Tag: rijst

  • Wereldbeeld: In Nepal viert men het rijstseizoen met heel veel modder

    Wereldbeeld: In Nepal viert men het rijstseizoen met heel veel modder

    National Paddy Day is een Nepalese feestdag die het begin van het rijstplantseizoen markeert. De dag wordt gevierd door uitbundig in de modder te spelen en rijstmaaltijden met modderig water te bereiden.

    Water en zand staan symbool voor een voorspoedige rijstoogst. De Nepalese overheid probeert met deze ode aan het belangrijkste voedsel in Nepal boeren aan te moedigen actief te blijven in de landbouw en geen ander beroep te overwegen.

    ANP 472838018 2 2
    © ANP
  • Om de rijstcrisis te bezweren heeft Azië een nieuwe groene revolutie nodig

    Om de rijstcrisis te bezweren heeft Azië een nieuwe groene revolutie nodig

    In zowel Afrika als Azië dreigt een rijsttekort – geen enkel gewas is zo kwetsbaar voor de opwarming van de aarde. Maar naast slachtoffer is rijst, een belangrijke voedingsbron voor 60 procent van de wereldbevolking, ook een aanjager van klimaatverandering.

    Volgens een Indonesische legende schonk de godin Dewi Sri rijst aan het eiland Java. Cassave was tot dan toe de belangrijkste voeding, maar omdat ze medelijden had met de Javanen vanwege die saaie cassave, leerde ze hun hoe ze rijstzaailingen konden laten groeien in weelderige, groene rijstvelden. In India zou de hindoegodin Annapurna een soortgelijke rol hebben gespeeld en in Japan was deze voorbehouden aan Inari. In heel Azië wordt aan rijst een goddelijke – en meestal vrouwelijke – oorsprong toegekend.

    Die mythologisering is begrijpelijk. De zaden van de grasplant Oryza sativa (bekend als Aziatische rijst) zijn rijk aan zetmeel, en al duizenden jaren vormen ze het belangrijkste voedingsmiddel van het continent. Azië is goed voor 90 procent van zowel de wereldproductie als de wereldconsumptie van rijst. Aziaten halen er ruim een kwart van hun dagelijkse calorieën uit. De VN schatten dat een gemiddelde Aziaat 77 kilo rijst per jaar consumeert – meer dan de gemiddelde Afrikaan, Europeaan en Amerikaan bij elkaar. Honderden miljoenen Aziatische boeren zijn afhankelijk van de rijstteelt, en de meesten verbouwen het gewas op een klein lapje grond. Maar er vertonen zich barsten in de rijstkom van de wereld.

    Zowel in Afrika als in Azië stijgt momenteel de wereldwijde vraag naar rijst, terwijl de opbrengst stagneert. Grond, water en arbeid die nodig zijn voor de rijstproductie worden schaarser. Klimaatverandering is een nog grotere bedreiging. Het wordt steeds warmer, waardoor de gewassen verdorren, en er vinden vaker overstromingen plaats, die de rijst vernietigen. De rijstteelt is niet alleen slachtoffer maar ook een belangrijke oorzaak van de opwarming van de aarde, omdat rijstvelden veel van het krachtige broeikasgas methaan uitstoten. Zo is het gewas dat als voeding voor 60 procent van de wereldbevolking dient, een bron van onzekerheid en een bedreiging geworden.

    Stijgende vraag

    Het probleem wordt verergerd door de stijgende vraag. In 2050 zullen er 5,3 miljard mensen zijn in Azië tegenover 4,7 miljard nu, en 2,5 miljard in Afrika tegenover 1,4 miljard nu. Volgens een studie in het tijdschrift Nature Food zal deze groei de vraag naar rijst met 30 procent doen toenemen. Alleen in de rijkste Aziatische landen, zoals Japan en Zuid-Korea, beconcurreren brood en pasta het monopolie van rijst als basisvoedsel.

    Toch neemt de groei van de rijstproductiviteit in Azië af. Volgens gegevens van de VN steeg de opbrengst het afgelopen decennium met gemiddeld slechts 0,9 procent per jaar, tegenover ongeveer 1,3 procent in het decennium daarvoor. De daling was het sterkst in Zuidoost-Azië, waar het stijgingspercentage daalde van 1,4 procent tot 0,4 procent – Indonesië en de Filipijnen voeren al veel rijst in. Als de opbrengsten niet stijgen, zullen deze landen steeds afhankelijker worden van andere om hun 400 miljoen inwoners te voeden, aldus de studie in Nature Food.

    De rijstteelt is niet alleen slachtoffer maar ook een belangrijke oorzaak van de opwarming van de aarde, omdat ze methaan uitstoot

    Jarenlang hield de productie gelijke tred met de stijgende vraag dankzij het aanhoudende effect van de groene revolutie, die in de jaren zestig begon. Om slechte oogsten te voorkomen, ontwikkelden wetenschappers van het Internationaal Instituut voor Rijstonderzoek (IRRI), gevestigd op de Filipijnen, een variëteit, IR8, die het goed doet in combinatie met kunstmest en irrigatiesystemen. China had net een hongersnood achter de rug terwijl India zich juist op de rand van een hongersnood bevond. IR8 heeft toen op grote schaal levens gered.

    Toen IR8 zich over Azië verspreidde – van de Filippijnen tot Pakistan – nam de rijstopbrengst toe. De grotere productiviteit maakte rijst aantrekkelijker om te verbouwen, waardoor er ook meer middelen voor werden uitgetrokken. De zorg om voedselzekerheid nam af en stelde Aziatische regeringen in staat zich te concentreren op industrialisatie en economische groei.

    Het IRRI heeft nieuwe rijstvariëteiten ontwikkeld die iets van dit succes zouden kunnen herhalen. Ze leveren meer op, zijn klimaatbestendiger en hebben minder water nodig. Toch lijkt het moeilijker dan in de jaren zestig om aan de groeiende vraag te voldoen. Verstedelijking en meedogenloze verkaveling slokken veel land op. Tussen 1971 en 2016 werd een gemiddeld landbouwbedrijf in India meer dan de helft kleiner, van 2,3 tot 1,1 hectare.

    Het wordt daardoor steeds moeilijker om winst te maken met de productie, vooral ook als de arbeidskrachten schaars zijn. Zaden planten in keurige rijen, zaailingen herplanten en oogsten is slopend werk, waaraan steeds meer Aziatische arbeiders weten te ontkomen. Water – ook een belangrijke factor – wordt schaarser. Op veel plaatsen is de bodem uitgeput en zelfs vergiftigd doordat er overmatig gebruik is gemaakt van kunstmest en pesticiden.

    De rijstvelden van Vietnam produceren meer koolstofequivalent dan de vervoersector van het land

    Geen enkel gewas is zo kwetsbaar voor de opwarming van de aarde als rijst, aldus wetenschappers van het IRRI. Uit een studie uit 2004 bleek dat een stijging van de minimumtemperatuur met 1°C zorgt voor een daling van de opbrengst met 10 procent. De stijging van de zeespiegel, een ander gevolg van de opwarming, zorgt nu al voor toename van het zoutgehalte in laaggelegen gebieden van de Mekong-delta, waardoor de rijstopbrengsten daar afnemen. Massale overstromingen vorig jaar in Pakistan, de op drie na grootste rijstexporteur ter wereld, vernietigden naar schatting 15 procent van de oogst.

    Rijst draagt bij aan de opwarming van de aarde en is een feedback loop die vaak over het hoofd wordt gezien. Door irrigatie van de rijstvelden krijgt de grond geen zuurstof, zodat de groei van methaan-uitstotende bacteriën wordt bevorderd. En zo is de rijstproductie verantwoordelijk voor 12 procent van de totale uitstoot van methaan en 1,5 procent van de totale uitstoot van broeikasgassen. Deze aantallen zijn vergelijkbaar met de luchtvaart. De rijstvelden van Vietnam produceren meer koolstofequivalent dan de vervoersector van het land.

    Glucose

    Een ander toenemend probleem is de voedingskwaliteit van rijst. De korrel bevat veel glucose – wat bijdraagt aan diabetes en obesitas – en weinig ijzer en zink, twee belangrijke micronutriënten. In Zuid-Azië kan de grote aanwezigheid van diabetes en ondervoeding worden teruggevoerd op een te grote afhankelijkheid van rijst.

    Het aanpakken van al deze problemen is ingewikkeld. Ging de eerste groene revolutie over productiviteit, zegt Jean Balié, directeur-generaal van het IRRI, de volgende moet gaan over ‘systemen in plaats van oplossingen op plant- of perceelniveau’. Een beter rijstbeleid en betere variëteiten dus.

    De meeste zorgen over productiviteit en het milieu zijn het gevolg van slechte of verouderde overheidsmaatregelen. Deze verstoren de markten en belemmeren stimulansen voor verandering. Neem Sandeep Singh uit Bassi Akbarpur, een klein dorp in de Noord-Indiase deelstaat Haryana. Hij verbouwt rijst maar eet liever roti, een brood gemaakt van tarwe. Dat gewas is veel geschikter voor het hete, droge klimaat van Haryana. Toch dwingen stimuleringsmaatregelen van de regering Singh tot wisselteelt van rijst en graan.

    India koopt rijst van boeren tegen een gegarandeerde prijs, die vaak boven de marktprijs ligt. De oogst wordt aan de armen verkocht tegen een gesubsidieerde prijs, zodat de rijstconsumptie bevorderd wordt. Ook meststoffen en water worden gesubsidieerd. Dergelijke maatregelen komen overal in Azië voor. De meeste werden ingevoerd in tijden van aanhoudende voedselonzekerheid, toen diabetes en het milieu nog veel minder zorgen baarden dan nu.

    Het is moeilijk om aan beleid te tornen dat al decennialang steeds strakker wordt doorgevoerd. De boeren zijn bovendien goed voor vele stemmen – overheden durven ze niet tegen zich in het harnas te jagen. De regerende Bharatiya Janata Party van India, die er prat op gaat harde maar noodzakelijke maatregelen door te voeren, ondervond dat aan den lijve toen zij zich in 2021 gedwongen zag landbouwhervormingen terug te draaien als gevolg van boerenprotesten.

    Vietnam presenteerde onlangs een ambitieus plan om op een miljoen hectare ‘koolstofarme’ rijst te verbouwen

    Hoewel er niet één oplossing is voor de groeiende rijstcrisis, zijn er vele kleinere oplossingen. In delen van Azië waar de opbrengst laag is, zoals Myanmar en de Filipijnen, is het mogelijk de productiviteit te verhogen door meer kunstmest en pesticiden te gebruiken, zonder dat het milieu ernstige schade wordt toegebracht.

    Wetenschappers van het IRRI en andere onderzoeksinstellingen hebben rijstvariëteiten ontwikkeld die bestand zijn tegen overstromingen, droogte en hitte. Ze hebben ook voedzamere soorten ontwikkeld. Deze veranderingen, gecombineerd met innovaties in de teelt zoals direct zaaien – een manier van planten die minder water en arbeid vergt – kunnen milieuschade beperken en de opbrengst verhogen.

    Experimenten in heel Azië bevestigen dit. Boeren in Bangladesh die Sub1 verbouwden, een rijstsoort die tolerant is voor overstromingen, behaalden 6 procent hogere opbrengsten en 55 procent meer winst, volgens een studie die in 2021 werd gepubliceerd in het tijdschrift Food Policy. Een studie van veldproeven in Global Food Security toont dat rassen die resistent zijn tegen droogte een opbrengstvoordeel van 0,8-1,2 ton per hectare behalen.

    Het is nog een uitdaging ervoor te zorgen dat verbeterde zaden en methoden op grote schaal ingang vinden. Veel boeren weten niet dat ze bestaan, anderen zijn huiverig iets nieuws te proberen. Uit een landelijk onderzoek onder rijstboeren in India in 2017 en 2018 bleek dat slechts 26 procent werkte met nieuwe rassen, hoewel deze al sinds 2004 beschikbaar zijn.

    Regeringen kunnen een belangrijke rol spelen door de voordelen van nieuwe rassen en methoden onder de aandacht te brengen. Vietnam heeft onlangs het voortouw genomen met de aankondiging van een ambitieus plan om op een miljoen hectare ‘koolstofarme’ rijst te verbouwen. Het land ziet dit als een middel om op arbeid te besparen en efficiëntie te verhogen. Een essentiële stap die voorkomt dat emissiebeperking een extra last op de boeren legt, zegt Bjoern Ole Sander, klimaatwetenschapper bij het IRRI.

    Ook een bottom-upbenadering is belangrijk. Landbouwvoorlichters kunnen een grote rol spelen bij kennisoverdracht, maar ze worden vaak veronachtzaamd door beleidsmakers. De meeste overheidsuitgaven voor landbouw gaan naar subsidies en irrigatie en komen ten goede aan rijkere boeren met grotere stukken grond.

    Diversifiëren

    Regeringen zullen ook veel meer moeten doen om mensen minder afhankelijk te maken van rijst. Op verzoek van India heeft de VN 2023 uitgeroepen tot het jaar van de gierst. India hoopt boeren en consumenten te overtuigen van dit gewas, dat veel voedzamer is dan rijst of tarwe en veel minder water nodig heeft. Ook Indonesië promoot het. Momenteel zullen enkel gezondheidsbewuste hipsters in Delhi een biryani van gierst verkiezen boven een biryani van rijst. Maar waar de elite vooroploopt, volgt vaak de massa. Als de afzetmarkt groter wordt, zal dat eerst enkele boeren over de streep helpen en zullen uiteindelijk zelfs de meest fervente rijsttelers omschakelen of diversifiëren.

    Door de eerste groene revolutie werd een Aziatische catastrofe afgewend. Vandaag de dag is de situatie dan misschien minder precair, maar in sommige opzichten is de uitdaging groter. Landen zullen meer moeten produceren met minder middelen en met veel meer zorg voor het milieu. En dat vereist een ‘echte groene revolutie’, aldus IRRI-baas Balié.

    De beloning zou ongekend groot kunnen zijn. Duurzamere teelt en hogere opbrengsten kunnen de boeren een hoger en stabieler inkomen opleveren. Dat kan hen motiveren zich aan te passen aan de klimaatverandering, terwijl ze er minder aan bij hoeven dragen. Dat succes, dat nu nog niet verzekerd is, kan de voedselzekerheid voor Aziaten – en voor de wereld – helpen garanderen.

    Lees ook:

  • Aanhoudende droogte leidt tot uitzonderlijk slechte oogsten in Italië

    Aanhoudende droogte leidt tot uitzonderlijk slechte oogsten in Italië

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Bibliotheken Oklahoma verboden om informatie over abortus te verstrekken

    » Lange rijen aan grens dreigen ‘nieuwe normaal’ te worden voor Britse vakantiegangers

    Droogte funest voor oogsten in Italië

    Door de aanhoudende droogte in Italië vallen de oogsten dit jaar bijzonder slecht uit, zegt de Italiaanse landbouworganisatie Coldiretti. De productie van mais en gewassen voor diervoeder ging met 45 procent omlaag, terwijl de opbrengsten van rijst en tarwe met 30 procent en de fruitopbrengst met 15 procent terugliepen, meldt ANSA. De melkproductie is met 20 procent gedaald doordat de koeien gestrest zijn door de extreme hitte.

    Door watergebrek in de Po-delta is een vijfde van de kweek van mosselen en spiering gestorven

    Door watergebrek in de Po-delta is een vijfde van de kweek van mosselen en spiering gestorven. ‘Er moeten noodmaatregelen komen voor het redden van de oogsten van landbouwbedrijven die in ernstige moeilijkheden verkeren,’ aldus Ettore Prandini, voorzitter van Coldiretti.

    Extreme weersomstandigheden, zoals de hittegolven die delen van Europa teisteren, zullen volgens wetenschappers steeds frequenter voorkomen. 

    Lees ook:

  • Kan de aarde 10.000.000.000 mensen voeden?

    Kan de aarde 10.000.000.000 mensen voeden?

    In 2050 zullen er naar verwachting tien miljard mensen op aarde wonen. Kunnen we die allemaal te eten geven zonder dat we onze planeet vernietigen?

    Alle ouders herinneren zich nog het moment dat ze voor het eerst hun baby in hun armen hielden – dat verkreukelde gezichtje, het gloednieuwe mensje dat je vanonder de ziekenhuisdeken aankijkt. Ik strekte mijn handen uit en drukte mijn dochter tegen me aan. Ik was zo overweldigd dat ik nauwelijks meer tot denken in staat was.

    Later liep ik naar buiten, om moeder en kind te laten slapen. Het was drie uur in de ochtend, eind februari in New England. Het trottoir was glad en er viel een ijzige motregen. Net toen ik wilde oversteken kwam er een gedachte in me op: wanneer mijn dochter zo oud is als ik nu, lopen er op aarde zo’n tien miljard mensen rond. Abrupt hield ik stil. Ik dacht: Hoe moet dat?

    In 1970, toen ik op de middelbare school zat, leed ongeveer een op de vier mensen honger – of was ‘ondervoed’, om de term van de Verenigde Naties te gebruiken. Nu is dat cijfer gedaald naar ongeveer een op de tien mensen. In die vierenhalve decennia is de gemiddelde levensduur van mensen wereldwijd met meer dan elf jaar toegenomen; een verbijsterende stijging, die zich voornamelijk voltrok in arme 
gebieden. Honderden miljoenen inwoners van Azië, Latijns-Amerika en Afrika zijn de armoede ontstegen en behoren nu tot een middenklasse. Die welvaartsgroei is niet gelijkelijk of rechtvaardig verdeeld: 
miljoenen en miljoenen mensen zijn nog steeds níét welvarend. Toch is zo’n toename van rijkdom nooit eerder voorgekomen. Niemand weet of deze groei kan doorgaan en of onze huidige welvaart houdbaar is.

    Op dit moment heeft de wereld 7,6 miljard inwoners. De meeste demografen verwachten dat het er rond 2050 zo’n tien miljard zullen zijn. Daarna gaat de bevolkingsaanwas waarschijnlijk afvlakken. Als soort zijn we dan op ‘vervangingsniveau’: gemiddeld krijgt elk stel dan precies genoeg kinderen om zichzelf te vervangen. Ondertussen, zeggen economen, moet de ontwikkeling van de wereld doorgaan, hoe ongelijk verdeeld ook. Dat betekent dat wanneer mijn dochter zo oud is als ik nu, een aanzienlijk percentage van 
de tien miljard mensen op de wereld tot de middenklasse behoort.

    De dialoog over het milieu is verworden tot een serie woedende monologen, waarbij geen van beide 
partijen bereid is de ander iets toe te geven

    Net als alle ouders wil ik graag dat mijn kinderen 
een prettig leven hebben als ze volwassen zijn. Maar op de parkeerplaats van het ziekenhuis leek die kans me opeens heel klein. Tien miljard monden, dacht ik. Nog eens drie miljard middenklassers erbij met trek. Hoe kan die trek ooit gestild worden? En dat is nog maar een deel van de vraag. De hele vraag is: hoe kunnen we iedereen geven wat hij nodig heeft 
zonder de planeet onleefbaar te maken?

    Terwijl mijn kinderen opgroeiden, boden mijn journalistieke opdrachten me de gelegenheid om van 
tijd tot tijd met deskundigen uit Europa, Azië en de Amerika’s over deze vragen te praten. In de loop van deze gesprekken begon ik in te zien dat de antwoorden onder te verdelen zijn in twee brede categorieën.

    Deze categorieën zijn (althans, naar mijn idee) terug te voeren op twee mensen, allebei Amerikanen, uit de twintigste eeuw. Deze twee hebben elkaar nauwelijks gekend en hadden geen hoge pet op van elkaars werk. Maar ze zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor het ontstaan van de intellectuele blauwdrukken die instellingen over de hele wereld vandaag de dag als uitgangspunt nemen voor hun zoektocht naar oplossingen voor onze dilemma’s op het gebied van milieu. Helaas geven hun blauwdrukken 
volkomen verschillende antwoorden op de vraag 
hoe we moeten overleven. Die twee mensen waren William Vogt en Norman Borlaug.

    Vogt, geboren in 1902, legde de basis voor de ideeën van de moderne milieubeweging. In het bijzonder stichtte hij het ‘apocalyptisch milieuactivisme’ zoals hoogleraar Bevolkingswetenschap Betsy Hartmann van Hampshire College het heeft genoemd – de overtuiging dat de mensheid de mondiale ecosystemen zal vernietigen, als ze niet drastisch haar consumptie terugdringt en de bevolkingsaanwas tegengaat. 
In zijn veel verkochte boeken en hartstochtelijke toespraken betoogde Vogt dat de welvaart niet onze grootste verdienste is, maar ons grootste probleem. Als we meer van de aarde blijven nemen dan dat ze kan geven, zei hij, is het onvermijdelijke resultaat grootschalige, wereldwijde vernietiging. ‘Minderen! Minderen!’ was zijn mantra.

    Borlaug, die twaalf jaar na Vogt werd geboren, 
werd het symbool van het ‘techno-optimisme’ – de opvatting dat wetenschap en technologie, als ze op de juiste manier worden toegepast, zullen zorgen voor een uitweg uit onze problemen. Hij was de bekendste figuur in het onderzoeksgebied waaruit 
in de jaren zestig de Groene Revolutie voortkwam, die combinatie van hoogrenderende gewassen en nieuwe landbouwtechnieken die ervoor zorgde dat de graanoogsten over de hele wereld sterk toenamen en zo tientallen miljoenen mensen behoedde voor de hongerdood. Welvaart was voor Borlaug niet het probleem maar de oplossing. Alleen door rijker te worden en meer kennis te vergaren kan de mensheid de wetenschap scheppen die onze milieuproblemen kan oplossen. ‘Innoveren! Innoveren!’ was zijn oproep.

    Beide mannen vonden dat ze nieuwe wetenschappelijke kennis aanwendden in de strijd tegen de 
mondiale crisis. Maar daarmee houdt de gelijkenis op. Voor Borlaug was de menselijke vindingrijkheid de oplossing voor onze problemen. Eén voorbeeld: als boeren de geavanceerde methoden van de Groene Revolutie gebruikten om hun opbrengsten per hectare te vergroten, zouden ze volgens hem niet meer 
zo veel hectaren hoeven te bebouwen. Dit idee heet in wetenschappelijke kringen nu de ‘Borlaug-hypothese’.

    De opvattingen van Vogt stonden hier lijnrecht tegenover. Hij zag de oplossing in het gebruiken van ecologische kennis voor schaalverkleining. In plaats van meer graan verbouwen om meer vlees te produceren, moet de mensheid ‘lager aan de voedselketen eten’, zoals Vogts navolgers het uitdrukken, om zo de druk op de ecosystemen van de aarde te verlichten. Op dit punt verschilde Vogt van mening met zijn voorganger, Robert Malthus, en diens bekende 
voorspelling dat samenlevingen onvermijdelijk door hun voedselvoorraad heen raken omdat ze altijd te veel kinderen zullen krijgen. Vogt gaf een andere wending aan de discussie en zei dat we straks misschien wel genoeg voedsel kunnen telen, maar dat 
de prijs daarvoor de vernietiging van de mondiale ecosystemen zal zijn.

    Ik noem de aanhangers van deze twee opvattingen voor mezelf de ‘Tovenaars’ en de ‘Profeten’. De 
Tovenaars, die het model van Borlaug aanhouden, ontdekken nieuwe technologische oplossingen; de Profeten, die naar Vogt kijken, wijzen op de gevolgen van onze roekeloosheid.

    Borlaug en Vogt bevonden zich tientallen jaren lang in dezelfde kringen, maar spraken zelden over elkaar. Hun eerste en enige ontmoeting, halverwege de jaren veertig, leidde tot een meningsverschil, en onmiddellijk daarna deed Vogt pogingen om het werk van Borlaug stop te laten zetten. Voor zover 
ik weet hebben ze daarna nooit meer een woord gewisseld. Allebei verwezen ze in openbare speeches naar de ideeën van de ander, maar ze noemden 
nooit elkaars naam. Vogt hekelde de anonieme wetenschappers die de problemen van de wereld alleen maar verergerden en die volgens hem ‘deluded’ (misleid) waren. Borlaug noemde zijn tegenstanders ‘Luddites’.

    Beide mannen zijn inmiddels overleden, maar de strijd tussen de twee stromingen is alleen maar feller geworden. In de ogen van de Tovenaars is de nadruk die de Profeten op minder consumeren leggen oneerlijk, onverschillig tegenover de armen, zelfs racistisch (omdat de meeste mensen die honger 
lijden niet-blank zijn). De lijn van Vogt, zeggen zij, is een weg naar achteruitgang, beperking, armoede en honger – naar een wereld waarin miljarden mensen in ellende leven ondanks de wetenschappelijke kennis die hen zou kunnen bevrijden. Profeten zeggen misprijzend dat het geloof van de Tovenaars in de vindingrijkheid van de mens onnadenkend en dom is, en zelfs ingegeven wordt door hebzucht (omdat de weigering om over de ecologische grenzen heen te gaan slecht zou zijn voor de winsten van grote bedrijven). Hoog-intensieve industriële landbouw à la 
Borlaug kan op de korte termijn misschien succesvol zijn, maar uiteindelijk zal de ecologische afrekening des te harder aankomen, zeggen de Profeten. De uitputting van bodem en watervoorraden door roekeloos overmatig gebruik leidt tot de ecologische ineenstorting, die op zijn beurt wereldwijde maatschappelijke aardschokken zal veroorzaken.

    Tovenaars stellen daar tegenover: Dat is precies de wereldwijde humanitaire crisis die wij voorkomen! Beide partijen slingeren elkaar steeds heftiger beschuldigingen naar het hoofd en 
de dialoog over het milieu is verworden tot een serie woedende monologen, waarbij geen van beide 
partijen bereid is de ander iets toe te geven. Dat zou nog tot daaraan toe zijn, ware het niet dat het over het lot van onze kinderen ging.

    1. Norman Borlaug (1914-2009). ‘Innoveren, innoveren’, was zijn credo. © Art Rickerby / Getty Images; 2. William Vogt (1902-1968). ‘Minderen, minderen’, was zijn mantra. – © Getty
    1. Norman Borlaug (1914-2009). ‘Innoveren, innoveren’, was zijn credo. © Art Rickerby / Getty Images

    Vogt manifesteerde zich voor het eerst in 1948, met de publicatie van Road to Survival, het eerste moderne we-gaan-er-allemaal-aanboek. Daarin introduceerde hij het begrip ‘draagkracht’, dat de basis vormt van de huidige milieubeweging. Draagkracht, vaak ook ‘ecologische beperkingen’ of ‘de grenzen van de planeet’ genoemd, houdt in dat elk ecosysteem een grens heeft aan wat het kan produceren.

    Overschrijd die grens te lang en het ecosysteem wordt verwoest. Naarmate het aantal mensen toeneemt, zo schrijft Vogt in Road to Survival, zal onze behoefte aan voedsel de draagkracht van de aarde te buiten gaan. De gevolgen zullen rampzalig zijn: erosie, verwoestijning, uitputting van de grond, het uitsterven van soorten en besmetting van water, en dat alles zal vroeg of laat tot enorme hongersnoden leiden. Schrijvers als Rachel Carson (auteur van Silent Spring en een vriendin van Vogt) en Paul Ehrlich (auteur van The Population Bomb) schaarden zich achter hem, en zo werd Vogts betoog over het overschrijden van de grenzen de bron waaruit de huidige wereldwijde milieubeweging voortkwam – de enige ideologie die is overgebleven uit de vorige eeuw.

    Toen Road to Survival verscheen, was Borlaug als jonge plantkundige betrokken bij een tot dan toe nogal kwijnend project ter verbetering van de Mexicaanse landbouw. Met financiële steun van de Rockefeller Foundation probeerde het project de arme maïsboeren van het land te helpen. Borlaug was in Mexico voor een afgeleide van dat project, dat te maken had met tarwe – of liever met zwarte roest, een schimmel die de oudste en gevaarlijkste bedreiging is voor tarwe (de Romeinen brachten al offers om de god van de zwarte roest gunstig te stemmen). In de Verenigde Staten werd zwarte roest meestal door de kou onschadelijk gemaakt, maar in het warmere Mexico was de schimmel een voortdurende plaag die elk voorjaar door wind de grens over werd geblazen en dan Amerikaanse tarwevelden besmette.

    Als enige onderzoeker in het Rockefeller-project die zich met tarwe bezighield, kreeg Borlaug zo weinig geld dat hij maandenlang in schuren en op akkers moest bivakkeren. Maar halverwege de jaren vijftig lukte het hem om een tarweras te kweken dat resistent was tegen veel soorten roest. En bovendien ontwikkelde hij een ras met veel kortere stengels dan gebruikelijk. Voor die tijd groeide het zwaar bemeste tarwe zo snel dat de stengels dun en slap werden en gemakkelijk omwaaiden. De omgevallen planten konden zich niet meer oprichten, rotten weg en gingen dood. Het kortere, stevigere tarwe van Borlaug kon grote hoeveelheden mest opnemen en die extra groei ging niet in de stengels of wortels zitten, maar in de aren en korrels. In de eerste testen haalden boeren soms letterlijk tien keer zoveel tarwe van hun akkers. De oogsten namen zo hard toe dat een functionaris van USAID deze stijging in 1968 de ‘Groene Revolutie’ noemde, waarmee hij een naam gaf aan het fenomeen dat zo bepalend zou worden voor de twintigste eeuw.

    Het meest ingrijpende effect had de Groene Revolutie in Azië, waar de Rockefeller Foundation en de Ford Foundation op de Filipijnen het International Rice Research Institute (IRRI) oprichtten. In die tijd leed minstens de helft van de Aziatische bevolking honger en gebrek; op veel plekken namen de oogsten van de boeren niet toe of liepen ze zelfs terug. Regimes die nog maar kort geleden het koloniale juk hadden afgeworpen, kampten met communistische opstanden, met name in Vietnam. Amerikaanse leiders dachten dat de aantrekkingskracht van het communisme lag in de belofte van een betere toekomst. Washington wilde laten zien dat het kapitalisme de beste voedingsbodem was voor ontwikkeling. Het IRRI was bedoeld om met de allerbeste onderzoeksteams een moderne rijstteelt te ontwikkelen die snel ingevoerd kon worden en voor hervormingen in Azië zou zorgen – ‘een Manhattan Project voor voedsel’, zoals historicus Nick Cullather het uitdrukte.

    In navolging van Borlaug ontwikkelden onderzoekers van het IRRI nieuwe rijstvariëteiten met een hoge opbrengst. Deze verspreidden zich in de jaren zeventig en tachtig snel door Azië, en de rijstoogsten verdriedubbelden bijna. Meer dan 80 procent van alle rijst die nu in Azië wordt verbouwd is oorspronkelijk door het IRRI ontwikkeld. De bevolking van het continent is enorm toegenomen, en dan nog consumeren Aziatische mannen, vrouwen en kinderen nu gemiddeld 30 procent meer calorieën dan bij de oprichting van het IRRI. Seoul en Shanghai, Jaipur en Jakarta: glanzende wolkenkrabbers, dure hotels, straten vol verkeer en fel neonlicht – alles gebouwd op een fundament van in het laboratorium gekweekte rijst.

    Hadden de Profeten ongelijk gehad? Was het begrip draagkracht een angstige hersenschim? Nee. Zoals Vogt had voorspeld, leidde de grote sprong voorwaarts in productiviteit tot enorme milieuschade: verdroging van waterhoudende lagen, een overdaad aan meststoffen, aquatische dode zones en verarmde en drassige grond. Erger nog, vanuit menselijk standpunt, was dat landbouwgrond door de snelle productiviteitsstijging meer waard werd. Opeens was die grond de moeite van het inpikken waard – en dat was precies wat elites in plattelandsgebieden vaak deden, door arme boeren van hun land te verdrijven. De Profeten betoogden dat de Groene Revolutie de hongercrisis alleen maar uitstelde; dit was een eenmalig succesje en geen permanente oplossing. En, zo zeggen de Profeten, onze groeiende aantallen en de toegenomen welvaart betekenen dat onze oogsten nu opnieuw een sprong moeten maken – ja, een tweede Groene Revolutie, voegen de Tovenaars daar opgewekt aan toe.

    Wat te doen?

    De wereldbevolking zal in 2050 slechts 25 procent groter zijn dan nu, maar volgens veel voorspellingen moeten de boeren de voedselproductie met 50 tot 100 procent verhogen. Dat komt voornamelijk doordat met de grotere welvaart de vraag naar dierlijke producten zoals kaas, zuivel, vis en vooral vlees is verveelvoudigd – en het telen van voer voor dierhouderij vraagt veel meer land, water en energie dan het simpelweg verbouwen van planten voor menselijke consumptie. Het is niet te voorspellen hoeveel meer vlees de miljarden mensen van morgen willen consumeren, maar als ze ook maar enigszins zo carnivoor zijn als de westerlingen van nu, zal de opgave enorm zijn. Even enorm, zo waarschuwen de Profeten, als de natuurrampen op de planeet die het gevolg zijn van de pogingen om de honger van de wereld naar hamburgers en bacon te stillen: verwoeste landschappen, conflicten om water en landroof, waardoor boeren in arme landen zonder middelen van bestaan komen te zitten.

    Wat te doen? Sommige strategieën die beschikbaar waren tijdens de eerste Groene Revolutie zijn dat nu niet meer. Boeren kunnen niet meer zoveel méér land bebouwen, want vrijwel elke bereikbare hectare geschikt boerenland is al in gebruik. Ook kan de toepassing van kunstmest niet nog verder worden opgevoerd; die bemesting wordt overal, behalve in sommige delen van Afrika, al te veel gebruikt en veroorzaakt vervuiling van rivieren, meren en oceanen. Ook de bevloeiing van akkers kan nauwelijks worden uitgebreid – waar land geïrrigeerd kan worden, gebeurt dat meestal al. Voor de Tovenaars is de inzet van genetische modificering om productievere gewassen te ontwikkelen de beste koers. De Profeten zien dat als een zekere weg naar een nog grotere overbelasting van de draagkracht van de planeet. We moeten juist de andere kant op, zeggen zij: minder land gebruiken, minder water verspillen, ophouden die twee vol te pompen met chemische middelen.

    Het is alsof de mensheid opeengepakt zit in een bus die met hoge snelheid door dichte mist rijdt. Ergens verderop is een afgrond: een rampzalige ommekeer in het lot van de mensheid. Niemand kan precies zien waar de afgrond gaapt, maar iedereen weet dat de bus ergens zal moeten omkeren. Het probleem is alleen dat de Tovenaars en Profeten het er niet over eens zijn welke kant het stuurwiel op gerukt moet worden. Allebei weten ze zeker dat de ideeën van de ander de bus over de rand zullen jagen. En terwijl zij zitten te kibbelen, komen er steeds meer passagiers bij.

    Bijna iedereen eet elke dag, maar te weinig mensen denken er ooit over na hoe dat kan. Als landbouwgeschiedenis op school een verplicht vak was, zouden meer mensen de naam kennen van Justus von Liebig, die halverwege de negentiende eeuw vaststelde dat de hoeveelheid stikstof in de grond de groei van een plant bepaalt. Wetenschapshistorici hebben Von Liebig ervan beschuldigd dat hij zijn data vervalste en de ideeën van anderen pikte – en dat klopt ook wel, voor zover ik weet. Maar hij was ook een visionair, die de relatie tussen de menselijke soort en de natuur wezenlijk heeft veranderd. Nogal dweperig, maar met een vooruitziende blik stelde Von Liebig zich een nieuw soort landbouw voor: landbouw als tak van natuur- en scheikunde. Grond was gewoon een basis met de natuurkundige eigenschappen die nodig zijn om wortels vast te houden. Doe daar stikstofhoudende stoffen bij –fabrieksmatig geproduceerde kunstmest – en je krijgt automatisch reusachtige oogsten. In termen van vandaag zette Von Liebig de eerste schreden in de richting van chemisch gereguleerde industriële landbouw – een vroege versie van Tovenaarsdenken.

    Maar er bestond geen duidelijke methode om de stikstofhoudende stoffen te produceren die de planten moesten voeden. Die technologie kwam voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog van twee Duitse scheikundigen: Fritz Haber en Carl Bosch. Allebei zouden ze later nog een Nobelprijs voor Scheikunde winnen, en die hadden ze ook ruimschoots verdiend: het Haber-Boschproces, zoals het wordt genoemd, was absoluut de belangrijkste technologische innovatie van de twintigste eeuw. Vandaag de dag is het Haber-Boschproces verantwoordelijk voor bijna alle kunstmest in de wereld. Iets meer dan 1 procent van de mondiale industrie is daaraan gewijd. ‘Die 1 procent,’ heeft futuroloog Ramez Naam wel eens gezegd, ‘verdubbelt zo’n beetje de hoeveelheid voedsel die de wereld kan telen.’ Volgens een schatting van milieuwetenschapper Vaclav Smil zijn de stikstofhoudende meststoffen van het Haber-Boschproces verantwoordelijk voor ‘het overgrote deel van het voedsel van bijna 45 procent van de wereldbevolking.’ Meer dan drie miljard mannen, vrouwen en kinderen – een onvoorstelbaar grote wolk van hoop en angst, herinneringen en dromen – danken hun bestaan aan twee Duitse scheikundigen van wie de meeste mensen nooit hebben gehoord.

    Het succes werd op de voet gevolgd door de narigheid. Zo’n 40 procent van de mest die in de afgelopen zestig jaar is uitgestrooid, is niet door planten opgenomen. Het spoelde in rivieren of kwam in de vorm van stikstofoxiden in de atmosfeer terecht. Meststof die in water belandt, blijft zijn werk doen: de mest stimuleert de groei van algen, onkruid en andere organismen in het water van rivieren, meren of oceanen. Wanneer die afsterven, zakken ze naar de bodem, waar microben hun resten consumeren. Op dit manna van dode algen en planten maken deze microben zo’n sterke groei door, dat hun ademhaling zuurstof onttrekt aan de lagere diepten, waardoor het andere leven daar grotendeels sterft. Stikstof van boerderijen in de Amerikaanse Midwest stroomt elke zomer met de Mississippi mee naar de Golf van Mexico, waar het een zuurstofwoestijn veroorzaakt die in 2016 bijna 18.000 vierkante kilometer besloeg. Het jaar daarna werd in de Golf van Bengalen, voor de oostkust van India, een nog grotere dode zone ontdekt – bijna 60.000 vierkante kilometer.

    Stikstofoxide uit kunstmest die opstijgt in de lucht is een belangrijke bron van vervuiling. Hoog in de stratosfeer gaat het een verbinding aan met ozon en neutraliseert zo de ozonlaag die het leven op het aardoppervlak beschermt door kankerverwekkende ultraviolette stralen tegen te houden. Zonder de klimaatverandering, meent wetenschappelijk publicist Oliver Morton, zou die territoriumuitbreiding van stikstof waarschijnlijk ons grootste milieuprobleem zijn.

    Rijen groenten in AeroFarms’ indoor vertical farming facility in Newark, Verenigde Staten. – © Bryan Anselm / HH
    Rijen groenten in AeroFarms’ indoor vertical farming facility in Newark, Verenigde Staten. – © Bryan Anselm / HH

    Tegen dat stikstofterritorium was al fel verzet gerezen voordat Haber en Bosch respectievelijk in 1918 en 1931 hun Nobelprijs kregen. De leider van dat verzet was de Engelse boerenzoon Albert Howard (1873-1947), die het grootste deel van zijn carrière de officiële botanicus van Brits-Indië was. Howard en zijn vrouw Gabrielle, een aan Cambridge opgeleide plantenfysioloog, hielden zich in India bezig met het kweken van nieuwe variëteiten tarwe en tabak, de ontwikkeling van nieuwe typen ploegen en het ontwikkelen en uittesten van een supergezond dieet voor ossen. Tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog waren zij ervan overtuigd dat aarde niet alleen maar een basis was voor chemische toevoegingen. Het was een vernuftig, levend systeem dat een zeer complexe mengeling van voedingsstoffen uit plantaardig en dierlijk afval vroeg: restanten van de oogst, mest. De Howards legden hun ideeën vast in de Law of Return, zoals zij het noemden: ‘de getrouwe terugkeer van al het beschikbare plantaardige, dierlijke en menselijke afval naar de aarde’. Wij zijn afhankelijk van planten, planten zijn afhankelijk van aarde, en aarde is afhankelijk van ons. Het Agricultural Testament van de Howards uit 1943 werd het fundament van de biologische beweging.

    Tovenaars zetten Howard weg als charlatan en warhoofd, net als Jerome I. Rodale – een niet al te succesvolle ondernemer uit New York die ook uitgever en toneelschrijver was, theorieën over tuinieren ontwikkelde, met voeding experimenteerde en Howards ideeën publiceerde in boeken en tijdschriften. Het is waar dat hun bevlogenheid ingegeven was door een bijna religieus geloof in een natuurlijke, aan grenzen gebonden orde. Maar als hij het levende karakter van aarde bezong, doelde Howard op het geheel dat aardeorganismen vormen, de dynamische relaties tussen plantenwortels en de aarde daaromheen, en de fysieke structuur van humus, die ervoor zorgt dat aardedeeltjes in luchtige klonters aan elkaar kleven, waardoor water wordt vastgehouden en er niet doorheen loopt. Dat was allemaal heel concreet en het was allemaal onbekend toen Liebig de basisdeeën achter de chemische landbouw vormde. De stelling die Howard in zijn vele boeken en toespraken poneerde, dat door industriële landbouw het platteland ontvolkt raakte en een oudere manier van leven werd verstoord, klopte ook, al waren zijn tegenstanders het niet met hem eens over de vraag of dit verkeerd was. Tegenwoordig lijkt het erop dat de Profeten met hun angst dat de industriële landbouw de grond zou uitputten, een vooruitziende blik hadden: uit een belangrijk onderzoek van de Food and Agriculture Organisation (FAO) van de VN bleek dat eenderde van alle landbouwgrond in de wereld minder vruchtbaar is geworden.
    Aanvankelijk was een verzoening tussen de twee verschillende zienswijzen misschien mogelijk geweest. Het is voorstelbaar dat Borlaugiaanse Tovenaars zouden overwegen om dierenmest en andere natuurlijke stoffen aan de grond toe te voegen, en dat Vogtiaanse Profeten bereid zouden zijn om chemicaliën te gebruiken als supplement bij een verantwoorde omgang met grond. Maar dat gebeurde niet. De twee partijen scholden elkaar de huid vol en raakten steeds verder van elkaar verwijderd. Ze zetten een conflict in gang dat ook in de eenentwintigste eeuw voortduurt – en steeds feller is geworden, nu er overal genetisch gemodificeerde gewassen worden toegepast. Het betreft niet alleen een conflict tussen twee filosofieën, twee benaderingswijzen van technologie, twee manieren van denken over de vraag wat de beste manier is om meer voedsel te produceren voor een groeiende bevolking. Het gaat over de vraag of de instrumenten die we kiezen het overleven van de planeet verzekeren, of juist de ondergang ervan versnellen.

    Terwijl de Tovenaars pal stonden voor kunstmatige bemesting en de Profeten die juist van de hand wezen, deelden zij dezelfde onwetendheid: niemand wist waaróm planten zo afhankelijk zijn van stikstof. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontdekten wetenschappers dat planten voornamelijk stikstof nodig hebben om het eiwit rubisco te maken, een prima ballerina in het ballet van interacties dat de fotosynthese is.

    Als kind leer je op school dat planten bij fotosynthese energie van de zon gebruiken om CO2 en water te scheiden en uit de afzonderlijke componenten 
daarvan de bestanddelen te vormen die nodig zijn voor de productie van wortels, stengels, bladeren en zaden. Het enzym rubisco speelt een sleutelrol in 
dit proces. Enzymen zijn biologische katalysatoren. Als lukraak overstekende voetgangers die een auto-ongeluk veroorzaken maar zelf ongedeerd blijven, veroorzaken enzymen biochemische reacties zonder daarbij zelf te veranderen. Rubisco haalt CO2 uit de lucht, stopt die in de fotosynthesedraaikolk, en gaat dan nog meer CO2 halen. Omdat deze activiteit 
bepalend is voor het proces, voltrekt de fotosynthese zich in het tempo van rubisco.

    Helaas is rubisco naar biologische maatstaven een luilak, een slome duikelaar, een bankhanger. Terwijl enzymmoleculen normaal gesproken duizenden reacties per seconde katalyseren, nemen rubisco-moleculen hooguit twee of drie keer per seconde de moeite om zich met een reactie te bemoeien. Erger nog, rubisco is een kluns. Zeker twee van de vijf keer pakt rubisco per ongeluk zuurstof op in plaats van CO2, waardoor de reactieketen van de fotosynthese wordt verbroken en opnieuw moet beginnen – een verspilling van energie en water. Jaren geleden sprak ik voor een artikel in een tijdschrift met biologen over fotosynthese. Niemand had een goed woord over voor rubisco. ‘Zo’n beetje het meest incompetente enzym van de wereld,’ zei een onderzoeker. ‘Niet bepaald het paradepaardje van de evolutie,’ 
zei een andere. Om die luiheid en onhandigheid van rubisco het hoofd te bieden, maken planten er een heleboel van, en daarvoor hebben ze veel stikstof nodig. Rubisco vormt de helft van het gewicht van het eiwit in veel plantenbladeren – men zegt vaak dat dit het meest voorkomende eiwit ter wereld is. Naar schatting bevatten alle planten en micro-
organismen samen meer dan 5 kilo rubisco voor elke persoon op aarde.

    Je zou verwachten dat de evolutie rubisco wel 
verbeterd zou hebben. Niets daarvan. Maar ze heeft wel een omleiding gecreëerd: C4-fotosynthese 
(C4 verwijst naar de koolstof-4-molecule die hierin een rol speelt). C4 is tegelijkertijd een biochemisch knutselwerkje en een slim mechanisme om plantengroei te stimuleren, en betekent een totale reorganisatie van de bladanatomie. Wanneer CO2 een C4-blad binnenkomt, wordt het aanvankelijk niet door 
rubisco gegrepen, maar door een ander enzym dat het gebruikt om een stof te vormen die vervolgens in speciale, met rubisco gevulde cellen diep in het blad wordt gepompt. Deze cellen bevatte vrijwel geen zuurstof, dus kan rubisco hier niet miskleunen en 
de verkeerde molecule grijpen. Zo worden precies dezelfde suikers, zetmeel en cellulose geproduceerd als bij gewone fotosynthese, maar dan veel sneller. C4-planten hebben minder water en meststoffen nodig, omdat ze geen water verspillen aan de 
vergissingen van rubisco. In het soort evolutionaire convergentie waar biologen alert op zijn, is C4-fotosynthese onafhankelijk ontstaan in meer dan zestig soorten. Maïs, amarant, bloedgierst, suikerriet en Bermudagras – al die verschillende planten hebben C4-fotosynthese ontwikkeld.

    Niemand kan met zekerheid voorspellen hoeveel extra rijst de boeren in 2050 moeten verbouwen, maar er wordt rekening gehouden met een stijging van 40 procent

    Dit is het botanische equivalent van de eerste maanraket: wetenschappers over de hele wereld doen nu pogingen om van rijst een C4-plant te maken – een die sneller groeit, minder water en bemesting nodig heeft en meer korrels produceert. De reikwijdte en de het belang van dit project kunnen niet onderschat worden. Rijst is het belangrijkste voedingsmiddel van de wereld, het hoofdgewas voor meer dan de helft van de wereldbevolking, een voedingsmiddel dat zo diep in de Aziatische cultuur verankerd is dat de woorden ‘rijst’ en ‘maaltijd’ zowel in het Chinees als in het Japans varianten van elkaar zijn. Niemand kan met zekerheid voorspellen hoeveel extra rijst de boeren in 2050 moeten verbouwen, maar er wordt rekening gehouden met een stijging van 40 procent, op basis van de groeiende bevolkingsaantallen en de toenemende welvaart, waardoor mensen die vroeger arm waren de mogelijkheid krijgen om basisvoedingsmiddelen die minder in aanzien staan, zoals gierst en zoete aardappelen, te verruilen voor rijst. Ondertussen neemt de hoeveelheid grond waarop rijst kan worden geteeld af, doordat steden steeds meer platteland in beslag nemen, dorstige mensen rivieren draineren, boeren overgaan op gewassen die meer geld opleveren en steeds meer landbouwgrond door de klimaatverandering woestijn wordt. Een tekort aan rijst zou een humanitaire catastrofe 
betekenen waarvan de gevolgen in de hele wereld voelbaar zijn.

    Het C4 Rice Consortium is een poging om dat te voorkomen. Dit consortium, grotendeels gefinancierd door de Bill & Melinda Gates Foundation, is 
het meest ambitieuze project op het gebied van genetische manipulatie. Maar de term ‘genetische manipulatie’ dekt niet de hele lading van het project. De genetische manipulatie die meestal in het nieuws komt, heeft te maken met grote bedrijven die individuele pakketjes genetisch materiaal, meestal van een uitheemse soort, in een gewas stoppen. Het bekende voorbeeld is de Roundup Ready-sojaboon van 
Monsanto, die een snippertje DNA bevat van een 
bacterie die was aangetroffen in een afvalwaterbassin in Louisiana. Door dat snippertje vormt de plant in zijn bladeren en stelen een chemische stof die 
het effect van Roundup, het veelgebruikte onkruidverdelgingsmiddel van Monsanto, tegengaat. Dankzij dat uitheemse gen kunnen boeren Roundup over hun soja-akkers sproeien en zo onkruid verdelgen, terwijl het gewas niet wordt aangetast. Afgezien van dat ene smaakloze, geurloze niet-giftige eiwit dat ze produceren, zijn Roundup Ready-sojabonen identiek aan gewone sojabonen.

    Wat het C4 Rice Consortium probeert te doen met rijst verhoudt zich tot de bekende genetisch gemodificeerde gewassen als een Boeing 787 tot een papieren vliegtuigje. Hierbij knutselen wetenschappers niet met individuele genen om zaden te verrijken, maar proberen ze een nieuwe draai te geven aan 
de fotosynthese, een van de meest fundamentele levensprocessen. Omdat C4 zich in zo veel verschillende soorten heeft ontwikkeld, denken wetenschappers dat de meeste planten voorlopers van C4-genen moeten hebben. De hoop is dat dit ook geldt voor rijst, en dat het Consortium de slapende C4-genen daarin weet te identificeren en wakker te schudden – door een pad te volgen dat de evolutie al vele malen eerder heeft gekozen. Ideaal gezien zouden onderzoekers dan de al aanwezige, slapende stukjes 
genetisch materiaal in rijst (of sterk daarop lijkende genen van soorten die nauw verwant zijn maar gemakkelijker om mee te werken) activeren om nieuwe en productievere soorten te creëren. Gewone rijst, Oryza sativa, wordt dan iets anders, zeg Oryza nova. Geen bedrijf zal van het resultaat profiteren; 
het International Rice Research Institute, waar een groot deel van het onderzoek plaatsvindt, zal zaden voor de gemodificeerde rijstsoort gratis weggeven, zoals het indertijd ook heeft gedaan met de rijst van de Groene Revolutie.

    Zelfbemestende maïs

    Tijdens mijn bezoek aan IRRI, zo’n 50 kilometer ten zuidoosten van Manilla, waren veel mensen bezig met datgene waar de wetenschap zo goed in is: een probleem in individuele stukjes hakken en om vervolgens die stukjes zelf te lijf gaan. Sommige medewerkers lieten rijst ontkiemen in petrischaaltjes.

    Anderen probeerden toevallige variaties in bestaande rijstrassen te vinden die nuttig zouden kunnen zijn. Weer anderen bestudeerden een modelorganisme, een C4-soort gras, Setaria viridis. Setaria groeit snel en heeft geen speciale rijstvelden nodig, maar kan in gewone aarde worden gekweekt. Het is in het laboratorium gemakkelijker om mee te werken dan rijst. 
Er waren experimenten om verschillen te meten in fotosynthetische chemicaliën, in de mate van groei van verschillende variëteiten, in het overbrengen van biochemische markers. Een stuk of vijf mensen in witte jassen stonden zaden te sorteren op een grote tafel, korreltje voor korreltje. Anderen waren buiten op akkers, waar ze experimentele rijstvelden 
verzorgden. Alle parafernalia van de hedendaagse biologie waren aanwezig: flatscreens, zoemende koelkasten en vriezers, tafels vol bakjes met slijmerig DNA-materiaal, strips van Dilbert en XKCD op de whiteboards geplakt, een Verenigde Naties aan 
roddelende studenten in de kantine, een rij blazende airco’s voor de ramen.

    Aan het hoofd van het C4 Rice Consortium staat 
Jane Langdale, moleculair genetica aan de faculteit voor Plant Sciences in Oxford. Volgens haar wijzen 
de eerste bevindingen erop dat een stuk of twaalf genen een belangrijke rol spelen in bladstructuur, 
en misschien nog tien genen eenzelfde rol hebben in de biochemie. Allemaal moeten ze worden geactiveerd op een manier die de bestaande, gewenste eigenschappen van de plant niet aantast, maar die de genen hun activiteiten laat coördineren. De volgende, even moeilijke stap is dan om rijstvariëteiten te kweken waarbij de extra groei door de C4-fotosynthese leidt tot meer korrels, en niet tot meer wortels of langere stengels. Ondertussen moeten de variëteiten ook resistent zijn tegen ziekten, gemakkelijk te 
kweken zijn en smakelijk gevonden worden door de doelgroepen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika.

    ‘Ik denk wel dat het allemaal kan gebeuren, maar misschien ook niet,’ zei Langdale. Ze wees er meteen op dat ook als C4 tegen onoverkomelijke hindernissen oploopt, dit niet de enige biologische maanraket is. Zelfbemestende maïs, graan dat in zout water kan groeien, verbeterde microbiële bodemecosystemen – het wordt allemaal onderzocht. De kans dat een van deze projecten succes heeft is misschien klein, 
zo is de gedachte, maar de kans dat ze allemaal 
mislukken is even klein. Het Tovenaarsproces dat Borlaug in gang heeft gezet, is wat Langdale betreft nog steeds in volle gang.

    De wereldbevolking zal in 2050 slechts 25 procent groter zijn dan nu, maar volgens veel voorspellingen moeten de boeren de voedselproductie met 50 tot 100 procent verhogen. Dat komt voornamelijk doordat met de grotere welvaart de vraag naar dierlijke pr
    De wereldbevolking zal in 2050 slechts 25 procent groter zijn dan nu, maar volgens veel voorspellingen moeten de boeren de voedselproductie met 50 tot 100 procent verhogen. Dat komt voornamelijk doordat met de grotere welvaart de vraag naar dierlijke proteïne toeneemt.

    Al zolang Tovenaars en Profeten ruziën over het 
voeden van de wereld, komen de Tovenaars met het argument dat landbouw op de Profeet-manier eenvoudigweg niet voldoende voedsel kan produceren voor morgen. De afgelopen twintig jaar hebben 
tientallen onderzoeksteams de opbrengsten van industriële en biologische landbouw tegen elkaar afgezet. Deze onderzoeken zijn op hun beurt gecombineerd en beoordeeld – een lastige procedure: 
onderzoekers gebruiken verschillende definities voor ‘biologisch’, vergelijken verschillende soorten boerderijen en nemen verschillende kosten in hun analyses op. Niettemin blijkt uit elke combinatie en vergelijking van data die ik heb gezien, dat boerderijen in Profeet-stijl minder calorieën per hectare opbrengen dan boerderijen in Tovenaar-stijl.

    Soms is het verschil klein, soms behoorlijk groot. Het is duidelijk wat dat betekent, vinden de Tovenaars. Als boeren twee keer zoveel voedsel moeten telen om de tien miljard 
monden te voeden, zouden ze te zeer bepekt worden wanneer ze zich moeten houden aan de regels van Sir Albert Howard ter bescherming van het ecosysteem.

    Profeten fronsen hun voorhoofd over deze logica. In hun ogen is het dwaasheid om landbouwsystemen uitsluitend te beoordelen op basis van hoeveelheid calorieën per hectare. Die maatstaf houdt geen 
rekening met het soort kosten dat Vogt heeft benoemd: uitspoeling van kunstmest, achteruitgang van watervoorraden, inklinken en eroderen van 
de bodem en overmatig gebruik van pesticiden en 
antibiotica. Hij houdt geen rekening met de verwoesting van plattelandsgemeenschappen. Hij laat de vraag of het voedsel smakelijk en voedzaam is buiten beschouwing.

    Tovenaars antwoorden daarop dat C4-rijst per geproduceerde calorie minder kunstmest en water nodig heeft – en beter voor het milieu is dan conventionele gewassen. Dat is alsof je de brand probeert te blussen die je zelf hebt aangestoken, door er minder benzine overheen te gooien! zeggen de Profeten.

    Eet gewoon minder vlees! Tovenaars vinden het idee om boerderijen te diversifiëren en zo natuurlijke ecosystemen na te bootsen, totale onzin: alleen door hyperintensieve, industriële grootschalige landbouw met superproductieve, genetisch gemodificeerde gewassen kunnen we de wereld van morgen voeden.

    Productiviteit? zeggen de Profeten. Wij komen met onze eigen maanraket! En inderdaad, dat doen ze.

    Tarwe, rijst, haver, rogge en de andere algemeen bekende granen zijn eenjarigen, die elk jaar opnieuw gezaaid moeten worden. De wilde grassen daarentegen, die vroeger de prairie bedekten, zijn meerjarig: ze komen elke zomer terug, wel tien jaar lang. Omdat meerjarige grassen een wortelsysteem vormen dat tot diep in de grond reikt, houden ze de aarde beter vast en zijn ze minder afhankelijk van regenwater en voedingsstoffen aan de oppervlakte – oftewel irrigatie en kunstmest – dan eenjarige grassen. Veel van deze soorten zijn ook beter bestand tegen ziekten. Omdat ze niet elke lente nieuwe wortels hoeven te vormen, komen meerjarige grassoorten eerder en sneller boven de grond dan eenjarige. En omdat ze in de winter niet afsterven, gaat hun fotosynthetische activiteit door in de herfst, als die van eenjarigen ophoudt. Ze kennen dus een langer groeiseizoen. 
Ze zouden even productief kunnen zijn als graan van het Groene Revolutie-type, volgens de Profeten, maar dan zonder het land te verwoesten, het schaarse water op te zuigen of grote doses vervuilende, 
energie-intensieve meststoffen nodig te hebben.

    Net als destijds Borlaugs programma in Mexico verzamelde het Rodale Institute, de oudste Amerikaanse organisatie die onderzoek doet naar biologische landbouw, eind jaren tachtig 250 monsters van tarwe kweekgras (Thinopyrum intermedium). Dit meerjarige neefje van broodtarwe werd in de jaren dertig als veevoer vanuit Azië op het westelijk halfrond geïntroduceerd. Peggy Wagoner, pionier op het gebied van plantenteelt en landbouwkundig onderzoek die samenwerkte met onderzoekers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw, plantte monsters, 
hield de opbrengst daarvan bij en kruiste de best presterende planten met elkaar, in een poging een commercieel toepasbare meerjarige te maken. 


    Wagoner en het Rodale Institute gaven het stokje in 2002 door aan het Land Institute in Salina, Kansas, een landbouwkundig non-profitonderzoekscentrum dat zich tot doel heeft gesteld om conventionele landbouw te vervangen door methoden die verwant zijn aan wat er in natuurlijke ecosystemen gebeurt. Het Land Institute heeft zich sindsdien, in samenwerking met andere onderzoekers, beziggehouden met de ontwikkeling van tarwegras. Het heeft zijn nieuwe variëteit tarwe kweekgras zelfs een naam gegeven: Kernza.

    Net als C4-rijst zal ook tarwegras misschien niet 
aan de verwachtingen van zijn scheppers voldoen. Tarwegraskorrels zijn qua formaat een kwart van tarwekorrels, soms nog minder en hebben een dikkere zemellaag. Anders dan tarwe groeit tarwegras in een donkere massa dicht gebladerte dat de akker bedekt; die dikke laag vegetatie beschermt de aarde en houdt onkruid weg, maar gaat ook ten koste van de hoeveelheid tarwe die de plant produceert. Om tarwegras bruikbaar te maken voor boeren, zullen kwekers het formaat van de korrel moeten vergroten, de bouw van de plant moeten veranderen en de eigenschappen die goed zijn voor het maken van brood moeten verbeteren. Er is slechts langzaam vooruitgang geboekt. Omdat tarwegras meerjarig is, is er niet in één seizoen een oordeel over te vormen – daar gaan jaren overheen. Het Land Institute hoopt in de jaren twintig van deze eeuw zaaiklaar, broodwaardig tarwegras klaar te hebben, met korrels die twee keer zo groot zijn als nu (wat nog steeds maar half zo groot is als gewone tarwekorrels), maar niemand weet zeker of dat gaat lukken.

    Het domesticeren van tarwegras is een kwestie 
van lange adem. Andere plantveredelaars hebben geprobeerd een kortere weg te vinden: een hybride van broodtarwe en tarwegras, waarin ze de grotere, overvloedige korrel van de eerste en de resistentie tegen ziekten en de meerjarige levenscyclus van de tweede met elkaar hoopten te verenigen. De twee soorten produceerden samen net vaak genoeg levensvatbare nakomelingen om biologen in Noord-Amerika, Duitsland en de Sovjet-Unie halverwege de vorige eeuw decennia lang te laten proberen nuttige hybriden te kweken, zonder succes. Aangemoedigd door nieuwe ontwikkelingen in de biologie begon het Land Institute rond de eeuwwisseling opnieuw, samen met onderzoekers in landen rond de noordelijke Stille Oceaan en Australië. Ik was op bezoek bij Stephen S. Jones van de Washington State University, kort nadat hij en zijn collega’s een wetenschappelijke naam hadden gegeven aan een onlangs ontwikkelde en geteste hybride: Tritipyrum aaseae (de soortnaam verwijst naar de baanbrekende graangenetica 
Hannah Aase). Er valt nog veel werk te doen; Jones verwachtte dat op zijn vroegst de kinderen van mijn dochter het brood van T. aaseae zouden kunnen eten.

    Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse onderzoekers krabben zich achter de oren als ze over deze projecten horen. Met kun pogingen om meerjarige granen te kweken die de oogsten moeten vergroten kiezen de Profeten de moeilijke weg, zegt Edwige Botoni, onderzoeker aan het Permanent Interstate Committee for Drought Control in the Sahel (CICDCS) in 
Burkina Faso. Tijdens haar reizen langs de randen van de Sahara heeft Botoni veel nagedacht over de vraag hoe je mensen het beste kunt voeden met de opbrengst van kwalitatief slechte grond. Een deel van het antwoord is volgens haar om het voorbeeld te volgen van de succesvolle boerderijen in tropische gebieden als Nigeria en Brazilië. Terwijl boeren in 
de gematigde zone zich concentreren op granen, richten tropische telers zich op knollen en bomen, die over het algemeen productiever zijn dan granen.

    Appels, kastanjes en papaja’s zijn productiever dan tarwe, maar je kunt er geen cake van maken. – © Getty Images
    Appels, kastanjes en papaja’s zijn productiever dan tarwe, maar je kunt er geen cake van maken. – © Getty Images

    Denk aan cassave, een grote knol, ook bekend als maniok, mogo of yuca. Qua productiviteit staat 
cassave op de elfde plaats van belangrijkste gewassen in de wereld, en de plant wordt in grote delen van Afrika, Azië en Latijns-Amerika verbouwd. Het 
eetbare deel groeit onder de grond; hoe groot de knol ook is, de plant zal nooit omvallen. Gemeten per 
hectare overtreffen cassaveoogsten ruimschoots die van tarwe en andere granen. Die vergelijking is niet eerlijk, omdat cassaveknollen meer water bevatten dan tarwekorrels. Maar zelfs als je dat in aanmerking neemt, produceert cassave veel meer calorieën per hectare dan tarwe. (De aardappel is een noordelijk equivalent. In 2016 was de gemiddelde calorieopbrengst per hectare van de aardappeloogst in Amerika meer dan tien keer zo groot als die van tarwe.) 
‘Ik weet niet waarom niet aan dit alternatief wordt gedacht,’ zegt Botoni. Cassave is in veel culturen niet vertrouwd, maar de introductie ervan is ‘gemakkelijker dan het kweken van geheel nieuwe soorten’.

    Hetzelfde geldt in veel opzichten voor boomgewassen. Een volgroeide McIntosh-appelboom kan wel 350 tot 550 pond appels per jaar leveren. Fruittelers planten in het algemeen vier- tot vijfhonderd bomen per hectare. In goede jaren kan dit 70 tot 130 ton fruit per hectare opleveren. Tarwe levert maar 3 ton per hectare. Net als cassave en aardappelen bevatten appels meer water dan tarwe, maar de calorie-opbrengst per hectare is nog steeds groter. Zelfs papaja’s en bananen zijn productiever dan tarwe. 
Net als bepaalde noten, zoals kastanjes. Van appels, kastanjes en papaja’s kun je geen knapperige baguettes maken of brosse tortilla’s, of luchtige cake, maar het grootste deel van het graan dat tegenwoordig wordt verbouwd, is bestemd voor sterk bewerkte producten als diervoeder, ontbijtgranen, zoete stroop en ethanol – en daarvoor zijn oogsten van vruchten en knollen ook prima te gebruiken.

    Wil ik ervoor pleiten dat boeren over de hele wereld hun veldjes tarwe, rijst en maïs verruilen voor akkers met cassave, aardappels en zoete aardappels en boomgaarden vol bananen-, appel- en kastanjebomen? Nee. Wat ik wil zeggen is dat Profeten over veel methoden beschikken om aan de behoeften van morgen te voldoen. Deze alternatieve wegen zijn ingewikkeld, maar dat geldt ook voor de weg van de Tovenaars die moet uitkomen bij C4-rijst. Het grootste obstakel voor de Profeten is iets anders: arbeidskracht.

    Elke generatie beslist over de toekomst, maar de keuzes die de generatie van mijn kinderen maakt, zullen zo lang doorklinken als demografen kunnen voorzien

    Sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog was het beleid van de meeste nationale overheden gericht op het verminderen van arbeidskracht in de landbouw (communistisch China was daarop lang een uitzondering). Het doel was boerderijen in stand te houden en te mechaniseren, waardoor de oogsten zouden toenemen en de kosten omlaag zouden gaan, vooral de kosten voor arbeidsloon.

    Boerenarbeiders die niet langer nodig waren, zouden naar de steden verhuizen, waar ze beter betaalde banen konden vinden in fabrieken. Volgens het borlaugiaanse ideaal zouden zowel de overblijvende boeren als de fabrieksarbeiders zo meer gaan verdienen, de eersten door het telen van meer en betere gewassen, de tweede groep dankzij het beter betaalde werk in fabrieken. De natie als geheel zou er wel bij varen: een grotere export van industrie- en landbouwproducten, 
goedkoper voedsel in de steden, een overvloedig 
aanbod van arbeidskrachten.

    Er bleken ook nadelen: bij steden in ontwikkelingslanden ontstonden sloppenwijken vol ontheemde gezinnen. En in veel regio’s, ook in het grootste deel van de ontwikkelde wereld, liep het platteland leeg, precies zoals de Borlaugianen hadden bedoeld – zij wilden immers de landarbeiders bevrijden zodat die hun eigen dromen konden najagen. In de Verenigde Staten daalde het aandeel van de beroepsbevolking in de landbouw van 21,5 procent in 1930 naar 
1,9 procent in 2000; het aantal boerderijen nam met bijna tweederde af. De gemiddelde omvang van de overgebleven boerderijen nam toe ter compensatie van dat kleinere aantal. Ondertussen weefden staten overal ter wereld een heel web van belastingvoordelen, leningen, trainingsprogramma’s en directe 
subsidies aan grote boeren voor de aanschaf van grootschalige landbouwmachines, het opslaan van voorraden chemicaliën en het telen van bepaalde door de overheid bevoordeelde gewassen voor de export. Deze structuren blijven in stand, en dus roeien Vogtiaanse boeren tegen de stroom op.

    Volgens de visie van Vogtianen zorgt goede landbouw in de allereerste plaats goed voor de grond. Dat vraagt om kleinere stukken land met verschillende gewassen en is dus moeilijk te realiseren als je je richt op de massaproductie van een enkel gewas. Voor een werkelijke uitbreiding van deze vorm van landbouw zou op zijn minst een deel van de mensen wier ouders en grootouders het platteland verlieten, moeten terugkeren. Deze arbeidskrachten moeten een fatsoenlijk loon verdienen, en dat zou de kosten opdrijven. Enige arbeidsbesparende mechanisatie is mogelijk, maar geen enkele kleine boer die ik heb gesproken denkt dat het mogelijk is om het met zo weinig arbeidskrachten te doen als in de grote 
industriële landbouwbedrijven. Het hele systeem kan alleen groeien als de wet- en regelgeving verandert en gebruik van arbeid gaat aanmoedigen. Dat soort grote, maatschappelijke veranderingen is niet makkelijk te realiseren.

    En daar ligt de kern van het al tientallen jaren durende debat tussen de Tovenaars en de Profeten. Weliswaar wordt er voortdurend gepraat in termen van calorieën per hectare en behoud van ecosystemen, maar het meningsverschil dat daaraan ten grondslag ligt gaat over de aard van de landbouw – en daarmee over de vraag welke vorm de samenleving moet krijgen. Voor borlaugianen is landbouw een soort nuttig gezwoeg dat zo veel mogelijk 
vergemakkelijkt en verminderd moet worden om een maximale vrijheid te realiseren. Voor vogtianen is landbouw bedoeld voor het in stand houden van de verschillende ecologische en menselijke leefgemeenschappen die altijd, sinds de eerste landbouwrevolutie meer dan tienduizend jaar geleden, de bakermat van het leven zijn geweest. Het mag zwaar werk zijn, het is werk dat de band van de mens met de aarde versterkt. Deze twee standpunten zijn als lijnen die elkaar kruisen maar niet in hetzelfde vlak liggen.

    Tovenaar of Profeet?

    Mijn dochter is nu negentien jaar en tweedejaars student. In 2050 is ze van middelbare leeftijd. Het is aan haar generatie om de instituties, de wetten en gebruiken te bepalen die de basisbehoeften van de mensheid in de wereld van tien miljard kunnen 
vervullen. Elke generatie beslist over de toekomst, maar de keuzes die de generatie van mijn kinderen maakt, zullen zo lang doorklinken als demografen kunnen voorzien. Tovenaar of Profeet? Voor deze generatie zal het niet zozeer gaan over wat haalbaar is, maar over wat ze het juiste vindt.

    Auteur: Charles C. Mann
    Vertaler: Annemie de Vries

    Dit artikel is een bewerking van het meest recente boek van Charles C. Mann, The Wizard and the Prophet.

    The Atlantic
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

    Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.

  • 3. Zuurdesembrood in Singapore

    3. Zuurdesembrood in Singapore

    Overal ter wereld verruilen mensen hun vertrouwde granen voor hippere of gezondere varianten. Iedereen probeert te eten wat meer welgestelde mensen eten. Behalve de heel rijken, die juist een voorkeur hebben voor het graan van de armen.

    Als je eten alleen maar beschouwt als iets om in leven te blijven, of als een bron van plezier, zal een uitstapje naar de boerenmarkt in Pacific Palisades je de ogen openen. Voor het in sportief lycra geklede winkelpubliek in deze dure wijk van Los Angeles is eten een uiterst gecompliceerde bezigheid. Julie, een vrouw met een vilthoed, zegt dat ze wit meel probeert te vermijden, omdat ze daar een opgeblazen gevoel van krijgt – al maakt ze een uitzondering voor tortilla’s. Een moeder van een vierjarige eet vijf keer per week rijst, maar is daar niet ‘trots op’. Een derde vrouw, Suzanne Tatoy, heeft zich in eten 
verdiept en geeft de voorkeur aan bruine rijst, quinoa, amarant en gierst.

    Advertenties voor eten zijn even vreemd als invloedrijk. Van de jaren zeventig tot de jaren negentig aten Amerikanen steeds meer tarwe, deels omdat ze cholesterol probeerden te vermijden. Toen kwam er een reeks populaire koolhydraatarme diëten, van Dr. Atkins tot Paleo. Door een toename van coeliakie en zelfgediagnosticeerde glutenintolerantie is tarwe in een kwaad daglicht komen te staan. Tussen 1997 en 2015 is de meelconsumptie in Amerika gedaald van 67 tot 60 kilo 
per hoofd van de bevolking.

    Toch laten de voedseladepten in Pacific Palisades zich niet alleen beïnvloeden door wetenschap – of pseudowetenschap. Ze laten zich ook leiden door mode, die heeft bepaald dat sommige granen uit zijn en andere in. In die zin zijn ze volgers van een enorme wereldwijde trend. In veel landen laten mensen vertrouwde granen staan 
voor nieuwe, om redenen die te maken hebben met landbouwtechnologie, werk, gezondheid en maatschappelijke ambities. Deze verandering is min of meer circulair. Iedereen probeert meer granen te eten die meer welgestelde mensen eten, behalve de heel rijken, die een voorkeur hebben voor het eten van armen. Het verhaal begint in de velden van West-Afrika.

    Rijst in Afrika

    Aboud Kobena verbouwt sinds 1991 rijst in Tiassalé in Ivoorkust. Hij heeft veel klachten. De pomp die water uit een nabijgelegen rivier haalt om zijn 35 hectare grond te bevloeien is weer eens kapot. De machines die hij heeft aangeschaft om sneller te kunnen oogsten zijn een slechte reclame voor de Chinese techniek gebleken. Arbeid is duur, zegt hij, en ‘de mensen zijn lui geworden’. Het ergste is dat de prijs die zijn gewas opbrengt veel lager is dan tien jaar geleden. Het probleem is, zegt Kobena, dat iedereen nu rijst verbouwt.

    Tussen 2000 en 2014 is de rijstproductie in West-Afrika gestegen van 7,1 miljoen tot 16,8 miljoen ton. In Ivoorkust, dat vooral bekendstaat als cacaoproducent, is de rijstoogst in die tijd verdrievoudigd. Nieuwe hybride zaadsoorten die speciaal voor Afrika zijn ontwikkeld, zoals Nerica en Wita, hebben de 
productie opgestuwd en boeren in staat gesteld rijst te verbouwen op droge gronden waar vroeger voornamelijk de graansoort sorghum groeide.

    Rijst is al lange tijd populair in sommige West-Afrikaanse landen, zoals Senegal. Het wordt in een groot deel van de regio het hoofdvoedsel. Thomas Reardon, voedseldeskundige aan de Michigan State University, zegt dat de urbanisatie de vraag doet toenemen. Werknemers in steden leerden rijst lekker vinden in cafés en koken het nu ook thuis. Bovendien is rijst makkelijker te bereiden dan gierst of sorghum – een uitkomst voor de vermoeide 
stedelijke werknemers.

    © Getty
    © Getty

    De Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN schat dat de rijstconsumptie per hoofd van de bevolking in sub-Saharaans Afrika sneller stijgt dan in enige andere regio. Dat zal vermoedelijk zo blijven, omdat het inwonertal van Afrikaanse steden in hoog tempo toeneemt, met gemiddeld 3 procent per jaar. Volop kansen dus voor Afrikaanse boeren. En de Afrikaanse vraag is ook een zegen voor rijstproducerende landen in Azië. Die kunnen wel wat nieuwe klanten gebruiken, want de vraag thuis is niet meer wat hij geweest is.

    Rijst is zo belangrijk voor het leven in Azië dat veel mensen in plaats van ‘Hoe gaat het?’ vragen: ‘Heb je al rijst gegeten?’ Zo’n 90 procent van de mondiale rijstproductie wordt in Azië geconsumeerd, waarvan alleen al 60 procent 
in China, India en Indonesië. In elk groot land behalve Pakistan eten 
Aziaten meer rijst dan het wereldwijde gemiddelde.

    Van begin jaren zestig tot begin jaren negentig nam de rijstconsumptie per hoofd van de bevolking geleidelijk toe, van gemiddeld 85 tot 103 kilo per jaar. Naarmate Azië zich verder aan de armoede ontworstelde begonnen mensen meer te eten, en rijst was beschikbaar en betaalbaar. In de armste Aziatische landen, zoals Bangladesh en Cambodja, blijft een volle rijstkom een teken van overvloed (in Bangladesh komt 70 procent van de calorieën van rijst) en de mensen blijven er steeds meer van eten. Maar in Azië als geheel stagneert de rijstconsumptie nu min of meer. In welvarender landen raakt rijst uit de mode. 
Cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw duiden erop dat de rijstconsumptie in China, Indonesië en Zuid-Korea sinds 2000 is afgenomen en in Singapore geheel is ingestort. 
Rijkere Aziaten halen hun calorieën steeds meer uit groente, fruit, vlees, 
vis en zuivelproducten. En net als in 
Amerika stappen veel mensen over 
op een andere graansoort.

    Het is onwaarschijnlijk dat mensen in Azië elkaar zullen gaan begroeten met de vraag of ze al bagels hebben gegeten

    Waar de stalletjes in de straten van Zuidoost-Azië nog steeds rijst serveren, worden de chique winkelcentra steeds meer gedomineerd door tarwe. Tal van bakkerijen verkopen traditioneel Europees gebak en brood, naast typisch 
Aziatische specialiteiten. BreadTalk, een snel groeiende keten in Singapore, verdient kapitalen met floss buns, zoete witte kadetjes die besmeerd zijn met boter en ei, en door gedroogd en geplukt varkensvlees zijn gerold.

    Joseph Lee, de eigenaar van The Bread Table, een andere bakkerij in Singapore, schrijft de toenemende vraag toe aan toerisme en migratie. ‘Hoe meer mensen begonnen te reizen, des te vaker ze Europees brood wilden eten als ze weer thuiskwamen,’ zegt hij. 
‘Nu vragen sommige mensen om zuurdesem.’ In 2013 opende Lee de eerste van een keten op Europese leest geschoeide bakkerijen.

    De tarweconsumptie stijgt snel in landen als Thailand en Vietnam. Zuidoost-Aziatische landen zullen in de periode 2016-2017 23,4 miljoen ton tarwe consumeren, schat het Amerikaanse ministerie van Landbouw, tegen 16,5 miljoen in 2012-2013. Dat zal bijna allemaal geïmporteerd worden. Naar verwachting zal in Zuid-Azië 
de consumptie in diezelfde periode groeien van 121 miljoen naar 139 miljoen ton. India, dat tot voor kort een grote netto-exporteur van tarwe was, is een netto-importeur geworden. Een deel van de tarwe is voor diervoeder, maar het meeste is gewoon om door mensen te worden gegeten.

    Deze trend zal nog lang doorzetten, verwacht de Rabobank. Zuidoost-Aziaten eten nog steeds maar 26 kilo tarwe per jaar, veel minder dan het mondiale gemiddelde van 78 kilo. Ze lijken zich niets aan te trekken van prijsverhogingen: toen het graan tussen 2009 en 2013 duurder werd bleef de tarweconsumptie onverminderd groeien, al nam het gebruik voor diervoeder af. Toch zal rijst voor veel Aziatische culturen het belangrijkst blijven. Het is onwaarschijnlijk dat mensen elkaar zullen gaan begroeten met de vraag of ze al bagels hebben gegeten.

    Oergranen

    Terwijl West-Afrikanen hun bord met rijst vullen en Zuidoost-Aziaten aan ciabatta’s knabbelen, onthouden Amerikanen zich steeds meer van beide. ‘Op een gegeven moment is het welletjes,’ zegt Craydon Chong, analist bij de Rabobank. En tarwe heeft nieuwe concurrenten, vooral in de rijkste wijken van Amerika. Of preciezer gezegd: nieuwe oeroude concurrenten.

    Café Gratitude is een vegetarisch fijnproeversrestaurant in Venice Beach, een wijk in Los Angeles die zelfs naar de maatstaven van die metropool bijzonder gezondheidsbewust is. Elk item op de menukaart is daar een bevestiging van, dus word je geacht een gerecht dat ‘Glorious’ heet te bestellen door te verklaren: ‘Ik ben glorieus.’ 
Er zijn ook pizza’s beschikbaar, maar dan gemaakt van eenkoren en kamut. Tot de bijgerechten behoren bruine rijst en quinoa.

    Eenkoren en kamut zijn allebei tarwesoorten. Volgens de voorstanders hebben ze een lange stamboom en 
zijn ze ontsnapt aan het geknoei van moderne plantenkwekers. Quinoa is iets anders: het zaad van een plant 
die voornamelijk in Midden- en Zuid-Amerika groeit. Zulke graansoorten worden, naast diverse andere, op de markt gebracht als ‘oergranen’. 
Ze heten gezonder en authentieker 
te zijn dan gewone rijst en tarwe. 
Ze zijn in elk geval duurder.

    Een paar kilometer ten noorden van Venice Beach, op de boerenmarkt van Santa Monica, verkoopt Larry Kandarian biologische zwarte gerst voor 9 dollar per pond en Ethiopische blauwe farro (een andere tarwesoort) voor 7 dollar. De hang naar ‘deugdzame’ granen beperkt zich niet tot Californische voedseladepten. In 2015 introduceerde General Mills, een grote Amerikaanse voedselproducent, een ontbijtgraanproduct dat Cheerios + ancient grains heet en kamut, havervlokken, quinoa en spelt bevat. Pastamerk Ronzoni heeft een pasta met 
amarant, gierst, sorghum en teff ontwikkeld. Datassential, een marktonderzoeksbureau dat 
restaurantmenu’s afspeurt, meldt dat 9 procent van de gewone 
restaurants en 16 procent van de duurdere in 2016 quinoa aanbood. Sorghum, dat Amerikanen lange tijd aan hun vee hebben gevoerd, sluipt ook de menukaart binnen, evenals gierst, dat gewoonlijk als vogelzaad wordt gebruikt.

    Het is nog te vroeg om te zeggen of oergranen meer dan een bevlieging zijn. Hoewel de mondiale quinoaproductie is gestegen van 58 duizend ton in 2008 tot 193 duizend in 2014, stelt het nog steeds niet veel voor vergeleken bij rijst, tarwe of maïs. De belangrijkste graansoorten profiteren van hechte netwerken van landbouwonderzoeksinstituten die zich inspannen 
om de opbrengst te vergroten 
en ziektes te onderdrukken. 
Ze worden vaak gesubsidieerd.

    Toch zijn het de consumenten en niet de overheden die uiteindelijk achter veranderingen in eetgewoonten zitten. En bijna overal lijken consumenten een voorkeur voor nieuwigheden te hebben ontwikkeld. Zelfs in arme Afrikaanse en Aziatische landen wint verpakt voedsel aan populariteit, zegt Thomas Reardon. Hij is met name verrast door de opkomst van tarwenoedels in Afrika. Indomie, een Indonesisch bedrijf, begon halverwege de jaren negentig noedels te produceren in Nigeria. Het heeft inmiddels diverse concurrenten in dat land, en elders in West-Afrika neemt de vraag toe. De heerschappij van de rijst zou weleens van korte duur kunnen blijken.

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180

    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

  • Rijst verkopen via Facebook

    Rijst verkopen via Facebook

    Boeren in het noorden van Thailand verdienen bijna niets aan hun hoogwaardige Hom Mali-rijst, omdat de rijstprijzen laag zijn en veel geld bij 
tussenpersonen blijft hangen. Daarom verkopen ze hun waar nu rechtstreeks via Facebook.

    Maytar Kochai (52) is geboren en getogen in het centrum van het Thaise district Surin, waar rijst wordt verbouwd. Er zijn twee dingen waar hij heel veel van afweet: de veelgeprezen Hom Mali-rijst [jasmijnrijst] en armoede.

    Maytar, die vroeger in Bangkok woonde maar op aandringen van zijn ouders naar huis terugkeerde, werd onlangs aangesteld als hoofdadministrateur van de Sakad Subdistrict Administrative Organisation (SAO). Hij is het beu dat rijstboeren het zo zwaar te verduren hebben én hij heeft oog voor de macht van sociale media. Daarom begon hij onlangs een Facebookpagina om boeren te helpen hun Hom Mali-rijst direct aan hun klanten te verkopen.

    Zijn pagina heeft een simpele, overtuigende boodschap: boeren hebben er genoeg van om onder druk te worden gezet door de marktprijzen. Met een beetje hulp van lokale media werd zijn posting door veel mensen bekeken en begon hij telefonisch honderden bestellingen te ontvangen. ‘Om eerlijk te zijn waren we absoluut niet voorbereid op al deze reacties,’ zei hij. ‘We hadden niemand om de rijst te verpakken. Sterker, we hadden niet eens zakken om de rijst in te doen. Ik blijf maar gebeld worden vanuit heel Thailand. Het is ongelooflijk dat zo veel mensen belangstelling hebben voor ons product.’

    Redelijke bedragen

    De kwestie van subsidie voor rijst en welke rol de regering moet spelen in de steun aan boeren die het moeilijk hebben, is weer terug in het nieuws. Onlangs ging het kabinet akkoord met een subsidie van 13.000 baht [ca. 350 euro] per ton Hom Mali-rijst om boeren in het noorden en noordoosten te helpen, aangezien de prijzen voor rijst op de wereldmarkt laag waren. Die subsidie gaat door tot eind februari 2017. Om de prijzen te verhogen kondigde het leger ook aan dat het soldaten zou inzetten om alle rijstpellerijen ‘om medewerking te vragen’ om boeren ‘redelijke’ bedragen te betalen voor hun rijst.

    Lokale politici zoals Maytar zijn zich bewust van de benarde situatie van de boeren en nemen een proactief standpunt in. Omdat Maytar nauw samenwerkt met boeren, snapt hij waarom ze niet genoeg verdienen aan hun kwaliteitsproducten. Hij vertelt dat hij een maand eerder een boer terug zag komen van een rijstpeller met grote zakken Hom Mali-rijst. De boer had hem de rijst aangeboden, maar de peller zei dat die niet voldeed aan de vereiste kwaliteit. Maytar vroeg de boer de rijst achter te laten op zijn kantoor en verzamelde alle rijstboeren uit zestien dorpen op een vergadering.

    ‘Vergeet de marktprijzen en reken niet op hulp van de centrale regering,’ zei hij tegen hen. ‘Ik neem alle rijst af die jullie deze oogst binnenhalen en verkoop het zonder dat jullie naar rijstpellerijen of tussenpersonen hoeven te gaan. Wie doet er mee?’

    Alle boeren gingen akkoord, ondanks het feit dat de marktprijs van rijst in tien jaar niet zo laag was geweest. Ze brachten hun ongepelde rijst naar het kantoor van Sakad SAO en hoopten dat het plan van Maytar zou werken. Als deze boeren hun rijst rechtstreeks aan de peller hadden verkocht, zouden ze er 17 cent per kilo voor hebben gekregen, of 170 euro per ton, na aftrek van het vochtigheidspercentage. Maar als de boeren hun ongepelde rijst naar Sakad SAO brengen, ontvangen ze een gegarandeerde prijs van 32 tot 34 cent per kilo, of 320 tot 340 euro per ton. Er is geen vochtigheidspercentage en ze krijgen het geld nadat de rijst is verkocht.

    Sinds hij zijn toevlucht heeft gezocht bij de sociale media, wordt Maytar van zes uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds gebeld voor bestellingen

    Sinds hij zijn toevlucht heeft gezocht bij de sociale media, wordt Maytar van zes uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds gebeld voor bestellingen. Sakad SAO heeft ook een afspraak gemaakt met een peller om drie ton rijst per dag te pellen, maar dagelijks arriveert er minstens vier ton. Ooit was Sakad een rustig subdistrict; nu is het een agrarisch centrum geworden voor boeren uit Surin.

    Wisut Sarapee, coördinator van het project, zei dat ze vaak aanvragen krijgen uit andere regio’s, maar geen budget hebben om de rijst te bezorgen. ‘We willen het proces niet nog kostbaarder maken,’ zei hij. ‘Als iemand geïnteresseerd is in onze rijst, dan moeten ze die voorlopig zelf komen afhalen.’ Er komen ook uitnodigingen binnen om hun rijst te verkopen op lokale handelsbeurzen.

    Na de rijst een week lang direct op de markt te hebben gebracht, leek het Maytar al een goed idee om volgend jaar zo door te gaan. Omdat boeren in het noordoosten maar één oogst per jaar kunnen verbouwen, denkt hij genoeg tijd te hebben om iets duurzamers te kunnen ontwikkelen.

    Rittikrai Deerob, wetenschapper en onderzoeker voor Sakad SAO, heeft voorgesteld een eigen rijstmerk te gaan opbouwen. Volgens hem is dat de beste manier om te profiteren van het succes op de sociale media, en zo een blijvend proces te kunnen opzetten. De rijst wordt nu verkocht onder de merknaam Sakad Kwan Kao. Omdat ze genoeg bestellingen hebben om het programma draaiende te houden, heeft Maytar een aantal gehandicapten ingehuurd om te helpen met het verpakken van de rijst.

    Die rijst wordt verkocht voor 71 cent per kilo en verpakt in zakken van één en vijf kilo. De boer ontvangt 53 cent per kilo, terwijl Sakad SAO 18 cent inhoudt voor de zakken en de inpakkers. Als er aan het eind nog iets over is van die 18 cent, betalen ze 2 cent per kilo terug aan de boeren.

    Rijstboeren worden uitbetaald door een rijstpeller in de Samrong-regio in het noordoosten van Thailand. – © Getty Images
    Rijstboeren worden uitbetaald door een rijstpeller in de Samrong-regio in het noordoosten van Thailand. – © Getty Images

    Sangwan Sankla (39), eigenares van een stuk land van iets meer dan een hectare, is heel tevreden met het plan. ‘Ik ben zo blij dat de heer Maytar dit project heeft opgezet om ons te helpen. Tot nu toe had ik nog nooit geld overgehouden als ik mijn rijst had verkocht. Welke regering er ook aan de macht was, zoiets als dit hebben ze ons nooit gegeven.’

    Udomsak ‘Peter’ Udomdee (34) werkt als pr-man voor de afdeling Ziektebestrijding van het ministerie van Volksgezondheid in Surin. Toen hij nog in Bangkok woonde, kon hij daar wel dure Hom Mali-rijst kopen, maar de smaak kon niet tippen aan de echte Hom Mali van thuis. Hij nam een zak rijst mee terug uit Surin om aan zijn collega’s te verkopen en kreeg enthousiaste reacties. Ze bestelden meer rijst en hij raakte ervan overtuigd dat dit de beste manier was om rijst zonder tussenkomst van anderen te verkopen. Sindsdien beheert Peter een Facebookpagina waarop hij de rijst van zijn familie verkoopt.

    De eerste twee jaar nam hij honderd kilo rijst mee naar Bangkok, nu neemt hij elke keer dat hij teruggaat minstens driehonderd kilo mee. Als zijn familie ongepelde rijst van hun drie hectare land aan een peller zou verkopen, zouden ze daar zo’n 1000 euro voor krijgen, na 1450 euro te hebben geïnvesteerd voor de hele oogst. Maar als Peter die laat pellen bij een naburige pellerij en de rijst direct verkoopt, kunnen ze dertien ton afzetten voor 2900 euro na een investering van 845 euro.

    Ik wil dat dit een simpele procedure blijft die iedereen thuis kan regelen

    Directe verkoop is het gesprek van de dag geworden in Sakad, en de bestellingen blijven binnenstromen. Toch heeft Maytar geen plannen om de productie op te voeren. ‘Ik wil dat dit een simpele procedure blijft die iedereen thuis kan regelen. De rijstprijzen zijn tegenwoordig zo laag omdat de verkoop in verschillende stadia verloopt, die allemaal eigen kosten met zich meebrengen. Als die ervan afgetrokken worden, blijft er vrijwel niets over voor de boer.’

    Zijn werkelijk doel, de stabilisatie van de prijs van Hom Mali-rijst uit Surin, is dichterbij aan het komen. In Thailand kan Hom Mali van hoge kwaliteit alleen in Surin, Buri Ram en Si Sa Kat worden verbouwd. Maytar vindt het oneerlijk dat de prijs van die hoogwaardige rijst wordt gedrukt door de algemene marktprijs.

    Als het merk Sakad Kwan Kao van de grond komt, wil hij dat gebruiken om het imago van Hom Mali uit Surin op te bouwen. Hij verwacht dat andere districten in de provincie hetzelfde gaan doen en hun rijst ook gaan onderbrengen bij het Kwan Kao-merk. ‘Ik ben nooit van plan geweest om een bedrijf op te zetten. Ik wilde alleen een nieuw bestaan mogelijk maken voor rijstboeren.’

    Auteur: Chaiyot Yongcharoenchai

    Bangkok Post
    Thailand | dagblad | oplage 55.000

    In 1946 opgericht onafhankelijk, Engelstalig dagblad dat wordt gemaakt door een team internationale redacteuren. Het richt zich op de stedelijke elite en expats.

  • 8. Mirakel in de maak: wonderrijst

    8. Mirakel in de maak: wonderrijst

    Rijst is het gewas dat voorziet in meer dan de helft van de dagelijkse voedselbehoefte in Azië.

    In het licht van de verwachting van verdere bevolkingsgroei en klimaatverandering lijken er wonderen nodig om de miljarden Aziaten ook in de toekomst van voedsel te kunnen voorzien. Maar een dergelijk mirakel is in de maak: wonderrijst van het International Rice Research Institute (IRRI), gevestigd in de Filipijnen.

    De variëteit is ontwikkeld vanuit het internationale 3000 Rice Genomes Project, waarin de genetische eigenschappen van 3024 rijstsoorten uit 89 landen zijn vastgelegd. De jongste telg is de Swarna Sub1, bijgenaamd ‘onderwaterrijst’, gezien de resistentie van deze soort voor langdurige zeer natte omstandigheden. Er zijn volgens het IRRI al 5 miljoen boeren in India die deze soort verbouwen en er geweldige successen mee boeken.

    En er ligt nog het een en ander op de plank. De International Rice Genebank bevat meer dan 127.000 rijstvariëteiten waarmee zaadveredelingsbedrijven kunnen experimenteren om de juiste rijstsoort voor een gegeven gebied te ontwikkelen.

    Hoe succesvol de rijsttechnologie is, bewijzen onderzoekers van het Chinese Hunan Hybrid Rice Research Center, die oogstrecord op oogstrecord stapelen: van 700 kilo per mu (driekwart hectare) in het jaar 2000 
tot 800 kilo per mu in 2005 en 1026 kilo in 2015.

    Vertaler: Lambiek Berends