Tag: schade

  • Taiwan schrikt op van zwaarste aardbeving in 25 jaar

    Taiwan schrikt op van zwaarste aardbeving in 25 jaar

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Franse politie doet onderzoek naar mysterieuze verdwijning kleuter

    » Woede na dodelijke Israëlische aanval op hulpverleners

    Zeker vier personen kwamen om het leven

    Een aardbeving met een kracht van 7.2 heeft Taiwan woensdag op zijn grondvesten doen schudden. Het is de sterkste beving die het eiland in minstens 25 jaar heeft getroffen, zo meldt de BBC. Minstens vier personen zijn om het leven gekomen en tientallen mensen gewond zijn geraakt. Ook is een tsunami-waarschuwing voor het zuiden van Japan en de Filipijnen afgekondigd.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Volgens de Taiwanese autoriteiten zijn zeker drie personen omgekomen door een lawine in de bergachtige, dunbevolkte oostelijke provincie Hualien, waar het epicentrum lag. Minstens 26 gebouwen zijn ingestort, meer dan de helft in Hualien, waar de beving net voor de kust rond 8 uur ’s ochtends plaatsvond toen mensen naar hun werk en school gingen.

    Het Japanse weerbureau zei dat verschillende kleine tsunami’s delen van de zuidelijke prefectuur Okinawa hadden geraakt. Het kantoor schatte de kracht van de aardbeving op 7,7. Het Filipijnse seismologisch bureau gaf ook een waarschuwing uit voor inwoners van kustgebieden in verschillende provincies en drong er bij hen op aan om naar hoger gelegen gebieden te evacueren.

  • Duizenden aangespoelde dolfijnen door oorlog Oekraïne, aldus wetenschappers

    Duizenden aangespoelde dolfijnen door oorlog Oekraïne, aldus wetenschappers

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Soedan: na drie jaar nog geen gerechtigheid voor slachtoffers politiegeweld

    » Onderzoek: steeds minder besneeuwde bergtoppen in Alpen

    Gevechten langs Oekraïense kustlijn zorgen voor milieuschade

    De duizenden aangespoelde dolfijnen op de kusten van de Dode Zee zijn waarschijnlijk het gevolg van de oorlog in Oekraïne, zo meldt The New York Times. De gevechten langs de Oekraïense kustlijn hebben onnoemelijke milieuschade aangericht en hebben de habitat van de dolfijnen verstoord, aldus wetenschappers.

    Recente studies uit Bulgarije, Turkije en Oekraïne tonen aan dat door de oorlog de biodiversiteit in zee in toenemende mate wordt bedreigd: er vallen bommen in voedselrijke gebieden aan de kust, olie lekt uit gezonken schepen, en uit de rivieren stroomt water naar zee dat vervuild is door chemicaliën die in munitie worden gebruikt.

    Ivan Roesev, een milieuwetenschapper verbonden aan het nationaal park Toezly in Oekraïne, zei dat uit gegevens die sinds het begin van de oorlog door zijn organisatie zijn verzameld, blijkt dat enkele duizenden dolfijnen zijn gedood. Volgens Roesev kunnen het toegenomen lawaai van schepen en het gebruik van krachtige sonarsystemen ook de dolfijnen desoriënteren, die geluid gebruiken om te navigeren. ‘Sommige dolfijnen hadden brandwonden van bom- of mijnexplosies en konden niet meer navigeren en natuurlijk ook niet meer naar voedsel zoeken’, schrijft Roesev.

    Voor de oorlog lag het aantal dolfijnen in de Zwarte Zee op 253.000

    Ook de Turkse organisatie voor zeeonderzoek meldt ‘een uitzonderlijke toename’ van dode dolfijnen die aanspoelen aan de Turkse kust.

    De Russische marine domineert de Zwarte Zee voor de kust van Oekraïne en heeft een blokkade opgelegd aan alle Oekraïense scheepvaart. Daardoor is het onmogelijk om gedetailleerde wetenschappelijke informatie te verzamelen, zodat de massale dolfijnensterfte vooralsnog een mysterie blijft.

    Vóór de oorlog hebben honderd wetenschappers van een internationale verdragsgroep voor het behoud van walvisachtigen met behulp van tien vliegtuigen en zes schepen onderzoek gedaan naar het zeeleven in de Zwarte Zee en het Middellandse Zeegebied. Zij stelden vast dat de Zwarte Zee meer dan 253.000 dolfijnen herbergde, een gezond aantal, dat volgens de wetenschappers een positieve ecologische indicator was van het totale ecosysteem. Het valt nu echter nog te bezien wat de uiteindelijke tol van de oorlog zal zijn voor dolfijnen en ander zeeleven.

    Lees ook:

  • Wat gaat de wederopbouw van Oekraïne kosten – en kan het land er beter van worden?

    Wat gaat de wederopbouw van Oekraïne kosten – en kan het land er beter van worden?

    Hoe langer de oorlog duurt, hoe meer schade er wordt aangericht en hoe moeilijker het herstel wordt. ‘Toetreding tot de EU zou kunnen bijdragen aan het slagen van de wederopbouw.’

    Na afloop van die verschrikkelijke oorlog was het land totaal verwoest. Luchtaanvallen hadden de industriële infrastructuur in puin gelegd en de grote steden waren platgebombardeerd, ten koste van veel mensenlevens. Russische soldaten hadden het oosten bezet en joegen met hun geweld miljoenen op de vlucht. Maar de economie van West-Duitsland beleefde na 1945 een wonderbaarlijk herstel – het wordt niet voor niets het wirtschaftswunder genoemd.

    De vergelijking gaat in veel opzichten mank. Oekraïne was niet de aanstichter van de oorlog waardoor het momenteel wordt verwoest. Het kan nog als overwinnaar uit deze strijd komen, en zelfs als dat niet lukt zal het niet zo volledig in puin liggen als Duitsland destijds. Maar de wederopbouw wordt wel een enorme klus. De door Poetin ontketende oorlog heeft niet alleen al duizenden levens gekost en miljoenen mensen op de vlucht gedreven (7,1 miljoen binnen Oekraïne, 4,6 miljoen naar het buitenland), maar ook geleid tot de vernietiging van woningen en ziekenhuizen, havens en bruggen. En aangezien het eind van de gevechten nog niet in zicht lijkt, zal die verwoesting voorlopig doorgaan.

    De elektriciteitsconsumptie, een graadmeter voor economische activiteit, ligt ongeveer een derde lager dan vorig jaar

    Het Centre for Economic Policy Research (CEPR), een netwerk van economen, schat op basis van gegevens over de schade aan onroerend goed, cijfers over de kapitaalkracht van het land en historische vergelijkingen dat de totale kosten van de wederopbouw tussen de 200 en 500 miljard euro zullen bedragen. Het hoogste bedrag is ruim drie keer zo hoog als het bbp van Oekraïne voor de oorlog, het laagste ongeveer viermaal zoveel als het jaarlijkse EU-budget voor internationale hulp.

    Hoe langer de oorlog duurt, hoe hoger de schade oploopt en hoe verder de voor het herstel vereiste economische veerkracht wordt uitgehold door de krimp van de economie. De elektriciteitsconsumptie, een redelijk betrouwbare graadmeter voor economische activiteit, ligt ongeveer een derde lager dan vorig jaar.

    Productie stopgezet

    De denktank Vienna Institute for International Economic Studies (WIIW) schat dat de direct door de oorlog getroffen regio’s samen goed zijn voor zo’n 29 procent van de Oekraïense productie, en dat de economische activiteit daar min of meer tot stilstand is gekomen. Volgens een rapport van de Oekraïense centrale bank heeft 30 procent van de bedrijven in het land de productie volledig stopgezet en heeft nog eens 45 procent zijn productie verlaagd. De Wereldbank gaat ervan uit dat het bbp dit jaar met 45 procent krimpt.

    Dat wordt een enorme uitdaging. Maar de manier waarop de wederopbouw straks vorm krijgt en de hervormingen die daarbij komen kijken zijn net zo belangrijk als de hoeveelheid geld die ermee gemoeid is. In principe kan met dat geld meer worden gedaan dan alleen het herstellen van de Oekraïense staat zoals die voor de oorlog was. En dat zou mooi zijn, want die staat functioneerde slecht en kende veel corruptie. Maar om ervoor te zorgen dat de wederopbouw Oekraïne een meer open en dynamische economie oplevert, moet er nog veel veranderen.

    Het begrotingstekort alleen al voor maart bedraagt 2,5 miljard euro

    Op dit moment probeert de regering vooral te redden wat er te redden valt. Met ruim zes miljard euro aan leningen en financiële hulp uit het Westen houden ze het hoofd nu ternauwernood boven water. In een interview voor Financial Times zei de Oekraïense minister van Financiën dat het begrotingstekort alleen al voor maart 2,5 miljard euro zal bedragen, en voor april en mei voorzag hij maandelijkse tekorten van 4,5 tot 6,5 miljard.

    Desondanks krijgen verschillende sectoren van de economie overheidssteun. De boeren krijgen 20 miljard hryvnia (625 miljoen euro) voor de inkoop van zaden en andere productiemiddelen voor het huidige seizoen. Fabrikanten kunnen steun aanvragen voor de verhuizing van hun fabriek binnen het land. En omdat Rusland de belangrijkste exportroute via de Zwarte Zee blokkeert, werkt de regering met de EU aan verbetering van het handelsverkeer over land.

    Hoe dan ook zal de economie na de oorlog flink gekrompen zijn, terwijl het land wel voor grote uitdagingen komt te staan. Zo zullen her en der landmijnen en andere explosieven geruimd moeten worden. Al voor de invasie van 24 februari had het Oekraïense ministerie van Defensie becijferd dat het 650 miljoen euro zou kosten om de in 2014 door Rusland binnengevallen Donbas-regio mijnenvrij te maken. Dat bedrag zal nu natuurlijk nog veel hoger uitvallen, maar de baten van het ruimen van de mijnen zijn ook aanzienlijk.

    Rijk aan landbouwgrond

    Oekraïne is rijk aan landbouwgrond en waarschijnlijk wel in staat om zijn mensen van voedsel te voorzien. Onderdak is een ander verhaal. Een door de Kyiv School of Economics ontwikkelde teller voor de schade aan vernietigde woningen staat inmiddels al bijna op 27 miljard euro. Herstel van de infrastructuur en industriële faciliteiten zal nog meer kosten, evenals de problemen die worden veroorzaakt door de terugval in productie, gebrek aan onderhoud en het wegvallen van investeringen in het vastgoed dat de oorlog doorstaat.

    In een studie van het WIIW uit 2020 werd geconcludeerd dat dit type waardevermindering na de invasie van de Donbas 60 procent uitmaakte van de in totaal op 8 miljard euro geschatte verliezen aan infrastructuur als gevolg van die oorlog. Als je een navenant percentage optelt bij de door de Kyiv School of Economics geschatte 46 miljard euro aan schade als gevolg van de huidige verwoesting van energiecentrales, fabrieken, bruggen en wegen, lijkt de Oekraïense premier Denys Sjmyhal er ineens niet meer zo ver naast te zitten met zijn recente schatting van 110 miljard euro als de totale kosten van de wederopbouw.

    De regering heeft al een herstelfonds opgezet en de ministeries komen met voorstellen over wat er hersteld moet worden. Maar met de gekrompen economie en de enorme schuldenlast die de regering al heeft zal het geld daarvoor voornamelijk van buiten moeten komen. Van diverse kanten, ook door het hoofd van de centrale bank, is geopperd om bevroren Russische tegoeden hiervoor in te zetten. Verder zal het moeten komen van westerse regeringen, internationale organisaties en private investeerders. 

    Het probleem is dat de Oekraïense economie heel lang door boeven is gedomineerd. De OESO denkt dat Oekraïne met zijn procedures voor aanbestedingen sinds 2014 wel meer concurrentie mogelijk maakt, maar helemaal koosjer gaat het er nog niet aan toe. Het IMF heeft er herhaaldelijk (vorig jaar nog) op aangedrongen dat de regering meer werk maakt van de rechtsstaat en de corruptiebestrijding. En bij zo’n wederopbouw zal het om veel grotere aanbestedingen gaan. Het CEPR heeft raamovereenkomsten aangeraden, langdurige contracten waarin bedrijven beloven de overheid een bepaald product voor een vaste prijs te leveren, zodat het voor zowel de centrale als gemeentelijke overheden makkelijker wordt om op betrouwbare en transparante wijze zaken in te kopen.

    Economische achterstand

    Allicht bestaat er zorg over waar het wederopbouwgeld straks terechtkomt, want de economische achterstand van het land is groot. In 2019 was het bbp per hoofd van de bevolking lager dan in elk van de 27 EU-lidstaten: nog niet de helft van dat in Bulgarije, nog geen kwart van dat in Polen. Omgerekend was het zelfs lager dan bij de val van de Sovjet-Unie – een ontluisterende blijk van het langdurig achterwege blijven van hervormingen (al speelde de oorlog in Donbas ook een rol). Veel van de 1500 staatsbedrijven in Oekraïne zijn nauwelijks winstgevend of maken verlies. Om van de wederopbouw een succes te maken wordt politieke steun voor moeilijke hervormingen van cruciaal belang. Het kan helpen dat de regering het als een kans ziet om de economie moderner en concurrerender te maken, met goedkopere en groenere energie en meer ICT.

    In de vijftien jaar na de Poolse EU-toetreding is het Poolse bbp per hoofd van de bevolking met meer dan 80 procent gestegen

    Het verleden leert dat verdere integratie met Europa kan bijdragen aan het welslagen van een wederopbouw. Dat bleek jaren geleden in West-Duitsland, en ook de snelle groei van Polen wordt vaak aan die integratie toegeschreven: in de vijftien jaar na de Poolse EU-toetreding in 2004, een periode waarin het land meer dan 160 miljard euro aan steun ontving, is het Poolse bbp per hoofd van de bevolking met meer dan 80 procent gestegen.

    Oekraïne was al in toenemende mate op het Westen gericht. Het aandeel van de export dat naar de EU ging steeg van zo’n 30 procent in 2014 naar 36 procent in 2020, terwijl het aandeel Russische export daalde van 18 naar 5,5 procent. Hervormingen kun je stimuleren door ze tot voorwaarde te maken van verdere integratie in Europese markten en toeleveringsketens – op het pad naar EU-lidmaatschap bijvoorbeeld. ‘Het mooie van toelating [tot de EU] is dat het binnen de Oekraïne een consensus zou opleveren over het eindpunt van een pijnlijk hervormingsproces en zo de richting van de hervormingen zou borgen,’ stelt Beata Javorcik van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling.

    Dat zal allemaal niet makkelijk worden. Voor de hervorming van vastgeroeste instellingen moet de politieke wil aanwezig zijn. Hoe langer de oorlog duurt, hoe meer schade er wordt aangericht en hoe moeilijker de wederopbouw wordt. En alle geld ter wereld kan het oorlogsleed niet goedmaken. Maar al lijkt Oekraïne nu een onwaarschijnlijke kandidaat voor een wirtschaftswunder, als de wederopbouw verstandig wordt gepland en uitgevoerd, kan het land daarmee een betere en robuustere toekomst tegemoetzien.

  • Dit Nigeriaanse dorp daagde Shell voor de rechter en won

    Dit Nigeriaanse dorp daagde Shell voor de rechter en won

    De wijdverbreide en systematische olievervuiling in Nigeria is een schrijnend voorbeeld van de straffeloosheid van multinationals. Boosdoener Shell achtte zich niet verantwoordelijk voor tekortkomingen van haar Nigeriaanse dochterbedrijf. Maar het Britse hooggerechtshof oordeelde anders.

    Op 12 februari 2021 oordeelde het Britse hooggerechtshof dat de Brits-Nederlandse oliegigant Shell voor de Engelse rechter kan worden gedaagd door twee Nigeriaanse gemeenschappen die decennialang ernstige schade hebben geleden door olievervuiling. De uitspraak is een mijlpaal in de strijd voor de verantwoordingsplicht van multinationals. Het hooggerechtshof heeft nu, zowel in de zaak Okpabi versus Shell als in zijn eerdere uitspraak in 2019 in de zaak Lungowe versus Vedanta, unaniem bepaald dat moedermaatschappijen juridisch aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schade die door hun buitenlandse dochters is aangericht. Het vergde jaren van procederen om tot dit punt te komen.

    Klimaatzaak tegen Shell

    Een rechtbank in Den Haag heeft op woensdag 26 mei Royal Dutch Shell bevolen om haar wereldwijde CO2-uitstoot tegen eind 2030 met 45 procent te verminderen ten opzichte van het niveau van 2019, in een baanbrekende zaak die was aangespannen door Milieudefensie en meer dan 17.000 mede-eisers.

    Het duurzaamheidsbeleid van de oliegigant werd door de Nederlandse rechtbank onvoldoende ‘concreet’ bevonden in een ongekende uitspraak, die verstrekkende gevolgen zal hebben voor de energie-industrie en andere vervuilende multinationals, schrijft The Guardian.

    Shell, dat zegt tegen het vonnis in beroep te zullen gaan, was volgens de Carbon Majors-database in de periode 1988-2015 de negende grootste vervuiler ter wereld, aldus het Britse dagblad.

    De zaak-Okpabi was een vijf jaar durend juridisch gevecht waarin Shell aanvoerde dat zij in het Verenigd Koninkrijk niet wettelijk verantwoordelijk kon worden gehouden voor tekortkomingen van haar Nigeriaanse dochterbedrijf. De meer dan tien jaar durende parallelle rechtszaak in Nederland culmineerde in de recente uitspraak van het Nederlandse gerechtshof dat Shell aansprakelijk stelde voor de geleden olieschade door twee gemeenschappen. Deze vonnissen hebben een juridisch kader voor de toekomst geschapen en de weg vrijgemaakt voor andere internationale mensenrechten- en milieuzaken in Britse rechtbanken tegen bedrijven die zich schuldig maken aan wangedrag. Voor gemeenschappen over de hele wereld die machteloos stonden tegenover multinationals gloort er na deze uitspraken nieuwe hoop. 

    Zuigelingen in de Nigerdelta hebben tweemaal zoveel kans om tijdens de eerste maand van hun leven te overlijden als hun moeder in de buurt van een olielek woont

    Weinig situaties illustreren het huidige probleem van de straffeloosheid van multinationals zo duidelijk als de wijdverbreide en systematische olievervuiling in Nigeria. Deskundigen schatten dat de bewoners van de Nigerdelta de afgelopen vijftig jaar jaarlijks te maken hebben gehad met olielekkages die vergelijkbaar zijn met de door Exxon Valdez veroorzaakte milieuramp in Alaska: gemiddeld zo’n 240.000 vaten per jaar. Achter deze statistieken gaat een menselijke tragedie van ongekende proporties schuil. De vervuiling leidt tot ernstige gezondheidsproblemen en een verhoogd sterftecijfer onder de lokale bevolking. 

    Uit een recente studie van de universiteit van St. Gallen in Zwitserland blijkt dat zuigelingen in de Nigerdelta tweemaal zoveel kans hebben om tijdens de eerste maand van hun leven te overlijden als hun moeder in de buurt van een olielek woont. Dit komt neer op een schandalig aantal van elfduizend vroegtijdige sterfgevallen per jaar. De situatie is bijzonder schrijnend in Ogoniland, van waaruit Ken Saro-Wiwa begin jaren negentig strijd voerde tegen Shell.

    In 2011 meldde de milieuorganisatie van de Verenigde Naties (UNEP) in haar rapport over Ogoniland dat de bevolking dagelijks is blootgesteld aan ernstige olievervuiling, die heeft geleid tot verontreinigde lucht, landbouwgrond en waterbronnen. Volgens de bevindingen van UNEP was de volksgezondheid ernstig in gevaar. Kort na publicatie van het rapport werden er borden rond de getroffen gebieden geplaatst, waarop duidelijk werd gemaakt dat het drinkwater ongeschikt was voor menselijke consumptie en dat grote delen van het land en de waterwegen onveilig waren.

    Hoe kan het dat deze menselijke tragedie blijft voortbestaan terwijl westerse oliemaatschappijen vrolijk winst blijven maken?

    UNEP drong aan op ‘’s werelds grootste schoonmaakoperatie in de geschiedenis’. Het is schokkend om te zien dat het gebied tien jaar na dato nog altijd zwaar is vervuild, dat schoonmaak nooit heeft plaatsgevonden en dat de bewoners nog altijd water drinken uit verontreinigde putten. De indertijd geplaatste waarschuwingsborden zijn inmiddels verroest en nauwelijks leesbaar. 

    Zwakke regelgeving

    Hoe kan het dat deze menselijke tragedie blijft voortbestaan terwijl westerse oliemaatschappijen vrolijk winst blijven maken? Kort gezegd biedt de zwakke regelgeving ruimte aan inhalige bedrijven die geen geld willen investeren in hun infrastructuur en hun olievervuiling weigeren op te ruimen, waardoor honderden gemeenschappen met pijpleidingen van oliereuzen op hun land al tientallen jaren zwaar verontreinigd achterblijven – zonder dat de vervuiling wordt opgeruimd en zonder enige compensatie. Aangezien de kans op een eerlijk proces in Nigeria nihil is, wenden steeds meer gemeenschappen zich tot westerse rechters om de moederbedrijven die de vruchten plukken van de Nigeriaanse oliewinning ter verantwoording te roepen.

    GettyImages 549417989
    Het is schokkend om te zien dat het gebied tien jaar na dato nog altijd zwaar is vervuild, dat schoonmaak nooit heeft plaatsgevonden en dat de bewoners nog altijd water drinken uit verontreinigde putten. – © Markus Matzel / Getty

    De Ogale- en Bille-gemeenschap, zo’n 50.000 boeren en vissers die schade hebben geleden door decennialange olievervuiling, namen in 2016 het Britse advocatenkantoor Leigh Day in de arm om Shell voor de rechter te dagen en het opruimen van de verontreiniging en schadevergoeding te eisen. De dorpsgemeenschappen betoogden dat Shell de supervisie en de zeggenschap had over Shell Nigeria en dat het moederbedrijf daarom direct aansprakelijk was voor de tekortkomingen van haar dochters. In reactie daarop stelde Shell dat de band tussen moeder en dochter zo los is dat ze nauwelijks meer is dan een aandeelhouder.

    Het olieconcern trachtte de rechters ervan te overtuigen dat de moedermaatschappij niet aan de touwtjes trok in Nigeria en dat Shell Nigeria werd aangestuurd door andere onderdelen van Shell, niet door de moedermaatschappij zelf. Tegelijkertijd weigerde Shell interne stukken te overhandigen die licht zouden werpen op de werkelijke relatie tussen het moederbedrijf en haar dochter. 

    Aansprakelijkheid

    De Britse lagere hoven – het gerechtshof en het hof van beroep – hadden zich door de argumenten van Shell laten overtuigen en verwierpen de zaak al in het stadium waarin de rechterlijke bevoegdheid werd bepaald. Het hof van beroep oordeelde dat de eisende partij duidelijk bewijs van ‘operationele controle’ moest leveren, wat natuurlijk onmogelijk was zonder toegang tot interne bedrijfsdocumenten. Het hof stelde tevens dat de mondiale beleidskaders die van moederbedrijven naar beneden worden doorgegeven in principe nooit aanleiding kunnen geven tot wettelijke aansprakelijkheid.

    Het Britse hooggerechtshof was het hier in februari niet mee eens. Het stelde het hof van beroep unaniem in het ongelijk en oordeelde dat er een goed verdedigbare zaak tegen Shell bestond. De rechters oordeelden dat de lagere rechtbanken te snel hadden gehandeld door een soort miniproces te voeren, nog voordat er stukken openbaar waren gemaakt en getuigenverklaringen waren gehoord. Bovendien hadden ze geen rekening gehouden met het ‘evidente belang’ van interne documenten die licht zouden kunnen werpen op de ware aard van de relatie tussen de moeder- en dochterbedrijven. Belangrijk is ook dat het hooggerechtshof de beperkte definitie van de aansprakelijkheid van het moederbedrijf waar het hof van beroep van uitging, heeft verworpen.

    Een moedermaatschappij is niet alleen aansprakelijk wanneer er een ‘zeggenschapsrelatie’ bestaat maar ook wanneer sprake is van supervisie, advies of andere vormen van bemoeienis die niet direct als zeggenschap kunnen worden aangemerkt. Daaronder zouden ook mondiale beleidskaders vallen, die door eventuele tekortkomingen schade kunnen veroorzaken. Opmerkelijk is dat het hooggerechtshof oordeelde dat ook publieke toezeggingen van een moederbedrijf als wettelijke verplichting kunnen worden afgedwongen wanneer het bedrijf ze niet inlost. Het lijkt erop dat het hooggerechtshof van multinationals verwacht dat zij hun verplichtingen nakomen. 

    Natuurlijk is de Nigerdelta slechts één voorbeeld van het veel grotere probleem van de onaantastbare positie van multinationals in ontwikkelingslanden. De uitspraak van het Britse hooggerechtshof zal verstrekkende gevolgen hebben voor de verantwoordingsplicht van bedrijven, en gemarginaliseerde gemeenschappen over de hele wereld zullen er in de rechtbank een beroep op doen. Deze ontwikkeling wordt nog versterkt door belangrijke wetgevingsinitiatieven in de EU om bedrijven te verplichten mensenrechten te respecteren en onderzoek te doen naar eventuele schendingen daarvan bij hun dochterondernemingen en in hun toeleveringsketen.

    Het tijdperk van de straffeloosheid van multinationals loopt ten einde. Voor de getroffen gemeenschappen over de hele wereld is dat natuurlijk een positieve ontwikkeling, maar tevens iets wat al lang geleden had moeten gebeuren.