Tag: smartphones

  • Wereldnieuws: smartphoneverbod voor tieners & meer

    Wereldnieuws: smartphoneverbod voor tieners & meer

    Bangladesh in de ban van blonde buffel

    Een albinobuffel van 700 kilo is in Bangladesh een onwaarschijnlijke mediasensatie geworden nadat hij de bijnaam ‘Donald Trump’ kreeg vanwege zijn goudkleurige hoofdhaar en lichtroze huid, meldt de Bangkok Post.

    WN koe

    Bezoekers stroomden massaal naar de boerderij net ten zuidoosten van Dhaka om het beest te fotograferen en aan te raken. Een bezoeker die eerst nog twijfelde aan de gelijkenis, gaf na aankomst toe dat het dier veel van Trump wegheeft. Volgens het boerderijpersoneel is de buffel een ‘kalm en zachtaardig’ dier.

    Het beest heeft veel aandacht getrokken in aanloop naar het islamitische offerfeest Eid al-Adha op 27 mei. Het dier is al verkocht voor 3,86 euro per kilo vlees en aan de nieuwe eigenaar afgeleverd.


    Hoe Rusland AI als wapen inzet

    Rusland gebruikt steeds meer AI-gegenereerde nepvideo’s om de indruk te wekken dat Rusland succes boekt op het slagveld in Oekraïne, aldus The Kyiv Post. Zo zijn er clips gemaakt waarin Russische vlaggen worden gehesen in Oekraïense dorpen, aldus het Institute for the Study of War (ISW). Het ISW ziet de trend als een onderdeel van de bredere Russische informatieoorlog, die sinds de winter van 2025 is geïntensiveerd. Analisten brengen de trend in verband met de trage Russische vooruitgang aan het front. Volgens de monitoringgroep DeepState heeft Rusland in april 141 km² aan Oekraïens grondgebied veroverd – een van de magerste maandresultaten in meer dan een jaar.

    Rusland voert een psychologische oorlogscampagne om de werkelijkheid te verdraaien en verschillende doelgroepen te manipuleren. Analisten waarschuwen dat het uiteindelijke doel informatiechaos is – een situatie waarin synthetische content zo wijdverspreid raakt dat zelfs echt bewijsmateriaal als nep kan worden afgedaan.


    Iers dorp verbiedt smartphones voor tieners

    Greystones, een Ierse kustplaats net ten zuiden van Dublin, heeft zich wereldwijd op de kaart gezet met het radicale initiatief It Takes a Village. Het doel daarvan is kinderen te beschermen tegen sociale media door smartphones te verbieden voor kinderen onder de twaalf jaar, meldt The Telegraph. Ouders tekenen een contract met hun basisschool waarin ze beloven hun kinderen geen mobiel te geven totdat ze rond hun dertiende naar de middelbare school gaan.

    ‘Het gaat erom dat we het moment waarop ze een smartphone krijgen, uitstellen totdat we ze de vaardigheden hebben bijgebracht die ze nodig hebben om in de online wereld te navigeren,’ aldus Rachel Harper, basisschooldirecteur in Greystones, die het initiatief heeft opgezet.

    WN kinderen compressed

    Ze bedacht het concept toen leerlingen na de covid-lockdowns weer naar school gingen. ‘Ouders vertelden me hoe hun zoon of dochter, die het op school goed deed, ’s avonds thuis helemaal de controle verloor. Kinderen hadden moeite met slapen na tot in de late uurtjes op hun telefoon te hebben gezeten. Door berichten van de avond ervoor kwamen ze dermate uitgeput of overstuur op school dat ze zich niet konden concentreren.’ Op het eerste gezicht klinkt het initiatief draconisch en onwerkbaar, maar ouders, leerkrachten en vooral de kinderen zijn er zeer over te spreken. Zo vertelt een moeder: ‘Ik zag enorm op tegen de dag dat mijn dochter thuis zou komen smeken om een smartphone, omdat iedereen er al een had. Maar dankzij dit schoolinitiatief hebben moeders zoals ik daar geen last meer van.’

    En een jongen verklaart: ‘Wat ik tot nu toe van de workshops heb geleerd, is dat socialemediaplatforms zo zijn ontworpen dat ze een eindeloze hoeveelheid content bieden, waardoor het moeilijk is er afstand van te nemen. Ze zijn verslavend en ik wil niet dat mij dat overkomt.’


    Franse filmproducent verbreekt banden met 600 filmartiesten

    De topman van Canal+, de grootste filmproducent van Frankrijk, heeft onlangs bekendgemaakt dat de groep niet langer zal samenwerken met zeshonderd professionals uit de filmindustrie die een petitie tegen de conservatieve miljardair Vincent Bolloré hebben ondertekend, aldus Le Monde. De aankondiging, gedaan tijdens het filmfestival van Cannes, zal naar verwachting voor grote opschudding zorgen in de Europese filmwereld.

    ‘Ik ervaar die petitie als een onterechte bejegening van de teams van Canal+, die zich inzetten voor de onafhankelijkheid van Canal+ en de volledige diversiteit van haar keuzes. Ik zal niet langer samenwerken met en ik wil niet langer dat Canal+ samenwerkt met de mensen die deze petitie hebben ondertekend,’ aldus CEO Maxime Saada.

    De petitie riep mensen op zich te mobiliseren tegen ‘de toenemende greep van extreemrechts’ op de filmindustrie onder invloed van Bolloré en de Canal+-groep. De agressieve expansie van Bolloré in de Franse media de afgelopen jaren wordt door conservatieven toegejuicht, omdat het volgens hen het machtsevenwicht – dat naar links doorslaat – weer in balans brengt.

    De miljardair Bolloré, een vrome katholiek die zijn fortuin verdiende in de logistieke sector, wordt door commentatoren vaak vergeleken met de in Australië geboren Amerikaanse mediamagnaat Rupert Murdoch, omdat zijn nieuwszender CNews overeenkomsten vertoont met de Amerikaanse zender Fox News.


    Toerist krijgt compensatie voor gebrek aan ligruimte

    Een Duitse toerist heeft ruim 900 euro teruggekregen omdat hij er tijdens zijn vakantie in Griekenland niet in slaagde een ligstoel te bemachtigen, aangezien alle stoelen met handdoeken waren gereserveerd. De man, die in 2024 met zijn gezin een pakketreis maakte naar het Griekse eiland Kos, zei tegen de BBC dat hij elke dag twintig minuten bezig was naar een ligstoel te zoeken, terwijl hij om 06.00 uur al wakker werd.

    WN strandstoelen compressed edited scaled

    Vervolgens klaagde hij zijn touroperator aan omdat hij het reserveringssysteem had toegestaan en gasten die ligstoelen met handdoeken reserveerden niet hierop had aangesproken. Volgens de toerist waren de ligbedden zo vaak gereserveerd dat ze onbruikbaar waren en zijn kinderen op de grond moesten liggen. De rechter stelde hem in het gelijk en oordeelde dat de familie recht had op een restitutie van 986,70 euro.


    Vogeltapijt

    Elk jaar sterven naar schatting zo’n miljard vogels in Noord-Amerika omdat ze tegen ramen aan vliegen, meldt Colossal. Dat komt volgens de vogelbescherming omdat de meeste vogels hun spiegelbeeld niet herkennen of zelfs denken dat hun rivaal recht voor ze vliegt. Kunstenaar en docent Holly Greenberg raakt gefascineerd door dit treurige fenomeen. Nadat bijna duizend vogels omkwamen in een botsing met één gebouw in Chicago, lanceerde ze een initiatief om precies 10.863 stoffen vogels te maken, het aantal dat in 2023 dood werd aangetroffen in de straten van de stad. Via meer dan 140 workshops verspreid over de VS en Canada naait een groeiende gemeenschap met de hand vogels na op basis van echte exemplaren. Uiteindelijk zullen alle vogels samen één groot tapijt vormen.

    WN vogels compressed
  • Het nieuwe smartphonepensioen

    Het nieuwe smartphonepensioen

    Te veel schermtijd is niet alleen een probleem onder jongeren, maar ook ouderen zitten steeds meer achter een tablet of smartphone. ‘Een door de smartphone gedomineerd pensioen’ is inmiddels de norm geworden.

    Nadat hij het hele land had doorkruist om zijn familie te bezoeken, stuurde een vriend me een bezorgd berichtje. Reizen is altijd hectisch, maar normaal gesproken werd dat goedgemaakt door de rust na aankomst, als zijn kinderen eindelijk tijd konden doorbrengen met hun opa en oma. Maar dit jaar was het anders, zei hij: ‘Ze zaten de hele tijd alleen maar op hun telefoon en waren nauwelijks aanspreekbaar.’ Hij had het niet over de kinderen, maar over de grootouders.

    De laatste jaren hoor ik vaker zulke verhalen – over volwassen kinderen die zich zorgen maken over hun ouders die naarmate ze ouder worden een schermverslaving ontwikkelen. Zulke verhalen zijn overal op internet te vinden. Ze vallen extra op omdat ze de zorgen weerspiegelen die ouders al jaren uiten over hun kinderen: dat hun jonge geest zou worden beïnvloed en vervormd door apparaten die ontworpen zijn om hun aandacht te grijpen en vast te houden. In de paniek rondom schermtijd gelden kinderen doorgaans als machteloze wezens, volledig overgeleverd aan genadeloze techbedrijven waartegen volwassenen hen moeten proberen te beschermen. Maar een variant van dit probleem bestaat dus ook aan de andere kant van het leeftijdsspectrum: niet een jeugd waarin alles draait om de smartphone, maar een door de smartphone gedomineerd pensioen.

    Urenlang scrollen

    Het afgelopen jaar heb ik mensen gevraagd hun ervaringen met mij te delen. ‘Ik smeek mijn moeder voortdurend om haar telefoon weg te leggen; elke keer dat ik haar zie zit ze gedachteloos te scrollen. Haar concentratievermogen is echt volledig verdwenen,’ schreef iemand. Een ander beschreef een ouder die ‘urenlang Candy Crush speelt terwijl de kleinkinderen om een plekje op haar schoot vechten om mee te spelen, omdat dat nu geldt als “samen de tijd doorbrengen”.’

    Sommigen schetsten wat klinkt als een constante zintuiglijke overprikkeling: ‘Als ik mijn ouders bezoek, staan er vaak twee tv’s in verschillende kamers keihard aan, terwijl ze allebei op hun iPad of telefoon zitten te scrollen,’ schreef iemand. Veel berichten waren vrij recht door zee: ‘Ik heb mijn boomerouders moeten zeggen dat ze niet voortdurend op hun iPad moeten zitten als onze driejarige in de buurt is.’

    Meestal waren het privéberichten waarin deze oprechte zorgen werden geuit. De meesten vroegen me hun volledige naam niet te vermelden, omdat ze niet publiekelijk over hun familieleden wilden spreken. Josh uit Ohio vertelde dat zijn vader volledig in de ban is van korte verticale video’s op Instagram en TikTok. ‘Volgens mij werken die therapeutisch voor hem,’ zei hij. ‘Hij heeft depressies en zware angstklachten. Maar ik probeer een betere hobby voor hem te vinden.’

    ‘Volgens mij werken [tiktoks] therapeutisch voor hem. Hij heeft depressies en zware angstklachten’

    Anderen waren vooral bezorgd over oplichting. ‘Ik maak me meer zorgen om hem dan om mijn elfjarige,’ zei ene Conor. ‘Elke keer dat ik naar mijn ouders ga, moet ik de iPhone van mijn vader afpakken om hem af te melden voor een hele reeks onzinabonnementen op zogenaamde virusscanners die hij heeft gedownload via advertenties in een of ander woordspel. Uiteindelijk heb ik uit voorzorg zijn mogelijkheid om apps uit de App Store te downloaden uitgezet.’ Iemand die volledig anoniem wilde blijven vertelde dat een van zijn ouders buitensporig veel tijd op Instagram doorbracht, per ongeluk ongepaste video’s doorplaatste op zijn tijdlijn en ter ontspanning allerlei door AI gegenereerde brainrot-rommel bekeek.

    Deze verhalen vormen geen uitzondering: uit verschillende onderzoeken blijkt dat ouderen daadwerkelijk steeds meer tijd online doorbrengen, en dat die trend al jaren gaande is. In 2019 stelde het Pew Research Center vast dat mensen van zestig jaar en ouder ‘nu meer dan de helft van hun dagelijkse vrije tijd – vier uur en zestien minuten – voor het scherm doorbrengen’, vaak met het kijken van filmpjes. Een groot deel daarvan lijkt afkomstig van YouTube: dit jaar meldde mediabedrijf Nielsen dat mensen van 65 jaar en ouder bijna twee keer zo veel YouTube op hun televisie kijken als twee jaar geleden. Uit een recente enquête onder Amerikanen van boven de vijftig bleek dat ‘de gemiddelde respondent in totaal 22 uur per week voor een scherm doorbrengt’. En in een onderzoek onder tweeduizend volwassenen van 59 tot 77 jaar zei 40 procent zich ‘onrustig of ongemakkelijk’ te voelen als ze hun apparaat niet in de buurt hadden.

    HOR Online pensioen
    © Getty Images

    Maar dit soort onderzoeken zegt weinig over hoe iemand precies omgaat met zo’n apparaat. Het is verleidelijk om terug te vallen op stereotypen over ouderen: door hen neer te zetten als digibeten, mensen die nieuwe technologie niet begrijpen en een makkelijke prooi zijn voor oplichters. De werkelijkheid is veel complexer, zegt Ipsit Vahia, hoofd gerontopsychiatrie in het McLean Hospital in Belmont (Massachusetts) en directeur van het Technology & Aging Laboratory aldaar. ‘De fundamentele fout in de manier waarop we over ouderen denken, is dat we iedereen boven de 65 over één kam scheren,’ zegt hij. Niet alleen vormen ouderen geen eenduidige groep, ook wordt een generatie volgens Vahia diverser naarmate mensen ouder worden. Twee vijfjarigen hebben per definitie meer met elkaar gemeen dan twee 87-jarigen: hoe ouder je bent, hoe meer kans je hebt gehad op uiteenlopende ervaringen en het ontwikkelen van verschillende gewoonten en perspectieven. ‘Onze vuistregel luidt: als je één oudere hebt ontmoet, heb je één oudere ontmoet.’

    Veel van de huidige zorgen over schermtijd vinden hun oorsprong in de coronapandemie, die bij ouderen leidde tot een duidelijke toename in technologiegebruik. ‘Als het alternatief eenzaamheid is, wordt technologie een zeer krachtige en positieve factor,’ aldus Vahia. In veel gevallen was Zoom de opstap: familieleden begonnen elkaar op het scherm op te zoeken, kerken hielden Zoom-diensten en artsen gebruikten de technologie voor zorgafspraken op afstand. Zo raakten sommige ouderen vertrouwd met het gebruik ervan.

    Maar niet al het schermgebruik is hetzelfde, zeker niet bij ouderen. Sommige onderzoeken laten zien dat tijd doorbrengen op apparaten bij mensen boven de vijftig samengaat met betere cognitieve vaardigheden. Woordspelletjes, informatie opzoeken, instructievideo’s bekijken en gewoon chatten met vrienden: het kan positieve prikkels bieden. Volgens Vahia moet je onlinegewoonten die bij jongeren of mensen van middelbare leeftijd zorgelijk lijken anders beoordelen bij oudere generaties. ‘Intensief technologiegebruik bij tieners en adolescenten hangt vaak samen met een slechtere mentale gezondheid en kan leiden tot isolement, eenzaamheid en zelfs depressie,’ zegt hij. ‘Maar bij ouderen lijkt technologiegebruik juist bescherming te bieden tegen isolement en eenzaamheid.’

    Twee vijfjarigen hebben per definitie meer met elkaar gemeen dan twee 87-jarigen

    Toch lijken veel van de voorbeelden die Vahia noemt enigszins geïdealiseerd. Fanatieke Wordfeud-sessies of zoektochten op Wikipedia vallen inderdaad in de minder problematische categorie. Maar de meeste verhalen die ik hoorde beschreven een veel somberder scenario. Een vrouw die als verpleegkundige in het Verenigd Koninkrijk werkt en anoniem wilde blijven omdat ze niet over haar patiënten mag spreken, vertelde me in een privébericht dat veel van de oudere patiënten op haar afdeling ‘maar blijven doorscrollen’ en zo op hun telefoon of iPad ‘een ongelooflijke hoeveelheid troep consumeren’.

    ‘Een deel daarvan is nog vrij onschuldig,’ zei ze. ‘En soms zelfs best grappig, zoals toen iemand in een eindeloze reeks willekeurige Chineestalige filmpjes belandde.’ Maar, voegde ze eraan toe, ‘de negatieve effecten worden steeds zichtbaarder’. Ze wees daarbij op agressieve anti-immigratievideo’s, en op ‘complottheorieën en wantrouwen tegenover de medische wereld’. Wie genoeg tijd doorbrengt op Facebook of Instagram zal dit herkennen: verwarde reacties onder door AI gegenereerde berichten, van mensen die niet lijken te beseffen dat wat ze zien nep is. Of hyperpartijdige websites die beelden verspreiden van minderheden die misdaden plegen, die vervolgens worden gedeeld door bezorgde gebruikers die steeds angstiger, achterdochtiger en gepolariseerder lijken te worden. Oplichting door nepaccounts die zich voordoen als bank of kredietverstrekker. Eenzame mannen die bevriend zijn met tientallen vrouwelijke AI-chatbots.

    Morele paniek

    Maar ook hier waarschuwt Vahia voor morele paniek. Toen ik het beeld schetste van ouderen die de hele dag naar hersenloze AI-troep op Facebook kijken, wees hij op het grote verschil tussen actieve en passieve consumptie. Wie zegt dat elke oudere per se door die rotzooi wordt misleid? Misschien maken ze er samen grapjes over of proberen ze uit te zoeken wat echt is en wat niet. ‘Als die troep mensen die anders weinig gemeen hebben toch een gespreksonderwerp biedt, verandert dat de zaak, nietwaar?’

    Misschien wel. En ongetwijfeld speelt de eigen projectie hierbij ook een rol. De angsten van de mensen die mij benaderden – en de angst die ik zelf voel – lijken geworteld in onze eigen ingewikkelde relatie met onze apparaten. Velen van ons maken zich constant zorgen over wat we consumeren, hoeveel we scrollen en de subtiele manier waarop we online worden gestuurd, geprikkeld en gemanipuleerd. En die zorgen projecteren we, al dan niet terecht, ook op anderen.

    ‘Als die troep mensen die anders weinig gemeen hebben toch een gespreksonderwerp biedt, verandert dat de zaak, nietwaar?’

    Maar memes als ‘Shrimp Jesus’ [door AI gegenereerde afbeeldingen van Jezus als schaaldier, die in 2024 een trend waren op Facebook] of nepvideo’s van ICE-agenten die mensen arresteren zijn juist bedoeld om gebruikers te verwarren of boos te maken, net als alle andere clickbait die sociale media overspoelt. We moeten ouderen inderdaad niet automatisch zien als naïeve slachtoffers, maar de techreuzen die dit systeem beheren belonen betrokkenheid, niet kwaliteit. Voor mensen met meer vrije tijd dan ze kunnen spenderen – en die mogelijk al kampen met eenzaamheid of andere psychische problemen – kan dat voortdurend oplichtende scherm een onweerstaanbare verleiding zijn.

    Als ik Vahia vraag naar de ouderen die tijdens de feestdagen zitten te scrollen, iets waar ik zo veel over heb gehoord, moedigt hij me aan om ook dit anders te zien. ‘Ja, dat valt inderdaad op wanneer je ze tijdens de feestdagen ziet,’ zegt hij. ‘Maar de rest van de tijd ben je er niet bij. Hun telefoons vormen een groot deel van hun leven, of dat nou goed is of niet. Jouw komst is hier eigenlijk de verstoring.’

    Volgens hem moeten we bedenken wat de telefoon doet als er niemand in de buurt is. Voorkomt deze dat een dierbare wegzakt in een depressie? Zorgt hij voor verbinding met de rest van de wereld? Zijn sommige ouderen niet misschien gewoon gelukkiger met de wereld in hun broekzak of op hun tablet dan ze zonder zouden zijn? Algoritmen beperken weliswaar onze autonomie, maar sommige mensen willen hun oude dag misschien wel op hun telefoon doorbrengen en zich overgeven aan die eindeloze stroom aan entertainment. Wie zijn wij om daarover te oordelen?

    Het is behoorlijk verwarrend. Dezelfde apparaten die sommige mensen helpen in contact te blijven met de wereld, vervagen bij anderen het onderscheid tussen werkelijkheid en fictie. In plaats van snel conclusies te trekken, kunnen jongere mensen hun bezorgdheid beter gebruiken als aanleiding om hierover in gesprek te gaan – en daarbij de telefoon even weg te leggen.

  • De microwerker, het ultieme werkpaard

    De microwerker, het ultieme werkpaard

    Dankzij de smartphone kunnen we overal e-mails voor ons werk versturen. We kunnen documenten bewerken in de metro, in de wachtkamer of in het park terwijl de kinderen aan het spelen zijn. Is deze manier van gefragmenteerd werken een bevrijding of een nieuwe vorm van slavernij?

    De term ‘microwerken’, die aan het eind van de jaren 2010 opdook, beschrijft een trend waarbij je je tijd optimaal benut door tijdens de dagelijkse beslommeringen korte werksessies te doen op plekken die daar niet voor bedoeld zijn. We doen onbewust aan ‘microwerken’ als we een werkmail  beantwoorden bij de kapper of Slackberichten checken in het openbaar vervoer. Overal zie je microwerkers. Ze zitten met hun computer op schoot in het park, verbonden via 4G, of kijken documenten na op een bankje tijdens de dansles van de kinderen.

    ‘Met Google Drive hebben we toegang tot alles,’ zegt manager vastgoedbeheer Simon, die anoniem wil blijven. Hij is te vroeg voor een afspraak en verzendt tijdens het wachten ‘een e-mailsalvo’ in een café in Parijs. Aan een tafel naast hem is een groep architecten spontaan begonnen met vergaderen. Niemand realiseert zich waarschijnlijk dat ie aan het microwerken is. De term is nooit echt ingeburgerd geraakt, ondanks de inspanningen van vastgoedmensen die ervan overtuigd waren dat er een markt voor was. Hun idee was om overal microbureaus te installeren voor al deze microwerkers.

    Op de meest onverwachte plaatsen doken microwerkplekken op, zoals in de Monoprix des Ternes [een Franse winkelketen] in het noordwesten van Parijs, of in het stadhuis van het 17e arrondissement van de hoofdstad. De start-ups Weem en Kabin onder andere, kwamen op het idee om cabines voor telewerkers te ontwikkelen – geluidsdichte, aan elkaar gekoppelde cabines die het midden houden tussen een telefooncabine en een pasfotohok. Deze exemplaren werden uitgerust met software die advies gaf over hoe je je beter kon concentreren. Volgens die bedrijven zouden overal zulke cabines opduiken.

    Op 20 maart 2023 vond in het Théâtre Mogador in Parijs de Nacht van de Future of Work [Toekomst van Werk] plaats, waar bedrijven, start-ups en vastgoedbedrijven hun innovaties presenteerden. Geen woord meer over het fameuze microwerken. Weem had vier jaar geleden laten weten een ‘microwerkerskring’ op te zullen richten, met een aantal deskundigen die een witboek over deze praktijk op zouden stellen. Antropologe Fanny Parise zegt zich niet meer te kunnen herinneren dat ze aan het project zou meewerken – Weem werd enkele weken geleden opgeheven. Emmanuel Ratel, ex-directeur-generaal van Weem, herinnert zich dat de cabines die hij in Frankrijk had geplaatst, het meest werden gebruikt op het platteland, en dan niet zozeer als ‘expreswerkplek’, maar ‘als ontmoetingsplek’.

    Out of the box

    Wat Kabin betreft: hun plek in Monoprix des Ternes bestaat niet meer. ‘Het was misschien een beetje té disruptief,’ geeft oprichter Adrien Lemaire toe. Misschien is niet iedereen klaar voor microwerk in een cabine naast de vleesafdeling. Kabin wil nu in mei andere cabines gaan testen. Op dit moment zijn er vijf operationeel, verspreid over Parijs, in Levallois-Perret (Hauts-de-Seine) en in Luxemburg. Het stadhuis van het 17e arrondissement heeft van de renovatie van zijn hal gebruikgemaakt om het bedrijf te vragen zijn cabines opnieuw te installeren, zodat burgers die hun identiteitsbewijs komen vernieuwen, voor of na hun bezoek aan het loket, bijvoorbeeld aan een Zoomvergadering kunnen deelnemen.

    Rebels als ze zijn, volharden werkgevers in het out-of-the-box microwerken. SNCF, de Franse spoorwegmaatschappij, schiep 197 microwerkplekken in stationshallen voor reizigers die er tijdens het wachten een poosje kunnen werken. Maar volgens Gare & Connexions, dat de stations beheert, worden die vooral gebruikt gewone reizigers om hun batterijen op te laden. Ondertussen valt wel op hoeveel mensen op dit soort plekken aan het werk zijn, zittend aan een tafeltje in een café of restaurant, op een bankje of zelfs op de grond…

    Misschien schuilt de charme van het geïmproviseerde werken – in afwachting van iets of iemand – wel in het gevoel flexibeler te zijn dan je agenda. Misschien willen mensen die op deze gefragmenteerde manier werken zich niet van de wereld afsluiten in een ruimte waar de zintuigen worden uitgeschakeld. De app Coffitivity doet dit inderdaad vermoeden. Deze belooft ‘het geluidsbeeld van een café na te bootsen om de creativiteit te stimuleren’. Er zijn verschillende audio-omgevingen beschikbaar, zoals die van een café in Parijs. Kennelijk willen mensen graag werken op plekken die daar niet voor bedoeld zijn. Werknemers van het Amerikaanse bedrijf Buffer – die volledig op afstand werken – krijgen een tegemoetkoming in de kosten voor een co-werkplek en hebben ze recht op tweehonderd dollar per maand voor consumpties in het café van waaruit ze eventueel willen werken.

    ‘Nomadische werknemers werken overal en altijd’

    Nicolas Cochard, hoofd onderzoek en ontwikkeling van de Kardham Group en specialist in de werkomgeving, ziet een andere verklaring voor het feit dat cabines voor microwerk niet het verwachte succes hadden. Professionals van Future of Work hebben de neiging om het aantal mensen te overschatten dat werkt zoals zij. ‘Let op het elitaire karakter van dit soort trends die worden aangeprezen als universeel,’ waarschuwt hij. ‘Ons wordt wijsgemaakt dat ze zich als een lopend vuurtje verspreiden, maar in feite gaat het vooral om activiteiten van bepaalde groepen in de metropolen.’ En laten we wel wezen: werkcabines en microarbeid zijn handig voor het afronden van een PowerPoint, maar minder praktisch voor het storten van beton of het bakken van stokbroden. Trouwens, als het zou gaan leraren die in het café huiswerk nakijken of om vertegenwoordigers die in hun auto aan orders werken, zou niemand op het idee komen dat als ‘trendy’ te bestempelen.

    Broekzak

    Dankzij de technologie beweegt de werkplek tegenwoordig mee in de broekzak van de werknemer, merkte socioloog Yves Lasfargue al begin jaren 2000 op. Hij was een van de eersten die over nomadisch werken schreef. Degenen die dit ‘werken op onverwachte momenten van de dag’ willen formaliseren, zien daar volgens Nicolas Cochard vooral een bron van inkomsten in, zoals professionals in de hotel- of flexwerkbranche of in het kantoorvastgoed. Ze hopen de opbrengst van hun ruimte te kunnen maximaliseren door ze voor korte tot zeer korte periodes te verhuren. Microwerkers zijn echter gesteld op informaliteit. ‘Nomadische werknemers werken overal en altijd,’ aldus Cochard. Een cabine hebben ze niet nodig – oortjes of een koptelefoon zorgen voor afzondering, waar ze ook zijn.

    Elodie, een microwerker die weigert om zo genoemd te worden, leidt een bureau voor marketingonderzoek en heeft een hekel aan plaatsen die tot ‘werkplek’ worden bestempeld (ze blijft liever anoniem – haar klanten hoeven niet te weten dat ze e-mails vanuit de wachtkamer van de tandarts stuurt). ‘“Werkplek” herinnert me eraan dat ik aan het werk ben,’ zegt ze. Maar als ik in een wachtkamer ideeën noteer of in een coffeeshop de PowerPoint van een collega doorneem, kan ik, omdat dat werk geen naam en geen vaste plek heeft, mezelf wijsmaken dat ik niet werk. Het is een truc: vaker werken in het café om minder vaak te werken op kantoor.’

    Cochard merkt op hoe dit ‘lukrake’ werken de poreusheid van werk en privé accentueert. Het risico is dat je de hele tijd aan het werk bent als je elk vrij moment in je leven gebruikt om in te loggen, drie e-mails te versturen of een document te herlezen. In plaats van zich te beklagen over deze poreusheid, hebben ‘de Stakhanovisten van het vrije moment’ [een verwijzing naar Alexei Stakhanov die in de Sovjet-Unie de arbeidsproductiviteit wilde verhogen] eerder een gevoel van microtriomf: ze raken bijna bedwelmd door hun vermogen zich overal te concentreren. Uiteindelijk worden ze minder gestoord tijdens het werken vanaf de tribune in het zwembad, wachtend op het einde van de zwemles van de kinderen, dan op kantoor.

    Frédéric (die anoniem wenst te blijven) zegt dat hij zich erop toelegt om zo vroeg mogelijk op de luchthaven te arriveren als hij op reis moet, ‘om twee uur de tijd te hebben om te werken’. Deze directeur van een grote Franse onderneming beschrijft ook het plezier dat hij beleeft aan het werken in een taxi. ‘Daarin richt ik echt een kantoortje voor mezelf in.’ Files? Die beschouwt hij als een kans om nog van zijn tijd te profiteren. Deze mensen voelen zich slimmer omdat ze gebruikmaken van tijd die anders eigenlijk ‘verspild’ zou zijn – een beetje zoals iemand die stiekem zijn buikspieren traint tijdens een vergadering die maar eindeloos doorgaat.

    ‘We reageren, gewoon om ons te laten zien. Het gaat om “Hallo, ik ben er”’

    Het is geen toevallig fenomeen, signaleert de Amerikaan Cal Newport, auteur van het boek Deep Work. Finding focus in a world of distractions, waarin hij het belang van monotasking en werkuren zonder afleiding verdedigt. Alles is veranderd sinds productiviteit in de diensteneconomie een persoonlijke verantwoordelijkheid is geworden, zei hij tegen The New York Times. Je kunt niet meer zoals vroeger voor iedereen het werk organiseren. ‘Het probleem is dat wanneer productiviteit persoonlijk wordt, de druk bij individuen komt te liggen – zij moeten de spanning oplossen tussen de verschillende rollen die zij in hun leven spelen.’ Vandaar de verleiding om privéleven en werk tegelijkertijd te runnen. En om dus werkdocumenten door te nemen in afwachting van een schoolvoorstelling.

    Als je al die mensen ziet werken in de trein of in het café, denk je dat ze allemaal enorm goed werk zullen verzetten. Maar de productiviteit is niet enorm toegenomen sinds deze trend. Verre van dat. In plaats van microwerken ziet Cal Newport microagitatie. Nomadische digitale hulpmiddelen zorgen voor entropie en complicaties, zegt hij. Voor het behalen van eenzelfde resultaat vindt er nu meer uitwisseling en ge-heen-en-weer plaats, omdat dat overal en op elk moment mogelijk is. De overgang naar een volgende fase van het werkproces wordt vertraagd omdat je zelfs lopend kan vragen om een verduidelijking, een update en vervolgens een andere, en dan nóg een andere versie van een contractvoorstel. Voorheen waren voor de afronding slechts twee telefoongesprekken, de uitwisseling van een paar faxen nodig gevolgd door een mondeling ‘oké’.

    Cal Newport verklaart deze ontwikkeling als volgt: productiviteit is in veel van de huidige banen onmogelijk te meten en daarom vertrouwen we op ‘zichtbare activiteit’ om die te kunnen kwantificeren. Tot in de jaren 2000 bestond die uit lang op kantoor blijven. Tegenwoordig laat iemand zien dat ie aanwezig is door op vreemde tijden en overal vandaan e-mails te sturen. ‘We reageren, gewoon om ons te laten zien. Het gaat om “Hallo, ik ben er”,’ geeft de logistieke manager van een bank toe.

    In feite voelen we nu een zekere trots als we kunnen zeggen dat we ons werk hebben afgemaakt vanuit een stoeltjeslift of tijdens het verjaardagsfeestje van de kinderen. Niemand zegt: ‘Weet je waar ik dat gouden idee kreeg? Op kantoor!’

  • Klein, kleiner kleinst: in Veldhoven verlegt ASML de grenzen van de microchip

    Klein, kleiner kleinst: in Veldhoven verlegt ASML de grenzen van de microchip

    Dankzij de geavanceerde apparatuur van onder andere het Veldhovense techbedrijf ASML worden er al decennialang steeds kleinere en fijnere chips gemaakt. Maar niet voor lang meer, waarschuwen experts. ‘We lopen nu tegen de fysieke grenzen aan. Straks zitten we op het niveau van een atoom.’

    In een ‘cleanroom’ op het uitgestrekte terrein van ASML in Veldhoven ademen tientallen mannen en vrouwen in isolatiepakken lucht in die nog tienduizend keer zuiverder is dan die in een operatiekamer. Ze werken er aan het eerste prototype van het nieuwste product van deze apparatenmaker voor chipfabrikanten: de nieuwste generatie fotolithografiemachines op basis van extreem ultraviolet licht (EUV). Die produceert straks halfgeleiders door transistors op een schijfje silicium te ‘printen’ die bijna net zo klein zijn als een menselijk chromosoom. Dit eerste EUV-apparaat gaat dit jaar voor meer dan 350 miljoen euro naar Intel.

    Aan de lithografiemachines van ASML danken we het bestaan van niet meer weg te denken apparaten zoals de iPhone en de geavanceerde chips van Nvidia waar ChatGPT op draait. Er zijn maar drie bedrijven ter wereld (Intel, Samsung en TSMC) die het soort processoren kunnen maken die voor zulke apparaten nodig zijn. En alle drie zijn ze daarvoor afhankelijk van de geavanceerde apparatuur van ASML.

    Dankzij de innovaties van ASML kunnen transistors steeds kleiner worden, en de chips als gevolg daarvan krachtiger. Het hoge tempo van de technologische vooruitgang van de afgelopen vijftig jaar hebben we te danken aan de exponentiële groei van het aantal transistors op halfgeleiders. Die toename werd in 1965 al voorspeld door een van de oprichters van Intel, Gordon Moore: hij beweerde destijds dat het aantal transistors op een chip ongeveer elk jaar zou verdubbelen. Die voorspelling, die hij later bijstelde naar eens in de twee jaar, staat bekend als de wet van Moore.

    De wet van Moore

    Intel was grotendeels zelf verantwoordelijk voor die ontwikkeling, met zijn onophoudelijke innovaties op het vlak van ontwerp en productie van halfgeleiders. Maar dat de wet van Moore nog steeds opgaat, wordt tegenwoordig meestal op het conto van ASML geschreven. Het is aan de machines van het Nederlandse bedrijf te danken dat chips ter grootte van een vingernagel nu wel vijftig miljard transistors kunnen bevatten. ‘De drijvende kracht achter de wet van Moore? Dat is in feite lithografie,’ zegt Jamie Mills O’Brien van Abrdn, een van de vijftig grootste investeerders in ASML.

    Die verschuiving wordt weerspiegeld in de beurswaarde van de twee bedrijven. Het aandeel ASML, dat aan de beurs genoteerd staat in Amsterdam en New York, is nu ongeveer twee keer zoveel waard als dat van Intel. Bij de belangrijkste trends van de laatste tien jaar, smartphones en kunstmatige intelligentie (AI), viste Intel goeddeels achter het net, doordat de Amerikaanse chippionier het tempo niet kon bijbenen van de Taiwanese chipmaker TSMC, een van de eerste gebruikers van de EUV-technologie van ASML.

    Maar chipproducenten staan nu voor een enorme uitdaging. Ze liggen inmiddels achter op het door de wet van Moore voorspelde schema: het tempo van verdubbeling ligt tegenwoordig dichter bij eens in de drie jaar. Na de massaproductie van de nieuwste 3-nanometerchips voor de iPhones van dit jaar wordt de volgende stap een volgens sommigen nog grotere sprong voorwaarts naar 2 nanometer in 2025. ‘Maar kom je eenmaal op 1,5 of misschien 1 nanometer, dan is het definitief afgelopen met de wet van Moore,’ zegt Ben Bajarin, technologieanalist bij Creative Strategies in Silicon Valley. ‘Dan houdt het gewoon op.’

    ‘Elke twee of drie jaar een nieuwe generatie chips: ook de complexiteit neemt exponentieel toe

    Voorspellingen over het einde van de wet van Moore worden al jarenlang gelogenstraft door chipontwikkelaars. Maar nu begint het aantal transistors dat op een siliciumschijfje wordt gepropt de grens te naderen van wat fysiek nog mogelijk is. Sommigen vrezen dat het aantal productiefouten daardoor toeneemt. De ontwikkelingskosten stijgen in ieder geval wel.

    ‘De economische grondslag onder de wet van Moore valt weg,’ aldus Bajarin. Chipontwerpers zijn de laatste jaren daarom druk op zoek naar andere manieren om het tempo van de toenemende rekenkracht vast te houden. Bijvoorbeeld door nieuwe materialen en ontwerptechnieken uit te proberen, en door de AI die bestaat bij de gratie van de nieuwste generatie chips in te zetten voor het ontwerpen van nieuwe chips. Wat op het spel staat, is niet alleen het vasthouden van het innovatietempo dat al decennialang ten grondslag ligt aan het succes van de technologiesector, en daarmee van de voortdurende economische groei en radicale verbeteringen in ons dagelijks leven. Ook allerlei nieuwe ontwikkelingen, van kunstmatige intelligentie en het ‘metaversum’ tot de lang beloofde innovaties op het vlak van schone energie en autonoom vervoer, kunnen hun belofte alleen waarmaken als chips steeds krachtiger en efficiënter worden.

    ‘Ooit zal er een einde aan moeten komen,’ waarschuwde de in maart overleden Moore in 2015, bij de vijftigste verjaardag van zijn oorspronkelijke artikel. ‘Zo’n exponentiële ontwikkeling kan niet eindeloos voortduren.’

    Beurswaarde

    ASML houdt de wet van Moore nog in leven, maar dat vergt miljarden aan investeringen en onvoorstelbare staaltjes technisch en natuurkundig vernuft. De voormalige Philips-dochter begon haar bestaan in de jaren tachtig in houten barakken op het parkeerterrein van het moederbedrijf in Eindhoven. Tegenwoordig is het met een beurswaarde van zo’n 275 miljard euro het grootste technologiebedrijf van Europa. Vanuit de hoofdvestiging in Veldhoven, op slechts een paar kilometer afstand van waar die oude noodgebouwen stonden, produceert ASML nu machines die wel vijftigduizend keer per seconde minuscule druppeltjes gesmolten tin kunnen verdampen, om licht met een golflengte van 13,5 nanometer te produceren. Zo’n bundel EUV-licht wordt dan in een vacuümruimte weerkaatst via een reeks spiegels, versmald en scherpgesteld op een siliciumschijfje, een zogenaamde wafer.

    ‘De wet van Moore is een economische wet: elke twee tot drie jaar kun je bij gelijkblijvende kosten de prestaties verdubbelen,’ zegt ASML-topman Peter Wennink. Maar, zegt hij erbij, ‘er is nog een ander aspect van de wet van Moore waar niemand het over heeft: de wet van de complexiteit. Elke twee of drie jaar een nieuwe generatie chips, dat wordt er niet makkelijker op. Ook de complexiteit neemt dus exponentieel toe.’

    Enorme investeringen

    De nieuwe High-NA-machine is de laatste vrucht van ASML’s enorme investeringen in onderzoek en ontwikkeling – die in 2022 met 30 procent stegen tot 3,3 miljard euro. High-NA slaat op de hogere ‘numerieke apertuur’, ofwel het aantal hoeken waaronder het licht kan worden omgebogen en verstuurd: hoe hoger dat is, hoe kleiner de transistorpatronen die op een wafer kunnen worden geprint.

    Voor zijn huidige EUV-machines heeft ASML maar vijf potentiële afnemers: TSMC in Taiwan, Samsung en SK Hynix in Zuid-Korea en Intel en Micron in de VS. Alle vijf hebben ze het nieuwste model besteld. Met zijn monopolie op EUV-machines en zijn rol als grootste producent van DUV-machines (diep-ultraviolet, onmisbaar voor de productie van grotere en breder toegepaste chips in bijvoorbeeld auto’s en huishoudelijke apparaten) is ASML niet alleen populair in Silicon Valley, maar ook bij beleggers. De winstcijfers van het bedrijf zijn in de afgelopen vijf jaar meer dan verdubbeld en de aandelenkoers is in diezelfde periode navenant gestegen met 300 procent.

    Momenteel is het bedrijf een speelbal in de felle geopolitieke strijd tussen de VS en China en is er sprake van een dip in de vraag naar chips, doordat de hausse tijdens de pandemie heeft geresulteerd in een voorraadoverschot. Toch zet ASML in op een verdubbeling van de omvang van de markt voor halfgeleiders in de komende jaren: van 600 miljard dollar nu naar 1,3 miljard in 2030. Het bedrijf heeft een orderportefeuille van 40 miljard dollar, wat erop wijst dat er nog steeds vraag naar zijn producten is, en is van plan tot 2025 meer dan 4 miljard euro te investeren in research & development, om zijn innovatietempo vast te houden.

    Als dit alles gevaar loopt door het dreigende einde van de wet van Moore, dan is dat aan Wennink niet te merken. Hij maakt zich daar ‘helemaal geen zorgen’ over, zegt hij, maar geeft toe dat de verwachting van voortdurende vooruitgang de ‘grootste concurrent’ voor zijn bedrijf is. ‘Wij leveren de duurste machine in het productieproces,’ zegt hij. ‘Als wij onze klanten niet in staat stellen de kosten te verlagen of de waarde te verhogen, zullen ze alternatieven zoeken.’

    GettyImages 1354885833
    Een werknemer bekijkt een chip die nog met het menselijk oog te zien is.

    Chipontwerpers anticiperen daar al op. ‘Er zijn allerlei gereedschappen om meer transistors op een chip te kunnen proppen,’ zegt Nigel Toon, hoofd van de Britse start-up Graphcore, die chips maakt voor AI-toepassingen. ‘De wet van Moore loopt misschien op zijn eind, maar daarmee komt er nog geen einde aan de innovatie,’ zegt Hassan Khan, die aan de Carnegie Mellon-universiteit leiding geeft aan het onderzoek naar halfgeleiders en toeleveringsketens voor het Amerikaanse National Network for Critical Technology Assessment. ‘Technologische vooruitgang wordt vaak gelijkgesteld aan de wet van Moore, alsof innovatie alleen mogelijk is door steeds goedkopere transistors. Maar de mens is slim in het opsporen van knelpunten en het vinden van manieren om die te omzeilen.’

    Dankzij het type processor waarmee Intel groot is geworden, konden er decennialang apparaten worden ontworpen die een soort Zwitsers zakmes waren, alleskunners zoals de pc en de smartphone. Maar ‘de verwevenheid van hardware en software is weer in opkomst,’ zegt Ondrej Burkacky, die mede leiding geeft aan de semigeleiderdivisie van McKinsey. Het bekendste voorbeeld daarvan is misschien wel de iPhone. De mate waarin die zich altijd weet te onderscheiden van smartphones die op Android draaien, berust voor een belangrijk deel op chips die speciaal voor de iPhone zijn ontworpen. Apple kan specifieke softwarefuncties voor zijn iPhone ontwikkelen in samenwerking met zijn eigen chipontwerpers, een team dat inmiddels al duizenden mensen telt.

    Voor fabrikanten van Android-telefoons is dat lastiger, want het besturingssysteem van Google moet duizenden verschillende telefoons ondersteunen, van eenvoudige modelletjes tot Samsungs nieuwste paradepaardje van meer dan 1000 dollar. De algemene standaardchips van de Britse chipontwerper Arm worden door Apple speciaal toegesneden op betere prestaties of een langere batterijduur in de iPhone. Apple is daar zo goed in geworden dat het in 2020 de Intel-chips in zijn Macs kon verruilen voor een eigen chip op basis van het Arm-model.

    Hogere prestaties

    Omdat softwareontwerpers steeds hogere prestaties voor bepaalde taken verlangen, gaan sommige bedrijven nog verder in het herzien van de ‘architectuur’ van de chip, de fundamentele wijze waarop processoren zijn ontworpen en opgebouwd. Een bedrijf als Graphcore kan ‘met een schone lei beginnen,’ zegt Toon. ‘Je moet beter nadenken over de vraag wat de geschikte architectuur is voor een specifieke applicatie.’

    Nvidia, het grootste halfgeleiderbedrijf ter wereld, met een beurswaarde die onlangs de 1 biljoen dollar aantikte, deed eerst jarenlang ervaring op met grafische kaarten voor nichemarkten van gamers en wetenschappers. Het begon pas echt goud geld te verdienen toen zijn grafische processoren onmisbaar bleken voor elk bedrijf dat AI ontwikkelt. Zowel voor AI als voor het genereren van computerbeelden is de door Nvidia toegepaste techniek voor ‘parallelle verwerking’ uitermate geschikt: daarbij kunnen meerdere repetitieve taken – zoals het weergeven van veelhoeken of het uitvoeren van algoritmes – tegelijkertijd worden verricht.

    Onmogelijke problemen

    In de eerste dertig jaar van zijn bestaan was Nvidia volgens topman en medeoprichter Jensen Huang ‘het bedrijf dat je belde voor het oplossen van haast onmogelijke problemen’. Het jammere was alleen dat het daarmee nichemarkten bediende die ‘allemaal piepklein waren’, zoals die van de computationele biologie. ‘Ons bedrijf werd wel getypeerd met de slogan: oplossingen voor de problemen die geen geld opleveren,’ zegt hij. ‘En toen kwam er ineens een eind aan de wet van Moore. Nu zijn wij hét computerbedrijf dat je nodig hebt voor groei.’

    Maar omdat innovaties op chipgebied nu vaak specifiekere toepassingen hebben, worden doorbraken strenger geheim gehouden en zijn ze minder snel geschikt voor brede markttoepassingen. ‘In de jaren negentig en de eerste jaren van deze eeuw waren de kosten per transistor en de mogelijkheden om complexere chips te bouwen zo’n beetje voor de hele sector gelijk,’ zegt Khan.

    Tegenwoordig ‘is rekenkracht minder op algemeen gebruik toegesneden. Als ik chips optimaliseer voor AI, kan dat GPT efficiënter of krachtiger maken, maar heeft het misschien geen effect op de rest van de economie.’

    Een ander belangrijk terrein van innovatie zijn chips in de vorm van ‘pakketjes’. In plaats van elk onderdeel op een en dezelfde wafer te printen, zodat je een zogenaamd ‘system on a chip’ krijgt, prijzen halfgeleiderbedrijven nu de mogelijkheden aan van ‘chiplets’, kleinere bouwstenen die met elkaar gecombineerd kunnen worden tot een groter geheel. Dat geeft meer flexibiliteit bij het ontwerp en de inkoop van onderdelen. Intel noemt chiplets ‘de manier om de wet van Moore in het komende decennium en daarna in stand te houden’. Het riep vorig jaar een consortium bijeen van chipmakers en ontwerpers, waaronder TSMC, Samsung, Arm en Qualcomm, om standaarden op te stellen voor de bouw van deze lego-achtige processoren.

    De truc

    Volgens Richard Grisenthwaite, hoofd architectuur bij chipontwerper Arm, is een van de voordelen van chiplets ten opzichte van de ‘monolithische’ traditionele chips dat bedrijven daarin complexe en dure processoren kunnen combineren met oudere en goedkopere. De truc, waarschuwt hij, is om dan met die oudere en goedkope onderdelen meer te besparen dan je kwijt bent aan de extra kosten van het combineren van componenten.

    Maar nieuwe ideeën leiden ook weer tot nieuwe problemen. Een grote uitdaging bij veel van deze innovaties is volgens Burkacky van McKinsey dat ze vaak grotere chips opleveren, wat dan weer leidt tot een groter oppervlak dat foutjes kan bevatten. ‘Een defect is meestal een onzuiverheid, een deeltje uit de lucht of uit het chemische proces dat op het oppervlak valt en een chip onbruikbaar kan maken,’ zegt hij. ‘Hoe groter de chip, hoe groter die kans.’

    ‘We lopen nu tegen de fysieke grenzen aan. Straks zitten we op het niveau van een atoom’

    Dat kan fataal zijn voor de productieopbrengst van halfgeleiderfabrikanten: die kan volgens Burkacky zomaar dalen tot 40 of 50 procent, waardoor een toch al kostbaar proces nog moeilijker economisch rendabel te maken wordt. Grotere chips met meer rekenkracht verbruiken ook meer stroom en genereren in een datacentrum zo veel hitte dat het radicaal nieuwe en energie slurpende koelsystemen zoals dompelkoeling vergt om een optimale prestatie te garanderen.

    Aan het andere eind van het spectrum kan bij kleinere chips volgens sommige onderzoekers de betrouwbaarheid weer in het geding zijn. In 2021 publiceerde een team van Google het artikel ‘Cores that don’t count’ (‘processorkernen die niet meetellen’). Het was de technici in datacentra namelijk opgevallen dat sommige chips diep in de enorme datacentra ‘onvoorspelbaar’ gedrag vertoonden. ‘Naarmate de fabricage [van chips] naar steeds kleinere afmetingen tendeert, zien we soms rekenfouten opduiken die in de productietests niet naar voren kwamen’, schreef een team Google-ingenieurs onder leiding van Peter Hochschild. ‘Erger nog is dat dit vaak “stille” fouten zijn: het enige symptoom is een foutieve berekening.’ Hochschild concludeert dat ‘de diepere oorzaak’ gelegen is in ‘de steeds kleinere afmetingen’, waarbij de grenzen van het haalbare worden genaderd, in combinatie met de ‘immer groeiende complexiteit van de architectuur’.

    Sprong voorwaarts

    Instandhouding van de wet van Moore ‘was tot nu toe een uitvoeringsuitdaging’, zegt Burkacky. ‘Ik wil daar niets aan afdoen, het was een razend lastige klus, maar we lopen nu tegen de fysieke grenzen aan. Straks zitten we op het niveau van een atoom. Dan is het volgens de huidige natuurkundige inzichten wel einde verhaal.’ Ooit kunnen kwantumcomputers misschien de lang beloofde sprong voorwaarts in rekenkracht maken die vergelijkbaar zal zijn met de vooruitgang op basis van silicium sinds de jaren zestig. Maar zelfs de meest optimistische pleitbezorgers daarvan geven toe dat het waarschijnlijk nog meer dan tien jaar duurt voordat kwantumcomputers geschikt zijn voor alledaagse praktische doeleinden.

    Ondertussen is Toon optimistisch dat chips zoals die van Graphcore tot nieuwe vooruitgang kunnen leiden. ‘Ik denk dat we computers gaan bouwen en AI-types gaan ontwerpen die zo krachtig zijn dat we daardoor de werking van moleculen zullen doorgronden, en dan gaan we met behulp van die AI-computers moleculaire computers bouwen,’ zegt hij. ‘Dat hele idee van de singulariteit [het moment dat AI de mens voorbijstreeft in intelligentie] is gelul, maar de gedachte dat je AI kunt gebruiken om de computertechniek verder te brengen, is heel praktisch.’

  • Het geweten van Silicon Valley

    Het geweten van Silicon Valley

    Tristan Harris, voormalig productfilosoof bij Google, vindt dat Silicon Valley ons verslaafd maakt aan onze smartphones. Hij is vastbesloten daar een einde aan te maken.

    Op een avond in San Francisco krijgt Tristan Harris, voormalig productfilosoof bij Google, een naamkaartje uitgereikt door een man in pyjama die zich Honey Bear noemt. Hij schrijft er zijn eigen schuilnaam voor die avond op: ‘Presence’. Harris doet mee aan Unplug SF, een ‘digitaal detox-experiment’ ter gelegenheid van de National Day of Unplugging. Je echte naam mag je hier niet gebruiken. Ook verboden: horloges, praten over je werk en zogenaamde WMD’s (de Engelse afkorting voor weapons of mass destruction, maar hier gebruikt voor wireless mobile devices). Dus levert Harris, een donkerblonde, slanke man van 32 met een keurig stoppelbaardje, zijn iPhone in – een apparaat dat hij zo verslavend vindt dat hij spreekt van de ‘fruitautomaat in mijn broekzak’.

    Ik volg hem een grote ruimte in waar bijna vierhonderd mensen zitten te tekenen, te kleuren of te breien. Hier hangt de opgewekte sfeer van een zomerkamp, maar het maakt ook duidelijk dat het voor smartphonebezitters – die hun mobieltje volgens onderzoek zo’n honderdvijftig keer per dag raadplegen – kiezen of delen is: ofwel je ‘WMD’ laten aanstaan en continu worden verleid om naar het schermpje te loeren, of het apparaat even helemaal uitbannen. ‘Het zou geen kwestie van alles of niets moeten zijn,’ zegt Harris later. ‘Dat is een ontwerpfout.’

    McDonald’s maakt ons verslaafd door een fysiek verlangen naar bepaalde smaken te bevredigen – Facebook, Instagram en Twitter doen het met wat psychologen “wisselende beloning” noemen

    Je zou Harris kunnen beschouwen als het geweten van Silicon Valley (voor zover dat een geweten heeft). Met zijn Time Well Spent-beweging streeft hij naar moreel integer softwaredesign: hij wil dat de technologie ons helpt om minder aan ons scherm te kleven. Volgens sommigen is de collectieve technologieverslaving onze eigen schuld, kwestie van gebrek aan wilskracht. Maar volgens Harris treft ook de software blaam. Het verlangen om even op onze telefoon te kijken is een natuurlijke respons op apps en websites die erop ontworpen zijn ons daartoe te verleiden. In de nieuwe ‘aandachtseconomie’ verdienen bedrijven vooral aan het kapen van onze aandacht, en dat leidt tot wat Harris ‘een race naar de bodem van de hersenstam’ noemt. ‘Je kunt wel zeggen dat het mijn eigen verantwoordelijkheid is,’ legt hij uit. ‘Dat het een kwestie van zelfbeheersing is. Maar dan vergeet je dat er aan de andere kant van het scherm duizend mensen aan de ondermijning van jouw zelfbeheersing zitten te werken.’

    Er zijn meer mensen die bepleiten wat Harris voorstaat, zoals Adam Alter, docent marketing aan New York University. Maar volgens Josh Elman van investeringsfonds Greylock Partners, een ouwe rot in Silicon Valley, is Harris de eerste ‘die alles op deze manier bij elkaar brengt’: de formulering van het probleem, de maatschappelijke kosten en ideeën voor oplossingen. Elman vergelijkt de technologiesector met tabaksfabrikanten in de tijd dat er nog geen verband was vastgesteld tussen roken en kanker: ook zij gaven de klanten grif wat ze wilden, maar richtten daarmee flinke schade aan in hun leven. Volgens hem biedt Harris Silicon Valley de kans om zich te bezinnen voordat er straks, als gevolg van nog meeslepender technologie zoals virtual reality, geen weg meer terug is.

    Deelnemers aan Camp Grounded met een analoge ‘selfieestick’. Bij aankomst in het kamp moesten ze al hun digitale apparaten, zoals hun smartphone, iPad en laptop, inleveren. – © Natan Dvir / Polaris
    Deelnemers aan Camp Grounded met een analoge ‘selfieestick’. Bij aankomst in het kamp moesten ze al hun digitale apparaten, zoals hun smartphone, iPad en laptop, inleveren. – © Natan Dvir / Polaris

    Al dat gepraat over hoe de mens door software wordt ‘gehackt’ kan paranoïde klinken, maar Harris heeft zelf van nabij gezien hoe gebruikers worden gemanipuleerd. Hij groeide op in San Francisco als zoon van een alleenstaande moeder die zich inzette voor mensen met arbeidsletsel en schreef als kind al eenvoudige software voor Macintosh-computers, én fanmail naar Steve Wozniak, een van de oprichters van Apple. Tijdens een stage bij Apple ging hij informatica studeren aan Stanford-universiteit, waar hij ook college liep bij het Persuasive Psychology Lab van de experimenteel psycholoog B.J. Fogg. Dat is erg populair bij ondernemers die zich willen bekwamen in Foggs principes van ‘gedragsdesign’: een eufemisme voor het bouwen van software die ons onbewust laat doen wat een bedrijf wil. (Een van de oprichters van Instagram heeft ook bij Fogg gestudeerd.) Harris deed daar onderzoek naar de psychologie van gedragsverandering: hoe je met zoiets als clickertraining voor honden ook mensen kunt conditioneren om producten aantrekkelijk te vinden. Als je bijvoorbeeld zorgt dat mensen meteen na het posten van een foto een like krijgen, kan zo’n incidentele handeling uitgroeien tot een dagelijkse activiteit.

    Harris constateerde dat de succesrijkste sites en apps ons verslaafd maken door het aanspreken van diepgewortelde menselijke behoeften. Zo presenteerde LinkedIn bij zijn lancering een grafische weergave van de netwerken van gebruikers waarmee het ons aangeboren verlangen naar sociale goedkeuring aansprak en mensen stimuleerde om zich in te schrijven en contacten te leggen. ‘Je kon toen nog helemaal niks met LinkedIn, maar dat eenvoudige plaatje appelleerde aan je verlangen om niet als een loser gezien te worden,’ zegt Fogg. Harris begon te beseffen dat technologie geen neutraal gereedschap is, zoals veel ontwerpers beweren. En het zat hem dwars dat slechts een van de tien colleges van Fogg gewijd was aan de ethische aspecten van deze overredingstechnieken. (Volgens Fogg wordt er ‘door de hele studie heen’ aandacht besteed aan ethiek.)

    Harris stopte met zijn studie om een start-up te beginnen die pop-ups met achtergrondinformatie maakte voor duizenden sites, waaronder die van The New York Times. Hij ging gebukt onder de spanning tussen de sociale missie van zijn bedrijf (het bevorderen van leergierigheid door het aanbieden van laagdrempelige informatie) en de wens van uitgevers om gebruikers zo lang mogelijk op hun site te houden. Harris zegt dat hij zelf geen slinkse overredingstechnieken gebruikte, maar wel van nabij heeft gezien hoe ze werden toegepast. Hij begon het te zien als een ‘gijzeltechniek’, het digitale equivalent van junkfood dat met suiker, zout en vet wordt volgestopt om te zorgen dat je blijft eten. McDonald’s maakt ons verslaafd door een fysiek verlangen naar bepaalde smaken te bevredigen – Facebook, Instagram en Twitter doen het met wat psychologen ‘wisselende beloning’ noemen. Nieuwe berichten, foto’s en likes verschijnen zonder enige regelmaat, zodat we steeds blijven kijken of er weer wat nieuws op staat, want je weet nooit wanneer je volgende dopaminekick komt. Uit onderzoek blijkt dat zulke willekeurige prikkels een krachtige en snelle manier zijn om gedrag te beïnvloeden. Even naar dat vriendenverzoek op Facebook kijken kost toch maar een paar seconden, redeneren we – al blijkt uit onderzoek dat het je gemiddeld 25 minuten kost om je daarna weer op je werk te concentreren.

    Drive Them Crazy

    Volgens een woordvoerder streeft Facebook naar verbetering van de gebruikerservaring, niet naar maximalisering van de tijd die mensen op de site doorbrengen, en voert het dagelijks enquêtes uit om te meten of dat lukt. Daarom heeft Facebook onlangs bijvoorbeeld het algoritme voor de newsfeed aangepast om iets te doen tegen ‘clickbait’: berichten met misleidende, sensatiebeluste koppen die alleen bedoeld zijn om lezers te lokken. (LinkedIn en Instagram wilden niet op mijn vragen ingaan. Twitter heeft na herhaalde verzoeken helemaal niet gereageerd.)

    Toch is er inmiddels een heel legertje consultants die bedrijven leren hoe ze hun product onweerstaanbaar kunnen maken. Zoals Nir Eyal, de schrijver van Hooked: How to Build Habit-Forming Products, die voordrachten houdt of advies geeft aan bedrijven als LinkedIn en Instagram. Een van zijn blogberichten over de kracht van wisselende beloning is getiteld ‘Want to Hook Your Users? Drive Them Crazy’. Eyal erkent dat een bedrijf moreel verplicht is zijn gebruikers te helpen als die werkelijk aan zijn diensten verslaafd raken. Maar hij vindt dat sociale media op dezelfde manier op onze hang naar entertainment inspelen als tv of romans. Volgens hem ligt de nieuwste technologie alleen onder vuur omdat ze nieuw is en vinden mensen uiteindelijk vanzelf wel de juiste balans. ‘Als je roept: gebruik die technieken niet, dan zeg je in feite: maak je producten niet te leuk. Dat slaat nergens op,’ zegt Eyal. ‘Bij elke nieuwe technologie zegt de oudere generatie: de jeugd van tegenwoordig is hier te veel mee bezig en wordt er dom van. Maar de mens blijkt zich altijd gewoon aan te passen.’

    Harris erkent ruiterlijk dat hij, als gevolg van zijn onderzoek naar hoe bedrijven onze tijd gijzelen, lichtelijk obsessief probeert bij te houden wat in zijn eigen leven “welbestede tijd” is

    In 2011 werd Harris’ bedrijf door Google gekocht en ging hij werken aan Google’s Inbox-app. Na een jaar begon hij zich te storen aan het gebrek aan aandacht voor het feit dat ogenschijnlijk onschuldige keuzes in het ontwerpproces van de app, zoals de optie om bij elke nieuwe mail een meldingsgeluid te laten klinken, uiteindelijk uitgroeien tot miljarden momenten van afleiding. Zijn team was maanden bezig met het uiterlijk van de Gmail-app om tot een nog ‘heerlijker’ e-mailbeleving te komen, maar volgens hem misten ze de essentie. Kon je, in plaats van te proberen e-mail te verbeteren, niet beter de vraag stellen hoe e-mail ons leven kan verbeteren? En of beslissingen in het ontwerpproces van nieuwe software ons leven niet slechter maken?

    Na een bezoek aan het Burning Man-festival in de woestijn van Nevada, dat hem naar eigen zeggen hielp om ‘te ontwaken en mijn eigen overtuigingen tegen het licht te houden’, kwam Harris zes maanden later in alle stilte met de 144 pagina’s tellende Google Slides presentatie ‘A Call to Minimize Distraction & Respect Users’ Attention’. Daarin schrijft hij: ‘Nooit eerder in de geschiedenis hebben de beslissingen van een handjevol softwaredesigners (overwegend blanke mannen van tussen de 25 en 35 uit San Francisco) bij drie bedrijven [Google, Apple en Facebook] zo veel invloed gehad op hoe miljoenen mensen overal ter wereld hun aandacht verdelen. We zouden ons bewust moeten zijn van onze enorme verantwoordelijkheid om het goed te doen.’

    De presentatie, door Harris slechts naar tien naaste collega’s gestuurd, bereikte al snel meer dan vijfduizend Google-medewerkers. Daaronder ook toenmalig CEO Larry Page, die er een jaar later op een bijeenkomst met Harris over in discussie ging. Mede op basis van die presentatie wist Harris een nieuwe functie als productfilosoof te bedingen, waarbij hij onderzoek moest doen naar manieren waarop Google ethisch design kan implementeren. Maar hij zegt te zijn vastgelopen op ‘apathie’. Volgens Chris Messina, destijds softwareschrijver bij Google, veranderde na het uitbrengen van Harris’ presentatie maar weinig: ‘Het was zo’n geval waarbij iedereen instemmend knikt om vervolgens gewoon op de oude voet verder te gaan.’


    Vorig jaar december is Harris bij Google vertrokken om op bredere schaal voor verandering te ijveren. Hij wordt gesteund door een groeiend netwerk van gelijkgezinden, onder wie de aan MIT verbonden hoogleraar Sherry Turkle, de CEO van Meetup Scott Heiferman, en Justin Rosenstein, een van de bedenkers van de ‘vind ik leuk’-knop – plus tal van geïrriteerde internetgebruikers en bezorgde werknemers uit de sector. ‘Praktisch alle grote bedrijven die gebruikers manipuleren hebben interesse in ons werk,’ zegt Joe Edelman, die al vijf jaar met Harris ideeën uitwisselt en workshops houdt.

    Met zijn beweging Time Well Spent hoopt Harris steun te mobiliseren voor het software-equivalent van biologisch voedsel: een alternatief dat op normen en waarden berust en ons vooral wil helpen onze tijd goed te besteden, in plaats van zo veel mogelijk van onze tijd in beslag te nemen. Voorlopig is Time Well Spent meer het motto van een kruistocht – en een visie waarvan Harris hoopt dat anderen die overnemen – dan een volgroeide organisatie. Harris is de enige werknemer en betaalt alles uit eigen zak. Maar hij heeft inmiddels wel een netwerk van vrijwilligers die staan te trappelen om mee te doen, mede dankzij zijn frequente optredens in het lezingencircuit: hij heeft voordrachten gehouden op Harvard’s Berkman Klein Center for Internet & Society, op de O’Reilly Design Conference, op een interne bijeenkomst van Facebook-designers en voor TEDx. Het filmpje van die TED-talk is op internet al meer dan een miljoen keer bekeken. Tim O’Reilly, als oprichter van O’Reilly Media een echte internetpionier, vertelde me dat Harris’ ideeën ‘echt iets zijn waar invloedrijke mensen naar luisteren en over nadenken’. Zelfs Fogg, die zijn Apple Watch niet meer draagt omdat hij zich ergert aan de constante meldingen, is een fan van Harris’ werk: ‘Wat hij doet is dapper en heel moeilijk.’

    Harris erkent ruiterlijk dat hij, als gevolg van zijn onderzoek naar hoe bedrijven onze tijd gijzelen, lichtelijk obsessief probeert bij te houden wat in zijn eigen leven ‘welbestede tijd’ is. De hypnoseles die hij vlak voor onze ontmoeting heeft bijgewoond (omdat hij denkt dat de passieve houding waarmee we door een newsfeed scrollen vergelijkbaar is met een staat van hypnose) bleek dat niet te zijn. Dat was een les, zegt hij, met een ‘lage bitrate’ – nerdspeak voor ‘sloom’. En de digitale detoxavond? Zeer welbesteed.


    Met zijn houthakkersoverhemden en zijn armbandje met de mindfulnessleuze ‘presence’ heeft Harris, die in zijn vrije tijd accordeon speelt en tango danst, een uitstraling die het midden houdt tussen kakker en hippie. Hij voelt zich zowel in de vergaderkamers van Silicon Valley thuis als op zo’n internetloze avond. In dat opzicht heeft hij veel gemeen met de andere aanwezigen bij Unplug SF: veelal leden van de nieuwe internetelite die zich nu bewust worden van de onwelkome neveneffecten van hun sector. Die ondernemers komen tot inkeer omdat ze wat ouder worden, kinderen hebben en zichzelf al verzekerd weten van een paar miljoen op de bank, zegt Soren Gordhamer. Hij is de initiator van Wisdom 2.0, een serie conferenties over het vinden van ‘aanwezigheid en zingeving’ in het digitale tijdperk. ‘Ze voelen zich schuldig,’ zegt Gordhamer. ‘Ze beseffen dat ze iets hebben gecreëerd wat waanzinnig verslavend is.’

    Omdat ik benieuwd ben wat Harris tegen manipulatieve software wil doen, ga ik op een ochtend mee naar zijn afspraak met twee start-upondernemers die de waarden van Time Well Spent willen uitdragen. Harris ziet nog rood van een yogales als hij de lunchroom binnenstapt waar we hebben afgesproken, niet ver van het ‘intentional community house’ [soort woongroep op ecologische leest] waar hij met een tiental anderen woont. Daar ontmoeten we Micha Mikailian en Johnny Chan, de oprichters van de nieuwe adblocker Intently. Die moet advertenties op websites vervangen door stimulerende teksten als ‘Follow Your Bliss’ of ‘Be Present’. Vroeger hadden ze een marketing- en reclamebureau.

    ‘Ik zat op een dag te mediteren. En toen kreeg ik het idee voor Intently,’ zegt Mikailian, een man met een flinke turkooizen armband en een knotje.

    ‘En dat was precies de richting die ik op wilde,’ zei Chan.

    Ze willen weten wat ervoor nodig is om hun app ethisch te ontwerpen. Samen met Joe Edelman werkt Harris aan een gedragscode, een soort eed van Hippocrates voor software-ontwerpers, en een richtlijn voor start-ups en andere bedrijven over hoe je ‘mensen met respect behandelt’. Om te beginnen door na te denken over waaraan je het succes van je bedrijf afmeet. ‘Je moet je inleven: wat zijn de concrete voordelen in het leven van een gebruiker?’ zegt Harris tegen Mikailian en Chan.

    Zwarte lijst

    In zijn lezingen heeft Harris prototypes gepresenteerd van producten die nog andere principes van ethisch design belichamen. Hij vindt dat technologie ons moet helpen grenzen te trekken. Bijvoorbeeld met een mailprogramma dat vraagt hoeveel tijd we aan onze mail willen besteden en ons er zachtjes aan herinnert als we die limiet overschrijden. Technologie moet ons ook laten zien waar onze tijd aan besteden, zodat we daar bewuste beslissingen over kunnen nemen. Stel je voor dat je telefoon een waarschuwing geeft als je al voor de veertiende keer in een uur het scherm ontgrendelt. Harris heeft ook een demo ontwikkeld van een hypothetische ‘focus mode’ voor Gmail, waarbij binnenkomende mail wordt achtergehouden tot iemand klaar is met een taak die concentratie vergt – behalve als het om een spoedeisende mail gaat. (In Slack, een communicatietool voor collega’s, zit al zo’n functie ingebouwd.)

    Hij streeft naar een Time Well Spent-certificering, een soort keurmerk voor software die met de juiste waarden is ontworpen. Hij heeft al een lijstje met apps die hij aanprijst als pioniers op dit gebied, zoals Pocket, Calendly en f.lux: apps waarmee je, respectievelijk, artikelen kunt bewaren om ze later op je gemak te lezen, lege plekken in iemands agenda kunt reserveren om makkelijker tot een afspraak te komen, en je nachtrust kunt verbeteren door een roze gloed te geven aan het blauwe beeldschermlicht dat onze biologische klok in de war gooit. Intently zou ook in dat lijstje kunnen passen, oppert hij.

    Om uit te vinden welke andere diensten hiervoor in aanmerking komen, heeft Harris geëxperimenteerd met software die meet hoeveel uur je aan al je verschillende apps besteedt en je vervolgens vraagt welke je daarvan ook echt de moeite waard vindt. Met behulp van data van verschillende gebruikers kun je dan een soort zwarte lijst maken van meest teleurstellende apps: apps die wel verslavend zijn maar geen bevrediging schenken. Edelman heeft een vergelijkbare tool voor websites ontworpen, Hindsight. ‘We moeten de betekenis van winnen veranderen,’ zegt Harris.

    Het bedenken van analoge versies van digitale activiteiten is een populaire bezigheid op Camp Grounded. Het eerste kamp vond plaats in 2013 en trok 300 deelnemers. Sindsdien is het georganiseerd op meerdere locaties. – © Natan Dvir / Polaris
    Het bedenken van analoge versies van digitale activiteiten is een populaire bezigheid op Camp Grounded. Het eerste kamp vond plaats in 2013 en trok 300 deelnemers. Sindsdien is het georganiseerd op meerdere locaties. – © Natan Dvir / Polaris

    Technische problemen zijn niet het grootste struikelblok voor de invoering van ethisch design en meer respect voor de eigen keuzevrijheid van gebruikers. Volgens Harris is het geen kwestie van kunnen maar willen. In dat opzicht vrezen zijn aanhangers dat de cultuur van Silicon Valley van nature vijandig staat tegenover alles wat verdere groei en ontwikkeling kan afremmen. ‘Dit is geen plek waar mensen een tandje terug willen schakelen om zich te bezinnen op wat ze doen en welke gevolgen dat voor anderen heeft,’ zegt Jason Fried, al twaalf jaar het hoofd van Basecamp, een digitale tool voor projectmanagement. ‘Ze willen alles lekkerder en verleidelijker maken en jou hun diensten aansmeren, om de miljardenwaarde die hun bedrijf wordt toegeschreven en de miljoenen die erin zijn geïnvesteerd te kunnen verantwoorden.’

    Harris wil die hele aandachtseconomie niet compleet ontmantelen, maar hoopt dat bedrijven op zijn minst ook een gezonder alternatief gaan bieden voor het huidige dieet van technologisch junkfood. Net als biologische groente zou de eerste generatie software met het Time Well Spent-keurmerk bijvoorbeeld iets duurder kunnen zijn dan de gewone variant, om de lagere advertentieopbrengst te compenseren. ‘Zou jij zeven dollar per maand willen betalen voor een versie van Facebook die er helemaal op ontworpen is om jou beter in staat te stellen je eigen leven in te richten?’ vraagt Harris. ‘Ik denk dat veel mensen daar wel iets voor overhebben.’

    Net als vlees van de biologische slager is een paar dagen (of zelfs maar een paar) uur niet online gaan en geld betalen voor diensten die ook gratis beschikbaar zijn een luxe die alleen is weggelegd voor wie al redelijk goed af is. Ik vraag Harris of het niet tot een technologische tweedeling kan leiden, waarbij alleen een bevoorrechte elite aan de mentale gijzeling ontkomt en de grote massa eraan onderworpen blijft. ‘Het creëert een nieuw soort ongelijkheid. Dat is zeker zo,’ erkent hij. Maar als zijn beweging eenmaal op gang komt, werpt hij tegen, kan die zich als een olievlek uitbreiden. Zoals ook Walmart nu al biologische groente in de schappen heeft.

    Het verlichte imago van Silicon Valley heeft iets hypocriets, vooral de manier waarop mindfulness daar de laatste tijd wordt omarmd

    De beste manier om de stand van zaken te veranderen, denkt Harris, is door gebruikers boos te maken over alle manieren waarop ze worden gemanipuleerd en zo massale steun te verwerven voor technologie die de keuzevrijheid van mensen respecteert. Zo ging het ook met de massale verontwaardiging over privacyinbreuken, die bedrijven ertoe heeft aangezet om gebruikersgegevens beter te beschermen. Door zijn ervaring bij Google is Harris ervan doordrongen dat er pas iets verandert als gebruikers dat eisen. Maar Edelman denkt dat de prikkel om te veranderen ook uit de industrie zelf kan komen: als ontwerpers geen producten meer willen bouwen die ze onethisch vinden en bedrijven zich geconfronteerd zien met een braindrain. Hoe meer mensen beseffen wat de gevolgen van de gebruikte verleidingstactieken zijn, hoe sneller het uncool wordt om daar te werken, zegt hij. ‘En dan kun je heel snel door je ontwerpers heen zijn.’

    Het verlichte imago van Silicon Valley heeft iets hypocriets, vooral de manier waarop mindfulness daar de laatste tijd wordt omarmd. Bedrijven als Google en Facebook lopen hierin voorop, met speciale ruimtes waar hun werknemers zich kunnen overgeven aan mindfulnesstraining of meditatie. Maar in dat hele mindfulnessverhaal blijft het wel aan de mensen zelf om te leren zich beter te concentreren. Er is geen aandacht voor het feit dat hun apparaten erop zijn ontworpen om ze juist úít hun concentratie te halen. Het is alsof je mensen vermaant dat ze gezonder moeten leven door meer te sporten, maar ze bij het eten dwingt tot een keus tussen een Big Mac of een Quarter Pounder.

    En je kunt je nog zo bewust zijn van de verleidingskracht van de software, dat wil niet zeggen dat je er automatisch immuun voor bent. Toen Harris en ik op een avond bij zijn auto stonden te praten, lichtte het scherm van zijn telefoon op omdat hij een nieuw bericht had gekregen. ‘O,’ zei hij, meer tegen zijn telefoon dan tegen mij, en mompelde iets over hoe toevallig het was dat de afzender een vriend van hem kende. Toen keek hij me schuldbewust aan. ‘Dat is nou een mooi voorbeeld,’ zei hij, zwaaiend met zijn telefoon. ‘Het was sterker dan mezelf.’

    Auteur: Bianca Bosker
    Vertaler: Frank Lekens

    Openingsbeeld: Camp Grounded in Mendocino, Californië: een zomerkamp voor volwassenen die een weekend leven zonder digitale apparaten. – © Natan Dvir / Polaris

    The Atlantic
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

    Dit vooraanstaande opinietijdschrift werd halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stow en Ralph Waldo Emerson. Naast journalistiek is er ook aandacht voor poëzie en beeld. Jarenlang had The Atlantic te kampen met tegenvallende verkoopcijfers, tot eigenaar David Bradley besloot de koers radicaal te wijzigen. Onder het mom van ‘Digital First’ ontwikkelde het blad vanaf 2008 een krachtige onlinestrategie. De betaalde content op de website werd afgeschaft en de firma investeerde in nieuwe onlineredacteurs. Ook werd The Atlantic Wire gelanceerd, waar redacteurs van The Atlantic opiniestukken uit andere media van commentaar voorzien. In 2010 wist het tijdschrift voor het eerst in tien jaar weer winst te boeken.