Tag: Sahara

  • Lichamen in de woestijn: in Niger zijn de gevolgen van Europees grensbeleid pijnlijk zichtbaar

    Lichamen in de woestijn: in Niger zijn de gevolgen van Europees grensbeleid pijnlijk zichtbaar

    Europa investeert miljarden in migratiecontroles in Afrikaanse landen. Zo ook in Niger, waar het leger, met Nederlandse steun, de traditionele migratieroutes naar Libië heeft geblokkeerd. Om toch naar Europa te komen, ondernemen migranten een zware – en soms dodelijke – tocht door de Sahara.

    In een zwaarbewaakte gevangenis in de stad Agadez, in het noorden van Niger, zit de veroordeelde mensensmokkelaar Sade Yaya [de namen in dit artikel zijn omwille van veiligheid aangepast] op een krukje op de binnenplaats. Jarenlang vervoerde hij migranten in zijn auto vanuit deze regio door de woestijn, meestal naar de Libische grens.

    Ooit vormde de regio Agadez een doorgangsroute voor mensen die naar het noorden trokken om in Libië of Algerije te gaan werken of om Europa te bereiken. Inmiddels is die route voor de meeste reizigers strafbaar: in 2015 voerde de Nigerese regering met steun van de EU-autoriteiten een wet door tegen mensensmokkel.

    Yaya is een van de mensen die vanwege die wet werd veroordeeld. De wetgeving ontstond op het hoogtepunt van de Europese vluchtelingencrisis, om de stromen naar Europa aan te pakken en een bufferzone te creëren. Op de vroegere migratieroutes naar het noorden wordt nu intens gepatrouilleerd.

    Agadez, dat soms ‘de poort naar de woestijn’ wordt genoemd, is van origine een stad langs oude handelsroutes. Later ontwikkelde het zich tot het vertrekpunt van een gevaarlijke migratieroute. Al is de wet inmiddels enkele jaren oud, er doen nog steeds verhalen de ronde over mensen die nog gevaarlijker routes door de woestijn nemen en verdwijnen. Yaya zelf zegt dat hij, nadat de wet van kracht werd, ‘vaak’ dode lichamen in het zand zag liggen tijdens zijn illegale reizen naar het noorden.

    Onderzoekers en mensenrechtenorganisaties, waaronder de VN-rapporteur voor mensenrechten, maken zich zorgen. Ze zijn bang dat de wet mensen aanzet tot riskantere migratietochten en een einde maakt aan het in de regio verankerde recht op bewegingsvrijheid.

    Missing Migrants

    Sinds het verbod is een aantal gevallen bekend waarbij smokkelaars mensen in de woestijn achterlieten uit angst voor vervolging. Yaya, die een gevangenisstraf van achttien maanden opgelegd kreeg, zegt dat hij en anderen hierdoor dieper de woestijn in moesten rijden en waterplaatsen vermeden, omdat daar Nigerese soldaten patrouilleren.

    In dit Sahara-gebied ligt de Ténéré-woestijn, die zo’n 400.000 vierkante kilometer groot is en zich uitstrekt van het noordoosten van Niger tot het westen van Tsjaad. Zoek- en reddingsmissies zijn er heel moeilijk te organiseren. Bovendien is er ook nog de dreiging van gewapende bandieten of terroristische groeperingen.

    Julia Black werkt voor het Missing Migrants-project, dat verdwenen migranten documenteert. Ze zegt dat het werkelijke aantal doden in de woestijn onbekend is. ‘De 212 doden die we vorig jaar in de Sahara registreerden, zijn slechts het topje van de ijsberg. Mensen die omkomen bij hun tocht door de Sahara blijven grotendeels onopgemerkt, omdat het documenteren van sterfgevallen in een uitgestrekt en onherbergzaam gebied als de Sahara enorm ingewikkeld is.’

    Niger, een van de armste landen ter wereld, heeft van de Europese Unie uitzonderlijk grote donaties gekregen. In totaal heeft het land al meer dan 1,3 miljard euro ontvangen voor hulpprojecten in de periode 2014-2020, waarvan grote delen aan migratiebeheer werden besteed. Tussen 2015 en 2022 hadden dertien van de negentien projecten die de EU in het land financierde betrekking op grenscontroles en wetshandhaving. In dezelfde periode gaf Duitsland volgens de Duitse ngo Misereor meer dan 166 miljoen euro uit aan veertien migratie-gerelateerde projecten.

    Privacy International zegt dat Niger een ‘Europese buitengrens’ is geworden. Onderzoek van de organisatie toont aan dat 11,5 miljoen euro uit het EU-trustfonds voor Afrika – een fonds van 5 miljard euro dat is opgezet om de ‘hoofdoorzaken van illegale migratie’ aan te pakken – opzij is gezet voor migratiecontrole, waaronder drones, software en camera’s.

    Volgens de Nigerese autoriteiten zijn er dit jaar geen doden geregistreerd en vorig jaar slechts 52

    Er worden dus miljoenenbedragen in de regio geïnvesteerd. Degenen die daarvan de gevolgen ondervinden, zijn mensen zoals Ralan Abi [niet zijn echte naam] uit Senegal, die op de woestijnroute werd achtergelaten. Abi maakte deel uit van een groep van ongeveer vijfenzeventig mensen die in 2021 op weg naar Libië was. Twee dagen na het begin van hun reis werden ze in de buurt van Séguédine, een oase in het midden van de Sahara, aan hun lot overgelaten. Hun smokkelaars waren bang om vervolgd te worden. Een deel van de groep ging op zoek naar water. Abi vertelt dat vijf mensen voor zijn ogen stierven van de dorst. Hij werd uiteindelijk gered door Nigerese soldaten. ‘Ze vonden negen doden,’ zegt hij. ‘Van de ongeveer vijfenzeventig mensen waren er nog achtentwintig over.’

    Op een binnenplaats in Agadez zit Merkam Linou [niet haar echte naam] (35) uit Kameroen. Ze heeft een baby op schoot en vertelt over de ervaring die ze anderhalf jaar geleden had in de woestijn. Met een groep migranten was ze via een gevaarlijke route onderweg naar het noorden. Ze vertelt dat het dagen duurde voordat ze werden gevonden, maar dat ze het allemaal overleefden.

    In een recent rapport van onderzoeksgroep Border Forensics wordt geconcludeerd dat de antismokkelwet mensen ertoe drijft steeds gevaarlijker routes te nemen. De ‘ware omvang van het aantal doden onder migranten in de woestijn is onbekend’, aldus het rapport. De Nigerese afdeling van Artsen zonder Grenzen beheert veldklinieken in het noorden en zegt dat de zoek- en reddingsmissies die ze hebben uitgevoerd werden bemoeilijkt door de ‘omvang van de woestijn’. Soms lukte het niet om de mensen te vinden die een noodoproep hadden gestuurd.

    In 2022 heeft de EU het partnerschap ‘tegen migrantensmokkel’ met haar ‘belangrijke partner’ Niger vernieuwd

    Volgens de Nigerese autoriteiten zijn er dit jaar geen doden geregistreerd en vorig jaar slechts tweeënvijftig. Het EU-grensagentschap Frontex, dat een verbindingsofficier heeft in Niger, zegt dat het ‘geen gegevens heeft verzameld over het aantal migranten dat in Niger als vermist is opgegeven’. De Europese Commissie zegt dat ze ‘verlies van mensenlevens betreurt en van mening is dat het redden van levens een morele plicht is’. De commissie zegt bovendien dat ze de zoek- en reddingsacties in het land zal blijven steunen. In 2022 heeft de EU het partnerschap ‘tegen migrantensmokkel’ met haar ‘belangrijke partner’ Niger vernieuwd. Er komen vaak EU-ambtenaren op bezoek – in februari nog ging er een Nederlandse delegatie heen, die beloofde dit jaar een eigen ‘migratiepartnerschap’ op te zetten.

    The Guardian zag voorlopige plannen van die commissie in. Daarin staat onder andere dat Nederland inspanningen op het gebied van migratiebeheer wilde ondersteunen door 55 miljoen euro bij te dragen aan de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in Niger, voor de periode 2021-23. Het Verenigd Koninkrijk heeft in de periode 2021-22 meer dan 3 miljoen euro bijgedragen aan de IOM voor een eenjarig project ter bestrijding van ‘mensenhandel en -smokkel tussen Nigeria en Niger’. Er staat dat het project gericht is op een ‘extreem poreuze en ongereguleerde’ grens.

    Terwijl geld het land blijft binnenstromen, zit Nassim Amanda (24) [niet zijn echte naam] uit Eritrea onder een boom. Hij is Algerije uitgezet en slaapt sinds mei vorig jaar op straat in Agadez, waar hij zich veiliger voelt dan in het kamp. ‘Ik heb de kracht niet meer om terug te gaan naar de woestijn,’ zegt hij kalm. Amanda kent de gevaren maar al te goed: met de meeste mensen die hij kende en die de overtocht aandurfden, heeft hij geen contact meer kunnen krijgen.

    Lees ook:

  • Afrika biedt Europa een alternatief voor Russisch gas – maar tegen welke prijs?

    Afrika biedt Europa een alternatief voor Russisch gas – maar tegen welke prijs?

    De oorlog met Rusland heeft ervoor gezorgd dat de EU haar vizier richt op Afrika voor olie en gas. Het continent heeft die brandstoffen evengoed nodig.

    Naar aanleiding van de Russische invasie in Oekraïne is de EU al een tijdje wanhopig op zoek naar vervangers voor steenkool, olie en gas. In het document REPowerEU stelt de Europese Commissie zich ten doel ‘Europa vóór 2030 onafhankelijk te maken van Russische fossiele brandstoffen’. Daartoe wil de EU in de eerste plaats samenwerken met ‘internationale partners om alternatieve energiebronnen te vinden’, zoals het gas dat in sommige Afrikaanse landen onder de grond is opgeslagen.

    De Afrikaanse regeringen verwelkomen deze verandering in het Europese beleid met open armen. Vóór de oorlog was Algerije al de op twee na grootste leverancier van aardgas aan Europa via pijpleidingen naar Spanje en Italië. Een ander belangrijk aandeel wordt over zee vervoerd als vloeibaar aardgas (lng), vanuit de Golf van Guinee (Nigeria, Angola en Equatoriaal-Guinea).

    In de afgelopen maanden hebben verschillende Europese ambtenaren Algiers, Dakar, Abuja, Brazzaville en Luanda bezocht om de mogelijkheden voor grotere gasinvoer te onderzoeken. De Europese Commissie heeft een tripartiete overeenkomst ondertekend om de aankomst van Israëlisch gas via Egypte te verzekeren. Bovendien worden de investeringen van Europese ondernemingen in lng-projecten nieuw leven ingeblazen. Enkele voorbeelden: BP in Senegal en Mauritanië; ENI in Algerije, Egypte, Nigeria, Angola en de Republiek Congo; Equinor en Shell in Mozambique en Tanzania.

    Afrikaanse ontwikkeling

    Aardgas wordt echter niet alleen geëxporteerd, maar ook steeds meer binnen Afrikaanse landen gebruikt. Het wordt veelal gezien als een belangrijke stap richting de energietransitie, en een garantie voor ontwikkeling. Gasflessen kunnen heviger vervuilende energiebronnen als brandhout of houtskool vervangen, die nu nog op grote schaal in Afrikaanse huishoudens worden gebruikt, en die slecht zijn voor de gezondheid.

    De belangrijkste toepassing van gas – vooral in een werelddeel waar maar weinig mensen toegang hebben tot stroom – is het opwekken van elektriciteit. Hiervan wordt al gebruikgemaakt in landen als Ghana, dat weliswaar het grootste deel van zijn olie naar internationale markten exporteert, maar gas gebruikt om in elektrische energie te voorzien. Bovendien kunnen zowel de nationale als de regionale markten via pijpleidingen van aardgas worden voorzien.

    Momenteel doorkruist de West-Afrikaanse gaspijpleiding het grondgebied van Nigeria, Benin, Togo en Ghana en een andere pijpleiding verbindt Zuid-Afrika met Mozambique. Dat systeem wordt nog verder uitgebreid via verschillende projecten, zoals de Afrikaanse Renaissance-pijpleiding – een van de twee tussen Mozambique en Zuid-Afrika – en een initiatief dat de levering van gas vanuit Tanzania aan Oeganda mogelijk maakt. In Nigeria werkt men ten slotte aan de Trans-Sahara-gaspijpleiding, die reikt tot aan Algerije, en aan een leiding tussen Nigeria en Marokko. Belangrijk aan deze laatste twee pijpleidingen is dat ze kunnen worden aangesloten op de Europese gasnetwerken.

    Export leidt hoe dan ook tot de uitputting van een niet-hernieuwbare hulpbron

    Maar is dat wel mogelijk, om tegelijkertijd naar buiten toe uit te breiden en intern te optimaliseren? Zijn die twee doelen verenigbaar? Kunnen gasleveringen aan Europa worden verhoogd terwijl tegelijkertijd de Afrikaanse huishoudens en productiesector van energie worden voorzien? Hoe kunnen projecten op de buitenlandse markt worden gecombineerd met de energietransitie waar zoveel mensen in Afrika en Europa terecht om vragen?

    Sommigen zijn van mening dat al deze doelstellingen samenvallen. Hun voornaamste argument is het geloof dat groeiende Europese belangstelling zal leiden tot de investeringen die nodig zijn om de energiebronnen te exploiteren. Verder wordt beweerd dat de uitvoer van gas naar Europa Afrikaanse landen aanvullende middelen zal verschaffen om in de eigen ontwikkeling te investeren. Maar er zijn factoren die stemmen tot een minder optimistische houding.

    Risico’s van aardgas

    De energiebehoeften van Afrika zijn veel groter dan die van Europa. Hoezeer de productie en beschikbaarheid van gas op een gegeven moment ook mogen toenemen, export leidt hoe dan ook tot de uitputting van een niet-hernieuwbare hulpbron. Zo kan een soort hypotheek ontstaan, die de middellange- en langetermijnstrategie voor de ontwikkeling van Afrikaanse energie en industrie in de weg staat.

    De infrastructuur die de elektriciteitsvoorziening en de levering van gasflessen aan huishoudens op het continent mogelijk maakt, is niet geschikt voor de export van gas. Waar sprake is van gasexport, ontstaan vaak zogenaamde enclave-economieën. Er zijn talrijke verhalen over mislukte ontwikkelingsprocessen die geworteld waren in de winning en verkoop van natuurlijke hulpbronnen.

    De aanleg van meer gasinfrastructuur zou ontwikkeling dus flink kunnen tegenwerken

    Ook vanuit andere hoek klinken tegenargumenten, namelijk van Afrikaanse milieugroeperingen: gas is een fossiele brandstof, die bijdraagt aan klimaatverandering. Investeren in gas betekent dus dat er minder geld wordt besteed aan de bevordering van hernieuwbare energiebronnen. De Europese belangstelling zou bovendien van korte duur kunnen blijken, aangezien de EU ernaar streeft haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen vóór 2030 drastisch te verminderen. De aanleg van meer gasinfrastructuur zou ontwikkeling dus flink kunnen tegenwerken.

    Net als andere onderaardse grondstoffen leidt de aanwezigheid van gas nogal eens tot perverse, politieke situaties in landen waar het sociaal contract tussen heerser en burger op losse schroeven staat. Zo worden de opbrengsten van gasverkoop vaak ingezet om de macht en de rijkdom van machthebbers uit te breiden, en niet om openbare diensten en economische ontwikkeling te financieren.

    Het spreekt voor zich dat de stabiliteit van het sociaal contract en van staatsinstellingen in verschillende Afrikaanse landen sterk uiteenloopt. Maar externe partijen maken geen onderscheid tussen meer of minder democratische regeringen. Paradoxaal genoeg kan Europa’s streven om op het gebied van energie autonoom te worden en niet langer afhankelijk te zijn van een autocraat als Vladimir Poetin, uiteindelijk een steun zijn voor andere autocraten.

    Toekomstige dilemma’s

    Op een moment als dit, waarop iedereen onder hoogspanning staat, zullen Afrikaanse en Europese leiders weinig interesse hebben in deze redenen, die ertegen pleiten om Europa van meer Afrikaans gas te voorzien. Gelukkig neemt dit alles niet de aandacht weg van de tweede en derde strategie van het REPowerEU-plan, waarmee enige vooruitgang kan worden geboekt, namelijk energiebesparing en versnelde overgang op hernieuwbare energiebronnen.

    Ook Afrika kan een belangrijke rol spelen bij de productie van deze schone energiebronnen, zowel voor binnenlands gebruik als voor export. Maar ook dit toekomstbeeld levert dilemma’s op. We kunnen nog niet voorzien wat voor evenwicht Afrikaanse leiders vinden tussen de belangen van internationale investeerders en de behoeften van hun eigen burgers.

    Lees ook:

  • 2. De Afrikanen blijven weg, maar tegen welke prijs?

    2. De Afrikanen blijven weg, maar tegen welke prijs?

    Sinds Europa afspraken heeft gemaakt met Libië is het aantal Afrikaanse migranten in Italië aanzienlijk gedaald. Maar volgens de Ierse commentator Patrick Smyth is de deal moreel dubieus.

    Italiaanse functionarissen hebben melding gemaakt van een scherpe afname van de aantallen migranten en vluchtelingen die vanuit Libië over de centrale Middellandse-Zeeroute naar hun kust komen.

    Eindelijk eens goed nieuws? Of een probleem dat deels is opgelost ten koste van een moreel gecompromitteerd Europa? De daling, die zich heeft voorgedaan nadat de oostelijke Middellandse-Zeeroutes naar Griekenland waren afgesloten dankzij de EU-deal met Turkije, was welkom nieuws voor de Europese hoofdsteden, die bang waren voor de volgende ronde politiek pijnlijke verzoeken om vluchtelingen op te nemen teneinde de ‘last te delen’.

    Er ligt inderdaad al een nieuw verzoek van de VN aan de EU op tafel om zo’n veertigduizend vluchtelingen vanuit Libië, Egypte, Niger, Ethiopië en Soedan toe te laten – een poging om een legale weg te creëren om de EU binnen te komen.

    Het omkopen van milities komt in Libië al lang voor en dateert uit de tijd van Moammar al-Qadhafi, die er niet afkerig van was om Italië te chanteren en de stroom migranten over de Middellandse Zee naar believen aan en uit te zetten

    Maar wat is de prijs van Italiës ogenschijnlijke succes? Er circuleren beweringen, die ook weer heftig ontkend worden, dat Rome Libische warlords en milities heeft omgekocht die banden hebben met mensensmokkelaars en niet afgeschrikt worden door het feit dat vluchtelingen in ‘concentratiekampen’ worden opgesloten waar ze verkracht en gemarteld worden en honger lijden.

    Tot kort geleden boden milities in de steden ten westen van Tripoli, van waaruit de meeste migranten vertrekken, bescherming aan groepen smokkelaars. Veel van die groepen hebben recentelijk flinke geldbedragen, wapens en boten ontvangen via de weinig betrouwbare, door de VN gesteunde nationale eenheidsregering in Tripoli. Dat geld werd opgebracht door Italië, deels namens de EU – het is niet duidelijk of Italië de groepen ook direct heeft betaald. Maar de leider van de belangrijkste militie, Ahmed Dabbashi, gaf tegenover de The Times toe dat Tripoli hem voertuigen, boten en salarissen had beloofd in ruil voor samenwerking.

    Het omkopen van milities komt in Libië al lang voor en dateert uit de tijd van Moammar al-Qadhafi, die er niet afkerig van was om Italië te chanteren en de stroom migranten over de Middellandse Zee naar believen aan en uit te zetten. Maar als strategie om ‘vrede te kopen’ heeft het nog nooit succes gehad, en de gerespecteerde denktank van de ICG (Internationale Crisis Groep) waarschuwt dat dergelijke tactieken ‘bij toeval facties kunnen versterken die zich onttrekken aan supervisie door de regering’ en pogingen om de vrede te herstellen in het verwoeste land zullen tegenwerken.

    Jonge Afrikaanse migranten in een detentiecentrum in Tripoli. – © Florian Gaertner / Getty Images
    Jonge Afrikaanse migranten in een detentiecentrum in Tripoli. – © Florian Gaertner / Getty Images

    De EU nam deel aan patrouilles voor de Libische kust met haar marineoperatie (EU Navfor Med), die bekendstaat als Operatie Sophia, om levens te redden op zee en mensensmokkel tegen te gaan. Hun taak is bemoeilijkt door de eis van de Libische kustwacht, die zogenaamd meewerkt, dat Sophia-schepen negentig nautische mijlen uit de kust moeten blijven – de logica hierachter: als je het vluchtelingen te gemakkelijk maakt om gered te worden, moedig je ze alleen maar aan. De kustwacht is ook beschuldigd van mishandeling, zoals het schieten op hulpverleners die proberen migranten te redden.

    Het probleem is dat het beleid van de EU, die uit wanhoop gekozen heeft voor een strategie gebaseerd op het bij de bron tegenhouden van de stroom migranten in plaats van eindeloos meer opvangcentra te creëren in Italië en Griekenland, moreel dubieus, om niet te zeggen politiek contraproductief lijkt in de context van de steun aan een vredesproces in Libië.

    De EU heeft de financiering en training van de kustwacht op zich genomen. Veel leden daarvan zijn ‘hervormde’ milities, die niet bepaald doordrongen zijn van mensenrechten en ook niet afkerig zijn van omkoperij. Ze heeft miljoenen gepompt in anti-migratieprojecten in landen als Niger en Nigeria, waar ze ook aanzienlijke sommen heeft betaald aan smokkelaars om ze ‘om te scholen voor niet-criminele activiteiten’.

    De EU heeft er te laat bij Tripoli op aangedrongen om iets te doen aan de gruwelijke omstandigheden in de kampen. Om kritiek te ondervangen heeft ze de financiering verhoogd van de VN-instanties voor migratie (IOM) en vluchtelingen (UNHCR), zodat ze kunnen proberen de situatie van migranten binnen Libië te verbeteren.

    Economisch onstabiel

    De ICG is ook bezorgd over wat de groep als een aanzienlijke fout in de EU-benadering ziet: ‘Het zuidwesten van Libië is de ontbrekende schakel in het actieplan van de EU, aangezien het gebied, dat de Fezzan heet, een essentiële factor is in het migratieprobleem.’ Het is de plek waar de grote meerderheid van de vluchtelingen van bezuiden de Sahara het land binnenkomt, maar dat wordt door de Unie genegeerd.

    ‘Libië blijft politiek stuurloos en economisch onstabiel,’ waarschuwt de ICG ook. ‘Het is de hoogste tijd voor verzoening tussen en stabilisatie van de rivaliserende facties in het land. De zwakke regering, geleid door premier Fayez al-Sarraj, loopt het risico om niet meer dan een agent te worden die door de EU of een van haar lidstaten wordt ingezet om aan te sturen op een Europese – in plaats van een Libische – agenda, zoals het beteugelen van migratie. Als er geen Libische belangen worden nagestreefd, zal deze regering binnen Libië steeds meer gewantrouwd worden.’

    De beslissing om Europa’s zuidelijke open deur te sluiten, heeft ons – en ik bedoel ons allemaal – slechts met moeilijke, moreel twijfelachtige keuzen opgezadeld.

    Auteur: Patrick Smyth
    Vertaler: Astrid Staartjes

    The Irish Times
    Ierland | dagblad | oplage 117.543

    Opgericht in 1859. Stond in zijn beginjaren bekend als spreekbuis van de protestantse nationalisten, later als spreekbuis van de Unionisten en onderging nog later, na de deling van het eiland in de Ierse Vrijstaat en Noord-Ierland, nog een koersverandering; tegenwoordig geldt hij als gematigd liberaal/sociaaldemocratisch.