Tag: siliconvalley

  • Waarom de buitenwereld Silicon Valley haat

    Waarom de buitenwereld Silicon Valley haat

    Facebook, Google en Uber maken ons leven leuker, makkelijker en goedkoper. Maar de technologiereuzen zuigen intussen zo veel geld en talent naar Californië dat de rest van de planeet het nakijken heeft. En in de toekomst wordt het alleen maar erger…

    Silicon Valley is het nieuwe Rome. Net als in de tijd van Caesar 
hebben we te maken met een geavanceerde stadstaat die een groot deel van de wereld domineert, zo veel mogelijk regio’s met zijn technologie en manier van denken injecteert en daarmee enorme rijkdom vergaart.

    Dankzij Peter Thiel – internetmiljardair en voorstander van monopolies en het vroegtijdig verlaten van school – maken veel mensen zich zorgen om de groeiende rijkdom en invloed van Silicon Valley. Thiel spendeerde stiekem 10 miljoen dollar om een ex-worstelaar [Hulk Hogan] te helpen procederen tegen roddelsite Gawker – naar verluidt omdat Thiel zelf nog een appeltje met de site te schillen had. Toen dat uitkwam, begon men zich in paniek af 
te vragen in hoeverre Silicon Valley-miljardairs de media hun wil kunnen opleggen. En dat is nog maar een van de vele soortgelijke verhalen. Facebook is ervan beticht conservatieve nieuwsberichten achter te houden, wat ook weer het spookbeeld van mediacensuur oproept. Ondertussen is die 10 miljoen van Thiel nog zuinig vergeleken bij de 30 miljoen dollar die Mark Zuckerberg uittrok om vier huizen rondom zijn eigen woning op te kopen en plat te gooien, louter om te zorgen dat hij geen inkijk heeft. Elders in het land, in 
Indiana, wordt wetgeving die discriminerend is voor LHBT’ers teruggedraaid onder druk van Marc Benioff, de directeur van Salesforce, die dreigde dat 
zijn bedrijf anders de staat zou verlaten. Het fenomeen Donald Trump profiteert vooral van boze kiezers die door de technologische ontwikkelingen hun banen verliezen.

    Digitaal wereldrijk

    De angst voor het Californische schiereiland met zijn nerds heeft de hele wereld in zijn greep. De Europese 
Commissie gaat tekeer tegen Google en Netflix, China begint het Apple moeilijk te maken en India heeft Facebooks plannen voor gratis internet een halt toegeroepen, uit angst alle controle over de draadloze infrastructuur te 
verliezen. ‘Er moeten regels worden opgesteld om te voorkomen dat India een digitale kolonie wordt,’ zei Sharad Sharma van de Indiase denktank iSPIRT.

    En dan staat het digitale wereldrijk 
van Silicon Valley nog maar in zijn 
kinderschoenen. Er is een nieuwe generatie technologieën, zoals kunstmatige intelligentie, 3D-printen en blockchain, die waarschijnlijk vooral in Silicon 
Valley zullen worden ontwikkeld en die, als ze straks mainstream worden, diep zullen ingrijpen in ons denken over industrie, geld, dienstverlening, 
nationale soevereiniteit en nog veel meer. Als je hoofd nu al tolt van de 
veranderingen sinds 2007, toen het tijdperk van smartphones, sociale 
netwerken en de cloud aanbrak, dan dreig je de komende tien jaar helemaal kortsluiting in je hersenen te krijgen.

    Silicon Valley is hetzelfde als het Romeinse Rijk van tweeduizend jaar geleden. Leuk voor sommigen, zwaar klote voor anderen

    Is dit nu goed of slecht? Het antwoord is net zo ingewikkeld als wanneer je die vraag stelt over het Romeinse Rijk van tweeduizend jaar geleden. Leuk voor sommigen, zwaar klote voor anderen. Hopelijk op de lange termijn een zegen voor de mensheid, maar het kan een paar eeuwen duren voordat 
we dat kunnen beoordelen.

    Silicon Valley vindt het heerlijk om dingen overhoop te halen. En nu haalt het de hele wereld overhoop. De befaamde technologie-analist Mary Meeker kwam deze maand met haar jaarlijkse verslag van internettrends. Uit haar cijfers blijkt duidelijk hoezeer de rol van Silicon Valley in de wereldeconomie is gegroeid. Neem haar lijst van de twintig waardevolste technologiebedrijven in 2015: twaalf daarvan komen uit de Verenigde Staten, zeven uit China en een uit Japan. Niet een uit Europa of India of een andere regio. De Amerikaanse bedrijven tekenen voor 76 procent van de totale beurswaarde en 87 procent van de opbrengst. En slechts een van die twaalf Amerikaanse bedrijven zit buiten Silicon Valley (Priceline, in Connecticut).

    Een andere manier om de dominantie van Californië te schetsen: nergens groeit het aantal internetgebruikers 
zo hard als in India. Die groei komt bijna geheel voor rekening van smartphonegebruikers. De drie meestgebruikte telefoonapps in India zijn al van Facebook (Facebook, WhatsApp en Facebook Messenger), dus geen wonder dat India niet wilde dat het bedrijf zijn tentakels nog verder uitstrekt. Bovendien draaien bijna alle mobiele telefoons in India op Googles Android of Apples iOS.

    Een flink deel van de meest dynamische sector in India levert dus vooral Silicon Valley geld op. En zo gaat het in elk land ter wereld, behalve misschien Noord-Korea.
    De geldstroom naar Silicon Valley heeft zich de laatste jaren uitgebreid van technologie naar sectoren die vroeger niet digitaal en zuiver lokaal waren. Hoe dat werkt wordt goed geïllustreerd door Uber: dat strijkt 20 procent van de prijs van elk ritje op. Vroeger bleef in Frankrijk 100 procent van alle inkomsten uit taxiritjes in eigen land.

    Krijgt Uber een groot deel van de Franse taximarkt in handen, dan vloeit 20 procent van die opbrengst het land uit. Stel je nu eens voor dat het de ene na de andere bedrijfstak zo vergaat, in het ene land na het andere. (En wat betreft de enorme hoeveelheden geld die naar Uber 
stromen: een investeringstak van de Saoedische regering heeft onlangs nog 3,5 miljard dollar in het bedrijf gepompt. Blijkbaar konden de Saoedi’s in eigen land niet genoeg veelbelovende start-ups vinden om in te investeren.) 
Alphabet, het moederbedrijf van Google, strijkt volgens Adweek 12 procent op 
van wat er wereldwijd omgaat in de reclamebranche. Nooit eerder streek 
één bedrijf 12 procent van alle reclameopbrengsten wereldwijd op. En dat 
Google veel geld aan landen onttrekt, staat buiten kijf. In 2015 had Google een opbrengst van 75 miljard dollar, en 54 procent daarvan kwam uit het 
buitenland.

    Silicon Valley trekt van heinde en verre slimme mensen aan, zoals de briljante Ierse broers John en Patrick (rechts) Collison, oprichters van digitale betalingen-platform Stripe. – © HH
    Silicon Valley trekt van heinde en verre slimme mensen aan, zoals de briljante Ierse broers John en Patrick (rechts) Collison, oprichters van digitale betalingen-platform Stripe. – © HH

    Op macroniveau is technologie een 
van de weinige economische sectoren die wereldwijd nog significante groei vertonen. Uit Meekers cijfers blijkt dat de groei van het bruto binnenlands product wereldwijd in zes van de afgelopen acht jaar onder het gemiddelde zat. Als de economie overal stagneert maar de technologiesector groeit als kool, moeten de andere sectoren het wel heel beroerd doen. En als de opbrengsten uit technologie grotendeels naar bedrijven in Silicon Valley vloeien, is dat dus ook verantwoordelijk voor veel van de economische groei in de wereld – en betaalt het grootste deel van de wereld Silicon Valley daar een prijs voor.

    In de presidentscampagne hamert Trump er steeds op dat Amerika verliest. Maar dat klopt niet: op het gebied van technologie is Amerika aan het winnen, en niet zo’n beetje ook. Het probleem is dat er ook nog heel veel Amerika is buiten Silicon Valley, dat kleine lapje grond van San Francisco tot San Jose. Ook binnen de Verenigde Staten is Silicon Valley een soort Rome, dat de rest van het land tot een nieuw Judea kan degraderen. Want we hebben nu twee Amerika’s: een analoog 
en een digitaal Amerika. Het analoge Amerika is het Amerika van de 
fabrieken, de detailhandel, de dienstverlening en de restaurants: ouderwets werk dat je met je handen kunt doen. En dat oude Amerika heeft het zwaar. Uit federale cijfers blijkt dat de VS in mei de laagste banengroei in vijf jaar hadden. In de industriële productie zijn zo’n tienduizend banen verdwenen. De lonen van de middenklasse staan al jaren stil. Hele horden mensen verliezen hun baan door de automatisering. Opiniepeilers horen Trump-aanhangers zeggen dat ze zich 
machteloos voelen. Uit woede stemmen ze op Trump, om iets terug te doen.

    Vroeger waren er talloze bedrijven die kaarten drukten. Nu is er op de wereldwijde markt van landkaarten voor consumenten nog maar één producent die ertoe doet: Google

    Aan de andere kant van de kloof heb je het digitale Amerika: de mensen die software schrijven, data analyseren, apps verkopen, investeren in start-ups. Hier kan toptalent de werkgevers tegen elkaar op laten bieden. Overal in het land vind je enclaves van dit digitale Amerika, met hoge concentraties in steden als Boston, New York, Washington en Seattle, waar ook grote internetbedrijven zitten. Maar geen van die plaatsen kan zich meten met Silicon Valley – het land van de miljardairs met vlasbaardjes, idioot hoge huizenprijzen, snelwegen vol Tesla’s en Stanford 
University als regionale kweekvijver van digitaal toptalent. Hier wordt meer geïnvesteerd in meer bedrijven. In het eerste kwartaal van dit jaar harkten Californische bedrijven, merendeels uit Silicon Valley, 396 miljoen dollar aan durfkapitaal bij elkaar, bijna drie keer zo veel als New York (tweede plaats, met 149 miljoen) en vier keer zo veel als Massachusetts (derde plaats, 90 miljoen). En het geld dat Silicon Valley genereert blijft doorgaans in Silicon Valley. De beursgang van zo’n bedrijf maakt zelden mensen van elders rijk. Kijk naar de veertig grootste aandeelhouders van Facebook: ze wonen bijna allemaal in Silicon Valley. (Thiel is met 2,5 procent de op zes na grootste, 
waarmee zijn vermogen meer dan 2 miljard dollar bedraagt.)

    Van heinde en ver trekt Silicon Valley slimme mensen aan die een internetbedrijf willen opzetten. De gebroeders Collison groeiden op in een klein dorpje in Ierland. De briljante broers gingen studeren in Boston: Patrick aan MIT, John aan Harvard. In 2010 zetten ze Stripe op, een nieuw platform voor digitale betalingen, en in 2011 kregen ze 2 miljoen dollar van drie investeerders uit Silicon Valley: Sequoia Capital, Andreessen Horowitz en… Peter Thiel. Inmiddels is Stripe meer dan 5 miljard dollar waard. Het zetelt niet in Ierland of Boston, maar in San Francisco.

    Een man maakt een selfie tijdens een religieuze bijeenkomst in Mumbai. – © HH
    Een man maakt een selfie tijdens een religieuze bijeenkomst in Mumbai. – © HH

    En die ontwikkeling is voorlopig nog niet ten einde. Ik heb veel investeerders in de Bay Area gesproken. Tien 
of vijftien jaar geleden zochten ze interessante investeringsmogelijkheden in China en India, en sommigen zetten overal in de VS filialen op. Nu vinden 
de meesten dat ze niet verder hoeven te kijken dan een straal van nog geen honderd kilometer rond Palo Alto. Het meeste talent dat ertoe doet, zit daar al of komt er uiteindelijk vanzelf terecht.

    Enrico Moretti, hoogleraar Economie aan de Universiteit van Californië, concludeert in zijn boek The New Geography of Jobs dat locatie – al zou je dat in deze tijd van netwerkverbindingen niet 
verwachten – in deze sector nog steeds een grote rol speelt. ‘In de innovatiesector is het succes van een bedrijf niet alleen afhankelijk van de kwaliteit van de werknemers, maar ook van het hele ecosysteem eromheen,’ schrijft Moretti. ‘Daardoor is zo’n bedrijf moeilijker naar een andere regio te verplaatsen dan traditionele fabrieksproductie.’ Een staalbedrijf of een schoenenfabriek kun je verkassen naar een regio waar arbeid en grondstoffen goedkoper zijn. Technologiebedrijven moeten op een paar plekken samenklonteren, en dan is Silicon Valley de sterkste magneet van allemaal.

    In 2015 lieten de media hun oog 
vallen op de zogenaamde ‘eenhoorns’: nieuwe, nog niet beursgenoteerde start-ups waarvan de waarde op meer dan een miljard dollar werd geschat. Die schattingen begonnen de pan uit te rijzen. Er werd al gefluisterd over een bubbel. Ook tech-insiders voorspelden een terugslag. Maar al dat gebabbel over een bubbel wordt doorgeprikt door Meeker. ‘Er zijn internetbedrijven waarvan de waarde wordt overschat,’ zegt ze. ‘Maar er zijn ook bedrijven die worden onderschat. 
Er zijn maar heel weinig bedrijven 
die gaan winnen. Maar die bedrijven lopen dan ook gigantisch binnen.’

    Play Bigger

    In Play Bigger, het nieuwe boek dat ik in samenwerking met drie consultants uit Silicon Valley heb geschreven, beschrijven we het op een andere manier. Onze netwerksamenleving heeft een omgeving geschapen waarin één bedrijf een totaal nieuwe bedrijfstak kan ontwikkelen en domineren (zoals Facebook, Airbnb, VMware en tal van andere bedrijven doen), waardoor het in die sector de grote winnaar wordt. Geen enkele regio ter wereld brengt zo veel van dit soort dominante bedrijven voort als Silicon Valley, en 
de sectorwinnaars van de toekomst worden de belangrijkste bedrijven van de nieuwe generatie.

    Waarschijnlijk worden ze nog veel 
groter dan de Facebooks en Googles van nu. Artificiële intelligentie (AI) is een technologie die alles op zijn kop gaat zetten, zoals cloud-gebaseerde apps dat de afgelopen vijf jaar hebben gedaan. Dat wordt een bron van vernieuwingen die we ons nu nog nauwelijks kunnen voorstellen. (Wat dacht je van piepkleine, door AI aangestuurde drones die bij gebouwen rondvliegen om een oogje in het zeil te houden, in plaats van beveiligers? Zit eraan te komen!) 3D-printen wordt zo goed 
dat een bedrijf als Nike niet langer schoenen in Azië zal laten maken om naar de VS te verschepen. Die schoenen worden straks ‘geprint’, in een netwerk van duizenden kleine printfabriekjes waar je je vers gemaakte gympen kunt ophalen. Blockchain, de technologie achter bitcoin, is nog maar net begonnen de hele financiële sector te hervormen. Virtual reality zal zo goed worden dat het revolutionaire gevolgen krijgt voor zaken als toerisme, sport of een bezoekje aan de dokter. Biotechnologie, robotica: er staat ons een waanzinnige stortvloed aan nieuwe technologische ontwikkelingen te wachten.

    De gevolgen zullen zo ingrijpend zijn dat we volgens Hemant Taneja van General Catalyst Partners afstevenen op een ‘wereldwijde herprogrammering’. We gaan elk product en elke dienst ter wereld uit elkaar halen en terug in elkaar zetten met behulp van data, AI en al die andere nieuwe dingen.

    Natuurlijk zullen ook bedrijven van buiten Silicon Valley hier hun kansen grijpen. Het om zijn virtual reality-techniek bejubelde Magic Leap zit in Florida. Belangrijke bijdragen aan de blockchain-ontwikkeling komen uit New York. Maar de overgrote meerderheid van de bedrijven die aan 
deze wereldwijde herprogrammering werken, zit in Silicon Valley. En zoals Meeker zegt: de paar bedrijven die een hele sector domineren zullen 
uitgroeien tot ware giganten, wat het voor andere regio’s in de wereld moeilijker dan ooit zal maken om Silicon Valley bij te benen.


    Terug naar de vraag of dat nou een goede of een slechte ontwikkeling is.

    Als je je smartphone pakt, zie je daar een hoop dingen waarvoor je vroeger moest betalen en die je nu voor niks of bijna voor niks krijgt. Je hebt een camera met flits, vroeger moest je die allebei apart kopen. Nieuws is gratis, je hoeft geen krant meer te kopen. Bellen met het buitenland kost via Skype bijna niks. Muziek: gratis of goedkoop met Spotify. En dat mobieltje is maar één voorbeeld van de impact van technologie en de globalisering. Die maken steeds meer zaken goedkoper of helemaal gratis, en verlagen zo de kosten van levensonderhoud. Dat geldt ook voor fysieke producten: dankzij de globalisering kun je bij H&M leuke kleren kopen voor veel minder geld dan twintig jaar geleden. Technologie zal die trend alleen maar versnellen.

    Volgens Mike Maples, een van de partners van Floodgate, een investeringsfonds voor start-ups, gaan we toe naar een tijd van overvloed waarin we steeds meer krijgen voor veel minder geld dan ooit tevoren. Een beter leven voor minder geld. Klinkt goed.

    Maar zoals uit de cijfers van Moretti blijkt, is diezelfde dynamiek ook funest voor de middenklasse, die banen ziet verdwijnen en salarissen dalen. Hoe meer dingen gratis of goedkoop te krijgen zijn, hoe minder mensen geld kunnen verdienen met het maken en verkopen van die dingen. Als een product tot een app wordt gereduceerd, blijft er maar een klein groepje mensen over dat dat wereldwijd kan verkopen – en zo al het geld opstrijkt. Neem landkaarten: vroeger waren er talloze bedrijven die kaarten drukten en winkels die ze verkochten. Nu is er op de wereldwijde markt van landkaarten voor consumenten nog maar één producent die ertoe doet: Google, in Mountain View, Californië. Al het geld dat met landkaarten kan worden verdiend gaat naar Google, en de meeste banen in die sector zijn in rook opgegaan.

    Een groot deel van de wereld buiten Silicon Valley begint die nadelen 
sterker te voelen dan de voordelen. We zijn dol op onze smartphones, apps en goedkope producten, maar we vinden het minder fijn om economisch gemarginaliseerd te worden. En zo’n actie als die van Thiel tegen Gawker versterkt het beeld van een kleine elite die alles bepaalt. Boeken als 
Martin Fords Rise of the Robots suggereren dat technologie al onze banen gaat inpikken. Trump speelt in op 
die angst voor de toekomst die bij de middenklasse leeft. Bernie Sanders ook, al zou iemand hem eens moeten vertellen dat hij in het verleden leeft: de kapitalistische schurken van de toekomst vind je niet op Wall Street maar aan Highway 101 in Californië. (Op 1 juni sprak Sanders nog vierduizend aanhangers toe in Palo Alto, waar de huizenprijzen en de inkomensongelijkheid iedereen behalve miljonairs het leven onmogelijk maken.)

    Machtigste regio ter wereld

    Als je alle trends bij elkaar optelt, lijkt het onvermijdelijk dat Silicon Valley zal uitgroeien tot de machtigste regio ter wereld, ten koste van zo’n beetje de hele rest van de wereld. Het enige wat de Silicon Valley-expres misschien nog kan laten ontsporen, is zoiets als de Russische revolutie: een massale opstand van het proletariaat tegen de autocratie. Dat gevaar lijkt nog niet groot, maar het is wel een mogelijkheid die Silicon Valley onder ogen moet zien en moet ondervangen. Anders zal het steeds meer onder vuur komen te liggen van regeringen, activisten en de gefrustreerde massa. De grootste nachtmerrie van deze industrie is de invoering van regelgeving zoals die nu bestaat voor 
energie- en telecombedrijven: sectoren waar vroeger de grootste technologische vernieuwingen vandaan kwamen, maar die onder toeziend oog van de overheid zijn omgeturnd tot ingedutte bureaucratieën.

    Decennialang hebben de krachtpatsers van de technologiesector zich uitsluitend gericht op innovatie en het opzetten van bedrijven. Nu breekt een nieuw hoofdstuk aan waarin ze moeten zorgen dat ook de rest van de wereld daarvan de vruchten plukt. Anders staat Peter Thiel straks viool 
te spelen terwijl het nieuwe Rome in vlammen opgaat.

    Auteur: Kevin Maney
    Vertaler: Frank Lekens

    Newsweek
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.972.000

    Gefuseerd met The Daily Beast. Initiatiefnemer Tina Brown blaast het legendarische weekblad ongetwijfeld nieuw leven in.

  • Yuval Noah Harari: ‘Laten we Silicon Valley onze toekomst bepalen?’

    Yuval Noah Harari: ‘Laten we Silicon Valley onze toekomst bepalen?’

    Voor grootse visies op de toekomst van de mensheid moet je niet in Downing Street, Het Witte Huis of het Kremlin zijn, maar bij een kleine groep computerprofeten die een compleet nieuwe wereld dreigen te gaan bouwen. Moeten we dat zomaar laten gebeuren?

    Keuze uit ons archief

    ‘Het ontbreekt de eenentwintigste-eeuwse politiek aan visie. Er is geen politieke partij die een alomvattend idee voor een nieuwe wereld heeft. Geen politieke partij die een volledig nieuwe samenleving, laat staan een nieuwe mens wil bouwen. Na de ideologische oorlogen van de vorige eeuw lijken de politieke debatten van nu pedante haarkloverij.’ Aldus Harari in 2014. Hoewel er op het wereldtoneel de afgelopen weken veel verandert, blijft zijn vaststelling dat we technologie vrij spel geven overeind. Vernieuwing betekent in het Westen vooruitgang. Waar heb je dan nog een visie voor nodig?

    In de twintigste eeuw was de politiek een strijd tussen grootse toekomstvisies. Communisten, fascisten en liberalen: allemaal wilden ze de oude wereld afbreken om een nieuwe wereld te bouwen. Lenin, Stalin en Mao probeerden de maatschappelijke structuren te ontmantelen en te vervangen door een wetenschappelijk verantwoord alternatief. Mensen, families en hele gemeenschappen werden door hen als boetseerklei beschouwd: tientallen miljoenen werden de dood ingejaagd onder het motto dat je geen omelet kunt bakken zonder eieren te breken.

    Wat je ook van Hitler kunt zeggen, niet dat hij kleinschalig dacht

    Hitler en zijn trawanten gingen nog meedogenlozer te werk bij de uitvoering van hun nog ambitieuzere plannen. De nazi’s wilden niet alleen de maatschappij maar de mens zelf herscheppen naar hun ideaalbeeld. Ze wilden in de biologie ingrijpen, de evolutie versnellen en een zuiver ras van übermenschen, supermensen kweken. Wat je ook van types als Lenin of Hitler kunt zeggen, niet dat ze kleinschalig dachten. De ambities van de progressieven waren misschien wat gematigder, maar niet veel. Deze hoeders van de utopische idealen van de Verlichting hoopten het paradijs op aarde te bereiken middels technische vooruitgang en onderwijs voor de massa. Hiërarchieën van duizenden jaren oud werden overhoop gehaald door de emancipatie van vrouwen, minderheden en jongeren. En misschien nog ingrijpender: nadat het gezin en het gemeenschapsleven miljoenen jaren de hoeksteen van elke samenleving hadden gevormd, stelden de progressieven ineens het individu centraal. De individuele mens werd geëmancipeerd van ouders, buren en ouderen, er ontstond een nieuwe ‘maatschappij van het individu’. Waarmee de progressieven ons misschien wel veroordeelden tot ongekend hoge niveaus van vervreemding en eenzaamheid. De visie van de progressieven was goedaardiger dan die van de communisten en de fascisten, maar daarom niet minder radicaal. Dat hun ideeën zo vanzelfsprekend en zelfs afgezaagd lijken, komt doordat wij in hun maatschappij leven.

    Al hadden communisten, fascisten en progressieven nog zulke verschillende toekomstvisies, ze waren eensgezind in de wijze waarop ze een kolossaal nieuw overheidsapparaat optuigden. In verbluffend korte tijd werden alomvattende stelsels voor onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen uit de grond gestampt om de utopische visie van de heersende partij uit te voeren. En die stelsels groeiden uit tot de grootste banenmachines op de arbeidsmarkt en de belangrijkste instanties in het maatschappelijk verkeer. In dat opzicht zijn de grote politieke ideologieën van de vorige eeuw geslaagd in hun missie om een nieuwe wereld te creëren. De maatschappij van 1800 is volledig afgebroken, we leven nu in een volstrekt nieuwe werkelijkheid.

    Bio-engineering

    In 1900 of 1950 waren alle politici mannen van grote woorden en nog grotere daden. Onze huidige politici lijken over de middelen te beschikken om nog veel grootsere visies uit te voeren dan Lenin, Hitler of Mao. Die moesten een nieuwe maatschappij en een nieuwe mens creëren met schrijfmachines en stoommachines, terwijl de visionair van nu beschikt over biotechnologie en supercomputers. Nieuwe technologische doorbraken zullen onze maatschappij, ons lichaam en ons denken in de komende decennia waarschijnlijk diepgaander veranderen dan ooit tevoren. De nazi’s wilden supermensen creëren met een soort fokprogramma, maar wij beschikken over een groeiend arsenaal aan technieken op het gebied van bio-engineering. Daarmee kunnen de uiterlijke kenmerken, de vermogens en zelfs de verlangens van de mens worden aangepast aan een politiek ideaal.

    Er is geen enkele reden om te denken dat homo sapiens het eindstation is

    Bio-engineering berust op de gedachte dat we nog lang niet alles uit ons lichaam halen wat erin zit. Al vier miljoen jaar wordt er door de natuurlijke selectie aan ons gesleuteld, zodat we ons van amoebes hebben ontwikkeld tot reptielen, zoogdieren en uiteindelijk homo sapiens. Maar er is geen enkele reden om te denken dat homo sapiens het eindstation is. Enkele relatief kleine wijzigingen in ons genoom, ons zenuwstelsel en ons skelet volstonden om homo erectus, tot weinig meer in staat dan het fabriceren van een stenen hakbijl, te veranderen in Homo sapiens, die ruimteschepen en computers produceert. Wie weet wat verdere wijzigingen in ons genoom, ons zenuwstelsel en ons skelet nog meer kunnen opleveren. En de bio-ingenieurs gaan heus niet zitten wachten tot de natuurlijke selectie dat voor ons doet. Nee, ze gaan aan de slag om van dat goeie ouwe homo sapiens-lijf de genetische opmaak te herschrijven, de bedrading en de biochemische balans van de hersenen aan te passen en nieuwe lichaamsdelen te kweken. Bovendien ontwikkelen we de mogelijkheid om cyborgs te maken.

    In Silicon Valley vind je de Lenins van deze tijd

    Cyborgtechniek is het combineren van organische met anorganische elementen. Denk aan bionische handen, kunstogen of miljoenen nanorobots in je bloed om problemen op te sporen en schade te herstellen. Het klinkt misschien als sciencefiction, maar het bestaat al. Apen kunnen externe bionische handen en voeten aansturen via in de hersenen ingebrachte elektroden. Verlamde patiënten kunnen bionische ledematen of computers aansturen met hun gedachten. Als je wilt, kun je alle elektrische apparatuur in huis bedienen met een headset die ‘gedachten kan lezen’. Daar is geen implantaat voor nodig, de headset leest de elektrische signalen in je hoofdhuid. En wil je het licht in de keuken aandoen, dan zet je gewoon die headset op, denkt aan een voorgeprogrammeerde mentale handeling (bijvoorbeeld dat je je rechterhand beweegt) en het licht springt aan. Zulke headsets zijn online te koop voor tweehonderd pond. Toch is de cyborgsector nog relatief conservatief, omdat die ervan uit blijft gaan dat alles moet worden bestuurd door onze organische hersenen. Een radicalere benadering is het afzweren van organische onderdelen en het streven naar volledig anorganische wezens. In plaats van een zenuwstelsel krijg je dan intelligente software die vrijelijk in zowel de virtuele als de werkelijke wereld kan rondsurfen, niet gehinderd door de beperkingen van onze organische biochemische basis.

    Gebrek aan visie

    Wetenschappers definiëren leven tegenwoordig als het verwerken van data, en een levend wezen als een verzameling zichzelf replicerende biochemische algoritmen die heel langzaam beter worden als gevolg van natuurlijke selectie. Informatici en wiskundigen zijn steeds beter geworden in het schrijven en ontcijferen van algoritmen. En als organismen inderdaad algoritmen zijn (een vrij boude aanname, maar tegenwoordig toch de heersende opvatting), moet het mogelijk zijn om anorganisch leven te scheppen. Een algoritme is een algoritme, nietwaar? Als de wiskunde klopt, wat maakt het dan uit of dat algoritme zich manifesteert in koolstof, plastic of siliconen? Na vier miljard jaar te hebben rondgedobberd in de kleine vijver van organische samenstellingen, kan het leven nu ineens het veel grotere domein van anorganisch materiaal gaan bezielen, om daar onvoorstelbare nieuwe vormen aan te nemen. In sciencefiction grijpen hitleriaanse dictators zo’n nieuwe technologie altijd aan om er hun gevaarlijke politieke ideeën mee uit te voeren.

    Maar daarin verschillen de werkelijke leiders van onze tijd, zelfs in autoritaire landen als China, Rusland, Iran en Noord-Korea, hemelsbreed van hun fictieve tegenhangers. Plannen voor een brave new world lijken ze niet te smeden. De stoutste dromen van Kim Jong-Un en Ali Khamenei reiken niet veel verder dan het bezit van langeafstandsraketten en een atoombom: zo ontzettend 1945. En Barack Obama en David Cameron hebben al moeite om de zorgverzekering en het onderwijs te hervormen, laat staan dat ze toekomen aan het bouwen van een nieuwe wereld of een nieuwe mens. De technologische mogelijkheden zijn tegenwoordig dus vrijwel onbeperkt, maar de politici van nu denken veel kleinschaliger dan hun voorgangers van een eeuw geleden.

    Het ontbreekt de eenentwintigste-eeuwse politiek aan visie. Er is geen politieke partij die een alomvattend idee voor een nieuwe wereld heeft. Geen politieke partij die een volledig nieuwe samenleving, laat staan een nieuwe mens wil bouwen. Na de ideologische oorlogen van de vorige eeuw lijken de politieke debatten van nu pedante haarkloverij. Om de vergezichten van een Lenin of een Hitler te volgen had je een telescoop nodig; om het verschil tussen Republikeinen en Democraten of tussen Labour en de Conservatieven te ontwaren heb je een microscoop nodig. Ja, Miliband en Cameron verschillen een beetje van mening over de EU, het ziekenfonds en de belastingen. Maar die verschillen zijn niets vergeleken bij de verschillen tussen communisten en fascisten honderd jaar geleden. Er is geen partij meer die pleit voor een Brits wereldrijk, de afschaffing van alle privébezit of het vergassen van minderheden. Dat spreekt inmiddels zo vanzelf dat we er niet meer bij stilstaan. Maar dat is het punt juist: een eeuw geleden was dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. Toen had je machtige politieke partijen met miljoenen aanhangers die openlijk pleitten voor imperialisme, genocide of de afschaffing van privébezit.

    Eén goede reden waarom politici niet meer zo tuk zijn op weidse vergezichten, is de gruwelijke afloop van de ideologische oorlogen. Als grote visies resulteren in Auschwitz, Hiroshima en de Grote Sprong Voorwaarts, dan is de mensheid beter af in de handen van bekrompen bureaucraten. Een tweede reden is dat de twintigste-eeuwse verworvenheden zwaar op politici drukken. De zorg, het onderwijs en de verzorgingsstaat kosten enorm veel geld en aandacht. Bovendien zou elke poging een nieuwe visie te realiseren dit enorme apparaat doen wankelen. Daarom spelen politici liever op safe en doen ze vooral hun best het systeem draaiende te houden. Hier en daar passen ze wel een kleinigheid aan, maar voor structurele veranderingen deinzen ze terug.

    Ten derde bleek, toen de rook van de ideologische oorlogen was opgetrokken, dat het neoliberalisme als overwinnaar uit de strijd kwam. En nu het neoliberalisme de economie en de samenleving naar eigen smaak heeft ingericht, predikt het passiviteit. Als zen-goeroes adviseren de hogepriesters van het neoliberalisme alle politici: doe niets. Laat iedereen zich op zijn eigen taak richten en zich niet om de lange termijn bekommeren. Bouwers moeten bouwen, zangers moeten zingen, ontwerpers moeten ontwerpen – en laat de rest maar aan de markt over. Die weet beter welke kant we op moeten dan een filosoof of staatsman. De meeste regeringen en politieke partijen volgen dat advies op. Ze richten zich vooral op het managen van het land en de dagelijkse crises en hebben weinig oog voor de langere termijn. Ze managen de staat en doen dat over het algemeen prima, maar voor toekomstplannen of een leidersrol moet je niet bij hen zijn.

    Silicon Valley

    Dat wil niet zeggen dat niemand de rol van profetisch leider opeist. Waar de politiek grote woorden mijdt, maakt het bedrijfsleven er des te gretiger gebruik van. Voor grootse visies op de toekomst van de mensheid moet je niet in Downing Street, het Witte Huis of het Kremlin zijn, maar je oor te luisteren leggen in Silicon Valley. Daar vind je de Lenins van onze tijd. Voor alle duidelijkheid: de computertovenaars van Silicon Valley zijn geen communisten en ze zijn ook lang niet zo meedogenloos als Lenin. De overeenkomst die ik zie, betreft alleen de durf en reikwijdte van hun visie, hun ambitie om de oude wereld af te breken en een compleet nieuwe wereld te bouwen. Wat durf en reikwijdte betreft kan Lenin zelfs niet aan de computerprofeten tippen. Lenin en zijn volgelingen werkten nog binnen de kaders van bestaande economische feiten en modellen. Maar de visionairs van nu dromen van een toekomst zonder schaarste, waarin de rol van de mens in de economie is vervangen door algoritmen, de vraag niet langer door de grenzen van het aanbod wordt beperkt en het leven niet langer om werk draait.

    Centraal in deze visie staat de loskoppeling van intelligentie en bewustzijn. Tot nu toe ging intelligentie altijd gepaard met een hoogontwikkeld bewustzijn. Alleen wezens met een bewustzijn konden vroeger taken uitvoeren die een hoge mate van intelligentie vereisen, zoals schaken, autorijden, het stellen van medische diagnoses of het elimineren van terroristen. Maar technologiebedrijven zoals Google, Apple en IBM ontwikkelen op basis van machinaal leren en big data nieuwe vormen van intelligentie zonder bewustzijn, die bij deze en vele andere taken beter presteren dan mensen.

    Dat werpt een nieuwe vraag op: welke van de twee is nu werkelijk van belang voor de economie: intelligentie of bewustzijn? Zolang die twee altijd met elkaar hand in hand gingen, was die vraag hooguit een tijdverdrijf voor filosofen. Maar in onze eeuw wordt het een prangend politiek en economisch vraagstuk. En het is ontnuchterend om te beseffen dat in ieder geval in de economie intelligentie een absolute voorwaarde is, en bewustzijn op zichzelf weinig waarde heeft.

    Carl Benedikt Frey en Michael A. Osborne van Oxford University gaven in hun boek The Future of Employment in 2013 een overzicht van alle beroepen die volgens hen binnen twintig jaar door computeralgoritmes kunnen worden overgenomen. Volgens het algoritme waarop zij zich baseerden, liep 47 procent van alle banen in de VS groot risico binnen dat tijdsbestek te verdwijnen. Zo is er 99 procent kans dat telemarketeers en verzekeraars in 2033 zijn vervangen door algoritmen. En die kans is 98 procent voor scheidsrechters, 97 procent voor caissières en 96 procent voor restaurantkoks. Voor juridisch medewerkers, reisgidsen, bakkers, buschauffeurs, bouwvakkers, dierenartsassistenten, beveiligers, zeelui, kelners, barkeepers, archivarissen, timmerlui en strandwachten varieert de kans dat hun baan verdwijnt van 67 tot 94 procent.

    Er zijn natuurlijk ook banen die veilig zijn. Voor archeologen is de kans dat hun werk in 2033 is vervangen door computeralgoritmes hooguit 0,7 procent, en voor ergotherapeuten slechts 0,3 procent. Maar ook als het banenverlies wordt gecompenseerd door het ontstaan van nieuwe functies, dan zullen die waarschijnlijk veel meer creativiteit en flexibiliteit vergen. Het is lang niet zeker dat een caissière of buschauffeur van vijftig in staat is om zich daaraan aan te passen. Zoals de industriële revolutie in de negentiende eeuw leidde tot een grote nieuwe arbeidersklasse in de steden, zou de technologische revolutie van de eenentwintigste eeuw dus weleens kunnen leiden tot een grote nieuwe klasse van economisch nuttelozen. Als dat inderdaad gebeurt, wordt dat een veel grotere uitdaging dan de industriële revolutie en zal het nieuwe sociale en politieke modellen vereisen die de ambities van Marx, Lenin of Mao verre overtreffen. De ideologie van socialisten en communisten beantwoordde aan de noden, de zorgen en de hoop van het industriële proletariaat. Zo zal ook de nieuwe klasse van economisch nuttelozen nieuwe verlangens, angsten en aspiraties ontwikkelen. Om daaraan tegemoet te komen, verzinnen de computerprofeten wonderlijke sociaal-economische modellen, toegesneden op een maatschappij in het post-schaarste-tijdperk, waarin mensen niets meer produceren en alleen nog consument zijn.

    Oplossen van de dood

    Daar blijft het voor de computerprofeten echter niet bij. Zij dromen niet alleen van een totaal nieuwe samenleving en economie, ze dromen ook van het tegenhouden van veroudering het overwinnen van de dood, van de ontwikkeling van supermensen en een internet of things, en van de samensmelting van de mensheid en dat internet of things in één groot kosmisch bewustzijn. Zo richtte Google onlangs Calico op, een dochterbedrijf met als mission statement – hou je vast – ‘het oplossen van de dood’. En het hoofd van Googles investeringsfonds is Bill Maris, iemand die echt in onsterfelijkheid gelooft.

    Afgelopen maart verklaarde Maris in een interview: ‘Als je mij vraagt of het mogelijk is om vijfhonderd jaar te worden, dan zeg ik ja.’ En hij zet zijn woorden kracht bij met harde cash: van de twee miljard dollar die Google Ventures beheert, wordt 36 procent geïnvesteerd in start-ups in de levenswetenschappen, waaronder een paar ambitieuze projecten om onze levensduur te verlengen. Maris vergeleek het met een footballwedstrijd. In de strijd tegen de dood, zei hij, ‘gaan we niet voor een paar meter terreinwinst: we willen de wedstrijd winnen’.

    Peter Thiel, mede-oprichter van PayPal, heeft gezegd dat hij eeuwig wil blijven leven. Veel mensen zullen dat afdoen als een puberale fantasie. Maar Thiel is iemand om serieus te nemen. Zijn privévermogen wordt geschat op 2,2 miljard dollar en hij is een van de succesvolste en invloedrijkste ondernemers in Silicon Valley.

    Als historicus kan ik niet oordelen over de haalbaarheid van die ideeën. Maar als historicus weet ik wel dat de aspiraties van mensen vaak veel belangrijker zijn dan wat ze uiteindelijk bereiken. De twintigste eeuw is gevormd door het communistische streven om een eind te maken aan alle ongelijkheid, ook al is dat nooit verwezenlijkt. Zo kan onze eeuw gevormd worden door het streven de mens te upgraden en de dood te overwinnen, ook al berust dat misschien op ijdele hoop. De tijdgeest verandert. Gelijkheid is uit, onsterfelijkheid is in. Dat moet ons allemaal aan het hart gaan. De combinatie van almachtige technologieën met een megalomane politiek is weliswaar gevaarlijk, maar de combinatie van almachtige technologieën met een kortzichtige politiek is misschien nog veel gevaarlijker. Onze politiek beperkt zich tot besturen en richt de blik niet langer op de toekomst, juist in een tijd waarin de technologie ons in staat stelt die toekomst ingrijpender te veranderen dan we ooit durfden te dromen. De technologie stelt ons zelfs in staat die dromen te veranderen. Als politici geen zin hebben om over die toekomst te beslissen, geven ze anderen vrij spel. Zodat de gewichtigste beslissingen in de geschiedenis van het leven op aarde straks misschien wel genomen worden door een piepklein groepje programmeurs en zakenlui, terwijl de politici zitten te kibbelen over immigratiequota’s en de euro.