Net nu heel Europa op zijn kop staat vanwege de aanrandingen in Keulen, is in Portugal een nieuwe wet aangenomen die seksuele intimidatie strafbaar stelt. Overtreders kunnen in het uiterste geval een gevangenisstraf van drie jaar krijgen. Is zo’n wet noodzakelijk?
Nee
Het is net alsof er nog maar twee soorten mensen bestaan in dit land. Aan de ene kant degenen die vinden dat op een opmerking als ‘god, wat ben jij lekker’ een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten staan. En aan de andere kant de machomannen die menen vrouwen voortdurend te mogen lastigvallen met obsceniteiten, als een soort natuurrecht. Zo karikaturiseren tenminste de tegenstanders elkaar in het debat rondom de zogenaamde ‘wet van de complimentjes’. De hele discussie is een opeenvolging van vergissingen en simplificaties.
Ik persoonlijk krijg niet de indruk dat mijn rechten als vrouw, evenmin als de strijd voor gelijkheid tussen de seksen in het algemeen, gediend zijn bij de recente wijziging van artikel 170 van het Wetboek van Strafrecht. Of hooguit misschien een heel klein beetje. Allereerst moet worden opgemerkt dat een complimentje, in de zin van een ‘opmerking bedoeld om iemand fysiek te prijzen’, niet echt binnen de door de wet gehanteerde formulering valt. Het gewraakte wetsartikel beschouwt als ‘seksueel opdringerig’ en daarom strafbaar een ‘voorstel van seksuele aard’. Alleen in een zeer losse interpretatie van de wet is dat van toepassing op complimentjes, zoals gerenommeerde juristen als Clara Sottomayor al hebben opgemerkt.
Het idee dat je een vrouw kunt bezitten ligt aan de wortel van allerlei vormen van gevaarlijk gedrag en geweld tegen vrouwen
De wet maakt het wel makkelijker om gevallen van seksuele intimidatie voor de rechter te brengen. Situaties van herhaaldelijke seksuele opdringerigheid. Maar feitelijk omvatte de vroegere formulering van het wetsartikel dit al: strafbaar waren het uitvoeren van exhibitionistische handelingen of het dwingen tot seksueel contact. Zulke praktijken konden dus al aangepakt worden: aan een juridisch kader ontbrak het niet.
Er wordt gezegd dat de nadruk op complimentjes vooral bedoeld is om – vaak kwetsbare – minderjarigen te beschermen tegen onbeschofte opmerkingen waar ze bang van worden. Ik heb zo mijn twijfels of het zal helpen. Zou een jongere die op straat seksistisch en agressief bejegend wordt, nou echt de agressor durven confronteren, de politie erbij halen en hem laten arresteren? Ik vraag het me af.
Dat er iets moet veranderen lijdt geen twijfel. Een vrouw moet niet als object worden gezien, op straat, in de reclame, op het werk, op dagen dat ze zin heeft om een iets dieper decolleté te dragen. Het wordt hoog tijd dat mannen ophouden met het maken van seksistische opmerkingen en inzien dat ze vrouwen niet kunnen overheersen of bezitten. Het idee dat je een vrouw kunt bezitten ligt aan de wortel van allerlei vormen van gevaarlijk gedrag en geweld tegen vrouwen. Maar de wet maakt het al mogelijk om zulke excessen aan te pakken.
Auteur: Inês Cardoso
Vertaler: Valentijn van Dijk
Inês Cardoso is opinieredacteur bij Jornal de Notícias in Lissabon.
De oudste en een van de meest gelezen kranten van Portugal. Heeft vier regionale edities: Noord, Zuid, Midden en de regio Minho (met daarin Lissabon). De toon is overwegend rechts.
Ik denk niet dat veel mensen zich beledigd zullen voelen, of beperkt in hun persoonlijke vrijheid, als iemand ze op een vleiende manier complimenteert. Maar bij deze wet gaat het om iets heel anders: seksuele intimidatie. Banale opmerkingen als ‘volgens mij moet jij eens even flink geneukt worden’ zijn namelijk niets anders dan dat: een vorm van seksuele intimidatie. En ga nou niet beginnen over de vrijheid van meningsuiting, want dat is een kulargument.
Ik besteed een groot deel van mijn tijd aan het schrijven over situaties die vrouwen als ongemakkelijk ervaren. Alledaagse vormen van seksuele intimidatie worden vaak afgedaan met: ‘Er zijn wel ergere dingen op de wereld.’ Ja, die zijn er inderdaad, maar toch mag je zulk gedrag niet bagatelliseren. Hoe zou jij het vinden als je dertienjarige dochter te horen kreeg dat ze ‘een lekker pijpbekkie’ heeft? Vind je dan ook dat zoiets niet bestraft hoeft te worden? Als je moeder, zus, vrouw of vriendin op straat ‘ik neuk je helemaal gek’ naar haar hoofd krijgt, vind je dan nog dat daar niet tegen opgetreden hoeft te worden? En als ze op hun werk door hun baas bij hun kont gepakt worden, of promotie kunnen maken als daar seksuele diensten tegenover staan, hoe zou je dat vinden?
Bij Master Chef Júnior zei een vrouw dat ze een jochie van dertien jaar zo zou aanranden als ze de kans kreeg
Dit soort dingen gebeuren. Dagelijks, en vaak zelfs bij meisjes die nog niet eens goed begrijpen waar die mannen het eigenlijk over hebben. Zulke opmerkingen zijn funest voor de spontaniteit waarmee vrouwen zich kunnen gedragen en deelnemen aan het openbare leven. Ze bedreigen onze persoonlijke vrijheid, maken ons minder zelfredzaam en beïnvloeden zeker ook onze houding tegenover mannen in het algemeen.
Toen het nieuws bekend werd, hoorde ik opmerkingen als: ‘Daar heb je die hysterische feministen weer.’ Maar de wet beperkt zich helemaal niet tot het vrouwelijk geslacht: het slachtoffer kan een vrouw, man, jongen of meisje zijn. Bij het Braziliaanse kookprogramma Master Chef Júnior zei een vrouw onlangs dat ze een jochie van dertien jaar ‘een schatje’ vond en hem zo zou aanranden als ze de kans kreeg. Dit is niet iets om luchthartig over te doen, en het is dan ook goed dat de nieuwe Portugese wet extra streng is als het om minderjarigen gaat. De meeste mensen zullen dat wel met me eens zijn, maar als het om volwassenen gaat rijst de vraag waar precies de grens ligt. Een goede stelregel in alle aspecten van het leven lijkt mij: ‘Mijn vrijheid eindigt waar die van anderen begint.’ Dat gaat dus ook op voor seksuele intimidatie. Overigens hangt de effectiviteit van de wet af van het feit hoe individuele rechters deze zullen interpreteren. Maar in ieder geval is nu een eerste stap gezet: de maatschappij moet duidelijk aangeven waar de grenzen liggen.
Auteur: Paula Cosme Pinto
Vertaler: Valentijn van Dijk
Paula Cosme Pinto schrijft al meer dan tien jaar voor Expresso, onder meer over feminisme. Ze publiceerde verschillende boeken, waaronder Os Segredos da Maleta Vermelha.
Het eerste weekblad voor de moderne Portugees kwam uit in 1973. Het wist direct lezers aan zich te binden door zijn kwaliteit, onafhankelijkheid en het originele, grote formaat.
De Britse concertpianist James Rhodes (1975), te gast op Crossing Border, werd als jongetje jarenlang misbruikt door zijn gymleraar. Het had hem waarschijnlijk de dood ingejaagd, als hij niet was gered door de muziek. In zijn ophefmakende memoir James Rhodes, pianist schrijft hij eerlijk, openhartig en met zwartgallige humor over de strijd met zijn demonen.
Ik zit op school en voel me niet erg op mijn gemak. Het is immers ‘de grote school’. Ik ben een nerveus kind. Verlegen, maak het anderen graag naar de zin en wil aardig gevonden worden. Ik ben tenger, een mooie jongen met een meisjesachtige aanblik. De school zelf is chic, duur, staat in dezelfde straat waar we wonen en is gigantisch, in mijn kleine ogen. Ik ben vijf jaar oud. Ik heb niet veel vrienden en dat maakt me weinig uit. Ik ben ‘gevoelig’, maar niet achterlijk of onbeholpen. Gewoon een beetje anders dan anderen. Ik hou van dansen en muziek en ik heb een levendige fantasie. Ik heb geen last van alle ballast waar volwassenen onder gebukt lijken te gaan, en zo hoort het ook. Mijn kleine wereld wordt langzaam groter, ontvouwt zich voor me en er is veel te ontdekken op school. Alweer zoals het hoort.
Op een dag (ik ben geneigd te zeggen: ‘op een dinsdag’, maar het is meer dan dertig jaar geleden en ik heb geen flauw idee welke dag van de week het was) ging ik met de rest van de klas naar de gymzaal. Mijn eerste gymles maakt me bang. De andere kinderen lijken te weten wat ze moeten doen. Ze kunnen touwklimmen, ze storten zich op een voetbal en krijsen van plezier. Ik ben meer het type kind dat ‘toekijkt vanaf de zijlijn’. Maar meneer Lee, onze leraar, lijkt dat geen probleem te vinden. Hij werpt me telkens een bemoedigende, vriendelijke blik toe. Alsof hij weet dat ik een beetje onzeker ben, maar aan mijn kant staat en daar geen enkel probleem mee heeft. Dat blijft allemaal onuitgesproken, maar het voelt oprecht, gemeend, veilig. Als vanzelf kijk ik tijdens de les steeds vaker zijn kant op.
En jawel hoor, elke keer als ik kijk, vang ik zijn blik, en zijn ogen lichten een beetje op. Hij glimlacht naar me op een manier die geen van de andere jongens zou opvallen, en op een diep, onaantastbaar niveau weet ik dat die glimlach speciaal voor mij bestemd is. Als hij naar me kijkt, heb ik het gevoel alsof het kabaal, de drukte en het gedrang verdwijnen en er een regenboogkleurige schijnwerper op me gericht wordt die alleen hij en ik kunnen zien.
En zo gaat het elke keer als ik les van hem heb. Hij schenkt me net genoeg aandacht om me het gevoel te geven dat ik best bijzonder ben, maar niet zo veel dat het opvalt. Maar wel genoeg om enthousiast te worden over gymles. Wat een prestatie van formaat is. Ik blijf me voor hem uitsloven, zodat hij me nog wat meer aandacht geeft. Ik stel vragen en geef antwoord, ren harder, klim hoger, klaag nergens over, zie erop toe dat mijn gymspulletjes schoon en netjes op orde zijn. Ik weet dat hij op een dag over de brug zal komen. En ja hoor, na een paar weken vraagt hij me om na te blijven en hem te helpen met opruimen. En dat voelt alsof ik de loterij gewonnen heb, met gevoel van eigenwaarde als jackpot. Een speciale prijs die zegt: jij bent het fijnste, leukste, schattigste en briljantste kind aan wie ik ooit les heb gegeven en al je geduld wordt nu beloond. Mijn borst zwelt van trots.
Ik ben nerveus, verlegen, een mooie jongen met een meisjesachtige blik
30 jaar gezwegen
Dus ruimen we op en praten we. Als volwassenen onder elkaar. En ik probeer heel onverschillig te doen, alsof ik dat normaal vind en al mijn vrienden honderddertig jaar oud zijn en volwassen. En dan zegt hij: ‘James, ik heb een presentje voor je,’ en mijn hart blijft even stilstaan. Hij neemt me mee naar het hok waar alle gymspullen en zijn bureau en stoel staan, en hij rommelt wat in zijn bureaula. En verdomd, hij haalt zomaar een mapje lucifers tevoorschijn. In een felrode omslag. Nu weet ik dat ik niet met lucifers mag spelen. En hier staat deze ongelofelijk toffe kerel die me wat lucifers geeft en zegt dat het dik in orde is om er een paar aan te strijken. Ik vraag hem of hij zeker weet dat het mag en hij zegt nog eens dat ik mijn gang kan gaan en er eentje mag aansteken.
Dus dat doe ik. Ik strijk een lucifer aan en wacht op de problemen die komen, het geschreeuw en getier. En als er niets gebeurt, als blijkt dat dit geen valstrik is, ga ik helemaal los. Grinnikend strijk ik de ene na de andere lucifer aan, met grote, glimmende ogen; ik ruik de zwavel, hoor het suizen van de vlam, voel de warmte tussen mijn kleine vingers.
Tip voor ouders: als je een half uurtje rust wilt om een uiltje te knappen, geef je kleuter dan een doosje lucifers. Ze zullen er volledig door in beslag worden genomen. Dit zijn de mooiste dertig minuten uit mijn korte leventje. En ik ervaar dingen waar alle kleine jongens naar hunkeren: ik voel me onoverwinnelijk, volwassen, twee meter lang. Ik ben gezien.
En zo gaat het door. Weken achtereen. Glimlachjes, knipoogjes, bemoedigende gebaren, zakmessen, aanstekers, stickers, chocoladerepen, superhelden. Een zippo voor mijn zesde verjaardag. Stiekeme cadeautjes, speciaal voor mij bestemde gebaren en een uitnodiging om lid te worden van de naschoolse boksclub.
En daar gaat alles fout.
Het is belangrijk om te weten dat ik zelf voor die bokslessen koos. Ik werd gevraagd en ik zei ja. Het was hoe dan ook een bewuste keus. Het werd me niet opgedrongen. Deze man, deze filmster met wie ik graag bevriend wilde zijn omdat hij me aardig vond en mij het gevoel gaf dat ik bijzonder was, vroeg of ik iets met hem wilde doen na schooltijd, en ik zei ja. Mijn eigen Fight Club.
Zoals Tyler Durden ons leerde in die film, is de eerste regel van de Fight Club dat we nooit praten over de Fight Club. Een dat heb ik bijna dertig jaar niet gedaan. Maar nu wel.
Ogenschijnlijk leek alles normaal, ik leefde op de automatische piloot
Verkrachting
Misbruik. Wat een woordkeuze. Je kunt het beter verkrachting noemen. Misbruik is als je een hoge functie hebt en vriendjespolitiek bedrijft. Een veertigjarige man die zijn pik met grof geweld in de kont van een jongetje van zes steekt, dat noem je geen misbruik. Het komt zelfs niet in de buurt. Dat is een gewelddadige verkrachting. Die leidt tot meerdere operaties, littekens (vanbinnen en vanbuiten), tics, dwangneurosen, depressiviteit, zelfmoordgedachten, ernstige zelfbeschadiging, alcoholisme, drugsverslaving, ronduit gestoorde seksuele afwijkingen, onzekerheid over het eigen geslacht (‘Je lijkt wel een meisje, weet je zeker dat je geen meisje bent?’), seksuele verwarring, paranoia, wantrouwen, dwangmatig liegen, eetstoornissen, posttraumatische stressstoornis (ptss), dissociatieve identiteitsstoornis (did – een chiquere term voor een meervoudigepersoonlijkheidsstoornis) en zo kunnen we nog wel even doorgaan.
Het leek onvermijdeljk dat mijn zoon hetzelfde zou overkomen als mij
Letterlijk van de ene op de andere dag was ik totaal veranderd: van een dansend, springend, giechelend, levendig kind dat genoot van de beschutting en het avontuurlijke van een nieuwe school werd ik een contactgestoorde robot met loden voeten en doffe ogen. Het kwam als een ongelofelijke schok, alsof je naar volle tevredenheid over een zonnig pad loopt en er ineens een luik onder je voeten opengaat waardoor je in een ijskoud meer plonst.
Wil je weten hoe je een kind van zijn hele kind-zijn kan beroven? Neuk hem. Neuk hem herhaaldelijk. Sla hem. Hou hem vast en duw dingen in zijn kont. Vertel hem dingen over hemzelf die alleen kleine kinderen voor waar aannemen, voordat hun gevoel voor logica en rede volledig ontwikkeld is, en dan zullen die dingen hem gaan beheersen en een onveranderlijk deel van zijn wezen gaan uitmaken. De reden dat ik dit pijnlijke, verschrikkelijke verhaal met je deel, is eenvoudig dit: de eerste keer in dat vergrendelde materiaalhok betekende voor mij een definitieve, permanente verandering. Vanaf dat moment was ik voor het grootste, waarachtigste deel aanwijsbaar, misselijkmakend anders.
Rhodes wordt vijf jaar lang misbruikt op de Arnold House school in Noord-Londen. Later bezoekt hij de Harrow school, waar hij bevriend raakt met toekomstig acteur Benedict Cumberbatch (Sherlock Holmes). Als hij achttien is gaat hij studeren in Edinburgh, maar door zijn destructieve levensstijl en drugsgebruik moet hij worden opgenomen. Op zijn twintigste, weer afgekickt, gaat hij psychologie studeren, waarna hij een baan vindt in de City. Zijn droom om pianist te worden lijkt voorbij, en hij stopt naar eigen zeggen volledig met spelen.
Werk in de city
Ogenschijnlijk leek alles normaal. Je studie afmaken, een bul krijgen, een baan, carrière maken, verliefd worden, trouwen, een gezin stichten. Dit was wat er met me gebeurde en ik had geen benul, was niet in staat om het een halt toe te roepen. Ik deed dat allemaal in de volstrekt misplaatste overtuiging dat iemand zoals ik, met mijn voorgeschiedenis en mijn hoofd, zoiets voor elkaar kon krijgen.
Nog steeds geen piano, geen zelfonderzoek, geen verleden, geen besef van wie ik ben of hoe ik was. Ik leefde op de automatische piloot. En godskolere, het verbaast me nog steeds hoe gemakkelijk dat me af ging.
Voor mijn werk moest ik advertentieruimte en redactionele artikelen in financiële bladen die niemand las aan internationale bedrijven verkopen. En aangezien je daarvoor oudere mannen moest manipuleren, voorliegen en inpalmen, kon ik dat als geen ander. Behalve een bescheiden basisloon kreeg ik provisie voor elke klant die ik binnenhaalde, en terwijl mijn vrienden begonnen met twintigduizend pond per jaar, haalde ik met gemak drie- tot vierduizend pond per week binnen, terwijl mijn werkdag om vijf uur stopte en ik elk weekend vrij had.
Ik nam meisjes mee naar de allerduurste hotels, kocht onvoorstelbaar idiote cadeaus voor ze, reisde de wereld rond, liet maatpakken maken, at in restaurants waar alleen al een voorgerecht duurder was dan een maaltijd voor vier bij de Pizza Express.
En toen ontmoette ik de vrouw met wie ik zou trouwen. Het arme meisje maakte geen schijn van kans. Wat vrouwen betreft was ik niet zozeer een veroveraar als wel een gijzelnemer. En Jane (op haar verzoek gebruik ik niet haar echte naam) was de perfecte kandidate. Ze was mooi, tien jaar ouder dan ik, was al twee keer getrouwd geweest en leek te zijn ontsnapt aan de jaren twintig, de wereld van de Gatsby’s, de drooglegging en grootschalige feesten. Om eerlijk te zijn, ik zocht een moederfiguur, en zij… ik zou echt niet weten wat zij zocht, maar het kon onmogelijk mij zijn, tenzij dit een zeer misplaatste kosmische grap was. Toen ik in 2002 vader werd, zwollen de echo’s uit mijn verleden aan tot een noodkreet.
Bang voor mijn zoon
Jack (niet zijn echte naam, ook weer op verzoek van Jane) was een buitengewoon kind. Dat zegt elke ouder over zijn kinderen. Maar voor mij was hij, is hij en blijft hij voor altijd het aangrijpende toonbeeld van alles wat magisch is in deze wereld. Hoe ik verder ook over ons huwelijk denk, hij is verwekt uit liefde en verlangen. Hij was gewenst, hartgrondig gewenst, en meteen al vanaf het begin hebben we hem bewonderd en aanbeden.
Toch raakte ik tot in het diepst van mijn wezen doordrongen van een kille, sluipende, groeiende overtuiging dat de vreselijkste dingen zouden gebeuren met datgene wat mij het liefst was. Zoiets angstaanjagends had ik nog nooit van mijn leven meegemaakt. Overal waar ik keek, zag ik enkel gevaar.
Ik stond erop om het nachtelijk voeden voor mijn rekening te nemen. Wakker was ik toch wel. Angstig, overbezorgd.
De positieve kant is dat hij en ik een enorm hechte band kregen. En ja, ik weet dat het ongezond is, maar ik leefde vierentwintig uur per dag met hem. Ik ademde hem in, kon geen genoeg van hem krijgen. Tot op de dag van vandaag zijn die momenten dat ik hem in mijn armen hield, diep in slaap, de gelukkigste, vredigste momenten uit mijn leven.
In het kader van de verwoede race van de Londense middenklasse om hun kinderen op de beste school te krijgen, schreven we hem al jaren van tevoren in voor een hele reeks basisscholen. En de vragen die ik tijdens de kennismakingsgesprekken stelde, hadden niets te maken met de faciliteiten, het lesprogramma, de maaltijden en al die dingen meer. Dan zaten we daar in het kantoortje van de hoofdonderwijzeres, de muren bezaaid met foeilelijke, eerlijk gezegd nogal gemakzuchtige schilderijtjes van de kinderen, en vertelde ze ons: ‘Veel van onze leerlingen stromen door naar de betere middelbare scholen in Londen en vervolgens naar de meest gerenommeerde opleidingsinstituten en universiteiten van het land. We leggen niet alleen de nadruk op schoolprestaties, maar geloven ook in meditatie, pastorale zorg en zelfontplooiing door middel van teamwerk en een positieve sfeer’, enzovoorts enzovoorts.
En dan vroeg ik, bleekjes en wantrouwig: ‘Hebben jullie ook mannelijke leerkrachten? Hoeveel? Zijn ze weleens met een kind alleen? Checkt u of ze bekend zijn bij de politie? Hangen er beveiligingscamera’s op school? Ook op de wc’s? Wie loopt met de kinderen mee naar de wc? Zijn ze daar alleen? Zijn er delen van het schoolgebouw buiten het bereik van die camera’s? Hoe gaat dat met het natrekken van referenties? Hoe grondig gaat u daarbij te werk? Wat doet u met kinderen die een ongelukkige indruk maken of mogelijk zijn mishandeld? Wat is de officiële procedure als er een verdenking is van misbruik? Staat die op papier? Mag ik een kopie?’
Ik begon me steeds meer als een zombie te gedragen. Na een paar weken ging ik weer aan het werk en moest ik hem om zeven uur ’s ochtends achterlaten, en terwijl ik dan door de donkere straten van Londen reed, zat ik te janken achter het stuur. Ik wist wat mij overkomen was, enkel en alleen omdat ik een kind was. Het leek onvermijdelijk dat hem ook zoiets zou overkomen. Want zo zagen de kinderjaren eruit: als een oorlogszone, vol gevaar, bedreigingen, angst en pijn. En alleen al door hem op de wereld te zetten, had ik het gevoel hem regelrecht in die omstandigheden te hebben gebracht.
Dus rond die tijd begon de façade die ik had opgetrokken af te brokkelen. Rond die tijd – wat de gelukzaligste tijd uit mijn leven had kunnen, had moeten zijn – zonk ik langzaam weg in een soort waanzin die ik me nooit had kunnen indenken.
Ik zeg alleen dit: ik ben als kind verkracht. Vijf jaar lang had ik ongewenste seks met een dertig tot veertig jaar oudere man die drie keer zo groot was als ik: pijnlijke, heimelijke, kwaadaardige seks, vele tientallen keren. Ik werd een ding om te gebruiken. En de fysieke, mentale en geestelijke pijn, die waren nog te verdragen. Maar wat ze je niet vertellen, is dat die spoken uit het verleden hun koude, gruwelijke tentakels uitstrekken tot buiten jezelf. Ze zadelen je op met de onwrikbare overtuiging dat de kindertijd voor iedereen een enorme martelgang is en dat niets of niemand een kind daartegen in bescherming kan nemen. Alleen al door Jack op de wereld te zetten, was ik medeplichtig aan de ellende die hem ongetwijfeld nog te wachten stond. De klootzak die mij dit had aangedaan, had niet alleen mijn leven verwoest, maar door middel van mij verwoestte hij nu ook de jeugd van mijn kind. De fout lag bij mij. En die pijn kon ik niet verdragen. Hij had me mijn jeugd afgepakt. Hij had me mijn kind afgepakt. Hij had me het vaderschap afgepakt. En hij had erbij gelachen.
Muziek
Er gebeurden dingen met mij waar ik totaal van in de war raakte, omdat ik ze al in geen eeuwigheid had ervaren: ik huilde zonder aanleiding, kon onmogelijk slapen of juist alleen maar slapen. De tics uit mijn jeugd keerden terug – zenuwtrekjes, onwillekeurig gillen, ritmes tikken, eindeloos lampen aan- en uitklikken – en ik had nergens meer zin in, niet in eten, seks of tv kijken. Het licht doofde en ik had geen idee waarom en wat ik eraan kon doen. En dus zocht ik afleiding. Ik zocht een uitweg waar geen moord of zelfmoord aan te pas kwam. En alle wegen leidden naar de muziek. Als altijd. Musicus worden zat er niet meer in, als je in geen tien jaar een piano hebt aangeraakt is dat geen optie, wist ik, maar misschien kon ik impresario worden. Alles wat mij wegvoerde van de City en een beetje in de richting bracht van de muziek was een stap de goede kant op. En dus deed ik wat een arrogante lul uit de City in zo’n geval doet: ik zocht contact met de impresario die de belangen behartigde van de grootste pianist ter wereld en vormde samen met hem een vennootschap.
Het was niet moeilijk. Een kistje champagne, een paar mailtjes, een of twee etentjes en ik kon aan de slag. Zijn naam was Franco. Hij woonde in Verona. Hij behartigde al twintig jaar de belangen van mijn held Grigori Sokolov. Grigori Sokolov, ongetwijfeld de grootste levende pianist. Misschien wel de grootste aller tijden.
Met de zegen van Jane en een enthousiasme dat maar net opwoog tegen het lichte gevoel van misselijkheid omdat ik mijn vaste inkomen liet lopen, zegde ik mijn baan op. Franco en ik besloten allebei 30.000 euro te steken in een nieuw te openen kantoor in Londen. Maar voor het zover was, kwamen we overeen dat ik een paar weken naar Verona zou komen om de kneepjes van het vak te leren.
Op mijn eerste avond na het eten vroeg hij of ik pianospeelde. Ik mompelde zoiets als dat ik in geen jaren gespeeld had, maar dat ik als tiener best goed was geweest. En dus vroeg hij mij iets voor te spelen. En omdat ik hunkerde naar waardering en aandacht en een beetje in hoger sferen was vanwege de pasta, het uitzicht en de geur van een Italiaanse stad, ging ik achter de piano zitten en ramde er een stuk van Chopin uit. In mijn oren was het rommelig en gênant. Maar ik had alles onthouden, ik wist me erdoorheen te slaan en met een enigszins rood aangelopen gezicht draaide ik me naar hem om.
Hij zat daar met zijn mond wagenwijd open en zonder een woord te zeggen.
En een minuut later zei hij eenvoudig: ‘James, ik zit al vijfentwintig jaar in het vak en ik heb nog nooit een amateur op zo’n manier piano horen spelen. Jij wordt geen impresario. Jij komt elke maand naar Verona en dan logeer je bij mij en neem je pianoles bij mijn vriend Edo, de beste muziekdocent van heel Italië. Ik weet niet of het een succes zal worden, maar je moet het proberen.’
Nadat ik tien jaar lang niet had gespeeld en me al had neergelegd bij de gedachte dat ik mijn dromen nooit zou waarmaken, had Franco even deze handgranaat naar binnen gegooid. En op een woensdagochtend kwamen we bij Edo thuis. Dit was dus een van die kerels die mijn leven voorgoed hebben veranderd. Zo’n gewelddadige, agressieve, arrogante, dictatoriale klootzak had ik nog nooit ontmoet. De perfecte docent voor iemand zoals ik: lui, ongedisciplineerd, ongeoefend en overenthousiast. Ik studeerde urenlang, en zoals het hoorde: langzaam, methodisch, weloverwogen, om daarna als beloning voor mezelf het hele stuk door te spelen. Dan merkte ik dat mensen die langs ons huis liepen even halt hielden om te luisteren. Het kabaal in mijn hoofd was weggezakt en vervangen door noten en muziek, en daardoor leek ik wat beter te functioneren. Het leven was niet meer zo wankel en wat vriendelijker en eenvoudiger. Het leek alsof het te doen was.
James Rhodes (rechts) omhelst zijn jeugdvriend Benedict Cumberbatch nadat een Londense rechter heeft bepaald dat hij zijn boek over seksueel misbruikt mag publiceren. Rhodes’ ex-vrouw probeerde de verschijning te laten verbieden omdat de inhoud schadelijk
Rhodes wordt opnieuw opgenomen en ziet zijn huwelijk met Jane stranden voordat hij, eindelijk, gelooft dat hij zijn droom van een muzikale loopbaan alsnog kan realiseren. In 2009 brengt hij zijn eerste album uit: Razor Blades, Little Pills & Big Pianos, dat meteen zijn doorbraak betekent.
Seksueel misbruik eindigt zelden of nooit met vergeving
Vergeving?
De pers begon rond die tijd steeds meer aandacht aan mij te besteden, met onder andere een interview in The Sunday Times. Daarin liet ik mij ontvallen dat ik op school was misbruikt – één alineaatje in een artikel van twee pagina’s. Een oude onderwijzeres van mij las dat en zocht contact met me. Ze zei dat ze wel had geweten dat er iets niet in de haak was (al had ze in haar naïviteit niet gedacht aan misbruik, hoogstens aan mishandeling) en dat ze me weleens huilend had aangetroffen, met bloed op mijn benen, smekend om niet meer naar gym te hoeven. Ze was ermee naar het schoolhoofd gegaan en die had gezegd wat zo iemand in de jaren tachtig dan altijd zei: ‘Mannetje Rhodes moet een beetje eelt op zijn ziel krijgen. Niet te veel aandacht aan schenken.’ En daar had ze dus gehoor aan gegeven. Ze vertelde dat ze later gevangenispastor was geworden. En nu, na al die jaren, had ze dat interview gelezen en nam ze contact op om te checken of ze nog iets kon goedmaken. Godverdomme wel vijfentwintig jaar te laat, maar ach. Kan ik toch nog een tikje pissig om worden.
Ze legde een verklaring af bij de politie. Daarna stapte ik samen met mijn manager naar de politie om nog maar eens een poging te doen. En verrek, dit keer wisten ze hem op te sporen. Hij was al in de zeventig. Werkte in Margate. Als parttimebokscoach voor jongetjes tot tien jaar… Na een paar lange verhoren hebben ze hem gearresteerd en aangeklaagd voor tien gevallen van sodomie en aanranding.
Het laatste wat ik van de politie heb gehoord, was dat hij een beroerte had gekregen en niet meer in staat was om terecht te staan. Kort daarna ging hij dood.
In de boeken die ik heb gelezen en de praatgroepen die ik heb bezocht wordt altijd gehamerd op vergeving. Je wordt aangespoord een brief te schrijven aan de mensen die jou pijn hebben gedaan, zeker als ze niet meer in leven zijn. Daarin beschrijf je welke gevolgen hun daden voor jou en je dierbaren hebben gehad. In veel opzichten is dit boek zo’n brief. Dit is mijn brief aan jou, Peter Lee, terwijl jij ligt weg te rotten in je gore graf. Om te laten weten dat je nog niet gewonnen hebt. Ons geheimpje is geen geheim meer, het is niet langer iets wat ons verbindt, geen hechte, intieme band tussen ons. Je kunt lullen wat je wilt, maar niets van wat jij met mij hebt gedaan was onschadelijk, prettig of liefdevol. Het was gewoon een afschuwelijke, agressieve schending van mijn onschuld en vertrouwen.
Ik kan alleen maar hopen dat mensen zoals Lee, die actief gevolg geven aan hun seksuele verlangen naar kinderen, ook inzien, écht inzien hoeveel schade ze aanrichten. Dat ze inzien dat al hun gepraat over dat het van twee kanten komt, dat het toch moet kunnen en dat het een uiting van liefde is, helemaal niets met de werkelijkheid van doen heeft.
Vergeving is een machtig mooie gedachte. Het is iets waar ik naar streef, ook al lijkt het soms niet meer dan een aantrekkelijke maar onmogelijke hersenschim. Ik ben in mijn leven te vaak misbruikt. Ik wil openlijk vertellen over die zaken waarmee ik nu kan omgaan zonder volledig in te storten. Daar doe ik het mee. Ik kan niet anders. Er zijn nog andere mensen uit mijn verleden die meer weten en beter hadden moeten weten, en zij zullen daarmee vrede moeten zien te vinden, net zoals ik. Misschien dat ik Lee ooit zal kunnen vergeven. Dat zal beter lukken als ik een manier vind om mezelf te vergeven. Maar de waarheid is, althans voor mij, dat seksueel misbruik van kinderen zelden of nooit eindigt met vergeving. Het leidt slechts tot zelfverwijt, schaamte en een intense, tegen jezelf gerichte woede.
James Rhodes
De vertaling van Rhodes’ memoir verschijnt op 18 november bij Nieuw Amsterdam. De publicatie van het origineel had veel voeten in aarde, want het boek was inzet van een grote rechtszaak die in het voorjaar van 2014 begon. Rhodes ex-vrouw verzette zich tegen publicatie omdat het hun twaalfjarige, aan Asperger lijdende zoon zou kunnen schaden. In mei 2015 verwierp de Hoge Raad het verzoek tot verbod: volgens velen een grote overwinning voor de beginselen van de vrijheid van meningsuiting en een bevestiging van het fundamentele belang van het mogen uitspreken van de waarheid, ook als die waarheid choquerend is.
Zeventig jaar na de oprichting van de VN op 24 oktober 1945 maakt de Britse kwaliteitskrant The Guardian de balans op.
Dag Hammarskjöld, de tragisch omgekomen derde secretaris-generaal van de VN, verwoordde het trefzeker: ‘De Verenigde Naties zijn niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden.’ Welke hel hij in gedachten had was niet moeilijk te raden in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en Hitlers vernietigingskampen, en in de schaduw van de atoombom.
De vraag in hoeverre de VN een rol speelde bij het voorkomen van een nucleaire vernietiging verdeelt historici, maar er kan geen twijfel over bestaan dat de organisatie sinds haar oprichting in oktober 1945 miljoenen mensen voor andere vormen van de hel heeft behoed. Voor diepe armoede, voor het zien sterven van kinderen aan ziekten die te genezen zijn, voor de hongerdood tijdens de vlucht voor oorlogen in de heksenketel van ideologische rivaliteiten tussen Washington en Moskou, die op de slagvelden in Afrika en Azië werden uitgevochten. Het kinderfonds Unicef voorzag in de scholing en een beter levenspad voor miljoenen kinderen, onder wie de huidige secretaris-generaal Ban Ki-moon. De ontwikkelingsprogramma’s van de VN waren bepalend bij de hulp aan landen om na de koloniale overheersing zichzelf te gaan besturen.
Maar toch. De VN mag zijn geprezen als de grote hoop voor de toekomst van de mensheid, de organisatie is ook veroordeeld als een schandelijk hol van dictaturen, heeft woede gewekt door haar verlammende bureaucratie, als internationale dekmantel van corruptie en door de ondemocratische gang van zaken in de Veiligheidsraad. De VN trekt ten strijde in de naam van de vrede, maar heeft werkeloos toegezien bij genocide. En in zeventig jaar heeft de organisatie meer dan 500 biljoen dollar uitgegeven.
‘De Verenigde Naties is niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden’
Gecorrigeerd voor inflatie zijn de jaarlijkse uitgaven van de organisatie nu veertig maal hoger dan in de jaren vijftig. De VN telt thans zeventien ge- specialiseerde instellingen, veertien fondsen en een secretariaat met zeventien onderafdelingen en heeft alleen al in New York 41.000 mensen in dienst. De lopende begroting is in twintig jaar meer dan verdubbeld en bedraagt nu 5,4 miljard dollar per jaar. Maar dat is slechts een klein deel van de uitgaven. Vredesmissies slurpen nog eens 9 miljard per jaar op met 120.000 peacekeepers, voornamelijk in Afrika. En dan zijn er nog de vrijwillige bijdragen van sommige lidstaten voor noodhulp, ontwikkelingswerk en instellingen als Unicef.
Maar al met al geeft de VN dit jaar niet meer uit dan de helft van de begroting van 80 miljard van de stad New York voor 2015.
Helen Clark kreeg als premier van Nieuw-Zeeland voor het eerst te maken met de VN, en vond in die tijd dat de organisatie door haar omvang en middelen van groot nut was bij het verdelen van de hulpgelden die kleine landen zoals het hare beschikbaar stellen. Ze is sinds zes jaar het hoofd van het ontwikkelingsprogramma van de VN, het UNDP, en daarmee de machtigste vrouw in de organisatie. Sindsdien is ze wat minder enthousiast. ‘Toen ik hier kwam, was het UNDP net een jaar bezig met het allereerste strategische plan in zijn bestaan. Maar daarin werden zo veel doelen gesteld dat het allemaal geen enkele zin had.’
Tien jaar geleden kwam de VN met een rapport waarin verregaande hervormingen van de versplinterde organisatie werden voorgesteld. Die zouden moeten worden doorgevoerd onder leiding van Adnan Amin, een Keniaanse ontwikkelingseconoom. Dat rapport bevatte volgens Amin ‘fundamenteel goede ideeën’, maar had niet de gevolgen die de samenstellers ervan verwachtten. ‘Het leidde tot een stroom van nieuwe rapporten binnen de VN, die volstrekt onleesbaar waren voor buitenstaanders. Er is sindsdien wel vooruitgang geboekt, maar geen fundamentele wijziging in de manier waarop de VN de zaken aanpakt.’
Het grootste obstakel voor verandering zijn de lidstaten. Er is een tendens onder lidstaten die het grootste deel van de rekeningen betalen om de armere lidstaten af te schilderen als een struikelblok voor modernisering en vergroting van de doelmatigheid van de organisatie. Maar volgens de 134 kleinere contribuanten, verenigd in de G77, is dat streven naar meer doelmatigheid een truc van de rijke landen om hun greep op de VN te verstevigen. ‘In naam van de doelmatigheid hebben de rijke landen de topposities ingenomen in het secretariaat,’ zegt de Indiase VN-ambassadeur Asoke Kumar Mukerji, de leider van de G77.
Helen Clark, die wel wordt gezien als de toekomstige (eerste vrouwelijke) secretaris-generaal van de VN, wordt door westerse lidstaten geprezen om de hervormingen die zij in het UNDP heeft doorgevoerd. Maar de G77 ziet dat toch anders: er zitten in de top van het UNDP te weinig mensen uit de ontwikkelingslanden zelf. ‘En daardoor is het een organisatie geworden die het karakter niet begrijpt van de landen waarvoor zij werkt,’ werpt Mukerji tegen.
Er wordt met een schuin oog gekeken naar de huidige secretaris-generaal, die als zwak wordt beschouwd. ‘Het zou mooi zijn om eens te zien wat een krachtige secretaris-generaal voor verschil zou maken,’ zegt een topambtenaar in New York. ‘Dat vindt iedereen. Maar die sterke man of vrouw komt er hoogstwaarschijnlijk nooit. De grote lidstaten willen een secretaris-generaal die ze kunnen beïnvloeden, kunnen sturen.’
De Verenigde Naties, opgericht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, hebben zich niet aangepast aan de hedendaagse realiteit, meent het Russische tijdschrift voor internationale betrekkingen Rossia v globalnoj politike. In 1945 maakte de bevolking van de landen die een zetel hadden in de Veiligheidsraad 66 procent van de wereldbevolking uit, en hun bruto nationaal product was 59 procent van het mondiale bnp. Daarnaast waren de overwinnaars in de oorlog de enige landen die beschikten over de atoombom. In 2014 waren die cijfers gedaald tot respectievelijk 22 en 46 procent. Ten minste nog vier landen – India, Pakistan, Israël en Noord-Korea – beschikken nu over kernwapens en nog eens een twintigtal landen moet in staat worden geacht dergelijke wapens te produceren.
Het gebrek aan representativiteit van de Veiligheidsraad doet het vertrouwen in dat instituut teniet. Daarom, aldus het Russische tijdschrift, moet worden geprobeerd de VN te hervormen, rekening houdend met de nieuwe werkelijkheid. Dat wordt een van de voornaamste taken van de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) in de komende jaren. Maar om het aantal leden van de Veiligheidsraad niet te vergroten – die uit een compact gezelschap dient te blijven bestaan – zouden Rusland en China bijvoorbeeld, zo stelt het Russische blad zich voor, hun vetorecht bij voorkomende gelegenheid kunnen afstaan aan een van hun partners binnen de BRICS, dat wil zeggen aan Brazilië, India of Zuid-Afrika.
Strijd tegen straffeloosheid
Een commissie met een mandaat van de VN heeft een sleutelrol gespeeld in de ontwikkelingen waarbij president Otto Pérez Molina van Guatemala zich genoodzaakt zag af te treden, analyseert de krant El Periódico. De president werd vervolgens op verdenking van betrokkenheid bij corruptie gearresteerd.
De burgerbeweging die al weken manifesteerde tegen de president en de justitiële instanties heeft een overwinning behaald dankzij de steun van de Internationale Commissie tegen de straffeloosheid in Guatemala (CIGIG), ‘een onafhankelijke organisatie die als een soort internationaal openbaar ministerie functioneert, maar onder de juridische autoriteit van Guatemala’, aldus een andere krant, El Espectador.
De CIGIG werd 2007 door de VN in het leven geroepen op verzoek van Guatemala om de autoriteiten bij te staan in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, die tot in de staatsinstellingen was doorgedrongen. Andere landen, waaronder Honduras, hebben de VN inmiddels gevraagd om voor hen ook een soortgelijk instituut in het leven te roepen.
‘Een lichte schijn van geloofwaardigheid’
De vredesmissie van VN-blauwhelmen in de Democratische Republiek Congo, MONUSCO, bestaat al zestien jaar. En er zit nog toekomst in, want nog altijd wordt het land verscheurd door oorlogshandelingen. Met 20.000 man is MONUSCO op dit moment de grootste VN-operatie in de wereld.
‘Tal van jaren heeft MONUC, later MONUSCO, niet uitgeblonken op militair gebied. Onmacht en passiviteit waren de belangrijkste trefwoorden om de acties van de VN in Congo te kenschetsen’, schrijft het blog Afrikarabia. In 2013 kwam er plotseling een einde aan de daadloosheid. De Interventiebrigade van MONUSCO werd in de strijd geworpen tegen de rebellenbeweging M23 in Noord-Kivu. De brigade had een nieuw, offensiever mandaat ontvangen en maakte een einde aan de rebellie van M23, met steun van het Congolese leger.
‘De Brigade heeft dus twee vliegen in één klap geslagen: M23 werd militair verslagen, en de blauwhelmen en het reguliere leger hebben weer een lichte schijn van geloofwaardigheid gekregen’, concludeert Afrikarabia.
Seksueel geweld tijdens VN-missie
Het hoofd van de VN-missie in de Centraal-Afrikaanse Republiek heeft begin augustus op verzoek van de secretaris-generaal zijn functie neergelegd, na de zoveelste beschuldiging tegen de blauwhelmen onder zijn bevel van seksueel geweld. In de Keniaanse krant The Daily Nation schrijft de vrouwelijke commentator Rasna Warah: ‘De VN, die geen enkele tolerantie zegt te hebben voor seksueel geweld begaan door blauwhelmen, is niet in staat gebleken het kwaad in te dammen en is nog minder bereid de schuldigen voor de rechter te brengen. Erger nog: degenen die het misbruik hebben gemeld, zoals Anders Kompass [lid van de VN-missie die de zaak aan het daglicht bracht] zijn van hun functie ontheven.’
Als volgens Warah ‘de VN de daders niet kan vervolgen, kan de organisatie op zijn minst landen waaruit de betrokken soldaten afkomstig zijn weigeren om aan toekomstige vredesmissies deel te nemen’.
Geen geld voor vluchtelingen
Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) heeft een geldtekort. De organisatie heeft dit jaar 4,5 miljard dollar nodig, maar tot op heden is daar nog geen 40 procent van binnen. Bij gebrek aan middelen heeft het Wereldvoedselprogramma van de VN (WFP) de rantsoenen voor de Syrische vluchtelingen al moeten inkrimpen. ‘Instellingen voor humanitaire hulp van de VN staan aan de rand van een faillissement,’ meldt The Guardian, die dat heeft vernomen van António Guterres, de hoge commissaris. In 2015 moet hij al met 10 procent minder toekomen dan het jaar ervoor, terwijl de nood nooit zo hoog is geweest.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.