Tag: revolutie

  • Tien jaar na de Arabische Lente snakt de jeugd naar perspectief

    Tien jaar na de Arabische Lente snakt de jeugd naar perspectief

    In 2010 en de jaren die volgden spoelde er een veelbelovende portestgolf over de Arabische wereld. Nog altijd is de regio instabiel, en snakt de jongere generatie naar een (normaal) leven.

    De afgelopen tien jaar zijn er in de Arabische wereld dingen gebeurd die normaal gesproken goed zijn voor een eeuw geschiedenis. Revoluties, contrarevoluties, regimes die in de afgrond storten, regimes die hun land in de afgrond storten, burgeroorlogen die buiten hun oevers treden, staten binnen de staat die de gevestigde orde aan het wankelen brengen, oude machten die een comeback maken, nieuwe machten die de door hun voorgangers achtergelaten buit proberen binnen te halen, allianties die worden gesmeed, allianties die uiteenvallen. En alles gebeurt tegelijkertijd, nergens lijkt nog sprake te zijn van een stevig fundament, elke overtuiging wordt getart en elke toekomstvoorspelling is riskant. Tunesië, Egypte, Soedan, Libië, Algerije, Syrië, Irak, Bahrein, Jemen, Saoedi-Arabië, Libanon, noem maar op: bijna geen enkel Arabisch land heeft zich kunnen onttrekken aan deze versnelling van de geschiedenis, die vele vormen kende en dus ook uiteenlopende gevolgen heeft gehad.

    Het begon allemaal op 17 december 2010 met de wanhoopsdaad van Mohammad Bouazizi, een Tunesische groente-en-fruitverkoper die zichzelf in brand stak. Aangezien de gevolgen van de diepgaande omwenteling nog lang niet zijn uitgewoed, is een weloverwogen terugblik onmogelijk en kunnen we dus ook nog geen verstrekkende conclusies trekken. Hoe zal de Arabische wereld eruitzien als dit hoofdstuk eenmaal is afgesloten? Welke scheuringen zullen zich hebben voorgedaan, welke ontwikkelingen blijken duurzaam te zijn, nadat de regio decennialang in een diepe sluimer leek te verkeren? Niemand die het weet. En toch horen we al jaren die aanzwellende deun dat de Arabische Lente – de term zelf geeft al permanent aanleiding tot discussie – niets anders was dan een grootse luchtspiegeling. 

    MO GettyImages 464984333 2
    Aanhangers van de Egyptische minister van Defensie Fattah al-Sisi verzamelen zich in januari 2014 op een zwaar beveiligd Tahrirplein in Caïro om de derde verjaardag van de opstand te vieren. – © Ed Giles / Getty Images)

    Voor die stelling is natuurlijk ook wel wat te zeggen. De Arabische Lente brak in de knop. Syrië, Irak en Jemen liggen aan flarden, Palestina bestaat niet meer, Libië wordt verscheurd, Egypte kachelt achteruit, Libanon loopt schipbreuk – hoeveel opgestapeld leed kan het grote Arabische lichaam verdragen voordat het de geest geeft? De poging van de islamisten om terrein terug te winnen, het totalitaire project van de jihadisten, de wedijver van de oude magnaten, het cynisme van het Westen, maar – en dat vooral – de verpletterende onderdrukking van de bevolking door lokale tirannen en hun bondgenoten, met alle denkbare en ondenkbare middelen: ze hebben de regio in een lange winter gedompeld, grotesker en uitzichtlozer nog dan de vorige.

    Geopolitieke twisten

    Bijna alle landen in de Arabische wereld zuchten onder een politieke én een economische crisis, met daarbovenop nog eens geopolitieke twisten die de existentiële problemen waarmee deze landen al te kampen hebben verergeren en elke mogelijkheid om uit de crisis te komen afhankelijk maken van onverenigbare interne en externe factoren. Het is dus heel begrijpelijk dat in de hoofden van veel mensen de beloften van de Lente ver weg lijken. Zeker, de meeste revoluties zijn mislukt en de levensomstandigheden zijn de afgelopen tien jaar door de bank genomen verslechterd. Zelfs in Tunesië, dat als het enige succes van deze revolutionaire golf wordt aangewezen, lijken veel mensen terug te verlangen naar een tijd dat openbaar debat onmogelijk was en individuele rechten met voeten werden getreden maar orde en stabiliteit min of meer gewaarborgd leken.

    Lees ook ‘Wat is er tien jaar later over van de Arabische Lente’ van 18 december 2020:

    Voor veel mensen in de Arabische wereld is hun leven verslechtend na de Arabische Lente, schrijft The Guardian naar aanleiding van een peiling onder acht landen. Toch heeft een meerderheid van de respondenten in Soedan, Tunesië, Algerije, Irak en Egypte geen spijt van de protesten.

    De lokale bevolking ziet oorlog, buitenlandse inmenging of alleen al de economische crisis als de uitkomst van haar verlangen naar verandering. De Arabieren waren niet rijp voor democratie, is het idee: de politieke experimenten tijdens de Arabische Lente zijn immers mislukt en met name in Egypte is de autocratie in haar grofste vorm teruggekeerd. Veel Arabieren zijn daar zelf van overtuigd. Schreef de beroemde Franse socioloog en filosoof Raymond Aron al niet: ‘Mannen schrijven geschiedenis, zelfs als ze die geschiedenis niet kennen’?

    De gevolgen van deze diepgaande omwenteling zijn nog lang niet uitgewoed

    Andermaal openbaart zich hier een pijnlijk gebrek aan historisch perspectief. Oorzaak en gevolg, kwaal en remedie, worden door elkaar gehaald. De economische crisis ging aan de revoluties vooraf, ook al werd die verergerd door die revoluties; het was een van de belangrijkste redenen dat de verarmde onderklasse en de liberale burgerij de handen ineensloegen. Dat de opstand op een politieke mislukking uitdraaide mag nauwelijks een verrassing heten, en juist daarom mogen we de geschiedenis niet van achteren naar voren lezen. Kon van de Arabische burgers worden verwacht dat ze zich zouden gedragen als voorbeeldige Zweedse democraten, na decennia van politieke stagnatie en brute onderdrukking van iedere kritiek op de gevestigde orde, van staatsterreur en zwijgplicht? Moesten ze een bewijs van democratische geschiktheid afgeven door de wreedheden van de contrarevolutionairen vreedzaam te ondergaan?

    Obstakels

    De Arabische revolutionaire bewegingen hebben op verschillende niveaus met tal van obstakels te maken gehad – ook binnen deze bewegingen zelf, waar het gemeenschappelijke verzet tegen het bewind aanzienlijke verschillen maskeerde. Ze moesten leren omgaan met deze pluraliteit, die zo’n beetje voor het eerst politiek tot uitdrukking kwam. In hun strijd om de macht moesten deze bewegingen het opnemen tegen of onderhandelen met de veiligheidsdiensten om hun doel te bereiken. Uiteindelijk werden de Arabische opstanden op geopolitiek niveau gegijzeld door kwesties die de revolutionairen boven het hoofd stegen en werden ze het voertuig of het slachtoffer van imperialistische projecten.

    Wat dat betreft spreekt vooral het Syrische drama boekdelen. Een revolutie heeft weinig kans van slagen als het politieke ontwaken moet opboksen tegen een barbaars regime dat in zijn aard geen duimbreed toegeeft, en tegen de onwelkome bemoeienis van Russen, Iraniërs en Turken. 

    De Arabieren waren niet rijp voor democratie, is het idee

    De balans van de afgelopen tien jaar is misschien niet rooskleurig, maar draagt wel de kiem in zich van ingrijpende sociale veranderingen, met name bij de jongere generatie, die meer dan de helft van de bevolking 
    uitmaakt.

    Het was nooit de bedoeling van de Arabische revoluties om een nieuwe mens uit te vinden. Het waren – en het zijn nog steeds – ‘revoluties van normaliteit’, zoals de Franse historicus Henry Laurens het schetst. Ze worden gedreven door een verlangen om te breken met de vorige generatie en een moderne staat op te bouwen waarin het individu waardig kan leven. De Arabische Lente heeft veel teweeggebracht en we staan nog maar aan het begin van de afwikkeling ervan. De tweede golf die in 2018 over Libanon, Algerije, Irak en Soedan spoelde, is hiervan het beste bewijs. Zelfs in landen waaraan die golf geheel of grotendeels voorbij is gegaan, zoals de oliemonarchieën op het Arabisch schiereiland, zijn er maatschappelijke veranderingen zichtbaar die binnen enkele jaren tot een kookpunt kunnen leiden.

    Diverse krachten hebben zich de afgelopen tien jaar gemanifesteerd. Het geopolitieke aspect staat nu centraal, behalve misschien in de Maghreb, en dat speelt plaatselijke dictators in de kaart. Maar het is dwaasheid om aan te nemen dat deze situatie zal standhouden. Het is onzin om ervan uit te gaan dat de Arabische jongeren die van de vrijheid hebben geproefd en nu alleen maar willen emigreren, het juk van failliete dictaturen zullen blijven verdragen, zonder enig uitzicht op een aanvaardbare toekomst. Het zal jaren duren, misschien zelfs decennia, maar geen enkel regime, geen enkel geopolitiek project mag in staat worden geacht om tot in lengte van dagen weerstand te bieden aan dit onstuitbare verlangen van de Arabische volkeren naar (een normaal) leven. 

  • De revolutie zal worden #gehashtagd

    De revolutie zal worden #gehashtagd

    #Hashtagactivisme heeft grote aantallen mensen in beweging gebracht, ook op het Afrikaanse continent. Nog belangrijker is dat regeringen gedwongen worden om aandacht te besteden aan de socialemediacampagnes. Met effect, offline, schrijft de gelauwerde journaliste Chika Oduah.

    Op 1 mei 2014 twitterde Chris Brown een foto in sepiatinten van een treurig kijkend zwart meisje, met de hashtag #BringBackOurGirls. De boodschap was bedoeld om de aandacht te vestigen op de 276 vrouwelijke leerlingen die in april in Nigeria waren ontvoerd door de islamitische terreurorganisatie Boko Haram. De BBC en andere gebruikers van sociale media verspreidden het beeld.

    Het probleem was dat de jonge vrouw op de foto geen Nigeriaanse was; ze kwam uit Guinee-Bissau. Ze was nooit ontvoerd en had ook niets met #BringBackOurGirls te maken. Maar de foto werd duizenden keren gedeeld en dat leidde tot de beschuldiging van ‘slactivisme’: het op grote schaal uiten van woede op sociale media zonder de tijd te nemen om achter de feiten te komen.

    Ondanks de nadelen is hashtagactivis-me de afgelopen zes jaar in Afrika met veel succes aangewend. Alleen al in 2020 zijn er hashtagcampagnes gevoerd in Namibië, Zimbabwe, Kameroen, de Democratische Republiek Congo en opnieuw Nigeria, die bewegingen de gelegenheid gaven hun boodschap op sociale media, op straat en op de radar van ongekende aantallen mensen over de hele wereld te krijgen. En, het allerbelangrijkst, deze hashtags hebben regeringen gedwongen om aandacht aan die bewegingen te besteden.

    In Namibië arresteerden veiligheidsagenten 25 vreedzame antifemicide-activisten, maar de aanklachten tegen hen werden ingetrokken toen een overheidsfunctionaris na een brede campagne die werd versterkt door de sociale media, weigerde hen te vervolgen: een klinkende overwinning voor de vrijheid van meningsuiting. Na de EndSARS-demonstraties in Nigeria tegen het gewelddadig optreden van de Special Anti-Robbery Squad, een elite-eenheid van de politie, hebben de bestuurders van 28 van de 36 staten van dat land juridische commissies ingesteld om de getuigenissen te horen van mensen die te maken hebben gekregen met politiegeweld.

    In Kameroen is de nationale overheid onderhandelingen begonnen met separatisten over een staakt-het-vuren in het al vier jaar slepende conflict dat online bekend is geworden als de #EndAnglophoneCrisis.

    bringback kopie

    Aandacht

    In de meeste gevallen zijn het millennials en Gen-Z’ers die zulke campagnes voeren. Zij willen de aandacht van de wereld, maar ze vragen het Westen niet om hun problemen te komen oplossen. Talloze jonge mensen in Afrika willen revolutionaire verandering in hun land en zij zien sociale media als een stap in de richting van die verandering: de nieuwe revolutie zal worden gehashtagd.

    Op 17 oktober werd mijn aandacht op Twitter gevangen door een foto van een jonge vrouw met Fulani-vlechten die een poster ophield met de verschrikkelijke boodschap: ‘Er zijn geen woorden om te beschrijven hoe doodsbang ik ben omdat ik vrouw ben in Namibië.’

    Ik keek onder de foto en zag de hashtag #ShutItAllDownNamibia. Ik googelde ‘femicide Namibië’, ‘seksegebaseerd geweld in Namibië’, ‘seksuele intimidatie in Namibië’ en kwam terecht in een eindeloos doolhof dat me van het ene verhaal naar het andere voerde; stuk voor stuk schokten ze me diep, zoals ze daar op het vijftien inch-scherm van mijn laptop voorbijkwamen.

    Neem de 27-jarige Gwashiti Ndahambelela Tomas: haar vriend sneed haar de keel door toen ze probeerde hun relatie te beëindigen. Of de 30-jarige Monika Florin: haar man sneed haar lichaam aan stukken, braadde enkele daarvan in een oven, kookte andere in een pan en spoelde de rest door het riool. Een paar maanden geleden werd boekhoudstudente Rejoice Shovaleka door een man in haar hals gestoken terwijl ze onderweg naar huis was van een feest. En begin vorig jaar schoot Eliakim Matthews tijdens een ruzie zijn vrouw Ndinelelo Haidula dood, voor de ogen van hun kinderen.

    Tussen 2016 en 2019 werden bij de Namibische politie meer dan 3000 verkrachtingen gemeld en 209 moorden door huiselijk geweld. De meeste slachtoffers waren kinderen, tussen januari en september 2019 werden 37 vrouwen vermoord. In 2016 en 2018 zijn er nationale actieplannen in het leven geroepen om iets tegen de geweldsepidemie te doen, maar volgens de autoriteiten in het land wordt de situatie alleen maar slechter.

    Stabiele democratie

    Namibië, aan de zuidwestkust van Afrika, wordt geprezen om zijn stabiele democratie en staat al jaren te boek als een van de minst corrupte landen van het continent. Maar nu halen de schokkende cijfers over geweld tegen vrouwen de internationale kranten, gedeeltelijk dankzij #ShutItAllDown, dat is gelanceerd door jonge Namibiërs zoals fotograaf en digitalecontent-maker Lebbeus Hashikutuva en student en activist Bertha Tobias. Zij waren woedend na de vondst van het lichaam van een jonge vrouw, Shannon Wasserfall, dat was begraven in de zandduinen bij de havenstad Walvis Bay. ‘Het lijkt wel of Namibië oorlog voert tegen vrouwen,’ zegt Tobias.

    Binnen een paar uur werd de eerste openbare demonstratie georganiseerd, die Namibiërs opriep om het verhaal van Wasserfall te horen en ‘#SayHerName’. Na afloop werd #ShutItAllDownNamibia groter dan Tobias ooit had durven dromen. De campagne verenigde straatprotesten in het hele land en genereerde op sociale media ongekende aandacht voor femicide in Namibië. De premier zelf beloofde dat de eisen van de campagnevoerders hoog op de agenda van de regering kwamen te staan.

    Opvallend van deze protestbewegingen is dat ze geen leiders lijken te hebben

    De campagne gaat door; activisten eisen dat de Namibische regering de noodtoestand uitroept om femicide en verkrachting aan te pakken. Ze eisen het aftreden van de minister voor seksegelijkheid en de instelling van een openbaar register van zedendelinquenten. Tot nu toe is geen van deze eisen ingewilligd, al onderzoeken parlementariërs wel het voorstel voor zo’n register.

    Ook elders op het continent gebruiken jonge, politiek bewuste mensen hashtags om diepgaande sociale problemen aan te kaarten. In de Democratische Republiek Congo vestigde de campagne #CongoIsBleeding de aandacht op de onrust die het land al zo lang teistert, en met name op het wijdverbreide seksuele geweld tegen vrouwen en de uitbuiting van kinderen als gevolg van de dodelijke strijd tussen gewapende groeperingen om toegang tot lucratieve mineralen in de oostelijke delen van het land.

    #ZimbabweanLivesMatter

    Zo’n 1600 kilometer ten zuidoosten van de DRC, in Zimbabwe, kwamen in juli vorig jaar campagnevoerders onder de hashtag #ZimbabweanLivesMatter bijeen om de vrijlating te eisen van journalist Hopewell Chin’ono. Hij was gearresteerd nadat hij onderzoek had gedaan naar corruptie bij de overheid. De hashtag, die in de week van 5 augustus 2020 viraal ging, begon te circuleren nadat veiligheidstroepen met geweld mensen van de straten hadden geveegd die wilden protesteren tegen censuur van de media, slechte economische planning en mensenrechtenschendingen.

    In Kameroen werd #EndAnglophoneCrisis gebruikt om aandacht te vragen voor een vergeten conflict. De Engelssprekende burgers van het land, die 20 procent van de bevolking uitmaken, worden al lange tijd gemarginaliseerd en gediscrimineerd door de overwegendFranstalige federale regering van president Paul Biya.

    In Nigeria doen sociale media meer dan alleen het bewustzijn verhogen. De #EndSARS-protesten voltrokken zich live voor mobiele telefooncamera’s en waren vervolgens te zien op You-Tubekanalen en Facebook- en Instagrampagina’s. Deze foto’s en video’s hebben ertoe bijgedragen dat leugens van de autoriteiten werden ontkracht en een bloedbad naar buiten kwam dat anders verborgen zou zijn gebleven.

     De #BringBackOurGirls-beweging eiste de onmiddellijke vrijlating van de 276 meisjes die door terreurgroep Boko Haram waren gegijzeld. 112 van de meisjes zijn nog steeds zoek. – © Olukayode Jaiyeola / Getty.
    De #BringBackOurGirls-beweging eiste de onmiddellijke vrijlating van de 276 meisjes die door terreurgroep Boko Haram waren gegijzeld. 112 van de meisjes zijn nog steeds zoek. – © Olukayode Jaiyeola / Getty.

    Niemand weet precies hoeveel mensen er op 20 oktober 2020 in Lagos zijn gedood. Amnesty International meldde minstens twaalf doden toen Nigeriaanse militairen het vuur openden op een groep demonstranten; volgens sommige van de actievoerders die het bloedbad overleefden, lag het aantal dichter bij de dertig. Maar de Nigeriaanse federale overheid beweerde dat er geen enkele dode was gevallen, de gouverneur van de staat Lagos had het over twee doden en het leger ontkende aanvankelijk zelfs dat er militairen op de plek van de demonstratie waren geweest.

    Dankzij de ruwe en onthullende beelden die rechtstreeks op sociale media werden gestreamd werd het voor de autoriteiten lastig om deze verzinsels vol te houden. Het leger veranderde zijn verhaal en zei dat er wel soldaten aanwezig waren geweest, maar dat die niet hadden geschoten. Later gaf een brigadier-generaal van de militaire inlichtingendienst tegenover een juridische commissie toe dat soldaten wel het vuur hadden geopend, maar alleen met losse flodders. Op 21 november 2020 erkende diezelfde commandant dat die militairen zowel scherpe munitie als losse flodders hadden gehad.

    Geen leiders

    Een van de opvallendste kenmerken van deze nieuwe protestbewegingen is dat ze geen leiders lijken te hebben. In het verleden hadden Afrika’s vrijheidsoorlogen en sociaal-politieke opstanden bijna altijd een duidelijke leider. Vrouwen als Wangari Maathai speelden een belangrijke rol, maar de gezichten die in de media verschenen waren meestal mannelijk: Jomo Kenyatta, Tom Mboya, Steve Biko, Patrice Lumumba, Kwame Nkrumah, Nelson Mandela, Ken Saro-Wiwa.

    De machthebbers vervolgden die leiders meedogenloos; velen werden vermoord of gevangengezet. Daarom doen de huidige activisten op het continent het nu anders, geïnspireerd door #BlackLivesMatter.

    Onder de hashtags #ZimbabweanLivesMatter, #ShutItAllDown, #EndSARS, #CongoIsBleeding en #EndAnglopho-neCrisis verenigen zich gedecentraliseerde bewegingen zonder één duidelijk boegbeeld. Iedereen die eraan meedoet is een leider. Er is niet één persoon die stiekem meegenomen kan worden voor achterkamertjesonderhandelingen of in de gevangenis gegooid om de beweging te onthoofden.

    ‘Slactivisme’: het uiten van woede op sociale media zonder de tijd te nemen achter de feiten te komen

    Binnen deze structuur hebben campagnevoerders steeds slimmere manieren bedacht om elkaar financieel te steunen en acties te organiseren. Het werven van fondsen is gedemocratiseerd doordat crowdfunding-initiatieven verdeeld zijn over verschillende organisaties die de acties ondersteunen. Zo wendde de Nigeriaanse actiegroep Feminist Coalition zich tot Bitcoin nadat ze was geblokkeerd door andere betaalsystemen en traditionele banken. De beweging haalde meer dan 74 miljoen naira (zo’n 165.000 euro) op om #EndSARS-demonstranten en slacht-offers van politiegeweld te steunen.

    De Namibische activisten tegen seksegeweld organiseerden zich via Twitter en door onbeperkte toegang te geven tot een Google Doc waarin de achtergrond en doelen van hun campagne uit de doeken worden gedaan. Het document, mét de namen van de gebruikers die het bewerken, is een voorbeeld van een gedigitaliseerde, uiterst transparante en collectieve manier om lokale bewegingen te organiseren.

    De gedecentraliseerde structuur is voor sommige regeringen een probleem. Toen de Namibische autoriteiten na de protesten naar een leider vroegen die ze konden ‘consulteren’, weigerden de actievoerders iemand te noemen.

    De dynamiek van verbondenheid via sociale media heeft een sfeer van
    Pan-Afrikaanse eenheid voortgebracht, een wijdverbreid gevoel van ‘samen staan we sterker’. Activisten en influencers uit verschillende landen
    betonen elkaar hun solidariteit en delen elkaars campagnehashtags.

    Ook Afrikanen buiten het continent laten hun stem horen. Studenten van de African Law Association aan Harvard University hebben een verklaring uitgegeven waarin ze hun steun uitspreken voor #CongoIsBleeding, #EndSARS, en #ShutItAllDown. Ik ben benieuwd waar deze nieuwe internationale, sociaal-politieke samen-werkingen tussen jonge Afrikanen in de toekomst toe zullen leiden. Misschien zullen ze het gat opvullen dat African Union (AU) laat vallen; deze unie wordt geacht een stem te zijn voor het continent, maar lijkt geen voeling te hebben met de gewone Afrikaanse jeugd. Bij veel conflicten en mensenrechtenschendingen heeft de AU gezwegen en de soevereiniteit van Afrikaanse staatshoofden gerespecteerd in plaats van die rechtstreeks te veroordelen. De AU heeft zich ook volkomen afzijdig gehouden van deze recente door jongeren gevoerde campagnes en dat lijkt me een gemiste kans.

    Deze bewegingen hebben al een offline-effect gehad. De rechtbank in Zimbabwe heeft Hopewell Chin’ono op borgtocht vrijgelaten. Op 13 oktober kwam de Namibische regering tegemoet aan alle eisen van #ShutItAllDownNamibia en een paar dagen later hadden enkele actievoerders, onder wie Bertha Tobias een ontmoeting met president Hage Geingob. In Nigeria is al een SWAT-team opgericht ter vervanging van SARS en de leden daarvan worden beter opgeleid; volgens het hoofd van de politie wordt er gewerkt aan psychologische beoordelingen van de agenten, zoals activisten hebben geëist.

    Verandering

    Als eerste stap naar decentralisatie, waardoor leden van de Engelstalige minderheid ook een vertegenwoordiging in het parlement kunnen krijgen, heeft Kameroen op 6 december vorig jaar, voor het eerst in zijn geschiedenis, regionale verkiezingen gehouden.

    Voor anderen is het lastig geweest om veranderingen te bewerkstelligen. De autoriteiten in Zimbabwe en de Democratische Republiek Congo hebben geen echte pogingen gedaan om een eind te maken aan mensenrechtenschendingen.

    Sociale media bieden activisten dan wel de mogelijkheid om hun leiderschap te decentraliseren, dat beschermt hen nog steeds niet tegen intimidatie en andere vormen van geweld. Regeringen monitoren socialemedia-activiteiten om te bepalen wie ze in het vizier moeten nemen.

    Omdat hun mobiele verkeer in de gaten wordt gehouden, moeten activisten VPN-telefoons gebruiken om te internetten en hun telefoons geregeld urenlang uitzetten. Kan de regering het internet afsluiten? Voor een deel wel, ja. De regering van Tsjaad heeft de toegang tot socialemediaplatforms als WhatsApp, Twitter en Instagram een jaar en vier maanden geblokkeerd. De Soedanese overheid heeft de afgelopen paar jaar minstens twee keer vergaande internetbeperkingen ingesteld.

    Terwijl regeringstroepen in Soedan vorig jaar juni met harde hand sit-in-demonstraties voor democratie uiteensloegen, merkten de demonstranten dat internet geregeld uitviel. Eerder dit jaar verstoorde de Ethiopische regering twee weken lang toegang tot wifi en breedbandinternet, na de roep om gerechtigheid in de moord op zanger-activist Haacaaluu Hundeessaa. De Ethiopiërs hebben meer dan twaalf keer zo’n shutdown meegemaakt en de Zimbabwanen worden er onder president Emmerson Mnangagwa ook mee geconfronteerd.

    Zulke extreme maatregelen laten zien dat autoritaire regimes en gewelddadige overheden niet weten wat ze met sociale media en de bewegingen die daaruit voorkomen aan moeten. In 2020 hebben veel jonge mensen over het hele continent intimidatie door de overheid aan de kaak gesteld. Hun gezamenlijke stemmen zullen veerkrachtiger worden naarmate hun roep om meer verantwoording en beter bestuur luider gaat klinken.

    Chika Oduah

    Rest of World
    Wereldwijd | restofworld.org

    Deze internationale non-profit-organisatie kijkt naar de relatie tussen technologie en cultuur daar waar de menselijke maat doorgaans over het hoofd wordt gezien. Het team spreekt 20 talen en komt uit 41 verschillende landen.

  • In de cel vanwege een tweet

    In de cel vanwege een tweet

    President Xi Jinping is een nieuwe campagne gestart tegen onlinekritiek van Chinese burgers. Vooral Twitteraars worden opgepakt, bedreigd en zelfs gevangengezet. ‘Met Twitter verliezen we een van de laatste plekken waar we ons nog kunnen uitspreken.’

    Sjanghai. Eén man zat vijftien dagen in de cel. De familie van een ander werd door de politie bedreigd. Een derde zat acht uur vastgeketend in de verhoorkamer. Hun misdaad: iets op Twitter zetten. In 
een fikse aanscherping van de Chinese internetcensuur wordt een groeiend aantal twitteraars door de politie opgepakt voor verhoor. Ook al is Twitter in China geblokkeerd en voor de overgrote meerderheid van de internetters daar dus onzichtbaar. Deze harde politieaanpak is de nieuwste uiting van Xi Jinpings campagne tegen ongewenste internetactiviteiten. De autoriteiten verstevigen hun greep op het onlineleven van de Chinese burgers, ook als de berichten die zij posten in het land zelf nauwelijks te zien zijn. ‘Met Twitter verliezen we een van de laatste plekken waar we ons nog kunnen uitspreken,’ zegt mensenrechtenactivist Wang 
Aizhong, die zegt dat de politie hem opdroeg berichten met kritiek op de Chinese overheid te verwijderen.

    Als de regering de activisten er niet 
toe kan bewegen zelf de tweets te verwijderen, wordt het wel door anderen gedaan. Zo weigerde Wang zijn tweets te wissen, maar toen hij vorige maand een boek zat te lezen, meldde zijn 
telefoon ineens dat hij berichten binnenkreeg met backupcodes voor zijn Twitter-account. Een uur later waren drieduizend van zijn tweets gewist, zegt hij. Hij ziet er de hand in van aan de overheid gelieerde hackers, al valt dat niet te verifiëren. Een woordvoerder van Twitter wilde geen commentaar geven op de nieuwe overheidscampagne.

    China oefent natuurlijk al sinds jaar en dag strenge controle uit op wat zijn burgers mogen zien en zeggen, ook online. Maar uit dit nieuwe offensief blijkt dat de regering wereldwijd toezicht op sociale media wil houden. Tekstberichten op het in China eveneens geblokkeerde WhatsApp beginnen nu gebruikt te worden als bewijsmateriaal in rechtszaken. Steeds vaker eist de Chinese overheid dat Google en Facebook bepaalde inhoud offline halen, ook al zijn de sites van beide bedrijven op het Chinese internet niet te vinden. Toen de verbannen Chinese miljardair Guo Wengui op internet hooggeplaatste Chinese politici begon te beschuldigen van corruptie, werden zijn accounts op Facebook en Twitter tijdelijk afgesloten. Volgens de bedrijven gebeurde dit naar aanleiding van klachten van gebruikers en omdat hij persoonlijke informatie over anderen had verspreid.

    Debat

    Ondanks het Chinese verbod op Twitter speelt het platform een belangrijke rol in het politieke en maatschappelijke debat van het land. Een kleine maar actieve gemeenschap van internetters gebruikt speciale software om de overheidsrestricties te omzeilen en Twitter toch te kunnen bereiken. Op basis van een enquête onder 1627 
Chinese internetters schat Daniela Stockmann, hoogleraar aan de Berlijnse Hertie School of Governance, dat slechts 0,4 procent van de Chinese internetters gebruikmaakt van Twitter, oftewel zo’n 3,2 miljoen mensen.

    En Twitter mag voor normale burgers dan verboden zijn, officiële media zoals de partijkrant People’s Daily en persbureau Xinhua maken er wel gebruik van om de beeldvorming over China in het buitenland te beïnvloeden. ‘Aan de ene kant benutten de staatsmedia alle mogelijkheden van die platforms om miljoenen mensen te bereiken,’ zegt Sarah Cook, Oost-Azië-analist van Freedom House, een Amerikaanse onderzoeksgroep die ijvert voor de democratie in de wereld. ‘En aan de andere kant riskeren gewone Chinezen arrestatie en een gevangenisstraf als 
ze diezelfde platforms gebruiken om met elkaar en de buitenwereld te 
communiceren.’

    Het zakelijke netwerk LinkedIn, een van de weinige Amerikaanse sociale media die in China zijn toegestaan, schikt zich al lang naar de censor. Zo sloot het vorige maand korte tijd de account af van Peter Humphrey, een Britse bedrijfsrechercheur die ooit in China in de cel heeft gezeten, en deze maand die van Zhou Fengsuo, een mensenrechtenactivist. De mails waarin ze dit van LinkedIn te horen kregen, leken sterk op de mail die gebruikers krijgen als berichten worden verwijderd op grond van de Chinese censuurwetgeving. ‘Wat we 
de laatste weken zien, is een drastische verscherping van de censuur op sociale media door de autoriteiten,’ zegt Humphrey. ‘Ik vind het verbluffend dat LinkedIn aan dat achterbakse muilkorven van burgers meewerkt en probeert te voorkomen dat hun berichten in China gelezen kunnen worden.’ Beide accounts zijn inmiddels weer hersteld en LinkedIn heeft een verklaring uitgestuurd waarin het bedrijf excuses aanbiedt en zegt dat de accounts per ongeluk waren afgesloten. ‘Ons Trust and Safety Team buigt zich over de interne processen om dergelijke fouten in de toekomst te voorkomen,’ stelde de 
verklaring.

    Met Twitter richten de Chinese autoriteiten zich nu op een vitaal medium voor Chinese activisten. Uit gesprekken met negen door de politie verhoorde twitteraars en een vier uur durende geluidsopname van één zo’n verhoor komt een bepaald patroon naar voren: de politie legt de gebruikers een print met tweets voor en spoort ze aan die specifieke berichten of zelfs hun hele account te deleten. Dat betreft vaak berichten met kritiek op de Chinese overheid of op president Xi. De opgepakte twitteraars zeggen door de politie bedreigd of zelfs vastgeketend te zijn. Huang Chengcheng, een activist met meer dan achtduizend volgers op Twitter, zegt dat hij tijdens zijn verhoor in Chongqing acht uur lang met handen en voeten aan zijn stoel geketend zat. Na afloop heeft hij een schriftelijke toezegging getekend dat hij niet meer zal twitteren.

    De politie heeft de activisten ervan doordrongen dat ze misschien wel berichten langs de Chinese censor kunnen smokkelen, maar dat deze toch meeleest

    De nieuwe aanpak is een initiatief van het machtige ministerie van Openbare Veiligheid, dat toeziet op justitie en de politieke veiligheid. Volgens diverse twitteraars werd in de verhoren expliciet verwezen naar de internetpolitie, de tak van het ministerie die het internetverkeer controleert. Die internetpolitie, die dit soort lokale acties omschrijft als ‘acties in het veld’, staat sinds afgelopen zomer onder leiding van een hardliner die bekend is geworden met zijn harde aanpak van telecomfraude in de zuidoostelijke kuststad Xiamen. Het ministerie en de Cyberspace Administration of China, de Chinese internetwaakhond, hebben niet op onze gefaxte vragen gereageerd.

    De politie heeft de activisten ervan doordrongen dat ze misschien wel berichten langs de Chinese censor kunnen smokkelen, maar dat deze toch meeleest. Een twitteraar met een klein aantal volgers die online over milieuvervuiling had geklaagd, kreeg na een verhoor van vier uur een dringend advies van een politieagent. Deze twitteraar, die uit angst voor represailles niet bij naam genoemd wil worden, had een opname van het verhoor gemaakt, die hij ons liet horen.

    ‘Verwijder al je tweets en sluit je account af,’ zei de agent. ‘Alles op internet kan worden gevolgd, zelfs ongepaste opmerkingen in WeChat-groepen.’ WeChat is een populaire Chinese berichtendienst. ‘Ik geef je dit welgemeende advies,’ zei de agent. ‘Als 
dit nog een keer gebeurt, zullen de gevolgen ernstiger zijn. Dan krijgen je ouders er ook mee te maken. Je bent nog zo jong. Als je later trouwt en 
kinderen krijgt, houden die er ook 
last van.’

    Deze harde aanpak zet een domper op het Chinese debat op Twitter, zegt Yaqiu Wang van Human Rights Watch, die in november over het offensief berichtte. Maar nog niet alle gebruikers laten zich het zwijgen opleggen. ‘Veel activisten willen vrijheid van meningsuiting,’ zegt Wang. ‘Ook al worden ze lastiggevallen en geïntimideerd, ze blijven dapper tweeten. Als daad van verzet tegen censuur en onderdrukking.’

    Chinese ondernemers in een gedeelde werkruimte in Zhongguancun, het Silicon Valley van Beijing. – © Getty Images
    Chinese ondernemers in een gedeelde werkruimte in Zhongguancun, het Silicon Valley van Beijing. – © Getty Images

    Het zijn niet alleen de twitteraars met de meeste volgers die voor verhoor worden opgepakt. Pan Xidian, een 47-jarige werknemer van een bouwbedrijf in Xiamen, heeft er zo’n vierduizend. Hij tweette een strip van de dissidente cartoonist Rebel Pepper met kritiek op het mensenrechtenbeleid. 
In november werd hij door de politie twintig uur lang verhoord. Na enkele tweets te hebben verwijderd mocht hij naar huis en dacht hij dat de kous af was. Maar kort daarna werd hij op zijn werk bezocht door agenten die hem in een auto smeten. Ze vroegen hem een document te ondertekenen waarin hij bekende dat hij de maatschappelijke orde had verstoord. Dat deed hij. Toen toonden ze hem een ander document op basis waarvan hij werd aangehouden. Hij heeft twee weken in een cel gezeten met tien anderen, waar ze 
propagandafilmpjes te zien kregen.

    
‘In deze tijd zijn we wel bang, maar ik kan mezelf niet bedwingen,’ zei een huilende Pan na zijn vrijlating over de telefoon. ‘We leven in onderdrukking.’ En hij voegde eraan toe: ‘We zijn net lammetjes. De een na de ander wordt opgepakt. We kunnen ons niet verweren.’

    De handhavingscampagne is buitengemeen breed en hard. Bij het censureren van binnenlandse sociale media namen de autoriteiten in het verleden vooral prominente gebruikers op de korrel. Slechts sporadisch werden gewone burgers opgepakt en ondervraagd. Bij het huidige offensief lijken de inspanningen van lokale en nationale opsporingsinstanties ook goed 
op elkaar afgestemd, zegt Xiao Qiang, hoogleraar aan de University of California. ‘Zo’n landelijke actie, waarbij zo veel mensen echt worden opgepakt, dat hebben we nog nooit gezien,’ zegt hij.

    Auteur: Paul Mozur

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 570.000

    Verreweg de grootste en meest gezaghebbende krant van Amerika, met 1300 journalisten, 13 buitenlandredacties en reeds 125 Pulitzer-prijzen op zijn naam. Opgericht in 1851 en sinds 1896 in handen van de familie Ochs Sulzberger. De krant 
is links van het midden georiënteerd.

  • Hyperpresidentialisme

    Hyperpresidentialisme

    Volgens socioloog Adrián Acosta Silva ligt de overweldigende steun voor president Andrés Manuel López Obrador verankerd in de geschiedenis van Mexico.

    Alles, van de federale verkiezingen tot het ritueel spektakel rondom de installatie van de nieuwe president en zijn regering wijst erop: Mexico is op de terugweg naar het ‘hyperpresidentialisme’. De machtsconcentratie ligt weer bij de president, met volledige controle over de uitvoerende macht, de dominantie van één politieke partij in beide kamers van het parlement en de uitgesproken intentie om de rechterlijke macht te beïnvloeden.

    Voeg daarbij de neiging van de nieuwe president om systematisch zijn tegenstanders te beschimpen en organisaties, nieuwsmedia en journalisten verdacht te maken, plus de openlijke bijval die hij van parlementariërs en veel burgers ontvangt, en de zaak wordt klip en klaar, we zijn weer helemaal terug bij een oude bekende: de president die zijn macht gebruikt als instrument van onderwerping en overheersing.

    Generaal Porfirio Diaz, de 29ste president van Mexico. – Wikimedia
    Generaal Porfirio Diaz, de 29ste president van Mexico. – Wikimedia

    Het is een oud fenomeen dat diep in onze geschiedenis verankerd ligt. 
De figuur van een sterke man als president kreeg voor het eerst gestalte in 
de negentiende eeuw, met president Benito Juárez (1858-1872), en werd in beton gegoten tijdens de dictatuur van Porfirio Díaz (1876-1880 en 1884-1911). Als Porfirio Díaz al iets van Benito Juárez ter harte nam, dan was het wel deze belangrijke les: om orde te kunnen scheppen in een roerige, rebelse en corrupte republiek als Mexico, moet je met harde hand optreden en niet aarzelen je tegenstanders onder de duim te houden met een meerderheid in het Congres, manipulatie van de rechterlijke macht en controle over 
de diverse plaatselijke machthebbers.

    Voor dat doel diende je een kongsi aan te gaan met politieke en economische sleutelfiguren: de top van het bedrijfsleven, grootgrondbezitters en plaatselijke potentaten, die voor hun belangen konden opkomen in een politiek stabiel en duurzaam verbond, dat gecentraliseerd opereerde onder supervisie van een krachtige leider. De negentiende-eeuwse wortels van het Mexicaanse superpresidentialisme groeiden uit tot de bestendige dictatuur van Porfirio Díaz, die in Mexico de twintigste eeuw inluidde.

    Maar toen kwam de Mexicaanse Revolutie (1910-1917), een opstand van de grote massa’s die zuchtten onder een despotische oligarchie die alle exportbaten van de toenmalige landbouweconomie naar zich toe trok. Boeren 
en arbeiders legden een bom onder het systeem: ze begonnen een gewapende revolutie, met steun van een opkomende middenklasse die zich keerde tegen het centralistische en repressieve regime van Porfirio Díaz.

    Vanuit het platteland kwam de nostalgische roep om volledig herstel van het federalisme, dat in de grondwet van 1857 verankerd was, maar dat in de ogen van de bevolking door het bewind van Porfirio Díaz aan de kant was gezet. De uitkomst van al die protesten en opstanden was een revolutionaire beweging die een einde maakte aan het bewind van Porfirio Díaz en de weg vrij maakte voor een Mexicaanse utopie, met als kernpunten: effectief federalisme, ambitieuze en diepgaande socio-economische hervormingen, de vestiging van een waarlijk democratisch bestel dat inclusief, participatief en representatief was.

    Nationale partij

    Ervaring en praktische overwegingen leerden de revolutionaire voormannen dat de weg naar de utopie langs een aantal onvermijdelijke distopieën leidde. De Grondwet van 1917 was te vuur en te zwaard tot stand gekomen, en om die in praktijk te brengen, om 
de constitutionele orde te vertalen in een stabiele socio-economische en politieke orde, was een metaconstitutioneel instrumentarium vereist, dat goedschiks of kwaadschiks aan het land moest worden opgelegd.

    In de jaren twintig, geplaagd door lokale opstanden, gewapende conflicten, moordaanslagen en wraakoefeningen, kwamen de revolutionaire voormannen, onder aanvoering van Plutarco Elías Calles, met een geniale oplossing, die zowel praktisch uitvoerbaar als duurzaam was: de oprichting van een nationale politieke partij waarin alle revolutionaire groeperingen verenigd werden en die via diverse overlegstructuren tussen belangengroeperingen 
de economische baten en de openbare ambten verdeelde, onder auspiciën 
van een figuur die boven alle partijen stond: de president van de Republiek.

    Die formule zorgde voor een autoritaire gezagsstructuur, maar wel een die gelegitimeerd en effectief was, omdat hij zowel op ‘verkiezingen’ (voornamelijk voor de vorm) als op politieke onderhandelingen steunde. De in de Grondwet vastgelegde machtsstructuren, plus de bovengrondwettelijke macht van de president, slaagden er zeventig jaar lang 
in deze met symbolen en gevestigde praktijken bijeengehouden constructie overeind te houden.

    Hoewel het stelsel na de studentenrevolte van 1968 aan legitimiteit en effectiviteit inboette, bleef het Mexicaanse hyperpresidentialisme tot aan het begin van de jaren negentig springlevend. Daarna nam 
de macht van de president en zijn vermogen om het land effectief te besturen door een combinatie van economische crises en de politiek van liberalisering – de grote transities van de eeuwwisseling – geleidelijk aan af.
    De wisseling van de wacht door de PAN, die duurde van 2000 tot 2012, markeerde in Mexico de overgang van het hyper- naar het hypopresidentialisme.

    De figuur van de president verloor zijn vroegere symbolische en politieke functie van boven de partijen staande entiteit, en er traden nieuwe politieke krachten en facties in de politieke arena. Tijdens de daaropvolgende wisseling van de wacht, toen de PRI weer aan de macht kwam, met Peña Nieto als president en boegbeeld van het Pact voor Mexico, werd de onstuitbare neergang van de presidentiële macht alleen maar bevestigd door de talloze corruptieschandalen, de hausse in de drugshandel, de versterking van plaatselijke machthebbers en het overwicht in het Congres van politieke facties die de regeringskliek vijandig gezind waren. Met de treurige, en in zekere zin meelijwekkende val van Peña Nieto, na een dramatische verkiezingsnederlaag in juli van dit jaar, was de erosie van de presidentiële macht voor iedereen zichtbaar.

    President Benito Juárez. – © Wikimedia
    President Benito Juárez. – © Wikimedia

    Misschien is dat de verklaring voor Obradors inschatting van het probleem waar Mexico mee kampt en de oplossing die hij ervoor gekozen heeft: het probleem van Mexico, volgens hem, is dat het land geen sterke leider met een krachtig mandaat heeft, die de ongelijkheid, de corruptie en het onrecht met wortel en tak kan uitroeien. Dat spoorde heel mooi met de wensen van de dertig miljoen kiezers die hun stem op hem en zijn partij, MORENO, uitbrachten, hoogstwaarschijnlijk omdat ze genoeg hadden van de PAN en de PRI en de PRD, die tot de harde kern van 
de Mexicaanse politiek waren gaan behoren.

    In deze epische ontwikkeling draait alles om de formele en informele macht van de president – dat wil zeggen zijn legale en zijn gelegitimeerde, of grondwettelijke en bovengrondwettelijke macht – dát is au fond de verklaring voor deze nieuwe cyclus 
van het Mexicaanse hyperpresidentialisme. Deze transitie bevat een element van heimwee en verlangen naar wat verloren is gegaan, van een overtuiging dat het beste voor de toekomst in het verleden te vinden is, dat de president en het volk één en ondeelbaar zijn, dat de ware democratie aan de macht is gekomen, dat het probleem de vijanden van de president en het volk zijn. Dat is voor mij de grondtoon van deze nieuwe nationale metamorfose.

    Auteur: Adrián Acosta Silva

    President Andrés Manuel López Obrador tijdens zijn inhuldiging op 
1 december in het Huis van Afgevaardigden in Mexico-Stad. – 
© Eduardo Verdugo / HH

    Nexos
    Mexico | maandblad | oplage 17.500

    Een van de belangrijke tijdschriften in Mexico. Houdt de vinger aan de politieke pols. Referentie in het maatschappelijke debat.

  • Dossier:  Opstand der bozen

    Dossier: Opstand der bozen

    Om een einde te maken aan de felle protesten van de gelehesjesbeweging, presenteerde Emmanuel Macron een pakket(je) ad-hocmaatregelen die 
de laagbetaalden in Frankrijk tegemoet moeten komen.

    Of zonnekoning Macron de boze geest weer in de fles krijgt, is zeer de vraag, schrijven commentatoren in de internationale pers.  

    1. Door de ogen van Monsieur le Président

    2. Klassenstrijd in actie

    3. Steun is nodig, geen hoon of haat

    4. Woede 
verspreidt zich snel

    5. Gele hesjes een 
gevaar voor de democratie?

    Openingsbeeld: Het protest begon als een aanklacht tegen de hoge brandstofprijzen en is uitgegroeid tot een massale uiting van algehele onvrede. In Bordeaux ging het er hard aan toe afgelopen weekeinde. – © AFP / Getty

  • Door de ogen van Monsieur le Président

    Door de ogen van Monsieur le Président

    De hoogtijdagen van Emmanuel Macron lijken geteld. Valt het massale protest hem aan te rekenen? En is hij in staat het tij te keren? De twijfels stapelen zich op.

    Keuze uit het archief

    In Frankrijk gaan betogers massaal de straat op om te demonstreren tegen de pensioenhervorming van de regering. De woede richt zich vooral op president Macron, die niet naar het volk zou luisteren. Voor Macron is het niet de eerste keer dat hij het doelwit is van betogers: in 2018 waren het de gele hesjes die hun pijlen op hem richtten. Dit artikel van Die Zeit uit datzelfde jaar legt uit waarom.

    Het is op zijn minst een poging waard om de wereld door de ogen van de Franse president te bekijken. Emmanuel Macron is in de diepste crisis van zijn ambtsperiode beland, op de Champs-Élysées staan barricaden in brand. Hoe heeft het zover kunnen komen? Macron wordt ’s ochtends wakker in een van de 365 kamers van het Élysée, te midden van prachtige meubels in Lodewijk XV-stijl. Als hij omhoog kijkt, ziet hij kroonluchters aan het plafond hangen. Het porselein is onlangs voor 50.000 euro vernieuwd, maar in de koperen pannen in de keuken is nog voor Napoleon gekookt. Zijn omgeving laat niet na hem duidelijk te maken: jij schrijft geschiedenis.

    Als Macron ergens verschijnt, zoals onlangs in de Duitse Bondsdag, dan wijkt vóór hem de mensenmassa uiteen. Niemand verspert hem de weg. Om hem heen voeren de mensen een ballet uit zodat hij ongestoord de ene voet voor de andere kan zetten. Het is zijn ervaring van de afgelopen jaren: niemand verzet zich tegen hem. Dat hebben de gele hesjes wel gedaan. Het protest van de mensen in de veiligheidshesjes is ongeordend, onstuimig, ongedisciplineerd. Anders gezegd zijn ze alles wat Macron haat. Met protesten tegen zijn beleid had hij beslist rekening gehouden, een krachtmeting op straat, met de vakbonden, met weerbarstige ambtenaren die op hun privileges staan.

    Maar de gele hesjes zijn anders. Ze zijn bijna apolitiek en zeggen niet veel meer dan: ons leven wordt zo duur dat we het ons niet meer kunnen permitteren. Ze zijn niet rechts en niet links. Ze hebben geen leidersfiguur. Ze hebben geen duidelijke eisen, maar vooral gevoelens. Ze zijn de grootste uitdaging voor een man die zo analytisch denkt als Macron. Hij heeft dus iemand nodig die hem uitlegt wat er aan de hand is. Die hem vertelt hoe het is als je niet meer uit je woorden komt van woede. Iemand die hem erop wijst dat mensen die bang zijn te verarmen geen nieuwe auto kopen en dat een subsidie van 4000 euro voor een elektrische auto, zoals de regering heeft voorgesteld, de gele hesjes niet kalmeert, maar nog kwader maakt.

    Maar zo iemand is er niet in Macrons omgeving. Macron heeft het centralistische systeem van Frankrijk nog een beetje centralistischer gemaakt. In wezen zijn er vier personen, met inbegrip van hemzelf, die over het beleid gaan. Om precies te zijn: vier mannen. Allemaal begin of midden veertig. Vier mannen die vlug van begrip zijn en vrijwel altijd succes hebben gehad in het leven. Allereerst is daar Édouard Philippe, de premier van Macron, 48 jaar oud, afgestudeerd aan twee elite-universiteiten, de Sciences Po en de École Nationale d’Administration.

    De gilets jaunes zijn 
niet rechts en niet links. Ze hebben geen leider. 
Ze hebben geen duidelijke eisen, maar vooral gevoelens

    Dan is er Benoît Ribadeau-Dumas, bijgenaamd BRD, het hoofd van het kabinet van de premier en diens rechterhand, 46 jaar oud en eveneens afgestudeerd aan twee 
elite-universiteiten. De vierde van de Macron-boys is Alexis Kohler, eveneens 46 jaar oud en natuurlijk ook afgestudeerd aan twee elite-universiteiten. 
De twee laatsten werken op operationeel niveau uit wat de president en de premier bedenken. Ze bereiden de ontmoetingen tussen Macron en Philippe voor, in het bijzonder de wekelijkse lunch waarbij de twee zelf ook aanschuiven. In de woorden van BRD: ‘Wij zorgen dat het gesmeerd loopt.’

    Zelfs in hun slanke verschijning lijken ze op elkaar. Ze dragen pakken van een onopvallende elegantie en hechten verder weinig waarde aan uiterlijk vertoon. Het gemiddelde intelligentiequotiënt in het Élysée ligt enorm hoog, aldus een medewerker. Maar Macrons crisis duurt nu al weken.

    Gilets jaunes in Toulouse roepen om Macrons aftreden, voornamelijk vanwege de verhoogde belasting op benzine. – © Getty Images
    Gilets jaunes in Toulouse roepen om Macrons aftreden, voornamelijk vanwege de verhoogde belasting op benzine. – © Getty Images

    De open vraag is dus of hoogbegaafd zijn en je met hoogvliegers omringen volstaat om een land te regeren. Of doet te veel intelligentie of in elk geval te veel soortgelijke intelligentie afbreuk aan goed bestuur?

    Macron heeft de Socialistische Partij ondergraven, Philippe heeft zijn partij, de conservatieven, in een existentiële crisis gestort toen hij zonder zichtbare aarzeling Macrons aanbod aanvaardde om diens 
premier te worden. De partij is sindsdien verdeeld 
en Philippe zelf is geen lid meer. Daarin zijn hij en Macron eensgezind: partijfamilies en andere 
sentimentaliteiten zijn niet veel waard.

    Er is nog een overeenkomst: Philippe zou een extreem grote zelfbeheersing hebben. Zijn discipline gebruikt hij vooral om zelfs maar niet de indruk te laten ontstaan dat er tussen hem en de president een concurrentieverhouding bestaat. Elke maandag verlaat Édouard Philippe rond het middaguur zijn werkkamer in Hôtel de Matignon op de linkeroever van de Seine voor een bezoek aan het nabijgelegen Élysée. Het omgekeerde, Macron die langsgaat bij Philippe, is ondenkbaar. ‘De president is de baas,’ zegt een hooggeplaatste medewerker van de premier. ‘Matignon is een soort logistiek centrum dat ervoor zorgt dat de treinen op tijd aankomen.’

    Wanneer de twee mannen tijdens de lunch ruim anderhalf uur lang de dienstregeling bespreken, zouden ze voor grote ergernis zorgen als ze elkaar bij de achter- of zelfs voornaam zouden noemen. ‘Monsieur le Président’ en ‘Monsieur le Premier Ministre’ zijn de correcte en enige acceptabele aanspreektitels. De medewerker van de premier wijst thuis zelfs zijn kinderen terecht als ze het over ‘Macron’ hebben. ‘Dat getuigt niet van respect,’ zegt hij. ‘Le Président is juist. Le PR mag ook.’

    Wie wil begrijpen waarom het voor Macron – een liberaal die zich inzet voor vrouwenquota, multilateralisme en maatschappelijke deelname – zo belangrijk is om zich alleen te omringen met gelijken moet zich nog eens Macrons politieke werdegang voor de geest halen. Macron is zonder hulp in het Élysée terechtgekomen, tegen alle verwachtingen in. Vrijwel al zijn medewerkers hebben ook campagne voor hem gevoerd. Zij geloofden in hem toen de kranten nog schreven dat die jongeman in een bubbel leefde 
en het nooit zou redden.

    En nadat Macron tot president was gekozen, schreven ze dat hij geen meerderheid in het parlement zou krijgen. Hij behaalde de absolute meerderheid. Het is dus niet vreemd 
als Macron nu denkt: zijn de mensen tegen ons, dan doen we iets goed. Als er al een gevoel is dat Macron zich permitteert, dan is het een zekere koppigheid. ‘Macron spreekt zelden iemand tegen. Hij kiest daarentegen een ander perspectief en doet er alles aan om zijn gesprekspartner van dat standpunt te overtuigen,’ zo vertelt de onlangs afgetreden minister van 
Binnenlandse Zaken Gérard Collomb.

    Een van de adviseurs van Macron drukt het sterker uit: ‘Als Macron een vergissing maakt, dan gedraagt hij zich als een goede leerling die je op een fout hebt betrapt. Achteraf komt hij met een rationele verklaring om niet te hoeven toegeven dat hij het mis had.’

    Hun doel voorbij

    Op dinsdag richtte Macron zich voor het eerst tot de gele hesjes. Zij kwamen in protest omdat de prijzen van benzine en diesel door een ecobelasting vanaf januari volgend jaar met 2,9 cent respectievelijk 
6,5 cent per liter zullen stijgen. Macron kwam met een reactie, alleen op een hoger niveau. De mensen maken zich zorgen dat ze aan het eind van de maand geen geld meer hebben? Macron maande de Fransen voor ogen te houden dat het einde van de wereld nabij was als er niets zou veranderen, als Frankrijk niet geleidelijk aan zijn door de jaren heen opgebouwde milieuschuld zou aflossen.

    Het staat buiten kijf dat hij de argumenten aan zijn kant heeft, maar ze schieten hun doel voorbij. Temeer omdat er vragen zijn die openblijven. Waarom slaagt Macron er niet in om de demonstranten duidelijk te maken dat hij ze heeft begrepen? Waarom worden er geen maatregelen getroffen waarvan de laagste inkomensgroepen verschoond blijven en die de levensstijl van de beter gesitueerden raken? Waarom herziet Macron zijn plan niet?

    ‘Controle’ is een woord dat vies klinkt en in de entourage van Macron niet wordt gebruikt. Daar heeft men het over ‘coherentie’. ‘Ik vind het prettig als de zaken goed georganiseerd zijn, de coherentie,’ aldus Alexis Kohler, secretaris-generaal van het Élysée. 
Hij wordt ook wel ‘de schaduw’ genoemd. ‘Als de 
president zich omdraait, dan staat Kohler daar,’ zegt een socialistische parlementariër. Macron en Kohler leerden elkaar kennen op het ministerie van Economische Zaken, waar ze nauw samenwerkten. Iemand uit hun omgeving karakteriseert de relatie tussen 
de twee als volgt: ‘Macron kan hem vertrouwen en Kohler is iemand die zo’n beetje woont in zijn 
kantoor.’

    Op het ministerie van Economische Zaken vonden hun belangrijke ontmoetingen diep in de nacht plaats. Tegenwoordig gaat Kohler ’s ochtends om 
8.45 uur achter zijn altijd opgeruimde bureau pal naast het kantoor van de president zitten en besluit de dag tegen drie uur ’s ochtends. Slapen is iets voor normale mensen. Ook Macron zou volgens sommige mensen die rechtstreeks met hem in contact staan diep in de nacht nog sms’jes versturen en de volgende ochtend weer heel vroeg aan de slag gaan. 
Hij maakte de afgelopen tijd een vermoeide indruk en er wordt gezegd dat enkele fouten mede door 
uitputting zijn gemaakt.

    Historica Barbara Tuchman schreef een boek over John F. Kennedy en zijn omgeving, met als titel 
The March of Folly. From Troy to Vietnam. Hierin schetst 
ze hoe een groep begaafde, ontwikkelde jongelingen met open ogen de grootste ramp uit de recentere Amerikaanse geschiedenis voorbereidde: de oorlog 
in Vietnam. ‘Hardheid was de basiseigenschap en ondanks de verschillen in karakter en aanleg sloeg die over op alle leden van Kennedy’s team, zoals dat ook te verwachten zou zijn aan het hof in de entourage van een koning of in een werkgroep waarvan de leden hun benoeming te danken hebben aan een dominante leider.’

    Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw en de jongelingen en ook Kennedy waren oorlogsveteranen. In Macrons entourage is de verbindende eigenschap niet hardheid, maar het onverwoestbare geloof in zichzelf. Macron karakteriseert de elite van nu en zet die af tegen hen die nu in Frankrijk de straat op gaan. Wie schreeuwend een geel veiligheidshesje aantrekt, gelooft niet meer dat louter doorzettingsvermogen volstaat om het leven ongeveer in de richting te 
laten verlopen die je je had voorgesteld. De protestbeweging heeft geen structuur, maar de deelnemers worden verenigd door hun overtuiging dat er onoverkomelijke problemen zijn, en door de ervaring dat hun banksaldo aan het eind van de maand ondanks alle inspanningen negatief is.

    Ook elders in Frankrijk waren zaterdag 8 december grote demonstraties van gele hesjes, zoals hier in Marseille. 
– © Getty Images
    Ook elders in Frankrijk waren zaterdag 8 december grote demonstraties van gele hesjes, zoals hier in Marseille. 
– © Getty Images

    De Franse volkspartijen liggen op apegapen. Bijna drie kwart van de parlementsleden van Macrons eigen partij zijn nieuw in de parlementaire wereld – onervaren mensen die de president dank verschuldigd zijn voor hun nieuwe status. De president heeft de speelruimte van zijn ministers beperkt, wat ertoe leidt dat ervaren, zelfbewuste kandidaten helemaal niet meer in aanmerking komen voor die posten. Twee weken had Macron nodig om na het aftreden van Collomb een nieuwe minister van Binnenlandse Zaken te vinden.

    In theorie heeft Macron een efficiënte manier van regeren gevonden. In de praktijk steken mensen 
in gele hesjes de stoelen voor de cafés op de Champs-Élysées in brand.

    Auteurs: Elisabeth Raether en Karin Finkenzeller

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt grote politieke analyses. Die Zeit heeft vanaf de oprichting een liberale koers gevaren, met soms een lichtelijk rechtse, maar vaker een wat linkse inslag.

  • 2. Klassenstrijd in actie

    2. Klassenstrijd in actie

    In ‘een bende gekken in gele hesjes, die enigszins aangeschoten 
en onbeheerst een bus verhinderen zijn bestemming te bereiken’, ziet deze Russische kroniekschrijver de democratie aan het werk.

    Mijn zware lot als kroniekschrijver heeft me onlangs naar Parijs gebracht. De 
etalages straalden met duizenden lichtreclames, maar de gezichten van de Parijzenaars stonden somber. In het nieuwe jaar wacht hun de zoveelste prijsverhoging en daarom strijden de 
geëngageerde arbeiders van de Franse hoofdstad voor hun rechten. Dat is tenminste de indruk die 
je in het buitenland uit de officiële media krijgt. 
Het doet me denken aan mijn vroege jeugd onder 
Brezjnev… Maar ik maak geen grapje – ik ben 
inderdaad naar Frankrijk gegaan en daar heb ik voor het eerst van mijn leven de klassenstrijd in actie gezien, à la Marx en Engels.

    Een strijd die zich plotseling voor mijn ogen ontrolde, toen ik nietsvermoedend even buiten Parijs in de bus zat. Ik was op weg naar het station en had, kennelijk vanuit een vreemd voorgevoel, twee uur 
te vroeg op de halte gestaan. Toch miste ik nog bijna mijn trein. We kwamen namelijk midden tussen de weilanden en bossen in een enorme file terecht. 
Een file zoals je ze maar zelden ziet, zelfs in Moskou. ‘Dat zijn de demonstranten, die laten ons er niet door,’ legde de conductrice opgewekt uit, alsof het vanzelf sprak.

    Democratie

    Waar gaat het om? Vanaf 1 januari 2019 zal de accijns op brandstof met 3 cent per liter worden verhoogd, en die op dieselolie met 6,6 cent per liter. De Franse burgers zijn boos! Om 3 cent, oftewel 2 roebel, en dat terwijl benzine in dit land ongeveer 1,50 euro kost 
(in Moskou kost een liter ongelood 0,66 euro, en een liter diesel 0,60 euro). We zouden ze eens hierheen moeten laten komen, die boze Fransen. Hier zie je op alle tv-zenders burgers die vóór de verhoging van de pensioenleeftijd zijn, vóór de verhoging van de btw, vóór betaald parkeren in Moskou, gemeentelijke belastingen voor het onderhoud van gebouwen en 
al die andere manieren om de laatste kopeken uit de zakken van de bevolking te kloppen!

    Of kan het zo zijn dat de Fransen zichzelf niet als burgers zien, maar als belastingbetalers? Dat is een wezenlijk verschil.

    Wij die zo sterk verlangen naar werkelijke democratie, naar vrijheid van meningsuiting, moeten beseffen dat de ware democratie vooral verschrikkelijk lastig is. Het betekent dat herrieschoppers vanwege drie miserabele eurocenten het leven van hun medeburgers ernstig in de war kunnen sturen, te oordelen naar de passagiers in mijn bus. Dag na dag trekken zij in Parijs en de rest van het land hun gele hesjes aan en gaan op kruispunten het verkeer blokkeren.

    Ze gedragen zich alsof ze op een familiepicknick zijn, dekken de tafel, halen de zakoeski [borrelhapjes] en biertjes tevoorschijn… En filteren het verkeer al naargelang de steun die automobilisten aan de beweging betonen: wie voor de rechten van de arbeiders is, mag doorrijden, de foute bourgeois moet wachten. En die wacht gelaten of zoekt een andere route, net als de bussen. Niemand pakt de honkbalknuppel 
die hij per ongeluk in de kofferbak heeft liggen, om zich met geweld een weg te banen.

    Een Franse vriend vertelde me dat de gele hesjes op die heilige dag van de consument, Black Friday, de uitgang van een winkelcentrum blokkeerden. Mensen die een mandje bij zich hadden mochten doorlopen, maar wie achter een winkelkarretje liep, en dus een vertegenwoordiger van de consumptiecultuur was, werd tegengehouden. Mijn vriend 
koos eieren voor zijn geld, nam alleen het aller-noodzakelijkste mee en liet zijn karretje, dat nog 
vol overbodige producten zat, achter. Wat moet je anders? De klassenstrijd heeft nu eenmaal een prijs.

    Een demonstrant op Place République in Parijs, in een geel pak in de vorm van een lijkkist waarop staat: ‘Macrons begraafplaats: hier ligt uw koopkracht’. – © Getty Images
    Een demonstrant op Place République in Parijs, in een geel pak in de vorm van een lijkkist waarop staat: ‘Macrons begraafplaats: hier ligt uw koopkracht’. – © Getty Images

    In heel Frankrijk stellen de gele hesjes de politiek 
ter discussie en maken ze iedereen het leven 
onmogelijk. Of, om precies te zijn, voor diezelfde arbeiders die de bus nemen en boodschappen 
doen op de dag van de uitverkoop. De tactiek van 
de gele hesjes is duidelijk: door iedereen het leven onmogelijk te maken, hopen ze de kiezers over te halen niet langer te stemmen op de zittende macht, die het zover heeft laten komen.

    Ik heb Parijs die dag uiteindelijk bereikt. Ik heb door de straten gelopen, langs de fonkelende etalages, 
terwijl ik naar de zwijgende gezichten van de 
arbeiders keek en dacht aan de revoluties en de daaropvolgende restauraties die deze stad heeft gekend. Al die gebeurtenissen hebben hun stempel op de straatnamen gedrukt en hun eigen monumenten achtergelaten. Hoe vaak hebben rauwdouwers in werkkleding over deze zelfde straten gelopen om te vechten voor een stralende toekomst – opstanden van klassen, rassen, religies.

    Bij ons in Rusland is 
het simpeler: wij trekken in gesloten rijen op naar het grote maar heilige doel, waarbij we ons onderweg ontdoen van enkele renegaten; dan staan we voor dat heilige doel en begrijpen dat het vals is. 
Vervolgens draaien we ons als één man om en lopen de andere kant weer op, met hetzelfde resultaat. 
Ik heb trouwens zo’n idee dat we ons binnenkort weer gaan omdraaien.

    Veel mensen zien de democratie als een eerbiedwaardige House of Lords, waarin heren met witte pruiken discussiëren over grote filosofische vragen

    En uiteindelijk willen we maar één ding: Parijs zien, terwijl de Parijzenaars zelf niet bepaald onze kant 
op stormen. Dat is vast gewoon omdat het best goed gaat met de democratie. Ze ziet er niet mooi uit, ze maakt een hoop lawaai, maar op de lange termijn bouwt ze dingen zoals Parijs.

    Op een dag zullen wij dat ook hebben. Veel mensen zien de democratie als een eerbiedwaardige House of Lords, waarin heren met witte pruiken discussiëren over grote filosofische vragen. In werkelijkheid is democratie een bende gekken in gele hesjes, die enigszins aangeschoten en onbeheerst een bus 
verhinderen zijn bestemming te bereiken. Het zal in het begin niet gemakkelijk zijn, het zal bizar lijken, het zal onaangenaam zijn. Maar we komen er wel.

    Auteur: Andrej Desnitski

    Gazeta.ru
    Rusland | website | gazeta.ru

    De Russische nieuwssite met een liberaal profiel onderscheidt zich door zijn snelle reactievermogen ten opzichte van de actualiteiten en zijn brede verslaggeving 
van zowel Russisch als internationaal nieuws. Met regelmaat publiceert het blad ook bijdragen van bekende opinieleiders. Heldere, moderne vormgeving.

  • 6. Vrouwen aan de schijnmacht

    6. Vrouwen aan de schijnmacht

    In Israël heeft een conservatieve stad zijn eerste vrouwelijke burgemeester gekozen. Dat lijkt revolutionair. Maar de opmars van vrouwen in de Israëlische politiek is omgeven door vooroordelen.

    Pas toen de allerlaatste stemmen waren geteld, die van de soldaten, de gehandicapten en de mensen in de gevangenis, was de keuze tussen de twee kandidaten duidelijk. Aan het eind van de verkiezingsnacht had de stad Beth Shemesh zichzelf een nieuwe burgemeester gegeven. Deze zeer religieuze en conservatieve stad van bijna 80.000 inwoners koos eind oktober voor het eerst een vrouw als leider van het stadsbestuur.

    Aliza Bloch kreeg slechts 533 stemmen meer dan de vertrekkende burgemeester Moshe Aboutboul, een man die bekendstaat om zijn provocerende uitspraken. Sinds zijn controversiële overwinning in 2013, waarbij vermoedens van fraude bestonden, heeft hij zich verheugd uitgesproken over de afwezigheid van homoseksuelen in Beth Shemesh. ‘Dat soort dingen hebben wij hier niet, godzijdank. Deze stad is gezond en zuiver.’

    Aliza Bloch, voormalig directeur van een middelbare school, wil een eind maken aan de spanningen tussen niet-religieuzen en religieuzen die Beth Shemesh al tien jaar verscheuren als gevolg van de opkomst van de ultraorthodoxe gemeenschappen. Het lijkt erop dat zij erin is geslaagd duizenden stemmen te winnen van ultraorthodoxen die het stemadvies van hun rabbi in de wind hebben geslagen.

    Haar succes is des te veelzeggender omdat lokaal voor een vrouw stemmen niet gebruikelijk is in Israël. Zeker, bij deze gemeenteraadsverkiezingen is ook Einat Kalisch Rotem als eerste vrouw gekozen tot burgemeester van Haifa, de derde stad van het land. Maar volgens het ministerie van Binnenlandse Zaken hadden zich bij de lokale verkiezingen maar 57 vrouwen kandidaat gesteld, tegen 665 mannen.

    De rol van vrouwen in de Israëlische politiek komt neer op de eeuwige vraag of het glas half vol is of half leeg. In de Knesset [het parlement] is de opmars opvallend. Daar is 27 procent van de 120 afgevaardigden vrouw, en dat is vijf keer zoveel als dertig jaar geleden. Kijk je echter naar hun verantwoordelijkheden, dan is er minder reden tot vreugde. Vier vrouwen zijn minister, maar slechts een van hen, Ayelet Shaked, heeft een ministerpost op het hoogste niveau.

    Als minister van Justitie voor de zionistisch-religieuze partij Habayit Hayehudi [Het Joodse Huis] voert zij een offensief tegen het Hooggerechtshof, dat in haar ogen te veel macht heeft om wetten tegen te houden. In 2006 had het Hooggerechtshof een vrouw als voorzitter: Dorit Beinish. In hetzelfde jaar werd Dalia Itzik de eerste vrouwelijke voorzitter van de Knesset.

    Aliza Bloch op 1 november 2018, de dag dat ze werd gekozen tot de eerste vrouwelijke burgemeester van Beth Shemesh. – © Yaakov Lederman/Flash90
    Aliza Bloch op 1 november 2018, de dag dat ze werd gekozen tot de eerste vrouwelijke burgemeester van Beth Shemesh. – © Yaakov Lederman/Flash90

    Maar het is lastig om in deze individuele verhalen een duidelijke trend te ontwaren. De hele ontstaansgeschiedenis van de staat Israël, vanaf de ondergrondse strijd tegen het Britse protectoraat tot en met de stichting van de kibboetsen, de socialistische gemeenschappen die de nieuwe Jood zouden voortbrengen, stond in het teken van gelijkheid tussen man en vrouw. Niet langer waren vrouwen veroordeeld tot de traditionele rol van moeder en echtgenote. Ze waren ook medestrijdsters en boerinnen die de grond bewerkten.

    ‘Ik weet niet of vrouwen beter zijn dan mannen, maar ik weet wel dat ze niet slechter zijn’, zei Golda Meir. Zij is nog steeds de enige vrouw die ooit premier is geweest in Israël, tussen 1969 en 1974. Toch zag zij haar carrière niet als een bewijs voor vrouwenemancipatie. David Ben-Goerion, de vader des vaderlands, heeft haar volgens de overlevering ooit ‘de enige man in zijn regering’ genoemd. Volgens haar biografen vond Meir de Amerikaanse feministen ‘krankzinnige vrouwen, die hun beha verbranden, er slonzig bijlopen en mannen haten’. Sterk, onafhankelijk, vrij, streng, kettingroker en geen make-up: Golda Meir was pionier in alles.

    Het eind van haar carrière werd een persoonlijk en nationaal trauma. In het najaar van 1973 werd Israël overvallen door de Jom Kipoer-oorlog en verloor het 2700 soldaten. De euforie en verwondering over de verpletterende overwinning op de Arabische landen in 1967 waren verdwenen. De Hebreeuwse staat voelde zich weer kwetsbaar, en dat gebeurde onder leiding van een vrouw – al had die dan gedaan wat de hoogste militairen haar adviseerden. Het is duidelijk dat die associatie een soort collectief stempel werd, en dat leidde weer tot het algemeen heersende idee dat verantwoordelijkheden die van levensbelang waren voor het land, aan mannen moesten worden toevertrouwd.

    Dat vooroordeel was ook te merken tijdens de verkiezingscampagne van 2009. Tzipi Livni, die als minister van Buitenlandse Zaken aan het hoofd stond van de centrumpartij Kadima, kreeg de meeste stemmen, maar mocht toch niet de coalitie vormen. De maand voor de verkiezingen was zij in de rug aangevallen door haar tegenstanders, met name door Arbeiderspartij-voorman Ehud Barak, die een grote staat van dienst heeft als militair, om haar zogenaamd zwakke karakter.

    In een laat stadium besloot Livni zich te richten op vrouwelijke kiezers. Maar in feite hadden vrouwenrechten voor haar, net als voor Golda Meir, geen hoge prioriteit. Alsof de aanwezigheid van vrouwen eerst gemeengoed moest worden om voor die rechten te kunnen opkomen, in plaats van er nu al eisen aan te stellen. Tegenwoordig leidt Livni de parlementaire oppositie onder de regering-Netanyahu.

    Auteur: Piotr Smolar

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    Iconische krant, in 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Om zijn naam (‘De Wereld’) eer aan te doen, onderhoudt Le Monde een groot netwerk van correspondenten.

  • De clans zijn nog altijd de baas in Armenië

    De clans zijn nog altijd de baas in Armenië

    De nieuwe Armeense premier Nikol Pasjinian staat voor een schier onmogelijke taak. Vijfennegentig procent van de bevolking wil verandering, maar de overige vijf procent controleert het land.

    De perceptie van de recente gebeurtenissen in Armenië heeft een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt: eerst was er enthousiasme over het nieuws uit dit eeuwenoude land dat al het nodige heeft doorstaan, vervolgens verbazing en uiteindelijk ongerustheid. De energie van honderdduizenden burgers die zich verenigd voelen in hetzelfde verlangen om hun lot in eigen hand te nemen kon alleen maar op een gunstig en welwillend onthaal rekenen; het volstrekt vreedzame karakter van de beweging, die soms de vorm aannam van een volksfeest, was verrassend en sommigen zagen het als een blijk van de ‘bijzondere wijsheid’ die de Armeniërs eigen zou zijn.

    De reden dat nu de ongerustheid de boventoon voert is prozaïscher: er gaat geen solide structuur en geen realisme schuil achter de geafficheerde eenheid en de feestelijke stemming. Met andere woorden: na een maand van protesten is het duidelijk geworden dat een politicus wegsturen die iedereen beu was [president en voormalig premier Serzj Sarkisian] – een politicus die verre van onberispelijk was, die het land al tien jaar bestuurde met zijn familie en zijn vriendjes (al twintig jaar als je zijn voorganger meetelt die afkomstig was uit dezelfde clan) – nog geen garantie is voor geluk en welvaart. Het garandeert zelfs geen echte veranderingen in dit onverdraaglijke leven waar honderdduizenden mensen tegen in opstand kwamen, want de leiders van de protestbeweging hebben er niet de middelen voor – noch intellectueel (hervormingsprogramma’s), noch materieel (financieringsbronnen), noch organisatorisch (een grote partij of een andere structuur).

    ‘Leider van het nationaal reveil’

    Nikol Pasjinian, de onbetwiste held van de laatste weken en, zo lijkt het, een waardig en oprecht man in zijn romantische aspiraties naar een beter leven, wist zich in drie weken van ‘protestmarsen’ te verzekeren van de steun van het volk dat van hem niet alleen ‘de kandidaat van de straat’ heeft gemaakt, maar feitelijk de enige kandidaat voor het premierschap. Maar verder? Zijn partij Jelk (‘De uitweg’ in het Armeens) is piepklein, slecht gestructureerd, heeft geen programma en gaat gebukt onder interne conflicten. Zijn aanhangers hebben hem ronkend de ‘leider van het nationaal reveil’ genoemd, maar het zal voor hem niet gemakkelijk worden om die rol te spelen: dit reveil vindt plaats in een land dat tot op het bot is aangetast door corruptie en dat meer lijkt op een grondgebied dat door enkele clans onderling is verdeeld dan op een soevereine staat.

    Het beeld van de Armeense politiek is, ondanks zijn kleurrijke kant, vrij somber: geen spoor van duidelijke politieke plannen, een politiek toneel dat wordt bevolkt door extravagante persoonlijkheden met een enorm vermogen en een twijfelachtig verleden. De overheidsinstellingen zijn een soort kinderdagverblijven voor de zwaargewichten uit de financiële en politieke wereld, en omdat de kinderen van de machtigen niet noodzakelijkerwijs getalenteerd zijn maar wel vindingrijk om aan geld te komen, zijn de gevolgen voor allerlei overheidssectoren funest.

    Armenië is een klein land waar iedereen alles weet: wie van welke familie is, wie wat controleert, wie wat financiert, waar het geld vandaan komt en waar het heen gaat. De belangensferen van de verschillende personen die schaamteloos het land plunderen, hun onderlinge banden, hun betrekkingen met het buitenland (en niet alleen met Rusland) zijn voor niemand een geheim. Gedurende twintig jaar hebben de burgers in stilte toegekeken hoe hun zogenaamde politieke elite ‘rijpte’. Maar nu er een nieuw tijdperk aanbreekt, is hun geduld opgeraakt en zijn de tongen losgekomen.

    Het beginsel dat “iedereen gelijk is voor de wet” gaat in het Armeense geval niet op

    Tijdens de demonstraties hebben we het percentage vaak gehoord: 95 procent van de burgers is ontevreden. De mensen hebben zo genoeg van de zittende machthebbers dat er geen enkel compromis mogelijk is, en dat een koerswijziging onvermijdelijk is. Maar wat kun je doen als de resterende 5 procent alle nationale rijkdommen in handen heeft en aan het hoofd staat van alle overheidsinstellingen, het gehele staatsapparaat? Pasjinian heeft het herhaaldelijk gezegd: er komt geen vendetta, ze hoeven alleen maar te ‘vertrekken’. Hij heeft alleen niet uitgelegd hoe hij zich dat voorstelt: waarheen gaan ze ‘gewoon vertrekken’? Wie? En met medeneming van wat? Want in eerste instantie betekent ‘geen vendetta’ dat ze zouden vertrekken met alles wat ze gedurende vier presidentstermijnen bij elkaar hebben geplunderd voor een welverdiende oude dag met hun hele gezin ergens in een gastvrij oord. Uiteindelijk zou deze oplossing een soort Armeense ‘aanpak’ kunnen worden in de strijd tegen corruptie: we laten het verleden rusten, we beginnen met een schone lei. Maar je kunt er vergif op innemen dat de 95 procent ontevredenen die op een koerswijziging wachten niet zullen instemmen met deze ‘originele’ oplossing.

    Om het ‘nationaal reveil’ een wat realistischer karakter te geven zullen de leiders van de protestbeweging op zijn minst moeten overgaan tot inbeslagneming van de goederen die op ongeoorloofde wijze zijn vergaard door een ruime kring van gefortuneerden die de Armeense leidinggevende klasse vormt. Laten we hopen dat het zonder bloedvergieten lukt, maar hoe dan ook roept dat nieuwe vragen op: wie gaat die ruime kring afbakenen, welke criteria worden gehanteerd bij de inbeslagneming, wie gaat dit schitterende proces controleren en wat zullen de inbeslagnemers doen met hetgeen ze in beslag genomen hebben? Laten we van meet af vaststellen dat het beginsel dat ‘iedereen gelijk is voor de wet’ in het Armeense geval niet opgaat. Want het gehele veiligheids- en justitieel apparaat zit zo in elkaar dat het wordt gecontroleerd en op alle niveaus wordt bezet door die mensen aan wie nu gevraagd wordt ‘gewoon te vertrekken’. Natuurlijk zou je commissarissen kunnen benoemen in alle instellingen. Maar waar vind je die en hoe kun je garanderen dat zij hun werk goed doen?

    Aanhangers van Nikol Pashinian demonstreren in de hoofdstad Yerevan, vlak voor zijn benoeming tot premier. – © Thanassis Stavrakis / HH
    Aanhangers van Nikol Pashinian demonstreren in de hoofdstad Yerevan, vlak voor zijn benoeming tot premier. – © Thanassis Stavrakis / HH

    Deze vicieuze cirkel geldt voor alle problemen waar dit futloze land mee kampt: er is geen enkele sector, geen enkel aspect van het leven dat niet is aangetast door corruptie. Iedere poging om daar iets aan te veranderen en met een schone lei te beginnen, zal stuklopen op het feit dat niets zomaar verandert, en dat noch de instrumenten noch de mensen voorhanden zijn om dat te doen. Niemand heeft het er ook publiekelijk over in Armenië. De mensen geloven oprecht dat het land een ‘opleving’ zal meemaken en vestigen hun hoop op de vervroegde parlementsverkiezingen. De nieuwe premier belooft het kiesstelsel te hervormen en verzekert dat Armenië na deze verkiezingen een gedaantewisseling zal ondergaan.

    De mensen geloven het blindelings en het is dit gevoel dat ten grondslag ligt aan deze protestbeweging die op alle vlakken enig in haar soort is. De energie is aandoenlijk maar neemt de twijfel over de toekomst niet weg. De ‘dag na het feest’ is helaas niet zo vrolijk als de muziek, het gedans en het geroosterde vlees op de bijeenkomsten, waar slogans geroepen werden als ‘Weg met de machthebbers!’

    Auteur: Sergej Agafonov
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Ogonjok | weekblad | oplage 67.000

    ‘Kleine vlam’, opgericht op 21 december 1899, is een van de oudste weekbladen van Rusland. Het brengt vooral lange portretten van schrijvers, sporters, acteurs en politici, mooie reisrapportages en achtergrondartikelen over sociale kwesties, altijd voorzien van opmerkelijke fotografie.

  • Was de Syrische revolutie een vergissing?

    Was de Syrische revolutie een vergissing?

    Hadden de Syriërs beter niet in opstand kunnen komen tegen president Assad? Het lijkt gezien alle slachtoffers misschien een terechte vraag, maar dat is het niet, schrijft Youssef Bazzi. ‘De schuld ligt niet bij de bevolking, maar bij het regime.’

    ‘De revolutie had nooit mogen uitbreken,’ zeggen miljoenen Syriërs en andere Arabieren. Een opvatting die stoelt op de rampspoed en de verschrikkingen die alle Syriërs hebben bezocht. Het contrast tussen de dromen die de aanhangers van de revolutie koesterden en wat er op die revolutie volgde, is dan ook ondraaglijk.

    Als er geen revolutie was geweest, zo luidt de verleidelijke redenering, waren er geen 500.000 Syriërs omgekomen en geen 2 miljoen mensen door kogels of granaatscherven verwond, zouden er geen 250.000 gevangenen zijn gemarteld noch 5 miljoen burgers zijn gevlucht of in ballingschap gegaan, waren er geen 6 miljoen anderen ontheemd geraakt en geen tientallen steden en honderden dorpen verwoest.

    Zeven jaar van pijn, van tranen, van honger, van angst en moeten vluchten hadden voorkomen kunnen worden als de Syriërs deze vervloekte revolutie niet waren begonnen. Het leven was doorgegaan zoals het zich generaties lang had voltrokken, in een prachtig, bruisend, rijk en kalm Syrië. Zelfs een meedogenloze tirannie zou verre te verkiezen zijn geweest boven een vernietigd, verscheurd, verloren land.

    De noodzakelijke uitkomst van een dergelijke logica is dat het bewind niet verantwoordelijk is voor wat deze oorlog heeft aangericht

    De overtuigingskracht van een dergelijke voorstelling van zaken berust op een typisch menselijk instinct, waarvan het Syrische regime en zijn aanhangers gebruik hopen te maken om de meerderheid van de bevolking de schuld van de burgeroorlog in de schoenen te schuiven. Deze burgers hadden de vastbeslotenheid van het regime en de middelen die het tot zijn beschikking had onderschat door het aanvankelijk, in al zijn wreedheid, met een civiele opstand te tarten. Vervolgens grepen die burgers naar de wapens om hun huis en haard en dierbaren te verdedigen, en vernietigden ze het land.

    De Syriërs verwijten dat zij een bloedige tragedie hebben uitgelokt omdat zij in opstand kwamen, dat zij voor politiek realisme hadden moeten kiezen, is een zuivere vorm van hypocrisie: het regime treft geen blaam, juist vanwege zijn brute aard. De schuld ligt dus bij de Syriërs, die na tientallen jaren van repressie beter hadden moeten weten. De noodzakelijke uitkomst van een dergelijke logica is dat het bewind niet verantwoordelijk is voor wat deze oorlog heeft aangericht.

    De Syriërs die spijt hebben van de revolutie die in maart 2011 uitbrak, hadden liever continu onder het juk van een tirannie geleefd. Dat was immers altijd beter dan de dood die nu al zeven jaar lang om zich heen grijpt in het land. Ze vergeten één ding: vanaf 1970, toen Hafez Assad, vader van de huidige president, de macht greep, hebben Syriërs herhaaldelijk het risico van een revolutie en de prijs van de onderdrukking tegen elkaar afgewogen. Ruim veertig jaar lang aanvaardden ze dat een afschuwelijk regime beter was dan oorlog en vernietiging, dat stilte en angst de voorkeur genoten boven de strop. Degenen die zich thans in spijt wentelen zijn vergeten dat het Syrische volk gedurende het bewind van de Baath-partij het hoofd boven water hield met wijsheden als ‘liever vernedering dan het graf’ of ‘liever onderwerping dan de dood’.

    De Syriërs hadden de lessen geleerd van de in bloed gesmoorde opstanden van Hama, Jisr al-Shoeghoer en Aleppo in de vroege jaren tachtig. Maar de wapenstilstand die ze daarop met Assad sloten omwille van civiele vrede en stabiliteit werd op den duur ondraaglijk. Zijn we al vergeten dat de Syriërs afzagen van een opstand in 2000, na het overlijden van president Hafez Assad, en in 2005, toen de Syrische troepen zich gedwongen uit Libanon terugtrokken? Tweemaal werd de ‘Damasceense lente’ afgezegd uit vrees dat deze in een uitslaande brand zou ontaarden.

    Beelden van Damascus voor en na de oorlog. – © Business Insider

    Je kunt het ook zo zien: het regime heeft de revolutie zelf veroorzaakt. Het heeft er zelf voor gezorgd dat de mensen van Deraa, Homs en de buitenwijken van Damascus niet meer konden zwijgen. Het heeft de demonstraties aangegrepen om de woede op te stoken en te verspreiden. Het onderdrukte de protestbeweging op buitensporige wijze, om alle Syriërs te pijnigen. Met andere woorden, de revolutie is door het regime gefabriceerd. Dit was het moment waarop het had gewacht om het land de oorlog te verklaren.

    Voor iedereen die het discours van loyalisten van het Syrische regime de afgelopen zeven jaar heeft gevolgd, de speeches van Bashar Assad heeft gehoord, alsmede de lof die ‘dichters’ en ‘kunstenaars’ hem toezongen, was het duidelijk hoe mateloos zij de Syriërs minachtten, hoe hartgrondig ze het volk haatten en hoezeer zij het wensten uit te roeien. Het regime en zijn handlangers wilden niet langer gedwongen samenleven met de meerderheid van de bevolking. In de ogen van het bewind was de revolutie een oorlog waard. Er deed zich onverhoopt de kans voor om Syrië buit te maken, het te koloniseren zelfs. Deze oorlog is namelijk een ware kolonisatieoorlog, compleet met uitroeiing, zuivering van hele gemeenschappen en demografische herschikking.

    Nu, na zeven jaar, na wat in formele diplomatieke taal wordt gekenschetst als ‘de ergste humanitaire ramp sinds de Tweede Wereldoorlog’, luidt de eis aan de Syriërs dat zij een eind maken aan het bloedvergieten en het land beschermen – wat ervan is overgebleven. Niet alleen worden zij geacht te capituleren en hun nederlaag te erkennen (een kwestie van tijd), ook dienen zij, en dat is het allermoeilijkste, terug te keren in de schoot van het regime. Onder twee voorwaarden: ten eerste dat het regime wordt schoongewassen van alles wat het heeft aangericht en dat de schanddaden van zijn leger, zijn milities en zijn bondgenoten worden vergeten. De tweede eis, nog erger dan stilzwijgen, spijt en berouw, is de verplichting om van dit regime te houden. De zegevierende macht is niet langer tevreden met een geterroriseerd en onderdanig volk, want dat levert geen duurzame loyaliteit op. Elke terugkeer onder de vleugels van het bewind die een gedwongen indruk maakt, wordt streng bestraft. Aan de machthebbers de taak om ieders geest en geweten te doorzoeken op mogelijke kiemen van toekomstige opstandigheid.

    Absolute liefde

    Absolute liefde als voorwaarde voor overleving. Erger nog, de slachtoffers moeten uit het collectieve geheugen verdwijnen. Het is zaak dat de doden hun dood verbergen en dat de gefolterden hun beulen bedanken en hun handen kussen. Wat de levenden betreft: zij moeten zich schamen dat ze het hebben overleefd. Het regime eist van de Syriërs dat zij de door hun president tegen hen gepleegde misdaden beschouwen als een zegen, omdat hij ze van de zonde en de zelfmoord heeft gered.

    Daarom is het idee dat de revolutie had moeten worden vermeden, niets anders dan een veroordeling tot slavernij. Het is het onveranderlijke antwoord op de vraag die de handlangers van Assad stelden toen zij de hoofden van de demonstranten met hun laarzen verpletterden: ‘Ach, is dat wat jullie willen? Vrijheid?’

    Auteur: Youssef Bazzi
    Vertaler: Carl Stellweg

    Twee mannen spelen een potje backgammon in de beroemde soek van Damascus, 2010. – © HH

    SYRIA TV
    Syrië | www.syria.tv

    Syria TV is een van de vele particuliere Syrische nieuwskanalen met een multimediasite. Het is gevestigd in Turkije en propageert de ‘waarden van de revolutie’ door op te roepen tot inclusief burgerschap en zowel de dictatuur als religieus extremisme te verwerpen. Syria TV is in 2017 opgericht door een groep jonge Syrische journalisten.

  • Iran, kampioen drooglegger

    Iran, kampioen drooglegger

    Door incompetentie van het regime op het gebied van waterbeheer, draagt de islamitische republiek bij aan de ernstige waterschaarste, stelt deze journalist uit Iraaks Koerdistan.

    De helft van de Iraanse steden kampt met een gebrek aan water. In honderden steden en dorpen, met name in het midden en zuiden van het land, hebben de inwoners last van een droge keel. De hoofdstad Teheran inbegrepen, waar vier dammen de nood moeten lenigen.

    De situatie is zelfs zo ernstig dat er volksverhuizingen van een nog niet eerder in de geschiedenis van het land vertoonde omvang worden verwacht. De Iraanse gezagsdragers winden er geen doekjes meer om: ze zijn bang dat tientallen miljoenen mensen zich in krioelende sloppenwijken aan de randen van de grote stedelijke centra zullen vestigen, of dat er een massaemigratie op gang komt. Beide gebeurtenissen kunnen leiden tot interne en regionale conflicten.

    In de provincie Oermia, in het noordwesten van het land, zijn inmiddels zo veel putten geslagen – vijftigduizend – dat het Oermiameer is uitgeput. Er is niet meer dan een vijver van over en het lijkt hetzelfde lot te zijn beschoren als het Aralmeer, het grote zoutwatermeer dat gedeeld werd door de voormalige Sovjetrepublieken Oezbekistan (in het noorden) en Kazachstan (in het zuiden), en in de jaren zestig verdween door de beslissingen van het Sovjetregime.

    Geen geheim

    Lange tijd werden degenen die zich bekommerden om het milieu ervan beschuldigd dat ze buitenlandse belangen dienden, maar tegenwoordig valt de publieke opinie niet meer te misleiden. De waarheid openbaart zich in het volle daglicht, en toont de incompetentie van het regime op het gebied van waterbeheer pijnlijk aan.

    Teheran maakt er geen geheim van dat zijn beleid er in de toekomst op gericht zal zijn om zo veel mogelijk water in het land te houden. Dat wil zeggen: om waterlopen zo goed mogelijk te benutten voordat ze de grenzen van het land bereiken, of om ze om te leiden naar door droogte getroffen gebieden. Dit zette de viceminister van Buitenlandse Zaken, Abbas Araghchi, onlangs uiteen op een conferentie over water(diplomatie) in Teheran. Probleem is dat een dergelijk beleid stroomafwaarts gelegen landen berooft van het water waar ze recht op hebben. Een en ander is bovendien in strijd met het internationaal recht inzake het delen van waterbronnen. En het werkt politieke, economische en ecologische crises in de hand, in plaats van dat ze de kans hierop vermindert.

    De Karoun, een van de grootste rivieren in Iran (en de enige die, gedeeltelijk, bevaarbaar is), is een perfecte illustratie van wat er aan de hand is. Niet alleen zijn er tal van dammen in gebouwd, ook is een deel van het water omgeleid naar de rivier Zayandeh, in de provincie Isfahan, in het midden van het land. Sindsdien is de Karoen tot een beekje verworden, wat heeft geleid tot verzilting van de landbouwgrond in de regio Khoezistan, tegen de Iraakse grens.


    Toeristen op waterfietsen in het Oermiameer in Iran. Het grootste meer in het Midden-Oosten dreigt volledig op te drogen. – © Getty Images
    Toeristen op waterfietsen in het Oermiameer in Iran. Het grootste meer in het Midden-Oosten dreigt volledig op te drogen. – © Getty Images

    Feitelijk kopieert Iran het beleid van de voormalige Sovjet-Unie in Centraal-Azië in de jaren zestig. Moskou had destijds de Amu Darya en Syr Darya, zijrivieren van het Aralmeer in Kazachstan, naar Oezbekistan omgeleid, met het doel er de katoenproductie te vergroten. Oezbekistan werd de grootste katoenproducent ter wereld, maar betaalde een zware prijs: het verloor een vierde van een van de grootste meren ter wereld. De omleidingen die Iran al enige jaren geleden heeft aangelegd in internationale rivieren zoals de Sirwan, de Kleine Zab [twee zijrivieren van de Tigris], de Karoen en andere waterlopen, leiden niet alleen tot een verzilting van de bodem, ze beroven stroomafwaarts gelegen landen ook van hun deel van het water.

    Sinds de revolutie van 1979 heeft het Iraanse regime zich meer beziggehouden met de export van zijn politieke model naar andere landen in het Midden-Oosten dan met een fatsoenlijk beheer van zijn waterbronnen

    Sinds de revolutie van 1979 heeft het Iraanse regime zich meer beziggehouden met de export van zijn politieke model naar andere landen in het Midden-Oosten en het met tientallen miljarden dollars ondersteunen van organisaties en politieke en militaire bewegingen in de regio, dan met een fatsoenlijk beheer van zijn waterbronnen. Dat is er ook de oorzaak van dat het land zich nu ziet geplaatst voor zo’n catastrofale situatie van verwoestijning, verlies van landbouwgrond en schaarste aan drinkwater.

    Daar komen de overconsumptie en verspilling van water in de landbouw nog eens bij, die winsten op de korte termijn opleveren, maar schadelijke gevolgen hebben voor de lange termijn.

    Overigens verklaarde Rahim Safaoui, adviseur militaire zaken van opperste leider Ali Khamenei, tijdens de eerdergenoemde persconferentie dat de landbouw niet langer negentig procent van de waterbronnen kan verbruiken.

    Voorlopig gaat Iran echter door met de bouw van dammen en omleidingen van waterlopen op zijn grondgebied, wat bijzonder nadelig is voor Irak, dat aan de benedenstroom van alle Iraanse rivieren ligt. Tegelijkertijd bekritiseert Iran de bouw door Afghanistan van dammen, vooral de Kamal Khan-dam in de rivier de Helmand (de langste rivier in Afghanistan). Deze kan namelijk het debiet ervan verminderen in de provincie Sistan en Beloetsjistan, in het zuidoosten van Iran, met mogelijk grotere sociale spanningen tot gevolg in een regio die nu al een wankele economie heeft.
    Khaled Sulaiman

    Auteur: Khaled Sulaiman

    Daraj
    Beiroet | Libanon | daraj.com

    De website Daraj (‘Trap’) werd in 2017 in Beiroet opgericht en richt zich op alternatieve informatie. De redactie bestaat uit professionele journalisten uit Libanon en andere Arabische landen. Met zijn rubrieken onderscheidt de site zich van traditionele Arabische media. Onderzoek en reportage staan centraal. Bovendien zijn veel onderwerpen bij andere media in de regio ondergeschoven kindjes: burgerrechten, gender, homoseksualiteit.

  • Arabisch feminisme 
vind je op Facebook

    Arabisch feminisme 
vind je op Facebook

    De Palestijnse feministe Samah Salaime vond op het 
sociale netwerk tal van getuigenissen van vrouwen die zich langzaam ontworstelen aan tradities.

    Onlangs heeft een van mijn Facebook-vriendinnen me toegevoegd aan een groep Arabische vrouwen. ‘O nee! Weer zo’n suf groepje!’ dacht ik meteen. Maar goede feministe als ik ben, kon ik uiteraard de verleiding niet weerstaan er een blik op te werpen.

    Ik vond op deze pagina getuigenissen van Arabische vrouwen van alle leeftijden en uit alle uithoeken van Israël: moslima’s, druzen en christenen, meer of minder belijdend, getrouwd of vrijgezel. Zowel ontroerende verhaaltjes als pretentieloze anekdotes, confidenties over grote liefdes en al even 
grote teleurstellingen, verhalen over 
existentiële crises en een nieuw begin.

    Veerkracht

    De afgelopen jaren hebben tienduizenden vrouwen op Facebook een podium gevonden om zich te uiten. Het zijn leraressen, sociaal werksters, verpleegkundigen, zakenvrouwen en zelfstandig privécoaches die praktisch alle onderwerpen op hun pagina’s aansnijden.

    Zo stuitte ik op het verhaal van een jonge vrouw, Lamis, wier moeder 
tijdens de bevalling is overleden en die vanaf haar geboorte de naam draagt van een moeder die ze nooit heeft gekend of in de ogen gekeken. Lamis, te vroeg geboren met een lichamelijke handicap, beschrijft de moeilijkheden waarmee ze sinds haar kinderjaren kampt en weidt uit over de verschillende fases van haar leven. Momenteel geeft ze leiding aan een re-integratieprogramma voor jonge gehandicapten uit de Arabische gemeenschap. De naam van haar programma is ‘I can’.

    Hanan, een heel bijzondere vrouw van dertig, heeft haar getuigenis geïllustreerd met een foto van een tatoeage op haar arm: een esculaap, het symbool van de geneeskunde, met het onderschrift ‘Ik beloof dat ik het weer oppak’. Nadat ze geneeskunde was gaan studeren kreeg ze een ernstig ongeluk waardoor ze eenzijdig verlamd raakte. Ze zwoer dat ze als ze erbovenop zou komen haar studie weer zou oppakken, en maakte haar droom waar. Na een periode als EHBO’er te hebben gewerkt vatte ze de moed om terug te keren naar de medische faculteit, zoals ze zichzelf had beloofd, waar ze momenteel afstudeert als medisch onderzoeker. De vrouwen uit deze Facebook-groep hebben comfortabele posities opgegeven om hun kinderdroom te verwezenlijken. Fitnessinstructrices en gezondheidscoaches, leidsters van vrouwelijke wielrenploegen, een vrouw die haar baan bij een vrouwenorganisatie vaarwel zegde om styliste en modeontwerpster te worden.

    “Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren”, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe

    Marianna, moeder van vier kinderen, verloofde zich op haar vijftiende en was zwanger toen ze eindexamen deed. ‘Een vroeg huwelijk’: dat was genoeg om meteen alle rode lampjes bij mij te doen branden. Toch heb ik niet te snel geoordeeld en ben ik door blijven lezen. Daarna nam ik contact met haar op om haar beter te kunnen begrijpen. Ze vertelde me over haar man, die haar niet alleen ‘toestemming’ had gegeven om te studeren en werken, maar haar ook echt steunde en haar dromen en ambities deelde. Geheel in tegenstelling met de in zijn milieu geldende normen zorgde hij voor de baby, en daarna voor het broertje dat anderhalf jaar later kwam, en stelde hij alles in het werk om zijn vrouw haar vleugels te laten uitslaan. ‘Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren’, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe. ‘Ik kolfde voordat ik naar college ging, het huis was een puinhoop en het kwam voor dat de gootsteen vol vuile vaat stond 
en dat er niet één schoon lepeltje meer te vinden was. Maar hoewel ik daarna nog twee kinderen kreeg, lukte het me om af te studeren. Nu ga ik op zoek naar een baan en gaat mijn man door met zijn islam- en shariastudie. Want hij is imam in een moskee.’

    Imam? Ik wist niet wat ik hoorde. ‘Ja, hij is heel gelovig, en hij is heel oprecht en eerlijk. Hij behandelt me met alle egards die zijn geloof en zijn religieuze wet voorschrijven. De islam heeft niets tegen ambitie, en mijn man steunt me volledig bij mijn pogingen gelukkig te worden en me te ontplooien. Hij is aanwezig geweest bij mijn drie diploma-uitreikingen: mijn eindexamen, mijn bachelor en mijn master. Dat is inderdaad iets wat je niet vaak hoort,’ voegt ze eraan toe.

    © Ali Al-Shehabi  (Zie ook de toelichting onderaan)
    © Ali Al-Shehabi (Zie ook de toelichting onderaan)

    Ik had misschien liever gehad dat ze niet in haar eindexamenjaar was getrouwd, maar wie ben ik om te 
oordelen over het hart van een meisje dat weet wat ze met haar leven wil?

    Steeds meer vrouwen laten zich op het internet met ontroerende eerlijkheid van hun feministische kant zien. Het zijn geen verhalen die de voorpagina’s van kranten zullen halen, maar ze geven de lezeressen een gevoel van macht, helpen hen steviger in hun schoenen te staan en laten ze zien 
dat ze niet alleen zijn.

    In het veelsoortige ecosysteem van Facebook vind je vrouwen die op allerlei gebieden werkzaam zijn en hun dromen najagen, daarin slagen en zich ontplooien. Waarom zou je naar een Hollywoodfilm als Wonder Woman gaan om een vrouw te zoeken die haar lot in eigen hand neemt, obstakels uit de weg ruimt en met hetzelfde gemak plafonds van glas en beton doorbreekt, als je op Facebook zulke vrouwen kunt vinden die veel dichter staan bij de Arabische meisjes die hun eerste 
stappen in het leven zetten?

    Ik werk al twintig jaar met Arabische vrouwen. En elke keer weer ben ik getuige van de stille revolutie die deze vrouwen dag in dag uit in hun natuurlijke omgeving ontketenen. Met kleine stapjes leiden ze ons en onze samenleving naar een betere en inspirerendere toekomst.

    Sommigen van ons hebben het geluk gehad dat ze door hun ouders gemotiveerd en aangemoedigd zijn. Anderen hebben hun ouders nooit gekend en zijn slachtoffer geworden van geweld, onrechtvaardigheid en traumatische ervaringen. Er zijn vrouwen bij die fysieke, seksuele of psychologische mishandeling hebben ondergaan. Sommigen slaan zich er helemaal in hun eentje doorheen, maar de meesten van ons hebben in elk geval iemand 
die in ons gelooft. Om in het leven te slagen hebben Arabische vrouwen, zoals alle vrouwen ter wereld, 
soms maar één iemand nodig die hen begrijpt, plus de onbedwingbare wil om vooruit te komen.

    Met vreemde ogen

    Ik heb me afgevraagd waarom dit fenomeen me zo ontroerde en begeesterde. Zijn die tienduizenden sterke, actieve, onafhankelijke vrouwen een uitzondering? En zo ja, door wie worden de regels waarop ze een uitzondering 
vormen dan opgelegd?

    Ik ben tot de conclusie gekomen dat mijn enthousiasme zich deels laat 
verklaren door het ongelooflijk grote aantal getuigenissen van vrouwen die erin zijn geslaagd zich te ontplooien, wat me alleen maar sterkt in mijn feministische overtuiging. Aan de andere kant benadrukt mijn enthousiasme dat zelfs iemand zoals ik, die doorgaat voor een ‘verlichte Palestijnse’, het leven van de vrouwen uit haar gemeenschap met vreemde ogen blijft bezien. Het wordt hoog tijd daar verandering in aan te brengen.

    De ‘normale’ ontwikkeling van vrouwen in de Arabische samenleving 
verloopt volgens een westers patroon dat een onveranderlijke volgorde van de verschillende levensfases van de vrouw impliceert: schooltijd, jongens, werk, huwelijk, carrière en de ontplooiing van haar mogelijkheden. Daarom is elk verhaal dat ook maar enigszins afwijkt van deze normale sequens in mijn ogen een ‘indrukwekkende’ uitzondering. Vooral als het goed afloopt. Ze is immers tegen alle verwachtingen in geslaagd; ondanks dat ze een 
Arabische vrouw is, uit een dorp in het noorden of een stam in het zuiden komt, een hidjab draagt, is opgegroeid in een traditionele gelovige familie, jong is getrouwd, veel kinderen heeft gekregen, en heel wat andere obstakels heeft overwonnen – die vooral in onze gedachten bestaan.

    Van alle vrouwen die hun verhaal vertelden hebben vele niet het westerse persoonlijke ontwikkelingspatroon gevolgd. Zij hadden gewoon een ander uitgangspunt, of ze nou uit vrije wil handelden, of omdat ze geen andere keus hadden. In plaats van hun school af te maken, een vervolgopleiding te doen, te werken en daarna een gezin 
te stichten, heeft de overgrote meerderheid van de Arabische vrouwen 
een enigszins ander parcours gevolgd, waarbij liefdesbetrekkingen en seksualiteit onverbrekelijk verbonden zijn met het gezin en het instituut huwelijk. Ze proberen niet zozeer aan deze voorwaarden te tornen, maar gaan stug hun eigen gang ondanks de geldende omstandigheden. Het verlangen de regels te schenden en te normale gang van zaken te trotseren komen 
van binnenuit en met de jaren.

    We durven nog niet van de “verantwoordelijkheid” van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We 
durven nog niet hardop ”Ik heb het allemaal zelf gedaan” te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten

    Ik ben zelf op mijn twintigste getrouwd en kreeg op mijn eenentwintigste mijn eerste kind, zonder ook maar een moment stil te staan bij de gevolgen die dat zou hebben voor mijn studie en mijn carrière. Het heeft me enkele jaren gekost om te begrijpen dat ik voor een andere weg had kunnen kiezen. Maar één ding is zeker: in de Arabische samenleving zijn de sociale normen voortdurend in ontwikkeling, vooral dankzij de tienduizenden vrouwen die het er niet bij laten zitten.

    De vrouwen die zich uitspreken in deze verschillende Facebook-groepen hebben ook een partner: de nieuwe Arabische man.
    Het merendeel van de actieve vrouwen is getrouwd, en ook bij hun echtgenoot voltrekt zich een langzame, radicale en soms pijnlijke revolutie. De bevoorrechte status van de man die de scepter over het gezin zwaait omdat hij nu eenmaal een man is (iets wat men in feministische termen het patriarchaat noemt) wordt steeds meer ter discussie gesteld in het licht van nieuwe sociaaleconomische ontwikkelingen.

    De vrouw van tegenwoordig werkt, studeert, beslist mee en deelt de economische en familiale verantwoordelijkheden met haar echtgenoot. De man neemt niet meer dezelfde plaats in als vijftig jaar geleden.

    De meeste vrouwen met wie ik contact heb gehad prezen hun geweldige 
partner, die hen had gesteund en 
aangemoedigd en dankzij wie ze waren geslaagd in wat ze hadden ondernomen. We durven nog niet van de ‘verantwoordelijkheid’ van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We 
durven nog niet hardop ‘Ik heb het allemaal zelf gedaan’ te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten. 
Maar ik zou niets willen afdoen aan het ideaalbeeld dat deze vrouwen 
wensen voor te spiegelen, en een goede verstandhouding binnen het huwelijk kan alleen maar op waarde worden geschat.

    Toch is de gelijkheid tussen man en vrouw nog heel ver weg en heeft de feministische revolutie nog een lange weg te gaan.

    De Arabische man begint getuige te worden van de langzame en moeizame bewustwording van de vrouwen in zijn omgeving, die zich nog in een beginfase bevindt. Ik ben ervan overtuigd dat er een moment zal komen dat onze mannen, vaders, broers en zoons zich wel zullen moeten schikken in deze veranderingen en in de revolutie die tot een moderne Arabische man zal leiden, tot een nieuw idee over viriliteit. Er zullen natuurlijk altijd mannen blijven zijn die, omdat ze zich niet in de veranderingen kunnen vinden, 
hun vrouw weer onder de duim zullen proberen te krijgen en voorwendsels zullen zoeken om geweld, onderdrukking en andere vormen van dominantie te rechtvaardigen.

    Daarom, dames en heren, ontdoe ik mij hier en nu van een van die dikke lagen van westers feministisch bewustzijn die zich op mijn lichaam hebben afgezet en vervang ik die door de zachte, tere, onvolmaakte maar authentieke sluier van het Arabische feminisme. 
Ik zal de bevrijding van de Arabische vrouw niet langer als een vorm van eenrichtingsverkeer beschouwen, ik zal niet langer van mening zijn dat de enige legitieme weg de weg is die ons wordt opgelegd door de Israëlische samenleving of het westers feminisme. Het Arabische bevrijdingsproces is 
valide op zich, zonder dat we het ritme van onze veranderingen hoeven te 
vergelijken met dat van andere samenlevingen. De ‘sociologische gps’ moet gewoon de Arabische kaart leren lezen en zich aanpassen.

    Auteur: Samah Salaime

    Samah Salaime (te zien in het openingsbeeld) werd geboren in het noorden van Israël in een gezin van Palestijnse vluchtelingen. Ze behaalde een master Maatschappelijk Werk aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. In 2009 richtte ze de ngo Arab Women in the Center (AWC) op, die vrouwen aanmoedigt voor zichzelf op te komen. Deze ngo strijdt vooral tegen het geweld waaraan vrouwen in de Arabische gemeenschap worden blootgesteld. AWC spoort vrouwen en meisjes ook aan om een actieve rol te spelen in het protest tegen de verwoesting van Palestijnse huizen door het Israëlische leger.

    Bij het beeld van de twee vrouwen:

    De Bahreinse fotograaf Ali Al-Shehabi (23) putte voor zijn serie Freej Sisterhood uit zijn jeugdherinneringen aan de wijk Al Karama in Dubai. Als kleine jongen ontmoette hij vaak gesluierde vrouwen die hun inkopen kwamen doen in de buurt. Dit leidde tot de serie Freej Sisterhood (Freej betekent buurt in het Arabisch van de Golf).

  • LUCHA biedt hoop voor de toekomst

    LUCHA biedt hoop voor de toekomst

    De Congolese jongerenbeweging LUCHA, die zich geweldloos inzet voor politieke hervormingen en het aftreden van president Kabila, groeit als kool.

    Vijf jaar geleden spoedde een groepje vrienden van de universiteit van Goma zich in Oost-Congo door de stromende regen naar huis. Hun reis werd abrupt onderbroken toen bleek dat de straten waren overstroomd. Woedend over het feit dat de regering niet eens een fatsoenlijk afwateringssysteem kan aanleggen, besloten ze ter plekke het heft in eigen hand te nemen. Al schuilend tegen de slagregens richtten ze een nieuwe burgerbeweging op, Lutte pour le changement, die zou strijden voor hervormingen. Broodjeaapverhaal of niet, feit is dat deze organisatie – inmiddels beter bekend onder de afkorting ‘Lucha’ – is uitgegroeid tot grootste bedreiging voor de politieke status quo van het land.

    De beweging, geen ngo of politieke partij, plaatst zichzelf buiten het traditionele maatschappelijke middenveld. Ze opereert op geweldloze wijze, zowel op lokaal als op nationaal niveau. Lucha heeft in haar vijfjarige bestaan deelgenomen aan de organisatie van grootschalige demonstraties, die regelmatig leidden tot arrestaties. De beweging streeft naar politieke hervormingen en het aftreden van president Kabila, maar is vooral ook lokaal actief. Zo organiseerde Lucha in de noordoostelijke stad Goma sit-ins om betere toegang tot schoon water te eisen, drong ze aan op hervatting van de aanleg van de weg naar Sake, noordelijker in de provincie, en protesteerde ze tegen wanbeleid bij banken.

    ‘Deze organisatie speelt een aanzienlijke rol in de bewustmaking van de bevolking,’ zegt Jason Stearns, directeur van de Congo Research Group aan de New York-universiteit, hoewel hij eraan toevoegt dat ‘haar vermogen om de bevolking te mobiliseren vrij beperkt is’.

    Maar hoewel LUCHA nog jong en relatief klein is, wordt ze met de dag groter. De beweging heeft inmiddels afdelingen in alle grote Congolese steden, die zich inzetten voor verbeteringen op lokaal niveau en daarnaast onderling samenwerken op gebied van landelijke kwesties. LUCHA heeft in het hele land een aanhang van ongeveer duizend activisten, maar er is veel verloop en vaak geen formeel lidmaatschap. De groep bestaat hoofdzakelijk uit goed opgeleide twintigers – opmerkelijk genoeg vrijwel evenveel mannen als vrouwen.

    Kabila

    Jongeren vormen een politieke factor van formaat in de Democratische Republiek Congo, waar 63 procent van de bevolking jonger is dan 25 jaar. Van de organisaties die munt slaan uit dit momentum is LUCHA de grootste. Veel LUCHA-leden worden aangetrokken door de unieke structuur en ethos van de groep, die in sterk contrast staan met die van de politieke elite die het land al zo lang domineert. ‘Voor het eerst heb ik het gevoel dat er mensen zijn die denken zoals ik, die zelf in actie willen komen om verandering teweeg te brengen,’ zegt LUCHA-lid Soraya Aziz Souleymane. ‘Het draait niet om geld. Het gaat er niet om zo veel mogelijk centen van hulporganisaties los te krijgen. Het gaat om ethisch leiderschap. Daar ontbreekt het in dit land aan.’

    Hoewel LUCHA zich voornamelijk bezighoudt met lokale activiteiten, zijn het de landelijke acties die haar de meeste aandacht opleveren. Toen de afgelopen paar jaar steeds duidelijker werd dat president Joseph Kabila weigerde af te treden, speelde LUCHA een leidende rol bij de protesten om zijn vertrek af te dwingen. In januari 2015 leidde een golf van demonstraties tegen de vermeende pogingen van Kabila om in het zadel te blijven tot 43 doden. In maart verrichtte de militaire politie massa-arrestaties tijdens een prodemocratische bijeenkomst in Kinshasa. Onder de gearresteerden bevonden zich LUCHA-activisten Fred Bauma en Yves Makwambala, die bijna anderhalf jaar werden vastgehouden. Dankzij de aandacht van westerse media en de inzet van internationale mensenrechtenorganisaties kwamen de activisten op vrije voeten, en steeg LUCHA verder in aanzien.

    rrestatie van een demonstrant in Goma, afgelopen december. – © Jc Wenga / Getty Images
    rrestatie van een demonstrant in Goma, afgelopen december. – © Jc Wenga / Getty Images

    Terwijl 2017 naderde en Kabila niet van zins leek op te stappen, dreigde het land weg te glijden in een spiraal van chaos en geweld. Dankzij de bemiddeling van de katholieke kerk bereikte de regerende partij en de oppositie op 31 december 2016 ternauwernood een akkoord, waarin werd afgesproken dat er binnen twaalf maanden verkiezingen zouden komen, waarna Kabila zou aftreden. Maar uit recente gebeurtenissen blijkt dat Kabila niet van plan is zich aan de afspraken te houden.

    In deze uiterst onzekere en gespannen situatie blijft LUCHA de bevolking mobiliseren. Zo organiseerde ze in maart een sit-in voor het VN-kantoor in Lubumbashi om de Verenigde Naties aan te sporen toezicht te houden op de uitvoering van het op 31 december gesloten akkoord.

    ‘We zijn niet naïef, we begrijpen dat de eerstkomende verkiezingen niet een grote omwenteling met zich mee zullen brengen’

    Hoe de jongerenbeweging de komende maanden de druk zal gaan opvoeren is nog niet duidelijk. LUCHA moet blijven balanceren op het dunne koord tussen politieke betrokkenheid en het bewaren van hun integriteit. Volgens Stears wilden een aantal LUCHA-leden ‘een politieke partij beginnen om mee te dingen in de verkiezingen. Maar daar dacht het centraal comité anders over.’ Inderdaad koesteren leden als Souleymane een diep wantrouwen tegen Congo’s huidige politieke arena. ‘We hebben totaal geen vertrouwen in de oppositie. Ze hebben het momentum om Kabila uit het zadel te lichten gesaboteerd. Het zijn hielenlikkers die uit zijn op financieel of politiek gewin,’ zegt ze. ‘Ook het maatschappelijk middenveld vertrouwen we niet.’

    Hieruit kan worden afgeleid dat LUCHA vanaf de zijlijn zal blijven opereren. Dit betekent echter ook dat haar invloed op de hoogste machtsregionen beperkt zal blijven. De beweging eist het aftreden van Kabila, maar door zich bewust afzijdig te houden van de politiek, zullen ze ook de volgende president met argusogen bekijken.

    Hier schuilt geen tegenstrijdigheid in, vindt LUCHA. ‘Ons werk maakt deel uit van een langdurig proces om een verantwoordelijke regering te creëren. We hebben onze hoop niet zozeer gevestigd op een volgende president. De sociale kwesties die in Congo spelen zijn niet een-twee-drie op te lossen,’ zegt Souleymane. ‘We zijn niet naïef, we begrijpen dat de eerstkomende verkiezingen niet een grote omwenteling met zich mee zullen brengen. Misschien zien we pas echte veranderingen over vijftig jaar, als we leiders hebben die hun verantwoordelijkheid nemen en ons land eindelijk vooruitgang kan boeken.’

    Ondanks het besef van de moeilijke taak die Congo te wachten staat, zijn de jonge LUCHA-leden vervuld van hoop. En als de jongerenbeweging net zo hard blijft doorgroeien als in de afgelopen vijf jaar en de bevolking lokaal en nationaal net zo weet te mobiliseren, hebben ze daar alle recht toe.

    Auteurs: Ruby Bantariza, Tim Hirschel-Burns, Sophia Schuster
    Vertaler: Astrid Staartjes

    African Arguments
    Verenigd Koninkrijk | africanarguments.org

    Dit onlinetijdschrift is gewijd aan analyses over al wat speelt in hedendaags Afrika, en dient tevens als platform voor discussies daaromtrent. De site werd in 2007 gelanceerd door de Royal African Society, een Britse stichting die zich inzet voor een beter begrip van het continent.

  • Slaap Egypte slaap

    Slaap Egypte slaap

    Twee geliefden vertellen elkaar in de slaapkamer verhalen. Op basis van dit klassieke gegeven schreef de Egyptische auteur Ezzedine Chroukri Fishere een ophefmakende roman over de sluimerende Egyptische revolutie.

    Sinds het verschijnen van The Yacoubian Building (2002) van Alaa al-Aswany heeft geen boek in Egypte tot zo veel ophef geleid als de zesde roman van Ezzedine Choukri Fishere – het dystopische Exit Door, waarin een lid van de Moslimbroederschap president wordt, om vervolgens door zijn minister van Defensie ten val te worden gebracht. Het boek verscheen in 2012, nog voor de verkiezing en de uiteindelijke val van president Mohamed Morsi, een Moslimbroeder.

    Fishere had het vervolg – waarnaar reikhalzend werd uitgekeken, en dat een paar dagen geleden is verschenen bij Al-Karma – ‘Post-revolutionary bed-time stories from Egypt’ kunnen noemen, of ‘The most dangerous tales of Shahrazad’. Maar dat heeft hij niet gedaan, het boek heet Kol Hasa al-Haraa (‘Al die onzin’), en net als in het rauwe Exit Door spaart hij zichzelf noch de lezer. Het is een ambitieuze roman, een wilde verzameling van alle belangrijke revolutionaire gebeurtenissen die de afgelopen zes jaar in Egypte hebben plaatsgevonden, met thema’s zoals de buitenlandse financiering van activisten, seksueel geweld, politiegeweld, homoseksualiteit, corruptie en terrorisme. Alle protagonisten zijn betrokken bij gebeurtenissen als de revolutie van 25 januari, de rellen in Mohamed Mahmoud Street of de bloedbaden van Maspero, Port Said of Rabea al-Adaweya.

    Ze leveren zich over aan een koortsachtige stroom van verhalen, slechts onderbroken door slaap, seks of eten

    Zo’n aanpak kan al snel doorschieten, maar de vijftigjarige Fishere heeft met schijnbaar gemak een kleverig spinnenweb gesponnen dat de lezer al snel inkapselt. Al meteen vanaf de openingsscène – waarin Omar en Amal, die elkaar niet lijken te kennen, in hetzelfde bed ontwaken, kort nadat Amal is vrijgekomen uit de gevangenis – was deze lezer in ieder geval 324 pagina’s lang nauwelijks meer in staat het boek weg te leggen.

    Amal is een negenentwintigjarige Egyptisch-Amerikaanse jurist die gevangen is gezet omdat ze werkte voor een organisatie die illegaal door het buitenland werd gefinancierd (er wordt een impliciete parallel getrokken met de ngo’s die in 2011 keihard werden aangepakt). Ze heeft afstand gedaan van haar Egyptische staatsburgerschap zodat ze maar één jaar de gevangenis in hoefde (een detail dat ontleend zou kunnen zijn aan het lot van de Al Jazeera English -producer Mohamed Fahmy) en moet nu binnen 48 uur het land verlaten. Omars situatie is volkomen anders: hij is tweeëntwintig, van arme komaf, en hij werkt als taxichauffeur. Hij gaat ermee akkoord om tot Amals vertrek bij haar te blijven, in haar appartement in Zamalek, en haar verhalen te vertellen om haar op die manier bij te praten over wat er allemaal is gebeurd in het jaar dat zij heeft vastgezeten. Ze leveren zich over aan een koortsachtige stroom van verhalen, slechts onderbroken door slaap, seks of eten.

    De roman bestrijkt de 48 uur die ze in haar appartement doorbrengen en is opgedeeld in acht hoofdstukken. In zes van die hoofdstukken vertelt Omar verhalen over vrienden of familieleden, en de andere twee hoofdstukken zijn gewijd aan Amal en hem, die elkaar over zichzelf vertellen. Omars verhalen worden zo nu en dan onderbroken door Amal, met vragen of cynische opmerkingen, waarmee ze Omars sombere kijk op de wereld probeert te doorbreken. Haar Egyptische Arabisch is niet al te best, dus zij praat in het Engels, dat omwille van de lezer wordt omgezet in klassiek Arabisch, en niet in spreektalig Arabisch – behalve wanneer ze vloekt. Hun grappige gesprekken en Fishere zelf die af en toe als verteller tussenbeide komt met een ironische opmerking, bieden enig tegenwicht aan de zwaarte van Omars verhalen – de meeste van zijn vrienden zijn vermoord, gevangengezet of verbannen. In de vele dampende seksscènes tussen de twee verwijst Fishere naar geslachtsdelen als ‘lichaamsdelen waarvoor een rechter je gevangen kan zetten als je ze hardop benoemt’, alsof hij op die manier de zelfingenomen moraalridders onder zijn lezers – van de soort die Naji voor de rechter hebben gesleept – wil tarten.

    ‘Hoe is het mogelijk dat een taal die door driehonderd miljoen mensen wordt gesproken geen algemeen aanvaarde synoniemen kent voor de helft van de lichaamsdelen die ze herhaaldelijk en dagelijks aanraken, of voor de handelingen die ze verrichten?’ vraagt Omar zich af in het eerste hoofdstuk. ‘Alsof een of andere gezaghebber de Arabieren heeft veroordeeld tot een totaal stilzwijgen, waardoor ze al deze dingen doen, al deze lichaamsdelen aanraken en zien, zonder erbij te praten, zonder ook maar een woord te zeggen. Wat is dat voor vorm van onderdrukking?’

    Ezzedine Choukri Fishere.
    Ezzedine Choukri Fishere.

    Soms zegt Amal spottend Mawlay (mijn heer) tegen Omar, een omkering van het Sheherazade-motief. Misschien vertelt Omar de verhalen domweg om in de buurt te kunnen zijn van Amal, op wie hij verliefd begint te worden. Maar anders dan in De vertellingen van Duizend-en-een-nacht, waarin Shererazade Sjahriaar het ene na het andere verhaal vertelt zodat de koning haar zal sparen, wijst Fishere er in het voorwoord op dat zowel hijzelf als zijn fictionele protagonisten door deze verhalen in de gevangenis kunnen belanden. Fishere dreigt spottend degenen die het op hem hebben voorzien in zijn volgende boek op te voeren en zo wraak te nemen.

    Herdenken is natuurlijk ook een motief in dit werk. Misschien wil Fishere ons domweg herinneren aan iets wat de afgelopen drie jaar systematisch naar de achtergrond is gedrongen: de revolutie van 25 januari en alle gruwelijkheden die zijn begaan in de strijd tegen de revolutionairen. Het lijkt niet toevallig dat zijn boek is verschenen vlak na de zesde herdenkingsdag van de revolutie.

    All That Rubbish is, net als Exit Door, een politieke roman waarin fictie en realiteit in elkaar overlopen. In het vierde hoofdstuk haalt Fishere een artikel aan van Mada Masr, uit 2014, over veiligheidstroepen die op gruwelijke wijze een activiste hebben verkracht. Fishere voert haar ten tonele als een van zijn gekwelde personages en laat zien wat voor effect de verkrachting op haar leven heeft. Door het in een literaire vorm te gieten helpt hij ons eraan herinneren welk lot leden van de oppositie kan treffen. Een goed boek kan eeuwig meegaan, terwijl nieuwsfeiten vaak gedoemd zijn om in de vergetelheid te raken – al helemaal wanneer niemand verantwoordelijk wordt gehouden voor de misdaden. Omdat Amal herhaaldelijk Omars geloofwaardigheid in twijfel trekt, en hem ervan beschuldigt het allemaal te verzinnen, worden we er juist aan herinnerd dat de misdaden maar al te reëel zijn, doordat zijn verhalen van geen wijken weten.

    Niet alle verhalen zijn echter even sterk. In het derde hoofdstuk vertelt Omar over het lot van drie ‘ultra’s’ van Ahly Football Club, van wie er twee zijn omgekomen tijdens het bloedbad van Port Said in 2012. Maar hier romantiseert Fishere te zeer – de mannen worden enkel afgeschilderd als hardwerkende, heldhaftige en onschuldige jongens. Het is zelfs zo erg dat ik die stukken bijna heb overgeslagen. Het is duidelijk dat de verteller sympathie wil kweken, aangezien de ultra’s door de staatsmedia herhaaldelijk zijn weggezet als tuig en herrieschoppers, maar hier slaat Fishere door.

    Het zette mij ertoe aan me een voorstelling te maken van zijn lezerspubliek. All That Rubbish is een roman die uitgesproken pro-revolutie is, een boek dat vermoedelijk zal worden gelezen door gelijkgestemden. Afhankelijk van de reacties die het oproept, zullen misschien meer mensen geneigd zijn in dit boek te duiken – een boek dat meerdere thema’s kent, zoals overspel, huwelijksproblemen en het groeiende zelfinzicht van twee jonge geliefden.

    Er zijn ook hoofdstukken die een oorspronkelijke kijk bieden op de sociale mechanismen die onze perceptie vormgeven. Een voorbeeld daarvan is de pijnlijke coming out van een homostel, een ander voorbeeld is de tragische liefdesgeschiedenis van een sympathisante van de Broederschap en haar vriendje. Dit zijn momenten waarop Fishere met het vergrootglas van de schrijver inzoomt op de microvezels waaruit onze dagelijkse opvattingen en gedragingen bestaan.

    Ander pad

    All That Rubbish heeft alles in zich om een bestseller te worden, wat hopelijk weer andere schrijvers aanmoedigt om ook een ander pad in te slaan dan in de meeste romans die tot nog toe over de revolutie zijn verschenen, en die vooral dystopisch van aard zijn – van Basma Abdel Aziz’ The Queue tot Mohamed Rabies Otared — wellicht omdat er een soort consensus bestond dat het nog te vroeg was om onverbloemd te schrijven over iets wat nog altijd gaande was.

    Uit Exit Door sprak een optimistische toekomstvisie, ondanks alle politieke onrust. All That Rubbish is veel soberder. De roman begint met een wijs gezegde: ‘Je kunt maar beter slapen op de ellendige dagen.’ Omar en Amal lijken te hebben besloten dat ze zich maar het beste gedeisd kunnen houden en domweg moeten proberen te overleven zonder al te zware persoonlijke verliezen. Zeven van de acht hoofdstukken beginnen ermee dat de een de ander vraagt of hij al wakker is, waarmee Fishere lijkt te willen zeggen dat we, om het einde te halen van deze winterslaap waaraan geen einde lijkt te komen, best af en toe even wakker mogen worden om te eten, te vrijen en verhalen te vertellen, zolang we maar niet vergeten. Maar Amal en Omar lijken geen moment in staat zich echt over te geven aan de slaap.

    Auteur: Sherif Abdel Samad
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Marco Bulgarelli / Gamma-Rapho via Getty

    Mada Masr
    Egypte | madamasr.com

    Een Egyptisch blog dat onder auspiciën staat van de journalisten van de Egypt Independent (de Engelse versie van Al Masry al-Youm). ‘Mada Masr’ betekent: over Egypte.

  • Hoe een van ’s werelds mooiste modernekunstcollecties de Iraanse revolutie overleefde

    Hoe een van ’s werelds mooiste modernekunstcollecties de Iraanse revolutie overleefde

    Na de islamitische revolutie in Iran moest het Museum voor Hedendaagse Kunst in Teheran al zijn Picasso’s, Renoirs en Rothko’s van de muren halen. Het verhaal over hoe het de werken sindsdien verging leest als een thriller, met hoofdrollen voor een dappere bewaker, een Witte Huismedewerker en filmbons David Geffen.

    Rond het binnenste van het Museum voor Hedendaagse Kunst in Teheran loopt spiraalsgewijs een looppad omlaag, als een ondergrondse versie van het Guggenheim Museum van Frank Lloyd Wright in New York. Van daaruit waaiert een reeks tentoonstellingsruimtes uit, die stuk voor stuk de verbijsterende geheimen prijsgeven van een van de mooiste, zij het vergeten, collecties twintigste-eeuwse kunst ter wereld. Bij een tentoonstelling dit najaar waren abstract expressionistische schilderijen te zien van Kandinsky, Motherwell, Pollock, Rothko en Stella, om maar een paar namen uit de kluis van het museum te noemen. De tuin biedt een permanente expositie met beeldhouwwerken van Ernst, Giacometti, Magritte en Moore. De hal wikkelt zich als een kurkentrekker rond een reusachtige mobile van Calder – de rode vormen glinsteren speels in de ruimte, onder de strenge blik van de ayatollahs Khomeini en Khamenei vanaf hun portretten erboven.

    Op een frisse dag eind oktober is het museum een oase van rust in het centrum van Teheran, een metropool met zestien miljoen inwoners die bijna stikt in het verkeer, de smog en de ongebreidelde bouwactiviteit. De zalen zijn uitgestorven, afgezien van een tiental studenten fotografie die voor een entreeprijs van anderhalve euro Jackson Pollocks meesterwerk Mural on Indian Red Ground (1950) helemaal voor zichzelf hebben. Het bloedrode doek van bijna drie bij tweeënhalve meter vol witte, grijze en zwarte verfspatten is een van de grootste schilderijen die Pollock in deze druppeltechniek maakte, en wordt door velen gezien als een van zijn beste. Veilinghuis Christie’s taxeerde het vijf jaar geleden op 250 miljoen dollar [ruim 190 miljoen euro]. Onder aan het looppad komen de studenten aan bij een tweetal reusachtige Rothko’s. De docent wijst hen op een uitspraak van de schilder die in de buurt van het schilderij staat afgedrukt: ‘Een schilderij gaat niet over een ervaring. Het ís een ervaring.’

    Het overleven van de collectie is ook het verhaal van een heel gewone man, die geen flauw benul had van kunst voordat hij in 1977 bij het museum kwam werken

    Terwijl Iran na de jarenlange sancties in snel tempo het contact met de wereld hernieuwt, ligt in de schaduw van zijn geschiedenis een kroonjuweel te wachten. Het Museum voor Hedendaagse Kunst van Teheran, dat nog werd gesticht door keizerin Farah Pahlavi, de vrouw van sjah Mohammad Reza Pahlavi, herbergde vóór de revolutie van 1979 de grootste verzameling moderne westerse meesterwerken buiten Europa en Noord-Amerika – en verdween toen van de kaart. Nu komt het weer tevoorschijn. Als vervolg op zijn grote tentoonstelling over het abstract expressionisme opende het museum op 20 november een expositie met een mix van Iraanse en westerse kunst. In oktober tekende het een principeakkoord met de Duitse regering om zestig kunstwerken – dertig westerse en dertig Iraanse – vanuit Teheran naar Berlijn te sturen voor een drie maanden durende expositie die komend najaar in Berlijn moet plaatsvinden. Het wordt voor het museum de eerste expositie in het buitenland. Als de politieke en juridische omstandigheden het toelaten komt er in 2017 misschien een nog grotere tentoonstelling bij het Hirshhorn Museum van het Smithsonian Institution in Washington, zegt Melissa Chiu, directeur van het Hirshhorn. ‘Dit is een van de grote ongeziene collecties naoorlogse Europese en Amerikaanse kunst in 
de wereld,’ zegt zij. ‘We hebben deze werken in geen veertig jaar gezien.’

    Jackson Pollock, Mural on Indian Red Ground (1950), in Teheran.
    Jackson Pollock, Mural on Indian Red Ground (1950), in Teheran.

    Na zijn machtsgreep ging ayatollah Ruhallah Khomeini tekeer tegen wat hij ‘Westoxificatie’ noemde, het idee dat de westerse morele en seksuele losbandigheid islamitische landen hadden besmet met een ziekte die alleen genezen kon worden door de strenge hand van islamitische geestelijken. Hij verbood westerse films, muziek en veel boeken, dwong vrouwen om een hoofddoek te gaan dragen en sprak de Iraanse elite bestraffend toe vanwege hun ‘verliefdheid op buitenlanders’. ‘Met een Europese hoed op je hoofd,’ schreef hij, ‘zou je door de straten paraderen en genieten van de naakte meisjes, vol trots op deze “prestatie” en zonder enige acht te slaan op het feit dat het historische erfgoed van het land werd geplunderd.’ Terwijl revolutionairen massaal demonstreerden nadat de sjah en zijn vrouw in januari 1979 waren gevlucht, bracht het museum zijn 1500 westerse kunstwerken in veiligheid in een kluis in de kelder.

    Toen een maand later een militie verscheen, liet museumdirecteur Mehdi Kowsar hun commandant een inventarislijst tekenen, waarop de prijzen stonden die de keizerin voor de werken had betaald. Tien dagen later vluchtte Kowsar, voormalig hoogleraar Kunst aan de Universiteit van Teheran, met zijn gezin naar Italië. Hij is nooit teruggekeerd. Om lastige vragen op het vliegveld te ontwijken had hij de lijst thuisgelaten. Die heeft hij sindsdien niet meer gezien. ‘Het was een zeer gevaarlijke situatie,’ vertelt Kowsar, die nu 79 is en in Rome woont als gepensioneerd hoogleraar Architectuur. ‘Ik hoopte dat niemand iets zou stelen als ze iets officieels ondertekenden.’

    De collectie bleef opmerkelijk intact, afgezien van een Andy Warhol-portret van keizerin Farah, dat jaren geleden door een fanatieke gelovige in een van haar voormalige paleizen aan stukken is gesneden, en een naakt van Willem de Kooning. Dat laatste werd in 1994 op het asfalt van het vliegveld in Wenen verkocht aan de Amerikaanse muziek- en filmtycoon David Geffen, als onderdeel van een driehoeksruil tegen enkele zestiende-eeuwse Perzische miniaturen die in bezit waren van een Witte Huismedewerker in de regering-Clinton. Daarover later meer.

    Iraanse paradox

    Het overleven van de collectie is typerend voor de bredere Iraanse paradox – de strijd van een van de oudste en meest verfijnde beschavingen ter wereld tegen de historische verkramping van fundamentalisme en xenofobie. Maar het is ook het verhaal van een heel gewone man, die geen flauw benul had van kunst voordat hij in 1977 bij het museum kwam werken, en die het beschermen van de westerse kunstschatten tot zijn levenswerk heeft gemaakt.

    Als je het slakkenhuis in het museum naar beneden volgt, voorbij het fluwelen koord glipt, rechtsaf gaat bij de bedrijfsstofzuiger en langs de in piepschuim verpakte schilderijlijsten naar de muur loopt, kom 
je bij twee deuren. De stalen deur rechts heeft een deurbel en een blauw bordje waarop staat ‘museumdienst’. Die gaat naar de kluis. Op de deur links staat ‘fotografie’ en die leidt naar een slecht verlichte ruimte met betonnen muren en een versleten divan, die doet denken aan het hokje van de conciërge in de kelder van een New Yorks appartementengebouw.

    Aan een bureau in de hoek zit Firouz Shabazi Moghadan, onder een hoog raam dat nog net boven straatniveau uitkomt. Hij kwam twee weken voor 
de opening bij het museum in dienst, eerst als chauffeur en later, na de revolutie, dertig jaar lang als beheerder van de kluis. Zijn officiële titel: bewaarder.

    Op zijn drieënzestigste is hij nog steeds lang en slank, met donkere ogen die hij dichtknijpt als hij lacht. Twee jaar geleden kwam Shabazi, die toen 
al met pensioen was, terug bij het museum om te helpen het omvangrijke bezit aan Iraanse kunst en fotografie te catalogiseren, net als de westerse collectie, die hij uit zijn hoofd kent.
    Nadat hij door het museum was weggekaapt bij het bedrijf dat er de linoleumvloeren aanlegde, was een van zijn eerste klussen in 1977 geweest om ongeopende kratten met kunstwerken op te sporen die over heel Teheran verspreid waren. De eerste directeur van het museum, Kamran Diba, een neef van 
de keizerin, die architectuur had gestudeerd aan de Amerikaanse Howard University en het museum had ontworpen, kocht in die tijd veel Amerikaanse kunst.

    Tegelijkertijd had de keizerin, die kunstgeschiedenis had gestudeerd in Parijs en een voorkeur had voor Europese kunst, haar eigen kopers ingehuurd. Zij mochten met niemand praten over wat ze deden, vertelt Donna Stein, die in 1975 naar Teheran verhuisde en twee jaar lang kunst inkocht voor de keizerin. Stein werkt nu bij het Wende Museum in Los Angeles. ‘Het was heerlijk, maar ook wel eng,’ zegt 
ze. Tijdens de oliecrisis van 1973 daalden in de hele wereld de kunstprijzen, en Iran werd erg rijk dankzij de verkoop van olie. In 1976 vloog David Nash, het hoofd van de afdeling impressionisme en moderne schilderkunst bij Sotheby’s in New York, naar Teheran met een doos dia’s van schilderijen die door 
verzamelaar Norton Simon uit Los Angeles te koop werden aangeboden, ‘voor krankzinnig hoge prijzen’, aldus Nash. Hij moest een week wachten tot hij eindelijk de beloofde ontmoeting had met de kamerheer van de keizerin, en die las hem vervolgens de hele ontmoeting lang de les over een auteursrechtenconflict dat Iran in die tijd met Sotheby’s had. Hij liet de dia’s achter en ging naar huis, in de veronderstelling dat de reis een ‘totale mislukking’ was geweest.

    Stilleven met Japanse houtsnede door 
Paul Gauguin, 1889. In 1976 aangekocht 
door het musem.
    Stilleven met Japanse houtsnede door 
Paul Gauguin, 1889. In 1976 aangekocht 
door het musem.

    Een paar dagen later vroeg het kabinet van de kamerheer advies aan Nash. Waar moest het op bieden bij de komende veiling van Sotheby’s, waar de nalatenschap van Holocaustoverlever Josef Rosensaft verkocht zou worden? Nash noemde een paar werken, Iran kocht de hele partij. Daarmee haalde het land ook Stilleven met Japanse houtsnede uit 1889 van Paul Gauguin binnen, voor een miljoen euro, een recordbedrag in die tijd voor deze kunstenaar. Volgens Nash is het schilderij nu zo’n 34 miljoen euro waard. De huidige directeur van het museum, Majid Mollanoroozi, zegt dat Japanse verzamelaars een ‘blanco cheque’ hebben geboden voor het schilderij.

    Shabazi nam de revolutionairen twee aan twee mee de kluis in, om ze te laten zien dat daar niets onoirbaars gebeurde. Ze waren geschokt door de kinderlijke plaatjes die ze er aantroffen

    Shabazi nam het beheer over de kluis op zich nadat Kowsar en de andere kunstprofessionals waren gevlucht. Hij had alleen middelbare school gehad, maar ging boeken over kunst lezen om verscheidene westerse schilderijen waarvan de papieren verloren waren gegaan, te kunnen identificeren. Hij begon steeds meer van de werken te houden. Nadat de mannen van de gewapende militie het gebouw een aantal dagen bezet hadden gehouden, stelde het regime een commissie van twintig man aan om het museum te leiden. Zij hadden geen idee wat daar aanwezig was. Shabazi nam de revolutionairen twee aan twee mee de kluis in, om ze te laten zien dat daar niets onoirbaars gebeurde. Ze waren geschokt door de kinderlijke plaatjes die ze er aantroffen.

    ‘Ze zeiden: “Wat is dit? Dat kan ik zelfs nog beter”, vertelt Shabazi. ‘Ik zei dan dat het een Picasso was, en dan zeiden ze: ‘Een Picasso, nou en?’ Terwijl in de straten van Teheran chaos heerste, sloot Shabazi zich het grootste deel van de twee volgende jaren op in de kluis, met de sleutels en de kunstwerken. ‘Ik wilde niet dat er iets mee gebeurde,’ zegt hij.

    De grootste zalen van het museum werden in gebruik genomen als expositiehal voor revolutionaire propaganda, waar de lof gezongen werd van het martelaarschap en het Iraanse verzet tijdens de achtjarige oorlog met Irak in de jaren tachtig. Af en toe verscheen er iemand bij de kluis met een officieel uitziende brief, om een kunstwerk te lenen voor een cultureel centrum of voor een van de weelderige paleizen van de sjah, die nu openbare attracties waren geworden. Shabazi weigerde de kluisdeuren open te doen, omdat hij vreesde dat de geleende werken nooit meer teruggebracht zouden worden. ‘God mag weten waar ik de moed vandaan haalde – terwijl ik normaal gesproken zo’n angsthaas ben,’ zegt hij met tranen in zijn ogen. ‘Voor deze kluis, voor dit museum ben ik een leeuw.’

    Mick Jagger door Andy Warhol in het Museum voor Moderne Kunst, Teheran. De werken worden in de kluis bewaard. – © Reuters
    Mick Jagger door Andy Warhol in het Museum voor Moderne Kunst, Teheran. De werken worden in de kluis bewaard. – © Reuters

    Pas in 1999, tien jaar na de dood van Khomeini en twintig jaar na de vlucht van de sjah organiseerde het museum zijn eerste westerse expositie sinds de revolutie – een pop-arttentoonstelling met werken van Hockney, Lichtenstein, Rauschenberg en Warhol. Er is een wat ongemakkelijke ontspanning ingetreden, die weerspiegelt hoe nu eens de reformisten en dan weer de voorstanders van de harde lijn de overhand hebben in de Iraanse politiek. Sinds 2013 hebben technocraten bij de ministeries van Economie en van Cultuur, aangesteld door president Hassan Rouhani, de beperkingen van de revolutie iets versoepeld, tegen de conservatieven van de veiligheidsdienst en het juridisch apparaat in, die gecontroleerd worden door de Hoogste Leider, ayatollah Ali Khamenei.

    Voor het museum betekent dit dat de directeuren, die onder het ministerie van Cultuur en Islamitische opvoeding vallen, elk jaar een paar weken lang 
wat westerse werken ophangen. Daarbij zorgen ze meestal wel dat ze de conservatieven binnen de overheid niet tegen de haren in strijken met pikante beelden, en ze ook niet al te zeer pijnigen met de gedachte dat het belangrijkste bezit van het museum die wereldcollectie met naoorlogse werken van Amerikanen is, van wie velen homoseksueel of joods 
zijn. Over de rol van keizerin Farah, die nu 77 is en 
in Washington en Parijs woont, wordt helemaal nooit gesproken.

    In de kluis bevindt zich een schat aan kunstwerken die de Iraniërs nooit te zien zullen krijgen, zolang het huidige regime het voor het zeggen heeft. 
Daarbij horen naakten van Pablo Picasso en Edvard Munch, een groot doek van André Derain,_ L’Age d’or,_ met elf ontklede vrouwen die zich vermaken in de natuur, en Gabrielle avec la chemise ouverte van Pierre-Auguste Renoir, een betoverend portret van een jonge vrouw met haar blouse tot haar navel open geknoopt, zodat haar blote borsten te zien zijn.

    Two Figures Lying on a Bed with Attendants door Francis Bacon, 1968, Teheran. ‘Het is niet obsceen. 
Het zouden broers kunnen zijn.’ – © Reuters
    Two Figures Lying on a Bed with Attendants door Francis Bacon, 1968, Teheran. ‘Het is niet obsceen. 
Het zouden broers kunnen zijn.’ – © Reuters

    In 2005 vertoonde een stoutmoedige museumdirecteur, Alireza Sami Azar, het drieluik uit 1968 van Francis Bacon, Two Figures Lying on a Bed with Attendants. De twee figuren op het bed zijn, zoals een suppoost van het museum al snel ontdekte, naakte mannen, die allebei op hun rechterzij liggen. De suppoost waarschuwde het ministerie van Cultuur en Islamitische opvoeding, dat bevel gaf om het schilderij te verwijderen. Sami Azar eiste het bevel op schrift en won daarmee tijd, zodat de Britse ambassadeur en andere hoogwaardigheidsbekleders die avond bij de opening van de tentoonstelling het schilderij van Bacon nog konden bekijken.

    ‘Ik zei: “Kijk, het zijn mannelijke figuren, geen vrouwen, en ze zijn half abstract. Het is niet obsceen. 
Het zouden broers kunnen zijn”,’ grinnikt Sami Azar, die nu bij een galerie in Teheran lezingen geeft over kunst. ‘Zij zeiden: “Kom op, we weten dat het homoseksuelen zijn, ze slapen in één bed. Dit gaat ons een schandaal opleveren, net nu de conservatieven aan de macht komen en op zoek zijn naar stokken om ons te slaan.”’

    Het geschreven bevel kwam pas bij het museum aan toen de gasten al gearriveerd waren. Zij hadden dus bij binnenkomst het hele drieluik zien hangen, en toen ze weer weggingen zagen ze alleen nog een spijker op de plek waar het paneel met de slapende mannen had gehangen.

    ‘Kunst kan een brug slaan tussen Iran en het Westen, maar er zijn wel uitzonderingen,’ verklaart Hossein Sheikholeslam, die als radicaal student in 1979 tot de bezetters van de Amerikaanse ambassade behoorde en daarna verschillende vooraanstaande posities bij de revolutionaire overheid bekleedde. ‘Naaktheid en homoseksualiteit zijn niet aanvaardbaar in de Iraanse cultuur,’ zegt hij.

    De kluis

    Van buiten de dubbele grijze deuren van de kluis kun je de bel binnen niet horen rinkelen, maar de klap waarmee de grendel wordt teruggeschoven geeft aan dat er iemand aankomt. Binnen is weer een bel en nog een stalen deur, dit keer een van 15 centimeter dik met een zwart combinatieslot boven de deurknop. Knarsend gaat de deur open en er verschijnt een lange betonnen ruimte met tegen de muren aan beide kanten 32 schuifrekken van vloer tot plafond – metaalgaas gevat in stalen frames. Er zijn maar twee schilderijen zichtbaar: rechts op blokken een streng portret van ayatollah Khomeini en aan de verste muur het vier 
vierkante meter grote meesterwerk van Picasso uit 1927, Le peintre et son modèle, dat door kunsthistoricus Jeremy Melius van Tufts University ‘een van de grootste prestaties uit zijn carrière’ is genoemd.

    Beginnend naast de Picasso trekken Shabazi en zijn door hemzelf uitgekozen opvolger de piepende schuifrekken over hun rail naar het midden van de ruimte, de oudste schilderijen eerst. Het lijkt wel een posterwinkel, met aan elk stalen hekwerk een tiental schilderijen. De collectie begint bij het eind van de negentiende eeuw met werken van Monet, Gauguin, Pisarro, Toulouse-Lautrec, Van Gogh en Rodin. Bij de kunst uit het midden van de twintigste eeuw hangen alleen al aan één rek tien Picasso’s (van het dertigtal dat het museum in bezit heeft), twee Marc Chagalls, een George Braque en een Diego Rivera. Het grootste deel van de collectie, van na de Tweede Wereldoorlog, bevindt zich in het deel van de kluis vlak achter de luchtsluis. Er zijn een stuk of tien werken bij van Jasper Johns en van Robert Rauschenberg en minstens vijftien van Warhol, onder meer een Mick Jagger, een Marilyn Monroe en een serie van tien Mao’s. Het meest waardevol is zijn acrylschilderij uit 1963 van een man die van een gebouw springt, Suicide (Purple Jumping Man). En dan is er nog een van Warhols zeldzame _Death and Disaster-_schilderijen die in 2013 liefst 105 miljoen dollar (80 miljoen euro) opbrachten.

    Werk van impressionist Camille Pissarro tijdens een Moderne Kunst-tentoonstelling in 2005. – © Morteza Nikoubazl / Reuters
    Werk van impressionist Camille Pissarro tijdens een Moderne Kunst-tentoonstelling in 2005. – © Morteza Nikoubazl / Reuters

    Shabazi’s favoriete werken: de Rothko’s, zegt hij, terwijl hij de zware kluisdeur zorgvuldig achter zich dicht trekt. ‘Ik heb heel wat problemen gehad in mijn leven, en van die schilderijen word ik altijd weer rustig.’

    Geregeld melden zich bij het museum kopers voor de schilderijen, onlangs nog een stichting uit Monaco die het drieluik van Bacon wilde kopen voor 103 miljoen euro. Maar niets is te koop, zelfs niet de werken die ontoonbaar worden geacht, vertelt directeur Mollanoroozi. ‘Stel dat we ze verkopen, wat zouden we dan daarvoor in de plaats moeten kopen dat evenveel waard is?’ vraagt hij. Hij hoopt dat de opbrengsten van de tentoonstellingen in het buitenland genoeg geld opleveren voor de eerste acquisities van het museum in veertig jaar, en voor noodzakelijke verbeteringen in het museum, zoals nieuwe verlichting en vloerbedekking en het waterdicht maken van de kluis als bescherming tegen overstromingen.

    Zo’n twaalf jaar geleden wilde Sami Azar veilinghuis Christie’s inschakelen om de naakten te taxeren, in de hoop met de verkoop daarvan nieuwe aanvullingen voor de collectie te kunnen financieren. De toenmalige president Mohammad Khatami stond achter het idee, maar zei dat het parlement er het laatste woord over moest krijgen. Sami Azar besloot om het risico niet te nemen. De kunst verkopen is makkelijk, zei hij. Het geld terugkrijgen van de regering om nieuwe kunst te kopen zou wel eens lastig kunnen zijn.

    De Kooning

    In vier decennia heeft het museum maar één westers werk van de hand gedaan, de De Kooning die in 1994 werd geruild tegen de overblijfselen van een beroemd vierhonderd jaar oud boek met miniaturen, de Shahnama van Shah Tahmasp. De Shahnama, of het Boek der Koningen, was in bezit bij de Amerikaanse familie Houghton, erfgenamen van het fortuin van de glasgigant Corning Glass Works, die het vóór de revolutie al voor 28 miljoen dollar aan Iran hadden 
aangeboden, vertelt Mehdi Hojjat, voormalig onderminister van Cultuur die de ruil organiseerde. De sjah weigerde, maar in 1991 werden de onderhandelingen heropend door Arthur Houghton III, een Amerikaanse diplomaat die op dat moment in het Witte Huis werkte voor de war on drugs. Houghton schakelde daarvoor een Londense kunsthandelaar in en hield de afspraken geheim voor zijn superieuren. Ook tegenover de Iraniërs verborg hij zijn identiteit, omdat hij bang was dat die zich zouden laten afschrikken als ze wisten waar hij werkte. ‘Ik mocht niet bekend worden,’ zegt hij nu.

    Er werd drie jaar over de deal onderhandeld. Aanvankelijk vroegen de bemiddelaars vijf schilderijen voor de Shahnama, waaronder de waardevolle Pollock, een Miró, een Picasso en Renoirs onthullende Gabrielle avec la chemise ouverte. Hojjat legde de kwestie voor aan de Hoge Revolutionaire Raad voor Cultuur, waarbij hij foto’s van de diverse werken liet zien. Uiteindelijk wilden de Iraniërs alleen de De Kooning opgeven, waarop een groteske, misvormde vrouwenfiguur zonder kleren stond afgebeeld.

    Shabazi weet nog goed hoe hij het schilderij bij het ochtendgloren in Teheran in het vliegtuig laadde. Hojjat, die bang was dat de Amerikaanse regering zou proberen het werk in beslag te nemen als compensatie voor andere goederen waarover strijd was, had geregeld dat het snel vanaf de landingsbaan in Wenen naar een kunsthandelaar in Zwitserland zou worden overgebracht. Tegelijkertijd werd de Shahnama in Hojjats vliegtuig geladen en naar Teheran gevlogen. De De Kooning werd aan Geffen in Californië verkocht voor een geschatte 20 miljoen dollar. De familie Houghton kreeg zo’n 11,5 miljoen dollar van de opbrengsten van de Shahnama, de rest ging grotendeels naar tussenpersonen. Geffen verkocht de De Kooning in 2006 voor 137,5 miljoen dollar door aan hedgefondsmagnaat Steven Cohen.

    Hojjat herinnert zich nog goed het verrassendste commentaar dat hij hoorde tijdens de lange besprekingen over wat Iran wel of niet tegen de Shahnama zou ruilen. Een van de religieuze gezagsdragers in 
de hoge revolutionaire raad was heel stellig over Gabrielle avec la chemise ouverte, een portret van de vrouw die als kindermeisje voor de familie Renoir werkte. ‘Dit schilderij van Renoir is heel bijzonder,’ zei de man. ‘Geef dat niet weg.’

    Auteurs: Peter Waldman en Golnar Motevalli
    Vertaler: Annemie de Vries

    Peter Waldman is professor architectuur aan Princeton.

    Golnar Motevalli Golnar Motevalli is vaste verslagggever van Bloomberg.

    Bloomberg
    VS | bloomberg.com

    Opgericht door Michael Bloomberg, burgemeester van New York. Richt zich op de zakelijke en financiële markt.