Onder president Macron investeert Frankrijk fors in zijn nieuwe hightechindustrie. En dat begint te werken, constateert een verbaasde Amerikaanse journalist.
Om de reuzen van Silicon Valley het hoofd te bieden grijpt Frankrijk terug op een geheim wapen: de staat.
Van de financiering van durfinvesteerders tot de hervorming van een berucht complexe arbeidswetgeving, op alle gebieden wil Frankrijk de hardnekkigste sarcastische verhalen over het Franse ondernemingsklimaat logenstraffen (evenals de onterechte clichés van met wijn overgoten lunches en zomervakanties die een paar maanden duren) en de Franse hightechindustrie zo goed mogelijk in het zadel helpen.
En dat begint te werken. Sinds begin dit jaar hebben Franse durfinvesteerders meer geld binnengehaald (twee miljard euro, en het eind is nog niet in zicht) dan hun Britse of Duitse tegenhangers. Ook bedrijven als Facebook en Cisco hebben geïnvesteerd in Franse onderzoeksteams die zijn gespecialiseerd in complexe terreinen als kunstmatige intelligentie. En de 39-jarige president Emmanuel Macron is geprezen omdat hij – in het Engels nog wel! – de lof heeft gezongen van start-ups en die als oplossing heeft genoemd voor de economische stagnatie en de jeugdwerkloosheid, die in de dubbele cijfers loopt.
‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling. Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind’
‘Dit is de eerste keer in onze geschiedenis dat een president zich voor start-ups interesseert,’ zegt Nicolas Brusson, medeoprichter van BlaBlacar, een Parijse autodeelonderneming die met vestigingen in twintig landen en een beurswaarde van 1,4 miljard euro tot een van de belangrijkste en meest internationaal georiënteerde Franse start-ups kan worden gerekend.
‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling,’ voegt hij eraan toe. ‘Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind.’ Maar in de ogen van sommigen staat een dergelijke staatsinterventie gelijk aan ketterij. Volgens veel digitale apostelen mag geen enkele staat op hun vakgebied de concurrentie met de privésector aangaan. En heeft Frankrijk dan niets geleerd van zijn kostbare fouten uit het verleden? Zo heeft het land publieke middelen ingezet om de Amerikaanse vloedgolf van hightechbedrijven te keren. Quaero, een mislukt plan om een Europese concurrent van Google te creëren, is daar een goed voorbeeld van.
Deze zelfgenoegzame houding ten opzichte van de onzichtbare hand van de markt is een vergissing. Ze gaat ervan uit dat alle centra van technologische activiteit, van Parijs tot Praag, moeten stroken met de principes die van Silicon Valley de digitale hoofdstad van de wereld hebben gemaakt.
Maar Frankrijk heeft nauwelijks pensioenfondsen of andere goudgerande investeerders die bereid zijn grote cheques uit te schrijven ter ondersteuning van start-ups. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het land publiek geld gebruikt om het gat te dichten dat het privékapitaal doet ontstaan. In Frankrijk kunnen alleen wetgevers – niet ondernemers met hoody’s – de arbeidswetgeving hervormen die er al decennialang voor zorgt dat een Franse programmeur 50 procent duurder is dan een Britse.
In de Verenigde Staten is het in de wereld van de nieuwe technologie gebruikelijk de spot te drijven met de interventionistische strategie die de Franse staat hanteert om de nationale hightechsector op te bouwen. Maar diezelfde mensen die dat doen erkennen met tegenzin dat Beijing de ontwikkeling van lokale start-ups subsidieert, waarvan sommige inmiddels tot wereldleiders op digitaal gebied zijn uitgegroeid, en het functioneren van buitenlandse hightechondernemingen streng aan banden legt. Ze zijn soms ook geneigd de rol te vergeten die de Amerikaanse overheid heeft gespeeld bij de geboorte van de technologische sector aldaar, met name bij het creëren van het internet.
‘Ik dacht dat er een hele generatie nodig was om de Franse mentaliteit te veranderen,’ zegt Romain Lavault, partner in het Parijse investeringsfonds Partech Ventures. ‘Maar mensen staan opeens heel anders tegenover technologie.’
Deze heropleving van de digitale activiteit in Frankrijk heeft in de eerste plaats met geld te maken: de staat stopt er enorme bedragen in. Sinds 2013 is de grootste investeerder, zowel in start-ups als de plaatselijke durfinvesteerders, niemand anders dan Bpifrance. Deze investeringsbank, die eigendom is van de Franse staat, heeft er de afgelopen jaren meer dan vier miljard euro in gestoken om de nationale hightechsector nieuw leven in te blazen. Volgens financieel analysebureau CB Insights komt dat neer op ongeveer 20 procent van de Franse markt voor durfinvesteringen.
Paul-François Fournier, directeur innovatie van Bpifrance, legt uit dat het er niet alleen om ging Franse oplossingen voor Franse problemen te vinden. Buiten investeringen in binnenlandse start-ups en fondsen, licht hij toe, heeft de staatsbank ook Europese en Amerikaanse durfinvesteerders gefinancierd, met name om gespecialiseerde kennis op te doen over de mondiale hightechsector en buitenlandse fondsen ertoe over te halen in Frankrijk te investeren. Op dit moment zijn de Franse durfinvesteerders die door Bpifrance worden gefinancierd goed voor gemiddeld 160 miljoen euro, een verdubbeling ten opzichte van 2013, zodat deze lokale bedrijven op wereldschaal concurrerend kunnen zijn.
Nog een lange weg
Toch is er nog een lange weg te gaan voordat Parijs zich Silicon Valley aan de Seine kan noemen. Macron probeert het de Franse hightechkringen, die weer wat kleur op de wangen hebben, naar de zin te maken. Maar tegelijkertijd heeft hij het voortouw genomen in een Europese campagne om digitale bedrijven meer belasting te laten betalen in de hele EU – een offensief dat voornamelijk de reuzen van de Amerikaanse Westkust op het oog heeft (bekend onder de verzamelnaam Gafa: Google, Amazon, Facebook en Apple), maar ook ingrijpende gevolgen zal hebben voor kleine start-ups.
De grote rol van de overheid in de technologiesector zou algauw tot marktbeïnvloeding kunnen leiden, wat geen goed idee is gezien de snelheid waarmee de digitale wereld zich ontwikkelt. Typerend voorbeeld: in 2013 verbood Frankrijk de verkoop van Dailymotion, een Franse start-up op het gebied van videostreaming, aan Yahoo, om twee jaar later de Franse mediareus Vivendi wél toestemming te geven het bedrijf te kopen, tegen een lagere prijs.
Al deze staatssteun die recentelijk aan de technologiesector is verleend zal tevergeefs blijken als de Franse start-ups en durfinvesteerders niet aan de verwachtingen kunnen voldoen: wereldwijd concurrerende bedrijven creëren.
De ‘eenhoorns’, digitale bedrijven die meer dan een miljard dollar waard zijn, blijven schaars in het Franse ecosysteem van nieuwe technologie. En de rentabiliteit van Franse fondsen die in start-ups investeren lag de afgelopen drie jaar gemiddeld op 6,3 procent, oftewel de helft van hun Britse tegenhangers in dezelfde periode.
Maar juist op dit terrein zal het Franse initiatief om nieuwe technologie te bevorderen zich moeten bewijzen. Publieke programma’s en financieringen kennen hun grenzen als het op wereldwijde concurrentie aankomt. Op een gegeven moment zal ook de privésector zijn rol moeten spelen.
Mark Scott
Politico
Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000
Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.
CONTEXT: ‘Toekomst van Europa ligt in Frankrijk’
Veel economische cijfers in Frankrijk, zoals op het gebied van werkloosheid of groei, zijn ‘rampzalig’, schrijft The Wall Street Journal. ‘Maar belangrijker is’, vervolgt het Amerikaanse dagblad, ‘dat Frankrijk jong is.’ 18,5 procent van de bevolking is vijftien of jonger, veel meer dan de 13 procent van Duitsland. ‘Zo bezien ligt de toekomst van Europa in Frankrijk, niet in Duitsland’, aldus de krant. Volgens WSJ is dit demografische gegeven bepalend voor het beleid dat door president Macron in werking wordt gezet, met name op het gebied van arbeidshervorming en onderwijs: ‘Hij verandert een land voor ouderen in een land voor jongeren.’
De slagingskansen van deze transformatie zullen zich niet beperken tot werkloosheids- en groeicijfers, want men zal ook oog moeten hebben voor ‘de vlucht van jong talent, verbetering van de schoolresultaten en het aantal mensen dat beroepsonderwijs volgt’.
De Mexicaanse deelstaat Jalisco is een belangrijke technologische hotspot geworden. Talent dat in het verleden nog steevast naar Silicon Valley afreisde, blijft nu liever thuis. Dat komt door de verbeterde infrastructuur, maar ook door nieuwe visumbepalingen in de VS.
‘Guadalajara ligt dichter bij San Francisco dan New York,’ zegt Eliazar Parra, een 32-jarige computerprogrammeur die in de Mexicaanse deelstaat Jalisco woont en vanuit zijn huis werkt voor ondernemingen als AT&T en Facebook. Dat is de reden, denkt hij, dat technologiebedrijven hun oog hebben laten vallen op deze uithoek in het westen van Mexico. Parra vertrok in 2008 naar de Verenigde Staten om als zelfstandige in Silicon Valley aan de slag te gaan. Maar hij werd hetzelfde jaar nog het land uitgezet omdat hij niet over een werkvergunning beschikte. Zou hij het weer willen proberen? ‘Nee, ik ben erg bang voor de restricties die Trump heeft opgelegd, en het punt is dat ik graag thuis werk. Hier is het goed leven.’
Zoals Parra zijn er honderden jonge Mexicaanse ingenieurs, informatici en wiskundigen die de laatste tijd in deze regio de kans hebben gekregen hun projecten te realiseren. De deelstaat Jalisco in West-Mexico biedt zo langzamerhand heel wat mogelijkheden. Al dertig jaar wordt er aan hoogtechnologische research & development gedaan, zowel door grote ondernemingen als door start-ups, waarmee de regio een technologische hotspot is geworden. En als gevolg van de – deels door Trump ingevoerde – visumbepalingen is er nog meer activiteit ontstaan. Mexico heeft zijn deuren wijd opengezet voor talent dat vanwege de immigratiepolitiek niet meer in de VS kan gaan werken.
Het Mexicaanse equivalent van Silicon Valley telt vijftien grote ondernemingen, voornamelijk uit de VS. Daarnaast zijn er zeshonderd kleine en middelgrote ondernemingen – waarvan ook veel start-ups – die hun producten voor 70 procent exporteren. Bedrijven als Oracle, HP, Motorola en IBM hebben hier hun tweede huis. De regering beweert dat die ondernemingen worden gelokt door zowel het plaatselijk talent als door de infrastructuur van Guadalajara. ‘De groei gaat niet ten koste van de werkgelegenheid in de VS,’ verzekert Jaime Reyes, minister van Innovatie, Wetenschap en Technologie.
De meeste technologiebedrijven zijn gevestigd in Guadalajara zelf, waar de afgelopen tien jaar veel nieuwe infrastructuur is aangelegd, inclusief een snel glasvezelnet. De investeringen daarvoor kwamen uit de VS. Een Mexicaanse ingenieur kan hier 6000 dollar per maand verdienen en comfortabel leven in een regio waar de prijzen lager liggen dan in Mexico-Stad. Als de groei doorzet en de investeringen blijven komen, dan zou er, zo hopen de autoriteiten, een technologiecorridor kunnen ontstaan van Guadalajara tot Puerto Vallarta aan de Pacifische kust.
Kueski
Adalberto Flores keerde een paar jaar geleden uit Silicon Valley terug naar Guadalajara. Hij creëerde de start-up Kueski, die via internet microkredieten verschaft. Het kantoor van zijn jonge onderneming heeft geen afgescheiden werkplekken: een keuken en een pingpongtafel vormen het centrum van een ruimte waarin financieel specialisten, programmeurs en ontwerpers van tussen de 25 en 30 hun werk doen. Flores’ bedrijf is de afgelopen jaren zeven keer zo groot geworden.
Kueski is een woord uit het Nahuatl, de taal van de Azteken, dat ‘hoeveel’ betekent. Flores heeft alle aanvankelijke scepsis weggenomen bij de Noord-Amerikaanse investeerders die hun geld in zijn project hebben gestoken. ‘De investeerders van Silicon Valley zijn huiverig om geld te steken in ondernemingen die elders gevestigd zijn, of het nu in New York, China of Guadalajara is,’ zegt hij. Kueski bewijst dat het de moeite loont om waar dan ook een eerste aanzet te geven tot de bouw van een technologiesector. ‘Talent is de nieuwe aardolie,’ zegt Cindy Blanco, directeur van Startup Guadalajara.
De aanjagers van de Mexicaanse technologieboom gebruiken niet eens meer het argument van de lage lonen. Zij hopen met technologische projecten de slag te maken naar een ongekende opschaling van de economische groei. In navolging van Uncle Sam, die in de Eerste Wereldoorlog met kleurige affiches soldaten voor het leger wierf, heeft de deelstaat Jalisco langs de hele westkust van de VS billboards geplaatst om technologiestart-ups naar het land van tequila en mariachi te lokken.
Wie Vladimir Poetin de schuld geeft van nepnieuws snapt het niet, aldus internet scepticus Evgeny Morozov. Het zijn onze eigen democratieën die volwassen moeten worden.
Beweringen dat Rusland achter de politieke aardverschuivingen van 2016 zit, gaan voorbij aan de ondermijnende invloed van digitaal kapitalisme.
De democratie komt om in nepnieuws. Zo luidt de nieuwste, geruststellende conclusie van de mensen die in 2016 aan het kortste eind hebben getrokken, bij de Brexit, de Amerikaanse verkiezingen of het Italiaanse referendum. Kennelijk delven al die serieuze, eerlijke en ouderwets verstandige volwassenen het onderspit bij verkiezingen dankzij een gevaarlijke epidemie van nepnieuws, internetmemes en grappige YouTube-filmpjes.
Dat verklaart de recente golf van aangedragen oplossingen: het verbieden van internetmemes (een voorstel van de regerende partij in Spanje); commissies van experts in het leven roepen om het waarheidsgehalte van nieuws te beoordelen (een oplossing die is aangedragen door de Italiaan die de leiding heeft over de antitrustmaatregelen); centra opzetten om nepnieuws tegen te gaan, en ondertussen media als Twitter en Facebook beboeten voor het verspreiden ervan (een aanpak die is voorgesteld door de Duitse overheid).
Deze laatste maatregel zal Facebook aangrijpen om zich krachtig uit te spreken vóór de vrijheid van meningsuiting – hetzelfde Facebook dat onlangs een foto heeft verwijderd van het standbeeld van een naakte Neptunus in Bologna, omdat het aanstootgevend zou zijn! Luidt de nepnieuwscrisis de ondergang in van de democratie? Of is het domweg het gevolg van een diepere, meer structurele malaise die al veel langer speelt?
Beleidsmakers komen met nog meer maatregelen van het soort waarmee men de kiezers in eerste instantie van zich heeft vervreemd: meer expertise, meer centralisatie, meer regulatie
Het valt nauwelijks te ontkennen dat er sprake is van een crisis, maar of die crisis het gevolg is van nepnieuws of van iets heel anders is een vraag die elke democratie zich zou moeten stellen. Onze elites willen er niet aan. Hun nepnieuwsverhaal is zelf nep: het is een oppervlakkige verklaring voor een complex, structureel probleem, waarvan zij het bestaan hardnekkig blijven ontkennen. Het gemak waarmee mainstream instituties, van regerende partijen tot denktanks tot media, hebben besloten dat ‘nepnieuws’ het perspectief vormt van waaruit ze de om zich heen grijpende crisis willen beschouwen, zegt veel over hun rigide wereldbeeld.
De grootste dreiging voor de westerse samenleving van vandaag de dag is niet zozeer de opkomst van onverdraagzame democratieën in het buitenland als wel de hardnekkige onvolwassenheid van de democratie in eigen land. Deze onvolwassenheid, waarvan de elite vrijwel dagelijks getuigt, manifesteert zich in twee vormen van ontkenning: het ontkennen van het feit dat de meeste problemen waarmee we momenteel kampen een economische achtergrond hebben, en het ontkennen van het feit dat de professionele expertise ernstig is uitgehold.
Morele paniek
De eerste vorm manifesteert zich wanneer een fenomeen als de Brexit of de overwinning van Trump voornamelijk wordt toegeschreven aan culturele factoren als racisme of de onwetendheid van de kiezers. De tweede vorm gaat voorbij aan het feit dat de diepe frustratie van velen over de bestaande instituties niet zozeer voortkomt uit onwetendheid over hoe die functioneren, maar juist uit het feit dat men daar maar al te zeer vertrouwd mee is.
Beleidsmakers zijn verblind door deze twee vormen van ontkenning en komen met nog meer maatregelen van het soort waarmee men de kiezers in eerste instantie van zich heeft vervreemd: meer expertise, meer centralisatie, meer regulatie. Maar omdat men niet in staat blijkt te denken in termen van politieke economie, zullen onvermijdelijk de verkeerde dingen worden gereguleerd.
De morele paniek over nepnieuws laat zien hoe deze twee vormen van ontkenning de politiek veroordelen tot een eeuwige onvolwassenheid. Door de weigering te onderkennen dat de crisis rondom nepnieuws economische wortels heeft, richt iedereen zijn pijlen maar wat graag op het Kremlin – en niet op het businessmodel van het digitale kapitalisme, dat domweg niet levensvatbaar is.
Maar het lijkt toch zonneklaar dat buitenlandse inmenging – of Rusland er nou achter zit of een andere regering – onmogelijk op een dergelijke schaal viraal nieuws kan verspreiden? Er zijn altijd al merkwaardige bewegingen geweest die nepnieuws hebben verspreid. Wat zij ontbeerden om hun waanzinnige theorieën te doen postvatten, was niet de politieke en financiële rugdekking van Rusland, maar de krachtige digitale infrastructuur van onze moderne tijd, die ruimhartig wordt gefinancierd door onlineadvertising.
Het probleem schuilt niet in nepnieuws, maar in de snelheid en het gemak waarmee dat wordt verspreid. Het dankt zijn bestaan goeddeels aan het hedendaagse digitale kapitalisme, waardoor het ongekend winstgevend is om onware maar klikwaardige verhalen te verzinnen en in omloop te brengen. Om de nepnieuwscrisis echt aan te pakken zou het establishment een van de bovengenoemde vormen van ontkenning moeten afzweren en zich moeten mengen in de politieke economie van communicatie. Maar wie is bereid om onder ogen zien te dat het de afgelopen dertig jaar uitgerekend de politieke partijen zijn geweest, zowel centrumlinks als centrumrechts, die Silicon Valley hebben gekoesterd, die de telecommunicatie hebben geprivatiseerd en die zich betrekkelijk afwachtend hebben opgesteld waar het de antitrustwetgeving betreft?
We moeten zorgen dat onlineadvertising – met zijn perverse klik-en-deelmechanisme – een minder centrale rol gaat spelen in onze manier van leven, werken en communiceren
De enige oplossing voor het probleem van nepnieuws, waarbij het probleem op waarde wordt geschat en de elite niet te veel macht in handen krijgt, is een volledige herbezinning op de grondvesten van het digitale kapitalisme. We moeten zorgen dat onlineadvertising – met zijn perverse klik-en-deelmechanisme – een minder centrale rol gaat spelen in onze manier van leven, werken en communiceren. Tegelijkertijd moeten we meer beslissingsbevoegdheid overhevelen naar de burgers – en het weghalen bij ondernemingen en experts die eenvoudig zijn te corrumperen.
Dat betekent dat we een wereld moeten construeren waarin Facebook en Google niet al te veel macht kunnen uitoefenen en waarin ze geen monopolie hebben op het ontwikkelen van oplossingen. Een ontzagwekkende taak die om volwassen democratieën vraagt. Helaas geven de bestaande democratieën, die gevangenzitten in verschillende vormen van ontkenning, er de voorkeur aan de schuld bij anderen te leggen en de problemen meer en meer af te wentelen op Silicon Valley.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Tien jaar geleden aapten Chinese hightechbedrijven slaafs Silicon Valley na. Maar die mentaliteit begint te veranderen. Steeds meer jonge uitvinders en ondernemers in China willen zélf het nieuwe Google of Apple bouwen.
De jonge programmeur had een idee en iedereen verklaarde hem voor gek. Meteen na zijn studie had hij werk gevonden als programmeur voor YY, een livestreamingbedrijf in Guangzhou, in de Chinese Parelrivierdelta. Elke maand zijn er meer dan honderd miljoen gebruikers die beelden van zichzelf streamen of naar streams van anderen kijken om samen te zingen, te gamen of complete shows te presenteren vanuit hun flatje in Beijing. Het publiek praat dan uitgebreid mee, via microfoon of tekstberichtjes. De programmeur vond dat YY iets nieuws moest proberen: een datingservice. Zijn idee was dat een presentator eenzame singles uitnodigt in een soort onlineontmoetingskamer en hen stimuleert om in gesprek te komen en zo misschien een partner te vinden.
De directie zag het niet echt zitten. ‘De directeur had het bijna afgeblazen,’ zegt hoofd Financiën Eric Ho op het hoofdkantoor van YY, waar drie verdiepingen gevuld zijn met verwoed tikkende programmeurs en designers. Weet je zeker dat je dit wilt doen, had de directeur gevraagd. Het is zo’n stom idee. Ik denk niet dat de mensen hier trek in hebben. Maar de programmeur was enthousiast en bleef aandringen, en dus lieten ze hem begaan: vooruit, probeer maar.
Amerikaanse houding
In China bestond dit type werknemer vroeger niet. Tien jaar geleden werd er geklaagd dat de hightechindustrie van het land gebrek had aan vernieuwers met lef. Je had natuurlijk wel razend winstgevende hightechbedrijven, maar die namen geen creatieve risico’s. Ze aapten gewoon Silicon Valley na. Baidu was een kloon van Google, Tencent een kopie van Yahoo! en JD een dubbelganger van Amazon. Jonge Chinese programmeurs hoorden tot de beste van de wereld, maar ze misten de gedrevenheid van een Mark Zuckerberg of een Steve Jobs. De Amerikaanse houding – vaak falen en snel falen om des te sneller bij een echte knaller uit te komen – was deze jongeren wezensvreemd. Zij vonden dat eng, gedrild als ze waren in een onderwijsstelsel dat nog zwaar leunt op stampwerk en de afstraffing van fouten. Eenmaal afgestudeerd verlangden ze niet naar een eigen bedrijf, maar naar een baan bij een grote, degelijke firma.
Die mentaliteit begint nu te verdwijnen, als gevolg van een welvaartsstijging die jonge technologiestudenten nieuw zelfvertrouwen schenkt. In 2000 behoorde krap 4 procent van de Chinese bevolking tot de middenklasse (gedefinieerd als mensen met een jaarinkomen van 9000 tot 34.000 dollar), maar in 2012 valt al twee derde van de bevolking in die groep. Binnen dezelfde periode is het aantal hogeropgeleiden verzevenvoudigd: vorig jaar hebben zeven miljoen Chinezen een universitaire studie voltooid.
‘We zien begintwintigers die bedrijven starten. Mensen die net zijn afgestudeerd, en zelfs een paar die met hun studie zijn gestopt,’ zegt Kai-Fu Lee, voormalig werknemer van Apple, Microsoft en Google, en nu een durfkapitalist die al tien jaar overal in zijn land jongeren helpt bij het opstarten van een bedrijf. In de grote steden stikt het bij broedplaatsen en hackerspaces inmiddels van de ambitieuze uitvinders en ondernemers. En die azen niet meer op een baan bij Google of Apple. Zij willen – net als hun tegenhangers in San Francisco – zelf het nieuwe Google of Apple bouwen.
Er wordt met geld gesmeten door mannelijke en vrouwelijke gasten die elkaar – en de presentator – virtuele cadeaus geven: ringen (1,55 dollar), kusjes (16 cent) en liefdesbriefjes (5 cent). Voor zo’n 1000 dollar kun je iemand een virtuele Lamborghini geven
Iedereen met een veelbelovend idee en enige ervaring kan aan geld komen. Durfkapitalisten hebben in 2014 een recordbedrag van 15,5 miljard dollar in Chinese start-ups gepompt. De jonge ondernemers worden hier dus bedolven onder het geld én onder de goede raad van hun superrijke weldoeners. (Al zinken deze investeringen nog in het niet bij de 48 miljard dollar die in 2014 in de VS aan durfkapitaal is uitgezet.) Zelfs de Chinese overheid, die toch weinig op heeft met vrije meningsuiting op het internet en een enorm digitaal censuurapparaat heeft opgetuigd, heeft een stimuleringsfonds van 6,5 miljard dollar ingesteld. Nu de groei van de economie stagneert, is de partij naarstig op zoek naar nieuwe manieren om banen te creëren.
YY voer wel bij het besluit om de ondernemende jonge programmeur de vrije hand te geven. De vorig jaar gelanceerde datingshow werd een grote hit en heeft al veel geld in het laatje gebracht. YY verdient niet aan reclame maar aan gebruikers, die virtuele cadeautjes kopen voor elkaar of voor de ‘sterren’ die online hun eigen leven streamen. Van elke aankoop strijkt YY 60 procent op, het resterende bedrag gaat naar de ontvanger van de gift. (Populaire livestreamers kunnen daarvan leven.)
Samen met Ho kijk ik op een laptop naar een datingevent dat net aan de gang is. Er wordt met geld gesmeten door mannelijke en vrouwelijke gasten die elkaar – en de presentator – virtuele cadeaus geven: ringen (1,55 dollar), kusjes (16 cent) en liefdesbriefjes (5 cent). Voor zo’n 1000 dollar kun je iemand een virtuele Lamborghini geven. In de eerste negen maanden bracht de datingshow 16 miljoen dollar op, en de opbrengst stijgt nog iedere maand. Vorig jaar kon YY een jaaropbrengst van 580 miljoen dollar rapporteren, en drie jaar na de beursgang bedraagt de beurswaarde 3 miljard dollar. Het nieuwe Silicon Valley bestaat al – het ligt in het oosten.
Bezoekers van een stand van livestreamingbedrijf YY. ‘Zelfs de Chinese overheid, die toch weinig op heeft met vrije meningsuiting op het internet en een enorm digitaal censuurapparaat heeft opgetuigd, heeft een stimuleringsfonds van 6,5 miljard dollar i
China’s technologische boom van eind jaren negentig leverde het land zijn eigen Web 1.0 op: eigen zoekmachines, mailprogramma’s en blogsites, nieuwsportals en de enorme onlinemarktplaats Alibaba. Destijds had China eigen kopieën van Amerikaanse bedrijven nodig, omdat Amerikaanse bedrijven China niet makkelijk binnenkwamen. Veel buitenlandse sites werden door de overheid geblokkeerd met een complex systeem van filters dat bekendstaat als de Great Firewall. Lokale bedrijven hadden sowieso een voorsprong op buitenlandse: zij hadden beter inzicht in de specifieke wensen van Chinese internetgebruikers in de eerste jaren van deze eeuw, toen goede internettoegang nog maar mondjesmaat verspreid was. Toen eBay tien jaar geleden bijvoorbeeld China probeerde te veroveren, mislukte dat deels doordat kleine bedrijven vaak nog geen computer of internetaansluiting hadden. Jack Ma, de oprichter van Alibaba, was zich daar terdege van bewust en stuurde daarom eerst een legertje vertegenwoordigers het land in om mkb’ers te leren hoe ze online konden gaan.
Die eerste golf leverde bedrijven op als Baidu en Alibaba, de ‘grote draken’ van de Chinese hightech, en creëerde net zulke internetmiljonairs als Microsoft in de jaren negentig. Deze succesvolle na-apers van Amerikaanse bedrijven effenden de weg voor de ‘kleine draken’: de creatieve start-ups van Web 2.0 die de laatste tien jaar zijn opgekomen. De grote draken zijn niet alleen hun grote voorbeeld maar hebben, nog belangrijker, de infrastructuur opgebouwd die de huidige hausse mogelijk maakt.
Een van de succesvolste bedrijven van deze tweede golf is Meituan, een onlinemarktplaats die handelaren in heel China in staat stelt klanten via de website of de mobiele app attent te maken op interessante aanbiedingen bij hen in de buurt. Bij een bezoek aan hun hoofdkantoor wanen we ons in een tropisch regenwoud: tussen de werkplekken staan grote planten en luchtbevochtigers blazen stoomwolkjes uit. Boven het hoofd van tientallen programmeurs hangt een lcd-scherm zo groot als een eettafel voor zes personen, met daarop het getal 8309: het aantal transacties dat die dag al via Meituan is afgesloten. De opbrengst van het bedrijf is in vijf jaar tijd gigantisch gegroeid. In 2014 genereerde het voor 7 miljard dollar aan transacties voor de 900.000 aangesloten bedrijven; eind 2015 zal dat waarschijnlijk 18,5 miljard dollar zijn.
De directeur van Meituan, de beminnelijke Wang Xing, is een ondernemer die verslaafd is aan het oprichten van creatieve start-ups. Hij had al Chinese klonen van Facebook en Twitter opgericht toen hem in 2008 opviel hoe goed Groupon het deed. Maar hij was inmiddels ook ervaren genoeg om de zwakke plek in dat businessmodel te zien: Groupon roomt bij elke transactie een groot deel van de winst af, tot wel 50 procent, en dat wekt wrevel bij de handelaren. Wang wilde juist dat Meituan de makkelijkste manier voor kleine handelaren zou worden om hun waar aan de man te brengen en contact met klanten te houden. Door een vaste provisie van slechts 5 procent te hanteren garandeert Meituan dat ook de handelaar bijna altijd iets aan een transactie verdient.
Dienstverlening en gemak
Wang heeft ook zijn eigen betalingssoftware laten ontwikkelen. Hij haalt zijn telefoon tevoorschijn om het te demonstreren. Programmeurs zijn overal in het land bij bioscopen langsgegaan om hun kassasystemen aan de app van Meituan te koppelen. Dat had veel voeten in de aarde, maar nu kunnen bioscoopgangers met de Meituan-app niet alleen een kaartje kopen maar zelfs hun stoel uitkiezen.
Inmiddels wordt een derde van alle bioscoopkaartjes in China via Meituan verkocht. Dat was een slimme zet, want dienstverlening en gemak is precies waar de stedelijke middenklasse van China steeds meer naar verlangt. De dienstensector was in 2013 verantwoordelijk voor 44 procent van alle bestedingen van de Chinese middenklasse. Dat cijfer zal volgens McKinsey stijgen tot 50 procent in 2022, naarmate jonge stedelingen steeds meer zaken via hun telefoon gaan bestellen, van massages tot afhaalmaaltijden.
Er zit ook nog veel groeipotentieel in de Chinese onlinehandel, want tal van alledaagse diensten zijn nog steeds niet online beschikbaar. Zo wordt 80 procent van de hotelkamers nog steeds niet via internet geboekt. Toch bestellen mensen graag online, niet alleen vanwege het gemak maar ook omdat het veel minder corrupt en ondoorzichtig is dan traditionele handel. Zoals Kai-Fu Lee uitlegt: ‘In de VS is de handel door eeuwenlange eerlijke concurrentie redelijk eerlijk en transparant geworden.’ Maar in China niet. Door de tussenhandel te omzeilen en met een waarderingssysteem te werken kunnen onlinebedrijven transacties nu betrouwbaarder maken, aldus Lee.
Heb je voor autoritjes in de VS twee grote spelers, Uber en Lyft, in Meituan moest je in de begindagen opboksen tegen naar schatting zo’n drieduizend rivalen, verspreid over het hele land
Maar op de korte termijn veroorzaakt de digitale goldrush vooral een manische concurrentiestrijd. Zodra er een nieuw gat in de markt wordt ontdekt, zijn er meteen tientallen of zelfs honderden ondernemers die erop duiken. Vergeleken daarmee is het concurrentieklimaat in de VS uitgesproken mild. Voor autoritjes heb je daar bijvoorbeeld maar twee grote spelers, Uber en Lyft. Maar Lee schat dat Meituan in de begindagen moest opboksen tegen zo’n drieduizend rivalen, verspreid over het hele land. Als je dat overleeft, kom je gehard uit de strijd.
En dat geldt nu ook voor Wang. Hij zit qua leeftijd tussen de nieuwe en de oude garde in en is als investeerder nu een mecenas voor jongeren met goede ideeën: de toekomstige kleine draken. Eén bedrijf waarin hij heeft geïnvesteerd is eDaijia, waarmee je een chauffeur kunt bestellen om je naar huis te laten rijden als je te veel gedronken hebt. ‘Ze domineren de markt in China en zijn vorig jaar begonnen in Seoel,’ lacht hij, ‘omdat dat volgens hen de stad met de meeste zuipschuiten ter wereld is.’
China beleeft dus een aanzienlijke bloei van creatieve webdiensten, maar het is vooral op het gebied van hardware dat het de VS kan aftroeven. Het land is al dertig jaar bezig om de grootste maakindustrie ter wereld op te bouwen. In kuststeden als Shenzhen en Guangzhou wemelt het nu van de elektronicaproducenten – van kleine ateliers met drie man personeel tot de enorme fabriekscomplexen van Foxconn met 30.000 werknemers waar de nieuwe iPhones worden gemaakt. Allemaal weten ze hoe je dingen moet maken, dus het was haast onvermijdelijk dat lokale ondernemers hier een grote rol in zouden spelen.
‘Het is in China makkelijker dan elders,’ zegt Robin Han, ‘omdat wij Shenzhen hebben.’ Han is de 32-jarige medeoprichter van Zepp Labs, een hardwarestart-up in Beijing die hoge ogen gooit in de sportwereld. Het bedrijf maakt een sensor die de beweging volgt van je golfclub, honkbalknuppel of tennisracket; met een bijbehorende iPhone-app kun je vervolgens je swing of slag verbeteren.
Han werd vijf jaar geleden door het ondernemersvirus gegrepen toen hij als promovendus voor Microsoft in Beijing werkte. Een baan bij zo’n groot bedrijf gaf wel zekerheid, maar voor hetzelfde geld zat je er jarenlang te zwoegen aan een project dat misschien wel nooit zou worden gerealiseerd. Je had het succes daar niet in eigen hand, vertelt hij me in het felverlichte kantoor van Zepp, waar een twintigtal programmeurs en designers achter toetsenborden zit.
Han zag dat telefoons van HTC en HP en de afstandsbediening van de Nintendo Wii met een gyroscoop werden uitgerust. Hij bedacht dat die techniek wel eens snel in prijs zou kunnen dalen naarmate meer grote bedrijven dat voorbeeld zouden volgen. Hij en zijn vriend Peter Ye (nu hoofd R&D van Zepp) houden van sporten en kwamen zo op het idee voor de swingsensor. Spelers kunnen hun beweging analyseren en vergelijken met die van profsporters. Coaches kunnen hiermee de training van een heel team analyseren, zelfs op afstand.
Han en Ye nemen me mee naar de kelder, waar ze een grote oefenkooi voor honkbal en golf hebben gebouwd. ‘We zijn hier uren bezig geweest om de werking van de sensoren met onze eigen swing te verbeteren,’ zegt Han. De muren zijn bezaaid met inslagen van afgezwaaide ballen. Hun prototype werkte zo goed dat het de aandacht trok van een vertegenwoordiger van Apple die in China op zoek was naar nieuwe producten voor de Apple Store. Voordat ze volledig voldeden aan alle strenge vormgevingseisen van Apple waren ze veertien prototypes verder, maar het is de moeite wel waard geweest: in 2012 werd de Zepp-sensor wereldwijd in de Apple Store gelanceerd, en inmiddels hebben ze al 300.000 afnemers.
Han en Ye zijn Zepp Labs begonnen met een beginkapitaal van 1,5 miljoen dollar en hebben met behulp van hun eigen contacten een goede fabriek voor de ontwikkeling van prototypes en de uiteindelijke massaproductie gevonden. Die laatste stap is altijd de moeilijkste geweest bij het opzetten van een productieproces in China: het vinden van een capabele fabriek à la Foxconn, met voldoende ervaring in het oplossen van ontwerpproblemen. Maar ook dat gaat de laatste jaren steeds makkelijker. Er zijn nu bemiddelaars tussen industrie en designers, zoals Highway 1, een programma van industriegigant PCH: dat speurt wereldwijd naar bedenkers van nieuwe gadgets en zoekt vervolgens topfabrieken die het aandurven om een product van een onbekend nieuw talent te produceren.
China heeft ook zijn eigen hackerspaces. De eerste hackerspace, XinCheJian in Shanghai, werd in 2010 mede opgericht door de Chinese internetondernemer David Li. Hij zag dat relatief goedkope apparatuur amateuruitvinders steeds beter in staat stelde om zelf gelikte prototypes van hun uitvindingen te produceren. Nu komen op XinCheJian uitvinders uit heel China samen met Chinese expats uit de hele wereld om te brainstormen en vervolgens excursies naar fabrieken te maken om inzicht te krijgen in het ecosysteem van China’s hardwareproductie. De leden betalen een maandelijkse contributie, net als bij de sportschool. In ruil daarvoor krijgen ze toegang tot de technische middelen van de hackerspace en advies van hun mede-uitvinders.
‘Ik spoor mensen altijd aan: maak snel een prototype, zoek partners voor de productie en zet een Kickstartercampagne op’
‘Ik spoor mensen altijd aan: maak snel een prototype, zoek partners voor de productie en zet een Kickstartercampagne op,’ zegt Li. We zitten aan een tafel in de hackerspace; achter hem zien we ruimtes vol draaibanken, allerhande elektrisch gereedschap en hele rijen 3D-printers. Eén recent product dat uit XinCheJian voortkomt, is de Wearhaus Arc-koptelefoon. Daarmee kun je de muziek waar je naar luistert draadloos streamen naar de koptelefoon van een vriend, zodat je tijdens het werken of studeren van dezelfde muziek kunt genieten. De eerste oplage van drieduizend stuks is al uitverkocht, een grotere tweede lading is in de maak.
De Chinese bedrijven kunnen geduchte concurrenten worden, maar het werkt twee kanten op: het wordt voor westerse ondernemers ook steeds makkelijker om in China voet aan de grond te krijgen. Ze gaan al geregeld naar hardware- en softwarebijeenkomsten in de kuststeden om lokale zakenpartners of geschikte fabrieken te vinden. China wordt in feite een mekka voor mensen met ideeën – zoals Silicon Valley dat een generatie geleden was.
Dat zag ik tegen het eind van mijn verblijf heel duidelijk geïllustreerd toen ik nog even langsging in hackerspace XinCheJian van David Li. Die was daar in gesprek met een start-upteam dat hij coacht, met onder meer de Nederlands-Italiaanse Lionello Lunesu en de Amerikaan Berni War. Ze bekeken hun laatste prototype, vers uit de fabriek bezorgd door een koerier. Het was een klein apparaatje dat meldingen van je computer of telefoon doorgeeft. Een soort Apple Watch, maar dan voor op je bureau in plaats van aan je pols. Li pakte het apparaat en streelde de gladde witte buitenkant. ‘Hetzelfde plastic dat ze voor de iPhone 5c gebruiken,’ zei hij. Grote grijns op het gezicht van de jonge ondernemers. Dat soort mogelijkheden heb je in de VS vaak niet. En daarom zitten ze hier.
Wired
Verenigde Staten | maandblad | oplage 750.000
Wired bericht in print en online over de verbanden tussen technologische ontwikkelingen en cultuur, politiek en economie. Absolute referentie voor internationale technologie. Spraakmakende covers, ongeëvenaarde inhoud.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.