Vijf migranten zijn gered, anderen worden nog vermist
Woensdag heeft de kustwacht van Tunesië ‘twintig lichamen van migranten uit landen ten zuiden van de Sahara geborgen, nadat hun boot zonk’ voor de kust van de badplaats El Louza, vlak bij de stad Sfax, meldt La Presse. Reddingswerkers ‘konden vijf migranten levend redden die aan boord van dezelfde boot waren’ en ‘zoek- en reddingsoperaties worden actief voortgezet om de andere vermisten te vinden’, voegt de Tunesische krant toe.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De slachtoffers waren de vorige nacht vertrokken vanaf de kust van Chebba, zo’n veertig kilometer ten noorden van El Louza. Sinds het begin van het jaar hebben NGO’s tussen de zeshonderd en zevenhonderd doden of verdwijningen van migranten bij schipbreuken voor de Tunesische kust geregistreerd.
De vaartocht voldeed niet aan de vaarvoorschriften
‘Zesendertig lichamen werden geborgen uit de rivier de Niger nadat een boot met ongeveer 300 passagiers dinsdag zonk, terwijl 114 mensen nog worden vermist’, meldde Daily Post op donderdag. De meeste passagiers waren vrouwen en kinderen die op weg waren naar de viering van de geboorte van de profeet Mohammed. Ongeveer 150 van hen werden gered.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De tragedie werd toegeschreven aan een aantal overtredingen van de regels, waaronder ‘overbelading van de boot, gebrek aan reddingsvesten en nachtvaren’, aldus de Nigeriaanse krant.
Van de slachtoffers is alleen zijn dochter nog vermist
De Italiaanse kustwacht heeft donderdag bevestigd dat de Britse technologiemagnaat Mike Lynch een van de dodelijke slachtoffers is van het ongeluk met zijn superjacht, dat maandag bij zonsopgang zonk voor de kust van Sicilië. De vijf lichamen die woensdag werden gevonden, zijn donderdag geïdentificeerd. Een van hen blijkt inderdaad de ‘Britse Bill Gates’ te zijn. Eerder, op maandag, was het lichaam van de chef-kok van het jacht al gevonden.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De 18-jarige dochter van de miljardair is de enige nog vermiste persoon. ‘De zoektocht werd donderdagavond gestaakt en zal vrijdagochtend worden hervat’, aldus The Independent. Het onderzoek wordt voortgezet om de oorzaken van het ongeluk, dat plaatsvond tijdens een tornado, op te helderen. Het jacht vervoerde tweeëntwintig mensen, van wie er vijftien werden gered.
Minstens 78 migranten zijn omgekomen bij de schipbreuk
Autoriteiten in de havenstad Kalamata hebben negen arrestaties verricht in verband met een gezonken vissersboot ten zuidwesten van de Peloponnesos waarbij minstens achtenzeventig migranten omkwamen, bericht I Kathimerini op basis van een bron van het Griekse ministerie van Scheepvaart. Alle gearresteerden, naar verluidt afkomstig uit Egypte, zullen worden aangeklaagd voor het vormen van een criminele organisatie en illegale migrantensmokkel.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Ondertussen gaan de reddingsacties verder, terwijl ‘de angst groeit dat honderden opvarenden, waaronder kinderen, zijn verdronken in het overvolle ruim van het schip’, schrijft het Griekse dagblad. Tot nu toe zijn er 104 mensen gered, waaronder 6 tot 8 niet-begeleide minderjarigen, terwijl het totale aantal passagiers zou kunnen oplopen tot 750, volgens sommige mediaberichten.
Het onderzoek naar de oorzaken van en de verantwoordelijken voor de schipbreuk loopt nog. Het lijkt er op dat het schip uit Egypte is vertrokken, een tussenstop heeft gemaakt in Libië en vervolgens op weg is gegaan naar Italië.
Voor de kust van Libië zijn tweeëntwintig Malinese migranten, waaronder drie kinderen, omgekomen nadat hun boot schipbreuk leed, meldt de VN op basis van getuigenissen van overlevenden. Al-Arabiya schrijft dat een groep van drieëntachtig migranten op 22 juni aan boord ging van een rubberboot in de Libische stad Zuwara, vlakbij de Tunesische grens. Nadat de boot in nood kwam en negen dagen op zee had rondgedobberd, kon de Libische kustwacht éénenzestig opvarenden redden.
Volgens een rapport van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), dat in mei openbaar werd gemaakt, zijn sinds het begin van het jaar meer dan 6340 migranten onderschept en naar Libië gebracht. Minstens 129 mensen kwamen om tijdens de oversteek, en 459 worden nog vermist, aldus het IOM.
Elk jaar spoelen op de Japanse kust tientallen scheepswrakken aan met lijken van vissers. Waar komen ze vandaan? En hoe zijn de vissers gestorven? Het Duitse weekblad Die Zeit ging op onderzoek uit.
Op de boot van mijn liefste gaat mijn liefste aan boord, om te gaan vissen. En ik roep uit: Waarheen gaat de boot van mijn liefste? Ik krijg geen antwoord. De boot aan de horizon, met witte mast, Is die niet van mijn liefste? Ik zie hem niet, mijn liefste, omdat tranen mijn blik vertroebelen.
(Lied over Noord-Koreaanse vissers, gedicht door hun vrouwen)
Wit zijn de muren en wit zijn ook de kasten met dossiers die in wit karton gebonden zijn. De mensen die hier werken, dragen witte pakken. Een ruimte zo steriel als een laboratorium, zoals in veel Japanse gemeentehuizen. Afdelingschef Kiyoshi Tanaka legt een stapel papieren op de tafel waaraan hij bezoekers ontvangt. Buiten woedt een sneeuwstorm, een laatste stuiptrekking van de winter. De wind rukt aan de kale takken, tilt ze op en duwt ze omlaag, om ze dan opnieuw te laten zwiepen.
‘We zijn eraan gewend merkwaardige dingen langs onze kust te vinden,’ zegt Tanaka in het gemeentehuis van Sai, een eenzaam vissersdorp met een paar honderd houten huizen. Het ligt in het uiterste noorden van Honshu, het grootste eiland van Japan. ‘We vinden van alles en nog wat,’ zegt Tanaka. Hij vertelt over vrachtcontainers die zich hebben losgerukt, over meubels die op de golven drijven, vaten van chemicaliën, planken, ijzeren palen. Veel dingen die op het strand zijn aangespoeld, kan hij niet eens goed thuisbrengen.
Het is de taak van Tanaka om de strandgoederen volgens de voorschriften te verwijderen, naar de vuilstortplaats te rijden of te laten verbranden. Een weinig opwindende bezigheid in het dorp van tweeduizend zielen. Tot er voor de kust iets opdook wat rechtstreeks uit een griezelverhaal leek te komen. De armada van doden. Ouderwetse schepen, ondersteboven drijvend of nog volledig intact, leeg of met lijken benedendeks.
Stuurloze schepen
Meneer Tanaka slaat het dossier open waarop ‘Hyouchakusen’ staat. Stuurloze schepen. Tanaka laat de kaart van de gemeente zien waarop hij de vindplaatsen heeft aangegeven. Vijf stippen voor vijf zwartgeschilderde vaartuigen, drie kleine, lege sloepen van sparrenhout en twee grote vissersschepen.
Het eerste werd op 27 oktober 2015 ontdekt. Tijdstip van de vondst, zo leest Tanaka voor uit het dossier: tegen 8.30 uur. Vindplaats: ondersteboven drijvend bij een golfbreker voor de kust. Lengte: twaalf meter, breedte: drie meter. Op vijf meter van het schip, op het basalt van de golfbreker, een dode man, het gezicht aangevreten door vissen. Een maand na de ontdekking van die eerste boot spoelde in Sai het volgende raadselachtige schip aan.
Spookschepen worden ze door de pers genoemd. Ze duiken op uit het niets, niet alleen in Sai, maar overal langs de Japanse westkust, soms enkele dagen na elkaar. In de afgelopen winter alleen al zijn er in Japan zevenendertig van deze geheimzinnige schepen ontdekt, met tientallen doden aan boord. Volgens cijfers van de kustwacht waren het er in de afgelopen vier jaar meer dan tweehonderdtachtig. Inmiddels besteden alleen de lokale kranten nog aandacht aan de spookschepen, zo gewoon zijn ze geworden in dit land met een kustlijn van 29.800 kilometer.
De armada van doden getuigt van een van de grootste rampen die zich op dit moment op de wereldzeeën voltrekken
De deur van Tanaka’s kantoor zwaait open. Sneeuwvlokken dwarrelen door de deuropening en een man met een besneeuwd regenjack stapt naar binnen. Yukihito Sakai, voorzitter van de visserscoöperatie, is op verzoek van Tanaka hiernaartoe gekomen.
Sakai heeft met zijn vissersboot het tweede spookschip in de gemeente Sai geborgen. ‘Van die dag droom ik nog altijd,’ zegt hij. Het was 2 december 2015, tegen elf uur. Het gekapseisde schip was in een van de netten terechtgekomen, in de romp ontdekten ze vier lichamen. ‘Dat schip laat ik over twee maanden vernietigen,’ zegt Tanaka met een blik in de dossiers, ‘als er tot die tijd tenminste niemand komt om het als zijn eigendom op te eisen.’ Zo staat het in dit deel van Japan in de wet.
De armada van doden getuigt van een van de grootste rampen die zich op dit moment op de wereldzeeën voltrekken. De vloot komt vanaf de andere kant van de zee, 1100 kilometer verderop. 1100 kilometer met niets dan zwarte golven, die onophoudelijk rollen, eindeloos rijzen, eindeloos dalen. De Japanners noemen dit de ‘Japanse Zee’, de Noord-Koreanen de ‘Koreaanse Oostzee’ en de Zuid-Koreanen alleen ‘Oostzee’. Zo omstreden zijn deze wateren.
Op de Koreaanse kust woont de vijfenveertigjarige Rhee Cheol-Soo*, een smalle, haast knokige man met twee gezichten: angstig en hautain. Tot een paar maanden geleden woonde hij in Noord-Korea en had hij zijn eigen vissersschip. Hij is een van de heel weinige vissers die in de afgelopen jaren Noord-Korea hebben weten te ontvluchten. Nu zit hij in een hotel in de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoel en vraagt hij me zijn echte naam niet te publiceren omdat zijn vrouw en kinderen nog in het Noorden zijn. Gedurende drie dagen vertelt hij het verhaal van zijn schip.
‘Het weer was heel goed,’ herinnert Rhee zich van die ochtend in maart. De eerste vaart van het nieuwe jaar. ‘Er stond een zwakke wind uit het noorden en de zee was heel glad.’
In die tijd woonde Rhee in de havenstad Kimch’aek aan de oostkust van Noord-Korea. Hij groeide op in een mijnwerkersstad en leerde lassen. Op zijn tiende begon hij met roken en toen hij dertien was overleed zijn vader na een verkeerd geplaatste injectie. De helft van de vakken waarin hij les kreeg, ging over de revolutie van Kim Il-sung, de grondlegger van de Democratische Volksrepubliek Korea. Rhee werd soldaat en lid van de Communistische Partij.
Toen de Sovjet-Unie uiteenviel en Noord-Korea zijn belangrijkste handelspartner verloor, kwam er hongersnood in het land. In 1994 bouwde Rhee zijn eerste vissersboot. Rhee behoort tot de tienduizenden Noord-Koreanen die in de afgelopen jaren visser zijn geworden. Enkelen nemen dat besluit uit nood, anderen uit eerzucht. Ze willen de vis niet alleen eten, maar ook verkopen. Omdat ze meer willen dan enkel overleven.
Die ochtend dat Rhee voor het eerst na de winter weer gaat vissen, komen de families op de kust bijeen. Inmiddels heeft Rhee een groot schip, twaalf meter lang, vier meter breed. Het heeft geen naam, alleen een registratienummer. Ze hebben proviand voor vier weken aan boord. Drinkwater in plastic jerrycans, waarmee ze het hele dek hebben volgestouwd, vijftien zakken rijst van 20 kilo, 300 kilo ijs om onderweg de vis mee te koelen. De mannen nemen zwijgend afscheid van hun vrouwen. Rhee zegt dat het ongeluk brengt als je elkaar bij vertrek omhelst of hoopt op een weerzien. Ze zullen elkaar omhelzen wanneer ze gelukkig en met een rijke vangst huiswaarts zijn gekeerd. Dus gooien de mannen de trossen los, starten de motor en kijken zonder een woord te zeggen hoe hun vrouwen steeds kleiner worden.
Kapitein Rhee legt aan en laat de papieren van zijn bemanning zien, waarvan de meeste zijn vervalst
Wanneer de Japanse visser Sakai het wrak voor het eerst ziet, in december 2015, drijft het ondersteboven. Slechts enkele centimeters zwart hout steken boven het water uit. Een andere visser, lid van zijn coöperatie, heeft hem die ochtend gebeld. Sakai vaart naar het spookschip en ziet dat er een touw aan de romp is bevestigd. Zijn bemanning maakt het aan de achtersteven vast, Sakai geeft gas en sleept het verongelukte schip naar de haven. Een tochtje dat normaal gesproken een kwartier duurt, maar nu bijna drie uur in beslag neemt, zo zwaar is de sleep. In de haven hijsen twee kranen het schip op de kade. Sakai ziet benen bengelen uit openingen op het dek. Arme kerels, denkt Sakai. Vissers zoals wij.
De eerste dagen zijn Rhee en zijn kleine bemanning in een goed humeur. De jongste aan boord is pas zestien jaar. Hij moet allerlei klusjes doen, zoals het dek schrobben. De man in de machinekamer noemen ze de operator, hij zorgt voor reparaties en onderhoud. Een zwijgzame man, met wie Rhee sinds twee jaar vaart.
Zes uur na vertrek bereiken ze laatste controlepost van de Volksrepubliek langs de kust. Een kleine wachtpost met radiostation. Kapitein Rhee legt aan en laat de papieren van zijn bemanning zien, waarvan de meeste zijn vervalst. Volgens de documenten zijn de mannen werkzaam in het leger, zodat hij minder steekpenningen hoeft te betalen. In het land van de Kims kan de meeste wet- en regelgeving met smeergeld buiten werking worden gesteld. Rhee zegt dat hij een meester in de corruptie is.
De kustwacht controleert hoeveel diesel ze aan boord hebben. Een maatregel die moet voorkomen dat vissers de wijk nemen naar het buitenland. De ambtenaren geven een passeerbewijs voor vijftien dagen af, zo lang mogen de vissers op zee blijven. Als ze na die tijd terugkeren, moeten ze nog meer smeergeld betalen.
Dieven
Tegen de avond bereikt kapitein Rhee de open zee. Het is al donker wanneer ze het net uitwerpen. Voordat de bemanning de kooien opzoekt, stelt Rhee een rooster op voor de wacht. Om de twee uur zullen ze elkaar afwisselen. In de wateren voor de kust van Noord-Korea zijn veel dieven actief. Vissers die elkaars vangst afhandig maken. Zo groot is de nood in het land, zo veel geld kan er met vis worden verdiend.
‘Ik ben vaak bestolen,’ zegt Rhee. ‘En ik heb ook zelf netten gestolen.’ Aan boord hebben ze een zak met vijftig kilo stenen. Munitie om aanvallers af te weren. Rhee weet van gevechten waarbij vissers elkaars boten met molotovcocktails in brand hebben gestoken.
De volgende ochtend halen ze het net weer op. Hoewel ze handschoenen dragen, halen ze hun vingers open en vormen zich bloederige blaren. Rhee staat aan het roer, de anderen trekken het net aan boord. Het zit vol vis.
Sakai herinnert zich het geluid dat het wrak maakt wanneer de twee kranen het op de kade zetten. Een dof gekreun trekt door de romp van het houten schip. Aanvankelijk staan ze allemaal maar een beetje te staan. De mannen van de kustwacht, een delegatie van de plaatselijke politie, afdelingschef Tanaka van de gemeente en visser Sakai. Maar dan zetten ze een aluminiumladder tegen de scheepswand en klimmen omhoog.
Aan de buitenkant lijkt het schip vrijwel onbeschadigd, slechts enkele planken zijn gebroken. Drie luiken bieden toegang tot het inwendige van het schip. De onderzoekers gaan op hun knieën zitten en schijnen met zaklantaarns naar binnen. Tussen versplinterde balken en plastic kisten waarin vis wordt ingelegd in zout, tussen zwemvesten, handschoenen, touwen en lege waterflessen ontdekken ze vier lichamen, drie in een ruimte bij de boeg en een, met een aangevreten gezicht, in de machinekamer bij de achtersteven. ‘Vermoedelijk de kapitein,’ zegt Sakai. Allemaal hebben ze zich met touwen aan balken vastgebonden om niet overboord te worden gespoeld.
Noord-Korea is een uitgemergeld land, waar de mensen elk stukje grond benutten om er iets te verbouwen. Langs de kant van de weg groeien aardappels en bonen, op spoordijken staan maisplanten. Noord-Korea is ook een land dat vrijwel geen machines heeft. Op de velden worden de zaailingen met de hand geplant. Volgens cijfers van de Verenigde Naties is 28 procent van de kinderen en 42 procent van de hele bevolking ondervoed.
Omdat de kustwateren vrijwel zijn leeggevist, wagen Noord-Koreaanse vissers zich steeds verder de zee op. Vijf dagen achtereen werpen Rhee en zijn mannen het net uit. Er heeft zich een groepje schepen gevormd: Rhee en tien andere kapiteins, vissers die al jaren met elkaar bevriend zijn. ’s Avonds leggen ze de boten aan elkaar vast voor een gezellig samenzijn, maar ook om hun netten te bewaken.
Rhee schat dat ze zich op zeventig kilometer van de kust bevinden. De radio aan boord zwijgt, de signalen van de Noord-Koreaanse kuststations zijn te zwak en berichten uit Japan of Zuid-Korea kan Rhee met het apparaat niet ontvangen.
De in China gefabriceerde motor, waarvoor Rhee veel geld heeft betaald, verliest op dag vijf aan vermogen. Op de ochtend van de zesde dag begint hij te reutelen en te stotteren, om uiteindelijk de geest te geven. De operator probeert de storing op te sporen; samen met Rhee haalt hij de motor uit elkaar. Beide zuigers zijn vastgelopen en de cilinders zijn gaan smelten. ‘Toen wist ik dat we zo goed als verloren waren,’ zegt Rhee.
De strijd om vis bezorgt de Noord-Koreanen grotere verliezen dan de oorlog die het regime officieel nog altijd tegen het imperialisme voert
De bevriende vissers zijn op dat moment ver weg. Rhee straalt optimisme uit tegenover zijn bemanning. ‘Als de kapitein wanhoopt, wanhoopt de hele bemanning.’ Ze overleggen. Opeens zien ze onbekende vissersschepen, een paar honderd meter bij hen vandaan. Ze zwaaien, roepen om hulp, maar geen van de schepen verandert van koers. ‘Onbekende schepen worden niet geholpen,’ zegt Rhee. De kapiteins zijn bang voor hun netten of willen geen diesel verspillen om anderen te redden. Zo duur is diesel in Noord-Korea.
Rhee besluit tot een wanhoopsdaad. De mannen bouwen van twee balken een mast en naaien van dekens een zeil.
Identiteitsbewijs
In de haven van Sai, herinnert visser Sakai zich, dragen vier politieagenten de vier lijken uit het wrak de aluminiumtrap af. De forensisch patholoog-anatoom zal de oudste van de zeelieden, 1,66 m lang, later op vijftig jaar schatten. Een ander is begin twintig en 1,63 m lang, weer een ander heeft een tien centimeter lang litteken op zijn buik, waarschijnlijk van een blindedarmoperatie. En dan is er nog de jongste, die nog geen twintig jaar oud is.
De politieagenten trekken de kleren van de doden uit, waarbij lapjes huid loslaten. Ze spreiden de kleding uit op de vloer en maken er foto’s van. Oliepakken die tegen zeewater en regen beschermen, zwarte werkbroeken en -hemden, ondergoed, kousen. In de zakken van twee jassen vinden ze Koreaanse identiteitsbewijzen, doorweekt, de inkt doorgelopen. De lichamen doen ze in blauwe plastic zakken.
Sakai kijkt lang naar de foto van het identiteitsbewijs dat in het gemeentedossier zit. Het gezicht van een jongeman, verzorgd, gekleed in een zwart pak en een wit overhemd en met een zwarte stropdas om. Sceptisch kijkt hij in de lens van de fotograaf, het voorhoofd gefronst. ‘Hoe hebben ze zich met zo’n kleine boot zo ver de zee op kunnen wagen,’ mompelt Sakai.
De laatste hoop van Rhee is om met behulp van het zeil de groep bevriende vissers te bereiken. Maar op de middag van de tweede dag na de averij slaat het weer om. Er komt een storm opzetten, de wind trekt met het uur aan. ‘De golven waren drie meter hoog,’ herinnert Rhee zich. Ze slaan over het dek, trekken de boot met zich mee omlaag, zo diep dat Rhee alleen nog maar zwarte muren van water om zich heen ziet.
De mannen verschansen zich in de slaapruimte bij de achtersteven. Er is daar geen raam, alleen een ledlamp die nauwelijks licht in de duisternis brengt. Iedereen aan boord kent wel iemand die bij het vissen op zee is omgekomen. Sommige families in de kustdorpen hebben verscheidene zonen verloren. De strijd om vis bezorgt de Noord-Koreanen grotere verliezen dan de oorlog die het regime officieel nog altijd tegen het imperialisme voert.
Desondanks is er in het land geen gebrek aan mannen die de zee op willen. Vissers zijn bij vrouwen gewild als echtgenoot, vertelt Rhee. Een visser in de familie is de garantie op overleven. Hij neemt altijd eten mee.
Rhee werkt voor zichzelf. Met zijn boot valt hij officieel onder de commandant van een legerdivisie, die hem heeft geronseld bij de staalfabriek van Kimch’aek. In het land van de hongersnood heeft sinds enkele jaren elke staatsinstelling haar eigen vissersvloot: het ziekenhuis van Kimch’aek, de universiteit, de nationale bank, alle legereenheden. Rhee moet per bemanningslid een ton vis per jaar aan de divisie afstaan. Zodra hij terug is, halen de bevelhebbers de vis persoonlijk op met een vrachtwagen.
‘Ik heb hun natuurlijk alleen de mindere kwaliteit gegeven,’ zegt Rhee. De grotere vissen doet hij al op open zee van de hand. De vissers, vaak ook smokkelaars, ruilen vissen en krabben tegen sterkedrank, rijst en bier die andere boten uit China hebben meegenomen. De rest van de vangst verkoopt Rhee aan een handelaarster die de bouw van zijn boot met een lening heeft gefinancierd. Ze krijgt de vis met twintig procent korting op de geldende marktprijs en verkoopt die vervolgens met winst door aan groothandelaren, die met bus en trein het hele land afreizen om particuliere markten te bevoorraden.
De vis maakt van Rhee een welgesteld man. Rijk zelfs. Hij kan nog drie schepen kopen en neemt kapiteins en bemanningsleden in dienst. Hij laat een huis bouwen voor zijn familie, koopt een televisie en een computer. Zichzelf trakteert hij op een motor, die hij tijdens een heimelijke reis naar China op een veiling koopt – in het land van de Kims een absolute zeldzaamheid.
De prijs daarvoor, zo lijkt het nu, is zijn leven.
De mensen waren te gulzig en hebben te veel vis uit de zee gehaald
Een week na de berging van het spookschip, zegt visser Sakai in het gemeentehuis, hebben ze de doden verbrand. Hun as wordt in een schrijn op de begraafplaats van de boeddhistische Shofuku-jitempel bewaard. Een klein wit huisje, dat van alle schrijnen het dichtst bij de kliffen staat.
Er overlijden veel mensen in het vissersdorp Sai, vertelt Sakai. Zo’n zeventig procent van de inwoners is ouder dan zestig. Woonden er veertig jaar geleden nog zesduizend mensen in Sai, nu zijn dat er nog maar tweeduizend. De meeste winkels zijn verdwenen omdat er onvoldoende klanten zijn. Onlangs is het laatste bankfiliaal gesloten.
De visvangst heeft het land ooit groot gemaakt. Het was omgeven door de rijkste visgronden ter wereld. Maar de mensen waren te gulzig en hebben te veel vis uit de zee gehaald. Veel plaatsen die van visserij hebben geleefd, dreigen te verdwijnen. De dodenschepen uit Noord-Korea stuiten aan de Japanse kust op stervende dorpen.
Tegenslag
‘We raakten het gevoel voor tijd kwijt,’ zegt Rhee over de dagen in de buik van het schip. Op de avond van de tweede dag gaat de storm liggen. De mannen kunnen eindelijk gaan slapen. ‘Toen kregen we nieuwe tegenslag te verduren,’ zegt Rhee. De volgende ochtend ontdekken ze dat een deel van de watervoorraden verloren is gegaan. Door de storm zijn de jerrycans beschadigd geraakt. De boot drijft op zee. Het wordt nacht en weer dag en weer nacht en weer dag. Aan het zeil hebben ze vrijwel niets. Ze roeien met de enige roeispaan die ze hebben, om beurten, tot de zon ondergaat.
Rhee schat dat ze nog altijd zo’n zestig kilometer van de kust verwijderd zijn. Op dag veertien zijn de watervoorraden opgebruikt. De mannen zijn aan het eind van hun Latijn. Er ontstaan ruzies. Rhee verwijt de operator dat hij de motor onvoldoende heeft getest voor vertrek en de operator verdedigt zich. Over die laatste dagen spreekt Rhee veelal met tegenzin.
Een dag voordat ze geesten zouden zijn geworden, zoals Rhee het uitdrukt, ontwaren ze vissersboten. Boten die lijken op die van hun vrienden. Ze roepen, en zwaaien met hun oranje reddingsvesten. Een van de boten vaart naar hen toe. De bemanning herkent de vermisten, die al dood gewaand waren. ‘Nooit zal ik dat moment vergeten,’ zegt Rhee. ‘We omhelsden elkaar. Iedereen huilde. We huilden allemaal.’
‘Ik denk dat die mannen zich vastbonden omdat ze gevonden wilden worden’
Het spookschip van Sai, niet de boot van de gelukkige Rhee Cheol-Soo maar van een andere kapitein, heeft afdelingschef Tanaka van de gemeente op een dieplader naar een hoogvlakte laten rijden, nog geen tien kilometer verderop. Zodra de sneeuwstorm is geluwd, kan het schip worden bekeken. Wat is het klein! Benedendeks hangen nog plastic zakken met oude rijstvoorraden.
Rhee overleefde de tochten waarop zo veel Noord-Koreaanse vissers sterven. Maar aan de welvaart die hij met zijn gevaarlijke beroep verwierf, had hij uiteindelijk niet veel. Een jaloers bemanningslid, vertelt hij, gaf hem aan als smokkelaar en bezorgde hem een jaar werkkamp. Na zijn vrijlating vluchtte hij in 2015 via China naar Zuid-Korea. Aan het eind van het gesprek in Seoel bekijkt Rhee de foto’s uit Japan. Hij ontcijfert de naam op het identiteitsbewijs van de jonge visser. Kim Namgyeong. Arbeider in dezelfde staalfabriek waarvoor Rhee ooit viste. ‘Ik denk overigens niet,’ zegt Rhee voordat hij afscheid neemt, ‘dat ze zich in het schip hebben vastgebonden omdat ze hoopten dat ze daarmee de dood zouden ontlopen. Ik denk dat die mannen het deden omdat ze gevonden wilden worden.’
Rhee gaat proberen om de families in Noord-Korea te informeren. Zodat ze weten dat ze niet langer op de vermisten hoeven te wachten.
Auteur: Wolfgang Bauer
Vertaler: Pieter Streutker
*De naam en enkele details van zijn levensomstandigheden zijn ter bescherming van hem aangepast.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.
Er werd aan zijn verhaal getwijfeld, maar Salvador Alvarenga, een zesendertigjarige visser uit El Salvador, heeft inderdaad veertien maanden op de Grote Oceaan gedobberd. Hij at vogels en vis en dronk zijn eigen urine. De Amerikaanse auteur en journalist Jonathan Franklin schreef alles op in 438 days. Een voorpublicatie.
Keuze uit het archief
Op de oceaan ronddobberen willen we allemaal wel met deze hitte, maar liever geen veertien maanden. Dat was ook niet de bedoeling van Salvador Alvarenga, maar het overkwam hem wel en gelukkig kon hij zijn avontuur navertellen. Lees hier het verhaal van een levensechte Cast Away.
Terwijl ze op de motor door de lagune van de Marshalleilanden voeren, midden op de Grote Oceaan, keken de politieagenten naar het wezen dat voor hen op dek lag. Het leed geen twijfel dat deze man lange tijd op zee had vertoefd. Zijn haar was net een wilde bos stro, een en al klitten. Zijn woeste baard krulde alle kanten op. Hij had opgezette enkels en graatmagere polsen; hij kon nauwelijks lopen. Hij vermeed oogcontact en verborg geregeld zijn gezicht in zijn handen.
Salvador Alvarenga, een zesendertigjarige visser uit El Salvador, was veertien maanden eerder in Mexico in een klein bootje met een jongere vissersmaat de zee opgegaan. Nu werd hij van de plek waar hij was aangespoeld, op het Ebon-atol, op het zuidelijkste puntje van de Marshalleilanden, naar de dichtstbijzijnde stad gebracht. Hij bevond zich bijna elfduizend kilometer van de plek waar hij van land was gegaan.
Alvarenga had meer dan een jaar op de Grote Oceaan gedobberd en het licht van de maan zien opkomen en wegtrekken, en al die tijd had hij gevochten tegen eenzaamheid, depressies en gedachten aan zelfmoord. Maar de strijd om te overleven in een kleurrijke wereld van wilde dieren, levensechte hallucinaties en ongekende eenzaamheid had hem op geen enkele manier voorbereid op zijn status van wereldster, op de ongebreidelde nieuwsgierigheid naar zijn verhaal.
Goed einde
Dagen later stond Alvarenga de wereldpers te woord. Gekleed in een bruine slobbertrui, die zijn pezige lijf aan het oog onttrok, stapte hij van de politieboot aan wal, langzaam, maar zonder hulp. Er ging een golf van verbazing door de menigte, die een uitgemergeld en totaal verzwakt slachtoffer had verwacht. Alvarenga glimlachte even en zwaaide naar de camera’s. Verschillende mensen zagen gelijkenis met het Tom Hanks-personage in de film Cast Away. De foto van de bebaarde visser die de wal op schuifelde ging de hele wereld over. Binnen korte tijd kende vrijwel iedereen zijn naam.
Wie kan veertien maanden op zee overleven? Alleen een scenarioschrijver in Hollywood zou zo’n verhaal een goed einde kunnen geven. Ik vond het maar een vreemd verhaal, maar als verslaggever voor The Guardian zag ik me min of meer genoodzaakt me erin te verdiepen. Al snel bleek dat er tientallen mensen waren die Alvarenga hadden zien uitvaren, die zijn SOS-signaal hadden opgevangen. Toen hij duizenden kilometers verderop aanspoelde (in dezelfde boot waarin hij uit Mexico was vertrokken) wees hij elk verzoek om een interview resoluut van de hand – hij hing zelfs een briefje op de deur van zijn kamer in het ziekenhuis, waarin hij de pers smeekte hem met rust te laten.
Hij probeert zich niet druk te maken om de steeds grotere plas zeewater die om zijn enkels klotst
Later zou ik vele uren met Alvarenga doorbrengen, bij hem thuis in El Salvador, waar hij tot in details de vreselijke ontberingen beschreef van een verblijf van meer dan een jaar op zee. In de loop van meer dan veertig gesprekken schetste hij een beeld van zijn ongelooflijke overlevingstocht. Dit is zijn verhaal.
Op 18 november 2012, een dag nadat Alvarenga op zee door een zware storm is overvallen, probeert hij zich niet al te druk te maken om de steeds grotere plas zeewater die om zijn enkels klotst. Een onervaren zeeman zou misschien in paniek zijn gaan hozen en zich hebben laten afleiden van zijn voornaamste taak: zorgen dat de boot niet dwars op de golven komt te liggen. Alvarenga vaart al vele jaren en hij is zich ervan bewust dat hij het initiatief niet uit handen mag geven. Samen met zijn onervaren maat, Ezequiel Córdoba, probeert hij zo’n vijftig mijl uit de kust langzaam een weg terug te vinden.
Door het opspattende water en de overslaande golven staan er honderden liters zeewater in de boot, en het gevaar bestaat dat de boot zal zinken of kapseizen. Terwijl Alvarenga aan het roer staat is Córdoba als een bezetene bezig het water terug te scheppen in zee, waarbij hij slechts heel af en toe een paar tellen pauzeert om zijn schouderspieren wat rust te gunnen.
Alvarenga’s boot is een kleine acht meter, zo lang als twee pick-ups en zo breed als één pick-up. Zonder opbouw, zonder glas en zonder werkende verlichting is hij op open zee praktisch onzichtbaar. Aan dek staat een kist van fiberglas, ter grootte van een koelkast, vol verse vis: tonijn, goudmakreel en haai, hun vangst van de afgelopen twee dagen. Als ze die aan land weten te krijgen hebben ze genoeg geld om het een week uit te zingen.
De boot ligt vol spullen, waaronder een kleine 300 liter benzine, 60 liter water, 23 kilo sardientjes – bedoeld als aas – 700 vishaken, vele kilometers lijn, een harpoen, 3 messen, 3 hoosvaten, een mobiele telefoon (in een plastic zak om hem droog te houden), een gps-zendertje (niet waterdicht), een marifoon (met een batterij die voor de helft vol is), een paar zwengels voor de motor en 91 kilo ijs. Alvarenga heeft de boot in gereedheid gebracht samen met Ray Perez, zijn vaste maat en trouwe compagnon. Maar op het laatste moment moest Perez afzeggen. Alvarenga wil toch graag uitvaren en weet Córdoba mee te krijgen, een tweeëntwintigjarige jongen die Piñata wordt genoemd en die helemaal aan de andere kant van de lagune woont, waar hij in het dorp vooral bekendstaat als sterverdediger van het voetbalteam. Alvarenga en Córdoba hebben elkaar nog nooit gesproken, laat staan dat ze ooit samen hebben gewerkt.
Hij is ervan overtuigd dat de haaien hen zullen verslinden. Hij begint te krijsen
Gespannen manoeuvreert Alvarenga hen heel langzaam dichter naar de kust, waarbij hij als een surfer probeert de boot van de golven te laten glijden en ertussendoor te steken. Het weer verslechtert en Córdoba’s vastberadenheid begint te wankelen. Op momenten weigert hij te hozen en grijpt in plaats daarvan de reling vast, kotsend en huilend. Hij heeft ja gezegd in de hoop vijftig dollar te verdienen. Hij kan twaalf uur achtereen werken zonder ook maar een kik te geven, en hij is sterk en gezond. Maar deze bonkende, drijfnatte tocht terug naar de kust? Hij is ervan overtuigd dat hun kleine bootje aan stukken zal slaan en dat de haaien hen zullen verslinden. Hij begint te krijsen.
Geen gps, geen anker
Alvarenga blijft zitten, grijpt het roer stevig vast en is vast voornemens de storm uit te zitten – die inmiddels dusdanig is aangewakkerd dat havenmeesters langs de hele kust vissersboten geen toestemming meer geven om uit te varen. Na lange tijd ziet hij eindelijk dat het zicht wat beter wordt, dat het wolkendek wat opentrekt: hij kan kilometers ver over het water kijken. Om een uur of negen ’s ochtends ziet Alvarenga een berg opdoemen aan de horizon. Ze zitten op zo’n twee uur varen van de kust wanneer de motor begint te horten en te sputteren. Hij pakt de marifoon en roept zijn baas op. ‘Willy! Willy! Willy! De motor heeft het begeven!’
‘Rustig maar, man, geef me je coördinaten,’ antwoordt Willy, vanaf de kade in Costa Azul.
‘We hebben geen gps, hij werkt niet.’
‘Gooi een anker uit,’ instrueert Willy.
‘We hebben geen anker,’ zegt Alvarenga. Hij had wel gezien dat er geen anker aan boord was voordat ze de zee op gingen, maar hij dacht dat ze er toch niets aan zouden hebben omdat ze op diepe zee gingen vissen.
‘Oké, we komen je halen,’ antwoordt Willy.
‘Schiet een beetje op, ik hou het niet veel langer,’ roept Alvarenga. Dat zijn de laatste woorden van hem die de wal bereiken.
Terwijl de golven tegen de boot beuken gaan Alvarenga en Córdoba als team te werk. Met de ochtendzon zien ze hoe huizenhoge golven komen aanrollen en boven hun hoofd omslaan. De mannen zetten zich schrap tegen de zijkant van de open boot om hun evenwicht te bewaren.
Maar de golven zijn grillig, slaan soms halverwege om, bundelen hun krachten en tillen de mannen hoog de lucht in, alsof ze van drie hoog van het uitzicht genieten, waarna de golven hen naar beneden smakken met de snelheid van een lift waarvan plots de kabel knapt. Hun teenslippers bieden geen enkel houvast aan dek.
Alvarenga begrijpt dat hun vangst (bijna vijfhonderd kilo verse vis) de boot topzwaar en onstabiel maakt. Hij ziet geen kans om te overleggen met zijn baas en hij volgt zijn intuïtie: ze zetten alle vis overboord. Een voor een halen ze de vissen uit de koeling en slingeren de karkassen zo ver mogelijk weg. Het is nu nog gevaarlijker om overboord te vallen: de bloederige vissen trekken natuurlijk haaien aan.
Vervolgens gaan het ijs en de benzinevoorraad overboord. Alvarenga zet vijftig drijvers overboord bij wijze van geïmproviseerd ‘zeeanker’, dat op het water blijft liggen en zo voor enige weerstand en stabiliteit zorgt. Maar om een uur of tien ’s ochtends begeeft de marifoon het. Dat is nog voor het middaguur van de eerste dag van de storm die vermoedelijk zo’n vijf dagen zal aanhouden, weet Alvarenga. Dat de gps is uitgevallen, is erg vervelend. Dat de motor het niet meer doet is rampzalig. Zonder radiocontact zijn ze volledig op zichzelf aangewezen.
De storm smakt de mannen keer op keer van de ene kant van de boot naar de andere terwijl ze proberen het water uit de boot te hozen. Met steeds dezelfde spieren, steeds dezelfde beweging, uur na uur, weten ze misschien de helft van het water te lozen. Ze zijn de uitputting nabij, maar Alvarenga is ook razend. Uitzinnig van woede pakt hij de zware stok die normaal gesproken wordt gebruikt om vis te doden, en slaat op de kapotte motor in. Dan pakt hij de marifoon en de gps en gooit die van kwaadheid allebei overboord.
Sterren als houvast
De zon gaat onder en de storm blijft razen terwijl Córdoba en Alvarenga bevangen worden door de kou. Ze keren de ijskist ondersteboven en kruipen eronder. Ze zijn doorweekt en kunnen de vingers van hun koude handen nauwelijks meer krommen. Ze kruipen dicht tegen elkaar aan en slaan de benen om elkaar heen. Maar door het overslaande water komt de boot steeds dieper te liggen en om beurten verlaten de mannen de ijskist om een kwartier lang als een dolle te hozen. Het schiet niet echt op maar heel langzaam neemt de plas aan hun voeten iets af.
De duisternis maakt hun wereld kleiner en kleiner en een stormachtige, aflandige wind drijft de mannen steeds verder naar open zee. Zijn ze nu weer op de plek waar ze een dag eerder hebben gevist? Drijven ze in noordelijke richting naar Acapulco, of in zuidelijke richting naar Panama? Met enkel de sterren als houvast zijn ze niet langer in staat op de vertrouwde manieren afstanden te schatten.
Omdat ze geen aas en geen vishaken hebben, bedenkt Alvarenga een wel heel gewaagde manier om vis te vangen. Hij gaat over het gangboord van de boot hangen, speurt het wateroppervlak af naar haaien, en steekt dan zijn armen tot aan de schouders in het water. Met zijn borstkas stevig tegen het gangboord gedrukt houdt hij zijn handen heel stil, een centimeter of tien van elkaar. Als er een vis tussendoor zwemt slaat hij zijn handen tegen elkaar, drukt zijn nagels diep in de schubben. De meeste vissen weten te ontkomen maar Alvarenga wordt er steeds beter in en hij pakt de vissen en slingert ze in de boot terwijl hij uit de buurt probeert te blijven van hun tanden. Met het vissersmes maakt hij de vissen behendig schoon en snijdt ze in duimbrede repen die ze in de zon te drogen leggen. Ze eten de ene vis na de andere. Alvarenga propt zijn mond vol met rauwe vis en gedroogde vis. Hij merkt het verschil nauwelijks, en het interesseert hem ook niet echt. Als ze geluk hebben kunnen ze waterschildpadden vangen of de vliegende vis eten die sporadisch in de boot belandt.
Binnen enkele dagen gaat Alvarenga ertoe over zijn urine te drinken en hij spoort Córdoba aan zijn voorbeeld te volgen. Het is een beetje zout maar niet eens zo heel erg vies. Hij drinkt, plast, drinkt dat weer op en plast het weer uit, in een cyclus waardoor hij meent tenminste nog een beetje vocht binnen te krijgen. Maar in feite drogen ze er juist sterker door uit. Alvarenga was al veel langer op de hoogte van de gevaren van het drinken van zeewater. Hoe zeer ze ook smachten naar vocht, ze weten de verleiding te weerstaan om zelfs maar een paar slokken te nemen van de eindeloze hoeveelheden water om hen heen.
‘Ik had zo’n honger dat ik mijn eigen nagels opat, dat ik alle flintertjes doorslikte,’ vertelt Alvarenga me. Hij gaat ertoe over kwallen uit het water te halen. Hij schept ze met zijn handen uit zee en slikt ze in een keer door. ‘Ik voelde het branden boven in mijn slokdarm, maar uiteindelijk viel het nog best mee.’
Na ongeveer veertien dagen op zee ligt Alvarenga te rusten in de koelbox wanneer hij een geluid hoort. Plons, plons, plons. Het ritme van regendruppels op het deksel van de koelbox is onmiskenbaar. ‘Piñata! Piñata! Piñata!’ schreeuwt Alvarenga terwijl hij uit de koelbox kruipt. Zijn maat wordt wakker en helpt hem. De twee mannen scharrelen rond op het dek om het regenwateropvangsysteem in gereedheid te brengen waar Alvarenga in gedachten al twee weken aan werkt. Córdoba boent een grote grijze emmer schoon en zet hem met de opening naar boven aan dek. Boven hun hoofd pakken donkere wolken zich samen en na dagen urine en schildpaddenbloed te hebben gedronken en bijna te zijn omgekomen van de dorst, breekt de hemel open. De mannen zitten met open mond in de regen, rukken de kleren van hun lijf en nemen een douche in een goddelijke stortvloed van zoet water. Binnen een uur staat er drie centimeter water in de emmer, dan vijf centimeter. Lachend drinken de mannen om de paar minuten uit de emmer.
Maar nadat ze zich eerst te buiten gaan aan de watervoorraad nemen ze zich heilig voor het water strikt te rantsoeneren.
Na weken op zee zijn Alvarenga en Córdoba bedreven jagers die hebben geleerd onderscheid te maken tussen de verschillende soorten plastic die in het water drijven. Ze verzamelen alle lege waterflessen die ze maar kunnen vinden. Als er een volle, groene vuilniszak in hun buurt dobbert, grissen de mannen hem uit het water, trekken hem aan boord en scheuren het plastic open. In de zak zit een stuk uitgekauwde kauwgom. Ze delen het stuk, ter grootte van een amandel, en geven zich over aan een ongekende smaaksensatie. Onder een laag vettige, zompige troep treffen ze diverse schatten aan: een halve kool, een paar wortelen en een kwart liter melk – bijna bedorven, maar toch drinken ze het op. Het is het eerste verse voedsel in lange tijd. Eerbiedig eten ze de slappe wortelen.
Nu ze voor enkele dagen eten hebben gehamsterd, en al helemaal nadat ze een schildpad hebben gevangen en opgegeten, vinden Córdoba en Alvarenga enige tijd vertroosting in het schitterende landschap. ‘We praatten over onze moeders,’ zegt Alvarenga. ‘Hoe wij ons hadden misdragen. We baden God om vergiffenis dat we zulke slechte zoons waren geweest. We stelden ons voor dat we ze in onze armen konden sluiten, ze een kus konden geven. We beloofden harder te werken zodat zij niet meer zouden hoeven werken. Maar het was te laat.’
Na twee maanden op zee is Alvarenga eraan gewend geraakt om vogels en schildpadden te vangen en te eten, maar met Córdoba gaat het langzaam bergafwaarts, zowel geestelijk als lichamelijk. Ze zitten op dezelfde boot maar volgen elk een andere koers.
Córdoba is ziek geworden na het eten van rauwe zeevogels en heeft een drastisch besluit genomen: hij weigert nog te eten. Hij pakt met twee handen een waterfles vast maar hij heeft nauwelijks nog de energie en de levenslust om hem aan zijn lippen te zetten. Alvarenga biedt hem kleine stukjes vogelvlees aan en zo nu en dan een stukje schilpaddenvlees. Córdoba houdt zijn lippen stijf op elkaar. De depressie zet zijn lichaam op slot.
De twee mannen sluiten een pact. Als Córdoba het overleeft gaat hij naar El Salvador om de vader en moeder van Alvarenga op te zoeken. Als Alvarenga er levend uitkomt gaat hij terug naar Chiapas om op zoek te gaan naar Córdoba’s godsvruchtige moeder die met een evangelist is getrouwd. ‘Hij heeft me gevraagd zijn moeder te vertellen hoe erg hij het vond dat hij geen afscheid van haar kon nemen en dat ze geen tamales meer voor hem hoeft te maken – hij zei dat ze hem moest loslaten, dat hij weldra bij God zou zijn,’ vertelt Alvarenga.
Om het verlies van zijn maat aan te kunnen, doet Alvarenga domweg alsof het niet gebeurt. “Hoe voel je je nu?” vraagt hij aan het lichaam
‘Ik ga dood, ik ga dood, het duurt nu niet lang meer,’ zegt Córdoba op een ochtend.
‘Denk daar nou maar niet aan. Laten we gaan slapen,’ antwoordt Alvarenga, die naast Córdoba ligt.
‘Ik ben moe, ik wil water,’ kermt Córdoba. Zijn ademhaling is onregelmatig. Alvarenga pakt de waterfles en giet wat in Córdoba’s mond, maar die slikt het niet door. In plaats daarvan gaat hij languit liggen. Zijn lichaam begint te stuiptrekken. Hij kreunt en zijn lichaam verstijft. Ineens raakt Alvarenga in paniek. ‘Laat me niet alleen!’ schreeuwt hij Córdoba in zijn gezicht. ‘Je moet knokken om in leven te blijven. Wat moet ik doen als ik hier alleen achterblijf?’
Om het verlies van zijn maat aan te kunnen, doet Alvarenga domweg alsof het niet gebeurt. ‘Hoe voel je je nu?’ vraagt hij aan het lichaam.
Córdoba geeft geen antwoord. Enkele tellen later sterft hij, met zijn ogen open.
‘Ik zette hem overeind om te zorgen dat hij niet in het water viel. Ik was bang dat een golf hem overboord zou spoelen,’ vertelt Alvarenga. ‘Ik heb uren zitten huilen.’
De volgende ochtend kijkt hij strak naar Córdoba, in de punt van de boot. Hij vraagt aan het lijk: ‘Hoe voel je je? Heb je goed geslapen?’
‘Prima, en jij? Heb je al ontbeten?’ geeft Alvarenga hardop antwoord op zijn eigen vragen, alsof hij Córdoba is die uit het hiernamaals tot hem spreekt. De makkelijkste manier om het verlies te verwerken van zijn enige gezelschap is domweg te doen alsof hij nog in leven is.
Zes dagen na Córdoba’s dood is Alvarenga tijdens een maanloze nacht diep in gesprek met het lijk. Maar dan, alsof hij ontwaakt uit een droom, komt hij ineens met een schok tot de ontdekking dat hij met een dode praat. ‘Ik heb eerst zijn voeten gewassen. Zijn kleren kon ik nog gebruiken, dus ik heb hem zijn korte broek en zijn trui uitgetrokken. De trui heb ik zelf aangetrokken – de trui was rood, met kleine doodshoofdjes en gekruiste beenderen – en toen heb ik hem overboord gezet. Op het moment dat ik hem in het water liet glijden heb ik het bewustzijn verloren.’
Gekmakende schepenparade
Wanneer Alvarenga enkele minuten later weer bijkomt, is hij als de dood. ‘Wat moest ik in mijn eentje beginnen? Zonder iemand om mee te praten?’ zegt hij tegen me. ‘Waarom was híj overleden en niet ik? Ik had hem gevraagd om mee te gaan vissen. Ik voelde me verantwoordelijk voor zijn dood. Maar zijn wil om te leven en zijn angst voor zelfmoord (zijn moeder had hem op het hart gedrukt dat mensen die zelfmoord plegen nooit in de hemel komen) zorgen ervoor dat hij blijft zoeken naar oplossingen en dat hij de horizon blijft afspeuren naar schepen. Zonsopgang en zonsondergang zijn de beste momenten, wanneer wazige vormen aan de horizon scherp afgetekende vormen aannemen en de zon nog draaglijk is. Als zijn ogen zijn scherpgesteld kan Alvarenga zien dat een stipje aan de horizon een schip is. Als het schip dichterbij komt kan hij vaststellen wat voor soort schip het is – meestal een trans-Atlantisch containerschip – terwijl het voorbijkruipt. De zeeschepen, die op het oog moeiteloos het wateroppervlak doorsnijden, zonder zichtbare bemanning of bovendekse activiteit, doen haast denken aan drones boven zee. Elke keer als hij een schip ziet voelt Alvarenga de adrenaline door zijn aderen jagen en springt hij uren lang op en neer op het dek, driftig met zijn armen zwaaiend. Zo’n twintig verschillende containerschepen varen hem voorbij, maar de gekmakende schepenparade blijft hem keer op keer van hoop vervullen. Stormen beuken in op zijn bootje, maar naarmate hij verder op open zee komt lijken de stormen minder lang te duren en beter te hanteren.
Alvarenga laat zijn fantasie de vrije loop teneinde zijn verstand niet te verliezen. Hij fantaseert een alternatieve werkelijkheid bij elkaar die zo levensecht is dat hij later in alle oprechtheid zal zeggen dat hij lekkerder heeft gegeten dan ooit en de beste seks van zijn leven heeft gehad. Hij raakt er steeds bedrevener in zijn eenzame bestaan om te toveren in een fantasiewereld. Hij begint zijn ochtenden met een lange wandeling. ‘Ik liep heen en weer op de boot en stelde me voor dat ik over de wereld doolde. Op die manier kon ik mezelf wijsmaken dat ik tenminste ergens mee bezig was. Anders zou ik daar maar zitten en aan de dood denken.’ Met een bonte stoet van familieleden, vrienden en geliefden weet Alvarenga de barre realiteit op afstand te houden.
Als kleine jongen had hij van zijn opa geleerd hoe hij met behulp van de maanstanden de tijd kon bijhouden. Moederziel alleen op open zee weet hij precies hoeveel maanden hij al ronddobberde; hij weet dat hij vijftien maancycli heeft meegemaakt terwijl hij door onbekend gebied dwaalt. Hij is ervan overtuigd dat hierna de hemel zal volgen.
Hij wordt meegevoerd op een stroming wanneer hij plotseling landvogels aan de hemel ziet verschijnen. Alvarenga blijft maar naar de lucht staren. Hij krijgt kramp in zijn nek. Uit de mist doemt een tropisch eiland op. Een lieflijk groene atol, een heuvel midden in een caleidoscoop van turkooizen wateren. Hallucinaties duren nooit zo lang. Zijn Alvarenga’s gebeden eindelijk verhoord? Koortsachtig gaat hij allerlei doemscenario’s af. De wind zou hem uit koers kunnen brengen. Hij zou terug kunnen drijven – dat zou niet voor het eerst zijn. Hij kijkt strak naar het land terwijl hij probeert allerlei details van de kustlijn te onderscheiden. Het is een klein eiland, niet veel groter dan een voetbalveld, schat hij. Het ziet er onherbergzaam uit, geen wegen, geen auto’s en geen huizen.
Met zijn mes snijdt hij de verweerde lijn met drijvers los. Het is een ingrijpend besluit. Op open zee, zonder drijfanker, kan hij gemakkelijk omslaan, zelfs in een lichte storm. Maar Alvarenga ziet heel duidelijk de kustlijn en hij gokt dat snelheid nu belangrijker is dan stabiliteit.
Binnen een uur is hij naar het strandje gedreven. Op tien meter van de kust duikt Alvarenga het water in en zwemt ‘als een waterschildpad’, totdat een grote golf hem optilt en hem ver op het strand smijt, als een stuk wrakhout. De golf rolt terug en Alvarenga ligt met zijn gezicht in het zand. ‘Ik graaide in het zand alsof het een kostbare schat was,’ zal hij me later vertellen.
Naakt kruipt de uitgehongerde visser over een tapijt van vochtige palmbladeren, scherpe stukken kokosnoot en geurige bloemen. Hij kan niet langer dan een paar tellen blijven staan. ‘Ik was volkomen uitgeteld en uitgemergeld,’ zegt hij. ‘Ik was niet meer dan een maag en ingewanden, met botten, en daaromheen een huid. Mijn armen waren vel over been. Mijn benen waren graatmager en niet om aan te zien.’
Alvarenga weet het zelf niet, maar hij is aangespoeld op Tile Islet, een eilandje dat deel uitmaakt van het Ebon-atol, op het zuidelijke puntje van de 1156 eilanden die samen de Republiek van de Marshalleilanden vormen, een van de meest afgelegen plekken op aarde. Een boot die vanaf Ebon op zoek gaat naar land moet ofwel vierduizend zeemijl in noordoostelijke richting varen om bij Alaska te komen of tweeënhalfduizend zeemijl in zuidwestelijke richting naar Brisbane, in Australië. Als Alvarenga Ebon had gemist, had hij ergens ten noorden van Australië rondgedobberd om misschien uiteindelijk in Papoea-Nieuw-Guinea aan land te komen – al is het waarschijnlijker dat hij nog drieduizend zeemijl door zou zijn gedobberd richting de oostkust van de Filipijnen.
Strompelend baant hij zich een weg door het struikgewas en staat dan ineens voor een klein kanaaltje dat van het strandhuis komt van Emi Libokmeto en haar man Russel Laikidrik. ‘Ik kijk op en zie daar een blanke man staan,’ zegt Emi, die op het eiland kokosnoten van hun bolster ontdoet en droogt. ‘Hij schreeuwt. Hij ziet er uitgehongerd en verzwakt uit. Mijn eerste gedachte was: hij is hiernaartoe komen zwemmen, hij is vast van een schip gevallen.’
Nadat ze elkaar heel behoedzaam zijn genaderd, vragen Emi en Russel hem binnen. Alvarenga tekent een boot, een man en een kustlijn. Dan geeft hij het op. Hoe kan hij met een stokje in het zand een reis van zevenduizend mijl over zee uitbeelden? Zijn ongeduld speelt op. Hij vraagt om medicijnen. Hij vraagt om een arts. Het stel glimlacht en schudt vriendelijk het hoofd. ‘Hoewel we elkaar niet verstonden, begon ik aan een stuk door te praten,’ vertelt Alvarenga me. ‘Ik praatte maar en praatte, en we gierden het alle drie uit van het lachen. Ik weet niet precies waarom zij lachten. Ik lachte omdat ik was gered.’
Na een ochtend voor de drenkeling te hebben gezorgd en hem eten te hebben gegeven, vaart Russel over een lagune naar de hoofdstad, tevens havenstad, van het eiland Ebon, waar hij de burgemeester om hulp vraagt. Binnen enkele uren is er een heel team gevormd, compleet met politie en een verpleegster, om Alvarenga te redden. Men moet hem overhalen om met een boot mee terug te gaan naar Ebon. Terwijl men de verwilderde man een beetje probeert op te lappen en hem details over zijn reis probeert te ontfutselen, tipt een antropoloog uit Noorwegen die tijdelijk op het eiland verblijft, de Marshall Islands Journal.
Verslaggevers uit Hawaï, Los Angeles en Australië haasten zich naar het eiland om de vermeende schipbreukeling te interviewen. Verslaggevers proberen alle tot de verbeelding sprekende details te achterhalen en er wordt gevochten om de enige telefoonlijn die het eiland rijk is. Alvarenga’s verhaal bevat voldoende controleerbare gegevens om het geloofwaardig te maken: de aanvankelijke melding van een vermissing, de zoekactie, de afgelegde reis die overeenkomt met de oceaanstromingen, en het feit dat hij uitzonderlijk verzwakt is.
Maar op internet en in redactiekamers over de hele wereld brandt de discussie los: is dit de meest opmerkelijke overlever sinds Ernest Shackleton, of de grootste bedrieger sinds de Hitler-dagboeken? Overheidsinstanties weten Alvarenga’s baas op te sporen, die kan bevestigen dat het registratienummer van de boot waarin hij is aangespoeld overeenkomt met het nummer van de boot die op 17 november 2012 is uitgevaren om nooit meer terug te keren. _Guardian_-verslaggever Jo Tuckman interviewt Jaime Marroquín, hoofd van een opsporingsteam, die uitvoerig vertelt over de vertwijfelde zoektocht naar Alvarenga en Córdoba. ‘Het stormde verschrikkelijk,’ zegt Marroquín. ‘Na twee dagen moesten we opsporingsvluchten stopzetten omdat het zicht zo slecht was.’
Ik ga op onderzoek uit, praat met mensen her en der aan de kust van Mexico. Ik bestudeer medische rapporten, kaarten, praat met mensen die zijn gespecialiseerd in overlevingstechnieken – zowel mensen van de Amerikaanse kustwacht als de zogeheten Navy SEAL’s – en met Ivan MacFadyen en Jason Lewis, twee avonturiers die dat deel van de Grote Oceaan zijn overgestoken. Ik heb gesproken met oceanografen en vissers die bekend zijn in het gebied. Ze zeggen allemaal dat Alvarenga’s verslag van het leven op zee overeenkomt met wat zij zouden verwachten. Toen hij op de Marshalleilanden in het ziekenhuis werd opgenomen, is hij gebriefd door medewerkers van de Amerikaanse ambassade die zeggen te hebben geconstateerd dat Alvarenga’s zeer gehavende lichaam onder de littekens zat. ‘Hij heeft heel lang op zee vertoefd,’ zegt de ambassadeur van de Verenigde Staten.
Ondertussen gaat op de Marshalleilanden Alvarenga’s gezondheid steeds meer achteruit. Zijn benen en voeten zijn opgezet. De artsen vermoeden dat het weefsel zo lang met een watertekort heeft gekampt dat het nu alle vocht vasthoudt. Maar na elf dagen zijn de artsen van mening dat Alvarenga’s lichamelijke conditie stabiel genoeg is om naar El Salvador te reizen, waar hij herenigd zal worden met zijn gezin.
Er wordt vastgesteld dat hij aan bloedarmoede lijdt en de doktoren vermoeden dat zijn lever is geïnfecteerd met parasieten door zijn dieet van rauwe schildpad en rauwe vogels. Alvarenga is ervan overtuigd dat de parasieten naar zijn hoofd kunnen stijgen en zijn hersenen kunnen aantasten. Hij kan niet goed slapen en hij moet veel aan de dood van Córdoba denken. Het is een heel ander verhaal om in je eentje te moeten vieren dat je het hebt overleefd. Zodra hij voldoende is aangesterkt reist hij naar Mexico om zijn belofte in te lossen en de boodschap over te brengen aan Anna Rosa, de moeder van Córdoba. Hij blijft twee uur bij haar en beantwoordt al haar vragen.
Het leven aan wal is niet eenvoudig: Alvarenga is maanden in shock geweest. Hij heeft een diepe angst ontwikkeld, niet alleen voor de zee, maar ook voor alleen al de aanblik van water. Hij slaapt met het licht aan en hij kan niet alleen zijn. Niet lang nadat hij aan land is gekomen neemt hij een jurist in de arm om de mediaverzoeken af te handelen die hem van over de hele wereld bereiken. Later besluit hij zich door iemand anders te laten vertegenwoordigen, en de eerdere jurist dient een claim in van enkele miljoenen wegens contractbreuk.
Pas een jaar later, als de mist in zijn hoofd enigszins is opgetrokken en hij op de kaart zijn tocht over de Grote Oceaan probeert na te trekken, dringt enigszins tot Alvarenga door wat een onvoorstelbare reis hij heeft gemaakt. Hij heeft 438 dagen op de rand van de waanzin gebalanceerd. ‘Ik had te kampen met honger en dorst en een ongekende eenzaamheid, maar toch heb ik niet de hand aan mezelf geslagen,’ zegt Alvarenga. ‘Je leeft maar één keer – dus je moet er het beste van zien te maken.’
Het boek 438 days van Jonathan Franklin wordt uitgegeven door Atria books, een imprint van Simon & Schuster, New York.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.