Tag: schrijvers

  • Peru: schrijver Mario Vargas Llosa op 89-jarige leeftijd overleden

    Peru: schrijver Mario Vargas Llosa op 89-jarige leeftijd overleden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ecuador: zittend president Daniel Noboa herkozen

    » Rusland voert aanval uit op centrum van Oekraïense stad Soemy: 34 doden

    Hij won in 2010 de Nobelprijs voor de Literatuur

    De Peruviaanse schrijver en Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa is overleden. De francofiel, die in zijn jeugd Jules Verne en Alexandre Dumas had gelezen, lang voordat hij werd verkozen tot lid van de Académie Française, begon zijn carrière als het ware op de militaire school waar zijn vader hem naartoe had gestuurd, aldus El Comercio. Leerlingen van de kostschool betaalden hem om liefdesbrieven te schrijven.

    In 1959 verhuisde hij naar Frankrijk, waar hij werkte als vertaler, leraar en journalist. Zijn eerste roman, De stad en de honden, werd gepubliceerd in 1963. Daarna volgden Het groene huis – ‘een roman die me bijna deed walgen van literatuur en bijna van het leven, omdat ik tijdens het schrijven onuitsprekelijke dingen heb geleden’, aldus Llosa – en Gesprek in de kathedraal.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    In 1976 gaf hij de Colombiaanse auteur Gabriel García Márquez een klap op zijn linkeroog. Het gebaar markeerde het einde van een lange vriendschap tussen de twee schrijvers, meldt El Comercio. Het geheim van hun breuk is nooit opgelost. Twee jaar later publiceerde hij De eeuwige orgie, ‘een essay waarin hij zijn fascinatie voor Gustave Flaubert beschrijft, misschien wel de schrijver die hem het meest heeft beïnvloed’.

    Mario Vargas Llosa deed mee aan de presidentsverkiezingen van 1990 en verloor in de tweede ronde van Alberto Fujimori. Daarna bemoeide hij zich niet meer met de politiek. De schrijver kreeg in 2010 de Nobelprijs voor Literatuur ‘voor het in kaart brengen van machtsstructuren en zijn scherpe visie op individueel verzet, rebellie en het falen ervan’.

  • In Latijns-Amerika is horror onderdeel van het dagelijks leven

    In Latijns-Amerika is horror onderdeel van het dagelijks leven

    Latijns-Amerikaanse schrijvers als Mónica Ojeda en Samantha Schweblin zijn belangrijke namen in een nieuw soort gothic literatuur. Hun ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ verbeeldt de terreur waar veel vrouwen van Mexico tot Argentinië dagelijks mee te maken hebben.

    ‘Ik ben een auteur van korte verhalen, dus ik ga het ook kort houden.’ Met deze woorden sprak de Argentijnse schrijver Samantha Schweblin afgelopen woensdag tegenover een New Yorks publiek haar dank uit bij de uitreiking van de National Book Award, een van de meest prestigieuze literaire prijzen van de Verenigde Staten. Ze deelt haar prijs in de categorie vertaalde literatuur met Megan McDowell, die zorg droeg voor de Engelse vertaling van de winnende verhalenbundel Siete casas vacías (Seven Empty Houses, in het Nederlands vertaald als Zeven lege huizen).

    Het is al de derde prijs waarmee de schrijver zich dit jaar profileert. Bovendien is ze de eerste Argentijnse die de National Book Award wint sinds Cortázar dat in 1967 deed met Rayuela: een hinkelspel. Schweblin was echter niet de enige genomineerde Latijns-Amerikaanse schrijver: finaliste in dezelfde categorie was Mónica Ojeda uit Ecuador met haar roman Mandíbula (in het Engels vertaald als Jawbone). Al verschilt Schweblins stijl van die van Ojeda, Siete casas vacías en Mandíbula hebben veel gemeen: beide boeken ademen een ongewone sfeer waarin de horror flirt met het bovennatuurlijke maar ook deel uitmaakt van het verontrustende, gewelddadige dagelijkse leven van de personages. 

    GettyImages 846140432
    Voor de Calabiuza-parade tijdens de viering van de Dag van de Doden in San Salvador, El Salvador, schminken kinderen een doodshoofd op hun gezicht. Op deze feestdag worden precolumbiaanse tradities gecombineerd met de katholieke versie van Allerheiligen. – © Jan Sochor / Getty Images

    Schweblin en Ojeda zijn twee van de bekendere namen in een reeks Latijns-Amerikaanse schrijvers van wat Alejandra Amatto, onderzoeker aan de Universidad Nacional Autónoma de México (UNAM) en coördinator van het Seminar over Fantastische Literatuur aan dezelfde instelling, typeert als niet-realistische literatuur. In het rijtje Latijns-Amerikaanse schrijvers met succes bij zowel de kritiek als het publiek en met speciale belangstelling voor ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ horen ook Mariana Enríquez, Liliana Colanza, María Fernanda Ampuero, Giovanna Rivero, Cecilia Eudave en Fernanda Trías thuis.

    Dagelijkse horror 

    ‘Sinds 2016 is niet alleen de belangstelling bij het lezerspubliek gegroeid, ook uitgeverijen publiceren en verspreiden inmiddels gretig het werk van diverse Latijns-Amerikaanse schrijvers,’ laat Alejandra Amatto aan elDiario.es weten. ‘In de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw vond een herijking van niet-realistische genres plaats die boven tafel brengen wat de ware dagelijkse vormen van terreur zijn voor ons als Latijns-Amerikaanse vrouwen,’ aldus de academica.

    Het gaat niet aan om zulke uiteenlopende schrijvers uit verschillende windstreken te reduceren tot een bepaalde generatie of een uitgeeffenomeen, maar Mónica Ojeda (Guayaquil, 1988) is het met Amatto en andere door elDario.es geïnterviewde schrijvers eens dat de laatste jaren een groter onthaal ten deel viel aan literatuur ‘waarin wordt gewerkt met angst’. ‘Ik denk dat het te maken heeft met het feit dat we leven in een wereld die steeds angstaanjagender wordt en dat we die benaderen vanuit nieuwe invalshoeken, bijvoorbeeld vanuit de angst voor raciaal of seksueel geweld,’ licht ze telefonisch toe. Voor Ojeda zit het bijzondere van de Latijns-Amerikaanse schrijvers in het feit dat ze ‘de angst via de geografie belichten’. ‘Omdat onze geografie vanuit het globale noorden altijd als een perifere en marginale plek is gezien, brengen we de lezers iets nieuws waar ze tevoren geen weet van hadden. Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald, daarom levert de beschrijving ervan overal een andere filosofie van de angst op,’ benadrukt ze.

    Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald

    Deze geografische component van de angst krijgt zorgvuldig gestalte in uiteenlopende thematische interesses: Enríquez schrijft over vormen van staatsterreur die te maken hebben met de dictatuur in Chili, Argentinië en Uruguay, Colanzi behandelt de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en de landonteigening die veel inheemse groeperingen treft in landen als Bolivia, en auteurs als Ojeda of Ampuero richten zich op patriarchale vormen van geweld in de intiemere, familiaire context, die niettemin verbonden is met de realiteit van Ecuador. ‘Het is niet alleen een thematisch maar ook een structureel perspectief, dat kan worden beschouwd vanuit de context van het genre en van de Latijns-Amerikaanse geografie, maar de reikwijdte is universeel: schrijvers als Enríquez zijn in meer dan vijftig landen vertaald,’ aldus Amatto. 

    Ojeda wijst er ook op dat veel van haar tijdgenoten ‘schrijven over angst en terreur maar niet per se vanuit het genre’. Amatto is het met haar eens en beaamt dat deze Latijns-Amerikaanse schrijvers uit de niet-realistische hoek de mechanismen van het kwaad doorgronden zonder de klassieke parameters van het genre te hoeven volgen, en zich bovendien laten inspireren door nationale en regionale esthetische tradities – de fantastische literatuur van Argentinië, de gothic van de Andes of de ‘zonderlinge’ literatuur van Uruguay – met thematische en esthetische overlappingen.

    GettyImages 1179293733
    © Jan Sochor/Getty Images

    ‘Deze schrijvers werken niet vanuit afgebakende genres en de kritiek moet altijd waken om niet alles over één kam te scheren; zo kunnen we in het geval van Mariana Enríquez denken aan fantastische, angstaanjagende teksten, en in dat van Lilianza Colanzi zie je een mix van Andes-elementen en sciencefiction,’ specificeert de onderzoekster van de UNAM.

    Herontdekt

    Elena Garro, Amparo Ávila, Inés Arredondo, Armonía Sommers en Silvina Ocampo zijn enkele van de Latijns-Amerikaanse schrijvers die zich in de twintigste eeuw bezighielden met horror en fantastische en speculatieve thema’s en nu worden herontdekt door nieuwe generaties schrijvers en vrouwelijke academici. ‘Het genre was vanaf het begin moeilijk in kaart te brengen en werd als minderwaardig beschouwd omdat daarin vanzelfsprekend de dominante maatschappelijke thema’s en codes worden gemeden of juist uit diverse hoeken en percepties worden bevraagd,’ zegt Lola Ancira (Querétaro, 1987), een van de schrijvers die in het Latijns-Amerikaanse panorama uitblinkt met boeken als Despojos of El vals de los monstruos. ‘Ik juich alles wat er rondom door vrouwen geschreven genrefictie gebeurt enorm toe, want die werd decennialang niet erkend of serieus genomen.’

    De Mexicaanse Laura Baeza (1988, Campeche), die in haar verhalenbundel Una grieta en la noche Mexico-Stad gebruikt als spookachtig decor, denkt dat het succes van de Latijns-Amerikaanse schrijvers met hun niet-realistische werk ‘verder gaat dan een historische rechtzetting of een uitgeeffenomeen, maar te maken heeft met hun kwaliteit. ‘Overigens,’ zegt ze, ‘juich ik het toe dat velen bij onafhankelijke uitgeverijen publiceren. Ook de migratie verbindt ons. Er is nog geen aanduiding voor de schrijvers van Midden-Amerika tot aan de grens met de Verenigde Staten, en we moeten het ook hebben over Guatemala, over Belize, over de grens vanuit het specifieke oogpunt van de terreur.’

    ‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd’

    ‘Wij zijn de erfgenamen van een Latijns-Amerikaanse literatuur waarin het fantastische genre heel belangrijk was en groeiden op in een tijd waarin zich de democratisering van de film en de popcultuur voltrok, met alle gruwelverhalen van dien,’ verklaart María Fernanda Ampuero (Guayaquil, 1976), die in de verhalenbundels Pelea de gallos en Sacrificios humanos huiselijk geweld en vrouwenmoorden aankaart met een stijl die zowel bloederig als poëtisch kan zijn. ‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd, sinds onheuglijke tijden is er die maatschappelijke bezorgdheid die niet te maken heeft met een satanische idee-fixe maar met wat ons in het echte leven overkomt, en ik gebruik dat mechanisme, dat ik goed ken, om over onze tijd te spreken.’

    Ojeda schrijft naar eigen zeggen niet om maatschappelijke thema’s aan te kaarten, want voor haar ‘is de literatuur geen middel maar een doel op zich’, wat niet betekent dat zij of andere schrijvers als zij hun ogen sluiten voor bepaalde misstanden in Latijns-Amerika, zoals de vrouwenmoorden, de verdwijningen en andere gewelddaden die in het bijzonder vrouwen treffen. ‘Ik voel dat ik veel gemeen heb met schrijvers die de angst, het geweld en de pijn voelbaar willen maken. Ik weet niet of je kunt spreken van een generatie, maar ik zie wel overeenkomsten qua interesses, al vind ik het vooral boeiend om de verschillen en het eigene van iedere blik binnen een collectief te herkennen,’ aldus Ojeda. ‘Het lijkt me niet goed om de eigenaardigheden van bepaalde schrijvers te verdoezelen om ze maar te laten passen in een bepaald frame.’

    Verwantschap

    Baeza zegt zich juist onderdeel te voelen van ‘een generatie die zich voedt met andere generaties’. Eerder heeft ze de roman Niebla ardiente gepubliceerd met de gruwelijke vrouwenmoorden in Mexico als uitgangspunt, maar de bundel Una grieta en la noche is haar eerste horrorboek. In een land waar iedere dag tien vrouwen worden vermoord blijft Baeza schrijven over femicide, want ‘dat is waarmee ik iedere dag wakker word’. ‘Maar,’ zegt ze, ‘ik moest daarvoor wel de werkelijkheid vervormen, en die vrijheid heb ik binnen dit genre en het korte verhaal, dat voor mij een onuitputtelijk laboratorium is.’

    ‘Ik voel verwantschap met een heleboel andere Latijns-Amerikaanse schrijvers wat hun zoektocht betreft, maar niet qua resultaat. Ieder van ons volgt een eigen weg, de een schrijft realistisch, de ander schept een complete kosmogonie,’ benadrukt María Fernanda Ampuero. Los van het strikt literaire voelt ze zich als vrouw met andere Latijns-Amerikaanse schrijfsters verbonden in de aanklacht: ‘Wij zijn bang, wij maken ons grote zorgen om het geweld tegen vrouwen en meisjes, tegen het ecosysteem, tegen de inheemse gemeenschappen die de strijd aangaan met grote ondernemingen, en dat komt vanzelfsprekend in de literatuur terecht.’

    La creacion de las aves Remedios Varo 2
    In La creación de las aves combineert de Mexicaanse surrealistische schilder Remedios Varo een hoge dosis surrealisme, symboliek en fantasie. Een vreemd wezen, een kruising tussen uil en mens, gebruikt wetenschap en magie om verschillende vogels te creëren. – © Museo de Arte Moderno de México

    Er is weliswaar een lange rij van in de jaren zestig, zeventig of begin tachtig geboren schrijvers die volledig door de kritiek en de lezers zijn omarmd, maar er zijn ook schrijvers die nu doorbreken en aandachtig naar de vorige lichting kijken. Alicia Mares (1996) en Andrea Chapela (1990), beiden uit Mexico, publiceerden onlangs in Spanje hun verhalenbundels Cocodrilario (uitgegeven door Horror Vacui) en Ansibles, perfiladores y máquinas de ingenio (uitgegeven door Almada). Mares gebruikt lijfelijke, brute horror die direct is terug te voeren op bijvoorbeeld Ojeda’s stijl, terwijl Chapela in verschillende van haar verhalen een apocalyptisch en hypertechnologisch Mexico oproept.

    ‘Al spelen mijn verhalen in Tlaxcala, Tijuana of Veracruz, wat ik beschrijf is een terreur die zich afspeelt in een intiem bestek, binnen de vier muren van een huis, in een gemeenschap,’ vertelt Mares, terwijl ze als haar grote voorbeelden onder andere de verhalenbundel Las voladoras van Mónica Ojeda noemt en meer schrijvers uit de Andes, zoals Giovanna Rivero. Mares maakt deel uit van een generatie die veel van haar literaire voorbeelden heeft leren kennen via sociale media, wat voor Amatto het succes verklaart van deze schrijvers, die met hun volgers in gesprek zijn en in real time berichten delen, een manier om literatuur buiten academische en specialistische kringen te verspreiden.

    Eigen stijlmiddelen

    Lola Ancira komt nog met namen als Viridiana Carrillo, Magdalena López en Yesenia Cabrera, ‘die het genre ieder voor zich benaderen vanuit eigen perspectieven en met eigen stijlmiddelen’. ‘De nauwste band die ik voel met andere schrijvers van mijn generatie betreft het onheilspellende en lichamelijke: linksom of rechtsom komt de vrouwelijke lichamelijkheid in ons werk aan bod,’ meent ze. ‘En ook het vraagstuk van het afwijkende moederschap. Thema’s die tot voor kort te intiem en onbeduidend werden gevonden, terwijl juist het intieme eigenlijk het publieke verandert.’

    De canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen

    Het is een feit: de canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen. Schweblin wilde het in haar dankwoord dan misschien kort houden, maar zowel zij als vele andere Latijns-Amerikaanse schrijvers hebben nog een lange weg te gaan. ‘Wat ik belangrijk vind is dat we elkaars werk lezen, ik leer van degenen die er waren, die er zijn, en die net komen kijken,’ aldus Laura Baeza. En Ojeda acht de speculatieve, horror-gerelateerde literatuur niet alleen waardevol om ‘je eigen tijd goed te lezen, maar ook om te anticiperen op de toekomst’. ‘Interessant voor Latijns-Amerika is dat vele schrijvers zich via deze genres afwenden van de richtsnoeren van het globale noorden en naar binnen kijken, naar wat hen omringt: ze distantiëren zich van de canon die is geschreven door witte mannen en gaan nadenken over hoe het bij henzelf toegaat – speculatieve fictie op een andere plek, dat is het echt interessante,’ concludeert ze.

  • In Libië wordt de geschiedenis geschreven door vrouwen

    In Libië wordt de geschiedenis geschreven door vrouwen

    Volgens wetenschapper en schrijver Najwa Bin Shatwan wacht Libië op het moment dat zijn burgers als feniksen uit de as verrijzen. Inmiddels plaatsen vrouwelijke auteurs in het tijdperk na oud-dictator Moammar Gaddafi de verhalen van het land in een nieuwe context.

    Hawwa – de Arabische naam voor Eva – is een tienermeisje in het landelijke Benghazi, in de jaren zestig. Ze weet meerdere zwangerschappen te overleven nadat ze is uitgehuwelijkt aan Adam, een vrachtwagenchauffeur, en ze strijdt voor haar vrijheid en haar reproductieve rechten. Dit verhaal is terug te vinden in The Horses’ Hair, de veelgeprezen roman van de Libische wetenschapper en schrijver Najwa Bin Shatwan. In feite is dit het verhaal van de erfzonde, maar dan met zwarte humor verteld door een ongeboren kind dat de lezer de tragische levensloop van de ouders toont.

    Het boek doet denken aan feministische hervertellingen zoals Circe, de roman uit 2018 waarin de Amerikaanse schrijver Madeline Miller enkele Griekse mythen hervertelt vanuit het perspectief van een tovenares, die normaal gesproken wordt afgeschilderd als de slechterik. Op vergelijkbare wijze kijkt Shatwan in haar oeuvre door een vrouwelijke bril naar de Libische geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw. ‘Bin Shatwans beschrijvingen van vrouwelijke auteurs die in Libië kunnen rekenen op censuur vanuit de maatschappij zelf, laten zien dat schrijven voor een vrouw een revolutionaire daad is’, schreef journaliste Orna Herr in het mondiale literaire tijdschrift Index on Censorship.

    Shatwan maakt deel uit van een groeiende groep Libische schrijvers die meer ruimte creëren voor een gendergerelateerde kijk binnen de literatuur. Dit markeert een belangrijk omslagpunt in het nog altijd kleine literaire wereldje in Libië. Door complexe vrouwelijke personages neer te zetten dragen steeds meer Libische schrijvers voorzichtig hun ideeën uit over gendergelijkheid.

    Gedomineerd door mannelijke schrijvers

    Van oudsher wordt de Libische literatuur gedomineerd door mannelijke schrijvers, die hun eigen archetypen gebruiken om belangrijke historische momenten te beschrijven en de realiteit van het moment te doorgronden. Bekende voorbeelden zijn de dichter Khaled Mattwa uit Benghazi, die bekendheid verwierf door met een unieke flair te verhalen over legenden en keerpunten in de geschiedenis, of Alessandro Spina, die dieper in de Libische geschiedenis dook met een reeks romans, waaronder The Confines of the Shadow.

    Maar de laatste jaren zijn er steeds meer vrouwelijke auteurs op het toneel verschenen: Libische vrouwen of Italiaanse vrouwen die in Tripoli zijn geboren. Zij nemen de geschiedenis van het land onder de loep, grofweg vanaf 1900, maar dan vanuit vrouwelijke personages. Denk aan Alma Abate, die in Ultima estate in suol d’amore de opkomst van de in 2011 gedode despoot Moammar Gaddafi bekijkt door de ogen van Sara. Of denk aan Maryem Salama, die in From Door to Door schrijft over gemengde huwelijken in de beginjaren van de twintigste eeuw, met als vertelstem de jonge verpleegkundige Fatima. Door op die manier naar de geschiedenis te kijken, proberen ze te breken met het beeld van de vrouw als lijdzaam object.

    Safa Elnaili, verbonden aan de Arabische faculteit van de Universiteit van Ala-bama, signaleerde deze trend toen ze onderzoek deed naar de korte verhalen die waren gepubliceerd op Almostakbal, een populaire Libische website. Wat haar trof was de centrale rol van vrouwen in deze narratieven, iets wat nieuw was binnen de Libische literaire canon. ‘De geschilpunten in deze verhalen worden belicht vanuit de positie van het vrouwelijke personage in relatie tot familieleden, de maatschappij en de sociopolitieke context,’ zegt ze.

    In de begintijd van Gaddafi’s bewind, in de jaren zeventig, riep de regering een uitgeverij in het leven. Alle auteurs moesten zich in hun geschriften positief uitlaten over de autoriteiten, en wie dat weigerde werd gevangengezet of gedwongen het land te verlaten, of kreeg een verbod om ooit nog te schrijven.

    Afvlakking

    In 2013, twee jaar na het begin van de revolutie die zou leiden tot de val van Gaddafi, schreef Maryem Salama, een schrijver en dichter uit Tripoli, een gedicht waarin ze het beeld gebruikte van vuurwerk dat wordt aangestoken. Omdat er geen uitgeeftraject beschikbaar was, publiceerde ze het op haar Facebookpagina. Een paar uur later reageerde iemand: ‘Dank je. Ik huil nog steeds van brandend geluk in een dood huis.’

    ‘Dank je. Ik huil nog steeds van brandend geluk in een dood huis’

    Het beeld is Salama altijd bijgebleven en sindsdien gebruikt ze de allegorie van een feniks om naar haar land te verwijzen. ‘Libië zit nog midden in zijn ontstaansgeschiedenis. Het moment is nog niet daar dat de grote vogel uit de as herrijst,’ zegt ze tijdens een videogesprek. ‘Het land wacht op het moment dat de Libische burgers de verantwoordelijkheid nemen om uit te groeien tot een groots volk van een groots land. Ze moeten lezen, ze moeten kennis opdoen en ze moeten handelen.’

    Dat proces is met name van cruciaal belang in een land waar Gaddafi de Libische geschiedenis heeft herschreven om zijn eigen doelen te dienen. Naast het feit dat hij de uitgeefwereld inlijfde, maakte hij korte metten met alles wat zijn visie van Libië als homogene Arabische maatschappij kon ondermijnen. Het Tamazight, de taal en het schrift van de Berbers (een etnische groep in Libië en andere Noord-Afrikaanse landen), werd ver-boden en mocht niet meer worden onderwezen. Wie opkwam voor de cultuur en de rechten van de Berbers werd vervolgd, gevangengezet of zelfs vermoord. Dat betekende een afvlakking van de culturele diversiteit.

    ‘Gaddafi’s historisch revisionisme heeft een zwart gat geslagen in het histogram… voor Libiërs,’ zegt uitgever Ghassan Fergiani, een man van in de zeventig die in Tripoli woont. ‘Negentig procent van de Libiërs is geboren rond of na de periode dat Gaddafi aan de macht kwam. Zijn versie van de geschiedenis van Libië is dat alles pas begon toen hij aan het bewind kwam.’

    In de jaren vijftig, het decennium waarin Libië zijn onafhankelijkheid verwierf, opende Fergiani’s vader, Mohammed Bashir Fergiani, drie goedlopende boekwinkels in Tripoli. Daarnaast zette hij ook de uitgeverij Dar Al Fergiani op. Nadat Gaddafi in 1969 aan de macht was gekomen, werd het bedrijf op last van de autoriteiten gesloten en emigreerde het gezin naar Engeland. In Londen stelde Fergiani’s vader zijn leven in dienst van een zoektocht naar oude edities en zeldzame uitgaven uit Libië en de Arabisch-sprekende wereld – boeken die hij vervolgens herdrukte met zijn nieuwe bedrijf, Darf Publishing.

    Boegbeeld

    Een van de auteurs die zijn zoon momenteel uitgeeft is Salama. De zesenvijftigjarige, wier boeken zich richten op de positie van vrouwen in de Libische samenleving, is door recensenten wereldwijd bejubeld als het boegbeeld van een nieuwe generatie Libische schrijvers. 

    Salama legt uit dat Gaddafi een gevoel van onzekerheid bij de Libiërs in de hand werkte door valse informatie te verstrekken. Vóór Gaddafi hadden schrijvers de mogelijkheid om zich op natuurlijke wijze te ontwikkelen, te groeien, en nieuwe manieren te zoeken om met Libische tradities om te gaan en tot een nieuwe, hedendaagse cultuur te komen. ‘Die natuurlijke mogelijkheid werd ingeperkt door de vuist van Big Brother,’ zegt ze ernstig. ‘We zijn opgegroeid in een stalen kooi, wisten niet meer dan wat hij wilde dat we wisten, hadden niet meer manoeuvreerruimte dan zijn instructies. De Libische vrouwen hebben daar het meest onder geleden.’

    Maar naar verluidt werden deze vrouwen door Gaddafi ook lastiggevallen en misbruikt

    We spreken elkaar in een videogesprek. Salama geeft me een virtuele rond-leiding en laat me de boeken zien in de kast naast haar. Haar gezicht begint te stralen als ze haar eigen boeken in het Arabisch en het Engels uit de kast haalt. ‘Niet om op te scheppen,’ zegt ze grappend, ‘maar om je te laten zien hoe die boeken eruitzien.’ De schrijver werkt aan een boekvertaling en presenteert ondertussen een ochtend-programma op een plaatselijke radiozender; daarnaast is ze ook nog bezig met de voorbereidingen voor een nieuw radioprogramma over literatuur.

    Wat vrouwen betreft zond Gaddafi tegenstrijdige boodschappen de wereld in. De flamboyante leider stond erom bekend dat hij zich omringde met vrouwelijke lijfwachten, ook wel de ‘Amazonegarde’ genoemd – een ver-wijzing naar de mythologische verblijfplaats van de Amazones in Libië. Maar naar verluidt werden deze vrouwen door Gaddafi ook lastiggevallen en misbruikt.

    Gaddafi riep een militaire training in het leven voor meisjes op de middelbare school, maar volgens Salama, die in haar jeugd ook deze training moest volgen, was deze niet bedoeld om gelijkheid te bevorderen. Sterker nog, zegt ze, het was een voorwendsel om vrouwen een gedegen opleiding te onthouden, aangezien de militaire training ten koste ging van andere leerstof.

    Verschillende problemen

    In het dagelijks leven kregen vrouwen in Libië met verschillende problemen te maken als gevolg van Gaddafi’s beleid, zegt schrijver Mahbuba Khalifa. Ze spreekt via een videoverbinding vanuit haar huis in Tunis, in het buurland Tunesië, waar ze met haar gezin woont na jaren om veiligheidsredenen in het buitenland te hebben vertoefd. ‘De vrouwen in mijn land moeten twee keer zo hard werken om een balans te vinden tussen enerzijds hun hoop en hun ambities – niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun familie – en anderzijds de realiteit, die een schaduw over hun leven werpt.’

    Khalifa is een vrouw van in de zestig met een zachte stem. Ze draagt een montuurloze bril en haar blonde haar is keurig gekamd. Naast haar op een bruine bank zit haar dochter – en tevens redactrice – Rima, met een alerte, vastberaden blik in haar ogen, het donkere haar in een staart. Rima, een van Khalifa’s vier kinderen en zelf ook schrijver, vult op zakelijke toon de antwoorden van haar moeder aan, of plaatst die binnen een bepaalde context. ‘Zij is degene die me heeft aangemoedigd mijn teksten te delen met de rest van de wereld,’ zegt Khalifa met een trotse blik op haar dochter, die instemmend knikt. ‘Mijn moeder had een schat aan verhalen, maar ze wist die niet op waarde te schatten. Iemand moest haar een zetje geven,’ zegt Rima.

    ‘Mijn moeder had een schat aan verhalen, maar ze wist die niet op waarde te schatten. Iemand moest haar een zetje geven’

    Het ontsluiten van het Libische erfgoed is wat Khalifa al haar hele leven drijft. ‘Het gaat ver terug, vormt een doorgaande lijn en biedt motivatie,’ zegt ze. Ze schrijft een historische roman over haar geboorteplaats Derna, een havenstad in het oosten van Libië, in wat vroeger een van de rijkste regio’s was. Ze ging er weg op haar achttiende, maar nog altijd voelt ze zich sterk met de stad verbonden. De roman gaat over het lijden van de inwoners van Derna als gevolg van de strijd tussen de ge-allieerden en de asmogendheden in de Tweede Wereldoorlog. Er werd onder meer gestreden in de Libische woestijn. Ze kwam erachter dat inwoners van de kuststeden hun toevlucht hadden gezocht in grotten in de bergen, die dekking boden voor de luchtaanvallen van de geallieerden – een gegeven dat een rol speelt in haar boek.

    Khalifa haalt ook herinneringen op uit haar eigen leven. ‘Sommige waren geïnspireerd op het feit dat ik voortdurend verhuisde van de ene plek naar de andere, in Libië of daarbuiten. Dat alles heeft mijn verbeelding verrijkt.’

    ‘Het voortdurende reizen was voor ons noodzakelijk,’ vertelt Rima. ‘Mijn vader [de Libische politicus en jurist Goma Attaiga] was een tegenstander van het Gaddafi-regime, en omwille van onze veiligheid moesten we het land ontvluchten. Mama heeft zelf jarenlang onder pseudoniem geschreven voor oppositiebladen.’

    Khalifa’s eerste roman, We Were and They Were, kwam in 2021 uit in het Arabisch en werd dankzij mond-tot-mondreclame een groot succes bij het Libische lezerspubliek. Het was autobiografisch, zegt ze. ‘Ik wilde het verhaal vertellen van een Libische vrouw die een bepaalde periode uit de geschiedenis van ons land had meegemaakt en die op persoonlijk vlak was geraakt door een aantal belangrijke gebeurtenissen.’

    Getuige

    De losjes op haar eigen ervaringen gebaseerde roman brengt haar leven in kaart, van haar studiejaren tot aan de val van Gaddafi in augustus 2011. ‘Het begin van mijn studie viel samen met de ingrijpende veranderingen die in Libië plaatsvonden als gevolg van de coup tegen de monarchie. Mijn generatie was getuige van veranderingen die heel verwarrend waren voor de Libische bevolking, die destijds een vreedzaam bestaan leidde.’ 

    Ze herinnert zich de tijd dat er net olie was ontdekt en er goede hoop was op een welvarende toekomst. ‘Van het ene op het andere moment sloeg dat om in een leven van zorgen, en van angst voor de nieuwe bewindhebbers,’ zegt ze. ‘Er werden mensen opgepakt en vrijheden afgenomen, en we zagen enorme veranderingen op sociaal en economisch gebied.’ Khalifa zwijgt even en denkt terug aan het moment dat haar man werd opgepakt. ‘Dat heeft mijn leven voorgoed een andere wending gegeven.’

    Tegenwoordig maken deze vrouwelijke auteurs bewerkingen van lokale volksverhalen, Griekse mythen en heilige teksten

    Tegenwoordig maken deze vrouwelijke auteurs bewerkingen van lokale volksverhalen, Griekse mythen en heilige teksten. ‘In Libië is er een grote nalatenschap van historische fictie, wat logisch is, gezien de belangrijke rol van het land in de geschiedenis van het Middellandse Zeegebied, en gezien de diverse volken die Libië door de eeuwen heen hebben bewoond of gekolonialiseerd,’ zegt de in Tripoli wonende schrijver Kawther Eljehmi.

    De achtendertigjarige spreekt via een videoverbinding vanuit haar huis in Tripoli. Ze behoort tot een generatie van schrijvers die dankzij internet zijn komen bovendrijven. Eljehmi begon 2016 te bloggen; drie jaar later zette ze al haar artikelen en verhalen op de populaire Facebookpagina Fasila, speciaal bestemd voor Libische auteurs. Via internet nam de aandacht voor haar verhalen toe en kreeg ze een vaste volgersschare – nog voordat twee jaar geleden haar eerste roman uitkwam, Aidoun.

    Italiaanse Libiërs

    De instabiele situatie van het land is de ernstigste kwestie die bij het schrijven komt kijken. ‘Bij mijn eerste roman liep het allemaal nog best soepel. Ik schreef terwijl ik zwanger was van deze kleine,’ zegt ze, terwijl haar vierjarige zoontje Moness zijn neus tegen de webcam drukt. ‘Maar het was veel lastiger om mijn tweede roman te voltooien.’ Dat was tijdens de burgeroorlog van 2019. Eljehmi woonde in een buurt waar veel werd gevochten. Door de bominslagen was het ‘vrijwel onmogelijk’ een schrijfritme te vinden.

    Toch wist ze het boek af te krijgen. The Colonel gaat over een fictief personage dat doet denken aan Gaddafi. Eljehmi is alweer bezig aan een nieuwe roman, die handelt over kinderen van Libische vrouwen die met een buitenlander zijn getrouwd. Deze kinderen hebben geen recht op gratis onderwijs en gezondheidszorg, omdat ze niet als Libiërs worden gezien.

    Italiaanse schrijvers houden zich ook bezig met historische afrekeningen. Zij nemen de Italiaanse kolonisatie van Libië onder de loep. Libië, voorheen Ottomaans bezit, werd van 1911 tot 1943 bezet door Italië. Op 24 december 1951 riep Libië de onafhankelijkheid uit. In 1970 beval Gaddafi de uitzetting van de Italiaanse bevolking. 

    Mythologie en de vrouwelijke blik vormen het perspectief

    Ook bij de Italianen vormen mythologie en de vrouwelijke blik het perspectief van waaruit de auteurs naar het verleden kijken. Een goed voorbeeld hiervan is Le amazzoni van Manuela Piemonte, dat vorig jaar uitkwam. Dit boek kijkt door de ogen van twee kleine meisjes naar het door Italië bezette Libië in de jaren veertig.

    ANP 15356555 1
    Moammar Gaddafi wordt hier afgebeeld als rat in het nauw boven op zijn eigen verplichte Groene Boek. ‘17 februari’ verwijst naar de Dag van de Woede, het begin van de Libische revolutie in 2011. – © Nick Hannes / ANP

    Piemonte (43) werkte in de uitgeefwereld en was scenarioschrijver, toen ze zich aan haar eerste roman waagde. Ze houdt van research en verzamelde een enorme hoeveelheid archiefmateriaal over het onderwerp van haar boek. Via een videoverbinding toont ze me, wat aarzelend maar toch met enige trots, een collectie fascistische memorabilia die ze in dienst van de literatuur heeft verzameld: oude boeken, fascistische speldjes en ansichtkaarten. ‘Ik wilde zeker weten dat mijn beschrijvingen tot in de kleinste details zouden kloppen.’

    De hoofdpersonages in Le amazzoni zijn de dochters van Italiaanse kolonisten op het Libische platteland, op het moment dat Benito Mussolini het land de oorlog verklaart. In een periode dat ze Libië moeten verlaten houden ze zich vast aan een indringend beeld dat ze zich herinneren: dat van een Berber-vrouw die te paard door de woestijn stuift. Ze willen net zo worden als die vrouw. ‘Toen ik onderzoek deed naar de periode van de Italiaanse kolonisatie, kwamen de Amazones me voor als een toonbeeld van kracht,’ zegt Piemonte. ‘Pas later kwam ik erachter dat Libië de plek is waar de vrouwelijke krijgers in de Griekse mythen vandaan kwamen.’

    Ná de oorlog

    Er is nog een periode waar Italiaanse schrijvers zich mee bezighouden, en dat is de tijd ná de oorlog. De inmiddels overleden Alma Abate, die in Tripoli werd geboren, beschrijft in de roman Ultima estate in suol d’amore, die vorig jaar verscheen, een multicultureel Tripoli waar Italianen, Engelsen, Fransen, Amerikanen, joden, christenen en moslims in harmonie samenleven.

    Diezelfde periode wordt ook onder de loep genomen in de gefictionaliseerde autobiografie Il casa di Shara Band Ong: Tripoli, van de zestigjarige Mariza D’Anna, die eerder boeken schreef over de geschiedenis van haar familie in Libië. ‘Ik wilde een ervaring delen die veel in Libië geboren Amerikaanse kinderen zullen herkennen: verjaagd worden van de plek die je als je thuis beschouwt,’ zegt ze aan de telefoon vanuit Trapani, op Sicilië, haar thuis sinds ze door Gaddafi werd verbannen. Het boek verscheen vorig jaar.

    Zoals D’Anna over Libië spreekt, lijkt het land het midden te houden tussen een verre droom en een plek uit historische verslagen. ‘Ik heb niet heel veel literaire uitwisselingen gehad met Libische schrijvers toen ik aan deze roman werkte, want ik wilde juist mijn eigen herinneringen vastleggen,’ zegt D’Anna, die het land niet meer in mocht – als een in Libië geboren Italiaanse stond ze jarenlang op Gaddafi’s zwarte lijst. ‘Ik ben me ervan bewust dat sommige Libiërs, die waarschijnlijk een volstrekt andere ervaring hebben gehad, het verwarrend kunnen vinden dat ik deze pré-Gaddafi-jaren beschrijf als een gelukkige periode.’ Maar, besluit ze, ‘dat is wel hoe ik het me herinner’. 

  • ‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’

    ‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’

    Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk over wat haar moedertaal, het Pools, voor haar betekent. Of is het vadertaal? ‘Met het masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad.’

    De bewustwording van de eigen taal, met haar voordelen en gunsten maar ook haar beperkingen en rariteiten, lijkt op een langdurig psychoanalytisch proces. Dat is de bagage die door ons, schrijvers, wordt gedragen. Ze is niet afhankelijk van onze schuld of verdienste, maar ze spruit voort uit dezelfde bron die ons ooit tot een bepaalde plek, tijd of levensvorm heeft gebracht.

    Zo beschouwd, is de taal een literair fatum. Binnen in de taal kunnen wij slechts tot op bepaalde hoogte onszelf zijn (en ‘onszelf zijn’ schijnt een belangrijk beginsel van onze cultuur te vormen). Grotendeels zijn wij afhankelijk van iets machtigers waarop wij geen invloed kunnen uitoefenen.

    Het is dus niet verwonderlijk dat filosofen uiteindelijk God, het bestaan, ‘waarom iets in plaats van niets’ achter zich hebben gelaten en zich met de taal gingen bezighouden.

    Vaak maken schrijvers de fout om de taal als een eigen territorium te beschouwen; een oeroceaan waaruit onze individuele gedachten komen zoals de eerste aminozuren. Maar het blijkt dat de meridiaan van de taal al buiten onze invloed was vastgesteld.
    In de taal is men gegooid.

    Zo ben ik in het Pools gegooid. Ik ben geboren en opgegroeid in het westen van Polen, in een mengeling van culturen en dialecten; in gebieden die pas na de Tweede Wereldoorlog bij de rest van het land zijn gaan behoren. Maar volgens linguïsten spreken wij daar in Laag-Silezië, in die smeltkroes van culturen, een voorbeeldig Pools.

    Ik spreek geen dialect en ik heb geen accent. Ik beheers geen enkele vreemde taal goed genoeg om haar voor mijn literatuur te gebruiken. Ik ben eentalig. In een andere taal schrijven, zou ik niet kunnen. Ik kan in twee buitenlandse talen communiceren, maar deze
    communicatie is vereenvoudigd en verloopt moeizaam.

    Patchworktaal

    In het Bureau International des Poids et des Mesures in Sèvres, bij Parijs, met zijn verzameling sjablonen en proto-types, zou ik kunnen fungeren als het voorbeeld van een perfect Poolssprekende. Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools. Een objectief standpunt is dat niet.

    Het Pools behoort tot de grote groep van Slavische talen en vanzelfsprekend ook tot de Indo-Europese talen. Geschreven Pools begon zich relatief laat te vormen, vanaf de twaalfde eeuw. Daarbij speelde de rooms-katholieke kerstening van Polen een belangrijke rol. Het Pools heeft het Latijnse alfabet aangenomen (in tegenstelling tot sommige andere Slavische talen zoals het Russisch of het Bulgaars, die op het Griekse alfabet zijn gebaseerd).

    Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools

    Pas in 1270, in de Księga Henrykowska, een register van kerkelijke bezittingen, nota bene opgemaakt in Laag-Silezië, werd de eerste zin in het Pools geschreven. De context is bijzonder interessant. De Latijnse tekst verhaalt over een man, een zeker Boguchwała, die – wat voor zijn tijdgenoten zeer vreemd moet zijn geweest – zijn vrouw hielp om graan te malen. Aan deze man wordt die beroemde eerste Poolse zin toegeschreven: Day ut ia pobrusa, a ti poziwai. Vertaald naar hedendaags Pools betekent dat: ‘Laat mij maar doen, en jij rust.’

    De geografische ligging van Polen, tussen sterke buren, in het hart van Europa, in de nabijheid van verschillende culturen: dat alles beïnvloedde het lexicon sterk. Het is buitengewoon, maar zeventig procent van de Poolse woorden hebben vreemde wortels.

    Het Pools is dus een samengestelde taal, een patchworktaal, melting pot en mélange. Alles wat wij met onze buren deelden – de gevoerde oorlogen, reizen, trends en fascinaties – leidde tot verdere expansie van deze vreemde talen in het Pools. Aan de Duitsers danken wij een rijke technische woordenschat. Alle nieuwigheden kwamen van deze buren uit het westen.

    Maar met hen hadden wij ook veel problemen. Duitse pioniers in Polen behoorden altijd tot een sterke, welvarende en goed georganiseerde gemeenschap. In de zestiende eeuw was tachtig procent van de burgerij in Kraków van Duitse afkomst. Om de deloyale samenzweerders te ontmaskeren, bedacht de Poolse koning een taaltest. Elke inwoner van Kraków moest zonder problemen moeilijke Poolse woordjes uitspreken zoals: soczewica, koło, miele młyn (‘linzen’, ‘wiel’, ‘de molen maalt’). Wie daarin niet slaagde, werd gestraft.

    pawel czerwinski 2k9w3bJT jk unsplash
    Een muurschildering van Luca Zamoc in de Poolse stad Swidnica, ter ere van het Punkt Zero Festival. Het kunstwerk is gebaseerd op een oude Poolse legende waarin een griffioen de inwoners van een dorpje belaagt. Zijn ogen zijn zo giftig dat één blik genoeg is om iemand te doden. De koning stuurt een gevangene bewapend met een spiegel op de griffioen af, om het beest te doden met zijn eigen reflectie.
    – © Pawel Czerwinski / Unsplash

    Leentjebuur

    Met de komst van de Italiaanse koningin Bona, de vrouw van de zestiende-eeuwse Poolse koning Zygmunt III de Oude, belandden in het Pools plots veel Italiaanse woorden, vooral uit vakgebieden zoals de architectuur, muziek, het militaire apparaat en, bovenal, uit het culinaire domein. In de zeventiende eeuw was er dan weer een invasie van het Frans. De invloed van het Russisch en de andere oosterse talen was ook niet te onderschatten. Turks en Hongaars: ook bij die talen speelden wij leentjebuur. Uit het Latijn sijpelden abstracte en religieuze woorden door.

    In de vijftiende en zestiende eeuw was het Tsjechisch een heel populaire taal in Polen. Tsjechisch spreken was een keurmerk voor een hoge sociale positie. In de negentiende eeuw verdween Polen, verdeeld als het was tussen Rusland, Pruisen en Oostenrijk-Hongarije, volledig van de kaart van Europa. Er was toen sprake van intensieve en actieve germanisering en russificatie van de Poolse bevolking. En tegenwoordig kennen wij in Polen – zoals overal – een Engels offensief.

    Ik hou van die openheid van het Pools voor vreemde woorden. De puurheid van het Pools is zeker niet in gevaar – in onze bizarre mengeling worden zelfs de vreemdste woorden vermalen door de Poolse grammatica; ze krijgen eigenaardige uitgangen en worden in het keurslijf van de Poolse verbuigingen geperst. Het Pools zuigt woorden aan uit de hele wereld; het Pools is een taal met een eeuwige honger.

    In de lange jaren van leven en lijden onder drie agressors vervulde deze patchworktaal een bijzondere en paradoxale rol: zij was een erfstuk van onze nationale identiteit. De enige schatkist van de Poolse cultuur was toen de literatuur. Men streed voor het Pools, men stierf voor het Pools.

    Vertalers

    Vertalers zijn voor schrijvers zoals psychoanalytici: ze stellen de meest verbazingwekkende vragen. Het zou goed zijn om die vragen te noteren, te bewaren en uit te geven. Zo zouden lezers de zware taak van schrijver en vertaler beter leren te appreciëren en het fenomeen van de taal meer bewonderen. Dankzij vertalers ben ik zaken die voor mij vroeger vanzelfsprekend waren, totaal anders gaan bekijken. Vertalers hebben mij attent gemaakt op enkele eigenschappen van het Pools die ik hier probeer te beschrijven. Dezelfde vragen merk ik bij buitenlanders die opeens besluiten Pools te leren. Deze moedige mensen beklagen zich er vaak over dat de Poolse grammatica bijna volledig op uitzonderingen is gebouwd: elke regel staat met een groot aantal uitzonderingen machteloos in de strijd. Dat klopt.

    Pools is traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien

    Het Pools leer je beter door intuïtie, of je leert de taal gewoon uit het hoofd. Onze taal vindt het belangrijk om zo dicht mogelijk tegen tradities en historiciteit aan te schurken. Het is een taalmuseum vol fossielen dat niet gehoorzaamt aan de eenvoudige eisen van pragmatiek. De ingewikkelde vervoegen en verbuigingen werken niet alleen in op de uitgangen, maar veranderen vaak ook de stam van een woord. Ook de buitenlander die het Pools prima beheerst, wordt ontmaskerd zodra hij de verschillende varianten van de verleden tijd moet hanteren.

    De Poolse spelling kent verschillende schrijfwijzen voor een en dezelfde klank. Dat is een erfenis uit het verleden waarin ook de uitspraak van die klanken anders was. In de geschreven taal zijn die mutaties dus bewaard.
    Een angstvisioen voor elke scholier.

    Het Pools is logisch noch pragmatisch. De grammatica is veeleisend, soms gek, de schrijfwijze moeilijk. Om niet logisch verklaarbare (waarschijnlijk sentimentele) redenen houdt het Pools vast aan aloude grammaticale vormen.

    Pools is ook traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien. Het Pools is drie geslachten rijk, maar het mannelijke is het meest bevoorrecht. Mannelijke substantieven hebben andere verbuigingen dan vrouwelijke en onzijdige woorden. Wanneer het over mannen gaat, zeggen wij poszli, ‘zij gingen weg’. Over vrouwen zeggen wij poszły. Maar wanneer de groep gemengd is, hanteren wij per definitie de mannelijke versie poszli. Die regel is ook van toepassing als de groep bestaat uit, zeg maar, zestig vrouwen en één man. Zijn aanwezigheid is dus beslissend voor de hele groep.

    Wanneer wij praten of schrijven over ‘de mens’ in het algemeen, dan sluiten wij vrouwen (en kinderen) grammaticaal uit. Die patriarchale attitude wordt ook weerspiegeld in de naamgeving van beroepen. Vrouwelijke beroepsnamen klinken in het Pools dikwijls kleinerend, geven een minder professionele indruk en drukken onderwaardering uit. Kijk naar de vrouwelijke professor: profesorka. Dat klinkt als een mannelijke miniprofessor: profesorek.

    Geen ontsnappen aan

    Met dat masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad. Men kan immers het geslacht van de schrijvende niet verbergen als men in de tekst de eerste persoon wil gebruiken. Voorts is het geslacht onmiddellijk zichtbaar in werkwoorden in de verleden tijd, net zoals het steeds in de vorm van adjectieven wordt ontmaskerd. Daar is geen ontsnappen aan.

    De vertaalster van de Britse schrijfster Jeanette Winterson had echt een probleem – in de originele tekst was het geslacht van de verteller volledig verborgen, door een consequent gebruik van de eerste persoon tegenwoordige tijd. En dat was nu net de essentie van de roman. In de Poolse vertaling was een dergelijke maskering van het geslacht onmogelijk. Na een arbitraire beslissing kreeg de verteller in de Poolse vertaling het vrouwelijke geslacht. Terloops wil ik eraan toevoegen dat er in het Pools geen ‘moedertaal’ bestaat maar wel een język ojczysty – een ‘vadertaal’.

    Het grote grammaticale potentieel van het Pools (en ook van de andere Slavische talen) maakt het mogelijk om verschillende vormen van verkleinwoorden te gebruiken. Ideaal voor taalspelletjes. Voor mij zijn verkleinwoorden een bron van warmte in de woordenschat, een categorie die in taalkundige handboeken afwezig blijft. Dankzij de kunde om alles te verkleinen, werd de wereld gezelliger en veiliger. Geen enkele Pool is verbaasd over de liedjestekst over een soldaat die naar een ‘oorlogje’ gaat met zijn ‘sabeltje’ op zijn lief ‘paardje’. Er zijn talrijke manieren om namen te verkleinen – en alle voornamen, substantieven en adjectieven zijn daartoe geschikt.

    Veeltalig land

    Tot de Tweede Wereldoorlog was Polen een multicultureel en veeltalig land. Het meest creatieve Pools was te vinden op de ontmoetingsplaats tussen de verschillende talen, esthetische belevingsvormen en mentaliteiten. Het mag geen toeval heten dat de grootmeesters van de Poolse taal vaak uit de rafelige randen van het taalgebied kwamen: het fascinerende en originele proza van Bruno Schulz, dat ontstond op de grens van drie culturen: de Poolse, Joodse en Oekraïense; de beeldende en rijke poëzie van Czesław Miłosz van de regio rond het toen Poolse maar nu Litouwse Vilnius, en de absoluut sprookjesachtige en helaas onvertaalbare taal van de Joods-Poolse dichters Bolesław Leśmian en Julian Tuwim.

    Het Pools… Elastisch, beeldend, ambigu, traditioneel en grammaticaal onvoorspelbaar. Meer in dienst van de intuïtie dan van de logos, meer geschikt voor poëzie dan voor wetenschappelijke dissertaties. Ik heb de indruk dat deze taal zich niet zo goed voelt in het intellectuele discours noch in het realistische lineaire verhaal. Ze prefereert open vormen met meerduidige betekenissen. Ze is gevoelig voor het absurde en groteske en verzandt gemakkelijk in pathetiek. Het is niet verwonderlijk dat Polen prat gaat op een beroemde en bejubelde poëzie. In het Pools kan de taalgebruiker zich veel veroorloven. Deze taalimpressionist, getalenteerd in sfeerbeschrijving, emotie, associatie en beelden, geeft van de wereld veeleer een schets dan een descriptie.

    Naar het schijnt, beweerde Flaubert dat een fiasco dreigt voor een taal die zich onledig houdt met de schepping van beelden en sferen: op dat moment verliest de taal zichzelf en verglijdt ze in anachronisme. Ik ben het daar niet mee eens. De schepping van een alternatieve wereld is net het machtigste kenmerk van de taal. Als een illusionist tovert ze onvoorstelbare dingen uit de hoge hoed. Het Pools is voor mij een archaïsche taal en is een equivalent van de onverdeelde wereld van de tijd toen de hele realiteit coherent en zintuiglijk leek, toen alles meer op de intuïtie gebaseerd was en het ‘wat’ belangrijker was dan het ‘hoe’. De taal is voor mij, zoals in die Oosterse metafoor, de vinger die naar de maan wijst.

    Ik vraag mij af in welke mate mijn gevoeligheid, perceptie en denken door deze moeilijke en weinig precieze maar zeer beeldende taal vorm zijn gegeven. In mijn werk zijn elementen als aanvoelen, sfeer, verborgen onrust onder de alledaagse werkelijkheid belangrijke bouwstenen. Zou ik ze ooit kunnen beschrijven in een vreemde taal? Misschien moet ik dankbaar zijn voor mijn literaire fatum.

    Paradoxaal genoeg behoort het Pools tot de zogenaamde groep van de kleine talen, hoewel er zo’n vijftig miljoen mensen zijn, als je de Poolse diaspora meetelt, die Pools spreken. Pools is een lokale en marginale taal, die bovendien heel moeilijk is en daarom veel mensen afschrikt. Het voordeel van ‘kleine’ talen is – zeker als je de grote kent – de mogelijkheid van escapisme uit de communicatie naar een eigen ondoordringbaar asiel. Zo heb ik me indertijd op de grote luchthavens ter wereld dikwijls in het Pools verborgen, er zeker van zijnde dat er niemand was die ons, Poolssprekenden, kon begrijpen.

    Vandaag ligt dat anders. De Poolse exodus van de jongste jaren verspreidt het Pools overal in de wereld. Maar ik denk niet dat veel buitenlanders het Pools zullen oppikken. Veeleer zullen wij, Polen, flink Engels studeren en ons via die weg laten horen in de wereld van vreemde talen. De schattige verkleinwoorden blijven intussen als evenzovele grenspalen de contouren van Polen bepalen, met een Pools ‘koffietje’ met ‘melkje’ in een ‘restaurantje’. Of zelfs bij een vrolijk ‘ticketcontroletje’.

    Dit essay is gepubliceerd in Overeind in Babel. Talen in Europa, onder redactie van Luc Devoldere. In dit boek schrijven zestien auteurs uit Europa over hun eigen taal en alle andere talen in hun leven. Met bijdragen van Ahmet Altan, Zoran Ancevski, Bernardo Atxaga, Abdelkader Benali, Paul Binding, Adriaan van Dis, Peer Hultberg, Leena Krohn, Caroline Lamarche, Claudio Magris, Antonio Munoz Molina, Ines Pedrosa, Kornelijus Platelis, Albertina Soepboer, Olga Tokarczuk en Marint Walser.

  • Help ons in godsnaam

    Help ons in godsnaam

    Sicilië is verworden tot een desolaat eiland zonder elektriciteit, met roedels wilde honden en lege snelwegen. Een virus heeft alle volwassenen uitgeroeid, alleen de jeugd is gespaard gebleven. Niccolò Ammaniti (1966) schreef de bestsellers Ik haal je op, ik neem je mee (300.000 exemplaren verkocht in Nederland), Ik ben niet bang (160.000 exemplaren) en Zo God het wil. Iedere dag is er een voor de Ammaniti-fans die halsreikend naar de nieuwe Anna uitkijken. Houd vol. Het duurt niet lang meer. Hier alvast een voorpublicatie.

    Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen T-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.

    De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug 
te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.

    Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed. Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.

    De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden. Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf 
met open ogen.

    Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fluisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.

    De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.

    Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man 
die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.

    Hij liep wankelend verder, alsof hij zijn beentjes niet in bedwang kon houden. Op een andere brancard, naast een poster die maande tot borstkankerpreventie en een andere met een foto van de Sint-Pauluskathedraal in Luik, lag het lijk van een bejaarde vrouw. Het kleintje liep verder onder een knetterende gele tl-lamp.

    Een jongen in nachthemd en badstof slippers lag dood in de deuropening van een langgerekte slaapzaal, een arm naar voren, de vingers samengetrokken alsof hij zich niet wilde laten opslokken door een draaikolk. Aan het eind van de gang vocht de 
duisternis tegen de lichtstralen die door de hoofdingang van het ziekenhuis naar binnen schenen.

    Het jongetje bleef staan. Links van hem de trap, de liften en de receptie. Achter de roestvrijstalen balie zag je omgevallen computerschermen op de bureaus en een glazen wand die in duizenden stukjes uiteen was gevallen. Hij liet het treintje vallen en rende naar de uitgang. Hij kneep zijn ogen dicht, strekte zijn arm uit, duwde tegen de grote deuren en 
verdween in het licht. Buiten, voorbij de grote trap, voorbij de rood-witte plastic afzetlinten, staken de zwarte silhouetten van de politieauto’s, de ambulances, de brandweerwagens af.

    Iemand schreeuwde. ‘Een jongetje. Daar loopt een jongetje…’ Een lompe figuur rende naar hem toe en verduisterde de zon. Het jongetje had nauwelijks 
tijd om te zien dat de man was ingepakt in een gele plastic overall.

    Toen werd hij vastgepakt en afgevoerd.

    Vier jaar later…

    Anna rende over de snelweg en kneep in de riempjes van de rugzak die op haar rug stuiterde. Nu en dan keek ze achterom. De honden waren er nog steeds. Keurig in een rij achter elkaar. Zes, zeven. Een paar haveloze honden waren onderweg afgehaakt, maar de grootste, voorop, kwam steeds dichterbij. Ze had ze twee uur daarvoor in de verte op een afgebrande akker tevoorschijn zien komen tussen de donkere keien en geblakerde stronken van de olijfbomen, maar ze had er verder geen aandacht aan besteed.

    Het was haar wel eerder overkomen dat ze werd 
achtervolgd door roedels wilde honden, die kwamen even achter je aan, kregen er vervolgens genoeg van en gingen dan weer hun eigen gang.

    Maar toen ze deze roedel niet meer zag had ze een zucht van verlichting geslaakt. Ze was gestopt om het water dat ze nog over had op te drinken en was verder gelopen.

    Ze vond het leuk om te tellen tijdens het lopen. Ze telde hoeveel stappen er in een kilometer gingen, ze telde de donkerblauwe auto’s en de rode, ze telde de viaducten.
    Toen waren de honden weer verschenen.

    Het waren wanhopige stakkers, stuurloos op drift in een zee van as. Ze had er al zoveel gezien, met kale plekken in hun vacht, trossen teken die aan hun oren hingen, uitstekende ribben. Ze verscheurden elkaar om de resten van een konijn. De zomerbranden hadden de vlakte verschroeid en er was bijna niets meer te eten.

    Ze liep langs een rij auto’s met ingeslagen ruiten. 
Er groeide onkruid en koren rondom de karkassen, die bedekt waren met een laag as.

    De sirocco had de vlammen tot aan de zee voortgestuwd en daarbij een woestijn achter zich gelaten. 
De strook asfalt van de A29 die Palermo verbond met Mazara del Vallo sneed een dode vlakte in tweeën waaruit zich de geblakerde rompen van de palmbomen en een paar rookpluimen verhieven. Links, voorbij de overblijfselen van Castellammare del Golfo, vermengde een stukje grijze zee zich met de lucht. Rechts dreef een rij lage, donkere heuvels op de vlakte als verre eilanden.

    De rijbaan was versperd door een gekantelde vrachtwagen. De oplegger had de middenvangrail geramd en wastafels, bidets, toiletpotten en scherven wit keramiek lagen over tientallen meters verspreid. 
Het meisje liep ertussendoor.

    Haar rechterenkel deed pijn. Ze had in Alcamo de deur van een kruidenierswinkel opengetrapt.

    En dan te bedenken dat alles voorspoedig was verlopen totdat de honden kwamen.

    T

    © Hollandse Hoogte
    © Hollandse Hoogte

    Toen ze was vertrokken was het nog donker. Ze moest steeds iets verder weg om eten te zoeken. Eerst was het makkelijk, dan ging je gewoon naar Castellammare en vond je wat je wilde, maar de branden hadden alles ingewikkeld gemaakt. Ze had drie uur lang gelopen onder een zon die klom in een bleke, onbewolkte hemel. De zomer was al een tijdje voorbij, maar de hitte wilde niet wijken. Na het vuur te hebben aangewakkerd was de wind verdwenen, alsof 
dat deel van de schepping hem niet meer interesseerde. In een kwekerij had ze naast een krater die was veroorzaakt door een ontplofte benzinepomp een grote doos vol etenswaren onder stoffige zeilen gevonden.

    In haar rugzak had ze zes blikjes Cirio-bonen, vier blikjes Graziella-gepelde tomaten, een fles Lucano Amaro, een grote tube gecondenseerde melk van Nestlé, een rol beschuiten die gebroken waren maar nog goed om op te lossen in water, en een pond vacuümverpakte pancetta. Ze had zich niet ingehouden, de pancetta had ze meteen opgegeten, in stilte gehurkt op de zakken teelaarde die lagen opgestapeld op de met muizenkeutels bedekte grond. Het was taai als leer en zo zout dat haar mond ervan brandde.

    De zwarte hond won terrein. Anna versnelde haar pas, haar hart pompte op het ritme van haar voetstappen. Ze zou het niet lang meer volhouden. 
Ze moest stoppen en het gevecht aangaan. Had ze ten minste maar een mes. Ze droeg er altijd een bij zich, maar die ochtend was ze het vergeten. Ze was vertrokken met een lege rugzak en een fles water.

    De zon stond op vier vingers van de horizon. Nog heel even en hij zou worden opgeslokt door de vlakte. De maan aan de andere kant was dun als een nagel.
    Ze keek om.

    De hond was er nog steeds. De andere hadden een voor een opgegeven, maar hij niet. In de laatste 
kilometer was hij niet dichterbij gekomen, maar zij rende en hij dribbelde.

    Misschien wachtte hij met aanvallen tot het donker was, maar dat leek haar onwaarschijnlijk, honden kunnen niet logisch nadenken. En hoe dan ook zou zij het nooit volhouden tot het donker werd. Haar enkel bonkte en haar kuit was hard van de pijn.

    Ze passeerde een groen bord. Nog vijf kilometer naar Castellammare. Om recht te blijven rennen volgde ze de onderbroken streep op het midden van de rijweg. Als ze niet doof was door haar eigen ademhaling en haar voeten die stampten op het asfalt, had ze de 
stilte gehoord. Geen zuchtje wind was er, geen vogels, geen krekels, geen cicaden.

    Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong

    Toen ze langs een auto rende, fluisterde de vermoeidheid dat ze erin moest gaan zitten, maar 
haar verstand zei dat ze dat niet moest doen. Ze kon proberen hem de beschuiten toe te werpen, of door het hek langs de snelweg te glippen, maar dat had dichte mazen en geen gaten waar je doorheen kon.

    Op de middenberm stonden oleanders die het vuur hadden overleefd, vol rode bloemen en hun takken bogen zwaar door. De zoetige geur vermengde zich met die van brand.

    De barrière was hoog.

    Maar jij bent de kangoeroe, zei ze tegen zichzelf. Op school noemde juffrouw Pini, de gymlerares, haar 
de kangoeroe omdat ze nog beter kon springen 
dan de jongens. Anna was niet blij met die bijnaam, kangoeroes hebben flaporen. Ze was liever een 
luipaard geweest, die kan ook springen maar is veel mooier.

    Ze haalde haar rugzak los en gooide die over de 
struiken. Ze nam een aanloop, zette een voet op 
de betonnen kantsteen, liep door de begroeiing 
en was op de andere rijbaan.

    Ze pakte de rugzak op en telde hijgend tot tien. 
Ze hief een vuist in de lucht en glimlachte. Ze had een mooie glimlach vol witte tanden die ze zelden toonde.
    Hinkend liep ze verder. Nu hoefde ze alleen nog 
over het hek te klimmen en dan was ze veilig.

    Aan de andere kant was een talud dat uitkwam op een weggetje dat parallel aan de snelweg liep. 
Niet het beste punt om met die gehavende enkel overheen te klimmen. Ze legde de rugzak neer en draaide zich om.

    Ze zag de hond uit de oleanderstruiken tevoorschijn springen en op haar af galopperen.

    Hij was niet zwart maar wit, zijn vacht bedekt met as, en had een afgehapt oor. Het was de grootste hond die ze ooit in haar leven had gezien.

    En als je niet in beweging komt vreet hij je op. Ze klampte zich vast aan de mazen van het hek, maar haar armen waren verlamd van angst. Ze draaide zich om en gleed op de grond.

    Het dier vloog over de laatste meters snelweg en sprong over de vangrail en de bermgoot. Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong.

    Anna hief haar elleboog op en stootte die tussen de ribben van de hond, die ineenkromp en naast haar neersmakte. Ze krabbelde overeind.

    Het beest lag languit op het gras. Een bijna menselijke verbazing gleed over zijn inktzwarte pupillen.

    Het meisje griste haar rugzak van de grond en schreeuwend sloeg ze hem daarmee. Een, twee, drie keer. Eerst op zijn kop, toen tegen zijn nek, en nog eens op zijn kop.

    De hond jankte stomverbaasd terwijl hij probeerde op te staan. Anna draaide als een kogelstoter die gaat werpen in een volmaakte cirkel om haar eigen as, maar de riem van de rugzak liet los en ze verloor haar evenwicht. Ze stak haar been uit maar de pijnlijke enkel kon haar niet houden. Ze viel.

    De twee lagen naast elkaar en staarden elkaar aan, toen kromde de hond zich grommend en stortte zich met opengesperde bek op haar.

    Anna trok haar gezonde voet op en zette haar hak in het borstbeen van de hond waardoor hij met zijn rug tegen de vangrail vloog.

    Het dier belandde op zijn zij. Hij hijgde, de lange tong gekruld onder zijn neus en zijn ogen gereduceerd tot donkere spleten.

    Terwijl de hond probeerde op te staan zocht Anna iets waarmee ze hem kon afmaken. Een steen, een stok, maar er was niets, alleen verbrand afval, plastic zakken, ingedeukte blikjes.

    ‘Wat wil je van me? Laat me met rust!’ schreeuwde 
ze tegen hem. ‘Heb ik je soms kwaad gedaan?’

    © Getty Images
    © Getty Images

    Het beest staarde haar aan met ogen vol haat terwijl hij zijn zwarte lippen optrok en zijn gelige tanden en de kwijlbellen tussen zijn kiezen toonde. Een laag, dreigend gegrom trilde in zijn borstkas.

    Het meisje maakte zich uit de voeten, slingerend naar rechts en naar links, struikelend over haar schoenveters. De oleanders, de donkere lucht, het geblakerde geraamte van een boerenhuis zonder 
dak vervaagden en verschenen opnieuw bij elke stap. Ze bleef staan en keek om.

    De hond volgde haar.

    Anna hinkte naar een donkerblauwe stationcar met een ingedeukte voorkant. Het voorportier stond wijd open en in de achterklep ontbrak het glas. Met haar laatste krachten kroop ze erin en trok ze aan het 
portier, maar dat klemde. Ze probeerde het met twee handen. Het portier knarste in de verroeste scharnieren en stuiterde tegen het geoxideerde slot. Ze probeerde het nog eens, zonder resultaat. Uiteindelijk kon ze het sluiten door de veiligheidsgordel om het handvat te binden. Ze legde haar hoofd tegen het stuur en ademde met gesloten ogen de lucht, die verzadigd was van vogeluitwerpselen, in en uit. De met as en stof bedekte ruiten maakten dat het donker was in de cabine. Op de passagiersstoel hield een skelet bedekt met witte guano haar gezelschap. De perkamentachtige resten van het donzen Moncler-jack waren versmolten met de bekleding van de stoel, en uit de scheuren in de stof staken veertjes en gele ribben. De schedel bungelde op de borst, vastgehouden door de verdroogde pezen. Aan de voeten nubuckleren laarzen met hoge hakken. Anna kroop naar de achterbank, klauterde eroverheen, strekte zich uit in de bagageruimte en keek door de glasloze achterklep. Ze had niet de moed haar hoofd naar buiten te steken, maar de hond was verdwenen.

    Ze rolde zich op naast twee leeggehaalde trolleys. 
Ze kruiste haar armen over haar borst en stak haar handen onder haar bezwete oksels. Al haar adrenaline was verbruikt en het kostte haar moeite haar ogen open te houden. Vijf minuutjes slapen zou 
voldoende zijn. Ze pakte de koffers en probeerde die in de opening van de achterklep te zetten. De ene was te klein, maar de andere kon wel blijven staan 
als ze er met haar voeten tegenaan duwde. Ze streek over haar lippen. Haar blik bleef hangen op een 
vieze bladzijde uit een schrift. Bovenaan stond in hoofdletters: HELP ONS IN GODSNAAM!

    Dat moest van de vrouw op de passagiersstoel zijn geweest. Ze zei dat ze Giovanna Improta heette, dat ze stervende was en dat ze twee kinderen had in Palermo, Ettore en Francesca, op de bovenste verdieping van Via Re Federico 36. Ze waren pas vier en 
vijf jaar en zouden omkomen van de honger als 
niemand ze ging redden. In de la van de commode 
in de gang lag vijfhonderd euro.

    Anna gooide het papier weg, liet haar hoofd rusten tegen het raampje en sloot haar ogen.

    Ze werd met een schok wakker, ondergedompeld in de duisternis en de stilte. Het duurde een paar seconden voordat ze weer wist waar ze was. Even flitste het idee door haar heen om naar buiten te gaan en 
te plassen, maar ze bedacht zich. Er was geen maan. Ze zou blind en weerloos zijn.

    Ze had een regel. Altijd een schuilplaats vinden voordat de zon onderging. Een paar keer had ze zich laten verrassen door de duisternis en had ze zich moeten verbergen in het eerste het beste huis dat ze tegenkwam.

    Dan maar liever plassen in de kofferbak en naar de achterbank kruipen. Ze knoopte haar korte broek los. Terwijl ze zich liet zakken benam een plotseling geluid, als een tak die breekt, haar de adem. Een geluid van snuffelende honden.

    Ze hield haar hand voor haar mond en viel met blote billen op de bekleding van de kofferbak, proberend niet te ademen, niet te trillen, niet eens haar tong 
te bewegen.
    De nagels van de honden krabden tegen het staal en deden de auto heen en weer schudden.

    Haar blaas ontspande zich en een natte warmte gleed langs haar bovenbenen. Het tapijt onder haar billen werd drijfnat en er was een kort moment van puur genot waarop ze haar lippen half opende.

    Ze begon te bidden. Een wanhopig verzoek om hulp dat tot niemand gericht was.

    De honden vlogen elkaar in de haren. Ze liepen om de auto heen. Hun nagels tikten op het asfalt.

    Ze stelde zich voor dat het er duizenden waren. 
De auto was omringd door een tapijt van honden 
dat reikte tot aan de zee en tot aan de bergen en dat de hele planeet omwikkelde met hondenvacht.

    Ze drukte haar handen tegen haar oren.

    Denk aan ijsjes.

    Zoet en koud als hagelstenen, in alle smaken. Uit de gekleurde bakken kon je kiezen welke je het lekkerst vond en ze gaven het in biscuithoorntjes. Ze herinnerde zich dat ze een keer bij het stalletje was van strandtent Le Sirene. Ze had haar gezicht tegen het glas van de koelvitrine gedrukt: ‘Ik wil chocola en citroen.’

    Mama had een gezicht getrokken. ‘Bah, wat vies…’

    ‘Hoezo?’

    ‘Dat zijn smaken die niet samengaan.’

    ‘Mag ik het toch hebben?’

    ‘Ja, maar dan moet je het wel helemaal opeten.’

    En zo was ze met haar hoorntje in de hand het strand op gegaan en bij de branding gaan zitten. De meeuwen liepen met die stokkepootjes van ze achter elkaar aan.
    Vóór de brand was er nog chocola te vinden. Marsen, mueslirepen, Bounty’s en chocolaatjes. Ze waren uitgedroogd, bedekt met schimmel of aangevreten door de muizen, maar soms, als je geluk had, vond je nog lekkere. Maar nooit zo lekker als ijsjes.

    Koude dingen waren samen met de Grote Mensen verdwenen.

    Ze haalde haar handen van haar oren af.

    De honden waren er niet meer.

    Het was dat moment van de dageraad waarop de nacht en de dag hetzelfde gewicht hebben en de 
dingen groter lijken dan ze zijn. Een melkwitte streep tekende het einde van de vlakte en de wind ruiste tussen de toefjes koren die door het vuur waren gespaard. Anna klauterde uit de auto en rekte zich uit. Haar enkel was stijf maar deed, na de rust, minder pijn.

    De snelweg ontrolde zich als een dropveter. Om de auto’s heen was het asfalt bedekt met pootafdrukken. Ongeveer vijftig meter verderop lag iets, op de onderbroken streep. Eerst dacht ze dat het een rugzak was, toen een deken en daarna een hoop vodden. Vervolgens stonden de vodden op en transformeerden in een hond.

    Auteur: Niccolò Ammaniti
    Vertaler: Etta Maris

    Niccolò Ammaniti (1966) is een Italiaanse schrijver. Hij maakte deel uit van de ‘giovani cannibali’, de ‘jonge kannibalen’, een schrijversgroep van relatief jonge Italiaanse auteurs die een nieuw soort literatuur schreef: ruig, gewelddadig en conventieloos.

    Anna van Niccolò Ammaniti verschijnt op 20 januari 
bij Lebowski Publishers.