Tag: Rouw

  • Montenegro: man doodt tien mensen en pleegt daarna zelfmoord

    Montenegro: man doodt tien mensen en pleegt daarna zelfmoord

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Elon Musk verandert zijn naam op X in Kekius Maximus

    » Zuid-Korea: politie doorzoekt vliegveld Muan na vliegtuigcrash

    Massale schietpartijen komen in Montenegro zelden voor

    Een gewapende man heeft op woensdag 1 januari minstens tien mensen gedood na een ruzie tussen klanten in een restaurant in het plaatsje Bajice, gelegen in de regio Cetinje in het zuiden van Montenegro. Daarna beroofde hij zichzelf van het leven, aldus de politie.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Massale schietpartijen zijn relatief zeldzaam in dit kleine Balkanland,’ aldus de BBC. De regering heeft drie dagen van nationale rouw afgekondigd, die donderdag ingaan. Premier Milojko Spajic sprak van een ‘verschrikkelijke tragedie’.

  • Het leven in Turkije na de aardbeving: ‘Het zal nooit zijn alsof het niet gebeurd is’

    Het leven in Turkije na de aardbeving: ‘Het zal nooit zijn alsof het niet gebeurd is’

    Tijdens de aardbeving in Turkije zes maanden geleden verloor Turgut Aslantürk alles. Zijn vader, zijn broer, vrienden, buren. En zijn aanstaande bruid. Hij stopte met praten en op een gegeven moment ook met zoeken. Hij leeft nog, maar dat is alles.

    ‘We zijn gestorven,’ zegt hij later. Wat natuurlijk niet klopt – die zin kan niet bestaan. Niet in de eerste persoon meervoud in de voltooid tegenwoordige tijd. Maar toch is zijn uitspraak waar.

    De laatste minuut van wat zijn leven was, begon om 4.16 uur op 6 februari. Hij had nachtdienst, hij was wakker, hij stond in het uniform van zijn beveiligingsbedrijf bij de ingang van de kliniek waar hij werkt als bewaker. In Kahramanmaras, een kleine stad in Zuid-Turkije, hoog gelegen, koud in de winter, warm in de zomer, nog altijd arm.

    Noodlot, geluk, toeval – zijn rooster zorgde ervoor, als je het zo wilt noemen. Hoe dan ook, Turgut Aslantürk was niet thuis en lag niet in zijn bed toen het plafond naar beneden kwam, samen met beton en staal. Het appartement waar hij met zijn familie woonde en dat instortte, lag op de vierde verdieping van een gebouw met zeven woonlagen. In zijn woorden ‘stortte de wereld in boven onze hoofden’. Om 4.17 uur ’s ochtends schudde de aarde. Daarna deed tijd er niet meer toe.

    Tijdlijn vol overledenen

    Hij vertelt dat hij ’s nachts onmiddellijk vertrok. Weg van de kliniek – hij moest naar huis, checken, weten wat er aan de hand was. Onderweg belde hij zijn vader. Geen antwoord. Toen stond hij voor het huis dat hij een paar uur daarvoor had verlaten om naar zijn werk te gaan. Althans, hij stond voor wat zijn huis was geweest. Een nieuwe woonwijk, pas een paar jaar geleden gebouwd. De huizen moesten tegen elkaar zijn gezakt en toen zijn ingestort. Het duurde even voordat hij doorhad op welk deel van de berg puin zijn huis eindigde en dat van de buren begon.

    Urenlang stond hij daar. Hij ging niet weg. Alle drie werden ze op de eerste dag gevonden: zijn ouders en zijn broer. Hij zag hoe de reddingswerkers de lichamen wegdroegen. Zijn moeder ademde nog. Ze was de enige overlevende van de vijf in het huis, vijf van de honderdzeventig totaal. Dat was zijn kans op overleven geweest als hij in zijn bed had gelegen. Geluk?

    Zes maanden later vertelt hij over zijn tijdlijn op Instagram. Die stopte die nacht als een klok, net als zijn leven. Het is een tijdlijn vol overledenen – veel mensen zijn er niet meer. Turgut Aslantürk scrolt door de foto’s van de doden. Meer dan vijftigduizend mensen stierven alleen al in Turkije door de aardbeving, tienduizenden daarvan in Kahramanmaras. Op zijn Instagram-feed telt hij honderd doden. Zijn vader, zijn broer. Vrienden. Buren. Zijn bruid ook, zijn aanstaande bruid. Het zal nog even duren voordat hij haar naam noemt.

    We zijn gestorven, zegt hij. Zijn leven hield op. En toch wordt hij gewoon elke ochtend wakker, als hij tenminste geslapen heeft, of hij wil of niet. Het wordt licht, het wordt zomer. Hoe gaat het verder? Gaat het verder?

    De eerste keer dat ik hem ontmoette, was hij op zoek naar iets. Een stoere kerel, maar niet onvriendelijk. Eentje met een kaal hoofd, een klein snorretje, 34 jaar oud. De werkers kenden hem al. Met hun graafmachines groeven ze het puin weg van wat drie weken eerder zijn huis was geweest. En nu was hij, Turgut Aslantürk, de enige die hier nog elke dag kwam.

    Niemand verwachtte nog iets uit het puin, de laatste stemmen van de slachtoffers waren verstomd, er waren geen wonderen meer te verwachten, er lagen alleen nog dode mensen onder. Alles wat ooit bezit was lag er, ontwricht, vastgeklemd tussen stukken muur en ijzerdraad. Alle spijkerbroeken, schoolboeken, slippers. Een samengeperst leven.

    Turgut Aslantürk leek verlegen. Hij keek je niet aan, keek je niet in de ogen, hij richtte zijn blik op een punt ergens in de verte. Hij droeg de zwarte jas van zijn beveiligingsbedrijf, een zwarte broek, een zwarte rugzak op zijn rug. Zo liep hij tussen de graafmachines door over het met puin bezaaide terrein. Te midden van het stof en het gebrul van de machines. De andere overlevenden kwamen niet meer, die waren vertrokken naar de tentenkampen, ze bleven weg. Waar kwam hij voor?

    ‘Om iets te vinden,’ zei Turgut Aslantürk.

    Eén procent

    Hij had een soort van speciale vergunning, afgegeven door de graafmachinisten, hij mocht op de puinhoop komen. Bijna niemand anders mocht dat, het was te gevaarlijk. Alleen hij, want het was gewoon zijn adres. Een goed adres, had hij destijds gedacht. Naast het puin stonden nog de reclameborden van de bouwbedrijven: een nieuwe wijk, zoals overal in Turkije. Moderne gevels voor de Turkse middenklasse. Erdogans brave new world, snel gebouwd. Te snel.

    Enorme woede voelde hij op die koude dag in februari, twee weken later, toen er nog steeds sneeuw lag op de bergen boven Kahramanmaras. Nog niet alle doden lagen onder de grond – ze werden nu begraven in massagraven buiten de stad. ‘Ze moeten gestraft worden.’ Dat bleef hij maar zeggen. Met ‘ze’ bedoelde hij de regering. Erdogan, die hier altijd driekwart van de stemmen kreeg. Hij riep het tegen het lawaai van de gravers: ‘Slechte bouw! Slecht cement! Slechte grond!’ Vroeger was hier een moeras, en een akker. De moderne gevels die erop werden gezet, zijn ingestort.

    Turgut Aslantürk was op zoek naar iets wat hem zou verbinden met zijn leven van voor 6 februari

    En nu waren ze alles al aan het wegscheppen, aan het platwalsen als schroot. En hij dan? Hij had niets, helemaal niets. Hij had alleen nog wat hij de avond ervoor had meegenomen naar zijn nachtdienst. Wat zocht hij? ‘Iets persoonlijks.’ Hij was op zoek naar iets, zei hij, wat van zijn familie was geweest. Een foto misschien. Iets. ‘En het oude zwaard.’ Een erfstuk. Een stuk uit de Ottomaanse tijd, niet waardevol, maar wel iets ‘uit ons verleden’. Turgut Aslantürk was op zoek naar iets wat hem zou verbinden met zijn leven van voor 6 februari. Iets om aan te raken. Iets om te kunnen geloven dat dat leven echt had bestaan. In die tijd ging hij nog elke dag naar zijn werk, altijd in dezelfde kleren. Na afloop nam hij dan de bus naar het centrum, net als vroeger, de oude weg naar huis. Dan zocht hij een tijdje in het puin, maar vond geen zwaard, vond helemaal niets. ’s Avonds ging hij naar een van de opvanglocaties voor slachtoffers van de aardbeving in een basisschool, en ging dan in een hoekje liggen slapen.

    Alleen zijn. Turgut Aslantürk wilde niets liever dan dat. Hij wilde urenlang door het puin lopen, alleen tussen de graafmachines, strijdend met hun schoppen. Maar elke dag werd het minder waarschijnlijk dat hij nog iets zou vinden. ‘Eén procent.’ Zo hoog schatte hij zijn kansen in. Hij wist dat die eigenlijk nog dichter bij nul lagen. Maar hij kon er niets aan doen. Morgen zou hij terugkomen, zei hij.

    Hij was al bijna vertrokken, maar toen begon hij te smeken. De stoïcijnse Turgut Aslantürk – de man alleen op de berg puin, de man die even boos werd, maar die verder zijn kalmte had bewaard – vergat zijn trots. ‘Kan niemand me dan helpen? Kunnen jullie in Istanbul vragen wie me zou kunnen helpen? Is er dan helemaal geen hulp? Helemaal niets?’ Toen draaide hij zich om, naar de ravage van zijn huis om opnieuw in het puin te duiken.

    Ademhalingsoefeningen

    Een containerlandschap moest het nieuwe centrum worden van zijn stad, van Kahramanmaras. Vlak naast de ingestorte huizen van zijn wijk. Bakkerijen. Banken. Mobieletelefoonwinkels. Alles in containers naast elkaar, een winkelcentrum van blik. Het zou eruit moeten zien alsof het leven in de lente normaal doorging, maar nu zag het er alleen maar doods uit. Bussen met forenzen reden door het kapotte stadscentrum – het leven van alledag ging door, zij aan zij met de ramp. In het blikken winkelcentrum, op de rand van een muurtje, zat Turgut Aslantürk. Hij had die dag vrij.

    Hij had niets meer, maar was nog steeds werknemer. Hij was de man van februari. Hij sprak in korte zinnen. Zinnen die niet tot een gesprek leidden, maar alleen tot stilte. Had hij iemand om mee te praten? ‘Niemand, er is niemand meer.’ Zijn moeder? ‘Ze ligt in het ziekenhuis.’ In shock, net als hijzelf. Psychologische hulp? Hem waren ademhalingsoefeningen geadviseerd. ‘Dat helpt misschien twintig procent.’

    Zo zat het dus, hij was twintig procent oké. Hij woonde in de school, nog steeds. In Kahramanmaras waren de huren na de beving gestegen, ze waren verveelvoudigd. Mensen van de gemeente gingen rond en controleerden de onbeschadigde huizen op bestendigheid tegen aardbevingen. Naar verluidt sloegen ze binnen op de muren, waarna ze de huizen veilig verklaarden. Die werden zo gewild dat bijna niemand ze kon betalen. Maar veilig? Wie moest dat geloven?

    Turgut Aslantürk wilde weg. Nee, hij was niet meer de man die hij in februari nog was. Een maand lang, tot in maart, was hij elke dag naar de puinhoop van zijn huis gegaan en had hij niets gevonden. Nu vermeed hij de aanblik, vermeed hij de buurt en het liefst zou hij de hele stad, en nog liever het land, mijden. ‘Er zijn toch veel Turkse arbeiders in Duitsland?’ vroeg hij. ‘Kan ik daar niet heen? Wat doe ik hier nog?’

    Psychologen uit Istanbul en Ankara werkten nu als vrijwilliger in het aardbevingsgebied. In de containerstad beschreef Nazan Rümeysa Tekin – een therapeute uit Ankara en gespecialiseerd in trauma’s – wat er was gebeurd met iemand als Turgut Aslantürk. ‘Dit zijn de zwaarste gevallen,’ zei ze. ‘Dit zijn degenen die hun hele netwerk, alles, zijn kwijtgeraakt.’

    ‘Je bent niet gek geworden, er is alleen iets geks met je gebeurd’

    Volgens Nazan Rümeysa Tekin moet ze haar patiënten steeds opnieuw één ding vertellen, keer op keer: je bent niet gek geworden. Er is alleen iets geks met je gebeurd. Mensen durven amper gebouwen te betreden of te slapen, ze hebben angst voor de nacht. Om 4.17 uur kwam de beving als een nachtmerrie.

    Van elke vijf mensen die de beving hebben meegemaakt, is er een ernstig getraumatiseerd. Ze zouden hoofdpijn hebben van het geschreeuw. De psycholoog zegt dat het geschreeuw van degenen die door de aardbeving bedolven werden niet kan worden uitgewist, dat het in de geest blijft hangen. Voor altijd? ‘Het zal nooit zo zijn alsof je het niet hebt meegemaakt.’ Het enige wat je kunt doen, is proberen een nieuw leven op te bouwen. Nieuwe huizen, nieuwe vrienden. ‘Een mooi leven, misschien,’ aldus Nazan Rümeysa Tekin.

    Voor haar, 25 jaar oud en net van de universiteit, is het haar eerste crisismissie. ‘Maar zoiets als dit maakt iedereen eens voor de eerste keer mee,’ zegt ze in haar containerkantoortje.

    In april dacht Turgut Aslantürk na over hoe hij zijn schulden kan afbetalen. Want die waren er nog, net als zijn baan en de jas van zijn bedrijf. Zijn schuld bedraagt 70.000 Lira – voor de beving was dat zo’n 3500 euro. ‘Voor de bruiloft,’ vertelde hij. Voor de nieuwe flat met zijn bruid. Ze zouden het in de herfst vieren.

    Obstakel

    De derde ontmoeting. Hij staat op wacht voor zijn kliniek, in de namiddag, het is bloedheet, maar toch draagt hij zijn zwarte uniformjasje. Hij is altijd komen opdagen voor zijn dienst, elke dag. Dat is normaal, toch?

    Hij heeft even pauze. Turgut Aslantürk drinkt een kopje thee in de kantine, een container die voor de kliniek staat. Voor zijn werkplek. Binnen, in de kantinecontainer, doet de airconditioning haar werk. Verpleegkundigen eten toast, chocoladerepen. ‘We moeten weer bij zinnen komen,’ zegt hij. Zo begint het gesprek. Deze keer is hij aanweziger, maar zijn zinnen zijn nog steeds karig. Vandaag praat hij in ieder geval. Turgut Aslantürk vertelt. Over Seyma.

    Nou ja, vertellen is een groot woord. Het blijft een obstakel in het gesprek. Als je erover begint, slaat hij dicht. Geen details over haar, niets over hoe ze was. Een buurvrouw, een vriendin, jonger dan hij. Vijfentwintig. Wederzijdse vrienden stelden hen aan elkaar voor, een jaar voor de beving. Hij hield van haar vriendelijkheid, zegt Turgut Aslantürk. ‘Ze wilde altijd alles delen.’ Een goed mens. Zijn blik wordt nerveus, dwaalt af naar beneden, naar de tafel. ‘In september zouden we …,’ zegt hij. Trouwen.

    Nog geen vol jaar na de beving. Dan zouden ze hun intrek hebben genomen in een nieuwe flat, waarvoor Turgut Aslantürk al dingen had gekocht, de wasmachine, de televisie. Ze zouden met z’n tweeën verhuizen, misschien weg van het centrum. Verder weg, naar waar de meeste gebouwen overeind zijn gebleven, naar waar de overgrote meerderheid van de mensen het overleefd heeft. Waren ze eerder getrouwd, dan was de aarde later gaan schudden, slechts enkele maanden maar.

    Is dat wat hij denkt? Nu, een half jaar later? ‘Altijd,’ zegt Turgut Aslantürk. ‘Elke dag.’

    In april wilde hij niets liever dan vertrekken, nu trekt hij zich steeds verder terug. Hij slaapt nu in een containerkamp, maar niet samen met anderen in een container, ook al is er airconditioning. Hij woont in een tent. Alleen. Zo wil hij het. Hij heeft een deur die hij dicht kan doen. Van canvas weliswaar, maar het is een deur.

    Het moeilijke, zegt de psycholoog uit Ankara, is dat de aardbeving maar doorgaat voor sommigen. Door het leven in het kamp, door de noodtoestand. Het is moeilijk voor mensen om ermee in het reine te komen zolang zich niets nieuws voor hen aandient. Maar wat zou dat moeten zijn? Het kost tijd.

    De steden zijn in juli nog net zo kapot als in april en het leven is nog even provisorisch, met supermarkten in containers

    Zes maanden is niet lang. Als je voor de derde keer naar het aardbevingsgebied reist, verwacht je dat er iets veranderd is. Je ontmoet Turgut Aslantürk voor de derde keer, je ziet de ruïnes weer, de ravage en de graafmachines in het puin. Er ligt zoveel puin dat je er hele steden mee zou kunnen bedekken. De steden zijn in juli nog net zo kapot als in april en het leven is nog even provisorisch, met supermarkten in containers en daarnaast het dagelijkse leven van degenen die het geluk hebben dat hun huis nog overeind staat.

    Door de hitte ruik je nu de lijken. Vlak naast de ruïnes, op een bankje in het park, flirten twee jongens en twee meisjes met elkaar, het is zomer. Er is een oudere vrouw, die met haar auto rond de verwoeste huizen van familieleden rijdt, zoekend. Net als Turgut Aslantürk. Ze zoekt niet naar iets persoonlijks zoals hij, maar naar dingen die ze kan gebruiken. Ze komt net uit de ruïne van haar oom, een strijkplank in haar handen.

    Haar huid is rood van de zon, haar hand trilt. Dit is de eerste keer dat ze hier komt. Naar huis zou ze zeggen, als het niet zo fout zou klinken. ‘Eerst ging het niet,’ zegt ze. Een half jaar lang kon ze niets. ‘De eerste maand trilde ik alleen maar.’ Net als Turgut Aslantürk draagt ze een getal met zich mee. Ze noemt het meteen als haar gevraagd wordt of ze mensen is kwijtgeraakt. ‘Ja, dat ben ik,’ zegt ze. ‘Veertig.’

    Ze stopt de strijkplank in de auto en rijdt weg. Voor het huis van haar oom waait een vel papier op door de wind. Het is een CV van een jonge vrouw, ingenieur, heel goed in Microsoft Excel.

    Geen plannen

    Op dezelfde dag ontmoet je twee andere vrouwen, allebei voor het eerst in de stad sinds de aardbeving, allebei lopend tussen het puin. De ene huilt stilletjes, de andere luid. Ze lopen door hun stad alsof de aardbeving gisteren heeft plaatsgevonden. Geschokt door wat ze zien. De meeste anderen doen alsof de ruïnes normaal zijn en schenken er geen aandacht meer aan. Schok en onverschilligheid, er zit maar weinig tussen.

    Ook voor hem, voor Turgut Aslantürk. Hij heeft niet alleen de anderen verloren, maar ook zichzelf. Waarschijnlijk omdat een mens alleen bestaat in relatie tot anderen. Zonder de anderen weet hij niet meer wie hij is. Turgut Aslantürk kent zichzelf niet meer, dát is zijn verhaal.

    Nu, in juli, zijn de emoties opgelost, alsof hij niets meer voelt. Woede? Leidt tot niets. Zelfs woede op Erdogan of op de regering niet. In mei ging hij niet naar de stembus. Weggaan? Moeilijk. Hij laat het leven even los. Hij gaat aan het werk of bezoekt zijn moeder en doet dan van binnen zijn tent op slot. Er zijn geen plannen meer, zegt hij.

    Natuurlijk, hij is jong. Ooit zal hij weer in een flat wonen. Als er één ding is dat de Turkse regering kan, dan is het bouwen. De eerste bouwplaatsen in het aardbevingsgebied zijn al te zien, de president heeft iedereen nieuwe huizen beloofd voor volgend jaar. Experts zeggen dat dat niet kan, dat er weer te snel gebouwd wordt.

    Turgut Aslantürk zal zijn leven weer in elkaar moeten zetten, ooit zal hij zijn tent verlaten. Misschien neemt hij deze winter zijn intrek in een van de containers. Nieuwe mensen vinden, vrienden die zijn tijdlijn op Instagram tot leven brengen. Een vrouw als Seyma misschien, of iemand heel anders, iemand die hij niet meer met Seyma vergelijkt. Niet nu, maar over een half jaar. Nu is het nog te vroeg.

    ‘Het zal nooit zijn alsof het niet gebeurd is.’ Met die zin van de psycholoog zal hij moeten leven. Zelf zegt hij: ‘Het zal nooit meer hetzelfde zijn.’ De thee is op, wat valt er verder nog te zeggen? ‘Niets,’ zegt Turgut Aslantürk. Hij moet weer aan het werk, de kliniek bewaken.

    Vandaag en morgen ook en elke dag daarna.

  • Senegal in rouw na zwaar busongeluk

    Senegal in rouw na zwaar busongeluk

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Bolsonaro-aanhangers bestormen parlement in Brasilia

    » Republikein Kevin McCarthy eindelijk verkozen tot voorzitter Huis

    Tientallen mensen overleden bij botsing

    In Senegal zijn drie dagen van nationale rouw afgekondigd nadat zeker veertig mensen om het leven kwamen bij een zwaar busongeluk tussen twee bussen. Bij de stad Kaffrine botsten de twee bossen vol op elkaar. Nog eens tientallen mensen raakten gewond, schrijft Africa News.

    Volgens lokale media ontstond het ongeluk nadat een regionale bus een klapband kreeg en daardoor op de andere weghelft belandde. Vervolgens ontstond er een zware botsing met een andere bus, die op hoge snelheid vanaf de andere kant kwam aanrijden. Hoewel zware verkeersongelukken vaker voorkomen in Senegal, is het lang geleden dat er zo veel doden en gewonden vielen bij een ongeluk in het Afrikaanse land.

    De Senegalese president Macky Sall heeft zijn medeleven betuigd aan de families en nabestaanden van de slachtoffers en gezegd dat hij op ministerieel niveau gaat kijken naar maatregelen om de verkeersveiligheid, het openbaar vervoer en de infrastructuur in het land te verbeteren.

    Lees ook:

  • Het honderd dagen durende project om rouw te verwerken

    Het honderd dagen durende project om rouw te verwerken

    Auteur Traci Brimhall wordt in het hospice waar ze vrijwilligerswerk doet gegrepen door iemand die uit de boeketten van haar moeders begrafenis nieuw leven tovert.

    Ik scheur de harten in stukken en laat ze snipper voor snipper in de blender vallen. Soms trek ik het papier rond bepaalde woorden los en andere keren scheur ik zomaar wat en zie de geometrische vormen kleiner worden. Ik doe er water bij. Dan het harde zoemen van het mes dat de oude liefdesbrieven vol aanbidding en verontschuldigingen tot verse pulp vermaalt.

    Jaren geleden kwamen de briefjes, met viltstift beschreven roze harten, uit een prentenboek gevallen. Ik had voor mijn zoon een verhaal over een panda met een gestreept broekje en een rode parasol gekocht en toen ik de glanzende pagina’s opensloeg, vielen daar zowaar veertig harten van tekenpapier in verschillenden tinten roze uit.

    De kleinste zijn slechts gekleurd en hebben die klassieke vorm. Op de iets grotere staan stukjes tekst, met de verering die daaruit spreekt: ‘jouw stem’, ‘jouw haar’, ‘jouw geluk’. Hoe groter het hart hoe uitgebreider de boodschap. De verliefde vertelt de geliefde hoeveel hij of zij van hem of haar houdt. De verliefde bedankt de geliefde voor alle zorgzaamheid en omdat die ook zo graag Animal Crossing speelt. De verliefde zegt zich altijd te zullen verheugen op netflixen in ondergoed en met bloody mary’s.

    Ik geniet meer van de specifieke dingen van hun relatie dan van de algemene liefdesbetuigingen, maar op het moment dat de harten in mijn schoot dwarrelen, weet ik: deze vondst in een verkocht boek betekent dat de liefde voorbij is. De stem van de beminde fluistert nu lieve woordjes tegen iemand anders. In het haar woelen nu de vingers van een ander. Of misschien niet. Misschien giet de geliefde nu tomatensap en wodka in een thermosfles en rijdt naar de bergen om alleen van de zonsopkomst te gaan genieten.

    Zo lagen oude briefjes van andermans liefde over mijn benen verspreid, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om ze weg te gooien en daarom legde ik ze boven in de kast van mijn zoon. Het geschenk tussen verliefde en geliefde was voor een paar dollar verkocht, de boodschappen erop waren vergeten. Natuurlijk vond ik dat ik geen recht had op de intieme zielenroerselen van een ander, maar deze onbekenden hadden ooit hoopvol liefgehad en ik wilde dit deel van hun verhaal tot een ander einde brengen.

    Catalogus van rouw

    Iemand in mijn hospice-vrijwilligersgroep stuurt een artikel over bloemen als rouwritueel door en zo ontdek ik Janet. In het stuk lees ik hoe Janet de gedroogde bloemen van haar moeders begrafenis gebruikt om honderd dagen lang elke dag een nieuwe compositie te maken. Elke dag creëert ze met de bloemblaadjes en stengels een nieuwe vorm, maakt daar een foto van, haalt het dan allemaal uit elkaar en bergt de gedroogde stukjes bloem weer op.

    Ik begin haar Instagramaccount te volgen en verlang telkens weer naar de schok van oude rozen die tot vogels zijn gemaakt of geplette anjers die zijn veranderd in de segmenten van een rups die zich van een tak verheft. Je ziet vaak vogels en insecten als verschijningsvormen van de doden. Alles wat vliegt, van monarchvlinders tot Emily Dickinsons bromvlieg is wel eens met de dood geassocieerd, maar het mooie van Janets werk is dat die verschijningen als het ware iets oproepen: een nieuw leven uit een gedroogd bloemblad.

    Ik vind het prachtig dat er niets wordt verspild. Alles is rijp voor transformatie

    Haar honderd dagen voelen als een catalogus van rouw. Het werk lijkt zo snel te veranderen: op sommige dagen speelt ze met de schaduwen die de verschillende gedroogde bloemen werpen; op andere maakt ze abstracte vormen. Tegen het eind van haar project worden haar creaties figuratiever. Sommige natuurmaterialen kiest ze vaker, zoals een blad dat ze net zo lang gebruikt tot het in stukken breekt. Sommige kapotte stukken worden opzijgeschoven, andere krijgen een nieuwe toepassing: een blad dat zo is verkruimeld dat alleen de harde nerven overblijven, wordt opeens een vogelklauw. Ik vind het prachtig dat er niets wordt verspild. Alles is rijp voor transformatie. 

    Janets beelden zijn privé en teder, al weet ik niet of ik zou hebben begrepen dat ze over rouw gingen als ik dat niet in het artikel had gelezen. Ze zijn zo teer en vol humor dat ik ze misschien wel mooi had gevonden, maar niet verder had gekeken en niet hun vragen had gezien, hun onmiskenbare verlangen.

    Ik lees de commentaren van andere mensen op haar posts. Iedereen is zo geraakt door Janets verdriet en hoe ze daar iets moois van heeft gemaakt. De beelden zijn schitterend, dat is waar, net als het verhaal erachter, maar ik het verbaast me dat in een cultuur waarin zo weinig plaats is voor rouw, haar account met de dag meer volgers krijgt.

    Heel veel mensen willen op een foto reageren, hun eigen interpretatie eraan geven, hun eigen verdriet in haar bladeren en dode bloemknoppen zien. Iemand vraagt zelfs of de foto’s geen boek kunnen worden en veel anderen betuigen met een hartje hun steun voor zo’n einde aan deze periode van verlies.

    Ik vind het mooi dat vreemden de rouw van iemand anders herkennen en zich erbij betrokken willen voelen, maar ik krijg ook de neiging tot beschermen, want ik wil niet dat mensen veranderingen voorstellen aan wat Janet doet. Haar rouw gaat niet over wat zíj willen. Maar wat ik ook vind van anderen die iets van Janet willen, ik maak me er zelf ook schuldig aan. Ik schrijf haar. Ik vraag of ik in haar verdriet mag delen.

    adrianna geo JWlZS708L1Y unsplash kopie

    Groeiende deken

    Mijn moeder is al vier jaar dood wanneer ik besluit om een jaar lang dekens voor een hospiceorganisatie te gaan maken. Ik heb nooit eerder een deken gemaakt, maar ik haal het in mijn hoofd om twaalf maanden lang elke maand een plaid te haken, telkens met een nieuw patroon.

    Op dat moment zie ik geen verband met mijn moeder, die zo plotseling stierf dat ze nooit hospicezorg heeft gekregen. Ik zie niet, misschien wíl ik niet zien hoe symbolisch het is voor haar en de handwerkwinkel die ze ooit vanuit onze garage dreef dat ik nu een nieuwe handwerktechniek ga leren.

    Ik zie niet waarom het belangrijk is dat de zak garen die ik uit de kast vis van mijn ex-schoonmoeder is geweest, die me probeerde te leren breien: al die strengen weggeborgen garen als getuigen van mijn mislukkingen. Ik trek bollen bontgekleurd garen uit de zak die me ooit mooi leken voor mutsen, dikke blauwgroene wol, ooit bedoeld voor sokken, en pastelkleurig garen waarvan ik ooit niet-verwelkende bloemen heb geprobeerd te 
    maken. Ik neem een donkerblauwe bol waarvan ik de herkomst niet meer weet en ik begin.

    Alles wat vliegt, van monarchvlinders tot Emily Dickinsons bromvlieg, is wel eens met de dood geassocieerd

    Ik scrol door tutorials op YouTube die laten zien hoe je een ‘restjesdeken’ maakt. Elk onlinefilmpje verzekert me dat dat heel makkelijk is, maar ik maak een ketting en haal hem weer uit. Ik tel mijn steken en raak het spoor bijster, ik haak dubbel, ik sla er een over, ik keer mijn werk om.

    Elke avond neem ik mijn groeiende deken mee naar boven en haak de ene toer na de andere terwijl mijn zoon in bad zit. Als het bedtijd is, houdt hij zijn boek open zodat ik hem kan voorlezen terwijl mijn handen bezig blijven. Ik zit in de schommelstoel te wachten tot hij in slaap valt en kies een nieuwe kleur uit de zak. De deken wordt zwaar en ondanks mijn pogingen om wat vrolijker kleuren toe te voegen, de onafgemaakte bloemensjaals van hun bloemblaadjes te ontdoen en de nooit gedragen mutsen van hun bovenkant, zit de tas vol blauwtinten. Gênant, deze eerste poging.

    De deken is ongelijkmatig en saai geworden, maar ik maak er in de wachtkamer van het ziekenhuis toch een foto van. Als ik hem naar boven breng, is de hospicecoördinator vol lof; ze benadrukt hoeveel de deken zal betekenen voor de familie die hem op een dag zal krijgen. Zij noemt het een ‘geschenk’ en legt hem in een kast tot hij nodig is.

    Instincten

    Het lichaam heeft instincten voor rouw, maar ik heb die nooit goed begrepen. Als ik een vriendin vertel dat mijn ex-man onze zoon aan zijn nieuwe vriendin gaat voorstellen, vraagt ze hoe ik me voel. Ik zeg dat ik moet gaan hardlopen om daar achter te komen en dat is waar. Blijkbaar kan ik alleen als ik in beweging ben bij mijn rauwe emoties, ongefilterd door redelijkheid of de zeef van de objectiviteit, eerlijkheid en empathie.

    Als ik hardloop heb ik medelijden met mezelf en kan ik huilen. Dan kan ik treuren om de toekomst die ik voor me dacht te hebben, om het gezin dat ik opbouwde. Zonder de vermoeiende lichaamsbeweging kan ik de signalen die mijn lichaam me stuurt vrijwel nooit goed interpreteren.

    Na mijn scheiding vertelt mijn vriendin me dat de vlinders in je buik bij een nieuw iemand misschien niet op de opwinding van de aantrekkingskracht duiden, maar op een flits van angst: je lichaam waarschuwt je dat je op het punt staat een verkeerd patroon te herhalen. 

    De eerste paar maanden dat ik dekens maak, krijg ik kramp in mijn handen en dat vind ik eigenlijk wel prettig: het fysieke bewijs van mijn inspanningen. Dat overkomt me nooit als ik schrijf; misschien zijn die polsbewegingen te goed geoefend. Maar door het nieuwe van het haken voel ik de doffe pijn van het scheppen.

    Op de een of andere manier vormt de pijn een gang, een rij deurtjes en zo kan ik gemakkelijker bij mijn herinneringen. Mijn werkpijn wordt beloond met iets tastbaars, iets van troost, van warmte. Ik weet dat het dwaas is, dat fysiek lijden niet nodig is, maar ik ben blij met dit bewijs dat ik iets heb gemaakt. 

    Door het nieuwe van het haken voel ik de doffe pijn van het scheppen

    In mijn eerste zoektocht naar de wetenschap van het rouwen vind ik alleen kwantitatieve data uit dierenonderzoek bij ratten, honden en apen. De meeste onderzoeken gaan over de scheiding tussen moeder en kind. Ik wil denken dat ik iets universeels heb ontdekt, maar ik weet dat dit over jonge nakomelingen gaat, niet over volwassenen die volwassen ouders verliezen. Maar de onderzoeken verzekeren me dat verlies invloed heeft op de hormonen, het immuunsysteem en het autonome zenuwstelsel.

    Ik weet niet precies welke conclusie ik zoek, of waarom ik denk dat ik, als ik het biologische effect van rouw begrijp, zal leren hoe ik ervan kan herstellen. 

    Primatoloog Edwin van Leeuwen van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek zegt: ‘De dood is een van de zwaarste sociale gebeurtenissen bij een sociale soort’, en het is gemakkelijk om het daarmee eens te zijn, ook al heb ik me nooit in het gedrag van primaten verdiept. Zwaar is wel het woord dat ik voor mijn lijden wil.

    Wil ik gemakkelijke conclusies, een beproefd ritueel om weer blijheid te mogen voelen?

    Ik lees dat hartziekten het grootste bewijs vormen voor de biologische gevolgen van verlies. Zelf dacht ik dat al, maar hier zeggen de data het ook: verlies zet het hart onder druk. Voor het eerst bedenk ik dat mijn moeder aan hartritmestoornissen, hartinfarct en hartfalen leed, de kwalen die het meest met rouw worden geassocieerd. Het is ook de eerste keer dat ik nadenk over het feit dat mijn moeder in het jaar voor ze stierf haar eigen moeder had verloren.

    De neiging in mij om meer in wetenschappelijk onderzoek te geloven dan in kunst, amuseert me, alsof de wetenschap een goede methodologie zou kunnen leveren om van dood of scheiding te herstellen. Wil ik gemakkelijke conclusies, een beproefd ritueel om weer blijheid te mogen voelen? Of ben ik misschien op zoek naar de bevestiging van wat ik al weet: dat verlies zijn tol van een lichaam eist.

    Zwaartekracht

    Voor het fatale einde van de missie van het ruimteveer Columbia had de bemanning dagenlang in het gezelschap van austronaut Ken Bowersox in het internationaal ruimtestation (ISS) experimenten uitgevoerd, vol blijdschap dat zij tot de weinigen behoorden die een zwaartekrachtloos bestaan meemaakten en de aarde vanuit de verte konden zien. Toen het veer in de aardeatmosfeer terugkeerde, viel het uiteen en alle zes de bemanningsleden kwamen om.

    In een documentaire zegt Bowersox: het moeilijkst was het fysieke deel van het verdriet. Het duurt een tijd voor je alles hebt verwerkt dat je moet verwerken.’ Ik ben opgetogen over zijn antwoord en zie het als bewijs dat gewicht en kracht invloed hebben op de manier waarop je rouwt. Ik denk aan hem daarboven in het ISS nadat hij het nieuws te horen had gekregen, terwijl de zwaartekracht op geen van de normale manieren op zijn lichaam inwerkte.

    Ik wil weten of iemand in de ruimte kan huilen. Astronaut Chris Hayfield zegt dat je ogen er wel tranen kunnen vormen, maar die niet kunnen laten vloeien, dus als je ze niet wegveegt vormen je tranen een bolletje dat aan je oog blijft kleven. Hij waarschuwt dat zo’n bolletje prikt, maar ik vraag me af of dit misschien geheime voordelen kan hebben: dat je zo je verdriet buiten je lichaam kunt zien, het van je oog kunt plukken en weg kunt zien drijven?

    Creativiteit en verdriet plaatsen je buiten zelfbewustzijn en tijd

    Ik vraag Ken Bowersox in een brief of ik zijn citaat goed heb begrepen. Bedoelt hij dat een van de voordelen van de zwaartekracht voor ons lichaam is dat die het verdriet eruit helpt komen? Hij schrijft niet terug.

    Verloren toekomsten

    Janet wil wel met me praten over haar honderd dagen durende project met de bloemen van haar moeders begrafenis. Voor ze haar verhaal vertelt, vraagt ze naar het mijne en ik vertel haar over mijn moeder, alle sterfgevallen waarvoor ik er niet was, waarom ik nu vrijwilligerswerk in een hospicezorg, dat ik getrouwd ben geweest met iemand die dezelfde psychische ziekte had als mijn moeder en hoe ik nu om twee verloren toekomsten treur.

    Ze laat me praten en dat doe ik, al schaam ik me wel dat ik even openhartig ben als mijn moeder en veel te veel ontboezemingen doe aan iemand die me niet kent. Maar Janet luistert en vertelt dan over de diagnose, behandeling en achteruitgang van haar eigen moeder. Het is een ongewone ervaring, maar ik vind het wel prettig om iemand eerst te leren kennen via haar verliezen.

    Als Janet me deze details over haar moeder vertelt, ben ik geschokt. Ik had dan wel haar artistieke proces gevolgd en het artikel over haar honderddagenproject gelezen, maar er is zo veel dat ik niet wist, zo veel dat anders klinkt nu ze het zelf vertelt dan toen ik het las in de woorden van een journalist.

    Het fijnst vind ik dat ik meer te weten kom over het achtergrondverhaal van het project. Janet en haar zussen besloten dat ze iets met de bloemstukken van hun moeders begrafenis moesten doen. Ze wisten niet wat ze wilden doen of hoe je bloemen moest drogen, maar ze ruimden de eettafel leeg en installeerden een pers. Ik denk graag aan dat werk, dat gedeeltelijk uit catalogiseren bestaat en gedeeltelijk uit fysieke inspanning.

    Ze zijn drie weken bezig geweest de boeketten te conserveren en zorgvuldig in bakken op te bergen, waar ze maanden in zouden blijven liggen. Ik knik aan mijn kant van de telefoon: soms moet je wachten.

    Emoties

    Na dit proces begon Janets honderd dagen durende project. Elke dag trok ze wat tijd uit om iets te creëren met de geperste bloemen en dat werd voor haar een soort moment voor zichzelf, een kans om tevreden te zijn met wat eruit kwam en hoe ze zich voelde. Elke morgen begon ze zonder plan aan haar proces en elke dag maakte ze de foto en postte die op Instagram, voordat ze zich echt realiseerde wat ze had gemaakt.

    Mensen zeiden altijd wel iets over de emoties in haar werkstukken, maar zij was zich terwijl ze die maakte niet bewust van wat ze voelde. Ik knik weer aan mijn kant van de lijn: creativiteit en verdriet plaatsen je buiten zelfbewustzijn en tijd.

    Ze vertelt me ook dat ik niet de enige ben die over dit project wil praten. Nadat de lokale radio een reportage over de honderd dagen had gemaakt, werd die op grote schaal gedeeld; mensen uit het hele land zochten contact met haar en vertelden haar hun eigen rouwverhaal.

    Iemand vroeg of ze een menselijke figuur wilde maken zodat haar dochter daar verhaaltjes over kon schrijven. Mensen willen haar creaties op muziek zetten. Ze willen een koffietafelboek van de foto’s hebben. Ik ben minder duidelijk over wat ik wil als ik met Janet praat, maar misschien hebben we allemaal hetzelfde eenzame verlangen: je verlies omhooghouden zodat iemand het ziet.

    ‘Ik weet niet waarom het zo veel weerklank vindt,’ zegt Janet. ‘Het was de naarste dag van mijn leven, maar ik weet dat het iets uitmaakt dat je er niet alleen in bent.’

    Met haar stem aan de andere kant van de telefoon voel ik me niet alleen. Ik maak aantekeningen. Ik kijk hoe tulpen de tuin roze kleuren.

    Voorgevoel 

    Een paar weken na mijn gesprek met Janet pak ik de hartvormige liefdesbrieven van de onbekende uit de kast van mijn zoon. Ik weet wat ik ermee wil doen. Ik lees ze nog een keer door, de kleine intieme ontboezemingen van deze liefde raken me, maar ze roepen ook een ander gevoel op. Eerder had ik niet herkend dat tussen alle liefdesbetuigingen ook verontschuldigingen staan, een van de twee heeft er spijt van ziekte of een slechte bui op de ander te hebben afgereageerd.

    Tussen de grapjes en de liefdesverklaringen zijn er ook beloften om de geliefde te behandelen zoals die verdient. Ik voel nog steeds iets van mijn vroegere verdriet om deze anonieme onbekenden, die jong en oprecht klinken in hun liefdesbetuigingen, maar nu ben ik ook opgelucht dat het voorbij is. Het boek staat nog steeds op de plank van mijn zoon en wordt nog steeds gelezen, maar het bewijs van wat die twee mensen zo graag wilden bereiken is nu roze pulp in mijn blender.

    Ik ga naar boven en haal de schoenendoos met mijn eigen oude liefdesbrieven uit mijn kast. Sinds mijn man uit ons huis is vertrokken heb ik muren geschilderd, kamers anders ingedeeld en oude meubels opgeknapt, maar de doos met zijn oude trouwdags- en verjaardagskaarten, de briefjes die hij op parkeerplaatsen onder mijn ruitenwissers stopte, heb ik niet aangeraakt.

    In kleermakerszit op de vloer vouw ik ze open en lees ze, sommige vluchtig, andere aandachtig om elk woord te kunnen zien en voelen, wetend dat dit de laatste keer is dat ze gelezen zullen worden. De brok brandt in mijn keel, maar er komen geen tranen. Mijn eigen liefdesbrieven voelen net zoals die van de onbekenden en daar treur ik ook om, om wat we ooit voor elkaar betekenden en hoe de overtuigingskracht van die woorden nu weg is, niet eens meer herkenbaar voor mij.

    Ik neem de doos mee naar beneden en gooi de brieven in de vuilnisbak, maar houd één vel achter. Daarop staat een lijstje onder de titel: ‘Dingen aan jou waar ik van hou’. Ik scheur het in gelijke strookjes en doe die ook in de blender.

    Er is geen enkele pijn, alleen concentratie en de moeite die mijn vingers doen om alle strookjes precies even groot te maken. Ik weet niet waarom mijn eigen mislukte liefdesgeschiedenis bij de harten van iemand anders hoort, maar ik vertrouw op mijn instinct en draai de knop naar de langzame stand.

    Bloemenbed

    Mijn eerste hospicedeken is gênant en blauw en mijn tweede is nog lelijker, maar de derde keer maak ik iets dat bijna mooi is. Voor Kerstmis wil ik mijn zoon geven wat mijn vader mij vroeger gaf: liever ervaringen dan dingen. Dus boek ik plaatsen voor ons in de trein van Kansas City naar Chicago, waar we een nacht in het natuurhistorisch Field Museum zullen doorbrengen.

    We kijken naar de winterse velden buiten en mijn vingers vormen het spiergeheugen van garen om een haak slaan en doorhalen. Mijn zoon wil naar de panoramawagen, dus dat doen we, we gaan zitten, we kijken naar het panorama. Ik haal cranberry, lavendel en zeewier door lussen, hecht ze af, maak een nieuwe halve vaste. Midden in de winter wordt mijn schoot een bloemenbed. Mijn zoon ligt met zijn hoofd op mijn dij en ik trek de draad zachtjes over zijn voorhoofd, hecht een nieuwe kleur aan, terwijl ik naar de witte velden kijk die voor ons raam voorbijrollen.

    Als we van ons reisje terugkomen en ik de gehaakte vierkantjes over de vloerbedekking uitspreid, zie ik bloemenpatronen verschijnen, maar ik zie ook de treinstations, de tekenfilmochtenden in hotelkamers, de nacht naast opgezette vogels, omslaand en doorhalend terwijl mijn zoon met de andere 
    kinderen op de museumvloer lag te snurken.

    Ik leer nieuwe steken om afzonderlijke lapjes aan elkaar te haken, roze en paars aan blauwgroen en geel, en zo een geheel te maken van afzonderlijke kleurige delen. Ik krijg pijn in mijn rug van het gebogen over de vierkantjes zitten, al combinerend, herschikkend. Deze wil ik niet weggeven.

    Eindelijk heb ik iets goeds gemaakt, iets waarvoor ik mijn hele lichaam heb moeten inzetten en dat mijn herinneringen bevat: het schommelen van de restauratiewagen, de opgevroren trottoirs in Chicago, het moment dat ik mijn zoon door de geschiedenis van de aarde droeg om T-Rex Sue te gaan bekijken. Hij legde zijn handen tegen mijn wangen en vroeg waarom ik niet luisterde als hij zei dat hij bang was. En ik lachte van blijdschap omdat ik deze jongen had die zijn gevoelens kende en wist dat ze belangrijk waren. 

    Mijn eigen liefdesbrieven voelen net zoals die van de onbekenden en daar treur ik ook om

    Ik droeg hem het donkere doolhof van de tijd uit en we zochten een plek op die we allebei prettiger vonden: de Plantenhal, waar alles wordt bewaard en opgesteld in verschillende groeistadia. Op het laatst haak ik een witte rand om de vierkantjes.

    Ik breng de deken naar het ziekenhuis, drapeer hem over een stoel in de wachtkamer om er een foto van te maken voordat ik hem naar de hospicecoördinator breng, die me opnieuw vertelt dat dit echt een geschenk is. En dat is het. Dat weet ik. Maar het doet nog steeds pijn om er afstand van te doen.

    Gewicht

    In zijn autobiografische werk A Grief Observed [in het Nederlands vertaald als Verdriet, dood en geloof] stelt C.S. Lewis de vraag of de doden de pijn van de scheiding net zo voelen als de levenden. Was zijn dode vrouw aan gene zijde dan ook in de rouw, zonder haar lichaam maar nog steeds met haar verdriet? Die eenzaamheid doet me pijn, ook al weet ik dat Lewis nu dood is en dus herenigd, mits de liefde die genade na de dood vergund wordt.

    Hij publiceerde zijn boek onder pseudoniem, had de naam van een onbekende nodig om met anderen te delen hoeveel verdriet hij voelde, hoe bang hij was dat zijn vrouw nog steeds pijn leed waar hij haar niet meer kon helpen. Ik stel me liever een leven na de dood voor waarin het lichaam in gras verandert, en niet een bestaan waarin je bewustzijn – ook al heeft het een andere vorm of geen vorm – nog steeds je herinneringen bevat. 

    Mijn favoriete mislukte wetenschapper, Duncan MacDougall, wilde in 1907 niet bewijzen dat zielen net als de levenden rouwen, maar dat zielen überhaupt bestonden en dat ze een gewicht hadden. Hij vond zes patiënten op het randje van de dood en woog ze op een professionele weegschaal, vóór en nadat ze waren gestorven, om te zien of hun lichaam lichter was geworden nadat de ziel het had verlaten.

    Geen kraaien

    Waar voorheen de meeste begrafenissen een uiterst plechtige en formele laatste bijeenkomst behelsden, hebben de zogenaamde ‘kraaien’ hun plaats afgestaan aan familieleden of vrienden en zijn er meerdere mogelijkheden om afscheid van iemand te nemen dan een kist of een urn.

    Ook voor het verwerkingsproces is meer aandacht gekomen. Onderzoek van de Universiteit van Brighton wijst uit dat traumatisch verlies nabestaanden zo kan overspoelen dat rouw eindeloos blijkt, wat nog meer ontmoedigt. Kunstenaars en schrijvers, kunst en literatuur, kunnen derhalve bijdragen aan de gemoeds- toestand van de treurende. Vaak geciteerd wordt de Amerikaanse essayiste Joan Didion met haar The Year of Magical Thinking, waarin zij haar dubbele persoonlijk verlies publiek maakte.

    Slechts één van de gestorvenen in MacDougalls experiment bleek iets lichter geworden, 21 gram, en het is nooit meer gelukt om dit resultaat te herhalen. Toch verklaarde MacDougall zijn onderzoek tot een succes en ik kan het hem niet kwalijk nemen. Het is verleidelijk te denken dat het lichaam bewijs levert voor wat er na de pijn gebeurt en kennelijk wilden mensen in zijn tijd zijn bevindingen maar al te graag aanvaarden. Het kleinste zuchtje bewijs vormde voor sommigen een troost en zij gaven het verhaal door als een evangelie.

    Ik denk aan de hospicezorg en hoe het lichaam al koud begint te worden, omdat het bloed zich concentreert in de vitale organen. Ik heb mijn dekens nooit gewogen, maar ik besluit ze zwaarder te maken, om warmte vast te helpen houden, zelfs als het lichaam die niet meer nodig heeft.

    Jaren na zijn experiment raakte MacDougall ervan overtuigd dat de ziel ook onderhevig moest zijn aan de zwaartekracht. Hij stelde camera’s op rond de stervenden en probeerde de ziel te fotograferen wanneer die op het moment van overlijden het lichaam verliet.

    Hij heeft nooit iets concreets in beeld gebracht, maar op zijn foto’s leek iets zichtbaar te worden dat hij ‘de interstellaire ether’ noemde, een licht rond de schedel van de patiënt. Dit sprak minder tot de verbeelding van rouwende onbekenden dan het gewichtsexperiment, maar ik heb bewondering voor zijn vasthoudendheid, zijn gebruik van verschillende meetmethoden om zichzelf en de wereld te verzekeren dat een deel van ons zonder ons lichaam verdergaat.

    Eindelijk begrijp ik dat pijn een manier is om nee te zeggen

    Nadat ik de mooie lapjesdeken vol herinneringen aan mijn zoon heb weggegeven, lukken de meeste dekens die ik maak goed. Ik maak een deken in log cabin-patroon, een in drunken granny-steek, een in ‘a-mile-a-minute’ gehaakte deken, een in veelkleurige golfjes. Elke maand probeer ik een nieuw patroon uit. Ik maak fouten. Ik word beter.

    Als ik de dekens naar het ziekenhuis breng en ze over stoelen drapeer voor de foto, begin ik complimenten te krijgen, en ik geloof wat ik hoor. Mijn creaties zijn mooi en kleurig. Ik maak er een met zonnebloemen, met een zelfbedacht patroon.

    Dat doet me eraan denken dat Janet me vertelde wat voor haar de belangrijkste dag was: dag 87. Zoals alle dagen daarvoor begon ze ook op die dag iets te maken zonder een vooropgezet plan, maar onder haar handen verschenen een moeder en een kind. Ze had niet het gevoel dat zij daar zelf een rol in speelde, maar het gebeurde gewoon, het was een boodschap.

    Pijn

    Ik haal het bijna, maar maak het jaar dat ik had gepland niet vol. Er trekt een pijn door mijn handen en mijn benen en de dokter adviseert me om geen dekens meer te maken, geen piano meer te spelen, niet meer hard te lopen. Ik weet niet wat er binnenin me wakker wordt of eruit probeert te komen.

    Na twee maanden gaat de pijn weg. Het is een opluchting om niet meer bang te zijn voor mijn eigen lichaam, maar ik mis het omslaan en doorhalen van steken waardoor herinneringen makkelijker en in kleur op konden komen.

    De dokters vinden nooit een naam voor de pijn en ik krijg het bijgelovige idee dat mijn lichaam hiermee liet merken dat het niet langer wilde rouwen via creatie. Ik heb nooit begrepen hoe het lichaam communiceert, maar ik wil graag geloven dat ik het deze keer wel snap.  Eindelijk begrijp ik dat pijn een manier is om nee te zeggen.

    ‘Dus jij zegt dat verdriet en kunst allebei een proces zijn’

    Janet haalt de honderd dagen, maar zegt dat de bloemen er nog niet aan toe zijn dat ze ermee ophoudt. Een collega vertelt haar dat haar werk geleidelijk aan vrolijker wordt en dat lijkt te kloppen. Ik vind haar vroege werk met schaduwen prachtig, maar zij zegt dat ze pas op dag 60 of 70 meer overtuigd raakte van het proces. De beelden werden gedetailleerder en verfijnder en toen de materialen begonnen te verbrokkelen, werd het werk zowel moeilijker als bevrijdender. De schaal van het werk veranderde. 

    Verdriet verbeelden

    In Edge of Grief gebruikte Jules Findley rafelig en beschadigd papier, fragmenten van portretten en tweehonderd ongebakken papieren kleifiguren. Een verwijzing naar de offers bij taoïstische begrafenissen.

    De installatie moet de symbolische breekbaarheid weerspiegelen en een erkenning dat handwerk en herhaling verdriet kunnen kanaliseren. Jane Fox wandelde na een sterfgeval in het krijtlandschap van de South Downs in Zuidoost-Engeland en vroeg zich af hoe de steen die zij opraapte kon helpen om haar verdriet te verwoorden. Haar bevindingen werden samengebracht in The Mourning Project. De lijst van kunstenaars die verlies hebben weten te verwerken, of te verzachten, vooral in de ambachtelijke totstandkoming van een project, is lang en divers.

    Tot 6 juni 2021 presenteert het New Museum ‘Grief and Grievance: Art and Mourning in America’, een tentoonstelling oorspronkelijk bedacht door Okwui Enwezor (1963-2019), die zevenendertig kunstenaars uit ver- schillende media verenigde onder het concept ‘rouw, herdenking en verlies’ in een reactie op racistisch geweld in de Verenigde Staten.

    Er verschijnt langzaam meer licht en verrukking in, een speelsheid, een vrolijkheid die zelfs tevoorschijn komt uit bloemen die doodgegaan zijn en platgeperst om het leven van hun kleuren vast te houden. Ik denk aan mijn eigen kleuren van verdriet, van de gênante blauwtinten bij mijn eerste poging tot de gouden zonnebloemen die ik als laatste heb gemaakt, en ik wil dat het waar is dat mijn werk net als dat van Janet vooruit is gegaan in kleur en vakmanschap, alsof háár creativiteit in verdriet iets kan aantonen in de mijne, alsof de zich ontwikkelende vrolijkheid een teken is dat ik echt herstel. Weer wil ik me opdringen, mezelf zien in wat zij doet.

    ‘Dus jij zegt dat verdriet en kunst allebei een proces zijn.’

    ‘Ja, en je moet de lelijke dagen ook laten bestaan,’ 
    verzekert ze me.

    In kunst en rouw zijn er dagen waar je niet trots op bent, dagen waarin de emoties lelijk worden, dagen waarop de beelden niet uitpakken zoals jij wilt. Maar dat is de mens in ons en het hoort bij het proces.

    Het lijden zelf maakt je niet per se beter. Het haalt zelfs vaak de rommelige menselijkheid naar boven, de boosheid, de niet genezen wonden. Maar, zegt Janet, ‘je moet voor jezelf uitvinden hoe je het proces gebruikt om een beter mens te worden’.

    We praten over rouwen met hoop, over de noodzaak om te erkennen, te vragen, eerlijk te zijn. Als ik de lichtroze pulp van andermans liefdesbrieven vermengd met de mijne in een schepraam giet, erken ik dat ik na al die jaren nog steeds verdrietig ben. Wat ik moet vragen weet ik niet, maar ik weet wel dat wat ik nodig heb van het proces zal komen, niet van het product.

    Beginnerskunst

    Ik haal gedroogde orchideeënbloesems tevoorschijn. Mijn man en zoon kwamen op een dag thuis met dit cadeau, een orchidee die daarna nooit meer gebloeid heeft. Ik heb altijd mooi gevonden hoe de bloemen in hun geheel gedroogd waren, maar nu trek ik ze uit elkaar en druk hun verouderde witte bloemblaadjes in het papier.

    Ik spons, ik klop, ik druk de pulp weer in de vorm, genietend van de mechanische kant van het papiermaken met zijn simpele herhalingen. Ik leg de drie velletjes voor de rest van de dag in de zon, een drieluik van hartzeer.

    Als ik er de volgende dag aan voel, zijn ze droog. Ik zie de lussen van het schuine handschrift van mijn ex-man, ik zie de ronding van een e in de viltstift van een onbekende. De orchideeën zijn niet van de brieven te onderscheiden, alles is vlekkerig en roze en rimpelig onder mijn vingertoppen. Dan zie ik wat het moet worden, wat al die tijd al voor de hand lag.

    Ik pak mijn schaar en knip uit de gerecyclede liefde drie nieuwe harten. Ik hang ze op in mijn woonkamer waar de beginnerskunst door anderen gezien kan worden, tot een vraag kan uitnodigen en een verhaal kan worden. Daar in mijn huis, verdriet als bewijsmateriaal, beter dan nieuw.

     

    Zoute tranen

    De Japanse kunstenaar Motoi Yamamoto (Hiroshima,1966) werkte tot zijn tweeëntwintigste op een scheepswerf toen hij besloot zich fulltime op de kunst te richten.

    Zes jaar later stierf zijn jongere zusje aan hersenkanker. Om haar leven en dood te herdenken en het zout van zijn eigen tranen niet te verspillen, bedacht hij een labyrintische installatie die hem zou helpen bij zijn rouwproces. Eerst liet hij het zout door zijn handpalm lopen en maakte er figuren mee als een vorm van meditatie, niet wetende dat die korrels het begin vormden van Return to the Sea: Salt Works.

    Met zeven ton keukenzout vormde hij als ode aan zijn zusje een driedimensionaal brein in honderden uren nauwgezet gieten. Als een zoutpatroon lang genoeg is tentoon- gesteld wordt bezoekers gevraagd het werk gezamenlijk te vernietigen en het zout in zakken te verpakken en terug naar zee te brengen.

    Yamamoto plant zorgvuldig en improviseert afhankelijk van de ruimte waarin hij doorgaat met zijn ‘genezing’. Zo is de vochtigheidsgraad van de lucht belangrijk en het zout zelf, dat overal anders is. Wat nooit verandert is zijn methode. Hij begint altijd in het midden en werkt naar buiten toe.

    De lange uren die hij dagelijks besteed aan zijn Salt Works, brengt hij door in kleermakerszit op een yogamatje, leunend op de hardhouten vloer. Yamamoto houdt er niet van om tijdens de eerste dagen van deze meditatieve fase gestoord te worden. Als het midden eenmaal af is en hij naar buiten begint te werken, mag het publiek de kunstenaar aan het werk zien. Zijn doel is om met deze concentratie herinneringen aan zijn zus te bewaren, als stiksels of als borduurwerk. Het doet denken aan de kunst van het quilten.

    Motoi Yamamoto 2
    © Motoi Yamomoto