Tientallen mensen raakten gewond, waarvan zeven zeer ernstig
Nadat een gebouw op het Spaanse eiland Mallorca instortte, zijn zeker vier mensen omgekomen en 21 anderen gewond geraakt. Dat schrijft El País. Hulpdiensten meldden dat zeven mensen er ‘zeer ernstig’ aan toe waren. Het ongeval gebeurde toen het dak van een restaurant instortte.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.v
Volgens Spaanse media vond het incident plaats rond 20.30 uur lokale tijd in de wijk Playa de Palma, ten zuiden van de hoofdstad van het eiland, Palma de Mallorca. ‘Ik volg nauwlettend de gevolgen van de verschrikkelijke instorting die plaatsvond op het strand van Palma’, zei premier Pedro Sánchez op X.
Sánchez zei dat hij had gesproken met de lokale en regionale autoriteiten en zei dat zijn regering klaarstond om te helpen ‘met alle middelen en troepen die nodig zijn.’ De oorzaak van de ineenstorting is tot op heden onbekend.
Mallorca is een populaire toeristische bestemming en het hoogseizoen is net begonnen op het eiland.
Een voormalige ober onthult wat er achter de klapdeur van een Parijse bistro gebeurt. Hij vergelijkt de hectiek in de keuken met een aards inferno. ‘De chef-kok duwt me tegen de muur, zijn mes vlak bij mijn oog.’
Keuze uit het archief
De Deense topchef René Redzepi kondigde deze week aan te vertrekken bij het wereldberoemde sterrenrestaurant Noma. Hij wordt beschuldigd van fysiek en verbaal geweld richting personeel. Daarmee lijkt er sprake te zijn van een cultuuromslag: ondergeschikten pikken het niet langer om door hun chef-kok geïntimideerd te worden.
In dit artikel van The Telegraph uit 2022, een fragment uit het boek A Waiter in Paris, doet ober Edward Chisholm uit de doeken hoe het er in de Parijse bistro Les Deux Magots achter de schermen aan toegaat. Het stuk sluit naadloos aan bij de onthullingen van de afgelopen week.
‘Veel mensen zien een restaurant in Parijs misschien als iets moois, een goed geoliede machine vergelijkbaar met een goed getraind leger, iets wat al eeuwen op rolletjes loopt. Dat beeld klopt niet. Een restaurant in Parijs is een tweemaal daagse oefening in crisisbeheer en winstmaximalisatie en eerlijk gezegd, nu ik weet hoe het werkt, kan ik vertellen dat het een wonder is dat de gerechten zoals jij ze besteld hebt op tafel belanden. Een restaurant in Parijs is in werkelijkheid een inefficiënte bedoening, bemand door onderbetaalde en ondervoede slaven.’
Dat zegt Edward Chisholm, die tien jaar geleden aan de grond zat in Parijs en een baan kreeg in een restaurant dat het midden hield tussen een buurtbistro en een sterrentent, en zich profileerde als ‘een soort Mekka waar mode en goed eten bij elkaar komen: het hedendaagse Parijs in een notendop’.
Dat betekende dat hij twaalf tot veertien uur per dag moest werken, slechts gevoed door koffie en sigaretten
Chisholm, beter bekend als ‘l’Anglais’, ‘de Engelsman’, begon als runner, de laagste positie op de ladder van de bedieningshiërarchie. Dat betekende dat hij twaalf tot veertien uur per dag moest werken, slechts gevoed door koffie en sigaretten, en tijdens zijn pauzes in een hokje van de herentoiletten in een naburig luxehotel wat bijsliep.
De klapdeur achter in het restaurant vormde voor Chisholm het begin van een groot avontuur en van een levenslange liefde voor Frankrijk en Europa. Plotseling werd hij ingewijd in een van de meest iconische steden op aarde. Hij ontdekte een verborgen wereld bevolkt door dieven, immigranten zonder papieren, ex-soldaten, zogenaamde acteurs, drugsdealers en meer.
Zoals de vergeten arbeiders in veel rijke steden zwoegden ze gezamenlijk in de schaduw van de Lichtstad, in de hoop dat dat tijdelijk was en het echte leven ergens om de hoek lag. Hier moesten ze alleen even doorheen.
Nu, tien jaar later, heeft Chisholm een boek geschreven over zijn ervaringen. Het volgende fragment beschrijft de gruwelen van de Passage en de grote gevaren die op de loer liggen wanneer je de bovenkeuken betreedt…
Afdaling naar de eethel
Een restaurant in Parijs is als een bijenkorf, met jullie, de gasten, bovenaan, en de keukens ergens beneden. Maar het knooppunt van deze operatie, de plek die deze twee werelden verbindt en waar ik het grootste deel van mijn tijd doorbracht, heet de Passage.
Dit vagevuur van zes vierkante meter met lage plafonds is de plek waar al het eten en drinken langskomt, hetzij vanuit de keukens richting restaurant, hetzij op de terugweg in de vorm van vuile borden en glazen. Hier komen ook de obers samen, een groep buitenbeentjes die meer weghebben van een goed geklede straatbende dan van een groep obers in een chic restaurant in Parijs.
De Passage is de poort naar de onderwereld, compleet met zijn eigen Hellehond in de vorm van drie linke Sri Lankanen die geen genade kennen en hun werk verrichten in een ruimte ter grootte van een cockpit, slechts verlicht door een kaal peertje. Ze dragen vuile laboratoriumjassen die ooit wit waren en die bij de knopen opbollen door de vele lagen kleding eronder. Ook al zijn deze mannen de bewakers van het inferno beneden, in de Parijse winters werken ze bij ijskoude temperaturen aangezien de Passage voor de zomer ook een opening heeft naar het terras, die in de winter attent wordt afgedekt met een dun metalen luik.
De leider van de bende in Le Bistrot de la Seine is Nimsath, een kleine pezige man met diepe groeven in het gezicht, een intense blik en vinnige houding, die schijnbaar altijd op het punt staat te ontploffen. Hij is donker en gespierd. Hij zou eind twintig of veertig kunnen zijn – dat is lastig te bepalen aan de hand van zijn uiterlijk. Hij maakt een prachtig grommend geluid als hij boos is. ‘Tamiltijger, vrijheidsstrijder,’ blaft hij dan. ‘Niet Sri Lankaans, niet Indiaas, Ingleeshman.‘
De mannen die de Passage beheren, blijken allemaal lid te zijn van een guerrillaorganisatie
De tweede Tamil is reusachtig, met zeer donkere trekken. Alle obers noemen hem Baloo. Hij heeft vriendelijke ogen en beweegt zich langzaam en doelgericht, alsof hij bang is iets te breken. De derde heet Mani. Ik heb hem niet eerder gezien. Hij zegt niets, kijkt alleen naar me en glimlacht.
De mannen die de Passage beheren, blijken allemaal lid te zijn van een guerrillaorganisatie die sinds 2006 op de zwarte lijst van de Europese Unie staat. Uit gesprekken met Nimsath en de andere Tamils blijkt dat het geharde soldaten zijn, met genoeg gruwelverhalen om de obers door de tragere diensten te loodsen. Je kunt je soms moeilijk voorstellen dat deze mannen die daar borden aan het stapelen zijn en tegen de obers schreeuwen, bedreven zijn in lijf-aan-lijfgevechten en weten hoe ze een guerrilla-aanval op een gewapend konvooi moeten plannen en uitvoeren.
Kwijtgeraakt bord
Van iedereen die in het restaurant werkt respecteer ik Nimsath waarschijnlijk het meest. Niemand werkt harder. Een meter zestig, louter spieren en agressie. De obers mogen dan schreeuwen en tekeergaan over een kwijtgeraakt bord, ze weten allemaal dat Nimsath hen met gemak in elkaar timmert. Hij hoeft het niet te zeggen, je ziet het aan de blik in zijn ogen. Tegelijkertijd heeft hij iets komisch, haast kinderlijks.
Natuurlijk probeert het management met haar kleingeestige regeltjes soms de onafhankelijke geest van de Tamils te breken. Maar ze onderschatten hen en weten waarschijnlijk niet precies met wie ze te maken hebben. Want hoe zwaar het ook wordt, de Tamils krijg je er niet onder. Ze breken niet. Op momenten dat het wat rustiger is, stel ik me graag voor dat Corentin, de manager, de Passage binnenkomt om hen te berispen, waarna de Tamils als uit een schuttersputje tevoorschijn sluipen, messen tussen de tanden geklemd, om ‘het gevaar te neutraliseren’. Mogelijk sleept Baloo daarna het nog warme lijk van Corentin terug de Passage in om het vervolgens op gepaste wijze te laten verdwijnen.
Als enige Engelsman in het restaurant kreeg ik snel de naam, of misschien de identiteit van l’Anglais, de Engelsman. Ik kwam erachter dat die naam op veel verschillende manieren kan worden uitgesproken: met afkeer, bewondering, achterdocht. Maar niemand schept er meer genoegen in mijn naam te roepen dan Nimsath, die de voorkeur geeft aan de Engelse versie, die hij uitspreekt als Ing-gleeesh-maan.
Behalve deze vrij oppervlakkige buitenkant, weet niemand iets over mij. Niemand lijkt ook erg geïnteresseerd, en dat is prima. We zijn hier tenslotte om te werken, en alleen daarop word ik beoordeeld. Maar voor Nimsath heb ik een zekere fascinatie. Hoewel onze levens totaal verschillen en de redenen waarom we hier zijn nog meer, ziet Nimsath ons als gelijken: we zijn beiden buitenlanders in Frankrijk. En hij heeft een obsessie met Londen. Dat is een voordeel, want ik ontdek al snel dat je voor een succesvolle baan als runner maar beter de Tamils, en in het bijzonder Nimsath, aan jouw kant kan hebben.
Als gast denk je dat je naar een restaurant gaat om te eten, maar wat je daadwerkelijk wordt verkocht is een illusie
Als gast denk je dat je naar een restaurant gaat om te eten, maar wat je daadwerkelijk wordt verkocht is een illusie. Het is doodeenvoudig theater. En jouw ober, de eerste en laatste schakel in de keten die jou, die boven zit, verbindt met de arme drommels die onder de grond lopen te zweten en te vloeken, is de grootste acteur van allemaal.
Vergeet niet dat de ober slechts één doel heeft en dat is ervoor zorgen dat jouw bestelling precies op tijd op jouw tafel terechtkomt. Het lijkt zo eenvoudig. Daarom verwijt je hem soms dat hij onaardig is en laat je na hem fooi te geven. Maar om zijn eenvoudige doel te bereiken, moet de ober ervoor zorgen dat Nimsath en de andere Tamils in de Passage prioriteit geven aan jouw bestelling. Simpel gezegd betekent dit dat hij de Tamils paait, onder druk zet en overhaalt om andere bestellingen even te laten voor wat ze zijn, en tegelijkertijd gerechten van andere obers steelt zodat hij zijn eigen bestelling compleet heeft en kan wegbrengen.
Dit proces wordt bemoeilijkt door het feit dat elke ober precies hetzelfde doet. En ze doen het omdat ze jouw fooi willen. Als runner sta ik regelmatig aan de ontvangende kant van al deze stress. De obers hebben het vaak zo druk met het afhandelen van verzoeken van hun tafels dat ik regelmatig met strikte instructies naar de Passage wordt gestuurd om iets te halen dat nog ontbreekt. Als er dan een probleem is, is het dus meteen mijn schuld: zo is het leven aan de onderkant van de voedselketen nu eenmaal. En als ik snel iets moet regelen, dien ik me tot Nimsath te wenden.
Niet meer dan een concept
De gebeurtenissen in het restaurant laten Nimsath koud: het restaurant ligt weliswaar direct achter de klapdeur, maar voor hem is het niet meer dan een concept, ongeveer net zo vaag en onbestemd als Londen. De wereld van Nimsath bestaat uit de zes vierkante meter waar hij werkt. Of een Hollywoodster misschien op haar seizoensgroenten wacht en een van de obers op het punt staat mij te vermoorden, interesseert hem geen moer. Zijn werk is eenvoudig: het eten arriveert, hij doet zijn best om complete bestellingen samen te voegen zonder al te veel inmenging van de obers; de vuile borden die binnenkomen stuurt hij terug naar beneden. En als je iets van hem gedaan wil krijgen, tja, dan zal je dat moeten verdienen.
Je zal je fooien met hem moeten delen; je zal moeten accepteren dat hij jouw gerechten soms aan iemand anders meegeeft en dus met hem in discussie moeten gaan en daarbij, als vast onderdeel van je baan, elk denkbaar Tamil-scheldwoord voor je kiezen krijgen; en ten slotte zal je tegen hem terugschreeuwen, en wel in het Tamil, want elke zichzelf respecterende Parijse runner of ober spreekt wel een klein beetje Tamil. Maar als de dienst dan voorbij is en de slachtoffers geteld zijn, drink je weer koffie met hem en hoop je dat hij je van wat overgebleven voedsel kan voorzien, want je hebt al acht uur niet gegeten. En dan praat je over van alles en nog wat totdat de volgende keer exact hetzelfde gebeurt. Het is een herhaling van herhalingen.
Als runner is mijn positie ten opzichte van de Tamils extra zwak aangezien ik geen fooien krijg en ze dus ook niet kan delen, hoewel zij volgens mij denken dat ik gewoon gierig ben. In theorie is het de bedoeling dat de obers mij elk drie euro geven voor mijn werk, maar dat doen ze zelden en het is vernederend om ze aan het eind van de dienst als een Oliver Twist met uitgestoken hand langs te gaan.
Het gevolg is dat het Nimsath geen zier kan schelen of de obers tegen me schreeuwen dat ik de ontbrekende pommes dauphinoises voor tafel 487 moet gaan halen. Ik heb meer harde valuta nodig om dit alles draaiende te houden, ik moet fooi gaan verdienen en niet alleen om de Tamils om te kopen, ook om van te kunnen leven. Tot die tijd heb ik één troefkaart wat Nimsath betreft: Londen. Maar hoelang dat zal duren? Ik heb geen idee.
‘Londen goed, Parijs slecht’ is zijn vaste uitspraak.
Voor Nimsath is het ondenkbaar dat ik Londen heb verlaten, waar, volgens hem, iedereen vriendelijk is en je nooit als slaaf wordt behandeld. De kans dat hij ooit Londen zal bereiken is klein, en dat weet hij. Dus neemt hij er genoegen mee mij vragen te stellen in gebroken Engels in de hoop dat hij door met mij, een echte Engelsman, te spreken op de een of andere manier dichter bij zijn droom komt.
Als de dienst voorbij is, wikkelt Nimsath zich, net als de andere Tamils, in nog meer lagen kleding en vertrekt hij naar de vergeten buitenwijken. Ik weet niet precies waar hij woont, maar hij beschrijft een plek met verwaarloosde torenflats waar de liften niet meer werken en de bewoners hun boodschappen met touwen omhoog moeten hijsen. Geen wonder dat hij denkt dat Londen beter is. Bovendien kan hij nooit meer terug naar Sri Lanka, zegt hij.
‘Tamiltijger, vrijheidsstrijder,’ mompelen de Tamils in zichzelf als ze het zwaar hebben.
Nimsath is al tien jaar in Parijs, waarvan hij het merendeel in de Passage heeft doorgebracht. Hij is weliswaar geen soldaat meer, maar hij vecht nog steeds voor zijn vrijheid.
Onderbemand
Het is lunchtijd en we zijn onderbemand. Een Amerikaanse vrouw houdt me staande, verontwaardigd dat haar filet de boeuf niet à point is, zoals gevraagd, maar absoluut saignant. De opengesneden, roze binnenkant van het gewraakte stuk vlees staart me aan als een oude wond. Wat zij heeft gekregen is wat Franse koks medium zouden noemen, zeg ik beleefd; misschien wil ze het eerst proeven? Met taalgebruik dat eerder thuishoort in de Passage duwt de dame me het bord in handen en draagt me op me uit de voeten te maken. Je raakt er als ober al snel aan gewend dat mensen menen tegen je te kunnen praten alsof je tot een lagere soort behoort.
In de Passage kan de timing niet slechter zijn. Bijna alle obers zijn er, en de sfeer is giftig. Je hebt Lucien, mijn onwillige Gallische gids; De Souza, een kleine, voormalige bokser met gebroken neus; Salvatore, een Siciliaan zo groot als een beer; Renaud, de beroepsober met het onbetrouwbare gezicht; Jamaal, scheel en bedrieglijk en natuurlijk Adrien, de maître d’ouvrage, met zijn vettige blonde haar, zijn puisterige gezicht en zijn bijbaantje als cokedealer van de directie.
De beschuldigingen vliegen in het rond, Nimsath schreeuwt obsceniteiten in het Tamil, en De Souza en Renaud staan tegenover elkaar, met Adrien als bemiddelaar. De Souza zegt iets over Renaud, die opnieuw fooien zou hebben gestolen. Renaud lacht hem uit.
Nimsath weigert botweg het vlees terug te sturen naar de keuken. De andere obers zijn het daarmee eens en ik word de Passage uitgewerkt en teruggeduwd naar het restaurant.
Ik zal het vlees zelf naar de bovenkeuken moeten brengen, besluit ik. Daar ben ik nog nooit geweest. We moeten er uit de buurt blijven. Het kastenstelsel houdt ons strikt gescheiden. Uit de bovenkeuken komen de belangrijkste onderdelen van elk gerecht: het vlees en de vis. Ze worden met dienstliften naar beneden gestuurd. Daar voegen de Tamils ze met de rest van het gerecht samen.
Bovenaan de trap tref ik een ruimte aan ter grootte van een cockpit, met aan alle kanten op vol gas vlammende kookplaten
Ik stel me de bovenkeuken voor als een redelijk glamoureuze plek, gezien de prestige, vol hoogopgeleide mensen die belangrijk culinair werk verrichten op glanzende metalen werkbladen met behulp van chique apparatuur. Bovenaan de trap tref ik echter een ruimte aan ter grootte van een cockpit, met aan alle kanten op vol gas vlammende kookplaten.
Het lawaai is oorverdovend, een aanhoudend kabaal van afzuigkappen, ventilatoren, sissend vlees, metaal dat tegen metaal klettert en geschreeuw. Boven de hoofden bevindt zich een klein raampje, dat gesloten is. De intensiteit van de hitte is onbeschrijfelijk. De zwarte muren en het plafond zijn bedekt met grote plekken condens. Tussen de vlammen staan vijf Afrikaanse mannen. Grote mannen in doorweekte, bevuilde kokskleren. Het lijkt hier meer op een ijzersmederij in een afgelegen Romeinse buitenpost dan op een Parijse keuken. Ik zie hoe stukken schroeiend vlees en sissende vis uit de pannen worden geschept en op borden worden gegooid om na een snelle veeg met een vuile doek met de liften naar beneden te worden gestuurd.
De chef-kok zwaait de scepter over dit aardse inferno
De chef-kok zwaait de scepter over dit aardse inferno. De enige witte man in de keuken. Een Corsicaan. Een reus van een man die een mes hanteert dat zo groot is dat het waarschijnlijk ooit van Hercules zelf is geweest. Hij wijst, prikt, snijdt, smeert met het mes, slaat ermee op metalen oppervlakken. Een man vol schuimbekkende woede. Niets is ooit goed genoeg. Een kleine printer spuugt aan één stuk door kaartjes uit die hij zo woest afscheurt dat de machine van de muur dreigt los te komen. De bestellingen schreeuwt hij bruut in de oren van de koks, alsof hij er intens behagen in schept hen met een dergelijke minachting te behandelen.
‘Deux poulets! Trois loups! Un filet – bien cuit!’ Hij buigt zich naar hen toe als hij in hun oren schreeuwt: ‘Heb je me verdomme gehoord?’
‘Oui, chef!‘ roepen ze als in trance eenstemmig terug. Ze nemen niet eens de moeite om zijn spuug van hun wangen te vegen.
‘Bon, espèce de connard. Encore! Deux magrets! Un loup! Trois saumons!’
‘Deux veaux!’
Dan ziet hij mij. ‘Flikker op jij!’
Ik sta daar als een idioot met het uitgestoken bord.
Hij wijst op me met het reusachtige mes. ‘Heb je me niet begrepen? Va te faire foutre! Fils de pute!’
Door de zenuwen laat mijn Frans me in de steek en ik stotter. Het voelt alsof ik me in een trainingsscène uit een film over de Vietnamoorlog bevindt.
‘Dégage! Deze biefstuk is medium. Jouw klant is niet speciaal. Ze is een pute!’
Hij keert terug naar zijn personeel. Om de een of andere reden blijf ik staan waar ik sta, op de drempel. Vastbesloten om het vlees gegaard te krijgen.
Als hij zich weer omdraait en mij nog steeds ziet staan met het bord biefstuk in de hand, zie ik voor mijn ogen gebeuren dat hij verteerd raakt door woede, door onvervalste, pure haat. In een oogwenk duwt hij me tegen de muur, met zijn vrije hand op mijn keel en de punt van het reusachtige mes vlak bij mijn oog.
‘Hoe durf je me te vertellen hoe ik moet koken!’ schreeuwt hij.
Ik krijg geen lucht meer. Zijn bankschroefachtige greep vermorzelt mijn luchtpijp. Hij houdt mijn keel nog steeds vast, laat het mes zakken en trekt het bord uit mijn hand. De steak glijdt in een pan.
‘Cremeer het!’ schreeuwt hij naar de kok.
‘Oui, chef!’
Ik voel paniek opkomen want ik krijg nog steeds geen lucht. Ik probeer me vergeefs te ontworstelen aan zijn greep, wat hem alleen maar bozer maakt, zodat hij nog harder knijpt. Zijn adem ruikt naar sigaretten en cognac, de muur ruikt naar vlees. Nog nooit is de tijd zo langzaam voorbijgegaan. Ik sta op het punt een black-out te krijgen en dan…
‘Cramé, chef!’ schreeuwt de kok die het dichtst bij ons staat. Verbrand.
Nu laat de chef-kok eindelijk mijn keel los, pakt het stuk vlees met zijn blote hand, houdt het voor mijn gezicht zodat het mijn neus raakt, en smijt het dan op het bord, dat bijna uit mijn hand valt. Ik draai me om en haast me de trap af. Beneden raap ik mezelf bijeen. Het kost me moeite om adem te halen. Ik controleer mijn verschijning en strijk mijn haar glad. Met een servet dat aan de zijkant van het bord is blijven liggen veeg ik eerst het bord en daarna mijn gezicht af, waarna ik me een weg baan door de smalle gangen, richting het restaurant.
In de eetzaal is niets veranderd. Ik ben nauwelijks een paar minuten weg geweest. Er klinkt nog steeds het gekletter van bestek tegen borden en het geroezemoes van beleefde gesprekken, obers zwermen nog steeds rond als vliegen. Ik ga rechtstreeks naar de tafel van de Amerikaanse dame en zet het vlees voor haar neer. Ze kijkt me niet aan en bedankt me niet. Ze prikt er simpelweg met haar vork in, laat weten dat het in orde is en gaat verder met eten. Als een speer begeef ik me naar de Passage, elke gast en ober negerend die mijn aandacht probeert te trekken. Ik schreeuw naar Nimsath om water, dat ik weer ophoest als ik drink. Yulia, een van de gastvrouwen, komt me achterna gesneld. ‘Wat heb je gedaan?’
Ik kijk om. Geschrokken. ‘Wat?’
‘Je rug!’
Ze draait me om en begint te wrijven met een doek. ‘Walgelijk.’
Mijn jasje is bedekt met een laagje slijm. Vet, zweet en condens van de muren in de bovenkeuken. Gaat er nooit meer uit. En dat midden in mijn dienst. Als ik geen jasje heb, kan ik niet in de eetzaal werken en als ik niet kan werken, word ik ontslagen.
Lucien, de ober die de weinig benijdenswaardige opdracht heeft ervoor te zorgen dat ik er geen zooitje van maak, stormt naar binnen. Als ik hem vertel wat er is gebeurd, is hij onvermurwbaar: ‘Wat heb ik je nou gezegd? Hè? Je mag nooit in de bovenkeuken komen. Nooit!’
Edward Chisholm, A Waiter in Paris: Adventures in the Dark Heart of the City, Octopus.
Een derde van het personeel zou de sector hebben verlaten
In Ierland zien veel pubs zich genoodzaakt om twee dagen per week te sluiten als gevolg van personeelstekorten, meldt RTÉ. Die tekorten zijn vanwege de pandemie nog groter geworden dan ze al waren. Dat heeft een delegatie van Ierse publicans, caféhouders, laten weten aan een speciale commissie van de Oireachtas, het Ierse parlement.
‘Twee jaar van sluitingen en beperkingen hebben een verwoestend effect gehad op het behoud van personeel’
Volgens Donall O’Keeffe, voorzitter van de Licensed Vintners Association, de organisatie van publicans in Dublin, hebben twee jaar van sluitingen en beperkingen een verwoestend effect gehad op het behoud van personeel in de sector. Hij schat dat ongeveer een derde van het personeel de sector heeft verlaten. Er waren volgens hem al tekorten aan geschoold personeel voordat corona uitbrak, en het vertrek van chef-koks, managers en hoger barpersoneel tijdens de pandemie heeft die situatie verergerd. Sinds de pubs weer open mogen is de beschikbaarheid van personeel de grootste remmende factor voor een volledig herstel, aldus O’Keeffe.
Niet alleen etenswaren, gerechten en eetgewoonten reizen de wereld rond, ook chef-koks van naam zwermen uit – met meer of minder succes.
Gordon Ramsay
‘Het lijkt wel alsof iemand zijn kont met het deeg heeft afgeveegd!’ Zo’n hartekreet tijdens een kookprogramma op de Amerikaanse tv-zender Fox – waarin een hulpje een stukje pizza met bacon en chocola wilde serveren – is tekenend voor Gordon Ramsay, de superster onder de koks, wiens openhartigheid zich uit in gekruid taalgebruik (zeldzaam zijn bij hem zinnen waarin een welgemeend ‘fuck!’ niet voorkomt). Maar Ramsay beperkt zich niet tot het amuseren van de kijkers van zijn tv-programma’s, die dankzij zijn opmerkingen steevast opzien baren. ‘Hij is een van de weinige Britse chef-koks die wereldberoemd zijn,’ schrijft de Financial Times. ‘En een chef die met zijn verbeten werklust een imperium heeft opgebouwd.’
De tijden zijn wel veranderd sinds de jongen uit een stadje in het midden van Engeland zijn strepen verdiende bij de grote Guy Savoy in Parijs en bij zijn landgenoot Marco Pierre White. Nadat hij met zijn zaak in Chelsea (Restaurant Gordon Ramsay) zijn derde Michelinster had binnengehaald, stak hij zijn geld in veertien andere restaurants in de Britse hoofdstad en leende zijn naam aan veertien filialen in het buitenland. Het vijftiende wordt eind dit jaar geopend in Sanya, op het eiland Hainan, voor de zuidkust van China.
Yotam Ottolenghi
De keuken van Yotam Ottolenghi, geboren in Jeruzalem, is een verfijnde melange van Midden-Oosterse, Joodse en Arabische smaken en geuren, van traditie en innovatie. Ottolenghi is een grote figuur in de wereldgastronomie (‘Wij zijn allen Ottolenghi’s’, schreef The Times een paar jaar geleden). Nadat hij successen had geboekt met zijn restaurants annex delicatessenwinkels in Londen, opende hij in 2011 een groot restaurant onder de naam Nopi (voor ‘North of Piccadilly’) in Warwick Street.
Ottolenghi publiceert zijn recepten met regelmaat in Angelsaksische culinaire tijdschriften. Hij heeft, samen met zijn compagnon Sami Tamimi, een aantal bestsellers op zijn naam staan, waaronder Jerusalem, met 130 recepten uit beider kinderjaren. Ottolenghi werd in een Joods gezin geboren, Tamimi in een Palestijns, en de auteurs wilden de nadruk leggen op het multiculturele karakter van de keuken in de Heilige Stad. ‘We wilden ons gastronomische DNA ontdekken,’ verklaarden de twee tegenover _ The Daily Telegraph._
René Redzepi
Welke kookgek droomt er niet van ooit aan tafel te mogen zitten bij René Redzepi? De schepper van Noma in Kopenhagen (een zaak die door het Britse vakblad Restaurant al tot vier keer toe is uitgeroepen tot ‘beste restaurant ter wereld’) is een icoon. De nu 39-jarige voorzanger in het loflied op het gebruik van lokale producten organiseert sinds 2015 culinaire evenementen zonder weerga: hij reist met zijn hele keukenbrigade de wereld rond om de principes van Noma elders, in andere omstandigheden en met nieuwe ingrediënten in praktijk te brengen. Het eerste van deze tijdelijke restaurants opende Redzepi in Tokio. Vervolgens werd de reis naar Sydney aanvaard en het jongste uitstapje was naar Tulum, de oude Mayastad op het schiereiland Yucatan.
Goed initiatief? Dat is niet steeds het oordeel van waarnemers ter plekke. Hoewel sommigen lovend zijn over het initiatief om de verdiensten van de plaatselijke keuken in de schijnwerpers te plaatsen, wijzen anderen op de exorbitante prijzen die worden gevraagd (600 dollar per couvert exclusief btw en bediening).
Antropologe Claudia Prieto Piastro rept zelfs van ‘gastronomisch kolonialisme’. ‘Een rekening presenteren van 600 dollar voor een etentje, in een land dat hard geraakt is door een economische en sociale crisis, is het bewijs dat het Redzepi volstrekt ontgaat wat er aan de hand is op plekken die hij desondanks zegt te bewonderen’, schreef ze in de Mexicaanse editie van The Huffington Post.
Joël Robuchon
Een Atelier de Joël Robuchon in Montreal? Daar leek in eerste instantie niets mis mee. De ruim met sterren bedeelde Franse topchef heeft zo’n beetje overal ter wereld restaurants die zijn naam dragen, dus waarom niet in de Franstalige Canadese provincie Quebec? Maar het hele idee verzuurde toen kort na de opening, eind vorig jaar, geruchten de ronde deden dat het provinciebestuur via het overheidsbedrijf Loto-Québec 11 miljoen Canadese dollar (7,5 miljoen euro) had betaald om Robuchon over te halen zijn tafel te dekken in het plaatselijke casino. Columniste Lise Ravary van Le Journal de Montréal kon zich ‘nauwelijks voorstellen dat dit luxe restaurant – waarvan men veel goeds zegt – hordes jetsetters naar Montreal lokt en de samenstelling van het bezoek van jan en alleman aan het casino op slag kan veranderen’. Integendeel: ‘Ik wil er wat om verwedden dat Amerikaanse lekkerbekken zich massaal naar Montreal zouden hebben gespoed om in dat juwelenkistje, dat het casino is, kennis te maken met de geweldige creaties van onze Canadese chefs […] Maar het provinciebestuur heeft er de voorkeur aan gegeven die kans te gunnen aan een buitenlandse onderneming…’
In 2015 werd Kai Kai Dessert in Hongkong in één klap wereldberoemd, toen het als eerste streetfoodrestaurant ooit een vermelding kreeg in de Michelingids. Het leverde eigenaar Chiu Wing Keng veel extra klanten op, maar ook een hoop gedoe.
Het is bijna twaalf uur ’s middags op een vrijdag in de arbeiderswijk Jordan in Hongkong, en Chiu Wing Keng is moe. De 28-jarige kok is de nacht ervoor tot zes uur in touw geweest om ingrediënten te bereiden voor een druk weekend in Kai Kai Dessert, de twee verdiepingen tellende zaak van zijn familie in Ning Po Street. Chiu’s vader, Chiu Wai Yip, begon Kai Kai bijna vier decennia geleden, nadat hij het vak van zijn oom had geleerd. De familie is gespecialiseerd in de traditionele Kantonese dessertsoepen die mijn moeder, die in 1969 vanuit Hongkong naar New York emigreerde, maakte toen ik klein was: zoete rodebonensoep met lotuszaadjes, zijdezachte eiercustardpudding, kleverige sesamrijstballetjes in gembersiroop.
In 2015 dwong de Michelingids het familiebedrijf bijna tot sluiting. Kai Kai Dessert behoorde tot het vijfentwintigtal eethuizen dat in de Michelingids voor Hongkong en Macau werd opgenomen, de eerste keer dat de prestigieuze gids zich met streetfood inliet. Het is een mooi idee: een al lang bestaande plaatselijke zaak onder de internationale aandacht brengen zodat er een nieuw publiek wordt gevonden voor ouderwetse, met zorg bereide smaken. Maar algauw bleek de vermelding ook nadelen te hebben. Het aantal klanten nam de eerste maand met 30 procent toe en enkele weken later verdubbelde de huisbaas van de Chiu’s de huur tot 27.000 dollar, het equivalent van elfduizend kommen soep. Dat is meer dan de helft van de maandomzet van het eethuis.
Verrassing
Chiu Wing Keng en zijn vader breken zich het hoofd over de voor- en nadelen van opname in de wereldwijd erkende voedselbijbel van Michelin. ‘Hoe kan ik mijn voordeel doen met de aandacht? Kan ik de toegenomen drukte aan? Moet ik meer mensen inhuren? Moet ik uitbreiden? Moet ik franchisenemers zoeken? Moet ik iets – wat dan ook – anders doen?’ Maar Michelins nieuwe streetfoodcategorie kan een eethuis in zijn voortbestaan bedreigen: voor een gat in de muur van waaruit soep voor 3 dollar wordt geserveerd is een drastische huurverhoging rampzalig. (Er bestaat geen huurbescherming in Hongkong en de astronomische vastgoedprijzen maken het de meest ontoegankelijke stad ter wereld.) Kai Kai was niet de enige zaak in Hongkong die door Michelin in gevaar werd gebracht – het eveneens in de gids vermelde Cheung Hing Kee, een op Shanghaise leest geschoeide broodjeszaak in de wijk Tsuen Wan, kreeg ook een verlammende huurverhoging en werd gedwongen te verkassen.
Als hij zijn jaar na de Michelinvermelding beschrijft, is Chiu schamper. ‘Ik denk dat het eerste jaar het gevaarlijkst is,’ zegt hij. Midden tijdens het koortsachtige, vruchteloze zoeken naar een betaalbaar onderkomen bood een trouwe klant de Chiu’s zijn bedrijfsruimte aan, en het 38 jaar oude bedrijf verhuisde naar een kleinere locatie om de hoek. De huidige maandhuur komt neer op een hanteerbaardere 4500 kommen soep.
Chiu is slank en jongensachtig, met een rechthoekige bril, een opzettelijk warrige pony en een verlegen glimlach. Als derdegeneratierentmeester van het familiebedrijf wist hij van jongs af aan dat hij in de zaak zou komen, maar hij maakte zich zorgen over de toekomst ervan. ‘Deze desserts zijn van de oude stempel,’ zegt hij, wijzend op de in het Chinees gestelde menukaart met zo’n twintig gerechten, die aan de muur hangt (Kai Kai heeft ook een Engelse menukaart). Hij was bang dat de gerechten minder populair zouden worden bij de jongeren. Michelin heeft geholpen, zegt hij, door een toevloed van klanten uit het Westen.
Chiu leidt me naar de overvolle keuken aan de achterkant. Op de aanrechten staan rijen aardewerken schalen met gouden eiercustard, en op planken en op de vloer keurige vaten met ingrediënten: geroosterde gitzwarte sesamzaadjes, bergen witte suiker, lotuszaadjes die weken in water. Hoge stalen pannen pruttelen op het fornuis en de lucht is bezwangerd met de rijke, welriekende geur van gember. Chiu’s moeder steekt haar hoofd om de hoek en waarschuwt ons voor de pas gedweilde vloer. Chiu en zijn vader en moeder koken nog steeds alles zelf, en veel gerechten zijn arbeidsintensief. De 58-jarige vader, een praatgrage man met een kaalgeschoren hoofd, werkt alleen nog maar ’s ochtends en bereidt de ingrediënten voor voordat de zaak om twaalf uur opengaat. Toen ik arriveerde begroette hij me zonder hemd en met een grote grijns, en vroeg of ik een kom hete soep wilde.
De grootste verandering, zegt Chiu, is dat hij meer werkt – en zich meer zorgen maakt
De Michelinvermelding was een verrassing voor de familie. ‘We dachten altijd dat de gids voor chique restaurants was, niet voor ons soort eten,’ zegt Chiu. De opname van een categorie streetfood – ‘de eerste in de geschiedenis van de Michelingidsen’, aldus Michael Ellis, de internationaal directeur van de gidsen – verraste ook menigeen in de culinaire wereld. Michelin, dat zich van oudsher op de haute cuisine had geconcentreerd, werd de laatste jaren van een gebrek aan relevantie beticht in een wereld waarin maaltijden uitvoerig worden gedocumenteerd door eigengereide onlinerestaurantgidsen als Yelp, Eater en vele andere. Ellis noemde de lancering specifiek voor Hongkong: ‘Streetfood behoort daar tot de plaatselijke manier van leven. De stad slaapt nooit, het is altijd druk op straat en inwoners van Hongkong eten graag buiten de deur zonder dat ze per se ergens willen zitten en een hoop geld willen uitgeven.’ Sommigen, zoals de gids Lifestyle Asia, beschuldigden Michelin van effectbejag door ‘met behulp van een trucje te laten zien dat ze heel goed weten hoe Hongkong eet’.
In veel opzichten is de nieuwe categorie een uitvloeisel van de wereldwijde fetisjisering van streetfood: bedrijven als Kogi BBQ, de tacotruck uit Los Angeles die het imperium van chef Roy Choi lanceerde, hebben eenvoudig Koreaans eten tot de status van haute cuisine verheven. Maar het is ook een blijk van de slimme manier waarop Michelin in Azië investeert. Waar de gidsen zich aanvankelijk uitsluitend op Europa richtten, beslaan ze nu bijna vijftig regio’s wereldwijd. De lichting 2017 omvat gidsen voor Seoul en Shanghai, met inbegrip van de streetfoodmekka’s, en de categorie streetfood is uitgebreid naar Singapore.
Chiu zegt me dat hij geen last heeft van de streetfoodvermelding, voornamelijk omdat hij niet begrijpt wat die inhoudt. ‘Betekent “streetfood” iets minder goeds?’ vraagt hij. Tijdens mijn bezoek heerst er een opgeluchte stemming in Kai Kai; twee dagen eerder heeft Michelin voor het tweede jaar een lijst met streetfoodzaken in Hongkong gepubliceerd, en Kai Kai staat er weer in. ‘Ik vraag me wel af wat er gebeurt als ze ons er niet meer in zetten – of mensen dan niet zullen zeggen: “Wat is er aan de hand? Ze hebben kennelijk iets niet goed gedaan.”’
De grootste verandering, zegt Chiu, is dat hij meer werkt – en zich meer zorgen maakt. Tijdens het avondspitsuur wachten de mensen geduldig buiten en vormen een rij tot voorbij de bamboesteigers voor het aangrenzende pand. Tot aan sluitingstijd om vier uur ’s morgens en nog wel een paar uur daarna is Chiu druk bezig in de keuken: sesam wassen, roosteren en met de hand vermalen, papaja stoven, suikerstroop inkoken. ‘Als Michelin hier nooit meer komt, zou dat jammer zijn, maar het zou waarschijnlijk niet enorm veel uitmaken,’ zegt hij. ‘Het zal me niet de kop kosten.’ Hij pauzeert even. ‘Maar dat ze hier voor het eerst kwamen heeft ons wél bijna de kop gekost.’
Als ik hem vraag wat de traditionele desserts van zijn familie zo bijzonder maakt, denkt hij lang na. Achter me aan de gemeenschappelijke houten tafels hoor ik het bedaarde geslurp van de klanten. Ten slotte zegt hij: ‘Het is eten voor je hart. Waarom het zo lekker is? Omdat we alles zelf maken. Nu vragen mensen ons: “Wil je naar Taiwan? Wil je naar China? Wil je meer zaken openen, franchisezaken?” Dan zeg ik: nee. Deze kom eten die ik maak en naar je toe breng, met mijn eigen handen…’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Het zou niet hetzelfde zijn.’
Californië kent allerlei volwaardige publicaties, maar zo aantrekkelijk als The California Sunday Magazine zijn er maar weinig. Het fraai vormgegeven tijdschrift bestaat pas drie jaar en is nog in handen van een enthousiast team dat het liefst nieuwe projecten begint. ‘We’re just getting started…. There’s lots more to come’, staat er op hun site.
Het begon met een live pop-upmagazine 25 jaar geleden. Een clubje schrijvers, producers en fotografen zouden verhalen, opinies en analyses zelf opvoeren. De avond moest zich ontvouwen zoals een klassiek magazine dat doet, en aan het eind van de performance ontmoette iedereen elkaar aan de bar. Niets werd vastgelegd, je moest erbij zijn om het te kunnen lezen.
In 2014 lanceerden dezelfde journalisten The California Sunday Magazine, dat onmiddellijk in de prijzen viel. Het blad wordt bijgestoken bij de Los Angeles Times en San Francisco Chronicle, en biedt ambitieuze internationale features en fotografie uit alle hoeken van de wereld.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.