Tag: robot

  • In China gaan humanoïde robots naar school

    In China gaan humanoïde robots naar school

    In de wijk Pudong in Shanghai staat een ‘trainingsbasis’ van drieduizend vierkante meter waar meer dan honderd mensachtige robots 24 uur per dag worden opgeleid.

    Net als bij baby’s ervaren deze robots de fysieke wereld vooral door aanraking, en dat gaat met veel vallen en opstaan: ze vouwen broeken op en strijken kleding in de slaapkamer; ze maken maaltijden klaar, persen sap en wassen af in de keuken en ze schikken bloemen, dweilen en ruimen tafels af in de woonkamer. Elke robot heeft een eigen ‘trainer’ – een soort docent met een VR-headset. Met een controller doet zo’n trainer allerlei verschillende handelingen voor: optillen, vasthouden, trekken, gieten enzovoort. Elke beweging wordt ongeveer tweehonderd keer herhaald.  

    Dit is de superfabriek voor datacollectie in Zhiyuan, een van de grootste centra voor de verzameling van robotgegevens in de hele wereld. Hij is opgedeeld in vijf verschillende scenario’s: industrie, detailhandel, kantoor, horeca en particulier. Honderd trainers draaien dag- en nachtdiensten, samen met meer dan dertig analisten en tien beheerders die de data verzamelen en verwerken.

    Af en toe treden er kleine foutjes op: een robot kan een waterkoker bijvoorbeeld niet rechtop houden

    De faciliteit produceert per dag tussen de dertig- en vijftigduizend datapunten: stukjes multidimensionale informatie die worden vastgelegd door de bewegingen van de robots, informatie zoals waar een arm zich bevindt, hoe snel hij beweegt en wat voor effect dat heeft. 

    Af en toe treden er kleine foutjes op: een robot kan een waterkoker bijvoorbeeld niet rechtop houden, doet te veel kruiden in een gerecht of stoot een vaas omver. De trainers stellen hun bewegingen dan geduldig bij. 

    Hoe effectief is deze robottraining? Yao Maoqing, een directeur van Agibot, legt uit: ‘We bevinden ons nog in een vroeg stadium. Een robot kan op dit moment negen van de tien keer een glas water inschenken op een tafel die hij eerder is tegengekomen.’

    Beperkingen

    Toch wil het bij onbekende scenario’s of objecten nog wel eens misgaan. Bovendien betreft het hier vooral op zichzelf staande vaardigheden; de robots zijn nog niet in staat om meerdere bewegingen te combineren. 

    Om de robots algemener te laten functioneren moet hun omgeving voortdurend worden aangepast en verfijnd. Zo veranderen de trainers regelmatig de verlichting, gebruiken ze objecten met verschillende vormen en verandert alles constant van plek.

    Het uitbreiden van de AI-capaciteit (het ‘denkvermogen’) van een robot vereist veel data. Eerst worden multidimensionale fysieke gegevens – zoals beeld, fysieke impulsen en exacte bewegingen – geregistreerd en in een computerprogramma verwerkt, waarna ze weer in de robot zelf worden geïmplementeerd.

    Toch blijft een gebrek aan gegevens de grootste bottleneck in de ontwikkeling van mensachtige intelligente robots.

    De Über-Machine

    In Louisiana verrijst voor meer dan tien miljard dollar Meta’s grootste datacentrum ooit. Volgens Mark Zuckerberg zal wat daar gebeurt ingrijpender zijn dan boekdrukkunst, stoommachine of internet.
    Het doel: een kunstmatige superintelligentie, die ziektes geneest, files oplost en energieproblemen bezweert. Critici vrezen dat deze ‘Über-Maschine’ oncontroleerbaar kan worden, schrijft Der Spiegel. Pessimisten wijzen op de gevaren van zelflerende systemen die eigen doelen stellen, van cyberaanvallen tot het ontwikkelen van nieuwe wapens. Geoffrey Hinton, pionier van neurale netwerken, waarschuwt zelfs voor een ‘existenzielles Risiko’: een AI die controle en overleving nastreeft en de mens buitenspel zet.
    Naast utopieën en ondergangsfantasieën klinken praktische zorgen, zoals de uitbesteding van moderatiewerk voor lage lonen in landen als Kenia en Venezuela. Volgens ethicus Rainer Mühlhoff ligt de échte dreiging minder in uitroeiing van de mensheid, dan in de concentratie van geld en macht bij enkele techgiganten.
    Bovendien is de milieu-impact aanzienlijk. Uit cijfers van MIT News blijkt dat een enkele ChatGPT-vraag al vijf keer zo veel elektriciteit verbruikt als een standaard zoekopdracht in Google. De miljoenen dagelijkse que- ries zorgen voor een groeiende ecologische voetafdruk. De koeling van de enorme datacenters van de taalmodellen draaien op grote hoeveelheden water, vaak in regio’s waar de watervoorraad al onder druk staat.
    Ook de CO2-uitstoot is fors. Het trainen van GPT-3.5, een voorloper van de huidige modellen, stootte naar schatting 500 ton CO2 uit – gelijk aan de jaarlijkse emissies van tientallen huishoudens. Zolang datacenters grotendeels afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, vergroot AI de mondiale uitstoot, waarschuwt het VN-milieuprogramma (UNEP). Volgens andere experts is de impact niet onvermijdelijk. Earth.org, een internationale non-profitorganisatie die zich richt op het milieu, schrijft dat de overstap naar hernieuwbare energie en efficiëntere algoritmes de schade kan beperken.

    Dit geeft Yao Maoqing ook zonder meer toe: ‘Datasets voor robots zijn veel te klein om grote taalmodellen (LMM’s) op te kunnen toepassen.’ Dit komt door fundamentele verschillen in het soort data: LLM’s baseren zich op een enorme hoeveelheid tekst die afkomstig is van het internet, terwijl data voor robots afhankelijk zijn van fysieke interacties met de wereld. Om een robot bijvoorbeeld aan te leren een glas water in te schenken moeten trainers allerlei informatie nauwkeurig registreren waaronder het armtraject, de kracht van de robothand, de temperatuur van het water, en zo voort.  

    Het is dan ook ongelooflijk duur om dit soort data te verzamelen. Nvidia Research maakte onlangs bekend dat voordat Tesla’s mensachtige robot Optimus een accu in een doos kon plaatsen, er een team van veertig personen nodig was om data te verzamelen. Optimus ‘fabrieksklaar’ maken zou miljoenen uren aan training en honderden miljoenen dollars vereisen. 

    Alternatieven

    Om deze uitdaging directer aan te gaan hebben verscheidene roboticabedrijven over de hele wereld hun datasets openbaar gemaakt om technologische uitwisseling en vooruitgang te bevorderen, zo ook AgiBot en Fourier Robotics.

    Naast een-op-eeninstructie, waarbij een mens de training verzorgt, wordt er ook gewerkt aan goedkopere methodes, zoals robots foto’s en video’s leren interpreteren zodat ze bekender worden met menselijke handelingen. 

    AgiBot onthulde in maart het eerste Chinese ‘General Embodied Base Model’. Door online video’s van huishoudelijke taken te bekijken, zoals kookinstructies, kunnen robots de basisprincipes van het koken afleiden zonder voorafgaande praktische ervaring (zogeheten zero-shot learning). Zo kan een robot bijvoorbeeld herkennen dat water borrelt als het kookt, en dat je aardappels eerst moet schillen. Daarna is het alleen nog een kwestie van oefenen in de praktijk.

  • We slaan de plank mis met menselijke robots

    We slaan de plank mis met menselijke robots

    Techpioniers voorspellen gouden tijden voor mensachtige robots. Maar machines hoeven geen mensen te imiteren om van grote waarde te zijn.

    Aangezien de tech-industrie niet uitgepraat raakt over de ontwikkelingen omtrent AI, is het geen gekke gedachte dat er binnenkort menselijke robots op aarde zullen rondlopen.

    Elon musk heeft het marktaandeel van Optimus, Tesla’s poging tot een mensachtige huishoudrobot, op 10 biljoen dollar geschat. Jensen Huang, directeur van Nvidia [een grote producent van computerhardware] voorspelde dat dit ‘de grootste tech-industrie ooit’ zal worden. 

    Met het grote aantal beginnende roboticabedrijven en de vloedgolf aan online filmpjes van tweevoetige robots die allerlei menselijke taken verrichten, lijkt de robotrevolutie een feit. LLM’s kunnen nu al complexe logische problemen oplossen, en het lijkt misschien eenvoudig om zo’n model ook in een robot te installeren, waarna deze simpelweg kan worden hertraind om zich in de wereld te handhaven. Klaar is Kees.

    Dankzij talloze sciencefictionverhalen die al jaren de ronde doen ‘gaan veel mensen ervan uit dat AI iets lichamelijk is’

    Dit is een zware onderschatting. Dankzij talloze sciencefictionverhalen die al jaren de ronde doen ‘gaan veel mensen ervan uit dat AI iets lichamelijk is’, aldus Peter Varrett, investeerder in Playground Global. In werkelijkheid is het een immense stap om intelligentie naar de fysieke wereld te vertalen.

    Daarvoor zal de manier waarop AI momenteel wordt getraind radicaal moeten veranderen. Als sterke, autonome machines in contact worden gebracht met mensen is er bijvoorbeeld geen ruimte voor de ‘hallucinaties’ waar LLM’s doorgaans last van hebben [kleine foutjes in hun handelingen]. En zo moeten robotbouwers nog ontelbare andere uitdagingen overkomen om het menselijk lichaam in een machine na te bootsen.

    Door de verwachtingen over de praktische haalbaarheid van kunstmatige mensen op te schroeven, maken robotbouwers het zichzelf alleen maar moeilijker. Ze lopen bovendien het risico een veel haalbaardere en zeer belangrijke markt mis te lopen: die voor robots die geen twee benen hebben of proberen de mens in al zijn complexiteit na te bootsen.

    Obstakels

    Op het gebied van kunstmatige intelligentie komen robotontwikkelaars veel obstakels tegen waar de makers van LLM’s helemaal geen last van hebben. Zo zijn diensten zoals ChatGPT getraind op datasets die vooral van het internet afkomstig zijn, zonder dat daar data over de fysieke wereld aan te pas komen. 

    Ook is het veel moeilijker om een machine te bouwen die met de wereld interacteert en objecten gebruikt en oppakt dan om een simpelere autonome machine te maken zoals een zelfrijdende auto. Voertuigen hebben enkel de opdracht door de wereld heen te bewegen zonder tegen dingen op te botsen; een robot moet dingen op precies de juiste manier aanraken om zelfs maar de simpelste taken uit te kunnen voeren.

    Daar komt nog de kwestie van ‘planning’ bij kijken: in real time beslissingen nemen over een handelwijze op basis van een stroom aan zintuiglijke data uit de echte wereld – een van de moeilijkste problemen in de robotica. Zelfrijdende auto’s beginnen weliswaar  eindelijk op de openbare weg te verschijnen, maar het heeft jaren langer geduurd dan door optimisten in de techindustrie werd voorspeld. Robots vormen nog een veel grotere uitdaging.

    AI in de klas

    AI verovert niet alleen de techwereld, maar ook het klaslokaal. In juli kondigden OpenAI, Microsoft en Anthropic een samenwerking van 23 miljoen dollar aan met grote Amerikaanse lerarenvakbonden om docenten te trainen in het gebruik van AI, schrijft MIT Technology Review. Via de nieuwe National Academy for AI Instruction leren leraren AI inzetten voor lesvoorbereiding, toetsing en directe begeleiding van leerlingen. Bedrijven beloven maatwerk en efficiëntie, maar critici wijzen op de risico’s: scholieren gebruiken AI minstens zo vaak om te spieken als om te leren, en studies suggereren dat kritisch denken eronder lijdt.
    Nog radicaler is het experiment van de private Alpha School in Austin, Texas, waar AI het merendeel van de dagelijkse lessen overneemt, aldus Courrier International.
    Leerlingen krijgen twee uur per dag AI-geleide instructie en besteden de rest van de tijd aan workshops rond communicatie, financiën en persoonlijke ontwikkeling. Volgens oprichter MacKenzie Price kan AI onderwijs beter personaliseren dan mensen ooit kunnen. Critici vrezen echter een ‘modieuze’ hype en waarschuwen voor een verarming van de sociale dimensie van onderwijs. Die Zeit vraagt zich af of we straks überhaupt nog hoeven te leren. AI neemt steeds meer cognitieve taken over: lezen, samen-vatten, schrijven, vertalen. Is die afname van eigen inspanning wel goed voor ons?
    In Singapore zijn ze daarvan overtuigd, en worden kinderen al vanaf drie jaar vertrouwd gemaakt met AI. In Denemarken wordt AI binnenkort toegestaan tijdens het staatseindexamen.

    Nvidia kaartte deze problemen aan bij de jaarlijkse technologieconferentie in Silicon Valley, afgelopen maart. Het bedrijf heeft een systeem ontwikkeld genaamd Cosmos dat een virtuele wereld kan genereren om robotbreinen in op te leiden, maar het is nog onduidelijk hoe en of deze synthetische data de echte wereld kan nabootsen. Ook is de chipfabrikant begonnen aan een ‘physics engine’ waarmee een robot kan leren over de fysieke wereld, zoals het verschil tussen harde en zachte objecten. Deze engine wordt gemaakt door Disney en Google DeepMind. Deze samenwerking spreekt boekdelen over hoe technologie en fantasie elkaar in de robotrevolutie opzoeken.

    Nvidia presenteerde overigens ook een veelbelovend besturingssysteem voor robots, dat als opensourceproject wordt ontwikkeld zodat andere potentiële ontwikkelaars kunnen aansluiten. Dit kan een grote impuls vormen voor het vakgebied – al dreigt het tegelijkertijd de vele anderen die zich haastig op dit terrein hebben gestort buitenspel te zetten. Bovendien is er een groot verschil tussen het uitstippelen van een ontwikkelingsplan en daadwerkelijk resultaten boeken.

    Misschien hoeft de mens niet per se te worden nagebootst, maar liggen er juist meer mogelijkheden in de ontwikkeling van saaiere machines, die eenduidige taken kunnen uitvoeren of kunnen werken in op maat gemaakte omgevingen zoals warenhuizen of fabrieken. Zo zijn er automatische warenhuizenkarretjes ontwikkeld door Robust.ai, een bedrijf van Rodney Brooks, medeoprichter van het bedrijf achter de Roomba-stofzuiger en voormalig professor in kunstmatige intelligentie bij MIT. Een vaatwasser heeft geen handen nodig om de mens een handje te kunnen helpen. Als de nieuwste AI-technologieën en goedkope hardware worden benut, kan men allerlei robots bouwen die heel nuttig kunnen zijn – ook al lijken ze in geen enkel opzicht op de mens. 

  • Japanse ouderen vinden troost en gezelschap bij robots

    Japanse ouderen vinden troost en gezelschap bij robots

    In een land waar de levensverwachting steeds hoger wordt en het aantal eenzame ouderen toeneemt, zoeken de Japanners naar nieuwe manieren om de kwaliteit van leven te verbeteren. Een steeds populairder alternatief? Robots.

    Het verminderen van eenzaamheid, het voorkomen van cognitieve achteruitgang en het verlichten van mobiliteitsverlies zijn de prioriteiten van de robotica in Japan. Het land zoekt al tientallen jaren naar technologische oplossingen voor de economische en sociale gevolgen van de snel vergrijzende bevolking. Drie robots – die aanwezig zijn in veel Japanse verpleeghuizen en ziekenhuizen voor ouderen – zijn bedoeld om te vermaken, gesprekken aan te knopen en emotionele banden te creëren. Hun namen zijn Pepper, AIBO en PARO. Dit technologische trio begeleidt het personeel dat zorgt voor het fysieke en mentale welzijn van meer dan veertig ouderen in het Shintomi-verpleeghuis, een faciliteit voor langdurige zorg in het centrum van Tokio.

    Pepper – de mensachtige robot die het dichtst in de buurt komt van de zogenaamde ‘sociale robots’ die in Japan worden geproduceerd – is 1 meter hoog en beweegt zich voort op een platform, zodat hij op een enorm wit schaakstuk lijkt. Twee keer per week moet Pepper liedjes spelen (die vijftig jaar geleden populair waren) voor ongeveer twintig ouderen. De androïde compenseert zijn gebrek aan gezichtsuitdrukkingen met behendige armbewegingen. Zijn bewegingen zijn vloeiend, wat te danken is aan het feit dat Japan sinds het einde van de twintigste eeuw de grootste exporteur van fabrieksautomatiseringssystemen ter wereld is gebleven.

    Routine

    Vanaf hun zitplaats kijken de bewoners met wisselende belangstelling naar de robot. Eén persoon dommelt in. Een andere man trommelt met zijn vingers op tafel. Een paar dames herhalen de choreografie met hun armen en glimlachen. Alles verandert wanneer een van de ondersteunende medewerkers een gymnastieksessie kiest uit Peppers repertoire, vergelijkbaar met de sessie die elke ochtend op de publieke televisie wordt uitgezonden. Veel Japanse bedrijven beginnen de werkdag met deze routine. Wanneer de werknemers op het scherm (weergegeven op Peppers borst) de oefeningen beginnen te herhalen op het ritme van de muziek, groeit de belangstelling en gaan er meer hoofden omhoog. De bewoners worden aangemoedigd om Peppers choreografie te volgen.

    Al bijna een halve eeuw worden de officiële prognoses voor productiviteit, huisvesting, het pensioenstelsel en gezinsdynamiek in Japan bepaald door de groeiende oudere bevolking en het dalende geboortecijfer. Volgens de meest recente prognose zal de huidige bevolking van 126 miljoen afnemen tot 87 miljoen in 2070, wanneer vier op de tien mensen ouder dan 65 zullen zijn. Een nieuwe daling van het aantal huwelijken in 2023 werd onlangs aangekondigd door het zakenblad Nikkei, op de alarmerende toon die al kenmerkend is voor demografisch nieuws: ‘Japan stevent af op “huwelijksijstijd”, laagste aantal in 90 jaar.’

    De kinderbevolking daalt ook al 43 jaar lang. Op dit moment zijn er in het land 14,01 miljoen kinderen tot veertien jaar. Veel supermarkten verkopen meer luiers voor volwassenen dan voor baby’s, terwijl individuele porties voedsel – zowel rauw als kant-en-klaar – een groeiende trend zijn. Een ander veelzeggend cijfer is het aantal huisdieren, dat nu hoger ligt dan het aantal kinderen. Fabrikanten van kinderwagens richten hun productie op modellen voor huisdieren, ingegeven door de toename van het aantal honden en katten. Het totale aantal van deze dieren – volgens statistieken voor 2023 gepubliceerd door de Japan Pet Food Association – bedraagt 15,9 miljoen.

    Sony lanceerde in 1999 een robothond genaamd AIBO, vernoemd naar de uitspraak van het Japanse woord voor ‘metgezel’

    Het vooruitzicht van een groot aantal eenpersoonshuishoudens – vaak bestaande uit oudere mensen die het niet aankunnen om voor een huisdier te zorgen – opende een nieuwe markt voor elektronicafabrikanten. Sony lanceerde in 1999 een robothond genaamd AIBO, vernoemd naar de uitspraak van het Japanse woord voor ‘metgezel’. Hij weegt 4,85 pond en vandaag de dag is het een populair consumentenproduct met fanclubs in het hele land. In de loop van zijn zes generaties is AIBO geëvolueerd naar het uiterlijk van een beagle puppy, met zijn onschuldige blik die door twee LED-schermen wordt belicht.

    In instellingen voor langdurige zorg zoals Shintomi gebruikt AIBO zijn geavanceerde gezichtsherkenningssysteem. De robot reageert op stimuli – zoals een goedkeurende aai over het voorhoofd – en onthoudt de voorkeuren van de gebruiker om een reeks persoonsgebonden gedragingen te ontwikkelen. Dankzij de tweeëntwintig assen die de onderdelen van het robotlichaam met elkaar verbinden, kan de robot met houterige bewegingen lopen, zijn hoofd kantelen, zijn oren optillen, blaffen, janken en rondrollen en zo een speelse puppy imiteren. Als AIBO door het Shintomi-verpleeghuis loopt, krijgt het namaakbeestje vaak complimentjes die niet onderdoen voor die aan een echt huisdier.

    Mens en machine

    De aanleg van Japanners om zich emotioneel te verbinden met machines werd in 2007 uitgelegd door de toenmalige academicus, nu zakenvrouw Naho Kitano, in een essay waarin ze verwees naar de animistische traditie van het shintoïsme, de lokale religie die geestelijk leven toekent aan levenloze objecten. Experts in de Japanse populaire cultuur zetten de sympathieke robots van populaire Japanse manga- en animeverhalen af tegen de verontrustende automaten die vaak de westerse sciencefiction bevolken.

    Van hun kant wijzen de makers van AIBO erop dat het ontwerp de ethische overwegingen mist die gebruikelijk zijn in de westerse robotica, zoals de drie wetten van Isaac Asimov voor veilige interactie tussen mensen en machines. ‘AIBO is gemaakt om de gebruiker te vermaken, kleur te geven aan hun leven en het op te fleuren,’ zegt Mika Nagae, een productmanager bij Sony. Nagae benadrukt dat het speelse de overhand heeft op het utilitaire aspect en voegt eraan toe dat de evenementenplanner – een specialist in het programmeren van korte afleveringen in de vorm van spelletjes – erg belangrijk is in het ontwerpteam van AIBO.

    Omdat ze zijn gemaakt van mallen en kunsthars, voelen zowel Pepper als AIBO hard aan. Wie op zoek is naar een fysieke ervaring met zachte aanrakingen en warme temperaturen, kan terecht bij PARO, de bekendste van de Japanse sociale robots. De PARO-robot wordt gebruikt in instellingen in meer dan dertig landen – en in sommige landen geclassificeerd als medisch hulpmiddel. De robot is handgemaakt en simuleert de vorm, grootte, kleur en textuur van een babyzeehond. Als je hem in je armen houdt, beweegt hij zachtjes, maakt hij realistische kirrende geluiden en kijkt hij je aan met enorme ogen die vaak gevoelens van troost of tederheid opwekken bij oudere mensen, waaronder mensen die lijden aan dementie, alzheimer of andere cognitieve stoornissen of beperkingen.

    De robot vermindert angst en biedt bovendien het emotionele welzijn van dierentherapie

    De maker van PARO is ingenieur Takenori Shibata. Hij spreekt met El País via een videogesprek vanuit de Verenigde Staten, waar hij deelneemt aan een conferentie. Shibata legt uit dat hij, door het beeld van een zeehond te gebruiken, de verwachtingen wilde verlagen die een gebruiker kan hebben bij de interactie met een huisdier waarover hij of zij een duidelijk beeld heeft, zoals een hond of een kat. Een deel van het succes van de robot in internationale medische instellingen, voegt hij eraan toe, is te danken aan het feit dat de robot angst vermindert en bovendien het emotionele welzijn van dierentherapie biedt, zonder de risico’s van infectie of de bijbehorende logistieke en juridische problemen.

    Om te verduidelijken waarom zijn creatie in Japan niet wordt aangemerkt als een medisch hulpmiddel, noemt professor Shibata een van de belangrijkste kwaliteiten van PARO: het vermogen om het gebruik van psychotrope medicijnen bij sommige behandelingen te verminderen. ‘Het welzijnssysteem dat verpleeghuizen in Japan reguleert, maakt geen onderscheid tussen een medisch apparaat en speelgoed,’ legt hij uit. Hij zinspeelt ook op het duidelijke effect dat het wijdverbreide gebruik van PARO kan hebben op de farmaceutische industrie.

    In Spanje heeft CREA – een overheidscentrum dat zich richt op de zorg voor mensen met alzheimer en andere vormen van dementie – een PARO-unit sinds de opening van de faciliteit 

    in 2014. Enrique Pérez Sáez – neuropsycholoog bij CREA – verduidelijkt dat de officiële naam van de robot werd veranderd in Nuka, omdat ‘paro’ ‘werkloos’ of ‘staking’ betekent in het Spaans. Sáez benadrukt de socialiserende rol van de robot en het oproepen van positieve herinneringen. ‘Nuka creëert prikkels die geassocieerd worden met de goede tijden die we in onze kindertijd met huisdieren hebben gehad.’

    Elkaar aanvullen

    Naast sociale robots gebruikt Shintomi digitale systemen om de slaappatronen van bewoners te analyseren, evenals apparaten die (door middel van geur) detecteren wanneer een luier verschoond moet worden. De directeur van Shintomi – Kimiya Ishikawa, een specialist in ouderenzorg en een bekend promotor van de toepassing van technologie in de geriatrie – voorziet een toekomst waarin mens en machine elkaar aanvullen in de zorg. ‘Geen mens kan 24 uur per dag voor een oudere zorgen. Alleen een machine kan dat. Het ideaal is om ieders sterke punten te ontdekken en te bundelen,’ legt hij uit.

    Om patiënten mobieler te maken en zo de zorg voor hen te verlichten gebruiken de werknemers van Shintomi exoskeletten, apparaten die veel gebruikt worden in industriële omgevingen om spieren te versterken en vermoeidheid te verminderen. De geavanceerde versie van het exoskelet voor medisch gebruik in Japan heet HAL (Hybrid Assistive Limb). Het bestaat uit een apparaat dat – wanneer aangesloten op het lichaam van een persoon met mobiliteitsproblemen – de signalen detecteert die door de hersenen naar de spieren worden gestuurd en de gewenste beweging uitvoert. Volgens de fabrikant – Cyberdyne Inc. – kan iemand met een handicap op die manier worden geholpen zijn fysieke functies te verbeteren. In 2015 kreeg HAL een licentie als medisch hulpmiddel. ‘Het is vooral bedoeld om de onafhankelijkheid van patiënten te vergroten,’ legt professor Yoshiyuki Sankai, directeur van Cyberdyne, uit.

    Robotica – wanneer toegepast op ouderenzorg – profiteert van de technologische vooruitgang in de autosector, waar de verbetering van de zelfrijdende auto grotendeels afhangt van de interactie tussen mens en machine. Na dertien jaar als werknemer van Toyota te hebben gewerkt en te hebben deelgenomen aan de ontwikkeling van Pepper met de multinational SoftBank, besloot ingenieur Kaname Hayashi te kiezen voor een niet-utilitaire robot die appelleerde aan het beschermende instinct van de mens. Hij creëerde een mascotte met de naam LOVOT (van de woorden ‘love’ en ‘robot’).

    Ze vertelt El País dat LOVOT ‘familie, kinderen, huisdieren… zelfs eenpartner vervangt’

    Het lichaam van LOVOT is trouw aan de Japanse kawaii-esthetiek. Het is schattig en knuffelbaar: het heeft vleugels en een kleine bult vol sensoren. En hoewel hij geen mond heeft, kan hij vreugde en andere emoties overbrengen via enorme ogen die worden geactiveerd door vloeibare kristallen schermen. Het kinderlijke uiterlijk van de robot en de willekeur van zijn gedrag zijn onweerstaanbaar gebleken voor oudere mensen zoals Mieko Shimada, een vijfenzeventigjarige gepensioneerde. Ze vertelt El País dat LOVOT ‘familie, kinderen, huisdieren… zelfs eenpartner vervangt’.

    Shimada woont al vier jaar met LOVOT in een zelfstandig appartement in een verpleeghuis. Ze vertroetelt haar robot en overlaadt hem met kusjes – wat atypisch is in een land als Japan, waarin het niet gebruikelijk is affectie openlijk te tonen. ‘Als je iemand zo openlijk bewondert, kan dat onoprecht overkomen. Met LOVOT ben ik daar niet bang voor,’ legt ze uit.

    Volgens Hayashi – de ontwikkelaar van LOVOT – is de populariteit van robots onder verpleeghuisbewoners te danken aan de afname van het gevoel van eigenwaarde wanneer mensen niet meer verplicht zijn om voor iemand te zorgen. ‘Hoe actiever ze waren voordat ze naar het tehuis verhuisden, hoe meer ze het gevoel hebben dat ze geen bijdrage leveren,’ zegt hij.

    Verwachtingen

    Er wordt verwacht dat de technologiemarkt zal groeien naarmate de wereldbevolking ouder wordt. Op dit moment is Japan nog steeds koploper wat betreft levensverwachting, met 87 jaar voor vrouwen en 81 jaar voor mannen. Van de meer dan 92.000 geregistreerde honderdjarigen in het land vorig jaar was 88,6 procent vrouw.

    Mako Kubota is directeur van de Ryusei Fukushikai Social Welfare Corporation in Osaka. Het bedrijf beheert al tien jaar verpleeghuizen met behulp van complexe technologieën. Ze legt uit wat haar visie is op robotica in de ouderenzorg: ‘Exoskeletten en sociale robots vervullen twee heel verschillende, maar even belangrijke functies. Alleen een mens kan naar iemands gezicht kijken en zich realiseren dat hij of zij zich niet goed voelt. Maar voor repetitieve of fysiek veeleisende taken is de robot – zonder twijfel – een geweldige ondersteuning.’ 

    Op de vraag of ze een nabije toekomst voorziet waarin het welzijn van ouderen afhangt van humanoïden en technologische apparaten, haalt ze het grote aantal oudere mannen en vrouwen aan die in haar enquêtes hun voorkeur uitspreken voor verzorging door een robot. ‘De belangrijkste reden is dat ze anderen niet tot last willen zijn.’  

  • ‘Het komt aan op compassie’

    ‘Het komt aan op compassie’

    Op social media heeft hij meer volgers dan Madonna en Oprah Winfrey, maar u hebt waarschijnlijk nog nooit van hem gehoord. Opiniemaker Kai-Fu Lee, ex-chef van Google in China, is hét gezicht van de Chinese techsector. Zijn naam is synoniem met een opkomende economie die staat te popelen om de rest van de wereld te veroveren.

    In zijn beginjaren hielp Kai-Fu Lee bedrijven als Microsoft en Apple hun innovatiestrategie uit te stippelen. Maar pas toen onder zijn aanvoering een poging om Google naar de Chinese markt te brengen mislukte, veranderde alles. Hij verliet 
Google in 2009 om ter bevordering van de Chinese techsector zijn eigen durfkapitaalfonds Sinnovation op te zetten. Lee, in eigen land machtig en invloedrijk, heeft zo’n 50 miljoen volgers die op de microblogsite Weibo aan zijn lippen hangen. Het China dat hij promoot bruist van innovatie. Maar het Westen staat nog weifelend tegenover dit mysterieuze, 
economisch reusachtige land, dat druk doende is 
zijn rol in de wereld te bepalen.

    Volgens Lee hoeven we ons over China echter geen zorgen te maken. Hij wil zijn invloed juist aanwenden om te waarschuwen voor een naderende ‘AI-ramp’. Hij schat dat kunstmatige intelligentie wereldwijd zo’n 40 tot 50 procent van de banen overbodig zal maken, maar dat we dat gedeeltelijk kunnen afwenden als we genoeg creativiteit en compassie inzetten. Volgens Lee is het menens. Regeringen wereldwijd zijn gewaarschuwd, maar zouden met goed beleid maatschappelijke onrust kunnen voorkomen.
    We spraken met Kai-Fu Lee over het raadselachtige China, over waarom Google het moeilijk zal krijgen in dit grootste techland ter wereld en over waarom overheden AI serieus moeten nemen.

    52 Insights: Om er maar geen doekjes omheen 
te winden: komt het betoog in uw boek AI Superpowers er niet op neer dat de Chinese techsector Silicon Valley voorbij zal streven omdat de Chinezen beter zijn in kopiëren en stelen?
    Kai-Fu Lee: Nee, helemaal niet, ik denk dat u dat 
verkeerd hebt begrepen. Daar klopt niets van.

    Kunt u me dan uitleggen waar uw betoog wél op neerkomt?
    ‘Volgens mij is wat China doet wel degelijk te danken aan kopiëren, maar geëvolueerd tot iets wat net zo goed is als Silicon Valley. Het zijn twee systemen die zich totaal anders hebben ontwikkeld. Het is alsof je aan iemand vraagt wat belangrijker voor hem is, lucht of water, of wat het meeste waard is, diamant of goud. Zowel Silicon Valley als het Chinese systeem heeft intrinsieke waarde, want beide zorgen voor enorme welvaart en beide zullen over een eeuw nog van groot belang zijn. Maar ik ga geen voorspellingen doen welke van de twee de ander gaat overschaduwen.

    Het is geen wapenwedloop, ze functioneren 
in parallelle universums. Het Chinese model draait om het opwerpen van een hoge drempel om kopieergedrag en een prijzenoorlog te voorkomen. Het gaat om aandacht voor detail, operational excellence, werken voor een gigantische markt, directe feedback uit de markt en net zo vaak herhalen tot het innovatief wordt. Zo doe je dat. Ik denk wel dat het met kopiëren is begonnen.’

    Ik wil de manier van denken van Chinese ondernemers proberen te doorgronden. U zegt dat die draait om herhalen en details. In het Westen hebben we meer waardering voor ideeën en het belang van innovatie. Is er een groot verschil?

    ‘Ik denk dat waarde in China het einddoel is. Hoe je daar komt, doet er minder toe. Of jij het idee bedacht hebt, is onbelangrijk. Dus je neemt een eigen idee, 
of dat van iemand anders, of van wie ook. Vaak hééft een beginnend bedrijf niet eens een idee; zodra je van start gaat en feedback krijgt van je gebruikers, verwerf je inzicht en krijg je uiteindelijk een wereldschokkend product.

    ‘De vijf beste Chinese apps zijn niet ontstaan doordat er bij iemand een lichtje opging: “Laat ik er daar 
eens een van gaan bouwen.” Na een jaar of vijf zes aanpassen zijn ze ongelooflijk krachtig en doen ze niet onder voor Amerikaanse apps. Het is lastig ze te beschrijven zonder ze te laten zien, maar ik heb een top drie in gedachten die u versteld zou doen staan, zoals toen u YouTube, Google Maps of Snapchat voor het eerst zag.’

    Robotdemonstratie in Hangzhou, China. – ©  Getty  Images
    Robotdemonstratie in Hangzhou, China. – © Getty Images

    Stelt het succes tegen elke prijs en het veel 
hogere arbeidsethos waarover u schrijft, Chinese techbedrijven in staat een hoge vlucht te nemen en het andere sectoren, zoals Silicon Valley, moeilijk te maken?

    ‘Omdat ze niet voor dezelfde markt werken, 
beconcurreren ze elkaar niet. Maar ik heb onlangs nog gezegd dat wanneer er internetgebruikers op Mars zouden zijn en Chinese én Amerikaanse 
bedrijven daar voet aan de grond zouden zetten, ik mijn geld op de Chinezen zou inzetten. In de echte wereld behoren Europa en de VS volledig tot het Amerikaanse “ecosysteem”. Hun mobieltjes zitten vol Amerikaanse apps, daar kun je niet zomaar een Chinese tussen zetten. Dat is niet alleen een kwestie van taal, maar ook van researchpatronen en betaalmethoden. Het heeft te maken met liefde voor een merk, geloof in je bedrijf, dat soort dingen.’

    Sommige mensen denken daar heel anders over. Ze denken dat er een wapenwedloop gaande is, 
dat je alleen maar hoeft te kijken naar de grotere defensie-uitgaven van Amerikanen en naar China, dat zich op de borst slaat en beweert dat het in 2030 leider wil zijn op het gebied van AI. Er heerst ook iets van scepsis en ongerustheid als het gaat om China. Dat komt misschien doordat we niet zo veel van dat land weten, omdat het nog altijd 
achter zo’n zwaar gordijn schuilgaat.

    ‘Elk land heeft zijn ambities. Donald Trump werd 
tot president gekozen met zijn slogan “Make America great again”, Obama zei “Yes we can” en China zegt dat het tot de beste op AI-gebied wil behoren. Hopelijk wil de Chinese overheid dat het Chinese volk beter wordt van de vooruitgang op dat gebied. En Amerika zou van hetzelfde moeten dromen voor zijn burgers. Het gaat hier niet om een strijd om grondstoffen, 
olie of land. Elk land ontwikkelt zijn talenten. Verder is het ook niet alsof ze allebei hun waar aan Zuid-Amerika proberen te slijten en erover bakkeleien welk product Brazilië bijvoorbeeld zal kiezen. Het zijn echt twee naast elkaar bestaande ruimten, 
twee landen die het uitstekend doen op basis van verschillende methodologieën.’

    Maar sommige mensen associëren China met 
een autoritaire overheid, met schendingen van mensenrechten. Staat dat volgens u ware innovatie en originaliteit niet in de weg?

    ‘Ik ben geen expert op het gebied van overheidsbeleid en mensen hebben uiteraard recht op hun mening. Het belangrijkste is volgens mij dat er innovatieve producten uit China komen. Dat is een realiteit die niet valt te ontkennen. Als ik u WeChat zou laten zien, zou u zeggen: “Wauw, dat is nog eens inno-vatief!” Heiligt het doel niet de middelen? Er is geen idee gestolen, alles is in China ontwikkeld. Daar was veel geld en ondernemingszin voor nodig. Het is gewoon een andere manier om een resultaat te bereiken.’

    ‘AI zal wereldwijd zo’n 40 tot 50 procent van de banen overbodig maken’

    *U schrijft dat de Chinese overheid via een durfinvesteringsconstructie steeds meer geld 
in de techsector pompt; in acht jaar is dit bedrag gestegen van 7 miljard tot 27 miljard dollar. Wat verwacht de Chinese overheid van de techsector, aangezien ze er zo veel geld in investeert? *

    ‘Het Chinese durfkapitaalsysteem heeft zich min of meer op eigen kracht ontwikkeld, bijna zonder overheidssteun, dankzij kapitaal uit Amerika en Europa, die beseften dat China in de lift zat. Over het geheel genomen is 27 miljard dollar over vijftien jaar ook niet zo veel. Het helpt, je stookt het vuurtje ermee 
op, maar het is niet de ware katalysator. En het geld kwam laat; tegen de tijd dat de overheid ging meedoen, wás er al durfkapitaal. Maar ik geef toe dat de overheid bijdraagt aan het Chinese ondernemers-klimaat. Nieuwe technologieën worden niet met wetten aan banden gelegd, waardoor ze tot bloei kunnen komen. Betalen met je mobieltje is een 
goed voorbeeld.’

    ‘Nieuwe technologieën worden niet met wetten aan banden gelegd, waardoor ze tot bloei kunnen komen’

    *Denkt u dat Chinese bedrijven tot de Amerikaanse en Europese markt willen doordringen? *

    ‘Amazon, Google en Facebook hebben zo’n sterke marktpositie dat het voor Chinese bedrijven heel moeilijk zal zijn om te concurreren. Maar China zou in opkomende economieën mogelijk in het voordeel kunnen zijn. Chinese bedrijven dringen tot Zuidoost-Azië, Afrika en het Midden-Oosten door via samenwerkingen en investeringen.’

    Zou u iets zou willen zeggen over de terugkeer 
van Google op de Chinese markt na zo’n lange afwezigheid? Onlangs haalde hun zoekmachine Dragonfly alle kranten omdat de technologie het mogelijk maakt zoekopdrachten van gebruikers te koppelen aan hun telefoonnummer, waardoor ze op de radar van de overheid blijven. Wat vindt 
u daarvan?

    ‘Ik ben negen jaar geleden bij Google weggegaan. 
Het is voor Google heel moeilijk om naar China te komen. Om dezelfde redenen kunt u zich voorstellen dat Chinese bedrijven weinig succes zullen hebben in het Verenigd Koninkrijk. Het wordt een harde strijd voor Google. Ik stond dertien jaar geleden aan het hoofd van dat bedrijf en toen waren de parallelle universums lang niet wat ze nu zijn. Wat toen nog kon, is tegenwoordig heel moeilijk.’

    In een opinieartikel in The New York Times schrijft u dat AI allerlei banen overbodig zal maken: bankemployees, medewerkers van klantenservices, telemarketeers. Hoe serieus moeten overheden die dreiging nemen?

    ‘Het begint waarschijnlijk pas echt over een paar 
jaar, omdat de technologie dan verder is. We horen bijvoorbeeld van bedrijven dat ze erover denken de operationele staf de komende drie jaar te halveren. Dat zijn voortekenen. Maar veel bedrijven moeten eerst nog aanpassings- en technische problemen oplossen. Ik denk dat het een jaar of vijftien duurt voordat grote aantallen banen overbodig zullen 
worden. Overheden moeten gaan beseffen wat er aan de hand is. Als ook maar 1 procent van de bevolking het slachtoffer wordt, is het te laat om over de 
kwestie na te gaan denken. Dat moeten we voor zijn.’

    Kai-Fu Lee, hét gezicht van de Chinese techsector. – © Getty
    Kai-Fu Lee, hét gezicht van de Chinese techsector. – © Getty

    U schrijft: ‘Ik vrees dat er voor werknemers steeds minder vaste voet onder de grond overblijft, als dieren die zich moeten terugtrekken voor een overstroming, springend van de ene rots naar de andere.’ Dat is een beangstigend beeld.
    ‘Ja, op basis van onderzoek voorspel ik dat dat zal gebeuren.’

    U zegt dat China zich niet druk maakt over die kwestie.
    ‘Amerikanen en Europeanen denken het meest 
over deze kwestie na. Dat doen maar heel weinig Chinezen. Ze vertrouwen op de Chinese overheid, 
die zich meestal met dit soort zaken bezighoudt. De belangrijkste reden waarom Chinezen zich niet druk maken, is omdat de Chinese overheid de transitie van landbouw naar maakindustrie effectief heeft aangepakt door die van bovenaf op te leggen. Dat is een verschil met de westerse aanpak. Ik zeg niet of dat goed of slecht is. Maar omdat de overheid het eerder goed heeft gedaan, geloven mensen dat ze zich ook wel weer over een volgende grote verandering zal ontfermen.

    ‘Chinezen zijn veel meer gericht op geld verdienen. De “goudkoorts” is begonnen toen Deng Xiaoping een aantal jaren geleden zei: “Laat sommige mensen eerst maar eens rijk worden.” We bevinden ons nu in het vierde decennium van die zucht naar rijkdom. 
Er zijn nog steeds veel mensen uit families die al 
tien of twintig generaties lang rijk of arm zijn, en de verwachting is nog altijd groot dat het volgende kind de familie zal opstoten naar de middenklasse of naar een zeker welvaartspeil. Die verwachting zet het Chinese volk aan tot hard werken en tot die genoemde manier van ondernemen. Het zorgt er ook voor dat mensen materiële welvaart hoger aanslaan. 
Die cultuur verdwijnt over een jaar of vijftig vanzelf, wanneer de middenklasse zal zijn gegroeid.’

    Zonder twijfel is China voor het Westen een interessant land. Wij kijken ernaar met een mengeling van nieuwsgierigheid, angst en fascinatie. Wat zijn de grote uitdagingen voor China? Het land telt bijna 1,4 miljard inwoners, 
de middenklasse rijst de pan uit en wordt steeds veeleisender, terwijl sommigen waarschuwen voor een uiteindelijke economische terugval.

    ‘Het onderwijs is verbeterd, maar er bestaat nog steeds een grote kloof tussen onze universiteiten en de beste in de VS en het Verenigd Koninkrijk. Vooral de VS weet fantastische jonge mensen aan zich te binden die er willen studeren, er geweldig onderzoek doen en er vervolgens blijven hangen. China heeft dat voordeel niet. De VS trekt mensen van heinde 
en verre, China heeft bijna alleen Chinezen. En hoe groot het land ook is, het is maar een fractie van de wereld. Dus om een wereldspeler te zijn en ervoor 
te zorgen dat Chinezen willen blijven, moet China mensen uit andere landen trekken.’

    Wat zal er gebeuren wanneer technologie zo 
diep in onze samenleving doordringt dat alle fabrieksbanen sneuvelen?
    ‘Als we daarop willen anticiperen, komt het aan 
op twee dingen: creativiteit en compassie. Bij crea-
tiviteit draait het om onderwijsbeleid voor slimme, talentvolle mensen: die moet je al vroeg laten specialiseren en hun passie laten volgen, zodat ze optimaal presteren in hun creatieve domein. Maar dat is 
maar voor een klein percentage weggelegd, waardoor het banenprobleem niet wordt opgelost. Dan blijft compassie als enige oplossing over. Daarmee bedoel ik compassie in brede zin: in staat zijn een band 
met iemand aan te gaan. Daarbij denk ik aan banen als au pair, leraar, verpleegkundige, sociaal werker en psychiater, waarbij veel menselijke interactie komt kijken.

    ‘Overheden moeten er alles aan doen om het aantal banen in die sector te vergroten. Zelfs al kunnen machines ze nabootsen – denk aan een robot-
verpleegkundige – dan willen mensen ze niet echt. Ik denk dat AI aan dat soort banen kan bijdragen als analytische machine die mensen in staat stelt te doen waar ze het beste in zijn: andere mensen 
aandacht geven. Daarom is die sector waarschijnlijk de enige die groot genoeg is om de verschuiving op de arbeidsmarkt op te vangen. In de komende 15 
tot 25 jaar zijn sociaal ondernemerschap, maatschappelijk verantwoord investeren en vrijwilligerswerk noodzakelijk.

    ‘Als we over tachtig jaar terugkijken, als routine-matige banen zijn overgenomen door machines, kunnen we doen waar we goed in zijn, waar we van houden, dan kunnen we bijvoorbeeld nadenken over de zin van het leven. Maar eerst moeten we door de komende 25 jaar heen, waarin ons een uitdagende transitie staat te wachten.’

    Openingsbeeld: © Getty

    52 insights
    Verenigd Koninkrijk | 52-insights.com

    Opgericht in 2015 vanuit de behoefte om mensen te informeren over fundamentele veranderingen in de wereld door middel van diepgaande discussies. Het format bestaat uit een interview per week met een schrijver, designer, onderzoeker, leider of anderszins innoverende persoon die onze visie op de wereld kan veranderen.

  • On the road, maar nu geschreven door een auto

    On the road, maar nu geschreven door een auto

    Met algoritmes een roman produceren was geen kunst meer voor Ross Goodwin. Hij had zijn zinnen gezet op een alternatieve versie van Jack Kerouacs klassieker On the Road, geschreven door een auto. Goochelarij? Nee hoor. Deze openingszin was de uitkomst van een zelfstandig generatief proces gedicteerd door sensoren: ‘Het was zeventien over negen in de ochtend en het huis was zwaar.’ Best passend, voor een roadtrip.

    Op 25 maart 2017 vertrok in Brooklyn een zwarte Cadillac voor een roadtrip naar 
New Orleans. Op de kofferbak was een wit camerakastje gemonteerd en op het dak een oude gps-eenheid. Binnen hing een microfoon aan het plafond en van alle drie die apparaten liepen draadjes naar de Razer Blade-laptop van Ross Goodwin, waarop ook nog een simpele kassabonprinter was aangesloten. Goodwin hoopte dat deze apparatuur de 
nieuwe Amerikaanse reisroman zou schrijven.

    Goodwin, die als ghostwriter voor de regering-Obama heeft gewerkt, omschrijft zichzelf als ‘schrijver van schrijvers’. Met behulp van neurale netwerken heeft hij poëzie, filmscenario’s en nu ook een reisroman gegenereerd. Ik maakte voor het eerst kennis met zijn werk toen zijn algoritmes in 2014 een roman destilleerden uit het Senaatsrapport over de martelpraktijken van de CIA.

    Voor Narrated Reality, zijn masterscriptie voor de New York University (NYU), maakte hij wandelingen door de stad met een rugzak vol apparaten (een kompas, een prikklok en een camera) waarvan de data werden ingevoerd in neurale netwerken. Het leverde bizarre associatieve poëzie op. Een voorbeeld: ‘De hele tijd wentelt de zon/uit een donkere heldere grond’.

    Nu had een hardwarehacker in Biloxi wat apparatuur naar zijn wensen aangepast en wilde Goodwin zijn ontluikende artificiële brein op reis sturen. Die reis moest een literair experiment worden in de traditie van Jack Kerouac, Thomas Wolfe en Ken Kesey, met dat verschil dat nu de auto zelf het verhaal zou schrijven. Het gekozen traject, van New York naar New Orleans, was een knipoog naar een beroemde etappe in Kerouacs On the Road. Onder op de Axis M3007-camera schreef Goodwin: ‘Verder’.

    ‘We wilden een auto die gezag uitstraalt, en een Ford Crown Victoria konden we niet krijgen’

    De vier sensoren – camera, gps, microfoon en de interne klok van de laptop – moesten onderweg data leveren aan een stelsel neurale netwerken die door Goodwin waren getraind met de input van honderden boeken en locatiedata van Foursquare [een Amerikaanse sociaalnetwerksite gebaseerd op je locatie]. De uitkomst zou dan als een serie reisbrieven uit de bonprinter rollen. Na vier dagen lag de vloer van de auto vol bonnetjes gevuld met proza geproduceerd door een kunstmatig brein. Die reisbrieven zijn verzameld in het boek 1 the Road, door Goodwins uitgever Jean Boîte Éditions aangeprezen als ‘de eerste door een machine geschreven roman’.

    Al moet erbij gezegd dat Goodwin die eer wegwuift: ‘Die komt misschien eerder toe aan het in de jaren tachtig 
door software geschreven The Policeman’s Beard Is Half Constructed,’ zegt hij. Hoe dan ook is het een hallucinerend en gek genoeg ook verhelderend verslag van het leven van een bot op de snelweg. Een kruising van The Electric Kool-Aid Acid Test en Google Street View, verteld door Siri.

    Gezag

    Op de dag van vertrek kwamen Goodwins reisgenoten naar zijn flat om alle apparatuur in de Cadillac 
te installeren: zijn zus Beth, zijn verloofde Lily Beale-Wirsing en zijn vriendin Nora Hamada, Google-medewerkers Kenric McDowell en Christiana Caro en een kleine filmploeg van Lewis Rapkin, die in een eigen auto meereed om de reis vast te leggen. (Google, dat al interesse had getoond in Goodwins werk aan de NYU, betaalde de huurauto en de camera; een jaar later trad Goodwin in dienst bij het Artists and Machine Intelligence-programma van de internetgigant.)

    ‘Dat het een Cadillac was,’ vertelt Goodwin me aan de telefoon, ‘kwam trouwens omdat we een auto wilden die gezag uitstraalt, en een Ford Crown Victoria konden we niet krijgen.’ Hij was bang om voor terrorist te worden aangezien, als mensen een auto vol elektronische huisvlijt en bedrading zagen langskomen.

    Met de Cadillac wilde hij inspelen op het stilzwijgende geloof dat veiligheidsdiensten zulk onderzoek doen. ‘Ik hoopte dat mensen dachten dat het een auto van de overheid was.’ Blijkbaar met 
succes: Goodwin hoorde later dat de eigenaar van een avondwinkel in zijn wijk die dag besloot zijn winkel dicht te houden omdat hij hem met zijn apparatuur had zien langskomen. ‘We waren geen rijdende reclame voor Cadillac,’ zegt hij lachend. ‘Ons sponsorverzoek werd afgewimpeld.’

    automatic on the road 5

    Zodra de apparatuur in Brooklyn werd aangezet, sloeg de inspiratie toe. ‘Het was zeventien over negen in de ochtend en het huis was zwaar,’ rolde er uit de printer. Als zin voor een boek over een roadtrip best passend – raak zelfs.

    ‘Ik vind het een prachtige zin’, zegt Goodwin. ‘De kiem was in dit geval het tijdstip: alles wat volgt op “zeventien over negen” komt daaruit voort.’ Dat ging dus zo: de klok registreerde het tijdstip en dat werd ingevoerd in het neurale netwerk dat door Goodwin met drie enorme corpora literaire teksten was getraind. (Elk corpus was circa 120 MB ofwel twintig miljoen woorden groot.

    Eén corpus bevatte voornamelijk poëzie, het tweede sciencefiction en het derde wat Goodwin omschrijft als ‘sombere’ literatuur. ‘Bij elkaar vertegenwoordigden die teksten de stem die ik in dit boek wilde horen,’ zegt Goodwin, ‘een stem die volgens mij zou passen bij deze reis, de historische en literaire betekenis ervan. Ik wilde het netwerk niet gericht trainen met Kerouac of andere Amerikaanse reisliteratuur, dat zou een beetje voelen als valsspelen.’

    Goodwin kon de drie corpora naar believen omwisselen.) Kauwend op dat corpus vormde het neurale netwerk letter voor letter nieuwe zinnen. ‘De lexicale invulling werkt op dezelfde manier als bij het vertalen van Engels naar Frans,’ zegt Goodwin. De resulterende woorden waren dus een product van de door literaire teksten gevormde wijze waarop het neurale netwerk dat specifieke tijdstip in de ochtend begreep.

    Onderweg produceerden de verschillende sensoren zinnen van uiteenlopend poëtisch gehalte: nauwkeurige gps-coördinaten werden aangevuld met mystieke frasen. (‘35,415579526 N, -77,999721808 W, op 47,148 meter boven zeeniveau, snelheid 0 kilometer per uur, en de eerste vlakte van het verhaal in het land is de eerste in een deel van de wereld.’) Camerabeelden werden omgezet in unheimisch proza. (‘Een skiliftbedrijf voor de laatste keer dat de trein al werd verduisterd en de straat er al was.)

    Foursquare-locaties leverden surrealistische observaties op. (‘Eagles Nest Diner: een Amerikaans restaurant in Goldsborough of Marine Station, een plaats van vis leek een man te zijn die al drie dagen in elkaar gezet wordt.’) Door de microfoon opgevangen gesprekken werden verminkt. (‘Ik ietsje als ik aan waarom ik niet gewond raakte ja mijn auto is een elke neer weet ik?’)

    En zo verwerkte het artificiële brein alle klanken en taferelen van de sleetse infrastructuur aan de oostkust, een betoging van rechtse demonstranten die het verkeer stillegde, de flora en fauna onderweg, en vermoedelijk ook het moment waarop ze even stopten bij een winkel waar Goodwin, zoals hij me vertelde, een extra adapter voor de sigarettenaansteker moest kopen omdat zijn apparatuur meer stroom nodig had.

    Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen?
    Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen?

    ‘Elke zin in dit boek is de uitkomst van een zelfstandig generatief proces en is op een specifiek tijdstip geproduceerd’, zegt Goodwin. ‘De zinnen zijn met elkaar verbonden door de reis en door de auto met sensoren die het verhaal dicteerden, en zo is dat kunstwerk ontstaan. Alles komt voort uit wat het systeem onderweg zag.’ Het doet denken aan de werkwijze van Kerouac, die de mythe creëerde dat zijn magnum opus in drie weken was geschreven, 
dat hij in één lange, door speed gedreven roes al zijn gedetailleerde indrukken op één lange rol papier had gekwakt.

    Lewis Rapkin, die een korte film over de reis heeft gemaakt, mailt me dat de artificiële intelligentie ‘soms iets verontrustends had’. Zeker in het begin zaten ze continu naar de output te staren in een poging te doorgronden wat het systeem wilde zeggen, hoe het tot zijn teksten kwam. ‘Associeert het apparaat die vervallen fabriek met de geschiedenis van mensen die van het platteland naar de stad trokken om werk te vinden?’ zegt Rapkin.

    ‘Beseft het dat dit nog maar het eerste verhaal van ons land is, en dat technologie het tweede verhaal gaat worden? Vergelijkt het ons stedelijk verval met de Middeleeuwen omdat ons land uiteen begint te vallen en eruitziet als een eeuwenoude ruïne?’

    Verrassend geslaagd

    Goodwin vindt zijn vier dagen durende reis duidelijk geslaagd, verrassend geslaagd zelfs. ‘Ik achtte het mogelijk dat er een verhaallijn in zou zitten, dat het als een roman zou voelen,’ zegt hij, ‘en dat is ook gebleken. Er zitten dingen in die als een roman voelen.’ Dat de auto zelf als personage fungeerde, geeft de tekst volgens hem een zekere continuïteit die vaak ontbreekt in door AI gegenereerde fictie. ‘Mocht iemand het zich afvragen, ik heb alles gelezen,’ zegt Goodwin lachend. ‘Samenhangend proza is de heilige graal van natuurlijke tekstgeneratie.

    Het gevoel dat ik in zekere zin een klein stukje van dat probleem heb opgelost, gaf een kick. En ik denk dat dit wel iets verrassends en interessants zegt over taal in de tijd.’ Dat denk ik ook. Ik heb geprobeerd om het hele boek in één ruk uit te lezen, zoals Goodwin me aanraadde, en dat is me min of meer gelukt. Ik zal niet zeggen dat het een samenhangende verhaallijn bevat in de zin van klassieke vertelkunst. Maar de bonte collage van beelden uit het moderne Amerika levert veel verpixelde poëzie op. En een paar treffende, memorabele regels, zoals: ‘picknick toonde een verleden dat van de zijkant van het spoor al haren had’.

    1 the Road klinkt alsof een auto van Google Street View zichzelf vertelt over een reis door het land. Het is een interessante benadering omdat je een paar uur kunt meeluisteren met het uitgestrekte netwerk van dataverzamelende voertuigen – drones, auto’s en andere apparaten – die momenteel ons grondgebied doorkruisen.

    ‘Net als het genre van de Amerikaanse roadtrip dat de inspiratie voor dit project vormde, gaat het om het vastleggen van een tijd en een plaats. En we leven nu in een tijd dat AI ons vooral nog verwart en verbaast, dus juist die verwarring en verwondering worden vastgelegd’, zegt Rapkin. ‘Is dat diepzinnig of onzinnig? Allebei.’

    ‘Dit is een heel onvolmaakt document (…) Maar er zitten wél personages in, wat heel vreemd is’

    Het is een rondleiding door onze lawaaiige gebouwde omgeving zoals die gezien wordt door machines. Het is bewakingstechnologie-fictie, geschreven door hetzelfde soort technologie dat onze bewakingsbeelden vastlegt en de datastroom verwerkt. Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen over een wereld die al zozeer gevormd en beïnvloed is door het soort data dat de AI verzamelt?

    Goodwin lijkt vast van plan om daar achter te komen. ‘Dit is een heel onvolmaakt document, dit is rapid prototyping. De output is nog verre van perfect. Dit is geen roman zoals mensen schrijven, in de verste verte niet’, zegt Goodwin. Maar ‘er zitten wél personages in, wat heel vreemd is.’ Zo verschijnt er in de derde zin een mysterieuze schilder die vraagt: ‘Wat is het?’ En die schilder duikt steeds weer op in de tekst: ‘Een watermassa viel van de zijkant van de straat omlaag. De schilder lachte en zei toen: Dat staat me wel aan en ik wil het niet zien.’

    Voor zover je als lezer in de verleiding komt om in het werk de schrijver (of ‘de schrijver van de schrijver’) terug te vinden – wat je bij reisverhalen onwillekeurig toch doet – lijkt die schilder nog het meest op een stand-in voor Goodwin. ‘Ik had een groot begin kunnen maken,’ zegt de door het apparaat gegenereerde schilder op een gegeven moment. En je kunt je dan maar al te goed voorstellen dat hij op het project zelf doelt en al aan nieuwe vergezichten denkt: ‘Ik wil hier weg, de tijd is gekomen.’

    Auteur: Brian Merchant

    The Atlantic
    Verenigde Staten | 11 x per jaar | 462.000

    In 1857 opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Bekend als intellectueel podium voor de betere schrijvers van het moment. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en illustratie.

  • Eindhoven heeft de nerds én de hippies

    Eindhoven heeft de nerds én de hippies

    Het succes van de slimme regio Eindhoven heeft ook 
de overkant van het Kanaal bereikt. Een verslaggever van The Guardian kwam er zijn licht opsteken.

    Als een banketbakker die een gigantische 
glazuurspuit hanteert, brengt Theo Salet de ene laag kleverige smurrie op de andere aan. Maar deze hoogleraar aan de Technische Universiteit Eindhoven is geen taart aan het maken, hij perfectioneert een techniek om het eerste 3D-geprinte betonnen huis ter wereld te bouwen.

    Het lijkt wel of er in de stad nauwelijks een maand voorbijgaat zonder innovatienieuws. Of het nu gaat om Salets plannen voor 3D-geprinte Stonehenge-achtige huizen, om de creatie van het ‘Brainport Smart District’ voor het testen van technologische en buurtinitiatieven of om een ‘living lab’ van camera’s, lampen en microfoons om het populaire uitgaans-gebied Stratumseind veiliger, levendiger en aantrekkelijker te maken, Eindhoven wil een stad zijn waar met de toekomst wordt geëxperimenteerd.

    Zo is het niet altijd geweest. Yasin Torunoglu, 
wethouder wonen, wijken, werk en ruimtelijke 
ontwikkeling, zegt dat de innovatiedrang van de stad uit het begin van de jaren negentig dateert, toen er twee grote werkgevers verdwenen: DAF ging failliet en Philips verplaatste de fabricage naar China. 
‘De ontslagbrieven vielen als reclamefolders in de brievenbus,’ zegt hij. ‘Dat was echt een moeilijke tijd. Toen besloten de burgemeester en de leiding van de Kamer van Koophandel en de universiteit de koppen bij elkaar te steken.’

    Om nieuwe bedrijven aan te trekken, zetten ze een stimuleringsfonds op dat was gebaseerd op een 
‘triple helix’-samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstituten. ‘Daar komt ons Brainport-idee vandaan, zodat we niet afhankelijk zouden zijn van twee of drie fabrieken, maar constant aan sociale kwesties zouden werken die zaken en banen zouden opleveren,’ zegt Torunoglu. ‘We zijn de stad geworden waar kennisintensieve bedrijven zich vestigen en samenwerken met ontwerpers: wij hebben de nerds en de hippies.’

    1. Stella Vie, een familie-zonnewagen van Solar Team Eindhoven. 
– © Bart van Overbeeke / HH; 2. Bezoekers van de 
Dutch Design Week bij Strijp-S. 
© Berlinda van Dam / HH; 3. Het robotvoetbalteam van de 
TU Eindhoven in2016. –  © Bart van
    1. Stella Vie, een familie-zonnewagen van Solar Team Eindhoven. 
– © Bart van Overbeeke / HH; 2. Bezoekers van de 
Dutch Design Week bij Strijp-S. 
© Berlinda van Dam / HH; 3. Het robotvoetbalteam van de 
TU Eindhoven in2016. – © Bart van

    Tegenwoordig ziet de stad tijdens de jaarlijkse Dutch Design Week zijn inwonertal van 227.000 meer dan verdubbelen, zijn er woningen en start-ups gekomen in de voormalige Philipsgebouwen in de wijk Strijp R en is er een bloeiende internationale gemeenschap ontstaan. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek bestond de Nederlandse bevolking in 2017 voor 22,6 procent uit immigranten van de eerste of tweede generatie. In Eindhoven bedroeg dat aantal 33,5 procent. Maar kent het leven in zo’n progressieve, innovatieve stad alleen maar voordelen, of vinden sommige inwoners het onprettig om zo onder het vergrootglas te liggen?

    Uit een recente rechtszaak blijkt dat Eindhoven geen utopia is. Zo heeft 
het te lijden onder ernstige luchtvervuiling. De stad heeft samen met de Technische Universiteit en ENS Cleain Air een systeem ontwikkeld dat fijnstofdeeltjes afvangt en onschadelijk maakt. ‘De beste testplek is een tunnel,’ zegt Bert Blocken, hoogleraar aan 
de faculteit Bouwkunde van de TU Eindhoven. ‘Daar vind je de hoogste luchtvervuilingsconcentraties; daarna komen parkeergarages en zeer smalle straten met hoge gebouwen aan weerskanten. Als je de luchtvervuiling daar afvangt, maakt dat een groot 
verschil voor alle mensen die in de omgeving wonen.’

    Het plan was aanvankelijk om een test te doen met dertig ventilatoren, maar dat leverde problemen op toen een Q-Park-garage op het laatste moment niet wilde meewerken. Maar de onderzoekers lieten zich niet afschrikken en bouwden een tent over de garage heen om de lucht op te vangen. Toen liet de garage zijn ventilatoren een andere kant op blazen. Er moest uiteindelijk een gerechtelijk bevel aan te pas komen om te zorgen dat de garage zijn ventilatoren in de testtent liet blazen totdat de metingen waren voltooid.

    ‘Je wilt niet ’s avonds thuiskomen en merken dat de gemeente een tent over je voortuin heen heeft gebouwd’

    Het verhaal illustreert dat zelfs in een stad die zich wil onderscheiden door slimme innovatie, lokale bedrijven en bewoners soms met voor- en nadelen worden geconfronteerd. ‘Je wilt niet ’s avonds thuiskomen en merken dat de gemeente een tent over je voortuin heen heeft gebouwd,’ merkt Mark van Haasteren, directeur van Q-Park Nederland, luchtig op. Maar zelfs Van Haasteren is een fan van wat hij een ‘zeer actieve en progressieve stad’ noemt, waar de gemeente samenwerkt met universiteit en bedrijfsleven om het stedelijke leven te verbeteren.

    Maar er spelen ook andere kwesties. Prof. Elphi Nelissen, decaan van de faculteit Bouwkunde van d
e TU Eindhoven, werkt aan het ‘Brainport Smart 
District’, dat zo’n drieduizend mensen zal huisvesten in vijftienhonderd woningen en meer dan 500 
miljoen euro zal kosten. ‘Databescherming is een van de belangrijkste dingen waarover we zo duidelijk mogelijk moeten zijn,’ zegt ze. ‘We willen een open dataplatform creëren waaruit alle bedrijven data kunnen halen. De mensen die in de wijk wonen, kunnen zelf besluiten of ze hun geanonimiseerde data willen delen. Als ze dat doen, hebben ze daar profijt van, hetzij financieel, hetzij in de vorm van betere dienstverlening.’ Nelissen zegt dat het 
project een budget van 100 miljoen euro extra moet inplannen voor continue research en om ‘de mensen die er wonen schadeloos te kunnen stellen als we fouten maken’.

    Monique Mols, hoofd Public Affairs van chips-
fabrikant ASML, voegt eraan toe dat hoewel hooggekwalificeerde banen voor werkgelegenheid in de toeleveringsindustrie en de dienstensector zorgen, de snelle groei ook ‘groeipijnen’ veroorzaakt. ‘De huizenprijzen stijgen, vooral in een gebied als Brainport Eindhoven, waar veel mensen naartoe verhuizen omdat het een banenmachine is. Wij kijken naar 
de huisvesting, de faciliteiten in het gebied en of we aantrekkelijk genoeg zijn om al die mensen binnenboord te houden; daar werken we hard aan.’

    ‘Longen van de Stad’

    En hoe denkt Jan Publiek erover? Stan Doomen, 
sinds twee jaar barman in de Tipsy Duck Pub aan het Stratumseind, is voorzichtig enthousiast over de straatmonitoringsystemen: ‘Er zijn veel mensen op dezelfde plek, dus af en toe gebeurt er wel iets. Ik vind privacy belangrijk, dus ik heb het niet zo op microfoons. Maar in dit geval kunnen die hun nut hebben.’

    Om de hoek van het luchtzuiveringsproject ‘Longen van de Stad’ is een stel bierdrinkende studenten nog nonchalanter. ‘Het is er een stuk veiliger op geworden,’ zegt de twintigjarige Dennis van Leenders. 
‘Ik vind het niet erg. Het is Eindhoven maar.’

    Auteur: Senay Boztas
    Vertaler: Peter Bergsma

  • Ruslands gevinde leger

    Ruslands gevinde leger

    In het geheimzinnige instituut voor mariene biologie in Moermansk worden zeezoogdieren als dolfijnen en robben getraind voor gevechtsdoeleinden. ‘Er is geen robot die tegen ze op kan.’

    De kisten voor het transport van de robben zijn speciaal voor dit doel gemaakt van gladgeschaafde planken. Aan de zijkanten nylon koord, bovenop twee hangsloten en binnenin een besnorde snuit met twee grote zwarte ogen. Het grijze vrouwtje Boezia heeft al een hele reis achter de rug. Vanaf het grote Kyi-eiland in de Witte Zee is ze per schip, per vrachtwagen en vervolgens per auto vervoerd naar de haven van Polyarny, de grootste marinebasis van de Russische Noordelijke Vloot, waar kernonderzeeërs worden gerepareerd en ontmanteld. Het is een ‘gesloten stad’, met andere woorden: voor de meeste mensen verboden terrein.

    Hun vermogen om uit vrije wil een houten kist binnen te gaan bepaalt het lot van deze ‘multi-inzetbare robben’, zoals ze door de onderzoekers worden genoemd, want dat maakt ze geschikt om zowel voor militaire als voor burgerdoeleinden dienst te doen. Het is voor deze zeezoogdieren heel stressvol om een krappe ruimte in te moeten gaan. En toch is dat de basis van het militaire werk dat met hen wordt gedaan. ‘Wanneer ze worden ingezet, moeten ze in zo’n kist blijven tot het tijd is voor hun missie,’ zegt Dmitri Isjkoelov, wetenschappelijk directeur van het instituut voor mariene biologie in Moermansk. ‘Robben kennen twee natuurlijke habitats, de zee en het land. Dat is hun voordeel boven walvisachtigen. Dolfijnen en beloega’s [witte walvissen] moeten in een speciaal bassin worden vervoerd: hun huid moet nat blijven, anders gaat die barsten.’

    Uniek

    Het instituut voor mariene biologie in Moermansk is uniek in de wereld. Het is gevestigd boven de poolcirkel en doet al tientallen jaren onderzoek naar zeezoogdieren, waarbij het fundamenteel onderzoek en praktische toepassingen met elkaar verbindt. In 1984 is er op initiatief van Gennadi Matisjov, lid van de Russische Academie van Wetenschappen, een speciale militaire afdeling gevestigd waar zeezoogdieren getraind konden worden voor gevechtsdoeleinden. Sindsdien zijn de meest uiteenlopende dieren hier ‘onder de wapenen’ gekomen – Stellerzeeleeuwen, pelsrobben, grote dolfijnen, beluga’s, zadelrobben, grijze robben, ringelrobben en baardrobben.

    Onlangs hebben de onderzoekers onder leiding van Gennadi Matisjov de Stepan-Makarov prijs (een onderscheiding vanwege grote wetenschappelijke verdiensten op het terrein van de oceanografie) gekregen, voor hun werk rond ‘de inzet van zeezoogdieren voor operationele doeleinden’. Er is een artikel gepubliceerd op de website van de Russische Academie voor Wetenschappen, waarin staat dat er in deze tijd van toenemende terroristische dreiging weleens hernieuwde belangstelling zou kunnen ontstaan voor onderzoek naar gevechtsrobben. Misschien kunnen de gevinde soldaten ‘terugkeren in de rangen en weer een eigen plaats krijgen in het Russisch militair complex’, aldus het artikel.

    Het vinpotigencommando in Moermansk is het enige dat nog over is van het belangrijke trainingscomplex dat de Sovjet-Unie in de tweede helft van de twintigste eeuw had ingericht. Het doel van de wetenschappers en militairen was enerzijds om het mysterie van de werking van de dieren te doorgronden en die kennis toe te passen bij de ontwikkeling van nieuwe wapens, en anderzijds om de dieren zelf te gebruiken. Aleksander Zajitsev, directeur van het laboratorium voor biotechnologische systemen van het instituut voor maritieme biologie, vertelt: ‘De onderzoeksresultaten worden zelden openbaar gemaakt, er zijn geen internationale conferenties over het “operationeel” gebruik van zeedieren. Elk land houdt zijn geheimen liever voor zich. Want er zijn dan wel bepaalde basistechnieken, maar elke dompteur heeft zijn eigen trucs om het dier zover te krijgen dat het een bepaalde taak uitvoert. Het is een ware kunst.’

    Door die geheimzinnigheid ontstaan allerlei mythen. Bijvoorbeeld over dolfijnen die in de Sovjettijd duikers op sabotagemissie aanvielen in de Zwarte Zee, parachutesprongen maakten en de kernonderzeeërs bewaakten. Maar volgens sceptici is het hele project nooit het niveau van een circusnummer ontstegen. Zoals altijd ligt de waarheid ergens in het midden. De trainingscentra van het instituut voor mariene biologie in Moermansk in de Barentszzee en in de baai van Kola, vormden binnen de Sovjet-Unie de derde pijler voor het scheppen van ‘biotechnologische systemen’, zoals Boezia en haar medebewoners van het trainingscentrum in Krasnije Kamni [in de baai van Kola, in de buurt van Polyarny in het district Moermansk] eufemistisch worden genoemd.

    Tot op het laatste moment dachten de piloten dat “dolfijnen” een codenaam was voor materieel. Wat zullen ze verbaasd zijn geweest toen er mobiele bassins aan boord werden gebracht

    ‘Eerst was er, in de jaren zestig, het militaire dolfinarium van Sebastopol (op de Krim), waar gevechtsdolfijnen werden gedresseerd,’ vertelt Vitali Varganov, een van de laatste directeuren van dit legendarische militaire centrum, dat in 1990, na het uiteenvallen van de USSR, de poorten sloot. Het was een enorm project dat vanuit de hele Sovjet-Unie steun kreeg: 52 onderzoeksinstituten op verschillende vakgebieden werkten mee aan dit biotechnologisch centrum. Het dolfinarium, dat het ‘oceanarium’ werd genoemd toen men er ook dieren uit het Verre Oosten kreeg, besloeg een terrein van 10 hectaren en omvatte onder andere drie afgesloten dierenverblijven, bassins, installaties voor het leegpompen daarvan en voor het vangen van de dieren, een militaire kazerne en een laboratorium.

    De officiële opdracht van het onderzoeksteam, dat voor bijna de helft uit marineofficieren bestond, was om het geheim te ontraadselen van de Gray-paradox, zo genoemd naar de wetenschapper die deze had ontdekt (de Britse zoöloog James Gray, 1891-1975). Hem was opgevallen dat dolfijnen tien keer zo hard zwommen als je aan de hand van hun spiermassa zou verwachten. De onderzoekers lieten een kanaal aanleggen van vijftig meter lang, met glazen panelen in de zijkanten. Daar lieten ze de dolfijnen doorheen zwemmen terwijl zij ze observeerden. Zo ontdekten ze dat de opperhuid van de dolfijnen hun weerstand tegen de beweging van het water vermindert, zodat de dieren geen energie hoeven te besteden aan de strijd tegen de werveling van de golven. Deze ontdekkingen probeerden natuurkundigen toe te passen om de voortstuwing van kernonderzeeërs te verbeteren. Of ze daarin zijn geslaagd is niet bekend.

    Een aantal jaren later, in 1980, werd in het Russische Verre Oosten nog een trainingsbasis geopend. Deze heette officieel 168 NITZ TOF (de Russische afkorting voor ‘168ste onderzoekscentrum van de Pacifische Vloot) en bevond zich in de Posjetbaai. Hier werkte men met Stellerrobben en beloega’s. De eerste groep blonk vooral uit door hun kracht en onverschrokkenheid, terwijl de beloega’s zich onderscheidden door een buitengewone bekwaamheid in echolocatie. Zij werden getraind om vijandige duikers te spotten die sabotageacties wilden uitvoeren, natuurgebieden te beschermen en pijpleidingen en kabels onder water te inspecteren. Maar met het eind van de Sovjet-Unie kwam er ook een eind aan dit project. Het half ingestorte gebouw van het verwarmde bassin, dat op een gigantische golfbal lijkt, geeft het landschap hier nog steeds iets buitenaards.


    unnamed kopie

    Het idee om in Moermansk een gevechtscommando van vinpotigen te vormen ontstond ergens in de hoogste rangen van de Russische marine. De vloot van kernonderzeeërs was op dat moment op volle sterkte. Maar toen kwam het gerucht op dat de Verenigde Staten robben trainden om sabotagemissies uit te voeren, en dat werd als een bedreiging gezien. Daarom werd besloten dat er een levend schild rond de Sovjetvloot moest komen, en wendde men zich tot de biologen van het instituut van Moermansk, die toen in het dorp Dalnie Zelentsky aan de Barentszzee werkten.

    De eerste dompteurs werden geselecteerd uit de militaire duikers die dienstdeden op de Noordelijke Vloot, want die waren gewend aan de ijzige diepten. Dat was belangrijk, want een trainer moest met beloega’s en enorme zeeleeuwen uit het Verre Oosten kunnen werken. Het leger leverde het vliegtuig en het personeel voor het transport. De militairen hadden ook de opdracht om het transport van de gevechtsdolfijnen uit Sebastopol te begeleiden. Tot op het laatste moment dachten de piloten dat ‘dolfijnen’ een codenaam was voor materieel. Wat zullen ze verbaasd zijn geweest toen er mobiele bassins aan boord werden gebracht.

    Vervolgens besloot men een trainingscentrum op te zetten bij de nucleaire vloot in het noorden. In de haven van de basis werd speciaal voor de gevechtsrobben een drijvend verblijf aangelegd. Volgens academicus Gennadi Matisjov konden de robben daardoor ‘operationeel ingezet worden om de speciale troepen te ondersteunen in de strijd tegen onderzeese aanvallen’. Vandaag de dag leven de gevechtsrobben in de buurt van Polyarny, op Kaap Tonia. De zwarte ruggen van de onderzeeërs die uit het water opduiken lijken zelf wel op reusachtige dieren die naar de oppervlakte komen om lucht te happen. En voor de robben is een eigen stadje gebouwd: in zee zijn met netten van geel met groen nylon verblijven afgebakend. De dieren trainen twee keer per dag, de rest van de tijd rusten ze uit, eten ze vis en doen ze mee aan wetenschappelijke experimenten, waarbij onderzoekers verschillende aspecten van hun gedrag bestuderen.

    Zadelrobben en grijze robben

    Uiteindelijk bleek dat de dolfijnen zich niet konden aanpassen aan het noordelijke klimaat, dat de zeeleeuwen uit het Verre Oosten te agressief waren en de beloega’s te kwetsbaar en te duur: toen deze dieren ziek werden, was er niemand in Rusland die wist hoe je walvissen moest verzorgen. ‘In de loop der tijd hebben we alleen de lokale soorten overgehouden,’ vertelt Dmitri Isjkoelov van het instituut voor mariene biologie in Moermansk. ‘We hebben de kosten van het vangen en het onderhoud afgezet tegen wat de dieren eigenlijk konden. De robben bleken het grootste rendement op te leveren. Daarom werken we nu alleen met zadelrobben en grijze robben. Die hebben veel minder voedsel nodig dan walvissen, ze zijn gemakkelijker onder controle te houden, te vervoeren en te trainen.’

    Op dit moment herbergt het centrum negen robben. De training van een dier duurt ongeveer anderhalf jaar. Eerst gaan de robben naar de ‘basisschool’. Daar leren ze zich te laten benaderen, zich een tuig met een riem te laten omdoen, materiaal op hun rug te vervoeren, een kist binnen te gaan en niet bang te zijn voor harde geluiden. Vervolgens kunnen ze doorstromen naar de ‘hogeschool’. Elke rob krijgt een eigen specialiteit. Zo zal de ene leren pijpleidingen te inspecteren met een camera op de rug; een andere moet in een bepaalde sector onder water vreemde objecten kunnen opsporen, zogenaamde ‘doelen met zwakke emissie’ (zwarte dozen, verloren apparaten of materialen); een derde leert gereedschap brengen naar mensen die in de diepzee aan bekabeling werken, een vierde wordt gedresseerd om vijanden uit te schakelen.

    ‘Boezia bijvoorbeeld kan met duikers werken, maar we hebben haar niet geleerd om het zuurstofmasker van een kikvorsman af te trekken,’ legt Aleksander Zajitsev, directeur van het laboratorium voor biotechnologische systemen uit. ‘Maar het is heel goed mogelijk om van een rob een aanvalswapen te maken. Hij heeft tanden die even effectief zijn als die van een hond en klauwen van 8 tot 10 centimeter lang. We hebben gezien hoe de robben de eenden op de ponton rond het verblijf besluipen. Ze vallen ze over het hek heen aan, doden ze met hun klauwen en peuzelen ze dan smakelijk op.’

    Alleen zullen deze robben die ‘vaardigheid’ waarschijnlijk nooit op mensen toepassen. Want het laboratorium voor biotechnologische systemen richt zich voornamelijk op fundamenteel onderzoek en behaalt buitengewone resultaten op het gebied van sensorische systemen. Zo is ontdekt dat de robben niet in zwart-wit zien, zoals tot nu toe werd gedacht, maar in kleur, en dat ze uitstekend in staat zijn om rood van blauw te onderscheiden. ‘Dat kunnen we gebruiken voor toepassingen bij ‘vriend-vijand’-systemen, bijvoorbeeld tegen saboteurs, of voor het zoeken naar objecten onder water,’ vertelt Dmitri Isjkoelov. Op een ander vakgebied houdt men zich bezig met onderzoek naar magnetische velden. Er is een theorie dat de robben zich kunnen oriënteren dankzij die velden, net zoals vogels of vleermuizen. Het zou interessant zijn om die hypothese te testen.’

    ‘Weer een ander vakgebied is dat van elektromagnetische golven. Wij werken samen met onderzoekers van het instituut voor polaire geofysica. Zij hebben apparaten die golven van verschillende frequenties kunnen uitzenden,’ legt Dmitri Isjkoelov uit. ‘We leren de rob een serie oefeningen, vervolgens kijken we of hij die nog steeds doet onder invloed van golven van lage frequenties. Waarschijnlijk worden nu systemen ontwikkeld om levende wezens te kunnen desoriënteren met behulp van magnetische velden. Ik wil er meteen bij zeggen dat het gaat om vrij zwakke golven en dat de dieren er niet van te lijden hebben. Alles bij elkaar is het belangrijk om het gedrag van de dieren grondig te bestuderen, zodat we weten tot op welk punt wij ze nog kunnen aansturen.’

    unnamed 1 kopie

    Ondertussen is de vraag of een modern leger vinpotigen of walvisachtigen nodig heeft, nog steeds niet echt beantwoord. Volgens sommigen zijn robotsystemen, zoals onderwaterdrones, betrouwbaarder in het uitvoeren van taken. ‘Ik denk dat we moeten bepalen op welke terreinen het gebruik van zeezoogdieren goed werkt en wanneer het alleen maar verspilde tijd is,’ zegt Vitali Varganov. ‘Wij hebben indertijd in Sebastopol zo veel ervaring opgedaan dat het antwoord makkelijk te vinden moet zijn.’

    Dat oceanarium beschikte over twee onderzoekslaboratoria. Het eerste hield zich bezig met de bescherming van de baai: de dieren leerden vijanden onderscheiden en die vervolgens naar de oppervlakte te dwingen of ze te elimineren. ‘Wij deden veel experimenten met het bewapenen van zeedieren,’ herinnert Vitali Varganov zich. ‘De Amerikanen werkten er ook aan, net als wij, ook zonder veel succes. Zij bewapenden de dieren met speciale messen en injectienaalden met vergif of een slaapmiddel. De Sovjets hadden het klassieke pistool van de duiker genomen en daarvan de kolf zo aangepast dat hij op de neus van een dolfijn paste. Dat moest dan afgaan bij het contact met de vijand. Dat is niks geworden. Wel zijn de dieren erg nuttig gebleken voor het zoeken naar allerlei objecten op de zeebodem.’
    Dat was wat de dolfijnen en zeeleeuwen in het tweede laboratorium leerden. Uiteindelijk waren de dieren in staat torpedo’s en mijnen en dat soort voorwerpen te vinden. Ook konden ze wapens en mijnen spotten die nog uit de Tweede Wereldoorlog stamden. Vervolgens heeft men hun vaardigheden uitgebreid door ze te leren hulp te bieden aan onderwaterploegen in nood. Hadden zij in 2000 de bemanning van de Koersk kunnen redden [de kernonderzeeër die met 118 bemanningsleden aan boord was gezonken na een reeks explosies]? Die vraag moeten de deskundigen helaas met nee beantwoorden: daarvoor was een speciaal getraind dier nodig geweest en dat was er in die tijd niet.
    Vitali Varganov: ‘Ons onderzoekscentrum is in 1992 gesloten. Aan het begin van de jaren negentig hadden we tweeënzestig grote dolfijnen, zes zeeleeuwen, enkele pelsrobben en twee beloega’s, dus bijna tachtig dieren. Er werkten meer dan dertig onderzoekers, zowel burgers als militairen. Tot het eind toe hebben we de biotechnologische systemen draaiend gehouden en we hadden permanent zes dolfijnen paraat. Maar op die plek zouden we nooit werkelijk met vijanden geconfronteerd zijn.’

    ‘De bouw van het oceanarium was gefinancierd door het ministerie van Defensie,’ vertelt Varganov. ‘Maar we moesten van het begin af aan financieel zelfstandig zijn. We kregen opdrachten van het leger en daar werden we voor betaald. Volgens ons contract mochten we geen opdrachten van anderen aannemen.’ In 1992 bij het uiteenvallen van de USSR bleef het oceanarium gevangen in dat systeem, de geldstroom droogde op, niemand had meer behoefte aan de dieren en die kwijnden weg.

    ‘Weet je wat het allerbelangrijkst was in dat programma?’ vraagt Varganov. ‘Niet de technische installaties of de gedresseerde dieren, maar de mensen. Het kost jaren om een specialist op te leiden die met zeezoogdieren kan werken. Daarom zijn onze specialisten door oceanaria in het buitenland gerekruteerd en vertrokken ze – naar Turkije, naar Cyprus, naar Israël, naar Saoedi-Arabië. Vervolgens, toen het dolfinarium onder Oekraïne kwam te vallen (na het uiteenvallen van de USSR; de Krim werd vervolgens in 2014 geannexeerd door Rusland), heeft men de dieren zelf naar het buitenland gestuurd. Het oceanarium ging dieren speciaal voor de verkoop dresseren en kon zo deze moeilijke periode doorstaan.’

    Het goede nieuws is dat de eenentwintigste eeuw nieuwe professionele perspectieven biedt voor de zoogdieren, en dat kan een stimulans zijn voor de ontwikkeling van deze wetenschap. De robben van Moermansk kunnen een gaspijpleiding volgen en lekken opsporen aan de hand van de luchtbellen die daaruit opstijgen. Ontdekt zo’n besnorde arbeider een gevaarlijke plek, dan markeert hij die door er een gewicht neer te leggen dat vastzit aan een boei: die heeft hij in zijn bek bij zich.

    ‘Het is moeilijk om de dieren te dresseren, maar vervolgens kan een rob twintig tot dertig jaar operationeel zijn. Het belangrijkste voordeel van robben is dat ze kunnen nadenken en besluiten kunnen nemen al naar gelang de omstandigheden’

    En dan zijn er nog de wetenschappelijke expedities. ‘Een paar jaar geleden hebben we een groep baardrobben uitgerust met zendertjes en hun verplaatsingen geobserveerd,’ vertelt Dmitri Isjkoelov van het instituut voor mariene biologie van Moermansk. ‘Dat heeft interessante resultaten opgeleverd: in een paar maanden tijd legden de dieren meer dan 8000 zeemijlen af en zijn ze helemaal naar Spitsbergen en Nova Zembla geweest. De zenders registreerden niet alleen hun locatie, maar ook omgevingsfactoren, zoals het zoutgehalte en de temperatuur. Zo ontpopten ze zich tot formidabele wetenschappelijke meetinstrumenten.’ Tegenwoordig is een groep robben in realtime te volgen via een app voor de mobiele telefoon. Die informatie kan bijvoorbeeld belangrijk zijn voor vissersschepen: blijft de groep robben een paar dagen in een bepaalde zone, dat betekent dat waarschijnlijk dat daar veel vis zit.

    ‘Mensen zeggen vaak dat we beter robotica kunnen gebruiken, maar op veel terreinen zullen dieren nog steeds rendabeler zijn,’ stelt Aleksander Zajitsev. ‘Net zoals er ondanks alle technologische innovaties nog steeds politiehonden op de luchthavens zijn. Zo gaat het ook met robben, zij kunnen in diepe wateren werken, snel een zone verkennen, ook in troebel water. Op dit moment bestaat er niet één robot die daar tegenop kan. Het is moeilijk om de dieren te dresseren, maar vervolgens kan een rob twintig tot dertig jaar operationeel zijn. Het belangrijkste voordeel van robben is dat ze kunnen nadenken en besluiten kunnen nemen al naar gelang de omstandigheden.’

    Of er inmiddels ook weer militaire belangstelling voor zeedieren is, valt op dit moment moeilijk te zeggen. Voor dit artikel hebben we geprobeerd in contact te komen met de militaire eenheid die nu het legendarische dolfinarium van Sebastopol bestiert. We kregen echter te horen dat dit een speciale eenheid van de marine is, die onder de Russische militaire inlichtingendienst valt. We konden er dus niet achter komen waar het leger op die plek mee bezig is, maar in de wandelgangen gaat het gerucht dat er vorig jaar vijf grote dolfijnen zijn aangekocht.

    Auteur: Elena Koudriavtseva
    Vertaler: Annemie de Vries

    Illustraties: © Ale+Ale

    Ogonjok
    Rusland | dagblad | oplage 67.000

    ‘Het vlammetje’ werd opgericht in 1899 en heeft een veelbewogen geschiedenis achter de rug. In de jaren 1970-1980 deed het dagblad vooral verslag van het culturele leven van de Sovjets, vervolgens werd het de spreekbuis van de perestrojka. Nu is het een gerenommeerd nieuwsmedium.

  • Japanse miljardair ‘Masa’ wil de koning van het dataverkeer worden

    Japanse miljardair ‘Masa’ wil de koning van het dataverkeer worden

    Masayoshi Son is de rijkste man van Japan, met belangen in Yahoo, het Chinese Alibaba en robot Pepper. Hij bouwt aan een IT-imperium dat ons dagelijks leven met behulp van kunstmatige intelligentie ingrijpend kan gaan veranderen.

    Begin december 2016 was Masayoshi Son te gast in de Trump Tower in New York. Hij straalde van top tot teen, en ging zo dicht mogelijk naast de kersverse president van de Verenigde Staten staan, die een kop groter was dan hij en die hem voorstelde met de woorden: ‘Dit is Masa van Softbank uit Japan.’ Masa had zojuist aangekondigd 50 miljard dollar te investeren om 50.000 nieuwe banen te scheppen. Masa was een van de grote spelers van de industrie.

    Voor Son, 59 jaar, en grondlegger van het Japanse IT-concern Softbank, was de ontvangst bij Donald Trump de zoveelste stunt in het verhaal van zijn snelle opkomst.
    Daarom verdroeg Son het ook dat velen niet wisten wie hij was. ‘M-a-s-a’ spelde hij zijn bijnaam voor de verslaggevers in de lobby van de Trump Tower. Daarna vertelde hij dat hij de eigenaar was van Sprint, de vierde mobiele telefonieaanbieder in de VS. Onlangs kocht Softbank ook ARM, het Britse hightechconcern dat microchips ontwikkelt die in meer dan 95 procent van alle smartphones ter wereld worden gebruikt. Daarvoor had hij 32 miljard dollar betaald, zei Son. ‘Contant.’

    © Tomohiro Ohsumi / Getty
    © Tomohiro Ohsumi / Getty

    Sons imperium behelst onder veel meer een Franse robotbouwer, een Chinese taxi-app en een Indiase portal voor online shopping. De kern van zijn IT-conglomeraat bestaat uit Softbank, een van de drie grote telecombedrijven van Japan. In het afgelopen boekjaar, dat liep tot eind maart 2017, verdrievoudigde Softbank zijn zuivere winst over het laatste kwartaal tot omgerekend 11,5 miljard euro. En met een privévermogen van meer dan 20 miljard dollar veroverde Son onlangs de eerste plaats op de Forbes-lijst van rijkste Japanners.

    Son wil het grootste IT-imperium van de wereld scheppen en het dagelijks leven van de mensheid met behulp van kunstmatige intelligentie ingrijpend veranderen. Hij hoopt dat de Amerikaanse president een versoepeling zal invoeren van de regels die hem tot dusver verhinderden om bijvoorbeeld ook T-Mobile, de Amerikaanse dochteronderneming van Deutsche Telekom, te kopen en met Sprint te fuseren tot een reuzenspeler in de branche.

    Zijn eerzuchtigste project ontwikkelt hij met Saoedische investeerders: een hightechfonds ter grootte van honderdmiljard dollar, dat Son als de grootste investeerder moet gaan managen. Als potentiële investeringsobjecten wordt gesproken met Intelsat en OneWeb, exploitanten van satellieten. Met hun netwerken zou Son zijn visie voor deze eeuw een flink stuk dichterbij brengen: de controle over een aanzienlijk deel van het wereldwijde dataverkeer, dat mensen en machines steeds nauwer en steeds sneller met elkaar verknoopt. Dan zou Son ook meteen de controle hebben over die grondstof waarmee de kunstmatige intelligentie zich voedt.

    Al over ongeveer drie decennia, profeteert Son, zal kunstmatige intelligentie de gezamenlijke intelligentie van de mensheid overvleugelen. In die computergestuurde sciencefictionwereld, de zogeheten singulariteit, zou de miljardair dan een van de machtigste mensen zijn.

    Zuid-Koreaanse immigrant

    Maar wie is die Son eigenlijk precies? Hoe is zijn ongewoon snelle opkomst te verklaren en wat drijft hem?

    Op Kyushu, het zuidelijkste hoofdeiland van Japan, ligt Tosu. De stad van ongeveer 70.000 inwoners is vooral bekend als spoorwegknooppunt. Vlak naast de belangrijkste spoorlijn groeide Son op in een illegaal gebouwde plankenhut met een dak van golfplaat. Nu is het de parkeerplaats bij een ketenrestaurant. Van de ellende van toen is niets meer te zien.

    Son behoort tot de derde generatie van Zuid-Koreaanse immigranten. Om niet op te vallen in een vaak vijandige omgeving voerde de familie de Japanse naam Yasumoto. Veel hielp het niet. De jongens uit de buurt bekogelden Son met stenen, een keer werd hij tot bloedens toe aan zijn hoofd getroffen.

    Om de familie te voeden stookte de vader illegale jenever en fokte hij varkens. Son, die zelden interviews geeft, vertelde een paar jaar geleden voor personeel dat hij vaak achterop de glibberige handkar hurkte waarmee zijn grootmoeder er dagelijks op uit trok om bij restaurants etensresten voor de varkens op te halen. Son huilde bij zijn toespraak. De vernederingen werken nog door en ondanks zijn successen blijft Son voor veel Japanners een buitenstaander. Op het Japanse internet wemelt het van de hatelijke tirades tegen hem.

    Toen Son vijftien jaar was, werd zijn vader erg ziek. Zijn oudere broer moest van school om geld te verdienen. Son dacht na hoe hij zich nuttig kon maken. Ondanks de weerstand van zijn ouders en leraren ging hij naar de VS, leerde Engels en studeerde. Hij werd tot deze ongewone stap geïnspireerd door een boek over de samoeraiheld Sakamoto Ryoma, die Japan wilde bewapenen tegen de westerse grootmachten. Ook als bedrijfsleider treedt Son in de voetsporen van zijn krijgersidool: in het hoofdkantoor van Softbank in Tokio bewaart hij diens portret en een houten kopie van zijn zwaard.

    Als 19-jarige werd hij diep getroffen door een afbeelding van een microchip. Een beslissende gebeurtenis

    In de Verenigde Staten kwam Son terecht in de ontkiemende IT-revolutie. Aan de universiteit van Berkeley in California leerde hij software ontwikkelen. Onder zijn hoofdkussen, tussen de bladzijden van zijn leerboeken geklemd, bewaarde hij een uitvergrote afbeelding van een van de eerste microchips, die hij bewaakte als een schat. Die had hij uit een tijdschrift gescheurd. Herhaaldelijk vertelde hij hoe de aanblik van dit technische wonderwerk hem had ontroerd en gemotiveerd om te leren.

    Terug in Japan richtte hij in 1981 Softbank op, een groothandel in computerprogramma’s. Daarmee begon hij de wonderbaarlijke expansie van zijn bedrijf. Hij investeerde in start-ups toen nog nauwelijks iemand vermoedde hoe belangrijk die later zouden worden. In 1995 belegde hij in Yahoo. Met het Amerikaanse internetportal richtte hij in 1996 ook een gelokaliseerde versie voor Japan op. Die is voor veel van zijn landgenoten tot op vandaag de belangrijkste zoekmachine.

    Zijn grootste slag sloeg Son drie jaar later met zijn deelname in Alibaba, het toen bijna onbekende Chinese platform voor e-commerce. Toen de oprichter daarvan, Jack Ma, hem zijn businessmodel voorstelde, ging Son meteen akkoord om 30 procent van de aandelen te kopen.

    Tegenwoordig heeft Softbank nog een aandeel van 28 procent in Alibaba, waarvan de beurswaarde is opgelopen tot 310 miljard dollar. Die deelname maakt het grootste deel uit van de bedrijfswaarde van Softbank.


    Son zou allang van zijn rijkdom kunnen genieten, maar zijn eerzucht drijft hem voort. Onvermoeibaar probeert hij Softbank, maar ook heel Japan, klaar te stomen voor de door hemzelf voorspelde toekomst, waarin kunstmatige intelligentie het dagelijks leven vormgeeft.

    Op een vrijdagavond in februari richt Son zich tot de volgende generatie: de ondernemer betreedt het podium in een luxe hotel in Tokio. In de zaal zitten honderden scholieren die online kaarten hebben weten te bemachtigen voor het optreden van de inheemse IT-goeroe.

    Son draagt een grijs jasje en een gestreept hemd met open kraag. Hij spreekt vrijuit en bijna alsof het gedrukt staat. Maar niet over winsten en verliezen. Hij vertelt nog maar eens over zijn beslissende belevenis: hoe diep hij als negentienjarige onder de indruk was van de afbeelding van die microchip. En dan schildert hij het tijdperk van de singulariteit, wanneer de computers zelfstandig zullen leren en de wereld zullen regeren.

    ‘Wat zullen wij mensen dan doen?’ vraagt Son. ‘Asjeblieft,’ roept hij de jongelui toe, ‘daar moeten jullie absoluut over nadenken! Leer niet alleen dingen uit je hoofd!’

    Met een pas opgerichte stichting wil Son getalenteerde jongeren financieel steunen om naar het buitenland te gaan, Engels te leren en computers te programmeren. Zoals hij het zelf ooit deed.

    In Sons woorden klinkt ook bezorgdheid. Hij is bang dat Japan de aansluiting naar de digitale toekomst zal missen. Maar ook dat hij zelf niet de doelen zal bereiken die hij zichzelf in het kader van een levensloop in vijf fasen gesteld heeft.

    Eigenlijk wilde Son zijn imperium binnenkort overdragen aan de volgende generatie. Maar in het afgelopen jaar nam hij afscheid van de manager die hij als zijn opvolger had gekozen. Son liet weten dat hij nog een poosje door wilde gaan.

    Moet robot “Pepper” het platform worden waarmee de mensen in de toekomst communiceren?

    Zo kan hij de wereld misschien nog laten zien waarvoor zijn allegaartje van bedrijven en beleggingen uiteindelijk moet instaan. Voor kunstmatige intelligentie? Maar wat betekent dat concreet, wat is het element dat al die verschillende bedrijfsactiviteiten verbindt – afgezien van Son zelf? Dat is tot op heden niet duidelijk.

    Moet robot ‘Pepper’ bijvoorbeeld het platform worden waarmee de mensen in de toekomst communiceren? Het apparaat ziet eruit als een iPad met een hoofd en armen en kan reageren op menselijke emoties. Pepper moet het wereldwijde handelsmerk van Softbank worden.

    In Japan zijn al tienduizend exemplaren van de robot in gebruik, in Softbankfilialen of banken schudden ze klanten de hand of wijzen hem de weg [ook in Nederland wordt met Pepper geëxperimenteerd, onder andere in Rotterdam, waar hij Peppert heet]. Son steekt veel tijd in het bewaken van de ontwikkeling van de kunstmens, zegt Kenichi Yoshida, de baas van de roboticadochter van Softbank.

    Pepper werd oorspronkelijk ontwikkeld door de Franse firma Aldebaran, waarin Softbank in 2012 een meerderheidsaandeel verwierf. Son heeft Peppers lichte kleur bepaald, bericht Yoshida. Ook het hoge stemgeluid zou Son hebben uitgekozen.

    Voor Son is Pepper geen spelletje. Als de robot wereldwijd in miljoenen bedrijven en huishoudens actief was, zou hij waardevolle data van bedrijfsvoering en huishoudens kunnen verzamelen, want die worden continu naar de cloud verzonden en daar opgeslagen.

    Ongetwijfeld streven ook Amerikaanse giganten als Google & co naar wereldwijde heerschappij over de data – waarin ze vaak veel verder zijn dan Softbank. Dat geldt zelfs voor India, een van de laatste grote groeimarkten: al in 2014 verkondigde Son dat hij tot 2024 tien miljard dollar zou investeren, vooral in de onlinehandel. Maar tegenover marktleider Amazon heeft hij ook daar nauwelijks uitzicht op de zege.

    Even moeizaam verloopt het voor Son op de belangrijke Amerikaanse markt. De dochteronderneming Sprint, die hij voor 22 miljard dollar kocht, verliest klanten en schrijft rode cijfers. Als het Son niet lukt om Sprint door nog meer bedrijfsovernames om te bouwen tot een telecomreus, dan moet hij het bedrijf misschien wel weer verkopen.
    Ook daarom dong hij als een van de eersten naar de gunsten van Donald Trump. ‘De Verenigde Staten zullen weer groot worden,’ zei hij na de ontmoeting in New York.
    Daarmee zou hij in eerste instantie zijn eigen zaken daar wel eens bedoeld kunnen hebben.

    Auteur: Wieland Wagner
    Vertaler: Piet Meeuse

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 976.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • Wordt uw huis straks gebouwd door robots?

    Wordt uw huis straks gebouwd door robots?

    Ook in de Amerikaanse bouwwereld wordt volop onderzoek gedaan naar het gebruik van robots en digitale technieken, zoals 3D-printen. Maar de sector is veel voorzichtiger dan bijvoorbeeld de auto-industrie. ‘Een huis moet vijftig of honderd jaar staan. Daar hangen mensenlevens vanaf.’

    Stel je voor dat je met een druk op een knop een team van machines aan het werk kunt zetten. Op basis van een digitale bouwtekening zetten ze in een paar dagen op een leeg stuk grond een compleet huis neer. Ze zijn op tijd klaar, blijven binnen het budget en produceren geen afval.

    In de auto-industrie bestaat deze geautomatiseerde toekomst al; nu hopen ingenieurs dat in de bouw iets dergelijks mogelijk is. In deze analoge sector, die tot voor kort weinig ophad met digitalisering, werken kleine start-ups en onderzoeksgroepen aan een digitale revolutie. Voorbeelden zijn het 3D-geprinte huis van Apis Cor en de nieuwe multifunctionele robotarm van het MIT Media Lab.

    Een robotarm van MIT bouwt in Californië eigenhandig een ‘reusachtige gele bijenkorf’. © Stephen Keating
    Een robotarm van MIT bouwt in Californië eigenhandig een ‘reusachtige gele bijenkorf’. © Stephen Keating

    In juli 2016 verrees op een parkeerplaats in Californië binnen twee dagen een vijftien meter breed, vier meter hoog gewelfd gebouw. Een robotarm gemonteerd op zelfsturende tankachtige rupsbanden was dertienenhalf uur bezig laag na laag plasticschuim neer te leggen; het resultaat had iets van een reusachtige gele bijenkorf. Het MIT hoopt dat hun Digital Construction Platform (DCP), beschreven in het aprilnummer van het tijdschrift Science Robotics, het fundament zal leggen voor de gebouwen van de toekomst.

    ‘De omschakeling naar een digitale manier van werken betekende voor de ontwerpfase een enorme vooruitgang,’ vertelt auteur van het artikel Steven Keating. ‘Maar tot nu toe had dat op de bouwplaats nauwelijks gevolgen.’ De vierde industriële revolutie mag dan zijn aangebroken, in de bouw worden als vanouds blokken op elkaar gestapeld, vaak nog met de hand.

    De bouw is een reusachtige sector, gebruikt meer materialen dan elke andere en is goed voor elf procent van alle economische activiteit wereldwijd. Het is ook een hopeloos inefficiënte sector: in de Verenigde Staten produceert de bouw de helft van alle afval. Maar dankzij de precisie waarmee robots kunnen werken is daar misschien iets aan te doen.

    Hele muren printen

    Bouwplaatsen zijn, in tegenstelling tot de lopende band van een fabriek, voortdurend blootgesteld aan weer en wind. Verder worden aan gebouwen strengere veiligheidseisen gesteld dan aan andere consumentenproducten.

    Om die reden is het begrijpelijk dat de bouw nooit zo happig was op innovatie, vertelt Keating aan de telefoon: ‘Gebouwen moeten vijftig tot honderd jaar blijven staan, daar hangen mensenlevens vanaf.’

    Toch is volgens sommige onderzoeksgroepen een doorbraak niet ver weg. Dit jaar bouwde een robotarm van de start-up Apis Cor van sneldrogend beton de muren van het eerste in situ opgerichte 3D-geprinte huis. Het bouwen van de modelwoning kostte een maand en slechts 10.000 dollar, inclusief alle bedrading en afwerking. Het printen van de muren was volgens woordvoerder Konstantin Nefedev binnen een dag klaar.

    Het is evident waarom deze techniek zo aantrekkelijk is. Door hele muren te printen, kunnen aannemers exact voorspellen hoeveel tijd en materialen ze nodig zullen hebben. Zo besparen ze op de kosten. Dit is dan ook de gedachte achter het vergelijkbare Contour Crafting System van de University of Southern California: betaalbare huizen binnen het bereik van miljoenen mensen in ontwikkelingslanden brengen.

    Door de flexibiliteit van robotarmen zijn ingewikkeld gevormde componenten niet langer duurder; daardoor kunnen gebouwen meer rondingen krijgen

    Maar technologie is niet het hele verhaal. ‘Er bestaan allerlei barrières – zoals bijvoorbeeld de regelgeving in de bouw,’ aldus Nefedev. In Russische testfaciliteiten is aangetoond dat het beton van Apis Cor bestand is tegen meerdere cycli van vriezen en ontdooien. Desondanks vraagt Keating zich af of de zo om veiligheid bezorgde bouwsector zal opteren voor materialen die nog niet het gebruik hun duurzaamheid hebben bewezen.

    Keating ziet daarom meer in technieken die huidige methoden incorporeren, in plaats van ze te vervangen. ‘Alleen stap voor stap kunnen we deze sector veranderen. Wil je alles in één klap anders doen, dan valt dat maar moeilijk te integreren in bestaande bouwmethoden.’

    Het MIT koos er daarom niet voor te proberen een heel gebouw uit nieuwe materialen op te trekken. In plaats daarvan maakte het als proof of concept een mal, waarin gewoon alledaags beton kon worden gegoten. Een methode waarmee het aansluit bij ruim een halve eeuw bouwgeschiedenis.

    ‘Als je een essentiële stap weet te verbeteren als het gieten van beton – waar de hele structuur van een gebouw van afhangt – dan ga je uit van een systeem dat al volop gebruikt wordt in de bouw. Op die manier kun je echt beginnen met dingen bouwen en van daaruit opschalen,’ legt Keating uit.

    Door de flexibiliteit van robotarmen zijn ingewikkeld gevormde componenten niet langer duurder; daardoor kunnen gebouwen meer rondingen krijgen. ‘In de natuur zie je toch ook geen dieren of insecten met rechthoekige schelpen?’

    Keating wijst erop dat de demo maar één van de vele mogelijkheden van het Digital Construction Platform laat zien. ‘Let op: wij noemen dit geen 3D printer, maar een platform.’ Net als de menselijke hand kan de functie ervan met allerlei gereedschappen worden uitgebreid. Momenteel kan het worden ingezet voor het egaliseren van de bouwplaats, snijden, afwerken van oppervlakken en het aan elkaar lassen van rigide componenten.


    Ook professor Alexander Schreyer van de universiteit van Massachusetts denkt dat de efficiëntie dankzij 3D-printen omhoog kan. Toch zal er volgens hem nooit een uniforme oplossing voor alle problemen komen.

    ‘In de bouw is altijd een mix van technieken gebruikt,’ vertelt hij in een telefoongesprek. ‘In plaats van te zeggen: kom, ik ga een heel huis 3D-printen, denk ik dat een combinatie met andere methoden uiteindelijk het beste werkt.’

    Schreyer vertelt dat deze ontwikkeling al gaande is, in de vorm van geprefabriceerde onderdelen, die op de bouwplaats in elkaar gezet kunnen worden: ‘Net als bij een IKEA-meubel dat je zelf in elkaar zet: alles past perfect in elkaar.’

    Deze technieken zijn al volop beschikbaar, maar worden nog vrij weinig gebruikt. Dat wijst erop dat innovatie in de bouw niet alleen door technische en wettelijke barrières wordt geremd, maar ook door andere factoren.

    ‘Vrijwel iedereen woont in een huis met grofweg dezelfde functionaliteit en eendere esthetiek. Waarom moet elk huis dan in godsnaam van de grond af opnieuw worden ontworpen?’ vraagt Schreyer zich af.

    Economische overwegingen

    ‘In de auto-industrie worden veel dingen al en masse geproduceerd en tegelijkertijd voldoende aangepast aan specifieke wensen om mensen tevreden te houden. Het is onbegrijpelijk dat met huizen niet hetzelfde gebeurt,’ vervolgt hij. ‘Het zal wel iets met perceptie te maken hebben. Misschien denken mensen dat geprefabriceerde gebouwen minder stevig zijn, speculeert hij.

    Uiteindelijk zullen economische overwegingen de innovatie voortstuwen. Er gaan immense bedragen om in de bouw, maar de winstmarges bedragen meestal maar enkele procenten. Elke methode die voor meer winst zorgt, zal bedrijven bevoordelen die er gebruik van maken, maar Schreyer vermoed dat dit kantelpunt nog voor geen enkele techniek bereikt is.

    Onduidelijk is of de huizen van de toekomst gegoten, geprint of geprefabriceerd zullen worden. Maar alle experts zijn het erover eens dat verandering op til is, al zal die geleidelijk komen. ‘Ik denk dat de wereld steeds meer geautomatiseerd zal raken, inclusief de bouw, alleen zal het veel langzamer gaan dan mensen denken,’ aldus Keating.

    De bouw heeft dus iets weg van beton: hij vloeit al even langzaam en ongenaakbaar voort. ‘We bewegen allemaal in dezelfde richting,’ zegt Nefedev. ‘De technologie vordert gestaag – maar of het in kleine stapjes of in grote sprongen is, de tijd zal het leren.’

    Auteur: Charlie Wood
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    Christian Science Monitor Verenigde Staten | csmonitor.com

    Na meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verdergegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. Niet religieus, dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.

  • Seksrobot

    Seksrobot

    Toen de Amerikaanse ‘seksdokter’ Alfred Kinsey in 1948 zijn rapport publiceerde over het seksleven van mannelijke Amerikanen, veroorzaakte hij een sensatie. Journalisten buitelden over elkaar heen om de uitkomsten te beschrijven van de enquêtes die Kinsey met een groepje getrouwen had gehouden onder duizenden Amerikanen van alle rangen en standen. Zoals het feit dat de helft van de mannen vreemdging, en homoseksualiteit veel wijder verbreid bleek dan gedacht.

    Vijf jaar later leidde zijn tweede studie over vrouwen tot nóg meer opwinding, omdat ook zij veel promiscuer waren dan werd aangenomen. Het hele verhaal is in geuren en kleuren terug te lezen in de uitstekende roman De ingewijden van T.C. Boyle, die begin september te gast is in Amsterdam. Intussen zijn we ruim een halve eeuw verder en is het seksuele speelveld een stuk groter geworden. Op Facebook kun je tegenwoordig op zestig manieren je geslacht beschrijven. Transseksuelen, transgenders en aseksuelen eisen en krijgen steeds meer erkenning, zo blijkt uit ons dossier. Althans, in delen van de wereld. Is de seksuele revolutie daarmee voltooid? Nee, stelt de Amerikaanse seksexpert Laura Berman. Want dankzij de technologie worden onze opties straks nog veel talrijker. Virtualrealityporno, seksrobots, het op afstand stimuleren van je partner met een muisklik: het ligt allemaal binnen handbereik. De film Her, waarin een door Joaquin Phoenix gespeeld personage een relatie krijgt met een computerbesturingssysteem, zal werkelijkheid worden. Berman vindt 
het allemaal prima, maar je kunt je natuurlijk afvragen: wie wil dit nu eigenlijk? Precies die kwestie snijdt de Israëlische historicus Yuval Harari aan in een flonkerend essay, 
dat aanhaakt bij de beroemde vraag van internetactivist Jaron Lanier: Who Owns the Future? [Wie gaat er over de toekomst?] Op dit moment, zegt Harari, is dat een piepklein clubje toekomstprofeten in Silicon Valley met een feilloos businessinstinct en een vreemde mix aan utopische ideeën. Hun intenties lijken doorgaans goed, maar er zitten ook 
mensen tussen die serieus denken onsterfelijk te worden. 
Of die een nieuwe beschaving willen stichten met louter hoogintelligente bewoners. Dat we klakkeloos achter deze figuren aanlopen, betoogt Harari, komt doordat het onze politici aan toekomstvisie ontbreekt. En wie politici zegt, zegt eigenlijk: wijzelf. Met andere woorden: het wordt hoog tijd dat ook u gaat nadenken wat we nu met al die fantastische nieuwe technologie willen. Het is dat, of u zit straks lieve woordjes te fluisteren tegen uw seksrobot.

    Han Ceelen
    ceelen@360international.nl