandelen van Eritrese topfunctionarissen, omdat het land wapens had geleverd aan Al-Shabaab, de radicaalislamitische organisatie die honderden terroristische aanslagen heeft gepleegd in Somalië en buurland Kenia. (Eritrea noemde de beschuldiging ‘bewuste leugens’.) In een VN-rapport uit juni 2016 wordt de Eritrese regering beschuldigd van ‘misdaden tegen de menselijkheid’, waaronder marteling, het gevangenzetten van andersdenkenden en een militaire dienstplicht zonder einde, die volgens de regering noodzakelijk is als voorbereiding op een nieuwe Ethiopische invasie.
‘Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen’
Nu er vrijwel geen investeringsgeld het land meer binnenkomt, is Asmara een stad die bevroren is in de tijd. Twee ezels sjokken over Harnet Avenue, de hoofdboulevard van de stad en staan af en toe stil om aan het gras rond een palmboom te knabbelen. We zien hoe grote groepen mensen over de keurige avenue lopen, langs een indrukwekkende roodbakstenen kathedraal, een art-decobioscoop uit de jaren dertig en scheefgezakte Italiaanse bakkerijen en cappuccinobars, en Nega verdedigt tegenover mij zijn besluit om zich tot de dictatuur te wenden om steun.
‘Moeten we het werkelijk hebben over het soort dictaturen waarmee de VS in bed liggen?’ vraagt hij me. ‘Dit is een land dat bereid was ons een toevluchtsoord te bieden, een land dat ooit deel van Ethiopië is geweest. Ik kijk naar al deze mensen, ik praat met ze en ze zijn net als ik, ze zijn even Ethiopisch als ik. Waarom zou ik geen hulp van ze krijgen?’
Nega houdt vol dat hij ook positieve kanten aan de dictatuur ziet. ‘Hoe arm het ook is, dit is het enige land dat zegt: “Wij gaan onze eigen koers varen – of je het leuk vindt of niet.” Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen. Dit is als een strijd tussen David en Goliath.’
Volgens hem is het rapport van de Verenigde Naties over de misdaden tegen de menselijkheid ‘overdreven’. (Een westerse diplomaat in Asmara, die me vroeg om zijn naam niet bekend te maken vanwege zijn politiek gevoelige positie, was het met Nega’s oordeel over het rapport eens; volgens hem was het gebaseerd op de getuigenissen van vluchtelingen in Europa, die er ‘belang bij hadden hun land zo kwaad mogelijk af te schilderen, om hun vluchtelingenstatus te rechtvaardigen’.)
Het is duidelijk dat Nega weinig geneigd is om kwaad te spreken over het land dat zijn beweging onderdak biedt – en dat elk moment weer kan intrekken. ‘Ik wil me niet in hun aangelegenheden mengen,’ zegt hij omzichtig. ‘Ze zijn tegenover ons altijd vriendelijk geweest.’ Privé kan de rebellenleider echter kritischer zijn. ‘Hij maakt zich geen illusies over Eritrea,’ vertelt zijn vriend en vroegere collega op Bucknell Dean Baker.
Ik vraag Nega of hij er vertrouwen in heeft dat de druk van de rebellengroepen de Ethiopische regering ten val kan brengen. Nega zegt te geloven dat hij op dit moment de beste kaarten heeft. ‘Dit verzet tegen de staat komt nu van alle kanten, uit alle delen van het land.’ Hij geeft zichzelf ‘vier of vijf jaar’ voor hij en zijn rebellenleger Ethiopië binnen zullen gaan als onderdeel van een nieuwe democratische orde. ‘Het duurt zeker geen tien jaar,’ zegt hij.
Tot het zover is zal Nega doorgaan met plannen maken en voorbereidingen treffen vanuit een onzeker en eenzaam schemergebied. Terug in de bungalow gaat hij me voor door de gang en laat me zien waar hij slaapt: een spartaanse kamer met alleen een eenpersoonsbed, een ladenkast en een nachtkastje met potjes vitaminepillen en medicijnen tegen hoge bloeddruk. (Hij heeft geen eigen ziektekostenverzekering meer sinds zijn vertrek bij Bucknell, maar valt nog wel onder de dekking van de Amerikaanse verzekering via zijn vrouw en heeft in mei in de VS voor drie maanden medicijnen gehaald.) Hij haalt een fles Absolut uit de vriezer en schenkt twee glazen in. We gaan op de betonnen binnenplaats zitten, naast een waslijn waaraan Nega’s was te drogen hangt. Weer valt de stroom uit en zitten we in de duisternis, tot het licht na een paar seconden weer aangaat. Het contrast met zijn vroegere leven in de VS – juichen voor de Lewisburg Green Dragons, het middelbare schoolhardloopteam van zijn zoon; vakanties aan de stranden van Maryland en North Carolina met zijn uitgebreide gezin – kon nauwelijks groter zijn.
‘Als gesteld bent op comfort en dat is je drijfveer, zul je dit nooit doen,’ zegt hij tegen me, terwijl hij een slokje van zijn ijskoude wodka neemt. ‘Maar soms sta je echt verbaasd. Ben je eenmaal een verbintenis aangegaan, dan worden al die dingen waarvan je dacht dat ze bij het dagelijks leven hoorden, ineens overbodige luxe.’
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.