Tag: robben

  • Ruslands gevinde leger

    Ruslands gevinde leger

    In het geheimzinnige instituut voor mariene biologie in Moermansk worden zeezoogdieren als dolfijnen en robben getraind voor gevechtsdoeleinden. ‘Er is geen robot die tegen ze op kan.’

    De kisten voor het transport van de robben zijn speciaal voor dit doel gemaakt van gladgeschaafde planken. Aan de zijkanten nylon koord, bovenop twee hangsloten en binnenin een besnorde snuit met twee grote zwarte ogen. Het grijze vrouwtje Boezia heeft al een hele reis achter de rug. Vanaf het grote Kyi-eiland in de Witte Zee is ze per schip, per vrachtwagen en vervolgens per auto vervoerd naar de haven van Polyarny, de grootste marinebasis van de Russische Noordelijke Vloot, waar kernonderzeeërs worden gerepareerd en ontmanteld. Het is een ‘gesloten stad’, met andere woorden: voor de meeste mensen verboden terrein.

    Hun vermogen om uit vrije wil een houten kist binnen te gaan bepaalt het lot van deze ‘multi-inzetbare robben’, zoals ze door de onderzoekers worden genoemd, want dat maakt ze geschikt om zowel voor militaire als voor burgerdoeleinden dienst te doen. Het is voor deze zeezoogdieren heel stressvol om een krappe ruimte in te moeten gaan. En toch is dat de basis van het militaire werk dat met hen wordt gedaan. ‘Wanneer ze worden ingezet, moeten ze in zo’n kist blijven tot het tijd is voor hun missie,’ zegt Dmitri Isjkoelov, wetenschappelijk directeur van het instituut voor mariene biologie in Moermansk. ‘Robben kennen twee natuurlijke habitats, de zee en het land. Dat is hun voordeel boven walvisachtigen. Dolfijnen en beloega’s [witte walvissen] moeten in een speciaal bassin worden vervoerd: hun huid moet nat blijven, anders gaat die barsten.’

    Uniek

    Het instituut voor mariene biologie in Moermansk is uniek in de wereld. Het is gevestigd boven de poolcirkel en doet al tientallen jaren onderzoek naar zeezoogdieren, waarbij het fundamenteel onderzoek en praktische toepassingen met elkaar verbindt. In 1984 is er op initiatief van Gennadi Matisjov, lid van de Russische Academie van Wetenschappen, een speciale militaire afdeling gevestigd waar zeezoogdieren getraind konden worden voor gevechtsdoeleinden. Sindsdien zijn de meest uiteenlopende dieren hier ‘onder de wapenen’ gekomen – Stellerzeeleeuwen, pelsrobben, grote dolfijnen, beluga’s, zadelrobben, grijze robben, ringelrobben en baardrobben.

    Onlangs hebben de onderzoekers onder leiding van Gennadi Matisjov de Stepan-Makarov prijs (een onderscheiding vanwege grote wetenschappelijke verdiensten op het terrein van de oceanografie) gekregen, voor hun werk rond ‘de inzet van zeezoogdieren voor operationele doeleinden’. Er is een artikel gepubliceerd op de website van de Russische Academie voor Wetenschappen, waarin staat dat er in deze tijd van toenemende terroristische dreiging weleens hernieuwde belangstelling zou kunnen ontstaan voor onderzoek naar gevechtsrobben. Misschien kunnen de gevinde soldaten ‘terugkeren in de rangen en weer een eigen plaats krijgen in het Russisch militair complex’, aldus het artikel.

    Het vinpotigencommando in Moermansk is het enige dat nog over is van het belangrijke trainingscomplex dat de Sovjet-Unie in de tweede helft van de twintigste eeuw had ingericht. Het doel van de wetenschappers en militairen was enerzijds om het mysterie van de werking van de dieren te doorgronden en die kennis toe te passen bij de ontwikkeling van nieuwe wapens, en anderzijds om de dieren zelf te gebruiken. Aleksander Zajitsev, directeur van het laboratorium voor biotechnologische systemen van het instituut voor maritieme biologie, vertelt: ‘De onderzoeksresultaten worden zelden openbaar gemaakt, er zijn geen internationale conferenties over het “operationeel” gebruik van zeedieren. Elk land houdt zijn geheimen liever voor zich. Want er zijn dan wel bepaalde basistechnieken, maar elke dompteur heeft zijn eigen trucs om het dier zover te krijgen dat het een bepaalde taak uitvoert. Het is een ware kunst.’

    Door die geheimzinnigheid ontstaan allerlei mythen. Bijvoorbeeld over dolfijnen die in de Sovjettijd duikers op sabotagemissie aanvielen in de Zwarte Zee, parachutesprongen maakten en de kernonderzeeërs bewaakten. Maar volgens sceptici is het hele project nooit het niveau van een circusnummer ontstegen. Zoals altijd ligt de waarheid ergens in het midden. De trainingscentra van het instituut voor mariene biologie in Moermansk in de Barentszzee en in de baai van Kola, vormden binnen de Sovjet-Unie de derde pijler voor het scheppen van ‘biotechnologische systemen’, zoals Boezia en haar medebewoners van het trainingscentrum in Krasnije Kamni [in de baai van Kola, in de buurt van Polyarny in het district Moermansk] eufemistisch worden genoemd.

    Tot op het laatste moment dachten de piloten dat “dolfijnen” een codenaam was voor materieel. Wat zullen ze verbaasd zijn geweest toen er mobiele bassins aan boord werden gebracht

    ‘Eerst was er, in de jaren zestig, het militaire dolfinarium van Sebastopol (op de Krim), waar gevechtsdolfijnen werden gedresseerd,’ vertelt Vitali Varganov, een van de laatste directeuren van dit legendarische militaire centrum, dat in 1990, na het uiteenvallen van de USSR, de poorten sloot. Het was een enorm project dat vanuit de hele Sovjet-Unie steun kreeg: 52 onderzoeksinstituten op verschillende vakgebieden werkten mee aan dit biotechnologisch centrum. Het dolfinarium, dat het ‘oceanarium’ werd genoemd toen men er ook dieren uit het Verre Oosten kreeg, besloeg een terrein van 10 hectaren en omvatte onder andere drie afgesloten dierenverblijven, bassins, installaties voor het leegpompen daarvan en voor het vangen van de dieren, een militaire kazerne en een laboratorium.

    De officiële opdracht van het onderzoeksteam, dat voor bijna de helft uit marineofficieren bestond, was om het geheim te ontraadselen van de Gray-paradox, zo genoemd naar de wetenschapper die deze had ontdekt (de Britse zoöloog James Gray, 1891-1975). Hem was opgevallen dat dolfijnen tien keer zo hard zwommen als je aan de hand van hun spiermassa zou verwachten. De onderzoekers lieten een kanaal aanleggen van vijftig meter lang, met glazen panelen in de zijkanten. Daar lieten ze de dolfijnen doorheen zwemmen terwijl zij ze observeerden. Zo ontdekten ze dat de opperhuid van de dolfijnen hun weerstand tegen de beweging van het water vermindert, zodat de dieren geen energie hoeven te besteden aan de strijd tegen de werveling van de golven. Deze ontdekkingen probeerden natuurkundigen toe te passen om de voortstuwing van kernonderzeeërs te verbeteren. Of ze daarin zijn geslaagd is niet bekend.

    Een aantal jaren later, in 1980, werd in het Russische Verre Oosten nog een trainingsbasis geopend. Deze heette officieel 168 NITZ TOF (de Russische afkorting voor ‘168ste onderzoekscentrum van de Pacifische Vloot) en bevond zich in de Posjetbaai. Hier werkte men met Stellerrobben en beloega’s. De eerste groep blonk vooral uit door hun kracht en onverschrokkenheid, terwijl de beloega’s zich onderscheidden door een buitengewone bekwaamheid in echolocatie. Zij werden getraind om vijandige duikers te spotten die sabotageacties wilden uitvoeren, natuurgebieden te beschermen en pijpleidingen en kabels onder water te inspecteren. Maar met het eind van de Sovjet-Unie kwam er ook een eind aan dit project. Het half ingestorte gebouw van het verwarmde bassin, dat op een gigantische golfbal lijkt, geeft het landschap hier nog steeds iets buitenaards.


    unnamed kopie

    Het idee om in Moermansk een gevechtscommando van vinpotigen te vormen ontstond ergens in de hoogste rangen van de Russische marine. De vloot van kernonderzeeërs was op dat moment op volle sterkte. Maar toen kwam het gerucht op dat de Verenigde Staten robben trainden om sabotagemissies uit te voeren, en dat werd als een bedreiging gezien. Daarom werd besloten dat er een levend schild rond de Sovjetvloot moest komen, en wendde men zich tot de biologen van het instituut van Moermansk, die toen in het dorp Dalnie Zelentsky aan de Barentszzee werkten.

    De eerste dompteurs werden geselecteerd uit de militaire duikers die dienstdeden op de Noordelijke Vloot, want die waren gewend aan de ijzige diepten. Dat was belangrijk, want een trainer moest met beloega’s en enorme zeeleeuwen uit het Verre Oosten kunnen werken. Het leger leverde het vliegtuig en het personeel voor het transport. De militairen hadden ook de opdracht om het transport van de gevechtsdolfijnen uit Sebastopol te begeleiden. Tot op het laatste moment dachten de piloten dat ‘dolfijnen’ een codenaam was voor materieel. Wat zullen ze verbaasd zijn geweest toen er mobiele bassins aan boord werden gebracht.

    Vervolgens besloot men een trainingscentrum op te zetten bij de nucleaire vloot in het noorden. In de haven van de basis werd speciaal voor de gevechtsrobben een drijvend verblijf aangelegd. Volgens academicus Gennadi Matisjov konden de robben daardoor ‘operationeel ingezet worden om de speciale troepen te ondersteunen in de strijd tegen onderzeese aanvallen’. Vandaag de dag leven de gevechtsrobben in de buurt van Polyarny, op Kaap Tonia. De zwarte ruggen van de onderzeeërs die uit het water opduiken lijken zelf wel op reusachtige dieren die naar de oppervlakte komen om lucht te happen. En voor de robben is een eigen stadje gebouwd: in zee zijn met netten van geel met groen nylon verblijven afgebakend. De dieren trainen twee keer per dag, de rest van de tijd rusten ze uit, eten ze vis en doen ze mee aan wetenschappelijke experimenten, waarbij onderzoekers verschillende aspecten van hun gedrag bestuderen.

    Zadelrobben en grijze robben

    Uiteindelijk bleek dat de dolfijnen zich niet konden aanpassen aan het noordelijke klimaat, dat de zeeleeuwen uit het Verre Oosten te agressief waren en de beloega’s te kwetsbaar en te duur: toen deze dieren ziek werden, was er niemand in Rusland die wist hoe je walvissen moest verzorgen. ‘In de loop der tijd hebben we alleen de lokale soorten overgehouden,’ vertelt Dmitri Isjkoelov van het instituut voor mariene biologie in Moermansk. ‘We hebben de kosten van het vangen en het onderhoud afgezet tegen wat de dieren eigenlijk konden. De robben bleken het grootste rendement op te leveren. Daarom werken we nu alleen met zadelrobben en grijze robben. Die hebben veel minder voedsel nodig dan walvissen, ze zijn gemakkelijker onder controle te houden, te vervoeren en te trainen.’

    Op dit moment herbergt het centrum negen robben. De training van een dier duurt ongeveer anderhalf jaar. Eerst gaan de robben naar de ‘basisschool’. Daar leren ze zich te laten benaderen, zich een tuig met een riem te laten omdoen, materiaal op hun rug te vervoeren, een kist binnen te gaan en niet bang te zijn voor harde geluiden. Vervolgens kunnen ze doorstromen naar de ‘hogeschool’. Elke rob krijgt een eigen specialiteit. Zo zal de ene leren pijpleidingen te inspecteren met een camera op de rug; een andere moet in een bepaalde sector onder water vreemde objecten kunnen opsporen, zogenaamde ‘doelen met zwakke emissie’ (zwarte dozen, verloren apparaten of materialen); een derde leert gereedschap brengen naar mensen die in de diepzee aan bekabeling werken, een vierde wordt gedresseerd om vijanden uit te schakelen.

    ‘Boezia bijvoorbeeld kan met duikers werken, maar we hebben haar niet geleerd om het zuurstofmasker van een kikvorsman af te trekken,’ legt Aleksander Zajitsev, directeur van het laboratorium voor biotechnologische systemen uit. ‘Maar het is heel goed mogelijk om van een rob een aanvalswapen te maken. Hij heeft tanden die even effectief zijn als die van een hond en klauwen van 8 tot 10 centimeter lang. We hebben gezien hoe de robben de eenden op de ponton rond het verblijf besluipen. Ze vallen ze over het hek heen aan, doden ze met hun klauwen en peuzelen ze dan smakelijk op.’

    Alleen zullen deze robben die ‘vaardigheid’ waarschijnlijk nooit op mensen toepassen. Want het laboratorium voor biotechnologische systemen richt zich voornamelijk op fundamenteel onderzoek en behaalt buitengewone resultaten op het gebied van sensorische systemen. Zo is ontdekt dat de robben niet in zwart-wit zien, zoals tot nu toe werd gedacht, maar in kleur, en dat ze uitstekend in staat zijn om rood van blauw te onderscheiden. ‘Dat kunnen we gebruiken voor toepassingen bij ‘vriend-vijand’-systemen, bijvoorbeeld tegen saboteurs, of voor het zoeken naar objecten onder water,’ vertelt Dmitri Isjkoelov. Op een ander vakgebied houdt men zich bezig met onderzoek naar magnetische velden. Er is een theorie dat de robben zich kunnen oriënteren dankzij die velden, net zoals vogels of vleermuizen. Het zou interessant zijn om die hypothese te testen.’

    ‘Weer een ander vakgebied is dat van elektromagnetische golven. Wij werken samen met onderzoekers van het instituut voor polaire geofysica. Zij hebben apparaten die golven van verschillende frequenties kunnen uitzenden,’ legt Dmitri Isjkoelov uit. ‘We leren de rob een serie oefeningen, vervolgens kijken we of hij die nog steeds doet onder invloed van golven van lage frequenties. Waarschijnlijk worden nu systemen ontwikkeld om levende wezens te kunnen desoriënteren met behulp van magnetische velden. Ik wil er meteen bij zeggen dat het gaat om vrij zwakke golven en dat de dieren er niet van te lijden hebben. Alles bij elkaar is het belangrijk om het gedrag van de dieren grondig te bestuderen, zodat we weten tot op welk punt wij ze nog kunnen aansturen.’

    unnamed 1 kopie

    Ondertussen is de vraag of een modern leger vinpotigen of walvisachtigen nodig heeft, nog steeds niet echt beantwoord. Volgens sommigen zijn robotsystemen, zoals onderwaterdrones, betrouwbaarder in het uitvoeren van taken. ‘Ik denk dat we moeten bepalen op welke terreinen het gebruik van zeezoogdieren goed werkt en wanneer het alleen maar verspilde tijd is,’ zegt Vitali Varganov. ‘Wij hebben indertijd in Sebastopol zo veel ervaring opgedaan dat het antwoord makkelijk te vinden moet zijn.’

    Dat oceanarium beschikte over twee onderzoekslaboratoria. Het eerste hield zich bezig met de bescherming van de baai: de dieren leerden vijanden onderscheiden en die vervolgens naar de oppervlakte te dwingen of ze te elimineren. ‘Wij deden veel experimenten met het bewapenen van zeedieren,’ herinnert Vitali Varganov zich. ‘De Amerikanen werkten er ook aan, net als wij, ook zonder veel succes. Zij bewapenden de dieren met speciale messen en injectienaalden met vergif of een slaapmiddel. De Sovjets hadden het klassieke pistool van de duiker genomen en daarvan de kolf zo aangepast dat hij op de neus van een dolfijn paste. Dat moest dan afgaan bij het contact met de vijand. Dat is niks geworden. Wel zijn de dieren erg nuttig gebleken voor het zoeken naar allerlei objecten op de zeebodem.’
    Dat was wat de dolfijnen en zeeleeuwen in het tweede laboratorium leerden. Uiteindelijk waren de dieren in staat torpedo’s en mijnen en dat soort voorwerpen te vinden. Ook konden ze wapens en mijnen spotten die nog uit de Tweede Wereldoorlog stamden. Vervolgens heeft men hun vaardigheden uitgebreid door ze te leren hulp te bieden aan onderwaterploegen in nood. Hadden zij in 2000 de bemanning van de Koersk kunnen redden [de kernonderzeeër die met 118 bemanningsleden aan boord was gezonken na een reeks explosies]? Die vraag moeten de deskundigen helaas met nee beantwoorden: daarvoor was een speciaal getraind dier nodig geweest en dat was er in die tijd niet.
    Vitali Varganov: ‘Ons onderzoekscentrum is in 1992 gesloten. Aan het begin van de jaren negentig hadden we tweeënzestig grote dolfijnen, zes zeeleeuwen, enkele pelsrobben en twee beloega’s, dus bijna tachtig dieren. Er werkten meer dan dertig onderzoekers, zowel burgers als militairen. Tot het eind toe hebben we de biotechnologische systemen draaiend gehouden en we hadden permanent zes dolfijnen paraat. Maar op die plek zouden we nooit werkelijk met vijanden geconfronteerd zijn.’

    ‘De bouw van het oceanarium was gefinancierd door het ministerie van Defensie,’ vertelt Varganov. ‘Maar we moesten van het begin af aan financieel zelfstandig zijn. We kregen opdrachten van het leger en daar werden we voor betaald. Volgens ons contract mochten we geen opdrachten van anderen aannemen.’ In 1992 bij het uiteenvallen van de USSR bleef het oceanarium gevangen in dat systeem, de geldstroom droogde op, niemand had meer behoefte aan de dieren en die kwijnden weg.

    ‘Weet je wat het allerbelangrijkst was in dat programma?’ vraagt Varganov. ‘Niet de technische installaties of de gedresseerde dieren, maar de mensen. Het kost jaren om een specialist op te leiden die met zeezoogdieren kan werken. Daarom zijn onze specialisten door oceanaria in het buitenland gerekruteerd en vertrokken ze – naar Turkije, naar Cyprus, naar Israël, naar Saoedi-Arabië. Vervolgens, toen het dolfinarium onder Oekraïne kwam te vallen (na het uiteenvallen van de USSR; de Krim werd vervolgens in 2014 geannexeerd door Rusland), heeft men de dieren zelf naar het buitenland gestuurd. Het oceanarium ging dieren speciaal voor de verkoop dresseren en kon zo deze moeilijke periode doorstaan.’

    Het goede nieuws is dat de eenentwintigste eeuw nieuwe professionele perspectieven biedt voor de zoogdieren, en dat kan een stimulans zijn voor de ontwikkeling van deze wetenschap. De robben van Moermansk kunnen een gaspijpleiding volgen en lekken opsporen aan de hand van de luchtbellen die daaruit opstijgen. Ontdekt zo’n besnorde arbeider een gevaarlijke plek, dan markeert hij die door er een gewicht neer te leggen dat vastzit aan een boei: die heeft hij in zijn bek bij zich.

    ‘Het is moeilijk om de dieren te dresseren, maar vervolgens kan een rob twintig tot dertig jaar operationeel zijn. Het belangrijkste voordeel van robben is dat ze kunnen nadenken en besluiten kunnen nemen al naar gelang de omstandigheden’

    En dan zijn er nog de wetenschappelijke expedities. ‘Een paar jaar geleden hebben we een groep baardrobben uitgerust met zendertjes en hun verplaatsingen geobserveerd,’ vertelt Dmitri Isjkoelov van het instituut voor mariene biologie van Moermansk. ‘Dat heeft interessante resultaten opgeleverd: in een paar maanden tijd legden de dieren meer dan 8000 zeemijlen af en zijn ze helemaal naar Spitsbergen en Nova Zembla geweest. De zenders registreerden niet alleen hun locatie, maar ook omgevingsfactoren, zoals het zoutgehalte en de temperatuur. Zo ontpopten ze zich tot formidabele wetenschappelijke meetinstrumenten.’ Tegenwoordig is een groep robben in realtime te volgen via een app voor de mobiele telefoon. Die informatie kan bijvoorbeeld belangrijk zijn voor vissersschepen: blijft de groep robben een paar dagen in een bepaalde zone, dat betekent dat waarschijnlijk dat daar veel vis zit.

    ‘Mensen zeggen vaak dat we beter robotica kunnen gebruiken, maar op veel terreinen zullen dieren nog steeds rendabeler zijn,’ stelt Aleksander Zajitsev. ‘Net zoals er ondanks alle technologische innovaties nog steeds politiehonden op de luchthavens zijn. Zo gaat het ook met robben, zij kunnen in diepe wateren werken, snel een zone verkennen, ook in troebel water. Op dit moment bestaat er niet één robot die daar tegenop kan. Het is moeilijk om de dieren te dresseren, maar vervolgens kan een rob twintig tot dertig jaar operationeel zijn. Het belangrijkste voordeel van robben is dat ze kunnen nadenken en besluiten kunnen nemen al naar gelang de omstandigheden.’

    Of er inmiddels ook weer militaire belangstelling voor zeedieren is, valt op dit moment moeilijk te zeggen. Voor dit artikel hebben we geprobeerd in contact te komen met de militaire eenheid die nu het legendarische dolfinarium van Sebastopol bestiert. We kregen echter te horen dat dit een speciale eenheid van de marine is, die onder de Russische militaire inlichtingendienst valt. We konden er dus niet achter komen waar het leger op die plek mee bezig is, maar in de wandelgangen gaat het gerucht dat er vorig jaar vijf grote dolfijnen zijn aangekocht.

    Auteur: Elena Koudriavtseva
    Vertaler: Annemie de Vries

    Illustraties: © Ale+Ale

    Ogonjok
    Rusland | dagblad | oplage 67.000

    ‘Het vlammetje’ werd opgericht in 1899 en heeft een veelbewogen geschiedenis achter de rug. In de jaren 1970-1980 deed het dagblad vooral verslag van het culturele leven van de Sovjets, vervolgens werd het de spreekbuis van de perestrojka. Nu is het een gerenommeerd nieuwsmedium.