Tag: renaissance

  • Hoe Italiaanse  kooplieden uit de twaalfde eeuw het idee van risico uitvonden

    Hoe Italiaanse kooplieden uit de twaalfde eeuw het idee van risico uitvonden

    In deze tijden van corona worden we misschien wel vaker geconfronteerd met het begrip ‘risico’ dan ooit tevoren. Maar waar komt dat begrip eigenlijk vandaan? Hoogleraar Italiaanse en Mediterrane studies Karla Mallette zocht het uit.

    We zijn recentelijk allemaal experts op het gebied van risicobeoordeling en risicobeheer geworden; we denken na, praten en tweeten over het risico dat we nemen als we ons bezighouden met activiteiten die ooit alledaags waren. Het is moeilijk voorstelbaar dat we zonder het begrip risico zouden leven: het is het analytische instrument waarmee we de wenselijkheid berekenen van handelingen die voordeel of verlies kunnen opleveren.

    Toen het woord risico in de twaalfde eeuw in West-Europese talen belandde, ongeveer in dezelfde periode dat ook de begrippen ‘gevaar’ en ‘toeval’ ontstonden om de bedreiging van voorspoed aan te duiden, duurde het even voordat het begrip beklijfde. Niccolò Machiavelli (1469-1527) en Francesco Guicciardini (1483-1540), de twee grote Italiaanse schrijvers uit de vijftiende en zestiende eeuw die schreven over toeval en macht terwijl alles om hen heen instortte, gebruikten het Italiaanse woord rischio in ieder geval niet in de werken waarmee ze beroemd werden, ook al waren Italianen early adopters van het begrip en van het speculatieve gedrag dat het beschrijft.

    Een plotselinge storm kon schip, bemanning en lading vernietigen en piraterij was alomtegenwoordig

    Het eerst bekende gebruik van het Latijnse woord resicum, verre voorouder van risk, rischio, risque, risico, dook op in een notariscontract dat op 26 april 1156 in Genua werd opgemaakt. De kapitein van een schip sloot een contract af met een investeerder om met het geïnvesteerde kapitaal naar Valencia te reizen. Het contract wijst het resicum toe aan de investeerder: de kapitein zou aan het einde van de reis 25 procent van de winst ontvangen en de investeerder streek de resterende 75 procent op. Dit contract laat overigens zien dat de middeleeuwse Italiaanse scheepvaart een egalitair karakter had. Het specificeert namelijk dat de reis zou kunnen worden verlengd van Valencia naar Alexandrië voordat het schip terug zou keren naar Genua, maar alleen als een meerderheid van de mannen aan boord ermee instemde.

    Resicum had in deze vroege contracten een magische werking. Het kerkelijk recht verbood de betaling van rente op leningen in middeleeuws Europa, net zoals de islamitische wet dat deed in het oostelijke en zuidelijke Middellandse Zeegebied. Om in het geval van een succesvolle voltooiing van een reis een bonus te kunnen betalen aan investeerders, durfkapitalisten en kapiteins, bood resicum de mogelijkheid om te ontsnappen aan dat verbod. En tegelijk was de kans om investeringswinst te boeken zo ook weggelegd voor degenen die niet konden reizen: een klein maar significant deel van de investeerders in deze maritieme contracten blijken gepensioneerde zeelieden of vrouwen te zijn. Het risico dat werd genomen door degenen die de reis ondernamen werd zo dus gedeeld.

    Zeevaart over de Middellandse Zee kon enorm winstgevend zijn, maar was riskant. Een plotselinge storm kon schip, bemanning en lading vernietigen en piraterij was alomtegenwoordig. Een kapitein kon op het moment dat hij vertrok niet weten wat de toestand in de haven van bestemming was. Hij zou naar Valencia kunnen gaan met de bedoeling om zijde te kopen, om er vervolgens achter te komen dat een regimewisseling of plaag de economie had verwoest en de wevers en verkopers van zijde had verjaagd. Vóór de innovatie van resicum droegen kapiteins en bemanning de risico’s van de reis: alleen zij zouden de lasten dragen en de winst in eigen zak steken. Resicum verdeelde potentiële winst en verlies over een bredere gemeenschap. Onvoorziene omstandigheden konden worden geclassificeerd en het risico gerationaliseerd.

    Al-rizq

    Waar kwam dit wonderen verrichtende begrip vandaan? Historici denken dat resicum is afgeleid van het Arabische woord al-rizq dat voorkomt in de Koran. Het verwijst naar Gods voorziening voor de schepping. Zoals in dit vers dat een zelfstandig naamwoord en een werkwoord met dezelfde lexicale stam bevat: ‘Hoeveel schepselen kunnen niet voor hun eigen voorziening [rizq] zorgen! God voorziet hen en jou: hij is de Alhorende, de Alwetende.’ In de middeleeuwen werd het woord gebruikt om de dagvergoeding voor soldaten aan te geven. In het dialect van al-Andalus, het Arabische Spanje, verwees het naar toeval of geluk. Het lijkt erop dat rizq van haven tot haven rond de Middellandse Zee reisde, totdat het begrip op de werktafel belandde van een klerk in Genua, die een strategie bedacht om de risico’s van transmediterrane handelsondernemingen te spreiden.

    Vanaf dat moment begon resicum aan een triomftocht. Want wat werkte voor de transmediterrane scheepvaart, werkte net zo goed voor een breed scala aan contracten, uiteenlopend van op premie gebaseerde schadeverzekeringen tot polissen die werden afgesloten op het leven van tot slaaf gemaakten, vooral van tot slaaf gemaakte zwangere vrouwen wier leven bijzonder precair was. Gokkers konden zelfs een resicumcontract afsluiten op de levensverwachting van beroemde mensen. Kortom, resicumcontracten die in Genua en Venetië werden opgesteld, liepen aan het einde van de veertiende eeuw uiteen van verzekeringen tot wat we nu gokken zouden noemen.

    Nadat het nieuwe woord in het Italiaans terechtkwam, toen nog een jonge taal, dook het op bij enkele schrijvers die in het Italiaans schreven. De betekenis van het begrip begint te veranderen: In de veertiende eeuw verscheen het Italiaanse woord rischio, meestal als synoniem voor gevaar, in poëzie, geschiedenissen, morele verhandelingen en in vroege wetboeken die in de nieuwe volkstaal waren geschreven. Het had toen niet meer de betekenis van een uitkering als stimulans voor investeringen in onzekere ondernemingen.

    Het begrip past goed bij de ontwikkelingen in het tijdsgewricht. De vijftiende en zestiende eeuw in Italië boden volop mogelijkheden om na te denken over gevaar en risico. De aanwezigheid van huurlingen, uitgenodigd om te vechten namens Italiaanse facties van Milaan tot Rome en de strijd tussen Anjou en Aragón om het Koninkrijk Napels in het zuiden, domineerde de eerste helft van de vijftiende eeuw. Na de Ottomaanse verovering van Constantinopel in 1453 verdreven moslims Byzantijnse christenen om de oude keizerlijke hoofdstad te claimen die de Italianen zelf in 1204 hadden veroverd, tijdens de Vierde Kruistocht. In de zestiende eeuw bestormden Franse en Spaanse legers het schiereiland en voerden ze oorlogen op Italiaanse bodem.

    ‘Risicomanagement was in handen van lieden aan de onderkant van het sociale spectrum’

    Schrijvers die nauw zijn verbonden met de omwentelingen in deze eeuwen zijn Machiavelli en Guicciardini, beiden door politici aangesteld om te reflecteren op de machinerie van de politiek. Machiavelli’s Il Principe werd een van de bekendste verhandelingen over staatsmanschap tijdens de renaissance en het wordt nog steeds herdrukt en nagevolgd. Guicciardini noteerde zijn gedachten in het alledaags boek Ricordi [Herinneringen], dat pas na zijn dood werd gepubliceerd. Beide mannen staan stil bij het toeval of het lot, beiden schrijven over fortuin en over de tumultueuze veranderingen in hun tijd. Maar noch Guicciardini, noch Machiavelli gebruikten het woord risico, noch gebruikten ze de kwantitatieve analyse die destijds opkwam om het kronkelende pad van het lot te onderzoeken. Waarom?  

    Mogelijk omdat ze dachten in het Latijn, waaruit de Italiaanse woorden voor fortuin, lot en gevaar stamden die wel werden gebruikt. Maar risico, dat zijn oorsprong vond in de koran, had nog geen plaats in de wereld van Machiavelli en Guicciardini. Risico duidde toen nog op de harde onderhandelingen tussen ondernemers en zeelieden; risicomanagement was in handen van lieden aan de onderkant van het sociale spectrum. Degenen die in transmediterrane scheepvaart investeerden of resicumpolissen afsloten op het leven van de rijken en beroemdheden, waren niet de prinsen en gouverneurs naar wiens gunsten Machiavelli en Guicciardini dongen.

    Het woord en de praktijk van verzekeren, bereikten tegen het einde van de zestiende eeuw Frankrijk, Spanje, Engeland, Nederland en Duitsland. Resicum kwam zo in allerlei spellingen in alle volkstalen terecht. Risicobeoordeling- en management zouden in de loop van de volgende eeuwen rijpen, totdat, zoals de Duitse socioloog Ulrich Beck het omschreef, ‘risicomaatschappijen’ ontstonden, die waarschijnlijkheid en statistieken gebruiken om de mogelijke uitkomst van gebeurtenissen te berekenen. Inmiddels beschouwen we risicobeoordeling als een zaak van experts met tabellen en rekenmachines, die we inhuren om ons te vertellen wat er gaat gebeuren en wat het ons gaat kosten.

    Maar we hebben die experts niet nodig om te marchanderen met het lot. Risico is een verhaal dat we onszelf vertellen over de toekomst. Als ik het risico inschat om in 2021 een uitnodiging voor een sociale bijeenkomst te accepteren, denk ik graag aan die mannen en vrouwen die in 1156 hun resicum op de kade in Genua berekenden, met het ene oog op een handvol munten en het andere op de horizon.

    Lees ook:

  • Waarom deze classicus klaar is met de Klassieken

    Waarom deze classicus klaar is met de Klassieken

    De Amerikaanse classicus Dan-el Padilla Peralta is niet de eerste, maar momenteel wellicht wel de meest uitgesproken criticaster van het nog steeds zeer breed gedragen idee dat de klassieke wereld van de Grieken en Romeinen een ‘zuivere’, witte wereld was, die het fundament legde voor onze ‘superieure’, witte westerse civilisatie. Dit idee, dat in extreemrechtse kringen gretig wordt omhelsd, is aan grondige revisie toe, vindt Peralta. Wat hem betreft gaat de studie van de Klassieken volledig op de schop.

    De 36-jarige Dan-el Padilla Peralta, een immigrant afkomstig uit de Dominicaanse Republiek, is als zwarte man een witte raaf in de doorgaans roomwitte wereld van de klassieke wetenschap. Maar hij is niet zomaar een verdwaalde in het academische klassieke bolwerk: hij is professor aan de prestigieuze universiteit van Princeton en een autoriteit op het gebied van de Romeinse geschiedenis. Rachel Poser, plaatsvervangend hoofdredacteur van Harper’s Magazine, die vaak schrijft over de relatie tussen verleden en heden, schreef zijn verhaal op als longread voor The New York Times.

    Extreemrechts

    Lang bewierookt als de studie naar de grondslagen van de westerse beschaving, aldus Poser, probeert de klassieke wetenschap momenteel zijn ‘elitaire’ reputatie van zich af te schudden, evenals de notie dat het een domein is van voornamelijk witte mannen. ‘Die poging kreeg onlangs nieuwe urgentie, want de Klassieken worden omarmd door aanhangers van extreemrechts, die de oude Grieken en Romeinen beschouwen als de grondleggers van de zogenaamde witte cultuur. Relschoppers in Charlottesville, Virginia, droegen vlaggen met het symbool van de Romeinse staat; online reactionairen nemen klassieke namen als pseudoniem; de wit-racistische website Stormfront toont een afbeelding van het Parthenon naast de slogan “Elke maand is een witte-geschiedenismaand.”’

    Padilla spreekt sinds een aantal jaren openlijk over de schade die classici hebben aangericht in de twee millennia sinds de oudheid, door de Klassieken als rechtvaardiging te gebruiken voor slavernij, rassenwetenschap, kolonialisme, nazisme en andere twintigste-eeuwse vormen van fascisme. De wetenschap van de Klassieken was een discipline waaromheen de moderne westerse universiteit groeide, en Padilla gelooft dat daarmee racisme is gezaaid in het hoger onderwijs.

    Mythen over de Oudheid

    In de afgelopen jaren hebben gelijkgestemde classici zich verenigd om schadelijke mythen over de Oudheid aan te pakken, schrijft Poser. ‘Op sociale media, in tijdschriftartikelen en blogposts leggen ze uit dat, in tegenstelling tot rechtse propaganda, de Grieken en Romeinen zichzelf niet als ‘wit’ beschouwden, en dat hun marmeren sculpturen, waarvan de bleke huid sinds de achttiende eeuw is gefetisjeerd, in de oudheid vaak beschilderd waren. Ze wijzen erop dat in Athene, bejubeld als de geboorteplaats van de democratie in de vijfde eeuw voor Christus, deelname aan de politiek was beperkt tot mannelijke burgers; dat duizenden slaven werkten en stierven in zilvermijnen ten zuiden van de stad, en dat de regels dicteerden dat vrouwen uit de hogere klasse het huis niet mochten verlaten tenzij ze gesluierd waren en vergezeld werden door een mannelijk familielid. Ze hebben aangetoond dat het concept van de westerse beschaving een eufemisme werd voor ‘witte beschaving’ in de geschriften van mannen als Lothrop Stoddard, eugeneticus en lid van de Ku Klux Klan. Sommige classici zijn tot het inzicht gekomen dat hun vakgebied deel uitmaakt van het schavot van witte suprematie, maar ze beginnen daarin ook kansen te zien.’ Omdat de Klassieken een rol speelden bij de constructie van de witte mythe, kan de discipline misschien ook een rol spelen bij de ontmanteling ervan.

    Witte suprematie

    Volgens Poser is Padilla ‘compromisloos’ in zijn visie op de medeplichtigheid van classici aan systemisch onrecht, ‘zelfs volgens de normen van sommige van zijn bondgenoten. Hij betitelt het vakgebied als ‘gelijke delen vampier en kannibaal’, als een gevaarlijke kracht die is gebruikt om te moorden, tot slaaf te maken en te onderwerpen. ‘Hij zegt niet zeker te weten of het vakgebied een toekomst verdient,’ aldus Denis Feeney, een Latinist aan Princeton. Padilla gelooft dat de Klassieke wetenschap zo verweven is met witte suprematie dat ze er onafscheidelijk van is.

    Tijdens een congres in 2019 was Padilla panellid van het onderdeel ‘De toekomst van de Klassieken’. Tijdens het vragenrondje na Padilla’s toespraak, betoogde Mary Frances Williams, een classica uit Californië: ‘We moeten opkomen voor ons vakgebied.’ Volgens haar is het absoluut noodzakelijk om te staan voor de Klassieken als de politieke, literaire en filosofische basis van de Europese en Amerikaanse cultuur: ‘Het is westerse beschaving. Het doet ertoe omdat het over het Westen gaat.’ De Klassieken hebben ons immers de begrippen vrijheid, gelijkheid en democratie gegeven, aldus Williams.

    Padilla had een dergelijke reactie verwacht en antwoordde: ‘Dit is wat ik te zeggen heb over de visie op de Klassieken die je schetst. Ik wil er niets mee te maken hebben. Ik hoop dat het veld dat je hebt geschetst sterft, en dat dat zo snel mogelijk gebeurt.’ Die opmerking kwam niet zomaar uit de lucht vallen.

    Athene van de Nieuwe Wereld

    In zijn vroege jeugd noemden Padilla’s ouders Santo Domingo, de hoofdstad van de Dominicaanse Republiek, trots het ‘Athene van de Nieuwe Wereld’, een cultureel en educatief centrum. Dat idee werd gevoed door Rafael Trujillo, de dictator die het land regeerde van 1930 tot hij werd vermoord in 1961. Net als andere twintigste-eeuwse fascisten zag Trujillo zichzelf en zijn volk als erfgenamen van een grootse Europese traditie die zijn oorsprong vond in Griekenland en Rome. In een toespraak uit 1932 prees hij het oude Griekenland als de ‘meesteres van schoonheid, eeuwig weergegeven in de onberispelijke witheid van haar marmer’. Trujillo’s verering van witheid stond centraal in zijn boodschap. Door een beroep te doen op de klassieke erfenis, kon hij de inwoners van buurland Haïti wegzetten als inferieur, want hun huidskleur was donkerder. Dit leidde in 1937 tot een moorddadig hoogtepunt met het Parsley-bloedbad, ofwel El Corte (‘het snijden’) in het Spaans, waarbij Dominicaanse troepen volgens sommige schattingen zeker dertigduizend Haïtianen en zwarte Dominicanen vermoordden.

    Padilla’s familie sprak niet veel over hun leven onder de dictatuur. Ze leefden in wat Padilla beschrijft als ‘verlammende armoede’, maar genoten door hun lichtere huidskleur een zekere mate van privilege in de Dominicaanse samenleving. Ze woonden generaties lang in Pimentel, een stad in de buurt van het bergachtige noordoosten waar tot slaaf gemaakte Afrikanen in de zestiende en zeventiende eeuw marrongemeenschappen hadden gesticht.

    Net als hun tegenhangers in de Verenigde Staten gaven slavenhouders in de Dominicaanse Republiek hun slaven soms klassieke namen als bewijs van hun ‘beschavingsideaal’. Daarom is de verstrengeling van de Klassieken met het slavernijverleden vandaag de dag nog steeds terug te vinden in de namen van veel Dominicanen. ‘Waarom zijn er Dominicanen die Themístocles heten?’ vroeg Padilla zich af als kind. ‘Waarom is Aristides de tweede naam van honkballer Manny Ramirez?’ De tweede naam van dictator Trujillo was Leónidas, naar de Spartaanse koning die met driehonderd van zijn soldaten martelaar werd in Thermopylae. Leónidas is inmiddels een icoon van extreemrechts geworden.

    Immigranten

    Toen Padilla vier was, vloog het gezin naar New York omdat zijn moeder medische zorg nodig had vanwege zwangerschapscomplicaties. Maar nadat zijn broer, Yando, was geboren, besloot het gezin te blijven. Ze verhuisden naar de Bronx en hoopten stilletjes hun immigratiestatus te kunnen normaliseren, hetgeen hen al hun spaargeld kostte. Zonder papieren was het moeilijk om vast werk te vinden. Zijn vader ging terug naar de Dominicaanse Republiek en de rest van het gezin belandde in een daklozenopvang.

    In zijn memoires Undocumented uit 2015 omschreef Padilla de opvang als uiterst goor. Een plek van rust was voor hem de kleine bibliotheek. Sinds hun vertrek uit de Dominicaanse Republiek was hij nieuwsgierig geworden naar de Dominicaanse geschiedenis, maar hij kon in de bibliotheek geen boeken vinden over het Caribisch gebied. Wat hij wel vond, was een boekje met de titel Hoe mensen leefden in het oude Griekenland en Rome.

    ‘De westerse beschaving is ontstaan uit de vereniging van vroege Griekse wijsheid en het sterk georganiseerde juridische denken van het vroege Rome’, zo begon het boek. ‘Het Griekse geloof in iemands vermogen om zijn verstand te gebruiken, in combinatie met het Romeinse geloof in militaire kracht, leidde tot een resultaat dat tot ons is gekomen als erfenis, als een geschenk uit het verleden.’ Dertig jaar later kan Padilla die openingszinnen nog steeds opdreunen. Hij nam het leerboek mee naar de kamer die hij deelde met zijn moeder en broer en bracht het nooit meer terug naar de bibliotheek.

    De familie verhuisde naar een opvangcentrum in Bushwick. In 1994 trof Jeff Cowen, een fotograaf die daar kunstlessen gaf, de negenjarige Padilla aan, weggedoken in een hoekje met een biografie over Napoleon. ‘Terwijl de kinderen na de lunch rondrenden als gekken, zat in de hoek een jongen met dat enorme boek,’ aldus Cowen. ‘Hij stond op en schudde mijn hand als een kleine heer, sprekend alsof hij een soort Ivy League-professor was.’ Cowen was verbouwereerd. ‘Binnen vijf minuten was het duidelijk dat deze jongen de beste opleiding verdiende die hij kon krijgen. Het voelde als een verantwoordelijkheid.’

    Princeton

    Cowen werd mentor van Padilla en later ook zijn peetvader. Hij bracht boeken en puzzels mee, ging rolschaatsen in Central Park met Padilla en Yando en hielp Padilla uiteindelijk met de aanmelding voor Collegiate, een New Yorkse particuliere school voor de elite. Padilla werd toegelaten met een volledige beurs en raakte er bevangen door de emotionele kracht van klassieke teksten in het Latijn en Grieks, door de Griekse filosofie, en door de vurigheid en actie van het epos.

    Daarna werd hij met een volledige studiebeurs aangenomen op Princeton, waar hij vaak de enige zwarte was tijdens cursussen Latijn en Grieks. ‘In de tijd dat ik me als student verloor in de Klassieken, was eenzaamheid het moeilijkste’, aldus Padilla. Toen het tijd werd om een hoofdvak te kiezen, kwam het krachtigste verzet tegen zijn keuze van zijn goede vrienden, van wie velen ook immigranten waren, of kinderen van immigranten. Ze stelden Padilla vragen die hij niet kon beantwoorden. Waarom dit wittengedoe? Hoe helpt dit ons?

    Padilla meende dat hij bepaalde keuzes niet moesten schuwen enkel omdat de buitenwereld vond dat ze niet voor zwarte en bruine mensen waren. Maar hij merkte dat hij niet helemaal tevreden was met zijn eigen argumenten. De vraag over het nut van de Klassieken was niet triviaal. Zou hij een opleiding Latijn en Grieks kunnen doen en er iets bevrijdends van kunnen maken? ‘Die urgente vraag vergezelde me door het begin van mijn studie en daarna’, zo zegt Padilla.

    Padilla studeerde in 2006 als een van de besten af aan Princeton en behaalde daarna een masterdiploma aan Oxford en een doctoraat aan Stanford. In die tijd probeerden steeds meer wetenschappers niet alleen de elite te begrijpen die de Griekse en Latijnse literatuur hadden geschreven, maar ook de mensen uit de oudheid zonder stem: vrouwen, de lagere klassen, slaven en immigranten. Leergangen over gender en ras in de oudheid werden gemeengoed en bleken populair, maar het was nog onduidelijk of ze blijvend hun stempel zouden drukken. 

    ‘Ja, we zijn het eens met uw kritiek. Maar laten we nu maar weer precies gaan doen wat we altijd hebben gedaan’

    Classicus Ian Morris, adviseur van Padilla aan Stanford, zegt daarover: ‘Er zijn classici die zeggen: “Ja, we zijn het eens met uw kritiek. Maar laten we nu maar weer precies gaan doen wat we altijd hebben gedaan.” Er zijn ook tal van classici die weigeren om de rol van hun vakgebied in het ‘witwassen’ van de oudheid te erkennen. ‘Classici zien zichzelf over het algemeen als liberaal’, aldus Joel Christensen, professor Griekse literatuur aan de Brandeis University. ‘Maar ze kunnen dat alleen volhouden doordat ze meestal niet omgaan met mensen die dat liberalisme en de betekenis ervan bevragen.’

    Slavernij

    Denkend aan de geschiedenis van zijn eigen familie, raakte Padilla geïnteresseerd in Romeinse slavernij. Decennialang richtte onderzoek zich op het gegeven dat slaven vrij konden worden en dat dat veel vaker voorkwam in Rome dan in andere samenlevingen met slavenhouders. Maar er waren talloze slaven die geen kans maakten, vooral degenen die op het veld of in de mijnen werkten, ver weg van de machtscentra.

    ‘Er zijn zoveel getuigenissen van hoe diep vernederend slavernij was,’ vertelt Padilla in het interview met Poser. Slaven in het oude Rome konden worden gemarteld en gekruisigd; gedwongen tot een huwelijk; aan elkaar geketend in werkploegen; gedwongen om met gladiatoren of wilde dieren te vechten; naakt tentoongesteld worden op markten met borden om hun nek die hun leeftijd, karakter en gezondheid aan potentiële kopers vermeldden.

    Eigenaren konden hun voorhoofd laten tatoeëren zodat na een vluchtpoging zouden worden herkend. In graven van slaven hebben archeologen metalen kragen gevonden die om de nek van skeletten waren geklonken, zoals een ijzeren ring met een bronzen plaatje, nu in het Museo Nazionale in Rome. Daarop staat de tekst: ‘Ik ben weggelopen. Als je me terugbrengt naar mijn meester Zoninus, ontvang je een gouden munt.’

    In 2015 begon Padilla als postdoctoraal onderzoeker bij de Columbia Society of Fellows. Classici vergoelijkten niet langer de slavernij in de oudheid, maar velen betwijfelden wel of de werelden van slaven konden worden gereconstrueerd, omdat ooggetuigenverslagen over slavernij de eeuwen niet hadden overleefd. Dat bevredigde Padilla niet. In 2017 publiceerde hij een artikel in het tijdschrift Classical Antiquity, waarin hij bewijsmateriaal uit de oudheid en van de slaventransporten over de Atlantische Oceaan met elkaar vergelijkt om een meer samenhangend beeld te krijgen van het religieuze leven van de Romeinse slaven.

    Donald Trump

    Rond de tijd dat Padilla aan dat artikel werkte, maakte Donald Trump tijdens zijn presidentscampagne zijn eerste opmerkingen over Mexicaanse ‘criminelen, drugsdealers, verkrachters’ die de VS binnenkwamen. Padilla, die twintig jaar lang met een onzekere immigratiestatus had geleefd, had net een Green Card aangevraagd. Nu zag hij alt-rechtse figuren zoals Richard Spencer, die fantaseerde over het creëren van een ‘blanke etno-staat op het Noord-Amerikaanse continent’ die ‘een reconstructie van het Romeinse Rijk’ moest worden.

    Spencer groeide uit tot nationale bekendheid. Als reactie op het toenemende anti-immigrantengevoel in Europa en de VS, schreef Mary Beard, misschien wel de beroemdste classica ter wereld, in The Wall Street Journal dat de Romeinen ‘verbaasd zouden zijn over onze moderne problemen met migratie en asiel’, omdat hun rijk immers was gebaseerd op ‘principes van incorporatie en van het vrije verkeer van mensen’.

    Padilla raakte gefrustreerd door de manier waarop wetenschappers probeerden de trumpiaanse retoriek te bestrijden. Hij schreef een essay voor Eidolon waarin hij duidelijk maakt dat in Rome, net als in de VS, lofzangen op multiculturalisme samengaan met haat tegen buitenlanders. Padilla betoogt ook dat het signaleren van onwaarheden over de oudheid, hoewel belangrijk, niet voldoende is.

    ‘Ik ben niet geïnteresseerd in sloop omwille van de sloop. Ik wil iets bouwen’

    De uitleg dat er nooit een almachtig, leliewit Romeins Rijk heeft bestaan, zal witte nationalisten niet doen stoppen met hun hunkering naar die mythe. Het is niet de taak van classici om ‘de schreeuwers aan te wijzen’, zei hij op een panel van 2017. ‘De positie innemen van leraar, van de gekwalificeerde classicus die dingen weet en op fouten wijst, is niet voldoende.’ Het ontmantelen van machtsstructuren die de klassieke traditie gebruiken als ondersteuning, vereist meer dan alleen het toetsen van feiten; het vereist een geheel nieuw verhaal over de oudheid, en over wie we nu zijn.

    Om dat verhaal te vinden, pleit Padilla voor hervormingen die ‘de canon doen exploderen’ en die ‘het vakgebied tot in de details herzien’, inclusief het volledig afschaffen van het label ‘Klassieken’. ‘Sommige studenten en collega’s hebben me verteld dat dit ofwel te deprimerend is, ofwel op een bepaalde manier bedreigend. Mijn enige antwoord is dat ik niet geïnteresseerd ben in sloop omwille van de sloop. Ik wil iets bouwen’, zegt Padilla.

    Hij werd doelwit van rechtse woede vanwege de verzengende taal die hij bezigt en, volgens velen, vanwege het lichaam dat hij bewoont. Hij kreeg racistische mails. ‘Wellicht past Afrikaanse Studies beter bij je als je niet kunt leven met de realiteit van hoe geavanceerd Europeanen waren’, schreef iemand. De extreemrechtse site Breitbart van Steve Bannon publiceerde een verhaal waarin Padilla wordt beschuldigd van het ‘vermoorden’ van de Klassieken. ‘Als er één leergebied was dat gegarandeerd nooit zou worden gekaapt door de krachten van onwetendheid, politieke correctheid, identiteitspolitiek, sociale rechtvaardigheid en domheid, zou je denken dat het de Klassieken waren’, aldus de site. Maar nee hoor: ‘Welkom, barbaren! De poorten van Rome staan wagenwijd open!’

    De Verlichting

    Hoe de Oudheid centraal kwam te staan in het Amerikaanse intellectuele leven, is een verhaal dat niet in de oudheid begint, en ook niet in de Renaissance, maar tijdens de Verlichting. De Klassieken zoals we die nu kennen, zijn een creatie van de achttiende en negentiende eeuw. In die periode, toen de Europese universiteiten zich bevrijdden van de controle van de kerk, bood de studie van Griekenland en Rome het continent een nieuw, seculier wordingsverhaal. Griekse en Latijnse geschriften tastten het morele gezag van de Bijbel aan en dat gaf ze een bevrijdende kracht. Denkers als Diderot en Hume ontleenden ideeën over vrijheid aan klassieke teksten, waarin ze verklaringen over politieke en persoonlijke vrijheden vonden.

    Een van de meest invloedrijke teksten werd de rede van Perikles bij de graven van de Atheense oorlogsslachtoffers in 431 v.Chr., opgetekend door Thucydides. Daarin prijst de staatsman zijn ‘glorieuze’ stad voor het garanderen van ‘gelijke gerechtigheid voor iedereen’. ‘Onze regering bootst onze buren niet na’, aldus Perikles, ‘maar fungeert juist als een voorbeeld voor hen. Het is juist dat we een democratie worden genoemd, want het bestuur is in handen van velen en niet van enkelen.’

    De bewondering voor de Oudheid nam grillige, manische vormen aan. Mannen kleedden zich in Romeinse toga’s om in het openbaar te spreken, ondertekenden hun brieven met de namen van beroemde Romeinen en vulden handleidingen, preken en schoolboeken met lessen van de Klassieken. Johann Joachim Winckelmann, een Duitse antiquair uit de achttiende eeuw, verzekerde zijn landgenoten dat ‘de enige manier waarop we groot kunnen worden, of zelfs onnavolgbaar indien mogelijk, is door de Grieken te imiteren.’

    Winckelmann, die wel de ‘vader van de kunstgeschiedenis’ wordt genoemd, vond dat de Griekse marmeren beeldhouwkunst het toppunt van menselijk kunnen was, onovertroffen door enige andere samenleving, oud of modern. Hij schreef dat de ‘nobele eenvoud en stille grootsheid’ van de Atheense kunst de ‘vrijheid’ weerspiegelde van de cultuur die haar voortbracht. Die verstrengeling van artistieke en morele waarden zou Over de esthetiek van Hegel beïnvloeden en zou ook terugkeren in de poëzie van de romantici. Zo schreef Keats in ‘Ode aan een Griekse vaas’: ‘Schoonheid is waarheid, waarheid schoon, dit is al wat gij op aarde weet, en hoeft te weten.’

    Hiërarchie

    Historici benadrukken dat dergelijke ideeën niet los kunnen worden gezien van de vertogen over nationalisme, colorisme en vooruitgang, die vorm kregen tijdens de koloniale periode, toen Europeanen in contact kwamen met andere volkeren en hun tradities. ‘Hoe witter het lichaam, hoe mooier het is’, schreef Winckelmann. Terwijl Renaissance-geleerden gefascineerd waren door de veelheid aan culturen in de antieke wereld, creëerden Verlichtingsdenkers juist een hiërarchie, met bovenaan Griekenland en Rome, gecodeerd als wit en de rest daaronder.

    ‘Die uitsluiting was de kern van de Klassieken als project’, volgens Paul Kosmin, Harvard-professor in oude geschiedenis. De overtuiging van Aristoteles dat sommige mensen ‘van nature’ slaven waren, werd gretig omarmd in het Amerikaanse Zuiden van vóór de Burgeroorlog, om het houden van slaven te verdedigen tegenover de kritiek van de voorstanders van afschaffing.

    De Klassieken zien zoals Padilla ze ziet, betekent dat die spiegel gebroken moet worden. Het betekent dat we de klassieke erfenis moeten afwijzen als een van de schadelijkste verhalen die we onszelf hebben verteld. Voor Padilla verdient de wetenschap van de Klassieken het alleen om te overleven als ze ‘een plek van polemiek’ kan worden voor de gemeenschappen die er in het verleden door zijn gekleineerd. Mocht dat niet lukken dan zijn Padilla en anderen bereid om het vakgebied op te geven.

    Instituten als Howard en Emory hebben de Klassieken nu geïntegreerd in Oude Mediterrane wetenschap, waarbij wordt gekeken naar Egypte, Anatolië, de Levant en Noord-Afrika

    ’Ik zou het helemaal opdoeken’, stelt Walter Scheidel, een andere voormalige adviseur van Padilla aan Stanford. ‘Ik denk niet dat het als academisch vakgebied zou moeten bestaan.’ Een mogelijke manier zou zijn de faculteiten op te heffen en onderdelen toe te wijzen aan afdelingen geschiedenis, archeologie en taal.

    Maar veel classicisten pleiten voor zachtere benaderingen om het vakgebied te hervormen, door vooral grenzen te verleggen. Instituten als Howard en Emory hebben de Klassieken nu geïntegreerd in Oude Mediterrane wetenschap, waarbij wordt gekeken naar Egypte, Anatolië, de Levant en Noord-Afrika. Het idee is het hiërarchische denken van de Verlichting te verlaten en terug te gaan naar het Renaissancemodel van de oude wereld als een plaats van diversiteit en vermenging. ‘Er is een interessanter verhaal te vertellen over de geschiedenis van wat wij het Westen noemen, zonder specifieke culturen erin te bejubelen’, meent Josephine Quinn, hoogleraar Oude Geschiedenis aan Oxford. ‘Het lijkt mij dat de cruciale aanjager in de geschiedenis altijd de relatie tussen mensen, tussen culturen is.’ Classicus Ian Morris stelt het wat botter. ‘De Klassieken is een Euro-Amerikaanse stichtingsmythe. Willen we die echt?’

    Molon labe

    Op 6 januari zette Padilla de televisie aan, enkele minuten nadat de ramen van het Capitool waren ingeslagen. In de menigte zag hij een man met een Griekse helm met daarop TRUMP 2020 in wit geschilderd. Hij zag een man in een T-shirt met daarop een steenarend op een fasces, symbolen van de Romeinse wet en bestuur, onder het logo 6MWE, ofwel ‘Six Million Wasn’t Enough’, een verwijzing naar het aantal vermoorde Joden in de Holocaust. Hij zag vlaggen met daarop de zin geborduurd die Leónidas zou hebben uitgesproken toen de Perzische koning hem beval zijn wapens neer te leggen: ‘Molon labe’, klassiek Grieks voor ‘Kom ze maar halen’. Het is de slogan geworden van Amerikaanse wapenrechtenactivisten. Afgevaardigde Marjorie Taylor Greene, een net gekozen Republikein uit Georgia die berichten om democraten te vermoorden ondersteunde op sociale media, droeg een week na de bestorming van het Capitool een masker met diezelfde zin erop, toen ze tegen impeachment van Trump stemde in het Huis van Afgevaardigden.

    Padilla vermoedt dat hij op een dag afscheid zal moeten nemen van de Klassieken en de academische wereld om harder te kunnen vechten voor de veranderingen die hij in de wereld wil zien. Hij heeft zelfs overwogen de politiek in te gaan.

    ‘Als kind had ik nooit gedacht dat de positie die ik nu bekleed haalbaar was,’ zegt hij. ‘Maar het gegeven dat dit een klein wonder is, doet niets af aan mijn diepere overtuiging dat dit ook tijdelijk is.’

    ‘Dan-el Padilla heeft veel mensen geprikkeld’, meent Rebecca Futo Kennedy, professor Klassieke Studies aan de Denison University. Joel Christensen, de professor Griekse literatuur aan Brandeis University, vindt het zijn ‘morele, ethische en intellectuele verantwoordelijkheid’ om de Klassieken te onderwijzen op een manier die de racistische geschiedenis blootlegt. ‘Anders doen we gewoon mee aan propaganda.’ Hij begrijpt de angst van veel classici om het verhaal van hun levenswerk te moeten herschrijven. Maar, zegt hij, ‘die toekomst komt er, met of zonder Dan-el’.

    Naschrift

    Padilla en de classici die hem steunen liggen al langer onder vuur. Niet alleen van extreemrechts maar ook van het meer behoudende deel van de classici. Ook op dit artikel volgde weldra kritiek. Slechts drie dagen na de publicatie in The New York Times, reageerde blogger Andrew Sullivan op The Weekly Dish met een artikel onder de kop ‘De Ondraaglijke witheid van de Klassieken’. De ondertitel is veelzeggend: ‘De woke beweren dat de studie van het oude Griekenland en Rome weggegooid moet worden’.

  • De Jurassic Park-generatie

    De Jurassic Park-generatie

    Ooit werden dinosaurussen als slome, domme monsters gezien, en de mensen die ze onderzochten als wereldvreemde figuren. Tot in 1993 de eerste Jurassic Park-film uitkwam. Het leverde een golf aan nieuwe wetenschappers en ontdekkingen op.

    Net als de meeste kinderen had Jordan Mallon een heleboel ideeën over wat hij wilde worden als hij groot was. Eerst was het ijshockeyprof, toen kunstenaar. Maar hij was ook al van jongs af aan gefascineerd door dinosaurussen.

    In de zomer van 1993 nam zijn vader hem mee naar de film Jurassic Park. Toen de aftiteling voorbij was en de lichten in de zaal aangingen, wist de elfjarige Jordan opeens zeker hoe zijn toekomst eruit zou zien. Diezelfde avond zei hij tegen zijn moeder: ‘Mama, ik word paleontoloog.’

    ‘Dat was een omslagpunt, die film raakte echt een snaar bij me,’ herinnert Mallon zich. Inmiddels werkt hij als paleontoloog voor het Canadian Museum of Nature in Ottawa. ‘Vanaf dat moment wist ik wat ik wilde, en daar ben ik nooit meer van afgeweken.’

    Behalve Mallon zagen nog tientallen miljoenen anderen de film over deze bizarre wezens die ooit onze planeet bevolkten. Dinosaurussen stonden opeens in het middelpunt van de belangstelling, en dat straalde af op de paleontologie. De plotselinge aandacht voor het vak zette van alles in gang, wat uiteindelijk een hele lichting nieuwe wetenschappers opleverde, gevolgd door een golf aan nieuwe ontdekkingen. De paleontologie was voorgoed veranderd.

    ‘Het vakgebied paleontologie heeft veel aan Jurassic Park te danken. Ik denk dat het veld er heel anders had uitgezien als die film er niet was geweest,’ vertelt paleontoloog Steve Brusatte van de Universiteit van Edinburgh. De Society of Vertebrate Paleontology [Vereniging voor Gewerveldenpaleontologie] reikte regisseur Steven Spielberg in 2013 een onderscheiding uit als dank voor zijn verdiensten voor het vak. En 25 jaar na het eerste deel trekt de Jurassic Park-reeks nog steeds drommen publiek. 
De vijfde aflevering, Jurassic Park: Fallen Kingdom, ging in juni in première.

    Renaissance

    Het is nu moeilijk voor te stellen, maar ooit werden dinosaurussen als slome, domme monsters gezien, koudbloedige verliezers van de evolutie die de moeite van het bestuderen niet waard waren, aangezien ze toch geen levende nakomelingen hadden. Zo saai vond men de beesten, dat toen paleontoloog Jack Horner als student een docent 
vertelde dat hij graag onderzoek naar dino’s wilde doen, hij smakelijk werd uitgelachen.

    Maar al in de jaren zestig en zeventig waren er de eerste tekenen van een dinosaurusrenaissance: dinosauriërs werden steeds meer als intelligente dieren gezien, die bovendien ook verwant bleken aan de vogels. Dat nieuwe beeld van de dinosaurus mondde in 1990 uit in Michael Crichtons roman Jurassic Park. De verfilming van het boek populariseerde dit beeld van dinosaurussen als actieve dieren, niet in de laatste plaats dankzij de voor die tijd spectaculaire computeranimatie. ‘Ze leken net echt, het waren net levende dieren,’ zegt Thomas Cullen, postdoctoraal onderzoeker bij het Field Museum in Chicago. ‘Het waren noch monsters noch tekenfilmfiguren,’ aldus Victoria Arbour, postdoctoraal medewerker van het Royal Ontario Museum in Canada. ‘De film benadrukte dat dinosauriërs levende wezens waren, die echt op aarde hebben rondgelopen.’

    De charismatische prehistorische filmsterren genereerden bij het grote publiek een enorme hang naar kennis over echte dinosaurussen. Musea met dinoskeletten zagen een flinke opleving in hun bezoekersaantallen. ‘Misschien wel het grootste effect van de film was dat hij nieuwsgierigheid naar ze wekte,’ meent paleontoloog Mary Schweitzer van de North Carolina State University. Mensen van alle leeftijden werden gegrepen door de film, vertelt Matthew Carrano, die bij het Smithsonian National Museum curator was van de expositie Dinosauria. ‘Er komen net zo goed volwassenen op af als kinderen. Dat is wel eens anders geweest.’

    Voor het paleontologisch onderzoeksveld was de film een buitenkansje. Onderzoekers konden de populariteit van de dieren gebruiken om het grote publiek voor wetenschap te interesseren. Er volgde een vloed aan documentaires, televisieprogramma’s, boeken en andere populair-wetenschappelijke publicaties over het onderwerp, die nog steeds aanhoudt. Vóór de film was het ‘niet eenvoudig om je interesse in dinosauriërs levend te houden’, vertelt Carrano. Er bestond maar een handjevol boeken en speeltjes, en exposities in musea bleven een halve eeuw lang vrijwel ongewijzigd. ‘Ik haalde uit armoe steeds weer dezelfde boeken uit de bieb,’ herinnert Carrano zich. Toen de film eindelijk uitkwam, studeerde hij al. Maar dankzij de invloed van de film is de situatie nu blijvend veranderd. Er komen, voorzichtig geschat, zo’n vijftig boeken per jaar over dinosaurussen uit.


    Al dat nieuwe materiaal voedde de populariteit van de dino’s, en dat had vervolgens weer invloed op de wetenschap. Er kwam meer aandacht in de pers voor nieuwe onderzoeksresultaten, paleontologen publiceerden meer artikelen, universiteiten boden programma’s aan die helemaal over deze dieren gingen, en voor het eerst namen musea dinosaurusspecialisten in dienst.

    Kortom, door Jurassic Park werden niet alleen dinosaurussen cool, maar ook de wetenschappers die ze hun leven lang bestuderen. De film gaf hun een positief imago, iets waar kinderen zich aan konden spiegelen. ‘In veel films zijn wetenschappers slechteriken, of anders in ieder geval koude, emotieloze types,’ zegt anatomieonderzoeker Sarah Werning van de Des Moines-universiteit. Maar in Jurassic Park kon 
je je als kijker met ze identificeren. Je begreep hun ontzag voor die gigantische dieren.’

    Er zitten een paar sterke vrouwelijke personages in de film, zoals wetenschapper Ellie Sattler en computergenie Lex, de kleindochter van de eigenaar van het pretpark (gespeeld door respectievelijk Laura Dern en Ariana Richards). ‘Het was heel belangrijk dat er zowel een mannelijke als een vrouwelijke wetenschapper in de film voorkwam,’ vertelt Victoria Arbour. En niet alleen was dr. Sattler een vrouw, voegt ze daaraan toe, ‘ze werd ook nog eens neergezet als een heel vanzelfsprekend iemand. Het was helemaal niet gek dat ze zowel vrouw was als wetenschapper. Daar lag de nadruk verder ook niet op. Ze was er gewoon, en omdat ze zo slim was respecteerde iedereen haar.’

    Dankzij de golf aan jong wetenschappelijk talent die onder invloed van Jurassic Park het vakgebied binnenstroomde, volgde er, een paar jaar later, een minstens zo grote vloedgolf aan publicaties. Werden er tussen 1984 
en 1994 jaarlijks nog rond de vijftien nieuwe dinosaurussoorten ontdekt, 
nu staat dat aantal op vijftig en het lijkt nog niet dalende te zijn. Sommigen noemen de huidige tijd al het gouden tijdperk van het dinosaurusonderzoek. ‘Jurassic Park haakte in op een wetenschappelijke revolutie in het dinosauriëronderzoek en veroorzaakte op zijn beurt weer een nieuwe,’ aldus Carrano.

    ‘Altijd als we het publiek over ons vak willen vertellen, noemen we de film 
als eerste’

    De afgelopen eeuw is er een massa nieuwe exemplaren bijgekomen. 
Dinosauriërs vormen een ongelooflijk diverse groep, die telkens weer voor verrassingen zorgt. Sommige zijn reusachtige carnivoren, andere herbivoren. Je hebt ze in alle mogelijke vormen en afmetingen. Sommige hebben schilden van schubben en knotsachtige staarten, andere hoorns, een kraag of veren. Ook is de relatie tussen dinosauriërs |en vogels veel duidelijker geworden. Wetenschappers zijn het er nu over eens dat vogels een groep binnen de zogenaamde Theropoda-dinosauriërs vormen (dus niet alle dino’s zijn aan het eind van het Krijttijdperk uitgestorven). Zowel pers als publiek smulden van deze ontdekkingen.

    Toen Jurassic Park uitkwam, was Michelle Stocker nog een meisje; pas toen ze als paleontoloog ging werken, merkte ze hoeveel invloed de filmreeks had. ‘Het publiek heeft er een beeld door gekregen van de paleontologie en van dinosauriërs,’ vertelt ze. ‘En wetenschappers maken daar handig gebruik van. Museumconservatoren anticiperen op vragen van het publiek en proberen die bij het maken van hun tentoonstellingen te beantwoorden. Of paleontologen organiseren speciale publieksbijeenkomsten als er weer een nieuwe Jurassic Park-film uitkomt.’

    ‘Altijd als we het publiek over ons vak willen vertellen, noemen we de film 
als eerste,’ vertelt Stocker, inmiddels werkzaam als paleontoloog aan Virginia Tech. Toch zijn niet alle paleontologen onverdeeld blij met de dinosaurusgekte die de film heeft losgemaakt, vertelt Ali Nabavizadeh, universitair docent anatomie aan de Rowan-universiteit. Het stoort hen dat de giganten niet altijd even accuraat worden weergegeven. ‘Mensen zijn gek van dinosauriërs, maar ze hebben een beeld van hoe een dinosaurus kijkt of loopt dat misschien wel helemaal niet klopt.’

    In de eerste film in de reeks waren de dinosaurussen gemodelleerd op basis van de wetenschappelijke inzichten uit die tijd. Maar de makers van de film namen de nodige artistieke vrijheden. De Velociraptor uit de film was een uitvergrote versie van de Deinonychus. De echte Velociraptor was niet veel groter dan een kalkoen.

    Bovendien zijn veel van de dinosaurussen uit de eerste Jurassic Park, door alle ontdekking die sindsdien zijn gedaan, alweer verouderd. Toen de film werd gemaakt, bestond het beeld van dinosaurussen als bijzonder behendig en energiek. Het leek dus niet vergezocht om een Tyrannosaurus rex een jeep met drie sappige mensen erin te laten achtervolgen en inhalen. Nieuw onderzoek liet echter zien dat het met de beweeglijkheid van de T. rex wel meeviel en dat een hardloper hem er gemakkelijk uit had gerend.

    Recentelijk was er opnieuw kritiek uit wetenschappelijke hoek. Opgemerkt werd dat we inmiddels weten dat dinosaurussen veren hadden; in de laatste afleveringen uit de filmreeks was dat nieuwe inzicht niet verwerkt.

    Zulke onvolkomenheden kunnen ook juist door paleontologen worden uitgebuit, wanneer zij het geïnteresseerde publiek uitleggen hoe zij dankzij fossielen te weten zijn gekomen hoe 
dinosaurussen eruitzagen, of waarom bepaalde details juist nog missen. 
Volgens Schweitzer geeft hun dat 
een ingang om iets algemeners over wetenschap te vertellen en de mensen op die manier nieuwsgierig te maken naar wetenschap.

    Iets dergelijks overkwam Nabavizadeh als kind al. Nadat hij als zesjarige een Jurassic Park-film had gezien, begon hij, toen de opwinding over de realistische monsters was weggeëbd, zich af te vragen of ze er in het echt ook zo uitzagen. ‘Hoe weet je eigenlijk hoe hun anatomie was, als je alleen botten hebt om van uit te gaan? Misschien waren er wel speciale kenmerken waar we niets van weten?’

    ‘Mensen geloven me vaak niet als ik het vertel, maar ik ben door Jurassic Park paleontoloog geworden,’ vertelt Thomas Adams, conservator paleontologie en archeologie van het White Museum in San Antonio. Adams vond school als kind nogal vervelend, maar Jurassic Park maakte een wetenschappelijke interesse in hem wakker die hij nooit eerder had ervaren. ‘Ik merkte dat als je ergens een passie voor hebt, ook al het andere wat daarvoor relevant is leuk wordt om te leren,’ vertelt hij. ‘Ik ontdekte dat leren leuk kan zijn.’ 

    Auteur: Eva Botkin-Kowacki
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    The Christian Science Monitor
    Verenigde Staten | csmonitor.com

    Na meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verder gegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. De krant dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.