De toenemende populariteit van zelfrijdende taxi’s heeft een keerzijde. Ze zijn vervuilend, creëren soms gevaarlijke situaties en eisen ruimte op. Ruimte die steden ook kunnen gebruiken voor een beter openbaarvervoersnetwerk, aldus transportonderzoeker David Zipper.
Toen de software-ingenieur Dan Afergan een paar weken geleden in San Francisco met wat vrienden in het café zat, kwam er iemand binnen die zei: ‘Er staat buiten een geblokkeerde Cruise met een pylon op de motorkap.’ Afergan ging meteen even kijken en inderdaad: een van de zelfrijdende taxi’s van Cruise, een dochter van General Motors, stond met knipperende lichten midden op straat met een oranje verkeerskegel op de motorkap. ‘Ik dacht dat het gewoon een flauwe grap was,’ zegt Afergan. ‘Maar een vriend zei: “Nee, ik heb hiervan gehoord.” Zelf had ik geen idee dat er ook mensen zijn die tegen zelfrijdende auto’s protesteren.’
Dit ‘kegelen’ is onderdeel van een campagne van Safe Street Rebel, een lokale actiegroep voor veilig verkeer die nu robottaxi’s op de korrel neemt. Volgens officiële cijfers rijden er in Californië 571 zelfrijdende taxi’s rond van Cruise en zijn rivaal Waymo, een dochter van Googles moederbedrijf Alphabet. Je bestelt zo’n taxi met een app en ze rijden vooral in San Francisco en omgeving. Door die gemeente zijn de twee taxibedrijven aan diverse beperkingen gebonden en daar willen ze nu vanaf. Dit stuit weer op bezwaren van de politievakbond, het gemeentelijke verkeersdepartement en de brandweer, die waarschuwen dat de robottaxi’s verontrustend vaak het verkeer ophouden en daarmee de hulpdiensten hinderen.
Toen de mensen van Safe Street Rebel doorhadden dat je zo’n geavanceerde auto vleugellam maakt door een pylon op de motorkap te zetten, spoorden ze met een filmpje op TikTok burgers aan om dat ook te doen. Dit wegwuiven als het zoveelste voorbeeld van weerstand tegen technologie zou een miskenning zijn van het belang van deze ophef. Voor het eerst voeren burgers, techbedrijven en ambtenaren nu een debat over of, en zo ja hoe je zelfrijdende auto’s in een dichtbevolkte stad kunt laten rondrijden. Dit is een gesprek dat hoognodig is, nu de technologie van zelfrijdende voertuigen nog in ontwikkeling is en voordat de robottaxi het leven in San Francisco en de rest van stedelijk Amerika verandert.
Veiligheid
In de utopische versie van het verhaal worden ritjes met een robottaxi zo gemakkelijk en goedkoop dat mensen zelf geen auto meer willen. Het meest aansprekende argument voor de robottaxi is de feilbaarheid van mensen achter het stuur. In een opiniestuk in de San Francisco Chronicle hemelde een van de CEO’s van Waymo vorige maand de veiligheid van zijn auto’s nog op, en Cruise beweerde in een paginagrote advertentie in The New York Times en andere kranten dat hun technologie de oplossing was voor de 42.795 verkeersdoden die vorig jaar in de VS zijn gevallen. (Beide bedrijven zijn niet scheutig met cijfers over hun bedrijfsvoering, wat het voor onafhankelijke onderzoekers lastig maakt om er een objectief oordeel over te vellen.) Maar zoals het nu staat leveren de robottaxi’s de handhavers in San Francisco vooral veel extra werk op. De voertuigen hebben rijstroken geblokkeerd, bussen en trams gehinderd, over een brandslang gereden en wegwerkzaamheden verstoord. Sinds juni 2022 zijn er bijna zeshonderd gevallen gemeld van robottaxi’s die spontaan stil bleven staan op de openbare weg, soms urenlang. En dat zijn alleen de gevallen waarvan melding is gemaakt bij de autoriteiten: het werkelijke aantal zou veel hoger kunnen liggen.
‘Die auto’s doen het goed in eenvoudige woonwijken, maar ze krijgen het moeilijk als de verkeerssituatie ingewikkelder wordt, en zeker in onverwachte situaties,’ zegt Jeffrey Tumlin, hoofd van het verkeersdepartement van de gemeente. Volgens Steven Shladover, een onderzoeker van UC Berkeley die Californische overheden over zelfrijdende voertuigen adviseert, zijn de auto’s heel geavanceerd. Maar, zegt ook hij, ‘je zult beslist situaties zien waarin de auto zich als een onervaren bestuurder gedraagt. Het is een jongere, nog geen volwassen automobilist.’
Cruise en Waymo pareren de kritiek door te wijzen op de staat van dienst van hun auto’s, die volgens hen veel minder brokken maken dan menselijke bestuurders. ‘Elke dag dat de inzet van deze levensreddende technologie wordt uitgesteld, heeft negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid,’ stelt Waymo.
Ondanks de huidige problemen wordt de zelfrijdende technologie steeds beter en worden er nieuwe lessen getrokken uit de enorme hoeveelheden data die zijn verzameld van voertuigen die de openbare weg op gaan. Maar ook al reden ze echt foutloos, hoe zou het leven eruitzien in een stad waarin het wemelt van de robottaxi’s?
Verkeersinfarct
Al voor de komst van de benzineauto was het op de straten van Amerika een drukte van belang. Voetgangers, koetsen en fietsers krioelden er door elkaar en je zag kinderen knikkeren en honkballen op straat. In de jaren 1920 namen miljoenen mensen nog de tram en telde het land meer dan 70.000 kilometer tramspoor. De auto was aanvankelijk alleen voor rijkelui weggelegd. Maar met de introductie van de T-Ford steeg de verkoop van auto’s in de VS van 181.000 in 1910 naar 4,5 miljoen in 1929. Ze gingen harder dan alle andere voertuigen op straat en vormden al snel een groot gevaar voor voetgangers en kinderen. In 1927 stierven 25.800 mensen bij auto-ongevallen, veel meer per hoofd van de bevolking dan tegenwoordig, hoewel toen veel minder Amerikanen een auto hadden.
De opkomst van de auto was funest voor de tram, die geen kant op kon als een auto het spoor blokkeerde. In de jaren vijftig was er van de Amerikaanse tramlijnen niet veel meer over. In 1960 vond nog maar 12 procent van het woon-werkverkeer plaats met het openbaar vervoer, in 2019 nog maar 5 procent.
Doordat de auto lang centraal stond in het beleid, zijn steden steeds viezer, gevaarlijker en minder aantrekkelijk geworden. In veel binnensteden gaat meer dan de helft van het oppervlak op aan wegdek en parkeerruimte voor auto’s, die daarmee ruimte innemen die anders beschikbaar zou zijn voor woningen, winkels, speeltuinen en parken. Veel steden proberen daar nu iets aan te doen. In Denver is per referendum besloten miljoenen vrij te maken voor het opknappen van trottoirs. En de hoofdsteden Phoenix en Madison willen beginnen met een snelbus om hun openbaar vervoer concurrerender te maken. De vooruitgang gaat met kleine stapjes, maar vooruitgang is er.
De gedachte dat deze auto’s de algehele verkeerssituatie zullen verbeteren, lijkt een illusie
Alleen wordt die vooruitgang bedreigd door de komst van zelfrijdende auto’s, omdat dat toch gewoon auto’s blijven. Of ze nu door mensen of software worden bestuurd, ze zijn vervuilend, ze hebben wegen nodig en ze vormen een gevaar voor voetgangers en fietsers. Peter Norton, historicus aan de universiteit van Virginia, ziet reden tot zorg: ‘Als de straten eenmaal gevuld zijn met robottaxi’s, loop je het risico dat een gemeente het niet meer nodig acht om voor goed openbaar vervoer te zorgen.’
En de gedachte dat deze auto’s de algehele verkeerssituatie zullen verbeteren, lijkt een illusie. In het kader van een onderzoek kregen dertien vrijwilligers in San Francisco een paar jaar geleden een week lang de beschikking over een auto met chauffeur, om zo het bezit van een zelfrijdende auto na te bootsen. In die ene week legden de proefpersonen nota bene 83 procent meer kilometers af dan voorheen. Als zelfrijdende auto’s ook zoveel meer vervoersbewegingen opleveren, zijn ze een ecologische ramp en kunnen ze een verkeersinfarct van ongekende omvang veroorzaken.
De afgelopen eeuw leert ons dat mensen met andere vervoermiddelen er bekaaid van afkomen als de openbare ruimte vooral op auto’s wordt ingericht. En dan maakt het waarschijnlijk niet uit of die auto’s zichzelf kunnen besturen of niet.
De lokale politie wil de robots behangen met explosieven
Een toezichthoudende raad in San Francisco heeft ingestemd met het gebruik van op afstand bestuurbare robots door de lokale politie. Dergelijke robots zouden in potentie dodelijk kunnen zijn, daar ze mogelijk worden behangen met explosieven, meldt persbureau AP. Met het besluit wordt San Francisco voor zover bekend de eerste stad ter wereld met lokale wetten die de inzet van killer robots door agenten rechtvaardigen.
Het besluit kon op felle tegenstand rekenen van onder meer mensenrechtengroepen, die vrezen dat de inzet van robots de lokale politie verder militariseert. Zo zei de openbare aanklager van San Francisco dat het ‘op afstand doden’ van inwoners van San Francisco indruist tegen de progressieve waarden van de stad.
Het politiedepartement zegt dat de robots kunnen worden ingezet ‘om gewelddadige, gewapende of gevaarlijke verdachten aan te spreken, uit te schakelen of te desoriënteren’. De politie in San Francisco heeft momenteel twaalf robots, die vooral worden gebruikt om explosieven onschadelijk te maken. Agenten die de nieuwe robots zullen gebruiken, krijgen een aparte opleiding.
De uittocht van Venezolanen die het regime van president Nicolás Maduro ontvluchten gaat onverminderd voort. Naar verwachting zal de hoeveelheid vluchtelingen uit Venezuela dit jaar het aantal Syriërs overstijgen dat is gevlucht vanwege de burgeroorlog, bericht El Mundo. Uit cijfers van vorige maand blijkt dat tot nu toe al 5,6 miljoen Venezolanen hun land zijn ontvlucht. Dat is een stijging van ruim 1100 procent vergeleken met 2010 en het aantal vertegenwoordigt ongeveer 17,1 procent van de totale bevolking die in Venezuela is geboren. Ongeveer 1,7 miljoen van de Venezolaanse migranten bevindt zich in Colombia.
De exodus wordt niet afgeremd door de coronapandemie; noch door de druk die het regime uitoefent om de uittocht te stoppen; noch door smeergelden die betaald moeten worden aan guerrilleros om de gesloten grenzen clandestien te kunnen oversteken. Honderden en honderden mensen steken elke dag de grenzen over om een nieuw leven te zoeken in Colombia, Ecuador, Peru, Chili, Argentinië en zelfs de Verenigde Staten.
‘In Venezuela is geen eten, veel mensen zijn ondervoed, er zijn geen middelen om te overleven’
‘We hebben een maand en zeven dagen gelopen’, vertelde de 66-jarige Hortensia López aan een journalist van de Spaanse krant, die een reportage maakte over de situatie aan de grens tussen Venezuela en Colombia. ‘Ik ga met mijn kleinkinderen naar Cali. Ik heb ze meegenomen uit Venezuela omdat de situatie daar kritiek is: er is geen eten, veel mensen zijn ondervoed, er zijn geen middelen om te overleven. We moesten wel vertrekken. De mensen hier in Colombia zijn barmhartig en verlenen veel hulp aan Venezolanen.’
Een andere vrouw, die net met haar vier kleinkinderen van elf, acht, zeven en drie jaar de grens met Colombia is overgestoken, heeft geen geld en zegt van San Juan de los Morros naar Cali te zullen gaan lopen. De twee steden liggen ruim 1700 kilometer uit elkaar.
De Golden Gate Bridge maakt te veel lawaai
Canadese aerodynamicadeskundigen zijn hard bezig met een missie die van het grootste belang is voor de oren van inwoners van San Francisco, zo schrijft The San Francisco Chronicle. Hun doel is om de Golden Gate Bridge het zwijgen op te leggen.
Tot grote ergernis van omwonenden begon de brug een jaar geleden lawaai te maken na aanpassing van de veiligheidsreling aan de westkant van de brug. Om de brug een slanker profiel te geven en veiliger te maken bij harde wind, werden de originele spijlen vervangen door twaalfduizend smallere exemplaren. Die blijken nu luid gebrom te produceren bij stevige wind. Het geluid is soms tot op zo’n vijf kilometer afstand te horen.
Mogelijk is er tegen de zomer een oplossing. ‘Het is een lastige zaak’, aldus een woordvoerder. ‘We willen er absoluut zeker van zijn dat we het goed doen. De veiligheid van de brug mag niet in het geding komend, maar we moeten ook luisteren naar de inwoners.’
Europa dumpt plastic in Turkije
Volgens een rapport dat Greenpeace in mei publiceerde, dumpt Europa op grote schaal plastic afval in Turkije. Alleen al de export van plastic afval van Groot-Brittannië naar Turkije groeide tussen 2016 en 2020 met factor 18, van 12.000 ton naar 210.000 ton. Dat betekent dat Turkije de eindbestemming was voor bijna 40 procent van het plastic afval uit Groot-Brittannië, schrijft BBC. Volgens het rapport dumpten lidstaten van de Europese Unie vorig jaar twintig keer meer plastic afval in Turkije dan in 2016. Deskundigen en internationale milieugroeperingen waarschuwen dat plastic en ander afval zich opstapelt in Turkije en dat het illegaal wordt verbrand of geloosd zonder acht te slaan op het milieu.
Er komen dagelijks vanuit Europa zo’n 240 vrachtwagenladingen met plastic afval in Turkije aan
Volgens Nihan Temiz Atas, hoofd biodiversiteitsprojecten van Greenpeace Turkije, komen er dagelijks vanuit Europa zo’n 240 vrachtwagenladingen met plastic afval in Turkije aan. ‘Het overweldigt ons. Aan de hand van gegevens zijn we Europa’s grootste stortplaats.’
Het Britse ministerie van Milieu, Voedsel en Plattelandszaken zegt in een reactie: ‘Het is duidelijk dat het VK meer van zijn afval zelf moet verwerken. We zijn vastbesloten om de export van plastic afval naar niet-OESO-landen te verbieden en de illegale uitvoer van afval naar landen als Turkije, strenger te controleren.’
Vorig jaar stuurde Maleisië 150 zeecontainers met illegaal geïmporteerd plastic afval terug naar de landen van herkomst. Milieuminister Yeo Bee Yin zei toen dat die stap bedoeld was om ervoor te zorgen dat haar land niet ‘de vuilnisbelt van de wereld’ zou worden.
Wes Anderson draait in Spanje
The French Dispatch van Wes Anderson gaat in juli in première op het filmfestival van Cannes, maar de 52-jarige Amerikaanse filmregisseur is alweer druk bezig met de voorbereidingen voor zijn volgende film. Volgens de Spaanse krant El Paísdraait hij zijn nieuwe project in juli, augustus en september in het Spaanse Chinchón ten zuidoosten van Madrid. Volgens de krant doen de sets die er worden opgebouwd denken aan een western-achtige woestijn, ook al wordt de film volgens bronnen geen western.
De burgemeester van Chinchón is blij, vertelde hij tegen El País: ‘Het is heel belangrijk voor ons. Er zijn al talloze shoots hier opgenomen, maar dat een grote Amerikaanse productie hier enkele maanden komt filmen, betekent levendigheid, prestige en publiciteit.’ In het stadje werden in het verleden films gedraaid onder regisseurs als Nicholas Ray, Orson Welles, Carlos Saura en Pedro Almodovár. Anderson, die in Frankrijk woont, draaide al zijn films de afgelopen tien jaar in Europa.
Groene oase in New York
Mediamagnaat Barry Diller en zijn vrouw, modeontwerpster Diane von Furstenberg, bedachten in 2013 een plan ter vervanging van Pier 54 in New York, die door orkaan Sandy was verwoest. Ze wilden ‘iets bouwen (…) dat meteen op het eerste gezicht oogverblindend was en iedereen die het bezoekt gelukkig maakt’, schrijft architectuurblog Dezeen. Acht jaar later was daar Little Island.
Dit park op palen van ongeveer één vierkante kilometer ligt aan Hudson River Park aan de westkant van Manhattan, nabij de wijk Chelsea, en steunt op 132 paddestoelvormige kolommen van beton die op verschillende hoogtes zijn geplaatst voor een golvend effect. De groene oase is te bereiken via de loopbruggen North Bridge en South Bridge, beide gelegen aan de Hudson River Greenway. Er zijn verschillende openbare locaties, waaronder een amfitheater, een kleiner theater en een spokenwordpodium. Sinds mei is Little Island open voor publiek.
Beurzen van Mary Beard
Mary Beard, de Britse Hoogleraar Geschiedenis aan Cambridge en populaire presentator van BBC-series over de oudheid, gaat na veertig jaar met pensioen. Om dat te vieren stelt ze twee studiebeurzen in van elk 45.000 euro, die kansarme studenten de mogelijkheid geven Klassieke Oudheid te studeren aan Cambridge.
‘Het is een manier om te laten zien dat we het bieden van gelijke kansen serieus nemen’, aldus Dame Mary tegen The Guardian. ‘Ik ben me zeer bewust van wat ik heb geleerd van de Klassieken. Niemand in mijn familie had een universitair diploma.’ Volgens Beard bieden de Klassieken een manier om ‘anders over de wereld te denken’, met inzichten over filosofie, cultuur, geslacht en ras.
De beurzen heeft ze vernoemd naar Joyce Reynolds (102), haar voormalige docent in Cambridge: een ‘fantastische strijder voor de rechten van vrouwen in wat toen een mannenwereld was’.
Meer dan vierhonderdduizend kleine bedrijven in de VS moesten dit jaar sluiten vanwege de pandemie. Ook winkelier Frank Mari wilde het licht al uitdoen en vroeg bijstand aan. Maar hij kwam terug op zijn besluit toen zijn voorraad draadloze speakers de deur uitvloog.
De eerste keer dat ik mijn vaders Yelp-recensies las, schrok ik. Ze waren niet allemaal positief en natuurlijk las ik de slechtste beoordelingen het eerst. Mijn vader Frank runt een winkel in hifi-apparatuur in San Francisco en repareert zelf de merken die hij verkoopt. Een van de recensenten gaf hem één ster en merkte op dat zijn draaitafels vijf weken onaangeraakt in de winkel hadden gestaan. Het herinnerde me aan alle doordeweekse avonden waarop we tot negen uur in de winkel bleven, zodat hij achterstallige klussen kon afmaken.
Iemand anders klaagde dat mijn vader de telefoon had opgenomen met de woorden: ‘Wat wil je? Ik heb het heeeeel druk.’ Ik herinner me dat hij dat ooit had geroepen toen ik nog klein was. Hij was in de wacht gezet door de bank of een leverancier, en de tweede lijn bleef maar overgaan. Ik was verbijsterd. ‘Nou, ik hoop dat je het zoooooo druk hebt dat mensen NOOIT meer naar je winkel gaan’, schreef die recensent.
Maar de haters waren in de minderheid. Onder zijn klanten telde hij [burgemeester] George Moscone (‘heel gewoon’, zei mijn vader) en de dochter van Walt, Diana Disney Miller (‘zo klein als Minnie Mouse en vriendelijk tegen iedereen’). ‘Hij leek mij de enige die ik een lastige en dure klus kon toevertrouwen – en ik had absoluut gelijk’, schreef iemand. ‘Hier krijg je waar voor je geld, al ben je geen audiokenner’, schreef een ander. ‘Ik koop al dertig jaar bij hem. Zou nooit ergens anders naartoe gaan.’ Een ‘juweeltje in de buurt’.
En er was ook een recensie van iemand die niets van mijn vader had gekocht. Hij had zichzelf buitengesloten uit zijn auto en schreef om mijn vader te bedanken voor het gebruik van de telefoon in de winkel. Zou een werknemer van Walmart dat doen? Mochten ze dat? Grote winkels zijn zo ontworpen dat het personeel zelden naar buiten kan kijken. Ze maken geen deel uit van ‘het ballet op het stadstrottoir’, waar Jane Jacobs over schreef in The Death and Life of Great American Cities. In het Greenwich Village van rond 1950 dat zij vereeuwigde, ontfermden kruideniers zich over sleutels en pakjes voor de buren, en personeel in snoepwinkels hield een oogje op de kinderen. Zelfs de drinkebroers die zich verzamelden onder de smerige, oranje buitenlampen van de White Horse Tavern zorgden voor een veilige straat door die bezet te houden. Toen ik het boek vijftien jaar geleden voor het eerst las, zei ik tegen mijn vader dat hij ook een exemplaar moest kopen bij de boekwinkel verderop in de straat, wat hij ook meteen deed. Het was het eerste boek dat hij las sinds hij de winkel in 1975 had geopend.
Eind jaren zestig omringde mijn vader zich met zijn middelbareschoolvrienden in zijn slaapkamer in San Francisco en klooiden ze wat met verschillende draaitafels. Als ze waren vertrokken, veegde hij met glasreiniger hun vingerafdrukken van de kastjes en de ramen, een gewoonte die zijn moeder trots aan haar vriendinnen vertelde. In zijn vrije tijd haalde hij dingen uit elkaar om ze daarna weer in elkaar te zetten klokken, radio’s, versterkers – en om zijn studie te betalen nam hij een baantje als reparateur bij een audio-videowinkel. Hij wilde radio-dj worden en presenteerde wekelijks een programma voor de publiekeradiopartner van het College of San Mateo. Maar als ik hem vraag wat hij draaide, kan hij het zich niet meer herinneren. Hij mocht alleen middle-of-the-roadmuziek draaien van het station. En voor hem was de kwaliteit van het geluid net zo belangrijk als de artiesten.
Hij verhuisde van het reparatiehok van de audio-videowinkel naar de verkoopafdeling – een enigszins pompeuze beschrijving van een ruimte van zo’n vier bij zeven meter met zeeschuimkleurig tapijt en geluiddichte, glazen schuifdeuren. Op een dag liep er een verpleegkundige binnen aan wie hij een videorecorder verkocht. Hij belde haar een paar keer om te vragen of die goed werkte en vroeg haar uiteindelijk mee uit, naar de Dickens Fair (waar alles – en iedereen – uit een roman van Charles Dickens komt). Zijn zus werkte er en had kaartjes voor hem geregeld. Zeven jaar later zette die verpleegkundige, die zeven jaar ouder was dan hij, mij op de wereld. Eind jaren tachtig werd Frank mede-eigenaar van de winkel en in de jaren negentig kocht hij de oprichter uit.
Harmony Audio Video
Die winkel, Harmony Audio Video, is 45 jaar lang mijn vaders leven geweest: de reden dat hij elke dag vroeg het huis verliet, de reden dat hij steevast te laat was als hij me van school ophaalde, de reden dat hij 25 jaar lang nooit op vakantie ging. Toen ik opgroeide, werd de winkel ook mijn leven: vanaf de tijd dat de borstkanker van mijn moeder aan het uitzaaien was en ik in de tweede klas zat (ze stierf toen ik tien was), hing ik tot zeven, acht uur achter in de winkel rond voor we aan de rit van veertig minuten langs de kust over Highway 1 begonnen naar het iets betaalbaarder El Granada.
Het luxe onderwijs dat mijn moeder koos, en dat mijn vader met trots betaalde, leverde een onuitstaanbare twaalfjarige op
Dat hij me bij zich hield op het werk betekende dat hij niet voor kinderopvang hoefde te betalen. In ruil daarvoor stond hij de tweede telefoon in de winkel aan mij af om met klasgenoten en vrienden te kunnen praten. Als hij met een klant bezig was en ik had een vraag, dan moest ik die opschrijven op een van de honderden blanco briefjes waarop hij maandelijkse aanbiedingen noteerde.
Knooppunt
Dankzij de winkel kon ik naar een privéschool in San Francisco (met nog wat extra financiële hulp). En hij bezorgde me een zomerbaantje toen ik op de middelbare school zat: chemicaliën in reageerbuisjes druppelen met een pipet (een van zijn klanten was onderzoeker in een bloedlaboratorium). Ik zal niet zeggen dat de winkel een hoeksteen van de gemeenschap was – niemand heeft goede speakers of een kristalheldere flatscreen-tv echt nodig – maar hij was een knooppunt waar diverse lagen van de bevolking met elkaar in contact kwamen: artsen, techondernemers, Italianen uit de arbeidersklasse, zoals mijn vader, die dol waren op snelle auto’s en luxe speakers, net als de musici en videojongens die hij in dienst had en voor wie hij winstdelingsplannen opzette.
Dat niemand speakers en tv’s nodig heeft, was iets waar ik een uitgesproken mening over had. De eliteschool die mijn moeder uitkoos, en die mijn vader met trots betaalde, leverde een onuitstaanbare twaalfjarige op. Televisie, zo had ik beslist, was een verspilling, en ik nam elke gelegenheid te baat om tegen mijn vader te zegen dat wat hij deed, nou ja, niet-essentieel was, zoals we nu zouden zeggen. Op een bepaald moment zei mijn vader tegen me dat ik me niet gedwongen moest voelen om ooit in de winkel te komen werken, een ontroerende opmerking omdat het zo overduidelijk was dat ik dat nooit zou doen. Mijn moeder had achteraf altijd iets anders willen doen dan verpleging, en ik wist dat hij wilde dat ik een carrière zou vinden waarin ik me helemaal thuis voelde.
Frank Mari. ‘Ik ben een van de laatste hoogwaardige audiojongens. Waarom zou ik als een idioot met mijn hoofd tegen de muur gaan beuken?
Wat mijn vader ook niet hoefde te zeggen was dat hij van zijn werk hield. Hij vond het heerlijk om een klant te laten plaatsnemen in de namaak-Eames-fauteuil in de audioruimte om harde muziek of een film – Terminator 2, Independence Day, The Rock – te laten horen in surroundsound, op dreunende subwoofers. Dat was de soundtrack van mijn jeugd. Hij genoot van apparatuur die nauwgezet de geometrie van geluid overbracht, stekelige geluiden en ronde, scherpe geluiden. Hij las Stereophile en andere vakbladen van begin tot eind, investeerde in nieuwe producten, leerde hoe die werkten. Hij maakte al snel gebruik van technologieën die later gemeengoed zouden worden: cd’s, dvd’s, Bluetooth, streaming, Sonos. (Niet elke gok leverde iets op. Herinnert u zich de laserdisc? Hij heeft er kasten vol van.) Het voordeel en nadeel van een bedrijf als het zijne is dat de technologie altijd voortschrijdt, waardoor klanten iets kunnen najagen, maar de eigenaar altijd moet rennen om hen in te halen.
Ik vermoed dat de andere reden voor mijn automatische verzet tegen de winkel is dat die me mijn vaders kwetsbaarheid liet zien. Begin 2000, toen ik op de middelbare school zat, streefde hij ernaar dagelijks gemiddeld voor 2000 dollar aan apparatuur te verkopen – en dat lukte. Maar ‘gemiddeld’ betekende goede en slechte dagen. Zo nu en dan kocht een arts een heel thuisbioscoopsysteem, na alles een uur lang bestudeerd te hebben. Andere keren stelde een advocaat tientallen vragen voor hij liet weten dat hij naar Best Buy [een grote Amerikaanse elektronicaketen] zou gaan. Of het kon gebeuren dat Lou Reed binnenwandelde, op de muziek van Tsjaikovski die uit de speakers kwam begon te kankeren, voor 700 dollar aan Grado-koptelefoons kocht voor een opnamesessie op de Skywalker Ranch en ze door een assistent liet terugbrengen als de sessie achter de rug was. Zondagen en maandagen – zijn vrije dagen – waren het minst druk. Maar al te vaak hoorde hij als hij belde dat er nog niets was verkocht.
Zo was het niet altijd gegaan. Mijn vader was in de winkel begonnen in de glorietijd van de hoogwaardige audio. Sommige merken van topkwaliteit werden alleen verkocht via officiële dealers, die door de bedrijven betaald werden om kennis op te doen. Yamaha stuurde mijn vader naar de Bahama’s en B&W stuurde hem naar hun fabriek in Engeland, een reis waar hij nog steeds de mooiste herinneringen aan heeft. Hij nam mijn moeder mee – er was een toeristisch programma voor wederhelften, vrijwel allemaal vrouwen. Vóór internet werkten audio-videobedrijven met talloze onafhankelijke dealers. Sinds de komst van internet, dat de mogelijke toegangspaden tot consumenten verveelvoudigde, nog maar met enkelen.
De laatste conferentie die mijn vader bijwoonde vond midden jaren negentig plaats in Phoenix. Hij kwam terug met een bonsaicactus die nu, twintig jaar later, nog steeds gedijt – in tegenstelling tot al het andere in de bedrijfstak.
Detailhandelaren
Als je naar Amerikaanse politici luistert, zou je denken dat de regering royale steun geeft aan kleine bedrijven. Maar dat is al een hele tijd meer retoriek dan realiteit. De laatste keer dat drastische federale wetgeving onafhankelijke detailhandelaren stimuleerde, was midden jaren dertig (en of het werkelijk een goede maatregel was, is een andere vraag). De Robinson-Patman Act verbood kwekers, fabrikanten en groothandelaren om ketens korting te geven op de aankoop van grote hoeveelheden, zelfs al werden die besparingen vaak doorberekend aan consumenten in de vorm van lagere prijzen.
‘Er zijn veel mensen die menen dat we, als we de democratie in de regering, in Amerika, willen behouden, de democratie in de bedrijfsvoering moeten behouden,’ verklaarde afgevaardigde Wright Patman. Kort daarna nam het Congres een andere wet aan die pro-kleine bedrijven was en waarin werd verboden roofprijzen te hanteren, oftewel goederen met hoge kortingen te verkopen om de concurrentie te vermorzelen.
Maar die wetgeving op het gebied van prijsbepaling mislukte goeddeels, omdat grote handelaren simpelweg net iets andere producten inkochten. Het leidde ook tot de opkomst van geraffineerde bedrijfslobby’s. In 1938 diende Patman een voorstel in voor een progressieve federale belasting voor detailhandelaren die in meerdere staten opereerden. Als reactie daarop plaatste kruideniersketen A&P – die later beschuldigd werd van het hanteren van roofprijzen – advertenties in 1300 kranten waarin ze de belasting aan de kaak stelde en de nadruk legde op hun lage prijzen. De wet werd niet aangenomen.
In datzelfde jaar organiseerde president Franklin D. Roosevelt een conferentie in Washington D.C. voor duizend eigenaren van kleine bedrijven, in de hoop hun steun te krijgen voor de New Deal. Maar het mooie van de kleine bedrijfsleider – een koppige, soms radicale onafhankelijkheid – was ook een politieke zwakte. Het was onmogelijk om de groep ook maar ergens overeenstemming over te laten bereiken.
In de volgende decennia zou het aantal kleine bedrijven blijven schommelen. Maar sinds de jaren zestig hebben rechters in antitrustzaken zich eerder voorstander betoond van het behoud van lage prijzen voor consumenten dan van de toegang van concurrerende bedrijven tot de markt. Van 1997 tot 2007 nam het omzetaandeel van de vijftig grootste corporaties in driekwart van de bedrijfstakken toe. Lage prijzen mogen goed klinken, maar het resultaat, over een halve eeuw gemeten, is een zo grote ongelijkheid dat veel arbeiders te arm zijn om zelfs die te kunnen betalen.
Aartsvijand
Best Buy was ooit mijn vaders aartsvijand. Elke maandag, de enige dag waarop we na school meteen naar huis reden (omdat het immers de vrije dag van mijn vader was), kwamen we via de Central Freeway langs die reusachtige blauwe doos. Mijn vader maakte bijna altijd een sarcastische opmerking over elektronica die ‘gemaakt was om kapot te gaan’ en opgejaagde werknemers. Niettemin verdiende hij aan het begin van deze eeuw door twaalf uur per dag te werken bijna 100.000 dollar per jaar.
Toen kwamen de iPhone en de alomtegenwoordige onlinewinkels. Internet was niet alleen maar slecht voor mijn vader. Het stelde hem in staat verouderde onderdelen op eBay te kopen en op audiofiele forums te zoeken naar tips voor lastige reparaties. Met een paar klikken kon hij de prijzen zien van de megastores en proberen eronder te duiken. Maar veel klanten stelden zich tevreden met het streamen van muziek op hun laptop, hoe blikkerig het geluid ook was. En over het algemeen begon de bedrijfstak zich meer tegen de kleine bedrijven te keren. Amazon kreeg meer macht en wekte de verwachting van snelle levering en ultralage prijzen, hoewel de koopjes vaak tegenvielen. (‘Ik heb de prijzen opgezocht om te kunnen vergelijken en zag dat Harmony in veel gevallen 1 dollar onder de prijs op Amazon zit’, schreef een klant op mijn vaders Yelp-pagina.) De echte triomf van Amazon is niet een monopolie op prijzen, maar op onze fantasie.
35 jaar lang was Harmony zeven dagen per week geopend, maar in de jaren na de Grote Recessie besloot Frank om op maandag dicht te gaan, en eventueel ook op zondag. Het aantal werknemers dat fulltime in dienst was begon langzaam af te nemen. De een ging met pensioen, een ander stapte over naar filmmontage. Mijn vader verving hen niet. In mijn jeugd was het vreemd als iemand in zijn eentje een winkel runde, in de afgelopen tien jaar is het de norm geworden. Een gepensioneerde vriend van mijn vader komt soms helpen of wat rondhangen, en brengt alleen de uren waarin hij echt nodig is in rekening. Het enige waarmee mijn vader een beetje geld verdient, zijn installaties op maat – met de nadruk op een beetje. Postindustrieel Amerika is een diensteneconomie; je hebt de rijken en diegenen die hen dienen. Vorig jaar, in San Francisco, een stad beladen met techgeld, betaalde mijn vader zichzelf slechts 12.000 dollar uit; hij investeerde liever meer in de winkel en sprak zijn pensioenfonds aan om de rekeningen te betalen.
Dus de situatie was al niet best toen de pandemie toesloeg. Op 17 maart vorig jaar was de Bay Area het eerste gebied in de VS waar een lockdown van kracht werd, wat de 45-jarige routine van mijn vader doorbrak – voor zijn eigen veiligheid. Maar het kon hem er niet van weerhouden bijna elke dag naar de winkel te rijden, wat toegestaan was omdat reparatiewerk als een essentiële service werd beschouwd. Hij liet de lichten uit, hield de deur op slot en werkte achter in de zaak, waar hij aan klankborden knutselde en apparatuur soldeerde.
Nadat hij zich had opgegeven voor de eerste ronde van het Paycheck Protection Program (PPP) hoorde mijn vader dat er geen geld meer was. Het steunfonds, dat werd beheerd door grote banken, neigde ernaar de voorrang te geven aan de grote corporaties waarmee ze al samenwerkten. De Harvard-universiteit, Ruth’s Chris Steak House, Shake Shack en diverse horecabedrijven die bestuurd werden door Monty Bennett, de megadonor van Trump, kregen tientallen miljoenen bij de eerste verdeling; talloze kleine bedrijven kregen te horen dat het geld op was. (Die grote organisaties stortten, met de staart tussen de benen, het geld pas terug na publieke verontwaardiging en aanpassingen aan federale regels om dit soort misbruik te voor-komen.)
Om het nog erger te maken gebruikte het Congres de Cares Act, die de PPP-leningen had geregeld, om 174 miljard dollar aan belastingvoordelen uit te delen die al lang op de wenslijstjes van vastgoedontwikkelaars, investeerders en het bedrijfsleven stonden. ‘Dit soort obscure belastingmaatregelen zijn niet in het algemeen belang van het publiek,’ zei New York Times-verslaggever Jesse Drucker destijds tegen Terry Gross van NPR. Er is maar een klein aantal belastinglobbyisten dat ze zelfs maar begrijpt. Dit was weer een van die voorbeelden van een systeem dat het grote boven het kleine is gaan bevoordelen.
Redelijk besluit
Tijdens de pandemie is mijn vader de paar mensen die nog op zijn loonlijst stonden blijven doorbetalen, onder wie een vroegere verkoper die een levendige, wekelijkse nieuwsbrief schrijft (compleet met filmrecensie). Voor het overige had hij weinig kosten. Toch besefte hij, na twee maanden pandemie, dat de winkel tegen het eind van volgende maand geen geld meer zou hebben.
Hij overwoog steun via de tweede PPP-verdeling aan te vragen, maar werd overdonderd door de vereiste informatie en de veranderende regels. (Dat overkwam ook anderen. Vier uur voordat het programma op 30 juni zou sluiten, terwijl kleine bedrijven nog steeds worstelden maar er tegelijkertijd een bedrag van 130 miljoen dollar over was, verlengde de Senaat de deadline voor de aanvraag met vijf weken.) Midden mei nam mijn vader, die nooit een redelijke man was geweest, een redelijk besluit. ‘Ik ben een van de laatste hoogwaardige audiojongens. Waarom zou ik als een idioot met mijn hoofd tegen de muur gaan beuken? Het is tijd om dag met het handje te zeggen.’ Op 68-jarige leeftijd vroeg hij bijstand aan en zei dat hij zich voorbereidde om voorgoed dicht te gaan.
Ik had hem de afgelopen paar jaar gesmeekt te overwegen met pensioen te gaan, maar nu hij me zijn besluit over de telefoon meedeelde, moest ik mijn best doen om me groot te houden. Als je het op een bepaalde manier bekeek, was mijn vader een van de gelukkigen. Hij had gespaard voor een pensioen en was op de leeftijd dat hij ook met pensioen kon. En toch voelde het als een eerloos einde van 45 jaar werk. ‘Ik ben meer dan alleen mijn winkel,’ zei hij tegen me. Maar bijna zijn hele volwassen leven lang hadden al zijn beslissingen op het tegendeel gewezen.
En toen, op maandag 15 juni, mochten kleine bedrijven in San Francisco weer open, als ze zich aan de veiligheidsregels hielden. Mijn vader was die dag gesloten, maar hij wilde de grote heropening niet missen, dus werkte hij zes dagen achter elkaar door, zonder zichzelf iets uit te betalen. (Hij had sinds januari nog geen enkele cheque op naam van de winkel geïnd.) Hij had een goed instinct. Draadloze speakers raakten tijdens de pandemie uitverkocht, maar hij had er genoeg in voorraad en mensen die ietsje ouder waren dan ik, zei mijn vader, wilden graag hun plaatselijke winkels steunen. Zijn trouwe klanten – mensen die hij al tientallen jaren kende, mensen in wier kinderen, carrières en kopzorgen hij geïnteresseerd is – verblijdden mijn vader door langs te komen, met een masker voor, met lang haar, sommigen bijna onherkenbaar, om hem te vertellen dat ze nergens anders zouden willen kopen.
Als je naar Amerikaanse politici luistert, zou je denken dat de regering royale steun geeft aan kleine bedrijven
Meer dan vierhonderdduizend kleine bedrijven zijn sinds het begin van de pandemie gesloten en nog vele duizenden lopen gevaar, volgens het aan het Brookings Institution gelieerde Hamilton Project. Door het hele land worden buurtwinkels opgeheven; ze zeggen de huurovereenkomst op en hangen met de hand geschreven afscheidsbriefjes op. ‘We zijn bedroefd dat de tijd is gekomen om zai jian (tot ziens) te zeggen’, stond er op een plakkaat bij Ton Kiang, het ‘dimsum-instituut’ van San Francisco. ‘Door de jaren heen hebt u uw bruiloften en verjaardagen met ons gedeeld en mochten wij de overgangen in uw leven en uw familiebijeenkomsten voor u verzorgen… Wij zullen die momenten altijd koesteren en uw vriendschap blijven waarderen.’
Hoeveel van die bedrijven zullen uiteindelijk worden vervangen, en wat zal er verloren gaan als dat niet gebeurt? Het is gemakkelijk om prijzen te vergelijken. Het is moeilijker om de waarde te bepalen van de nukkige onafhankelijkheid van eigenaren van kleine bedrijven, of van hun collectieve belang voor de gemeenschapszin en zelfs voor het idee van Amerika. ‘Wat mij verbaast in de Verenigde Staten is niet zozeer de geweldige grandeur van sommige ondernemingen als wel de ontelbare hoeveelheid kleine ondernemingen’, schreef Alexis de Tocqueville in 1835.
Mijn vader, die zo blij was om terug te zijn, deed alsof hij me nooit had verteld dat hij de winkel wilde sluiten. Hij zat in de detailhandel (slecht), maar de producten die hij verkocht waren voor thuis (goed). Voorlopig, tenminste nog even langer, zal hij het volume in de geluidsruimte, waar hij thuishoort, weer opkrikken.
De ballonnen van kunstinstallatie Weightless Forest of Resonating Life maken je zo blij als een kind. Verder: De schoonheidstrend BBL (Brazilian Butt Lift) leidt tot gevaarlijke operaties, soms zelfs met de dood tot gevolg & meer aanraders van de 360-redactie.
Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.
Het Europa van 1914 versus 2021
Caroline de Gruyter schrijft columns over Europa en internationale politiek. Niet alleen voor NRC Handelsblad, maar ook voor de site euobserver. Vanwege haar kraakheldere schrijfstijl, internationale blik, bewonderenswaardige kennis en vaak verrassende invalshoeken is het zeer de moeite waard om ook die in de gaten houden, tipt redacteur IJsbrand van Veelen.
Haar meest recente bijdrage voor euobserver begint zo: ‘De Hongaarse schilder Béla Zombory-Moldován was 29 toen zijn leven voor altijd veranderde. In 1914 brak de oorlog uit terwijl hij met vrienden op vakantie was aan de Adriatische kust. Binnen een week was de zorgeloze, zachtaardige kunstenaar uit een rijke familie op weg naar het front, in uniform. Zoals hij schreef in The Burning of the World, zijn memoires van het eerste jaar van de oorlog die in 2014 door zijn kleinzoon werden gepubliceerd, had hij geen idee van wat hem te wachten stond. “Sinds mijn grootvader was niemand in mijn familie in oorlog geweest. Totdat we ermee werden geconfronteerd, had iedereen oorlog als een absurditeit beschouwd. Nu was het realiteit. Een schrale troost: de vijand moet hetzelfde probleem hebben.”
In een Europa waar al meer dan zeventig jaar vrede is, roepen deze woorden onwillekeurig parallellen op’, vervolgt De Gruyter. ‘Niemand zegt dat er in 2021 oorlog zal uitbreken in Europa. 1914 is zeker geen 2021. Maar…’ Het vervolg lees je hier.
Deze column is een voorproefje uit haar nieuwe boekBeter wordt het niet – Een reis door het Habsburgse Rijk en de Europese Unie, dat op 2 maart verschijnt.
Braziliaanse billen
De afkorting alleen al: BBL, geen sandwich, maar een brazilian butt lift. In Zuid-Amerika is de butt een ontzettend belangrijk onderdeel van het vrouwelijk lichaam. En sinds een aantal jaren voor iedereen zelf naar ideaalbeeld te boetseren, Zoals Melissa – niet haar echte naam – in dit artikel van The Guardian – getipt door editor at large Katrien Gottlieb – zegt: ‘Je ziet iets wat je leuk vindt, en dan wil je het hebben.’ Logisch toch?
Cosmetische chirurgie heeft er groots aan bijgedragen dat het uiterlijk niet langer een ‘gradually decaying biological event’ is maar een project dat voortdurend kan worden bijgeschaafd. Maar wat gebeurt er als de BBL uit het modebeeld verdwijnt, en iedereen opeens de voorkeur geeft aan een AB, een Aspirine Butt? Zoals het Britse model Twiggy de trend zette met haar cup AA en vrouwen met een voluptueuze boezem frustreerde.
In de afgelopen drie jaar zijn drie Britse vrouwen, Abimbola Ajoke Bamgbose, Leah Cambridge en Melissa Kerr, overleden als gevolg van complicaties die zich voordeden bij BBL’s in Turkije, schrijft The Guardian. Wat mensen bezielt om zichzelf zoiets aan te doen om hun zelfbeeld kunstmatig op te pimpen, soms tot de dood erop volgt, blijft een interessant fenomeen.
Ambassadeur van een sombere generatie
Arlo Parks verwoordt de eeuwige problemen van de adolescentie, en in het bijzonder de problemen die ze in de huidige tijd ervaren, schrijft The Times in een portret. Zo schreef ze het nummer ‘Black Dog’ (‘It’s so cruel what your mind can do for no reason’) voor een vriendin. ‘Ik zag iemand zonder aanwijsbare reden vreselijke pijn lijden. (…) er was geen duidelijke oorzaak en ik voelde me machteloos.’ Een aanrader van hoofdredacteur Laura Weeda.
Haar muziek richt zich in het bijzonder op de eerste generatie ‘digitale autochtonen’, waar ze zelf als twintigjarige deel van uitmaakt: jongeren die zijn opgegroeid met internet. Volgens een rapport dat in oktober 2020 is vrijgegeven door de American Psychological Association, leed meer dan 70 procent van de jongvolwassenen het afgelopen jaar aan een vorm van depressie.
We snappen waarom, schrijft de Londense krant. De jongeren van Generatie Z zitten vastgeschroefd aan hun mobiele telefoon, worden belaagd met sombere berichten en steeds meer overweldigd door wanhoop. Parks is ook ambassadeur voor CALM: Campaign Against Living Miserably – een organisatie die zich inzet voor een goede geestelijke gezondheid.
‘Gedurende het jaar dat voor de meesten van ons gekenmerkt werd door algehele verlamming, veranderde ze van een volslagen onbekende in een openbaring’
Zelf lijkt de artiest een gelukkige jeugd te hebben gehad. Ze is de dochter van een Nigeriaanse vader en een Franse moeder en bezocht een privéschool in Hammersmith in Londen. Ze begon op zevenjarige schrijver met het schrijven van gedichten, op haar veertiende met gitaar spelen. Op de middelbare school werd ze nadat ze voor haar biseksualiteit was uitgekomen zelfverzekerder, vertelt ze zelf, en begon ze ook te zingen.
Ze laat zich inspireren door bijvoorbeeld de Amerikaanse R&B-ster Frank Ocean, King Krule, een cultzanger uit Zuid-Londen, The Cure, maar bijvoorbeeld ook door de meanderende taal uit Virginia Woolfs Mrs Dalloway (‘Ze neemt je mee in een zin en laat je er bijna in verdwalen tot je er aan het einde weer uit komt’) en Just Kids van Patti Smith (‘Een bundeling van alles wat vreemd, romantisch en destructief was in het leven van een kunstenaar in het New York van de jaren zeventig’). Haar album Collapsed in Sunbeams, dat deze maand verscheen, ontleent zijn titel aan Zadie Smiths essaybundel On Beauty (2005).
‘Gedurende het jaar dat voor de meesten van ons gekenmerkt werd door algehele verlamming, veranderde ze van een volslagen onbekende in een openbaring, die onder andere Michelle Obama en Billie Eilish wordt bewonderd’, schrijft The Times.
Het artikel van The Times zit achter een betaalmuur maar haar muziek spreekt voor zichzelf en is online te beluisteren.
Ballonkunst
Tijdens deze donkere coronaperiode snakt menig mens naar een feestje, en wat schreeuwt nou meer feest dan de ballon. In Tokio kunt u nu de ultieme ballonervaring ondergaan door te stuiteren door de kunstinstallatie Weightless Forest of Resonating Life van het internationale collectief teamLab, te zien in het MORI Building Digital Art Museum. Nu reizen naar Japan lastig is, zijn er gelukkig videobeelden van de installatie om je aan te vergapen.
Een tip van onze art director Majel van der Meulen: ‘Licht, beweeglijk, kleurrijk, vrolijk, feestelijk: de ballon. Meer dan een feestje, in de beeldende kunst kom ik ze regelmatig en graag tegen. Door de jaren heen heb ik een flinke verzameling gezien. In 2017 genoot ik van Martin Creeds installatie SAY CHEESE! in Museum Voorlinden, met onder andere een zaal gevuld met ballonnen. Al eerder zag ik in Tate Modern Andy Warhols Silver Clouds en in 2013 in De Pont in Tilburg Two Younger Women Come In and Pull Out A Table van Katharina Grosse. Ook bijzonder vrolijk makend is Jeff Koons Balloon Dog (Magenta), die te zien was op de Biënnale van Venetië in 2015. En een nu dus deze ballonkunstinstallatie in Tokyo.’
Mentor van de beat-dichters
Lawrence Ferlinghetti, dichter, uitgever en politiek iconoclast, die generaties kunstenaars en schrijvers uit San Francisco inspireerde en ondersteunde, is maandag in zijn huis in San Francisco overleden aan een longziekte. Hij werd 101 jaar.
The New York Timespubliceerde een prachtig portret van de ‘spirituele godfather van de beat-beweging’, die in 1953 de boekhandel, uitgeverij en ‘literaire ontmoetingsplaats’ City Lights in San Francisco oprichtte. Een elf minuten durende documentaire over het leven van de Ferlinghetti, die grote beat-dichters als Allen Ginsberg, Gregory Corso en Michael McClure uitgaf, begeleidt het artikel.
Een aanrader van redacteur Joep Harmsen. ‘In 2018 bracht ik een bezoek aan City Lights Bookstore en werd overvallen door de historische sensatie van het zijn op een plek waar grootheden als Allen Ginsberg, Jack Kerouac en Ferlenghetti himself elkaar hun energieke en taboedoorbrekende poëzie voordroegen.’
Zijn meest succesvolle bundel, A Coney Island of the Mind (1958) trok de aandacht toen een van de gedichten als godslastering werd bestempeld door een congreslid uit New York, Steven B. Derounian, die beweerde dat het de kruisiging van Christus belachelijk maakt. Het gedicht, ‘Sometime During Eternity …’ begint als volgt:
Sometime during eternity
some guys show up
and one of them
who shows up real late
is a kind of carpenter
from some square-type place
like Galilee
and he starts wailing
and claiming he is hip
En dan nog, om de levenslust van de 101 jaar oud geworden Ferlinghetti te vieren, het begin van zijn gedicht ‘The World is a Beautiful Place’:
VN-rapporteur Philip Alston wil weten waarom 41 miljoen Amerikanen in armoede leven. The Guardian vergezelde hem twee weken lang tijdens een speciale missie naar het donkere hart van het rijkste land ter wereld.
Los Angeles, Californië
‘Je moet een keuze maken, man. Je kunt rechtdoor, naar de hemel. Of je kunt rechtsaf slaan en dáár eindigen.’ We zijn in Los Angeles, in het hart van een van de rijkste steden van Amerika, en de geheel in het zwart gestoken General Dogon is onze gids. Naast hem kuiert een andere lange man, met grijs haar en keurig gekleed in spijkerbroek en colbertje. Professor Philip Alston is een Australische academicus met een officiële titel: speciale VN-rapporteur op het gebied van extreme armoede en mensenrechten. General Dogon, zelf een oudgediende van deze straten in de wijk Skid Row, stapt zonder commentaar over een dode rat heen en omzeilt een lichaam dat in een versleten oranje deken gewikkeld op het trottoir ligt.
De twee mannen passeren het ene na het andere blok van sjofele tenten en geïmproviseerde optrekjes van zeildoek. Ervoor zitten of slapen mannen en vrouwen, soms in groepjes maar meestal alleen, als figuranten in een goedkope griezelfilm.
We komen op een kruispunt, waar General Dogon stopt en zijn gast voor de eerdergenoemde keuze stelt. Hij wijst recht vooruit naar het eind van de straat, waar de glinsterende wolkenkrabbers van het centrum van LA als een belofte van goddelijke rijkdom ten hemel rijzen. Dan draait hij naar rechts, waarbij de Black Power-tatoeage in zijn nek zichtbaar wordt, en leidt onze blik weer naar Skid Row, vijftig blokken van opeengepakte menselijke vernedering. Een nachtmerrie in het volle zicht, in de stad van de dromen.
Zo begint een reis van twee weken naar de schaduwkant van de Amerikaanse Droom. De belangstelling van de VN-rapporteur, die overal ter wereld een onafhankelijk oordeel velt over de mensenrechtensituatie, gaat ditmaal uit naar de VS en bereikt een hoogtepunt met de presentatie van zijn eerste bevindingen in Washington. Zijn feitenonderzoek naar het rijkste land dat de wereld ooit heeft gekend heeft hem naar de kern van de tragedie geleid: de 41 miljoen mensen die officieel in armoede leven. Negen miljoen daarvan hebben geen enkel inkomen – ze ontvangen geen cent overheidssteun.
Van armoede naar armoede
Alstons epische reis heeft hem van kust naar kust gevoerd, van armoede naar armoede. Hij begon in LA en San Francisco, reisde door de koloniale schandvlek Puerto Rico en daarna terug naar de zwaar beproefde kolenstreek van West Virginia, en overal zag hij met eigen ogen de funeste uitwerking van Amerika’s vertrouwen in het vrije ondernemerschap, waarbij publieke hulp uit den boze is.
The Guardian kon de VN-gezant door het hele land volgen, woonde zijn belangrijkste bezoeken bij en was getuige van de extreme armoede waar hij persoonlijk kennis van nam. Zie het als een koekje van eigen deeg. Om met de VN-rapporteur zelf te spreken: ‘Washington wil maar al te graag dat ik de armoede en de slechte mensenrechtensituatie in andere landen aan de kaak stel. Ditmaal ben ik in de VS.’
De reis vindt plaats op een kritiek moment voor Amerika en de rest van de wereld. Hij begint op de dag dat de Republikeinen in de Amerikaanse Senaat voor drastische belastingverlagingen stemmen die de superrijken in de kaart zullen spelen, terwijl veel lage-inkomensgezinnen zich met hogere belastingen geconfronteerd zullen zien. Door de veranderingen zal de inkomensongelijkheid toenemen, die met drie mannen – Bill Gates, Jeff Bezos en Warren Buffet – die samen evenveel bezitten als de helft van het hele Amerikaanse volk, toch al extremer is dan in enig ander geïndustrialiseerd land. Een paar dagen na het begin van het VN-bezoek doen de Republikeinse leiders er nog een reusachtige schep bovenop. Ze kondigen een verdere aanslag aan op de sociale voorzieningen van een toch al tot op de draad versleten verzorgingsstaat.
‘Kijk omhoog! Kijk naar die banken, die hijskranen, die luxeflats die verrijzen!’ roept General Dogon, die vroeger dakloos was in Skid Row en zich nu inzet voor het buurtactiecentrum LACAN. ‘Hier beneden is niks. Je ziet de tenten rug aan rug staan, de mensen kunnen nergens heen.’
Californië is een goed startpunt voor het VN-bezoek. De staat belichaamt zowel de onmetelijke rijkdom die de 0,001 procent aan de techboom heeft overgehouden als de gestegen huizenprijzen die daar het gevolg van zijn en waardoor het aantal daklozen de pan uit rijst. Los Angeles, de stad met veruit de grootste daklozenpopulatie van de VS, worstelt met het aantal crisisgevallen, dat het afgelopen jaar met 25 procent gestegen is tot 55.000.
Ressy Finley (41) is druk doende met het ontsmetten van de witte emmer die ze als toilet gebruikt in haar tent waar ze nu al meer dan tien jaar af en aan woont. Ze houdt haar woonruimte – een hoop versleten matrassen en dekens en een paar andere bijeengeraapte bezittingen – zo schoon mogelijk in een verloren strijd tegen ratten en kakkerlakken. Ook kampt ze met bedwantsen, waar de rode plekken op haar schouder van getuigen. Ze heeft geen officieel inkomen, en wat ze verdient met het inzamelen van flessen en blikjes is bij lange na niet voldoende om zich de gemiddelde huur van 1400 dollar per maand voor een minuscuul eenkamerwoninkje te kunnen veroorloven. Een vriend brengt haar om de paar dagen eten; de rest van de tijd is ze aangewezen op voedselbanken in de buurt.
Ze huilt tot twee keer toe tijdens ons korte gesprek, eenmaal wanneer ze vertelt hoe haar baby door welzijnswerkers uit haar armen werd getrokken vanwege haar drugsgebruik (hij is nu veertien, ze heeft hem nooit meer gezien). De tweede keer is als ze zinspeelt op het seksueel misbruik dat haar als kind op het pad van drugs en dakloosheid bracht.
Bij dat alles is het opmerkelijk hoe positief Finley blijft. Wat vindt ze van de Amerikaanse Droom, het idee dat iedereen het kan maken als hij maar hard genoeg zijn best doet? Ze geeft onmiddellijk antwoord: ‘Ik weet dat ik het ga maken.’
Een vrouw van 41 die op het trottoir in Skid Row woont en het gaat maken?
Zelfs een doorgewinterde armoede-expert als Alston is erdoor van zijn stuk gebracht
Het stukje trottoir naast Finley wordt bezet door Robert Chambers. Hij heeft van houten pallets een gebied rond zijn tent gemaakt dat in Skid Row doorgaat voor een tuintje. Hij heeft een bord neergezet waarop ‘Dakloze Schrijverscoalitie’ staat, de naam van een groep daklozen die hij leidt om ze hun waardigheid te laten behouden tegenover wat hij de ‘animalistische’ aspecten van hun leven noemt. Hij doelt vooral op het gebrek aan openbare toiletten dat mensen dwingt hun behoefte op straat te doen.
Het stadsbestuur van LA heeft meer beschikbare toiletten beloofd – wat hoognodig is, gezien de uitbraak van hepatitis A die zich vanuit San Diego langs de westkust verspreidt en al 21 mensen het leven heeft gekost, voornamelijk als gevolg van het gebrek aan sanitaire voorzieningen in daklozenkampen. ’s Nachts worden de parken met openbare toiletten gesloten om daklozen te weren.
Skid Row telt ’s nachts negen toiletten voor 1800 mensen die op straat leven. Dat is beduidend minder dan de VN voorschrijft voor de kampen voor Syrische vluchtelingen. ‘Het is gewoon onmenselijk, en uiteindelijk zul je er een animalistische levensinstelling aan overhouden,’ zegt Chambers. Hij leeft al bijna een jaar op straat, omdat hij wegens drugsbezit de voorwaarden van zijn voorwaardelijke vrijlating heeft geschonden en uit zijn goedkope appartement is gezet. Hij is niet meer te helpen, zegt hij, van ‘het maken’ is geen sprake meer. ‘Het veiligheidsnet? Daar zitten voor mij te veel gaten in.’
Van alle mensen die het pad van de VN-rapporteur kruisen, is Chambers het negatiefst over de Amerikaanse Droom. ‘Mensen realiseren zich niet dat het nooit beter wordt; mensen zoals wij kunnen er nooit bovenop komen. Ik ben 67, ik heb een hartkwaal, ik zou hier niet buiten moeten wonen. Ik zal het misschien niet lang meer maken.’
Dat is een heleboel ellende om op één dag te verstouwen, en zelfs een doorgewinterde armoede-expert als Alston is erdoor van zijn stuk gebracht. Als speciale VN-rapporteur heeft hij eerder verslag uitgebracht over de erbarmelijke leefomstandigheden in onder andere Saoedi-Arabië en China. Maar Skid Row? ‘Ik was behoorlijk gedeprimeerd,’ vertelt hij The Guardian later. ‘Die eindeloze stroom gruwelverhalen. Op een bepaald moment ga je je afvragen of iemand er wel iets aan kan doen, laat staan ik.’
Dan neemt hij het vliegtuig naar San Francisco, naar de wijk Tenderloin, waar het wemelt van de daklozen, en loopt de St. Boniface-kerk binnen. Wat hij daar ziet is balsem voor zijn ziel.
San Francisco, Californië
Zo’n zeventig daklozen liggen rustig te slapen op banken achter in de kerk, zoals hun op weekdagen elke ochtend is toegestaan, terwijl voor in de kerk de gelovigen eensgezind bidden. De kerk vangt hen op vanuit de katholieke gedachte dat iedereen een helpende hand verdient.
‘Ik vond die kerk heel erg opbeurend,’ zegt Alston. ‘Het was zo’n simpel schouwspel en zo’n voor de hand liggend idee. Ik dacht: als het christendom hier niet over gaat, waarover dan in hemelsnaam wel?’
Het is een zeldzame druppel altruïsme aan de westkust, die het moet opnemen tegen een zee van vijandigheid. Californische steden hebben de afgelopen jaren meer dan vijfhonderd antidaklozenwetten aangenomen. En Ben Carson, de neurochirurg die door Donald Trump tot minister van Huisvesting is benoemd, decimeert het nationale budget voor betaalbare woningen.
Het meest veelzeggende detail is misschien nog wel dat behalve St. Boniface en haar zusterkerk geen enkel gebedshuis in San Francisco daklozen opvangt. Sterker nog, vele hebben, zelfs in dit seizoen van naastenliefde, hun deuren voor iedereen gesloten om de daklozen maar buiten te houden.
Zoals Tiny Gray-Garcia, die zelf op straat leeft, aan Alston vertelt, hebben zij en haar lotgenoten elke dag te maken met wat ze ‘het geweld van het wegkijken’ noemt. Die wrede trek is al sinds de stichting van het land een kenmerk van het Amerikaanse leven. Het afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid (de Britse monarchie) werd in de ogen van veel Amerikanen synoniem met het individualistische idee dat je het zelf moet maken – een idee dat prima is voor degenen die zo gelukkig zijn dat ze dat kunnen, maar minder voor degenen die aan de verkeerde kant van de spoorlijn zijn geboren.
De New Deal van Franklin Roosevelt en de Great Society van Lyndon Johnson waren strijdig met dit idee en gingen ervan uit dat een samenleving zichzelf moet beschermen tegen de grillen van honger en werkloosheid. Maar de laatste tijd waait de wind sterk in de richting van ‘zoek het zelf maar uit’. Die trend werd in de jaren tachtig gezet door de belastingverlagingen van Ronald Reagan, gevolgd door Bill Clinton die in 1996 besloot de bijstand voor gezinnen met lage inkomens te schrappen, een maatregel waaronder nog steeds miljoenen Amerikanen gebukt gaan.
Als gevolg van deze opeenstapeling van aanvallen op de verzorgingsstaat genieten gezinnen die moeite hebben om rond te komen, onder wie de vijftien miljoen kinderen die officieel in armoede leven, beduidend minder steun dan in enige andere geïndustrialiseerde economie. En nu worden ze misschien wel met de allergrootste dreiging geconfronteerd. Zoals Alston zelf schreef in een essay over het populisme van Trump en de agressieve uitdaging die dat voor de mensenrechten betekent: ‘Dit zijn bijzonder gevaarlijke tijden. Bijna alles lijkt mogelijk.’
Lowndes County, Alabama
Trumps ondermijning van de mensenrechten, gevoegd bij het Republikeinse dreigement om volgend jaar nog verder in de sociale uitkeringen te snoeien en daarmee een deel van de belastingverlagingen te compenseren die nu door het Congres worden gejaagd, zal Afro-Amerikanen disproportioneel hard treffen. Zwarte mensen vormen 13 procent van de Amerikaanse bevolking, maar 23 procent van de mensen die onder de armoedegrens leven is zwart, evenals 39 procent van de daklozen.
Het raciale element van Amerika’s armoedecrisis is nergens zo zichtbaar als in het diepe zuiden, waar de open wonden van de slavernij nog altijd bloeden. De volgende halte van de speciale VN-rapporteur is de ‘Black Belt’, een term die oorspronkelijk naar de rijke donkere grond verwees die in een strook door Alabama loopt, maar die mettertijd gebruikt ging worden voor de Afro-Amerikaanse bevolking die daar de meerderheid vormt.
De link tussen bodemsoort en demografie was niet toevallig. De katoen tierde welig op dit vruchtbare land, wat op zijn beurt tot een levendige handel in slaven leidde om die te oogsten. De afstammelingen van de slaven wonen nog altijd in de Black Belt en behoren nog steeds tot de armsten van het land.
Je kunt de geschiedenis van de Amerikaanse schande, van de slavernij tot het heden, in een reeks eenvoudige grafieken weergeven. De eerste toont de katoenvriendelijke bodem van de Black Belt, de tweede de slavenbevolking, gevolgd door het zwarte woongebied en de extreme armoede van vandaag de dag: allemaal vormen ze precies dezelfde halvemaan die door Alabama loopt.
De huidige erbarmelijke situatie van de zwarte gemeenschap van Alabama zou je op vele manieren kunnen analyseren. De grimmigste is misschien wel het feit dat zo veel gezinnen in de Black Belt nog altijd geen toegang hebben tot sanitaire voorzieningen. Duizenden mensen leven nog steeds tussen open riolen die je normaliter met ontwikkelingslanden associeert.
Als Amerikaanse staatsburgers hebben ze evenveel recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk. Alleen worden ze omringd door poelen met uitwerpselen
Vorig jaar onthulde The Guardian dat deze crisis tot een aanhoudende mijnwormepidemie heeft geleid, veroorzaakt door de gelijknamige intestinale parasiet die zich via menselijke ontlasting verspreidt. Deze komt voor in Afrika en Zuid-Azië, maar werd in de VS al jaren geleden als uitgeroeid beschouwd. Maar in de thuisstaat van Trumps minister van Justitie Jeff Sessions doet de worm zich nog altijd tegoed aan het bloed van arme mensen – een ziekte van ontwikkelingslanden die gedijt in het rijkste land ter wereld.
Het openrioolprobleem is vooral nijpend in Lowndes County, een overwegend zwart district dat het epicentrum was van de burgerrechtenbeweging en vanwaaruit Martin Luther King in 1965 zijn mars van Selma naar Montgomery ondernam om voor algemeen kiesrecht te demonstreren. Ondanks de trotse geschiedenis schat Catherine Flowers dat 70 procent van de huishoudens in het gebied zijn uitwerpselen ofwel rechtstreeks op open terrein deponeert, ofwel in gebrekkige septic tanks die niet bestand zijn tegen zware regen. Toen haar organisatie, het Alabama Center for Rural Entreprise (Acre), er bij de plaatselijke overheid op aandrong daar iets aan te doen, investeerde deze 6 miljoen dollar in de uitbreiding van afvalverwerkingssystemen naar voornamelijk blanke bedrijven, terwijl zwarte huishoudens in overgrote meerderheid werden overgeslagen. ‘Dat is een schrijnend voorbeeld van onrechtvaardigheid,’ zegt Flowers. ‘Mensen die zich geen eigen systeem kunnen veroorloven, moeten het zelf maar rooien, terwijl bedrijven die er wel het geld voor hebben van openbare diensten profiteren.’
Walter, een inwoner van Lowndes County die zijn achternaam liever geheimhoudt uit vrees dat zijn watertoevoer wordt afgesneden omdat hij zijn mond heeft opengedaan, leeft met de dagelijkse gevolgen van deze vorm van publieke veronachtzaming. ‘Als het flink hard regent, komt het zo je huis binnen.’ Dat is een beleefde manier om te zeggen dat het rioolwater zijn gootsteen, wastafel en badkuip in gorgelt en een misselijkmakende zoete stank in het huis verspreidt.
Wat vindt hij onder deze omstandigheden van de ideologie dat iedereen het kan maken als hij zijn best maar doet? ‘Als ze de kans kregen, zou dat ze waarschijnlijk wel lukken,’ zegt Walter. Hij pauzeert en voegt er dan aan toe: ‘Maar mensen krijgen de kans niet.’
Zouden zijn rioolproblemen inmiddels wel zijn opgelost als hij blank was geweest? Na weer een pauze zegt hij: ‘Niet om racistisch te zijn, maar ja, ik denk van wel.’
Aan de achterkant van Walters huis komt de ware onrechtvaardigheid van de situatie aan het licht. Overal door de tuin lopen smalle geulen vanaf naburige huizen waar donkere vloeistof doorheen stroomt. De geulen komen samen in stroperige poelen die recht onder de stacaravan zijn gelegen waarin Walters zoon, schoondochter en zestienjarige kleindochter wonen. Het is het ultieme beeld van het lot van Alabama’s verarmde zwarte gemeenschap. Als Amerikaanse staatsburgers hebben ze evenveel recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk. Alleen worden ze omringd door poelen met uitwerpselen.
Onlangs sloeg de Black Belt terug. Toen werd er een nieuwe versie van die eenvoudige grafiek toegevoegd, waarop precies dezelfde halvemaan te zien is die door Alabama loopt, alleen was die dit keer niet zwart maar blauw. Die blauwe halvemaan staat voor het leger van Afro-Amerikaanse stemmers dat tegen alle verwachtingen in Doug Jones naar de Amerikaanse Senaat stuurde, de eerste Democraat uit Alabama sinds een hele generatie. Dat betekende een flinke bloedneus voor zijn tegenstander, de van kindermisbruik beschuldigde Roy Moore, en voor Steve Bannon en Donald Trump, van wie hij de marionet is. Dit kan met recht het belangrijkste vertoon van zwarte politieke spierkracht worden genoemd sinds de mars van King in 1965. Waar de eerdere grafieken voor ‘bodem’, ‘slavernij’ en ‘armoede’ stonden, zou bij deze grafiek het onderschrift ‘mondigheid’ moeten staan.
Guayama, Puerto Rico
Dus hoe ziet Alston de rol van VN-rapporteur en zijn bezoek? Zijn volledige rapport over de VS zal in mei verschijnen en aan de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève worden gepresenteerd. Niemand verwacht er veel van: de raad heeft niet genoeg macht om goed gedrag af te dwingen van recalcitrante regeringen. Maar Alston hoopt dat zijn bezoek de VS zo veel schaamte zal bezorgen dat men nog eens gaat nadenken over de eigen waarden. ‘Het is mijn rol om regeringen ter verantwoording te roepen,’ zegt hij. ‘Als de Amerikaanse regering niet over het recht op huisvesting, gezondheidszorg of voedsel wil praten, dan zijn er nog altijd basale normen voor mensenrechten waaraan moet worden voldaan. Het is mijn taak om daarop te wijzen.’
In zijn eerdere onderzoek naar extreme armoede in landen als Mauritanië wond Alston er geen doekjes om. We mogen dezelfde onzachtzinnige liefde verwachten bij zijn analyse van Puerto Rico, de volgende halte tijdens zijn reis naar de donkere kant van Amerika.
Drie maanden na Maria is de verwoesting die de orkaan op het eiland heeft aangericht genoegzaam bekend. Van zeventigduizend huizen is niets meer over, de industrie is tot stilstand gekomen en de algehele stroomstoring leidt nog steeds tot plunderingen. Maar het treurige lot van Puerto Rico dateert al van ver vóór Maria en is geworteld in de onverschilligheid waarmee het eiland is bejegend sinds het in 1898 als oorlogsbuit in bezit werd genomen.
Bijna de helft van de Amerikanen heeft geen idee dat de drieënhalf miljoen Puerto Ricanen Amerikaanse staatsburgers zijn – des te kwalijker gezien het feit dat het eiland geen eigen vertegenwoordiging in het Congres heeft, terwijl zijn fiscale beleid wordt gedicteerd door een raad van toezicht die door Washington is aangesteld. Hoe zat het ook alweer met dat afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid?
Evenmin zijn de meeste mensen zich ervan bewust dat het aantal armen op het eiland (44 procent) ruim twee keer zo groot is als dat in de minst welvarende Amerikaanse staten, inclusief Alabama (19 procent). En dat was nog vóór de orkaan, die volgens sommige schattingen het armoedepercentage heeft opgedreven tot 60 procent. ‘Puerto Rico wordt geregeerd door de Verenigde Staten, maar we worden nooit geraadpleegd,’ zegt Ruth Santiago, die als advocaat gespecialiseerd is in gemeenschapsrecht. ‘We hebben geen enkele invloed, we zijn gewoon hun speelbal.’
De VN-rapporteur krijgt een idee van wat het betekent de speelbal van de VS te zijn wanneer hij naar Guayama reist, een stad van 42.000 inwoners in het zuiden, vlak bij de plek waar Maria aan land kwam. Verwoesting alom: gehavende huizen, ontbrekende daken, onheilspellend doorzakkende elektriciteitsleidingen. Boven de stad torent dreigend een kolencentrale uit die is gebouwd door de Puerto Ricaanse tak van AES Corporation, een multinational die zijn hoofdkwartier in Virginia heeft. De schoorsteen van de centrale domineert de horizon, evenals een enorme berg as van de verbrande kolen die oprijst als een reusachtig zandkasteel van ruim twintig meter hoog. De berg is blootgesteld aan de elementen, en de plaatselijke bevolking klaagt dat het gif ervan de zee in lekt en dat de vissers door kwikvergiftiging het brood uit de mond wordt gestoten. Ook is men bang dat het stof dat de berg verspreidt gezondheidsproblemen veroorzaakt, een zorg die wordt gedeeld door plaatselijke artsen die de VN-rapporteur vertellen dat ze veel patiënten hebben met ademhalingsaandoeningen en kanker. ‘De bladeren van mijn mangoboom gaan ervan dood,’ zegt Flora Picar Cruz (82). Ze ligt rond het middaguur in bed en ademt moeizaam door een zuurstofmasker.
Onderzoek van de asberg wijst op gevaarlijke hoeveelheden giftige stoffen zoals arsenicum, broom, chloride en chroom. Desondanks is de regering-Trump bezig het relatief lakse toezicht op de schadelijke emissies ervan nog verder te versoepelen. AES Puerto Rico verzekerde The Guardian dat er geen reden tot zorg is, omdat de centrale een van de schoonste van de VS zou zijn, die met opzet zo is gebouwd dat er geen schadelijke stoffen in de lucht of de zee terecht kunnen komen. Maar daar denken de mensen in Guayama wel anders over. Zij vrezen dat de Amerikaanse kolonisten hen nog meer aan hun lot zullen overlaten dan ze nu al ruim een eeuw lang doen.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat zo veel Puerto Ricanen stemmen met hun voeten; na de orkaan hebben bijna tweehonderdduizend van hen hun koffers gepakt en zijn naar Florida, New York of Pennsylvania vertrokken, waar inmiddels al meer dan vijf miljoen Puerto Ricanen wonen. Dat geeft de Amerikaanse Droom een geheel nieuwe betekenis: iedereen kan het maken, zolang hij zijn familie, zijn huis en zijn cultuur maar in de steek laat en koers zet naar een vreemd en ongastvrij land.
Charleston, West Virginia
‘Jullie zijn kanjers! Al die jaren dat jullie schandalig zijn behandeld gaan we goedmaken, oké? Honderd procent zeker!’ Donald Trumps belofte aan de blanke stemmers van West Virginia werd gedaan in mei 2016, op het moment dat hij de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen binnenhaalde. Zes maanden later beloonde zijn achterban in de staat hem royaal met een verpletterende overwinning.
Als je bedenkt dat hij hun gouden bergen beloofde, is het niet zo verwonderlijk dat blanke gezinnen in West Virginia positief reageerden op het charmeoffensief van Trump: ‘We gaan zorgen dat de mijnwerkers weer aan het werk komen!’ Getalsmatig is de meerderheid van alle Amerikanen die in armoede leven – 27 miljoen mensen – blank.
Met name in West Virginia hebben blanke gezinnen veel om verbitterd over te zijn. De mechanisering en het sluiten van kolenmijnen hebben tot grote werkloosheid en stagnerende lonen geleid. De overheveling van banen in de kolen- en staalsector naar supermarktketen Walmart heeft ertoe geleid dat de gemiddelde werknemer tegenwoordig 3,5 dollar per uur minder verdient dan in 1979. Wat wel verwonderlijk is, is dat zo veel trotse werkende mensen hun dromen aan een (veronderstelde) miljardair hebben toevertrouwd die zijn onroerendgoedimperium heeft gebouwd op wat zijn vader hem heeft toegestopt.
Voordat hij presidentskandidaat was, toonde Trump maar weinig belangstelling voor de problemen van gezinnen met lage inkomens, blank of anderszins. Nu hij bijna een jaar in het Oval Office zit, zijn er ook weinig tekenen dat hij zich aan zijn campagnebeloftes houdt. Integendeel. Als de VN-rapporteur als laatste halte tijdens zijn rondreis Charleston, West Virginia, aandoet, wordt hij overspoeld door bewijs dat de president juist de mensen die hem hebben gekozen het mes op de keel zet.
‘Het beleid van Trump zal de ongelijkheid doen toenemen, loonstijgingen blokkeren en het moeilijker maken voor gezinnen met lage inkomens om hulp te zoeken’
Diezelfde dag presenteren de Republikeinen in de Senaat en het Congres gezamenlijk hun plannen voor belastingverlaging, waarover de week erna zal worden gestemd. Veel mensen in West Virginia zullen voor zoete koek slikken dat deze veranderingen bedoeld zijn om hen te helpen, omdat aanvankelijk iedereen in de staat minder belasting zal gaan betalen. Maar in 2027, als het begrotingstekort moet worden aangezuiverd, zal de onderste 80 procent van de bevolking méér betalen, terwijl de bovenste 1 procent een meevaller behoudt van 21.000 dollar. ‘Het beleid van Trump zal de ongelijkheid doen toenemen, loonstijgingen blokkeren en het moeilijker maken voor gezinnen met lage inkomens om hulp te zoeken,’ zegt Ted Boettner, lid van de raad van bestuur van het niet-partijgebonden West Virginia Center on Budget and Policy.
Als de riolering het aanhoudende probleem is waarmee de Black Belt kampt, dan is een mond vol rottende tanden en kiezen dat van West Virginia. Artsen van Health Right, een medisch vrijwilligerscentrum in Charleston dat 21.000 werknemers met lage inkomens gratis behandelt, toont de VN-rapporteur een foto van een van hun patiënten. De man is pas 32, maar zodra hij zijn mond opendoet wordt hij een heks uit Macbeth. Zijn paar resterende rotte tanden en kiezen en groenblauwe tandvlees zien eruit als etterende brij in een kokende ketel.
Medicaid [een hulpverleningsprogramma voor mensen met lage inkomens] dekt geen tandheelkundige behandeling van volwassenen, tenzij er sprake is van een noodgeval, en dus doen de mensen wat het meest voor de hand ligt: ze wachten tot hun abcessen knappen, zodat ze naar de spoedeisende hulp moeten. Een vrouw die onlangs de mobiele tandartskliniek van het centrum bezocht, had alleen nog dertig wortels in haar mond, die allemaal behandeld moesten worden.
Ook tijdens zijn andere ontmoetingen krijgt Alston een beeld van de manier waarop het leven van gezinnen met lage inkomens in West Virginia onder druk staat. Waar Lyndon Johnson de armoede de oorlog verklaarde, voert Trump oorlog tegen de armen. Mensen gaan jarenlang de gevangenis in omdat ze, in afwachting van hun proces, de borgtocht niet kunnen betalen; er worden privédetectives ingehuurd om mensen te bespioneren die aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; zware minimumstraffen wegens drugsbezit zijn weer in de mode; Jeff Sessions schrapt federale reclasseringsprogramma’s voor ex-gedetineerden; huurders van gesubsidieerde huizen leven in voortdurende vrees dat ze uit hun huis zullen worden gezet na de geringste overtreding. En ga zo maar door.
En het resultaat van deze meedogenloze klappen? ‘Mensen raken uiteindelijk met elkaar in de clinch,’ zegt Eli Baumwell, beleidsdirecteur van de American Civil Liberties Union (ACLU) in West Virginia. ‘Je raakt zo geobsedeerd door wat jij bezit en wat je buurman bezit, dat je rancuneus wordt. Dat is wat Trump doet, mensen tegen elkaar opzetten.’
En zo stapt Philip Alston voor de laatste keer in het vliegtuig om in Washington een samenvatting te presenteren van de kwellingen die het Amerikaanse volk ondergaat. Op een gegeven moment tijdens de vlucht zegt Alston dat hij een slapeloze nacht heeft gehad door het piekeren over de verloren zielen die we in Skid Row hebben ontmoet. Hij vraagt zich af hoe iemand anders in zijn positie – ‘Ik ben oud, een man, blank, rijk en ik heb een heel goed leven’ – op zo’n dakloze zou reageren. ‘Hij zou naar hem kijken en hem beschouwen als iemand die smerig is, die zich niet wast, die hij niet in zijn buurt wil hebben.’ Dan krijgt Alston een openbaring. ‘Ik besef dat de overheid hen zo ziet. Maar wat ik zie, is een maatschappelijk falen. Ik zie een maatschappij die zoiets laat gebeuren, die niet doet wat ze moet doen. En dat is heel treurig.’
De rondreis van de speciale VN-rapporteur is ten einde.
De Nederlandse fotograaf Désirée van Hoek werkt al sinds 2007 met tussenpozen op Skid Row in Los Angeles. In 2015 verscheen haar boek Skid Row, met een voorwoord van Skid Row-verslaggever Gale Holland van de Los Angeles Times. Het boek werd in 2016 bekroond als een van de Best Verzorgde boeken van Nederland en Vlaanderen.
Fotografie:
De Nederlandse fotograaf Désirée van Hoek werkt al sinds 2007 met tussenpozen op Skid Row in Los Angeles. In 2015 verscheen haar boek Skid Row, met een voorwoord van LA Times- verslaggever Gale Holland. Het boek werd in 2016 bekroond als een van de Best Verzorgde boeken van Nederland en Vlaanderen. www.desireevanhoek.com
The Guardian”
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
In de voormalige hippiekolonie Big Sur, onder San Francisco, wemelt het tegenwoordig van de techies. Met chant-sessies, yoga en gitaarmuziek proberen ze hun twijfels over de zin van hun werk te bezweren.
Het is een zwaar jaar geweest voor de techindustrie. Voormalige Facebooktopmannen als Sean Parker en Justin Rosenstein hebben hun ontsteltenis getoond over de gevolgen van al die technologie en felle kritiek geuit op bedrijven als Facebook, waaraan ze zelf hun rijkdom te danken hebben. En daarom zoekt Silicon Valley nu zijn toevlucht tot het Esalen Institute, een voormalig hippiehotel op een helling boven de Stille Oceaan, ten zuiden van de Californische stad Carmel. Vorig voorjaar liep het oord grote schade op door een storm, en in de daaropvolgende zomer draaide het met een sterk ingekrompen team. Maar sinds de heropening in oktober is het instituut weer volop in bedrijf, met een nieuwe directeur en een nieuwe missie: het moet een plek zijn waar mensen uit de techwereld zich thuis voelen en zich kunnen bezinnen op de resultaten van hun werk.
Dit is een radicale omslag voor het al jarenlang bestaande centrum met zijn verzameling gebouwtjes. Sinds de oprichting in 1962 heeft het Esalen Institute een belangrijke rol gespeeld in de popularisering van yoga, biologisch voedsel en meditatie in Amerika. Grote namen uit de humanistische psychologie hebben vanuit de lodge gewerkt, en ook [de journalist] Hunter S. Thompson schijnt er ooit te hebben rondgelopen, gewapend met een jachtgeweer. Naakt was de norm.
Esalen heeft een ware apocalyps doorstaan. In het voorjaar vaagden drie landverschuivingen alle toegangswegen rond het centrum weg en moest een helikopter de deelnemers aan een massageworkshop van een heuveltop evacueren. Terwijl het instituut gesloten was omdat het half onder water stond en per maand 1 miljoen dollar verlies leed, voltrokken zich grote veranderingen binnen de bedrijfsleiding. Toen de weg in oktober weer werd geopend, had het instituut een nieuwe directeur, Ben Tauber, en een nieuwe missie.
‘Er daagt een nieuw bewustzijn in Silicon Valley. Mensen realiseren zich dat hun wereldse succes niet per se een betere wereld met zich meebrengt,’ zegt de 34-jarige Ben Tauber, voormalig productmanager van Google en adviseur voor start-ups. ‘De CEO’s hebben pijn in hun hart. Ze slapen slecht.’
Tauber heeft wel enige concurrentie in de omgeving. In mei begon de voormalige directeur van Juniper Networks, Scott Kriens, met de bouw van zijn eigen ‘tech- en soulcentrum’, genaamd 1440 Multiversity, dat in februari af moet zijn. Het doel van dit centrum is om ‘het besef te laten doordringen dat het enorme succes van het internet wel op grote schaal verbinding mogelijk heeft gemaakt, maar mensen niet heeft geholpen om met zichzelf in contact te komen.’
Maar er is waarschijnlijk genoeg zielenpijn om beide centra succesvol te laten worden. Tauber heeft de agenda van Esalen volgepland met sessies onder leiding van Silicon Valley-grootheden, en die raken snel volgeboekt. Zo zal Dave Morin, durfkapitalist en Facebookmedewerker van het eerste uur, een programma leiden over depressie en tech, voormalig Google-ethicus Tristan Harris [de ‘afkickexpert van Silicon Valley’, zie 360 nr. 112] leidt een weekend over internetverslaving en techfuturologen presenteren een conferentie over virtual reality en spiritualiteit. Buiten zijn laadpalen voor elektrische Tesla’s geïnstalleerd, en meestal staat daar een rij wachtenden voor. De sessies voor 2018 richten zich op mensen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van van virtual reality, kunstmatige intelligentie en sociale netwerken. ‘Ze vragen zich af of ze wel het goede doen voor de mensheid,’ zegt Tauber. ‘Zulke vragen kunnen we alleen achter gesloten deuren beantwoorden.’
Bakker en masseur
Zo’n drie uur rijden van San Francisco over Highway 1 naar het zuiden, voorbij honderden toeristen die stilstaan langs de kant van de weg, komt na een bocht Esalen in zicht. Er is ruimte voor honderdtwintig gasten, die in hutjes langs de ruige kust verblijven en vandaar naar de lessen, de warme baden en de eetzaal wandelen. De keuken is beroemd om zijn brood, vooral om het zuurdesem-roggebrood, dat dag en nacht als snack verkrijgbaar is met abrikozenspread en pindakaas. Dit is geen health spa.
In de bar schenkt men kombucha [een gezondheidsdrankje], kokoswater, wijn en bier. Op een avond zit hier een man op slippers en met warrig grijsblond haar achter een koude kombucha; het is de 47-jarige Bodhi Kalayjian, die in Big Sur woont. ‘Het gaat erom Silicon Valley weer in contact te brengen met zichzelf,’ zegt hij. ‘Iedereen heeft een ziel. Het gaat erom die te vinden.’
Kalayjian had in het verleden een leidinggevende positie bij Google, maar ‘na de beursgang werd het minder leuk,’ vertelt hij. Nu is hij bakker en masseur bij Esalen. ‘De oude hippies zijn geschiedenis geworden, maar waarom zou je de dingen willen houden zoals ze zijn? Zolang je je werk doet, zijn dingen altijd in verandering.’
‘Hier werp je je kleren en je remmingen af en blijft alleen de rauwe waarheid over’
Vanavond wordt Gopi Kallayil, de marketinggoeroe van Google, in Esalen verwacht voor een sessie genaamd ‘Connect to Your Inner-Net’. Maar kennelijk is hij te laat. Zijn assistenten zijn druk bezig alles klaar te zetten. ‘We moeten het zo neerzetten dat twee technici die tegenover elkaar zitten niet het gevoel hebben dat er te veel ruimte tussen hen is,’ zegt Jnanada Schalk, die vroeger Jennie heette en nu als vrijwilliger voor Kallayil werkt.
Dan komt Kallayil zelf binnen in een roze overhemd en met een grote Android-smartwatch om zijn pols. Hij kent Tauber nog uit de tijd dat ze allebei voor Google Plus werkten, het sociale netwerk van de zoekmachine. Hij laat de deelnemers plaatsnemen in een kring en zich aan elkaar voorstellen. Onder hen zijn een investeerder in gezondheidstechnologie, een productmanager, verscheidene softwarebouwers en -ontwikkelaars, een ondernemer die onlangs zijn maaltijdstart-up heeft verkocht, een verpleegkundige, een pleitbezorger voor sociale woningbouw en twee advocaten. Kallayil spreekt hen toe in de taal van Silicon Valley. ‘Wat brengt de technologie naar waar je inner net in beweging komt?’ vraagt hij. ‘Gelukkig hebben anderen de operating manual ontwikkeld.’
Kallayil vertelt dat veel mensen die bij hem komen een moeilijk jaar achter de rug hebben, en dat ook hijzelf de laatste tijd twijfels heeft over de impact van zijn werk. ‘Wat doet al deze technologie?’ zegt de marketinggoeroe, die ook workshops geeft bij 1440. ‘Beslissingen die wij nemen hebben invloed op meer dan een miljard mensen. Hier werp je je kleren en je remmingen af en blijft alleen de rauwe waarheid over.’
Het Inner-Net-schema is ontspannen ingevuld. Op het programma voor de volgende dag staan mindful wandelen, mindful eten, nadenken over de integratie van werk en leven, gevolgd door oefeningen in compassie, in zelfcompassie en tot slot yoga. Na het avondeten wordt er gewerkt aan kijken naar je leven zoals het is en zoals je wilt dat het is. Daarna gaat Kallayil voor in een chant-sessie. ‘Een van de portals die we gebruiken om de technologie voor het lichaam een topprestatie te laten leveren is muziek,’ zegt hij. ‘Sierra speelt op de fluit, Jennie op de viool.’
Elke ochtend begint met dance awake, een sessie met chakrameditatie en gitaarspel, waarbij de gasten van Esalen over de grote hardhouten vloer dansen. Beneden in de keuken vult Kallayils assistent een grote zak rozijnen die de deelnemers tijdens de meditatie kunnen eten. ‘Ik heb onlangs mijn start-up verkocht en had een plek nodig om na te denken,’ vertelt de 31-jarige Sam McBride uit Chicago. ‘Om weer perspectief te krijgen.’
De warme baden van Esalen zijn de hele dag prettig, maar ze staan vooral bekend om het schouwspel dat ze ’s nachts bieden, wanneer ze tussen 1 en 3 uur voor het publiek geopend zijn. Een weekendje met zijn tweeën in Esalen kan wel 2890 dollar kosten, dus wie een wat minder ruim budget heeft zoekt ergens in de omgeving goedkoop onderdak en komt dan na middernacht met zijn handdoek hierheen gewandeld. Het zandpad naar de baden leidt naar een betonnen gang en een kleedkamer. Nog een hoek om en je staat in het stikdonker, waar een overweldigende zwavellucht hangt. Zijn je ogen eenmaal gewend, dan zie je bij het licht van de sterren grote, dampende betonnen warmwaterbaden, eenpersoonsbaden op pootjes en enkele tientallen naakte lichamen. Hier mag niet gefotografeerd worden.
‘Ik had genoeg van mijn leven,’ zegt de 32-jarige Marina Kurikhina, die op een ranch in de buurt woont. ‘Vroeger werkte ik als vertegenwoordiger van Zuid-Amerikaanse kunst voor een galerie in Londen. Nu geef ik hier lessen creatief schilderen vanuit het onderbewuste.’ Volgens haar komen mensen naar Esalen ‘voor een transformatie’. Binnenkort wil ze op het terrein een gezondheidsbar openen met rauwe desserts, koudgeperste sappen en exclusieve koffiesoorten.
Nu het centrum zich op het gevoelsleven van topzakenlieden richt, is Esalen van plan om Gazebo, de kleuterschool die al veertig jaar op het terrein gevestigd is, te sluiten. ‘Dat was de ziel van het instituut Esalen – al die kindertjes en hoe zij zich zullen ontwikkelen,’ zegt Zoe Garcia, een gast die ook in de omgeving woont en al dertig jaar in Esalen komt.
Die sluiting is gedeeltelijk een teken van de demografische verandering in het gebied. Nu steeds meer huizen in Big Sur als tweede huis worden gekocht door topmensen uit de techwereld, zijn er niet veel jonge kinderen meer, dus het aantal kinderen op het schooltje was al van dertig naar vijftien geslonken, voordat het door de overstroming helemaal dicht ging. ‘Dat is ongelooflijk jammer,’ zegt Cortlan Robertson. Zijn dochter heeft vroeger op Gazebo gezeten en hij vertelt dat de bewoners van Big Sur hebben aangeboden om de voortzetting van de kleuterschool te financieren. ‘Ben zegt altijd: het is maar kinderopvang. Maar het was zoveel meer.’
Iedereen moet tien minuten een vreemde in de ogen kijken en in zichzelf zinnen herhalen als “deze persoon heeft gevoelens, net als ik”
De sluiting van Gazebo is ook tekenend voor een veranderende cultuur en nieuwe regels. ‘Vroeger konden we op het terrein topless rondlopen,’ vertelt Garcia. ‘Maar toen kwamen er meer conservatieve mensen, dus kwamen er nieuwe regels. Nu krijgen we mindfulness en technologie. Dus wie weet?’
De keus voor Tauber als directeur van een retraiteoord lag niet voor de hand. Hij was oprichter van Just Spotted, een app waarmee gebruikers in realtime beroemdheden konden volgen, en in 2011 nam Google hem en zijn team in dienst. Al snel daarna ging hij met vakantie naar Big Sur, en daar besefte hij dat zijn werk schadelijk was, zegt hij zelf. ‘Ik realiseerde me dat ik mensen verslaafd maakte aan hun telefoon. Ze komen in een crisis terecht: meedoen aan de enorme succescultuur en ondertussen vanbinnen doodgaan.’
Op een avond leerde hij in de warme bron een van de directieleden van Esalen kennen en die nodigde hem uit voor een evenement over verantwoord zakendoen. Tauber nam ontslag bij Google en begon voor zichzelf als coach voor start-upoprichters. Hij ontwikkelde de technologiestrategie van Esalen en werd in 2015 lid van de directie. Na de overstroming van afgelopen voorjaar slonk de Esalen-staf van 330 tot 50 medewerkers en nam Tauber de leiding over. Hij wil de programmering van het instituut afstemmen op de behoeften van topmensen uit het bedrijfsleven. ‘Hoe vergroten wij als organisatie onze impact? Door impact te hebben op de mensen met invloed.’
Zijn huis is een in de helling gebouwde halfronde constructie van hout en steen, die door de cipressen heen uitkijkt op het water. Voor een mooier uitzicht heeft hij de cipressen laten snoeien. Naast de sofa liggen een ukelele, een gebedsschaal en wat massagespullen. Bij de nog nagloeiende sintels van het vuur dat hij elke ochtend aansteekt, leest hij een boek over de geschiedenis van Esalen en een koffietafelboek over de Summer of Love.
Boven is de Inner-Net-klas bezig met een compassieoefening. Iedereen moet tien minuten een vreemde in de ogen kijken en in zichzelf zinnen herhalen als ‘deze persoon heeft gevoelens, net als ik’, ‘deze persoon heeft pijn en verdriet ervaren, net als ik’, ‘deze persoon zal sterven, net als ik’. Ze zijn blootsvoets. Sommigen hebben een ruwe deken om zich heen geslagen. De kunstdocente beneden heeft een ketel vol warme, schuimende paddenstoelendrank klaargemaakt.
Na de nimby’s heb je nu ook de yimby’s (yes, in my backyard). Deze snelgroeiende beweging van boze millennials eist dat er betaalbare woningen worden gebouwd. Oók als daarvoor een moestuintje moet sneuvelen.
Toen een vrouw deze zomer tijdens een gemeenteraadsvergadering van de stad Berkeley opstond en met een courgette zwaaide, terwijl ze klaagde dat haar moestuin door een nieuw woningbouwproject geen zonlicht meer zou krijgen, ging ze er waarschijnlijk van uit dat haar medeburgers aan haar kant zouden staan. Het waren tenslotte haar soort klachten – kleinschalig, zinnig, herkenbaar – die overal ter wereld jarenlang stedelijke woningbouwprojecten hadden tegengehouden.
De toorn van de yimby’s viel haar koud op haar dak. ‘Hebt u het over courgettes? Echt waar? Want ik kan mijn huur nauwelijks opbrengen,’ foeterde een verontwaardigde Victoria Fierce tijdens die vergadering op 13 juni. Fierce voegde eraan toe dat juist door het tekort aan nieuwe woningen de huren in San Francisco de pan uit rijzen, zodat ze het zich nauwelijks nog kan permitteren in de Bay Area te wonen.
Victoria Fierce leidt een afdeling van een nieuwe beweging die in tal van steden de kop opsteekt, van Seattle tot Sydney en van Austin tot Oxford, en die niet tégen nieuwbouw lobbyt maar ervóór. Ze zeggen dat hun leven wordt bedreigd door de woningnood en de torenhoge huurprijzen. Ze noemen zichzelf ‘yimby’s’, een afkorting van ‘yes, in my backyard’. En aan courgettes hebben ze maling.
Schreeuwen
De beweging teert op de woede van jongeren van de millenniumgeneratie, van wie velen nu achter in de twintig of begin dertig zijn. In plaats van lijdzaam te zwijgen terwijl ze uit alle macht betaalbare woonruimte proberen te vinden, bezoeken ze en masse inspraakbijeenkomsten om te betogen voor meer huisvesting – bij voorkeur het soort opvulprojecten in dichtbebouwde binnensteden waartegen dikwijls heftig werd geprotesteerd door nimby’s (‘not in my backyard’).
De geboorteplaats van de yimby-beweging, de San Francisco Bay Area, kent de hoogste huurprijzen van Amerika. Volgens schattingen van de staat Californië kwamen er tussen 2010 en 2013 circa 307.000 banen bij in het gebied, maar nog geen 40.000 nieuwe woningen. ‘Er is duidelijk een woningtekort, en het antwoord is nieuwbouw,’ zegt Lara Foote Clark, die leiding geeft aan het in San Francisco gevestigde Yimby Action. ‘Beleid dwing je af als je over dingen gaat schreeuwen.’
Clark en andere leden van yimby-bewegingen beschouwen zichzelf als progressief en milieubewust, maar ze zijn niet bang om af en toe de knuppel in het gebruikelijke linkse hoenderhok te gooien. Ze richten hun pijlen veelvuldig op eigenaren van ruimteslurpende eengezinswoningen en brengen antikapitalistische groeperingen in verwarring door de kant van projectontwikkelaars te kiezen, zelfs ontwikkelaars van luxeprojecten. Ze zijn een ‘klaag de buitenwijken aan’-campagne begonnen tegen steden die geen grote woningbouwprojecten goedkeuren.
Door hun bereidheid om te lobbyen voor vrijesectorwoningen in traditionele minderheidswijken zijn ze afgeschilderd als loopjongens van projectontwikkelaars. Ook heeft hun voorkeur voor vrijesectoroplossingen hun een reputatie opgeleverd van ‘libertariërs’ die uitgaan van het ‘economische doorsijpeleffect’ [een theorie die zegt dat belastingvoordeel voor de rijken uiteindelijk ten goede komt aan iedereen].
Tijdens een yimby-conferentie, afgelopen zomer in Oakland, werd geprotesteerd door Gay Shame, een radicale groep homoactivisten. Een stuk of tien van hen stonden buiten leuzen te roepen als ‘Homo’s vermoorden tech-yuppen’ en ‘Het is jullie achtertuin niet’. Maar van dat gescheld trekken de yimby’s zich niets aan. Na die gemeenteraadsvergadering in Berkeley hebben ze de courgette als mascotte voor hun woede gekozen. Ze maken online courgettegrappen, geven tips voor het kweken van courgettes in de schaduw en deelden zelfs een foto van een jager met een geweer op ‘de openingsdag van het courgetteseizoen’.
‘De reden van onze huidige woningnood is honderd procent politiek’
Sonja Trauss (35), een voormalige wiskundelerares die in San Francisco woont, zegt dat de woningnood waarmee veel grote westerse steden kampen niet financieel, technisch of het gevolg van materiële tekorten is. ‘De reden van onze huidige woningnood is honderd procent politiek’, schreef Trauss in 2015 in een bericht op internet, wat haar hielp een leger volgelingen op te bouwen die spreken tijdens inspraakbijeenkomsten, brieven sturen en online steun verwerven voor woningbouw.
Het idee verspreidde zich razendsnel. De yimby-beweging, die Trauss in 2013 startte als een brievenschrijfcampagne, heeft overal ter wereld navolging gevonden. In Oakland hielpen plaatselijke yimby-organisatoren om plannen goedgekeurd te krijgen voor een 24 verdiepingen hoge woontoren in de buurt van het metrostation MacArthur, waar alleen maar laagbouw stond. In Seattle hebben activisten het stadsbestuur er mede toe gedwongen dichtere bebouwing toe te staan in bepaalde wijken, zoals het University District.
In Vancouver organiseren yimby-groeperingen rondleidingen langs delen van de stad waar de meeste ruimte wordt verspild, zoals een chique wijk waar maar vierhonderd mensen wonen op 60 hectare. Engeland kent inmiddels groepen in Londen, Oxford en Cambridge die kijken hoe de overheid ertoe kan worden bewogen meer nieuwbouw toe te staan. In Australië proberen pas opgerichte yimby-groepen wetten te veranderen zodat mensen de vliering boven hun garage kunnen verhuren.
In Californië hebben yimby-activisten de Democraten geholpen om er een ingrijpend pakket nieuwe staatswetten door te drukken dat de bouw van betaalbare woningen mogelijk maakt. In San Francisco is zelfs een politieke yimby-partij opgericht; Sonja Trauss heeft zich voor 2018 kandidaat gesteld voor een plaats in de Raad van Toezichthouders van het gelijknamige district.
David Chiu zegt dat toen hij nog voorzitter was van de Raad van Toezicht van het district San Francisco, bewoners maar zelden voorstander waren van plaatselijke woningbouwprojecten. ‘De enige stemmen die we hoorden waren vaak van buren die ertegen waren,’ zegt Chiu, die dit jaar de steun van de yimby-beweging inriep om wetten voor betaalbare woningbouw goedgekeurd te krijgen. ‘Ik denk dat ze een nieuw tegenwicht bieden. Ze hebben de discussie in andere banen geleid, zowel op plaatselijk niveau als op staatsniveau.’
Yimby-groeperingen willen de behoefte aan auto’s verminderen door middel van geconcentreerde woningbouw in de buurt van het openbaar vervoer. Ze willen af van de weids opgezette buitenwijken. En vóór alles willen ze een plek om te wonen. Die eenvoudige roep om huisvesting kan in de praktijk allerlei complicaties met zich meebrengen. In de loopgraven van de lokale politiek kan elk gevecht om één enkel project in een genadeloze buurtoorlog ontaarden.
Nergens zijn deze gevechten verbitterder geweest dan in het Mission District in San Francisco, traditioneel een buurt met voornamelijk latino’s met lage inkomens, die zich in hoog tempo heeft ontwikkeld tot een enclave voor voornamelijk blanke, gefortuneerde werknemers van de techindustrie. Het gigantische aantal techbanen dat in San Francisco en het nabije Silicon Valley is gecreëerd heeft de huren in het Mission District opgedreven tot gemiddeld 4250 dollar per maand. Deels als gevolg van huisuitzettingen en het gebrek aan betaalbare woningen is het aantal latino’s in de wijk drastisch gedaald. Volgens een studie uit 2014 zullen tussen 2000 en 2020 meer dan tienduizend latino’s, oftewel eenderde van de Latijns-Amerikaanse bevolking van de Mission, uit de wijk verdwenen zijn.
Boze betogers
Boze betogers hebben gezworen de gentrificatie een halt toe te roepen door alle nieuwbouwprojecten tegen te houden die niet in een aanzienlijk aantal sociale huurwoningen voorzien. Yimby-groeperingen hebben onmiddellijk op deze discussie ingespeeld door te betogen dat elk nieuwbouwproject beter is dan helemaal geen project. Op 14 september hebben Trauss en andere yimby-activisten bij de Commissie Ruimtelijke Ordening van San Francisco gepleit voor plannen voor de bouw van een project van 75 woningen in de Mission die voornamelijk voor de vrije sector bestemd zullen zijn. Latinoactivisten protesteerden daartegen. ‘Van de woningen die zullen worden gebouwd, zal 89 procent buiten het inkomensbereik vallen van de overgrote meerderheid van de latinobevolking van het Mission District,’ zei Carlos Bocanegra van La Raza Centro Legal, een organisatie die rechtsbijstand aan latino’s verleent.
Maar Trauss wierp tegen dat niet bouwen geen antwoord op het woningtekort is. ‘Het honderdtal mensen met hogere inkomens dat niet in dit project gaat wonen als het niet wordt gebouwd, gaat ergens anders wonen,’ zei ze. ‘Ze zullen ergens anders iemand verjagen, want de vraag zal niet verdwijnen.’
Yimby-groeperingen hebben financiële steun ontvangen van oprichters van diverse hightechbedrijven, waaronder 10.000 dollar van Jeremy Stoppelman, medeoprichter van Yelp, en van het Open Philantropy Project, dat mede gefinancierd wordt door Dustin Moskovits, een van de oprichters van Facebook.
Deepa Varma, directeur van de Huurdersbond van San Francisco, zegt dat het frustrerend is geweest om latino’s die voor het behoud van hun buurt vochten, door een nieuwe groepering afgeschilderd te zien worden als nimby’s. ‘Ze hebben de zaak omgedraaid. Het zijn voornamelijk blanke, voornamelijk jonge, voornamelijk gezonde mensen die suggereren dat bewoners van arbeidersbuurten nimby’s zijn,’ zegt Varma.
Wat tegenstanders van gentrificatie ook irriteert, is dat yimby’s vaak lobbyen voor projecten die ver van hun bed zijn. ‘Het helpt om je buurt een tijdje te kennen voordat je besluit hem te veranderen,’ zegt Andy Blue, een activist van Plaza 16 Coalition, een groepering die de latinocultuur van de Mission probeert te behouden. ‘De mensen in de Mission voelen zich enorm geschoffeerd door die mensen die hun vertellen wat goed voor ze is.’
Volgens Young Invincibles, een onderzoeks- en advocatenkantoor in Washington, is de nettorijkdom van de millennials in de VS momenteel ongeveer half zo groot als die van de generatie van hun ouders – de babyboomers – in 1989, toen die ongeveer net zo oud waren. De typische millennial heeft voor ongeveer 29.000 dollar aan bezittingen verzameld, terwijl babyboomers in 1989 gemiddeld 61.000 dollar bezaten. ‘Ze verdienen minder, hebben meer studieschuld en komen moeilijker aan een koophuis,’ zegt Tom Allison, adjunct-directeur Beleid en Onderzoek van Young Invincibles. Maar hij voegt eraan toe dat ze meer dan andere generaties bereid zijn om de wereld te veranderen. ‘Deze generatie is veerkrachtig. Ze reageren op tegenslagen door dingen te veranderen. Dat is de zonnige kant van het verhaal.’
Greg Magofna (33), een werknemer van een non-profitorganisatie, is opgegroeid in de lommerrijke stad Alameda in de East Bay. Hij heeft zijn eigen yimby-afdeling opgericht in zijn geboortestad, omdat hij financieel het hoofd bijna niet meer boven water kon houden. Hij heeft het geluk dat de instanties in Berkeley erop toezien dat de huur van zijn minuscule appartementje van 28 vierkante meter beperkt blijft tot 1200 dollar per maand. Maar hij kan zich nog steeds geen auto permitteren en zijn fietsen, koelkast, ketel en lievelingsstoel vechten om ruimte langs één overvolle muur van zijn woning. ‘Er is een generatiekloof. Veel mensen van de oudere generatie zien niet in dat de wereld veranderd is,’ zegt hij, om eraan toe te voegen dat het nogal confronterend kan zijn voor yimby’s om naar een openbare bijeenkomst te gaan waar tegenstanders hen voor gentrificeerders of erger uitmaken. ‘De wereld verandert en er is veel om boos over te zijn,’ zegt hij. ‘De yimby’s zeggen: “Wij kunnen er wat aan doen.”’
Auteur: Erin McCormick
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
CONTEXT: Yimby’s in drie soorten
Niet alle groepen die zich achter het vaandel van ‘yimby’ scharen (of die daar door de media toe worden gerekend) lijken op elkaar. Sommige lopen te hoop tegen ongelijkheid tussen de generaties, terwijl andere zich bezighouden met het lot van de meest kwetsbaren, los van hun leeftijd. Sommige richten zich vooral op de volkshuisvesting, andere willen op een breder front de problemen van de jeugd aanpakken.
Lobbyisten. Generation Squeeze (de ‘Uitgeperste Generatie’) wil ‘de problemen van de millennials (de generatie geboren tussen begin jaren tachtig en medio jaren negentig) onder de aandacht van de politiek brengen’, zo legt The Toronto Star uit. De oprichter van de beweging, Paul Kershaw, is lector aan de Universiteit van Brits-Columbia. Geïnspireerd door diens werk over de ongelijkheid tussen de generaties, wil Generation Squeeze vooral opkomen voor de belangen van de generatie onder de veertig op het gebied van huisvesting, maar ook met betrekking tot salaris, openbaar vervoer en kinderopvang. In 2015 was de beweging vooral bezig op Twitter om, onder de hashtag #donthaveonemillion, de exorbitant hoge huizenprijzen in Vancouver aan de kaak te stellen.
Altruïsten.
‘Praten over manieren om wonen betaalbaarder te maken spoort mensen er niet noodzakelijkerwijs toe aan om maatregelen te steunen die de bouw stimuleren’, schrijft The Atlantic. Volgens het blad is de beweging voor betere huisvesting niet louter een optelsom van de individuele klachten van jongere werknemers die zich druk maken om hun eigen toekomst. Het gaat ook om het streven naar sociale rechtvaardigheid. Het blad citeert Clayton Nall, een politicoloog aan de Stanford-universiteit, die stelt dat er ‘een sterk verband is tussen mensen die menen dat de rijken zwaarder belast moeten worden, en mensen die streven naar voor iedereen betaalbare huisvesting’.
Deze progressieve filosofie ligt bijvoorbeeld ten grondslag aan het project A Place for You, dat wordt uitgevoerd door Multnomah County in de Amerikaanse staat Oregon, waaronder de stad Portland valt. Het project financiert de bouw van kleine zelfstandige woningen op het terrein van een handvol grondbezitters, die zich vrijwillig hebben aangemeld. Die moeten in ruil daarvoor een dakloos gezin (doorgaans een eenoudergezin) vijf jaar lang gratis huisvesten, meldt de plaatselijke website Willamette Week. Als het project aanslaat, zal het worden uitgebreid.
Festivalgangers. Yimby Town in Oakland (Californië), het Yimby Festival in Toronto en zelfs Yimby Con in de Finse hoofdstad Helsinki: de laatste jaren wemelt het van bijeenkomsten waar de schaarste aan betaalbare huisvesting centraal staat, met inbegrip van manieren om daar een einde aan te maken. Zoals de website Citylab meldt, trok de tweede versie van Yimby Town (de eerste werd in 2016 georganiseerd in Boulder in Colorado) in de voorbije zomer ‘honderden deelnemers uit alle landen, onder wie onderzoekers, mensen van techbedrijven en zelfs leden van de Senaat van Californië, die debatteerden over de politiek achter en de oplossingen voor de huidige crisis in de volkshuisvesting.
‘De term nymby wordt steeds vaker in ongunstige zin gebruikt’
CONTEXT: ‘Niet in mijn achtertuin’
Het acroniem ‘nimby’ (voor: not in my backyard – letterlijk: niet in mijn achtertuin) wordt in de Angelsaksische wereld gebezigd ter aanduiding van een bewonersgroep die wordt gevormd om een woningbouw- of infrastructuurproject tegen te houden. Zoals het Amerikaanse weekblad The Atlantic onderstreept wordt de term steeds vaker in ongunstige zin gebruikt om groepen aan te duiden die het erom te doen is ‘de waarde van vastgoedbezittingen hoog te houden, maar ook om via de huisvesting de scheiding tussen inwonersgroepen in stand te houden’ (bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat scholen in de buurt uitsluitend door kinderen uit eenzelfde milieu worden bezocht).
Het letterwoord ‘yimby’ (voor: yes in my backyard) wordt gebruikt voor een nieuw soort actievoerders, die proberen een einde te maken aan wat zij beschouwen als plaatselijke vormen van egoïsme. Sommige schrijvers over het onderwerp zien desalniettemin positieve kanten aan bepaalde vormen van protest die als nimby worden bestempeld. In haar boek This Changes Everything: Capitalism vs The Climate (in het Nederlands verschenen onder de titel No Time: verander nu voordat het klimaat alles verandert) ziet de Canadese journaliste Naomi Klein lokale protestbewegingen tegen grote infrastructurele projecten die als een gevaar voor het milieu worden beschouwd ‘niet als een nimby-achtige uitdrukking van verontwaardiging, maar als een absoluut moreel gebod’, benadrukt de Canadese krant The Globe and Mail (Toronto).
Groepswoningen zijn niks nieuws. Maar in dure steden als New York en San Francisco gaan er intussen miljoenen in om.
Vlak achter de voordeur van Euclid Manor ligt een berg schoenen. De eigenaars wonen verspreid over het huis van 580 m2 in Oakland, Californië. Er komt muziek uit de keuken waar Sarah Cabell en Kailey-Jean Clark, twee van de permanente bewoners, een maaltijd bereiden voor ongeveer vijfentwintig mensen – huisgenoten en vrienden.
Op het eerste gezicht ziet Euclid Manor er niet veel anders uit dan ieder ander huis dat door vrienden wordt gedeeld. Maar als je beter kijkt, vallen een paar dingen op. Op een deur tegenover de ingang hangt een bordje waarop staat: ‘Alleen voor bewoners’. De ingang zelf heeft twee bordjes met instructies voor iedereen om af te sluiten bij aankomst en vertrek. De reden: Euclid Manor is een groepswoning, oftewel een woongemeenschap.
Met de bevroren lonen en de pan uit rijzende huren kiezen steeds meer jonge mensen in New York, San Francisco en andere populaire (lees ‘dure’) steden ervoor om samen een huis te betrekken. Het aantal mensen van tussen de 18 en 35 met huisgenoten is sinds 1980 verdubbeld. Jonge mensen hebben altijd wel huisgenoten gehad, vooral in slechte tijden. Maar deze keer is het anders. Een nieuwe generatie bedrijven die zich op het groepswonen heeft gestort probeert daarvan een miljoenenzaak te maken.
Euclid Manor maakt deel uit van OpenDoor, een groepswoningbedrijf opgericht door Jay Standish, 31, en Ben Provan, 32. Het duo runt drie groepswoningen: Canopy (520 m2) voor twaalf mensen, Farmhouse (560 m2) voor zestien mensen en Euclid Manor, waar ze vorig jaar juli in zijn getrokken. Euclid Manor telt nu acht permanente bewoners, en dat zullen er uiteindelijk tien worden.
De huizen zijn autonoom, Provan en Standish bemoeien zich indien nodig alleen met conflicten. Idealiter zouden de huizen ‘zelfsturende, onafhankelijke organismes’ moeten zijn waarbij bewoners allerlei taken en rollen op zich nemen.
‘Deel uitmaken van een woongroep is net zoiets als deel uitmaken van een relatie. Daarvoor moet je moeite doen, goed communiceren en proactief zijn,’ vertelt Standish. ‘Er zitten veel voordelen aan die levensstijl. Wie wil er nu alleen leven?’
In twee woongemeenschappen in Brooklyn, die worden gerund door Common, een ander groepswoningbedrijf, worden de huishoudelijke taken, zoals het kopen van toiletpapier en meubelen en het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimtes, door het bedrijf geregeld.
Brad Hargreaves, 29, kreeg het idee voor Common toen hij leiding gaf aan General Assembly, een mondiaal educatiebedrijf. Studenten en docenten van GA deelden vaak een woning in dure steden als New York, San Francisco en Los Angeles, maar hun huizen waren niet ontworpen als groepswoning.
Groepswoningbedrijven zoals Common, OpenDoor en Pure House willen daar verandering in aanbrengen. ‘Het grootste misverstand met betrekking tot groepswonen is dat mensen denken dat het een totaal waanzinnig nieuw idee is. Dat is het niet. Mensen wonen al heel lang met anderen in één huis. Zo wonen veel mensen in de stad,’ aldus Hargreaves. ‘Het enige wat we doen is deze manier van wonen verbeteren, iets ontwerpen voor wat mensen eigenlijk al doen.’
Ook de insolvabel geachte vastgoedmakelaar WeWork probeert een voet aan de grond te krijgen bij het groepswonen. De huisbaas van een nieuwe generatie van tech-start-ups (en het kantoor van The Guardian in New York) hoopt zijn geschatte waarde van 16 miljard dollar te rechtvaardigen door groot te worden in het groepswonen met behulp van WeLive. Hun concept – zeg maar ‘studentenhuis 2.0’ – is om ruimte te huren van een huisbaas, die te verbouwen tot eenvoudige slaapkamers met een gemeenschappelijk ruimte – om een gemeenschapsgevoel te kweken – en deze op maandelijkse basis te verhuren aan leden.
Vorig jaar lekte online een presentatie voor beleggers uit waarin werd geschat dat in 2018 WeLive 16 miljoen dollar binnengehaald zou hebben en begin dit jaar bevestigde Adam Neumann, oprichter van WeWork, tegen The Guardian dat hij verwacht dat WeLive zo’n 34.000 leden zal hebben.
WeWork wilde geen commentaar geven bij dit verhaal, behalve dat ze ‘net begonnen zijn aan een bètatest van een nieuw, op woongroepen gebaseerd woonconcept in New York City’ en nu de feedback uit de woongroep verzamelt. De eerste groepswoning, waar ongeveer 80 werknemers en leden van WeWork wonen in 45 appartementen, is gevestigd op Wall Street 110 en zal naar verwachting 600 mensen huisvesten, verspreid over 20 verdiepingen.
Voor sommigen doen dat soort getallen en die eenvoudige kamers denken een studentenhuizen voor volwassenen, maar zij die in een woongroep hebben gewoond vinden dat niet het juiste etiket. Het woord studentenhuis heeft ‘een negatieve connotatie als je de twintig bent gepasseerd’, zegt Ash, 28, die in het tweede gebouw van Common in Brooklyn woont. Het huis waarin hij woont – met tien slaapkamers, vanaf 1500 dollar per maand – lijkt helemaal niet op een studentenhuis, vindt hij. ‘Het is alsof je in een gebouw komt te wonen waarvan je al weet dat de mensen er aardig zijn. Vroeger kwam je in een gewoon appartementsgebouw en kreeg je die vervelende periode waarin je moest rondlopen en de deuren langs moest om mensen te ontmoeten en vrienden te maken,’ zegt hij. ‘Hier hoeft dat allemaal niet. Je houdt nog wel je privacy en je eigen appartement, maar je bent van het probleem verlost hoe je in een grote stad mensen kan leren kennen.’
De groepswoningen zijn geen feesthuizen en worden niet alleen maar bewoond door IT-ondernemers en computerprogrammeurs. Ash werkte vroeger op booreilanden in de Golf van Mexico tot de olieprijs inzakte en hij werd ontslagen. Nu zit hij in de vezeloptica.
‘Als ik naar ons ledenbestand kijk heeft minsten 80 procent fulltime banen in New York City,’ zegt Hargreaves. ‘Het zijn meestal geen mensen die vanuit huis werken.’
Commons volgende project in Williamsburg, Brooklyn, bestaat uit vier gebouwen van vier verdiepingen die met elkaar verbonden zijn en zo 2000 m2 woonruimte creëren met 51 slaapkamers. De meeste appartementen zullen bestaan uit vier slaapkamers, twee badkamers en een woonkeuken. De leden hebben ook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes in de kelder en op het dak. Het project gaat later dit voorjaar van start met slaapkamers van 1800 dollar per maand voor minimaal twaalf maanden.
Gedifferentieerde prijzen zullen er zijn voor verblijven van zes of drie maanden of zelfs van één maand. Of het gemeenschapsgevoel en de vriendschappelijke sfeer in zo’n groot gebouw gekopieerd kunnen worden, valt nog te bezien.
Onverzadigbare vraag
Met de onverzadigbare vraag naar woonruimte in gebieden als New York en San Francisco, kan schaalvergroting verleidelijk zijn. ‘We zien een enorme vraag,’ vertelt Hargreaves, en hij wijst erop dat Common ‘tot nu toe meer dan tweehonderd aanvragen heeft ontvangen voor de eerste dertig plekken’.
Toch waarschuwt hij dat groepswoningbedrijven die te snel groeien, daar risico mee lopen. Het nu ter ziele Campus bijvoorbeeld – een van de eerste groepswoningstart-ups die volgens Hargreaves ‘veel agressiever groeide’. Campus sloot in augustus 2015 zijn dertig groepswoningen waardoor in New York en San Francisco honderdvijftig mensen een nieuw onderkomen moesten zoeken. Tom Currier, de oprichter van Campus, schreef in een bericht op de website van het bedrijf dat hij ‘van Campus geen economisch levensvatbaar bedrijf kon maken’.
Met behulp van investeerders en projectontwikkelaars die hopen een voet aan de grond te krijgen in de groepswoningmarkt proberen sommige van de groepswoningbedrijven hun businessmodel te perfectioneren en aan te passen. Common haalde vorig jaar zomer 7,35 miljoen dollar binnen om uit te breiden. Bij Euclid Manor werken de oprichters van OpenDoor ook met investeerders.
‘We zijn twee jaar bezig geweest met het perfectioneren van het model en het verbeteren van ons trackrecord,’ aldus Standish. ‘We weten nu goed hoe groepswonen in de praktijk werkt. We kunnen overleggen met projectontwikkelaars en hen adviseren over praktische details van een gebouw omdat wij weten hoe het werkt.’ In de toekomst willen de oprichters van OpenDoor al vanaf de start van een nieuw project samenwerken met projectontwikkelaars – vergelijkbaar met de manier waarop Common dat heeft gedaan bij de locatie met 51 slaapkamers in Williamsburg.
‘Dan kun je de indeling van het gebouw helemaal afstemmen op het groepswonen,’ legt Provan uit. ‘Als je bestaande gebouwen gebruikt, is de indeling niet echt geschikt en moet je die achteraf aanpassen aan het groepswonen. Voordat in Euclid Manor groepswoningen kwamen, was het een B&B. Iedere kamer heeft zijn eigen sfeer en weerspiegelt de persoonlijkheid van de bewoner.’
Alles wat meer woningen oplevert in een ontzettend krappe woningmarkt is goed
Groepswonen is nu zo populair, de rente staat zo laag en de huren zijn zo hoog – al die factoren lijken gunstig voor nieuwe huisbazen. Maar zal door alle concurrentie en de hype eromheen niet een nieuwe bubbel op de huizenmarkt ontstaan?
Hoe meer bedrijven zich gaan bezighouden met groepswoningen, hoe beter, vindt Provan, want verschillende gebouwen en verschillende bijbehorende diensten trekken verschillende groepen mensen aan.
‘Ik maak me geen zorgen [over concurrentie],’ zegt ook Hargreaves. ‘Alles wat meer woningen oplevert in een ontzettend krappe woningmarkt is goed. De enige manier waarop we elkaar als concurrenten kunnen benadelen is door zo veel woningen op de markt te brengen dat we uit concurrentieoverwegingen gedwongen zijn om onze prijzen te verlagen. En als dat het effect is van de inspanningen van Common en WeWork, gaan de kosten voor het levensonderhoud in New York City omlaag. Dat zou toch te gek zijn?’ voegt hij er met een grijns aan toe.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.