Tag: social media

  • Kritische lezer valt het vaakst voor complottheorieën

    Kritische lezer valt het vaakst voor complottheorieën

    Facebook en andere sociale media lenen zich perfect voor de verspreiding van complottheorieën. De kritische lezer, die manipulatie vreest van gevestigde bronnen, laat zich daarbij het makkelijkst misleiden.

    Dit artikel verscheen eerder in #61.

    Op Facebook verscheen rond de Italiaanse verkiezingen in 2014 een bericht dat zich al snel als een virus verspreidde. De titel luidde: ‘Italiaanse senaat neemt (met 257 stemmen voor en 165 onthoudingen) een wetsvoorstel van senator Cirenga aan om 134 miljard euro beschikbaar te stellen aan politici die na een verkiezingsnederlaag een nieuwe baan moeten zoeken’. 

    Het bericht kwam van een Facebookpagina die bekendstaat om zijn satirische inhoud en waar altijd grappen worden gemaakt over de Italiaanse politiek. Er stonden zeker vier onjuiste beweringen in: de genoemde senator bestaat niet, het totaal aantal stemmen was hoger dan mogelijk in het Italiaanse parlement, het genoemde bedrag was meer dan 10 procent van het Italiaans bnp, en de wet zelf was verzonnen. 

    Maar blijkbaar raakte de grap een snaar bij ontevreden kiezers, die hem in minder dan een maand tijd zo’n 35.000 keer deelden. En daarna gebeurde er iets eigenaardigs. Het bericht werd opnieuw gepubliceerd, nu met commentaar erbij, op een Facebookpagina met politieke opinies. 

    Weer verspreidde het zich, maar dit keer met een vernisje van respectabiliteit. En nu verwijzen demonstranten in heel Italië vaak naar deze ‘wet’ om te laten zien hoe corrupt de Italiaanse politiek wel niet is. 

    Epidemisch verschijnsel 

    Welkom in de duistere wereld van de complottheorie. De epidemische verspreiding van onjuiste informatie via internet is een bekend verschijnsel. Geloof je bijvoorbeeld dat het aidsvirus is gemaakt door de Amerikaanse overheid om de Afro-Amerikaanse bevolking eronder te houden, dan ben je slachtoffer. 

    Complottheorieën lijken te ontstaan wanneer valse berichtgeving de geloofwaardigheidsbarrière weet te doorbreken 

    Een verhaal als dat van de Italiaanse ‘wet’ werpt interessante vragen op. Waar doen mensen onjuiste ideeën op? En hoe komt het dat ze erin gaan geloven? Sinds kort weten we een paar belangrijke antwoorden op deze vragen, dankzij het werk van Walter Quattrociocchi en zijn collega’s aan de universiteit van Boston. Zij hebben onderzocht hoe gewone mensen reageren op berichten op Facebook waarvan bekend is of ze waar zijn of niet. 

    Ze gingen na hoe meer dan een miljoen mensen reageerden op politieke informatie die in de Italiaanse verkiezingstijd van 2013 op Facebook werd gezet. Om precies te zijn keken de onderzoekers hoe deze mensen berichten afkomstig van gevestigde nieuwsmedia, alternatieve nieuwsbronnen en opiniepagina’s ‘liketen’ en becommentarieerden. 

    Daarna brachten ze in kaart hoe dezelfde mensen reageerden op onjuist nieuws dat in roulatie gebracht werd door zogenaamde trollen, op pagina’s waarvan bekend is dat ze satirisch nieuws of anderszins onjuiste bewerkingen brengen.

    De uitkomsten leverden interessant leesvoer op. Quattrociocchi en de zijnen analyseerden hoelang een discussie over een bericht doorging, door de tijd te meten tussen de eerste publicatie en het laatste commentaar daarop. Ze ontdekten dat elke discussie even lang duurde, ongeacht het type inhoud. 

    Wantrouwen 

    Vervolgens keken Quattrociocchi en co of mensen die deelnemen aan dit soort discussies ook meedoen aan discussies over berichten die duidelijk onwaar zijn, zoals die over de verzonnen wet. En ze ontdekten dat sommige mensen meer geneigd zijn in te gaan op onjuiste berichten dan andere. Mensen die vooral reageren op berichten van alternatieve nieuwsbronnen, blijken meer dan anderen geneigd deel te nemen aan een discussie over onwaar nieuws, verspreid door een trol. ‘We zien dat de grootste groep die reageert op de berichten van trollen, de groep is die voornamelijk alternatieve informatiebronnen gebruikt – en die dus meer blootstaat aan twijfelachtige beweringen.’ 

    Ze ontdekten dat elke discussie even lang duurde, ongeacht het type inhoud 

    Dat is een interessante uitkomst. Quattrociocchi en co wijzen erop dat veel mensen zich wenden tot alternatieve nieuwsmedia uit wantrouwen tegenover de conventionele nieuwsbronnen, die in Italië sterk onder invloed staan van politici uit de ene of de andere hoek.
    Maar deze zoektocht naar andere nieuwsbronnen lijkt vol gevaren. 

    ‘Vreemd genoeg zijn mensen die alternatief nieuws tot zich nemen – dus degenen die de “massamanipulatie” van de gevestigde media proberen te omzeilen – het meest ontvankelijk voor de toediening van vals nieuws,’ concluderen zij. 

    Geloofwaardigheidsbarrière 

    Daarmee doemt een interessant mechanisme op: complottheorieën lijken te ontstaan door een proces waarin satirisch commentaar of overduidelijk valse berichtgeving op de een of andere manier de geloofwaardigheidsbarrière weet te doorbreken. En dat lijkt te gebeuren via groepen mensen die zichzelf willens en wetens blootstellen aan alternatieve nieuwsbronnen. 

    Natuurlijk, er zijn waarschijnlijk ook andere manieren waarop complottheorieën opduiken. Het is best mogelijk dat het soms gaat om een waarheid die opzettelijk is achtergehouden door een hogere macht, zoals de overheid, een groot bedrijf, et cetera. Maar dit onderzoek maakt aannemelijk dat er ook een mechanisme bestaat waardoor onware verhalen uiteindelijk voor waar worden aangenomen. 

    De vraag is nu hoe we die kennis kunnen gebruiken om het verspreiden en duiden van informatie, uit welke bron dan ook, te verbeteren. 

  • De revolutie zal worden #gehashtagd

    De revolutie zal worden #gehashtagd

    #Hashtagactivisme heeft grote aantallen mensen in beweging gebracht, ook op het Afrikaanse continent. Nog belangrijker is dat regeringen gedwongen worden om aandacht te besteden aan de socialemediacampagnes. Met effect, offline, schrijft de gelauwerde journaliste Chika Oduah.

    Op 1 mei 2014 twitterde Chris Brown een foto in sepiatinten van een treurig kijkend zwart meisje, met de hashtag #BringBackOurGirls. De boodschap was bedoeld om de aandacht te vestigen op de 276 vrouwelijke leerlingen die in april in Nigeria waren ontvoerd door de islamitische terreurorganisatie Boko Haram. De BBC en andere gebruikers van sociale media verspreidden het beeld.

    Het probleem was dat de jonge vrouw op de foto geen Nigeriaanse was; ze kwam uit Guinee-Bissau. Ze was nooit ontvoerd en had ook niets met #BringBackOurGirls te maken. Maar de foto werd duizenden keren gedeeld en dat leidde tot de beschuldiging van ‘slactivisme’: het op grote schaal uiten van woede op sociale media zonder de tijd te nemen om achter de feiten te komen.

    Ondanks de nadelen is hashtagactivis-me de afgelopen zes jaar in Afrika met veel succes aangewend. Alleen al in 2020 zijn er hashtagcampagnes gevoerd in Namibië, Zimbabwe, Kameroen, de Democratische Republiek Congo en opnieuw Nigeria, die bewegingen de gelegenheid gaven hun boodschap op sociale media, op straat en op de radar van ongekende aantallen mensen over de hele wereld te krijgen. En, het allerbelangrijkst, deze hashtags hebben regeringen gedwongen om aandacht aan die bewegingen te besteden.

    In Namibië arresteerden veiligheidsagenten 25 vreedzame antifemicide-activisten, maar de aanklachten tegen hen werden ingetrokken toen een overheidsfunctionaris na een brede campagne die werd versterkt door de sociale media, weigerde hen te vervolgen: een klinkende overwinning voor de vrijheid van meningsuiting. Na de EndSARS-demonstraties in Nigeria tegen het gewelddadig optreden van de Special Anti-Robbery Squad, een elite-eenheid van de politie, hebben de bestuurders van 28 van de 36 staten van dat land juridische commissies ingesteld om de getuigenissen te horen van mensen die te maken hebben gekregen met politiegeweld.

    In Kameroen is de nationale overheid onderhandelingen begonnen met separatisten over een staakt-het-vuren in het al vier jaar slepende conflict dat online bekend is geworden als de #EndAnglophoneCrisis.

    bringback kopie

    Aandacht

    In de meeste gevallen zijn het millennials en Gen-Z’ers die zulke campagnes voeren. Zij willen de aandacht van de wereld, maar ze vragen het Westen niet om hun problemen te komen oplossen. Talloze jonge mensen in Afrika willen revolutionaire verandering in hun land en zij zien sociale media als een stap in de richting van die verandering: de nieuwe revolutie zal worden gehashtagd.

    Op 17 oktober werd mijn aandacht op Twitter gevangen door een foto van een jonge vrouw met Fulani-vlechten die een poster ophield met de verschrikkelijke boodschap: ‘Er zijn geen woorden om te beschrijven hoe doodsbang ik ben omdat ik vrouw ben in Namibië.’

    Ik keek onder de foto en zag de hashtag #ShutItAllDownNamibia. Ik googelde ‘femicide Namibië’, ‘seksegebaseerd geweld in Namibië’, ‘seksuele intimidatie in Namibië’ en kwam terecht in een eindeloos doolhof dat me van het ene verhaal naar het andere voerde; stuk voor stuk schokten ze me diep, zoals ze daar op het vijftien inch-scherm van mijn laptop voorbijkwamen.

    Neem de 27-jarige Gwashiti Ndahambelela Tomas: haar vriend sneed haar de keel door toen ze probeerde hun relatie te beëindigen. Of de 30-jarige Monika Florin: haar man sneed haar lichaam aan stukken, braadde enkele daarvan in een oven, kookte andere in een pan en spoelde de rest door het riool. Een paar maanden geleden werd boekhoudstudente Rejoice Shovaleka door een man in haar hals gestoken terwijl ze onderweg naar huis was van een feest. En begin vorig jaar schoot Eliakim Matthews tijdens een ruzie zijn vrouw Ndinelelo Haidula dood, voor de ogen van hun kinderen.

    Tussen 2016 en 2019 werden bij de Namibische politie meer dan 3000 verkrachtingen gemeld en 209 moorden door huiselijk geweld. De meeste slachtoffers waren kinderen, tussen januari en september 2019 werden 37 vrouwen vermoord. In 2016 en 2018 zijn er nationale actieplannen in het leven geroepen om iets tegen de geweldsepidemie te doen, maar volgens de autoriteiten in het land wordt de situatie alleen maar slechter.

    Stabiele democratie

    Namibië, aan de zuidwestkust van Afrika, wordt geprezen om zijn stabiele democratie en staat al jaren te boek als een van de minst corrupte landen van het continent. Maar nu halen de schokkende cijfers over geweld tegen vrouwen de internationale kranten, gedeeltelijk dankzij #ShutItAllDown, dat is gelanceerd door jonge Namibiërs zoals fotograaf en digitalecontent-maker Lebbeus Hashikutuva en student en activist Bertha Tobias. Zij waren woedend na de vondst van het lichaam van een jonge vrouw, Shannon Wasserfall, dat was begraven in de zandduinen bij de havenstad Walvis Bay. ‘Het lijkt wel of Namibië oorlog voert tegen vrouwen,’ zegt Tobias.

    Binnen een paar uur werd de eerste openbare demonstratie georganiseerd, die Namibiërs opriep om het verhaal van Wasserfall te horen en ‘#SayHerName’. Na afloop werd #ShutItAllDownNamibia groter dan Tobias ooit had durven dromen. De campagne verenigde straatprotesten in het hele land en genereerde op sociale media ongekende aandacht voor femicide in Namibië. De premier zelf beloofde dat de eisen van de campagnevoerders hoog op de agenda van de regering kwamen te staan.

    Opvallend van deze protestbewegingen is dat ze geen leiders lijken te hebben

    De campagne gaat door; activisten eisen dat de Namibische regering de noodtoestand uitroept om femicide en verkrachting aan te pakken. Ze eisen het aftreden van de minister voor seksegelijkheid en de instelling van een openbaar register van zedendelinquenten. Tot nu toe is geen van deze eisen ingewilligd, al onderzoeken parlementariërs wel het voorstel voor zo’n register.

    Ook elders op het continent gebruiken jonge, politiek bewuste mensen hashtags om diepgaande sociale problemen aan te kaarten. In de Democratische Republiek Congo vestigde de campagne #CongoIsBleeding de aandacht op de onrust die het land al zo lang teistert, en met name op het wijdverbreide seksuele geweld tegen vrouwen en de uitbuiting van kinderen als gevolg van de dodelijke strijd tussen gewapende groeperingen om toegang tot lucratieve mineralen in de oostelijke delen van het land.

    #ZimbabweanLivesMatter

    Zo’n 1600 kilometer ten zuidoosten van de DRC, in Zimbabwe, kwamen in juli vorig jaar campagnevoerders onder de hashtag #ZimbabweanLivesMatter bijeen om de vrijlating te eisen van journalist Hopewell Chin’ono. Hij was gearresteerd nadat hij onderzoek had gedaan naar corruptie bij de overheid. De hashtag, die in de week van 5 augustus 2020 viraal ging, begon te circuleren nadat veiligheidstroepen met geweld mensen van de straten hadden geveegd die wilden protesteren tegen censuur van de media, slechte economische planning en mensenrechtenschendingen.

    In Kameroen werd #EndAnglophoneCrisis gebruikt om aandacht te vragen voor een vergeten conflict. De Engelssprekende burgers van het land, die 20 procent van de bevolking uitmaken, worden al lange tijd gemarginaliseerd en gediscrimineerd door de overwegendFranstalige federale regering van president Paul Biya.

    In Nigeria doen sociale media meer dan alleen het bewustzijn verhogen. De #EndSARS-protesten voltrokken zich live voor mobiele telefooncamera’s en waren vervolgens te zien op You-Tubekanalen en Facebook- en Instagrampagina’s. Deze foto’s en video’s hebben ertoe bijgedragen dat leugens van de autoriteiten werden ontkracht en een bloedbad naar buiten kwam dat anders verborgen zou zijn gebleven.

     De #BringBackOurGirls-beweging eiste de onmiddellijke vrijlating van de 276 meisjes die door terreurgroep Boko Haram waren gegijzeld. 112 van de meisjes zijn nog steeds zoek. – © Olukayode Jaiyeola / Getty.
    De #BringBackOurGirls-beweging eiste de onmiddellijke vrijlating van de 276 meisjes die door terreurgroep Boko Haram waren gegijzeld. 112 van de meisjes zijn nog steeds zoek. – © Olukayode Jaiyeola / Getty.

    Niemand weet precies hoeveel mensen er op 20 oktober 2020 in Lagos zijn gedood. Amnesty International meldde minstens twaalf doden toen Nigeriaanse militairen het vuur openden op een groep demonstranten; volgens sommige van de actievoerders die het bloedbad overleefden, lag het aantal dichter bij de dertig. Maar de Nigeriaanse federale overheid beweerde dat er geen enkele dode was gevallen, de gouverneur van de staat Lagos had het over twee doden en het leger ontkende aanvankelijk zelfs dat er militairen op de plek van de demonstratie waren geweest.

    Dankzij de ruwe en onthullende beelden die rechtstreeks op sociale media werden gestreamd werd het voor de autoriteiten lastig om deze verzinsels vol te houden. Het leger veranderde zijn verhaal en zei dat er wel soldaten aanwezig waren geweest, maar dat die niet hadden geschoten. Later gaf een brigadier-generaal van de militaire inlichtingendienst tegenover een juridische commissie toe dat soldaten wel het vuur hadden geopend, maar alleen met losse flodders. Op 21 november 2020 erkende diezelfde commandant dat die militairen zowel scherpe munitie als losse flodders hadden gehad.

    Geen leiders

    Een van de opvallendste kenmerken van deze nieuwe protestbewegingen is dat ze geen leiders lijken te hebben. In het verleden hadden Afrika’s vrijheidsoorlogen en sociaal-politieke opstanden bijna altijd een duidelijke leider. Vrouwen als Wangari Maathai speelden een belangrijke rol, maar de gezichten die in de media verschenen waren meestal mannelijk: Jomo Kenyatta, Tom Mboya, Steve Biko, Patrice Lumumba, Kwame Nkrumah, Nelson Mandela, Ken Saro-Wiwa.

    De machthebbers vervolgden die leiders meedogenloos; velen werden vermoord of gevangengezet. Daarom doen de huidige activisten op het continent het nu anders, geïnspireerd door #BlackLivesMatter.

    Onder de hashtags #ZimbabweanLivesMatter, #ShutItAllDown, #EndSARS, #CongoIsBleeding en #EndAnglopho-neCrisis verenigen zich gedecentraliseerde bewegingen zonder één duidelijk boegbeeld. Iedereen die eraan meedoet is een leider. Er is niet één persoon die stiekem meegenomen kan worden voor achterkamertjesonderhandelingen of in de gevangenis gegooid om de beweging te onthoofden.

    ‘Slactivisme’: het uiten van woede op sociale media zonder de tijd te nemen achter de feiten te komen

    Binnen deze structuur hebben campagnevoerders steeds slimmere manieren bedacht om elkaar financieel te steunen en acties te organiseren. Het werven van fondsen is gedemocratiseerd doordat crowdfunding-initiatieven verdeeld zijn over verschillende organisaties die de acties ondersteunen. Zo wendde de Nigeriaanse actiegroep Feminist Coalition zich tot Bitcoin nadat ze was geblokkeerd door andere betaalsystemen en traditionele banken. De beweging haalde meer dan 74 miljoen naira (zo’n 165.000 euro) op om #EndSARS-demonstranten en slacht-offers van politiegeweld te steunen.

    De Namibische activisten tegen seksegeweld organiseerden zich via Twitter en door onbeperkte toegang te geven tot een Google Doc waarin de achtergrond en doelen van hun campagne uit de doeken worden gedaan. Het document, mét de namen van de gebruikers die het bewerken, is een voorbeeld van een gedigitaliseerde, uiterst transparante en collectieve manier om lokale bewegingen te organiseren.

    De gedecentraliseerde structuur is voor sommige regeringen een probleem. Toen de Namibische autoriteiten na de protesten naar een leider vroegen die ze konden ‘consulteren’, weigerden de actievoerders iemand te noemen.

    De dynamiek van verbondenheid via sociale media heeft een sfeer van
    Pan-Afrikaanse eenheid voortgebracht, een wijdverbreid gevoel van ‘samen staan we sterker’. Activisten en influencers uit verschillende landen
    betonen elkaar hun solidariteit en delen elkaars campagnehashtags.

    Ook Afrikanen buiten het continent laten hun stem horen. Studenten van de African Law Association aan Harvard University hebben een verklaring uitgegeven waarin ze hun steun uitspreken voor #CongoIsBleeding, #EndSARS, en #ShutItAllDown. Ik ben benieuwd waar deze nieuwe internationale, sociaal-politieke samen-werkingen tussen jonge Afrikanen in de toekomst toe zullen leiden. Misschien zullen ze het gat opvullen dat African Union (AU) laat vallen; deze unie wordt geacht een stem te zijn voor het continent, maar lijkt geen voeling te hebben met de gewone Afrikaanse jeugd. Bij veel conflicten en mensenrechtenschendingen heeft de AU gezwegen en de soevereiniteit van Afrikaanse staatshoofden gerespecteerd in plaats van die rechtstreeks te veroordelen. De AU heeft zich ook volkomen afzijdig gehouden van deze recente door jongeren gevoerde campagnes en dat lijkt me een gemiste kans.

    Deze bewegingen hebben al een offline-effect gehad. De rechtbank in Zimbabwe heeft Hopewell Chin’ono op borgtocht vrijgelaten. Op 13 oktober kwam de Namibische regering tegemoet aan alle eisen van #ShutItAllDownNamibia en een paar dagen later hadden enkele actievoerders, onder wie Bertha Tobias een ontmoeting met president Hage Geingob. In Nigeria is al een SWAT-team opgericht ter vervanging van SARS en de leden daarvan worden beter opgeleid; volgens het hoofd van de politie wordt er gewerkt aan psychologische beoordelingen van de agenten, zoals activisten hebben geëist.

    Verandering

    Als eerste stap naar decentralisatie, waardoor leden van de Engelstalige minderheid ook een vertegenwoordiging in het parlement kunnen krijgen, heeft Kameroen op 6 december vorig jaar, voor het eerst in zijn geschiedenis, regionale verkiezingen gehouden.

    Voor anderen is het lastig geweest om veranderingen te bewerkstelligen. De autoriteiten in Zimbabwe en de Democratische Republiek Congo hebben geen echte pogingen gedaan om een eind te maken aan mensenrechtenschendingen.

    Sociale media bieden activisten dan wel de mogelijkheid om hun leiderschap te decentraliseren, dat beschermt hen nog steeds niet tegen intimidatie en andere vormen van geweld. Regeringen monitoren socialemedia-activiteiten om te bepalen wie ze in het vizier moeten nemen.

    Omdat hun mobiele verkeer in de gaten wordt gehouden, moeten activisten VPN-telefoons gebruiken om te internetten en hun telefoons geregeld urenlang uitzetten. Kan de regering het internet afsluiten? Voor een deel wel, ja. De regering van Tsjaad heeft de toegang tot socialemediaplatforms als WhatsApp, Twitter en Instagram een jaar en vier maanden geblokkeerd. De Soedanese overheid heeft de afgelopen paar jaar minstens twee keer vergaande internetbeperkingen ingesteld.

    Terwijl regeringstroepen in Soedan vorig jaar juni met harde hand sit-in-demonstraties voor democratie uiteensloegen, merkten de demonstranten dat internet geregeld uitviel. Eerder dit jaar verstoorde de Ethiopische regering twee weken lang toegang tot wifi en breedbandinternet, na de roep om gerechtigheid in de moord op zanger-activist Haacaaluu Hundeessaa. De Ethiopiërs hebben meer dan twaalf keer zo’n shutdown meegemaakt en de Zimbabwanen worden er onder president Emmerson Mnangagwa ook mee geconfronteerd.

    Zulke extreme maatregelen laten zien dat autoritaire regimes en gewelddadige overheden niet weten wat ze met sociale media en de bewegingen die daaruit voorkomen aan moeten. In 2020 hebben veel jonge mensen over het hele continent intimidatie door de overheid aan de kaak gesteld. Hun gezamenlijke stemmen zullen veerkrachtiger worden naarmate hun roep om meer verantwoording en beter bestuur luider gaat klinken.

    Chika Oduah

    Rest of World
    Wereldwijd | restofworld.org

    Deze internationale non-profit-organisatie kijkt naar de relatie tussen technologie en cultuur daar waar de menselijke maat doorgaans over het hoofd wordt gezien. Het team spreekt 20 talen en komt uit 41 verschillende landen.

  • ‘Mijn telefoon is een nachtmerrie voor me geworden’

    ‘Mijn telefoon is een nachtmerrie voor me geworden’

    De islamitische bevolking van Kasjmir wordt scherp in de gaten gehouden door de cyberpolitie. The Intercept sprak ruim twintig mannen en vrouwen, voornamelijk studenten, over hoe zij werden geïntimideerd, geslagen, uitgescholden en bedreigd vanwege hun posts op sociale media.

    Op zijn hoede meldt Ahmed zich bij het politiebureau. Het oogt als een fort: de muren zijn afgezet met prikkeldraad, gewapende agenten houden de wacht. Een dag eerder heeft de student een telefoontje gekregen: de cyberpolitie van Jammu en Kasjmir wil dat hij zich op het bureau meldt. Reden onbekend. Ahmed – niet zijn echte naam, hij vreest represailles – is nooit eerder op een politiebureau ontboden.

    Hij wordt onmiddellijk overgebracht naar een ander, nabijgelegen bureau; zijn gsm moet hij bij de poort afgeven. In een wachtkamer treft hij vier andere jongeren aan. Na een nerveuze uitwisseling van blikken en wat gefluister beseffen de vijf dat ze elkaar kennen – niet persoonlijk, maar via sociale media.

    Deze eerste fysieke ontmoeting vindt plaats in Cargo, een politiecomplex dat een reputatie als martelcentrum hoog te houden heeft. Sinds augustus zou de faciliteit in Srinagar, de hoofdstad van het door India bestuurde Kasjmir, een plek zijn waar jonge gebruikers van sociale media worden ondervraagd en gemarteld als ze kritiek hebben geuit op het repressieve beleid dat de Indiase regering sinds vorig jaar in de regio voert.

    Jammu Kashmir Coalition of Civil Society, een groep mensenrechtenorganisaties, meldde in augustus dat de politie ruim tweehonderd gebruikers van socialemediaplatforms en virtuele privénetwerken heeft aangeklaagd. Met behulp van surveillancetechnologie en zich beroepend op antiterreur- en detentiewetten, heeft justitie hen opgespoord en opgeroepen zich op het bureau te melden.

    Ahmed en de jongeren die hij bij Cargo aantrof behoren tot de ruim twintig mannen en vrouwen, voornamelijk studenten, met wie The Intercept sprak over hun behandeling door de politie vanwege hun posts op sociale media.

    De cybereenheid had sommigen verzocht om op een lokaal politiebureau een niet-bindende verklaring te ondertekenen dat zij geen sociale media meer zouden gebruiken om kritiek te uiten op het gezag of op de strijdkrachten. Anderen werden, zo vertelden ze, geslagen, uitgescholden en met gevangenisstraf of de dood bedreigd nadat ze naar Cargo waren overgebracht.

    Politiek van aard

    Het recente politieoptreden tegen uitingen op sociale media maakt deel uit van een verhevigd censuurbeleid onder het bewind van de Indiase premier Narendra Modi, een hindoenationalist. In augustus 2019 besloot de regering eenzijdig om de semiautonome status van Jammu en Kasjmir te herroepen. Deze was tot dan toe vastgelegd in de Indiase grondwet. De staat is nu opgesplitst in twee gebieden die onder directe controle van het centrale gezag staan.

    De door de politie onderzochte berichten op – voornamelijk – Twitter en Facebook, zijn tot nu toe uitgesproken politiek van aard: ze bevatten kritisch commentaar op het Indiase optreden tegen Kasjmiri’s vóór en na de ontbinding van de speciale status. Mensenrechtenschendingen door Indiase veiligheidstroepen en het zwijgen van de media over dergelijke misstanden zijn eveneens aan de kaak gesteld. Twitter reageerde niet op een verzoek om commentaar.

    De slachtoffers zeggen dat de politie hun telefoons in beslag nam en pas dagen later terugbezorgde, nadat agenten de inloggegevens hadden gebruikt die ze tijdens ondervragingen hadden losgekregen om toegang te kunnen krijgen tot de socialemedia-accounts. Veel slachtoffers zeggen dat ze na hun vrijlating geen politieke boodschappen meer online hebben geplaatst of hun accounts hebben gedeactiveerd om te voorkomen dat ze zich opnieuw zouden moeten melden.

    Op enkele uitzonderingen na hebben alleen media in Kasjmir en India over het recente harde optreden bericht. Nadat hij een artikel over de kwestie  op de Indiase nieuwssite Artikel 14 had geplaatst, moest de Kasjmierse journalist Auqib Javeed zich eind september melden op het hoofdbureau van de cyberpolitie. Hij zou vijf uur lang in Cargo zijn vastgehouden en mishandeld – een verhaal dat overeenkomt met dat van de socialemediagebruikers.

    Intimidatie

    Al deze intimidatie is uiteraard bedoeld om critici het zwijgen op te leggen, zegt Gowhar Geelani, een journalist en auteur die zelf door de cyberpolitie is opgepakt op grond van de Unlawful Activities Prevention Act, een controversiële Indiase antiterreurwet: ‘Het maakt deel uit van een breder beleid om meningen te criminaliseren.’

    Kasjmir wordt beschouwd als het meest gemilitariseerde gebied ter wereld. In augustus voerde de Indiase regering er een ongekende militaire lockdown in. Mobiele diensten en digitaal verkeer werden zonder voorafgaande kennisgeving geblokkeerd. Dat leidde tot de langste internetuitval, voor zover bekend, in een democratie ooit. In maart herstelde de Indiase regering de toegang tot internet en tot sociale media, maar met een snelheid van niet meer dan 2G.

    Die beperkte internettoegang gaat hand in hand met meer toezicht in de regio, zegt Devdutta Mukhopadhyay van de Internet Freedom Foundation, een Indiase internetbelangenorganisatie. Ze noemt een paar voorbeelden: WhatsApp-groepsbeheerders die zich moesten registreren bij het lokale gezag, een verbod op VPN-diensten en aanvullende verificatie-eisen voor prepaid mobiele internetgebruikers.

    Sommige Kasjmiri’s hebben sociale media ingezet om lucht te geven aan hun decennialange verzet tegen de Indiase overheersing – maar dat bleef niet zonder gevolgen.

    ‘Ik moest uitleggen waarom ik Kasjmierse fotografen had gefeliciteerd die dit jaar de Pulitzerprijs hadden gewonnen’

    Nadat hij meer dan drie uur in een wachtkamer had doorgebracht, zijn vingerafdrukken waren afgenomen, hij was gefotografeerd en hij zijn persoonsgegevens, waaronder zijn bankgegevens, had moeten overleggen, ging Ahmed naar een verhoorkamer waar een stel agenten hem opwachtten. ‘Ze bleven maar roepen: Wie betaalt je om dit allemaal te posten? Een politieman sloeg en schopte me. Een ander schoof me een document toe met screenshots van mijn posts op Twitter. Ik moest mijn telefoon ontgrendelen, een agent scande hem. Een ander vroeg om de wachtwoorden van mijn e-mail- en socialemedia-accounts.’ 

    Verantwoording

    Agenten achter een desktopcomputer zochten Ahmeds Twitter-account op en ondervroegen hem over recente tweets. In sommige posts had hij de politie en het Indiase leger ter verantwoording geroepen vanwege mensenrechtenschendingen, zoals buiten-gerechtelijke executies van burgers in geënsceneerde vuurgevechten. Andere posts leken onschuldiger. ‘Ik moest uitleggen waarom ik Kasjmierse fotografen had gefeliciteerd die dit jaar de Pulitzerprijs hadden gewonnen,’ zegt Ahmed, ‘en waarom ik selectief dichters citeerde in mijn tweets.’

    Ook een andere student vertelde dat een politieagent tijdens zijn detentie in Cargo zijn telefoon in beslag had genomen en foto’s van zijn moeder en broers en zussen had bekeken. ‘Hij schold ze uit en dreigde dat ze dezelfde behandeling als ik zouden krijgen,’ aldus Bilal (die zijn echte naam niet in dit verhaal vermeld wil hebben uit angst voor represailles).

    Bilal en twee andere slachtoffers onthulden dat agenten hen hadden voorgesteld om in ruil voor vrijlating informant te worden en andere door de politie gemonitorde socialemediagebruikers te verraden. Ze kregen te horen dat ze anders gevangen zouden worden genomen of gedood in een geënsceneerd vuurgevecht.

    Bilal was verbijsterd door dit ‘aanbod’. Nooit had hij gedacht dat zijn tweets er nog eens toe zouden leiden dat de politie hem zou vragen spion te worden.

    ‘Ze gaven me uren de tijd om te beslissen,’ zegt hij, maar uiteindelijk kwam hij vrij. Zij het pas na het dreigement dat hij bij een volgende overtreding weer zou worden opgepakt op grond van de Unlawful Activities Prevention Act.

    Bhatti ontkent alle beschuldigingen en weigert ook in detail te treden over de surveillancetechnologie die wordt gebruikt

    Kort na de lockdown van augustus werd de cyberpolitie van Kasjmir uitgebreid om cybercriminaliteit aan banden te leggen. Sindsdien is er sprake van een geavanceerde surveillance-eenheid, uitgerust met de modernste technologie voor het opsporen en monitoren van Kasjmiri’s, onder wie inmiddels ook degenen die covid-19 hebben opgelopen. Tahir Ashraf Bhatti, het hoofd van zowel Cargo als van de cybereenheid, ontving op Onafhankelijkheidsdag een medaille van de Indiase regering voor het werk van zijn afdeling.

    Hij vertelt dat het werk van de cybereenheid voornamelijk leidt tot aanklachten over financiële fraude en ‘cyberpesten’ – dat laatste wordt gebruikt als excuus om mensen aan te pakken die de regering op sociale media bekritiseren. Hij ontkent dat mensen zijn gedagvaard of gemarteld omdat ze online hun politieke opvattingen hebben geuit.

    Bhatti zelf is beschuldigd van mishandeling van ten minste één gebruiker van sociale media gedurende diens hechtenis. Het slachtoffer vertelde dat hij in augustus op het cyberpolitiebureau was ontboden nadat hij Bhatti op Twitter had bespot. Hij werd naar Cargo gebracht, waar Bhatti hem drie dagen lang herhaaldelijk met een leren riem op hetzelfde lichaamsdeel sloeg. ‘Als ik je vertel welk lichaamsdeel, geef ik mijn identiteit prijs,’ zegt Bilal. 

    Schrikeffect

    Bhatti ontkent alle beschuldigingen en weigert ook in detail te treden over de surveillancetechnologie die wordt gebruikt om informatie in te winnen over Kasjmiri’s in binnen- en buitenland. Meerdere mensen vertelden dat ondanks het gebruik van VPN’s –waarmee anonimiteit op sociale media normaal gesproken is gegarandeerd – de politie kon achterhalen wie ze waren.

    ‘Het kost ons een half uur om de locatie en gegevens van een gebruiker te bepalen,’ zegt Bhatti. Hij laat een WhatsApp-gesprek zien waarin een hoge officier hem vraagt naar de locatie en het adres van een persoon en diens antecedenten. ‘Mijn team had het binnen enkele minuten voor elkaar,’ zegt hij.

    Dat team bestaat uit veertig technisch onderlegde agenten. Moeilijkere zaken worden uitbesteed aan privébedrijven, waarover de chef van de cybereenheid geen bijzonderheden prijsgeeft.

    Het werk van Bhatti en zijn ondergeschikten heeft inmiddels wel een schrikeffect gehad op de socialemediagebruikers in Kasjmir. Veel accounts zijn verdwenen, andere zijn inactief, of er is geen politieke inhoud meer op te vinden.

    Sinds zijn vrijlating lijdt hij aan paniekaanvallen en heeft hij nog maar weinig eetlust

    Shefali Rafiq, een 22-jarige studente journalistiek, zegt dat ze voorzichtiger is geworden met wat ze publiceert. ‘Een aantal profielen volgde ik graag, maar ze hebben hun accounts gedeactiveerd of schrijven geen kritische posts meer.’

    Drie gebruikers van sociale media zeggen dat ze verdachte activiteit op hun accounts hebben opgemerkt sinds ze door de politie zijn vrijgelaten, zoals likes of retweets die niet van hen zijn, of het volgen en ontvolgen van andere accounts.

    Degenen die in aanvaring zijn gekomen met de cyberpolitie leven in angst. Ahmed werd vier dagen op rij verhoord en werd pas met rust gelaten nadat hij had beloofd te stoppen met het online bekritiseren van de Indiase regering en de veiligheidstroepen. 

    Sinds zijn vrijlating lijdt hij aan paniekaanvallen en heeft hij nog maar weinig eetlust. Hij durft sociale media niet meer te gebruiken zoals hij vroeger deed. ‘Soms schrijf ik een lang bericht. Aan het einde verwijder ik het weer en moet ik huilen,’ zegt hij. ‘Mijn telefoon is een nachtmerrie voor me geworden.’ 

    Openingsbeeld: Kasjmierse journalisten protesteren in Kunzer, een stad in de Indiase deelstaat Jammu en Kasjmir, tegen de censuur die hun wordt opgelegd. Fotografen werd onlangs tegen gehouden toen zij een demonstratie wilde vastleggen. – © Sajad Hameed / Pacific Press / Shutterstock

  • Sociale kanalen weren massaal Donald Trump

    Sociale kanalen weren massaal Donald Trump

    De bestorming van Capitol Hill in Washington door een meute Trump-aanhangers vorige week, heeft ertoe geleid dat Trump en zijn medestanders het digitale zwijgen is opgelegd door zo’n beetje alle online platforms waar hij gebruik van maakte. Parler, een van zijn laatste serieuze mogelijkheden, is nu ook weggevallen.

    Volgens The Guardian besloot Twitter op zaterdag het account van Donald Trump definitief te verwijderen, vanwege zijn herhaalde schendingen van de regels en het risico dat zijn Twitter-gedrag zou leiden tot ‘verder aanzetten tot geweld’. Op grond van twee tweets die Trump op vrijdagochtend had verzonden, oordeelde Twitter dat die hoogstwaarschijnlijk waren bedoeld om ‘mensen aan te moedigen en te inspireren om de criminele handelingen die plaatsvonden in het Capitool op 6 januari 2021, te herhalen’, zo liet het bedrijf in een verklaring weten.

    Plannen voor ‘toekomstige gewapende protesten’ verspreidden zich via Twitter en elders, waarschuwde het bedrijf, ‘inclusief het voorstel tot een tweede aanval op het Amerikaanse Capitool en de staatsgebouwen op 17 januari 2021’.

    ‘Deze buitengewone beslissing van Twitter om het persoonlijke account van Trump te verbieden, is duidelijk een symbolische vingerwijzing naar de omstreden president, wiens gebruik van sociale media om haat en angst aan te wakkeren zorgden voor zowel zijn onwaarschijnlijke politieke opkomst, als voor het schandelijke einde van zijn presidentschap’, zo meent de Britse krant

    De lijst

    Het bleef niet bij de permanente ban door Twitter, zo blijkt uit een overzicht van de Amerikaanse politieke website Axios. ‘Platforms verwijderen in snel tempo het account van Donald Trump en accounts die zijn gelieerd aan pro-Trump-geweld en samenzweringstheorieën, zoals QAnon en #StoptheSteal’, aldus Axios-redacteuren Sarah Fischer en Ashley Gold. Ze presenteerden afgelopen zaterdag een ‘voorlopige’ lijst van alle platforms met daarbij hun verklaring voor de ban. 

    Reddit:

    WAT: Reddit heeft de subreddit-groep ‘r / DonaldTrump’ verboden.

    COMMENTAAR: ‘Het beleid van Reddit verbiedt inhoud die haat aanmoedigt of verheerlijkt, die aanzet of oproept tot geweld tegen groepen mensen of individuen. In overeenstemming hiermee hebben we proactief contact opgenomen met moderators om hen te herinneren aan ons beleid’, aldus een woordvoerder.

    CONTEXT: Hoewel het geen officiële groep of pagina betreft die wordt gehost door de president, is deze steungroep voor Trump een van de grootste politieke gemeenschappen op Reddit.

    Twitch:

    WAT: Twitch blokkeerde het kanaal van Trump. 

    COMMENTAAR: ‘In het licht van de schokkende aanval op het Capitool hebben we het Twitch-kanaal van president Trump uitgeschakeld. Gezien de huidige buitengewone omstandigheden en de opruiende retoriek van de president, zijn we van mening dat dit een noodzakelijke stap is om onze gemeenschap te beschermen en te voorkomen dat Twitch wordt gebruikt om aan te zetten tot verder geweld’, aldus een woordvoerder.

    CONTEXT: Twitch was in juni een van de eerste platforms die het kanaal van Trump tijdelijk verbood vanwege haatdragende inhoud rond de Black Lives Matter-protesten deze zomer.

    Shopify:

    WAT: Shopify sloot twee onlinewinkels die zijn gelieerd aan Trump en zijn organisatie. Het gaat om de merchandise-sites van de Trump-campagne.

    COMMENTAAR: ‘Shopify tolereert geen acties die uitnodigen tot geweld. Op basis van recente gebeurtenissen hebben we vastgesteld dat de acties van president Donald J. Trump in strijd zijn met ons beleid voor acceptabel gebruik. Dat beleid verbiedt promotie of ondersteuning van organisaties, platforms of mensen die met geweld dreigen of dat goedkeuren om hun zaak te bevorderen. Als gevolg hiervan hebben we winkels die zijn gelieerd met president Trump beëindigd’, aldus een woordvoerder, zo liet The Financial Times op Twitter weten.

    CONTEXT: Op vrijdag was Shopify het eerste van alle platforms die Trumps aanwezigheid daadwerkelijk uitschakelden, aangezien zijn winkels permanent werden verwijderd en niet tijdelijk.

    YouTube:

    WAT: YouTube vervroegt de handhaving van de regels met betrekking tot verspreiding van onjuiste verkiezingsinformatie en beweringen van vermeende kiezersfraude door Trump en anderen.

    COMMENTAAR: ‘Vanwege de buitengewone gebeurtenissen die gisteren plaatsvonden, en aangezien de verkiezingsresultaten zijn gecertificeerd, zal elk kanaal dat nieuwe video’s plaatst met valse claims die in strijd zijn met ons beleid, nu een waarschuwing krijgen die het uploaden of livestreaming tijdelijk beperkt. Kanalen die in een periode van negentig dagen drie waarschuwingen ontvangen, worden definitief van YouTube verwijderd’, aldus een YouTube-woordvoerder.

    CONTEXT: YouTube is doorgaans langzaam met het ondernemen van actie tegen slechte inhoud en accounts. Deze reactie is, hoewel snel, enigszins mild in vergelijking met concurrenten die het account van Trump verwijderden of uitschakelden. YouTube verwijderde wel de video die Trump woensdag plaatste, waarin hij het Capitool-geweld besprak zonder het volledig te veroordelen.

    Facebook & Instagram:

    WAT: Facebook verbiedt Donald Trump ten minste de komende twee weken om op Facebook te posten, totdat de machtsoverdracht aan Joe Biden een feit is.

    COMMENTAAR: ‘Wij zijn van mening dat de risico’s gewoon te groot zijn om de president onze diensten te laten gebruiken tijdens deze periode’, aldus CEO Mark Zuckerberg.

    CONTEXT: Op woensdag verwijderde Facebook de video van Trump waarin hij het geweld besprak zonder het volledig te veroordelen; donderdag volgden de aanvullende stappen.

    Snapchat:

    WAT: Snapchat heeft het account van Trump geblokkeerd omdat het vindt dat het account haat verspreidt en aanzet tot geweld.

    OPMERKING: ‘We kunnen bevestigen dat we eerder vandaag het Snapchat-account van president Trump hebben vergrendeld’, aldus woordvoerder Rachel Racusen van Snap tegen Axios.

    CONTEXT: Snapchat was een van de eerste grote sociale platforms die in juni serieuze actie ondernam tegen Trumps account wegens ‘bedreiging van de democratie’. Het bedrijf besloot toen zijn account niet langer aan te bevelen in de sectie ‘Ontdekken’, waarin professionele inhoud en prominente mensen worden aanbevolen.

    TikTok:

    WAT: Op grond van zijn richtlijnen verwijdert TikTok doorverwijzingen en hashtags zoals #stormthecapitol en #patriotparty.

    COMMENTAAR: ‘Hatelijk gedrag en geweld horen niet thuis op TikTok. Accounts of berichten die proberen geweld te stichten, te verheerlijken of aan te moedigen, schenden onze communityrichtlijnen en zullen worden verwijderd’, aldus een TikTok-woordvoerder.

    CONTEXT: Andere hashtags zoals #stopthesteal en #QAnon werden sinds vorig jaar al omgeleid.

    Discord:

    WAT: Discord zegt dat het de server The Donald heeft verboden, volgens journalist Casey Newton op Twitter.

    COMMENTAAR: ‘Hoewel er geen bewijs is dat de server werd gebruikt om de rellen van 6 januari te organiseren, besloot Discord de hele server vandaag te verbieden vanwege de openlijke band met een onlineforum dat wordt gebruikt om tot geweld aan te zetten en een gewapende opstand in de Verenigde Staten te plannen’, aldus journalist Ali Breland van Mother Jones op Twitter.

    CONTEXT: Het Discord-account was verbonden met het pro-Trump netwerk TheDonald.Win.

    Pinterest:

    WAT: Al sinds de verkiezingen in november beperkt Pinterest hashtags met betrekking tot pro-Trump-onderwerpen zoals #StopTheSteal, aldus een woordvoerder.

    COMMENTAAR: ‘Pinterest is geen plek voor bedreigingen, promotie van geweld of haatdragende inhoud’, zo zei de woordvoerder. ‘Ons team gaat door met het controleren en verwijderen van schadelijke inhoud, inclusief verkeerde informatie en complottheorieën die tot geweld kunnen aanzetten.’

    CONTEXT: Trump heeft geen Pinterest-account en het platform heeft geprobeerd weg te blijven van politieke inhoud, maar Pinterest heeft die niet volledig kunnen onderdrukken.

    Axios concludeert het overzicht met de opmerking dat Trump weliswaar in korte tijd de toegang kwijtraakte tot alle platforms waar hij ooit zijn boodschap vrijelijk kon verspreiden, maar dat zijn supportersgroepen nog steeds online bijeen kunnen komen.

    Parler

    Een van de plekken waar dat makkelijk kan is Parler, een socialmediaplatform, dat geen enkele beperking oplegt aan zijn gebruikers en waar veel extremisten dus een account openden, aldus The New York Times gisteren.

    ‘In de afgelopen maanden is Parler een van de snelstgroeiende apps in de VS geworden. Miljoenen aanhangers van president Trump trokken er massaal naartoe toen Facebook en Twitter de afgelopen week steeds vaker optraden tegen berichten die verkeerde informatie verspreiden en aanzetten tot geweld, door bijvoorbeeld de accounts van Trump te verwijderen. Apple noemde Parler zaterdagochtend nog de nummer 1 gratis app voor iPhones.’ Maar, vervolgt NYT, ‘nog geen dag later vecht Parler voor zijn voortbestaan.’

    ‘Op de eerste plaats omdat Apple en Google de Parler-app uit hun app-winkels hebben verwijderd, aangezien ze van mening zijn dat de berichten van de gebruikers niet voldoende zijn gecontroleerd, waardoor er te veel waren die geweld en misdaad aanmoedigden. Later op zaterdag liet Amazon aan Parler weten het bedrijf op zondagavond van zijn webhostingservice te verwijderen vanwege het herhaaldelijk schenden van de regels. De stap van Amazon betekent dat Parler dus offline moet gaan, tenzij het snel een nieuwe hostingservice kan vinden.’

    Later op zaterdag liet Amazon aan Parler weten het bedrijf op zondagavond van zijn webhostingservice te verwijderen vanwege het herhaaldelijk schenden van de regels

    ‘Big Tech wil de concurrentie om zeep helpen’, laat John Matze, de CEO van Parler, in een sms aan NYT weten. ‘Ik moet de komende 24 uur heel veel werk verzetten om ervoor te zorgen dat ieders gegevens niet definitief van het internet worden verwijderd.’

    Matze beticht de tech-bedrijven van een ‘gecoördineerde poging’ om ‘de vrijheid van meningsuiting volledig van het internet te verwijderen’. Parler zal volgens hem met ingang van zondag waarschijnlijk een week lang niet beschikbaar zijn. Maar hij zegt ook dat zijn bedrijf zich heeft voorbereid door niet uitsluitend te vertrouwen op de infrastructuur van Amazon en op zoek te zijn naar een nieuwe hostingservice.

    Hoe dan ook, schrijft The Times, een dag eerder leek Parler te zullen profiteren van de groeiende woede in conservatieve kringen over Silicon Valley en de logische keuze te zijn om de volgende megafoon van Trump te worden nadat hij van Twitter was getrapt. ‘Nu ziet de toekomst er somber uit.’

    Dat klopt, want niet veel later, op zondagavond, trok Amazon als host van Parler de stekker eruit en ging het platform op zwart. Daarmee was de gifbeker voor de extreemrechtse aanhangers van Trump nog niet leeg, want op maandagmiddag meldde het Twitter-account van @donk_enby in een tweet maar liefst 70 terabyte aan data van Parler te hebben gehackt, hetgeen tech-website Gizmodo later bevestigde. ‘De overdaad aan gegevens zal kunnen dienen als een vruchtbaar jachtgebied voor wetshandhavers’, aldus Gizmodo.

  • Wat mogen we nog zeggen in 2021?

    Wat mogen we nog zeggen in 2021?

    Een nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Is dit een goede ontwikkeling, een komische, of is het ronduit gevaarlijk? vraagt FOCUS zich af. Door wie zich niet aan de regels houdt te ‘cancellen’ en door simpele tekens als een duimpje omhoog, is iedere nuance ver te zoeken.

    Van de boze ophef die ze veroorzaakte, raakt ze niet meer verlost. J.K. Rowling, schepper van Harry Potter en een van de populairste schrijfsters ter wereld, heeft een tomeloze toorn over zich afgeroepen. En dat omdat de begenadigde taalkunstenares zich uitsprak tegen een bijzondere taalvariant. Ze zou niet meedoen met grillen als gedifferentieerde geslachtsaanduidingen, verklaarde ze, en ze maakte zich bijvoorbeeld vrolijk over de formulering ‘mensen die menstrueren’. Waarom, vroeg ze zich af, zeggen ze niet gewoon, zoals sinds mensenheugenis, ‘vrouw’? Sindsdien wordt ze belaagd door zelfbenoemde taalhervormers en onverbiddelijke opiniebewakers. Rowling zou de kant gekozen hebben van duistere machten. Ze zou transseksuelen discrimineren en sowieso reactionair zijn.

    Rowling heeft slechts een paar tweets over dit thema gepost, maar de knuppel der verachting treft haar met volle kracht. Op het internet heeft zich een groep geformeerd die haar onder de hashtag ‘Rust zacht J.K. Rowling’ de dood toewenst. En er gaan filmpjes rond waarin Harry Potterboeken verbrand worden.

    Alle mensen goed en gelijk

    Uitgestoten worden vanwege een paar zogenaamd verkeerde woorden? Tot persona non grata verklaard worden om een uitspraak die anonieme opiniebewakers niet welgevallig is? Het geval van J.K. Rowling laat zien hoe gevaarlijk het kan zijn om iets schijnbaar onschuldigs te zeggen als je met die uitspraak bepaalde regels overtreedt. Regels die, zo lijkt het althans, de manier van spreken (en daarmee van denken) beïnvloeden en in een bepaalde richting duwen. 

    De nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Daarin gelden alle mensen als goed en gelijk. In plaats van gedevalueerde ‘vluchtelingen’ zijn er nu ‘vluchtenden’ onderweg. Het zuiver manlijke ‘inwoners’ moet plaatsmaken voor ‘inwonenden’. De ‘zigeunerschnitzel’ is al even vergiftigd als de ‘negerzoen’ – en Pippi Langkous’ papa wordt nu ‘Zuidzeekoning’ [in plaats van negerkoning]. 

    Geslachten zijn sowieso slecht

    Symbool van deze grote verbale opvoeding is een sterretje – dat aan elk mannelijk wezen een vrouwelijke uitgang hangt. Geslachten zijn sowieso slecht. In tijden van ‘diversiteit’ is elke indeling een last, een belediging en een bedreiging. Een geslachtsverandering verandert in een ‘geslachtsaanpassing’ en de zin ‘Ze was vroeger een man’ is nu uit den boze. Goed is: ‘Ze werd bij de geboorte als mannelijk ingedeeld.’ 

    En migranten? Juist, dat zijn nu ‘mensen met een internationale achtergrond’. Zo staat het in de nieuwe richtlijn van de Berlijnse minister van Justitie voor het gebruik van een ‘diversiteitsgevoelige’ taal in het bestuur van de hoofdstad.

    Taal als machtsmiddel

    Je kunt zulke ontwikkelingen goed vinden. Of komisch. Maar ook gevaarlijk. Critici van deze nieuwe, moreel zo vlekkeloze woordkeus zien de vrijheid van spreken en van meningsuiting in gevaar komen. Het volk zou gemuilkorfd worden – elke provocatie, elke vorm van brutale en duidelijke taal zou verboden worden. Wie zich niet aan de nieuwe regels houdt, zou veroordeeld worden als verachter van de gelijkheid, als seksist, als racist. 

    Taal, zo waarschuwde onlangs nog de Neue Zürcher Zeitung, is een ‘machtsmiddel’. Het politiek correcte ‘koeterwaals’ dat aanvankelijk door academische elites in de VS, en nu ook steeds vaker in Europa wordt gepropageerd, zou in ieder geval door bepaalde lagen van de bevolking opgevat kunnen worden als een ‘aanval’ op hun cultuur.

    De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, verdoemen en verspreiden

    Intussen hebben de nieuwe regels ook de scholen bereikt. Of en in hoeverre ze van kracht zijn wordt beslist door de leraressen (en leraren) zelf. Zo kan in een opstel het ontbreken van het gendersterretje aangegeven worden, maar het hoeft niet fout gerekend te worden.

    Heinz-Peter Meidinger, president van de Duitse bond van leraren, tilt niet zwaar aan het schriftbeeld: ‘Ik geloof niet dat een niet-discriminerende of genderneutrale cultuur in de school opgehangen kan worden aan de invoering van het gendersterretje.’ Het zou beslist fout zijn daar een ‘geloofsstrijd’ van te maken.

    Maar is deze geloofsstrijd niet al lange tijd bezig? De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, veroordelen en verspreiden. De Berlijnse viroloog Christian Drosten bijvoorbeeld is voor heel wat tegenstanders van de coronamaatregelen een mikpunt van haat. Op desbetreffende fora is vrijwel iedere uitspraak van de onderzoeker aanleiding tot woede en verontwaardiging. 

    Maar wat is dat voor communicatie, als er overal valstrikken staan? Als jan en alleman (of -vrouw) alle mogelijke gevolgen van elke uitspraak van tevoren moet bedenken, alsof hij (of zij) werkt op de protocolafdeling van de diplomatieke dienst? Als iedere vergissing, iedere verspreking, iedere verontschuldiging onmogelijk is? Hoe moet je met elkaar praten als het niet meer op de inhoud, maar alleen nog op de vorm van het gezegde aankomt, en op een omineuze subtekst die deze vorm zogenaamd overbrengt?

    Gewoon een beetje luchtig

    Bij het afscheid van de algemeen secretaris van de FDP Linda Teuteberg maakte partijleider Christian Lindner een dubbelzinnig grapje. In de afgelopen vijftien maanden waren Teuteberg en hij ongeveer driehonderd keer samen de dag begonnen, grapte Lindner. En na een korte stilte voegde hij eraan toe: ‘Ik bedoel ons dagelijks telefoongesprek in de ochtend over de politieke situatie. Niet wat u nu denkt.’ 

    Hij had zijn praatje gewoon een beetje luchtig willen houden, benadrukte Lindner later, nadat zijn opmerking ‘viraal ging’. Er was weer eens gebleken wat voor een seksist Lindner was, luidde het vonnis. En in de digitale ruimte was het nu de vraag of ‘zo iemand’ eigenlijk wel geschikt was voor een leiderspositie.

    Opvallend is dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren

    Opvallend is dat de hoek van waaruit zulke smaadstormen opsteken intussen een andere is geworden. Dat ervoer ook de literaire wereldster Karl Ove Knausgard. Toen hij in 1998 in zijn vaderland Noorwegen zijn debuutroman Buiten de wereld publiceerde, waarin de liefdesgeschiedenis tussen een leraar en zijn dertienjarige leerlinge op provocerende wijze wordt verteld, werd het boek bejubeld. Maar zeventien jaar later, bij verschijning in Zweden, werd het door critici bestempeld als pornografisch en pedofiel. 

    ‘Het klimaat is totaal veranderd,’ aldus een verbaasde Knausgard. Opvallend daarbij was dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren.

    De popcultuur had van meet af aan iets rebels. Ze richtte zich tegen het establishment, tegen de zedenmeesters en de kleinburgers. Pop was links. Maar nu komen uit dit milieu de hardste sancties tegen vermeende of feitelijke overtredingen van de regels en taboebreuken. Nooit was de spreuk van het satirisch gezelschap Neue Frankfurter Schule toepasselijker: ‘De scherpste critici van de barbaren zijn zij die ’t vroeger zelf waren.’

    De oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan

    De controverse rond de Oostenrijkse cabaretier Lisa Eckhart, die ontbrandde naar aanleiding van een gepland optreden op de Hamburger Kiez, vlak bij de legendarisch recalcitrante krakerswijk Hafenstraße St Pauli, past helemaal in dit beeld. Eckhart had er in 2018 in het satirische televisieprogramma Mitternachtsspitzen op gewezen dat de intussen veroordeelde seksmisdadiger Harvey Weinstein een jood was. ‘Altijd zijn we tekeergegaan tegen het vooroordeel dat het de Joden om geld gaat, en nu blijkt plotseling dat het ze helemaal niet om geld gaat, maar om vrouwen,’ zei ze, waarmee ze een cliché ontkrachtte dan wel de grenzen van het politiek correcte moedwillig overschreed – al naargelang je standpunt.

    De organisatoren van het literatuurfestival in Hamburg vreesden in elk geval gewelddadige protesten in de ‘zoals bekend uiterst linkse wijk’ St Pauli, en trokken de uitnodiging aan Eckhart in. Dat is de andere kant van de digitale proteststorm: hij veroorzaakt ook schade in de analoge wereld. Ook daarom is de ‘cancelcultuur’ zo dubieus: de oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan. 

    Dat satire grenzen overschrijdt, was vroeger vanzelfsprekend. Tegenwoordig wordt een zin uit een satirische context losgerukt, van iedere ironie ontdaan en wordt de afzender ermee om de oren geslagen. Maar is satire, of provocerende kunst in het algemeen, dan nog wel mogelijk? ‘Ik ben bang dat ik me op zeker moment in mijn schrijven niet meer op riskant terrein wagen kan,’ zei Karl Ove Knausgard onlangs in een interview met Die Zeit.

    De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is

    Maar hoe moet je reageren als je te maken krijgt met felle beledigingen? De cabaretier Dieter Nuhr, in wiens uitzending Lisa Eckhart regelmatig optreedt, kiest voor de aanval. Nuhr verdedigt zich op Twitter en YouTube tegen critici die hem een ‘klimaatontkenner’ en een ‘wetenschapsverachter’ noemen. Helaas is het tegenwoordig niet meer voldoende om satire voor zichzelf te laten spreken, klaagt hij.

    Maar ironie is van nature ambivalent, en cabaret berust op rollenspel. Wanneer Gerhard Polt in een van zijn beroemdste nummers een racist wordt die zijn Aziatische vrouw Mai Ling opvoert, betekent dat niet dat hij zelf racistisch denkt.

    Overigens moet ook gewoon in de gaten worden gehouden of uitspraken strafbaar zijn, of ze bijvoorbeeld beledigingen, Holocaustontkenning of verheerlijking van het nationaalsocialisme bevatten, of racistisch zijn. De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is bovendien paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is.

    Intussen moet blijkbaar altijd rekening worden gehouden met de omgeving waarin je een mening uit. Het publiek beslist wat mag en wat niet. Toen in de zomer tijdens de protesten na de gewelddadige dood van de Afro-Amerikaan George Floyd de Republikeinse hardliner en Trumpaanhanger Tom Cotton in een gastcommentaar in The New York Times eiste dat er militairen tegen de demonstranten zouden worden ingezet (‘Stuur er troepen heen’), veroorzaakte dat grote ophef bij de redactie en onder de lezers van het liberale blad. Uiteindelijk moest de verantwoordelijke redacteur, James Bennet, het veld ruimen. Een afwijkende mening ter discussie stellen was kennelijk niet te verenigen met de ‘debatcultuur’ van de krant, waarop ze toch zo trots is.

    Banaliserend effect

    De discussie over het gendersterretje en de binnen-I [bijv. in ‘LehrerInnen’. vgl. in het Nederlands de toevoeging m/v], heeft het taalbewustzijn onder de bevolking zonder meer vergroot. Professionele speechschrijvers constateren in elk geval bij hun opdrachtgevers een vergrote gevoeligheid voor wat taal aan kan richten. ‘En dat,’ zegt de voorzitter van het verbond van Duitse speechschrijvers, Jacqueline Schäfer, ‘ervaren wij in eerste instantie als iets positiefs.’

    Taal is iets levends, het taalgebruik laat zien wat dominant wordt – ‘en als dat op zeker moment het gendersterretje is, dan heeft gewoon iedereen wie dat niet bevalt, het nakijken’. 

    Toch gaat de consensus over ‘wat je nog zeggen kunt’ en wat taboe is wel verloren, volgens Schäfer. ‘Veel grenzen zijn in de voorbije decennia doorbroken, daarmee verdwijnt ook het gevoel voor tact. En dit gat wordt dan steeds vaker opgevuld door een soort taalpolitie.’

    Wat tot dan toe normaal was, wordt zo tot overtreding van de regels verklaard – zoals het woord ‘dakloze’, dat een paar jaar geleden werd ingevoerd als vervanging voor ‘zwerver’ en dat mettertijd een negatieve bijklank kreeg. ‘Maar het verbetert niets voor hen als je deze mensen als “woningzoekenden” aanduidt,’ zegt Schäfer, ‘integendeel: het kan zelfs een banaliserend effect hebben.’

    Op de radar

    Alice Schwarzer hechtte altijd al aan duidelijke, provocerende taal. In de afgelopen jaren viel de feministische activiste steeds opnieuw het ook in Duitsland merkbare en invloedrijke islamisme aan. En ze uitte zich kritisch over vluchtelingen uit islamitische landen. Toen ze berichtte over de misdaden in de oudejaarsnacht van 2015 in Keulen, waarbij tientallen vrouwen door rellende vluchtelingen (of vluchtenden) op het Domplein werden aangevallen en enkelen zelfs werden verkracht, kwam ze zelf op de radar van de deugdpolitie.

    Op het internet werd ze zwartgemaakt als een racistische ophitser – bijvoorbeeld op het zogenaamd feministische en antiracistische forum ‘#ausnahmslos’. Schwarzer zelf kan zulke belasteringen wel aan, maar in haar nieuwe boek Lebenswerk waarschuwt ze voor de gevolgen van een ‘verkeerde tolerantie’ tegenover andere culturen. De slachtoffers zouden genegeerd worden en de daders veracht. ‘Want hoe moeten die ooit de kans krijgen te veranderen en vreedzaam met ons te leven als we ze hier in ons land gewoon door laten razen?’

    Prominenten krijgen de kracht van de nieuwe taalreguleerders snel te voelen. In het openbaar gesproken woorden worden meteen veroordeeld. Daarbij houden de critici van de vaak onbeduidende uitglijers zich zelf aan geen enkele fatsoensregel. Op het internet wordt schaamteloos gescholden, beledigd, gesmaad, gedreigd, zodat de grote sociale media hele cohorten controleurs in dienst nemen om hun platforms enigszins schoon te houden.

    Sinds de opkomst van communicatiediensten als Twitter en Facebook, nog maar vijftien jaar geleden, is een alternatieve publieke ruimte ontstaan die zich onttrekt aan de traditionele regulering. Waar mediabedrijven met veel moeite het waarheidsgehalte van wat gepubliceerd wordt checken, jagen we met zijn allen zonder te checken en doorgaans ongestraft haatboodschappen en nepnieuws het internet op.

    Elke aanhanger van welke idiote leer ook treft hier gelijkgezinden met wie hij zonder enige tegenspraak van gedachten kan wisselen

    Aanhangers van welke idiote leer ook treffen hier gelijkgezinden met wie ze zonder enige tegenspraak van gedachten kunnen wisselen. Hier mogen ze eindelijk zonder problemen zeggen waarvoor ze ergens anders, meestal terecht, ter verantwoording zouden worden geroepen. De toenemende democratisering die de grondleggers van het internet beloofden heeft geleid tot een versplintering van de openbare ruimte.

    Nu spreekt iedereen in zijn eigen niche met gelijkgezinden. Luisteren, of zelfs over opiniegrenzen heen van gedachten wisselen, dat wil niemand meer. Zo spreken ontelbare miljoenen op het net elkaar alleen nog over opvattingen en meningen en argumenten die ze toch al hadden. Ze voeren feitelijk eindeloze gesprekken met zichzelf – in het gunstigste geval worden hun oordelen en voorstellingen bevestigd. In het ongunstigste geval wordt hun blik vernauwd en worden hun opvattingen steeds verstokter en radicaler. Net als hun taal.

    De zogenaamd sociale media zijn vergiftigd door haat, bedreigingen, verachting, woede en geweldfantasieën. Mateloosheid is de maat van alle dingen, ze garandeert aandacht, verspreiding en likes. Het internet is volgestort met woorden waar geen woorden voor zijn.

    Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer

    Klaus-Dieter Hartleb moet zich dag in dag uit blootstellen aan deze virtuele excessen. De vijftigjarige hoofdofficier van Justitie uit München is sinds het begin van dit jaar verantwoordelijk voor de afdeling ‘hatespeech’ van de Beierse justitie en jaagt op verbale radicalen die met hun posts of pamfletten de grenzen van het toelaatbare overschrijden.

    In 80 procent van de onderzochte gevallen, zegt Hartleb, gaat het om het strafbare feit van opruiing. Gediscrimineerd, beledigd en bedreigd worden in het bijzonder Joden, vluchtelingen en politici die zich inzetten voor het toelaten van vluchtelingen. De als doelwit gekozen groepen moeten, zo eisen veel haatverspreiders, ‘teruggestuurd worden naar het oerwoud’, ‘tegen de muur gezet’ of ‘vergast’ worden.

    Juist daders die het voor het eerst doen en betrapt worden, tonen zich ‘langdurig onder de indruk’ wanneer er plotseling opsporingsambtenaren voor de deur staan. Velen zien hun schuld ook in, wat beslist aan te raden is gezien de dreigende straffen (hoge geldboetes of zelfs celstraf).

    Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer. De vrijheid van meningsuiting, aldus Hartleb, is inderdaad een ‘zeer groot goed’, maar hij is ‘geen censor’ en geen taalbewaker. Hij houdt uitsluitend de strafrechtelijke grenzen in het oog die op het internet worden overschreden. 

    Duizendvoudig, elke minuut. Alleen al in de eerste drie maanden van het jaar 2019 wiste Facebook in Duitsland 160.000 uitspraken die het bedrijf als ongeoorloofde haatberichten beoordeelde. Verbazingwekkend: in het hele jaar 2019 werden door het Bundeskriminalamt (BKA, de Duitse federale recherche) maar ongeveer 1500 onderzoeken ingesteld wegens het verspreiden van ‘hatespeech’. De typ- en klikmisdadigers die Facebook zelf ontmaskert, beschermt het bedrijf tegen de politie. Rechtshulpverzoeken van Duitse opsporingsambtenaren laat het concern vaak onbeantwoord of het blokkeert ze met het argument dat de servers in de VS staan, waar andere wetten gelden.

    ‘Wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden, kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert’

    Al vervolgt de Duitse justitie intussen doelgericht ‘hatespeech’-delicten met speciale officieren van justitie en al moet een aanscherping van ‘internetwetgeving’ de platformexploitanten tot aangifte dwingen – een aanzienlijk aantal verbale strafbare daden blijft tot op heden voor de daders zonder consequenties. Maar voor de vrijheidslievende samenleving zijn de gevolgen enorm. En er moeten dringend uitgangspunten gevonden worden om allemaal weer zonder conflicten en vooroordelen met elkaar te kunnen spreken.

    In de universiteitsstad Tübingen ligt aan de centrale Wilhelmsstrasse een betonnen bunker voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Het gebouw is genoemd naar Bertold Brecht, van wie je veel kunt zeggen, maar zeker niet dat hij een moraalridder was. Hier onderzoekt het in 1963 door Walter Jens opgerichte Seminar für Allgemeine Rhetorik het Duitse taalgebruik.

    ‘Politieke correctheid,’ zegt de professor retorica Olaf Kramer, ‘is aanvankelijk ontstaan vanuit de wens om bepaalde ethische en sociale standaards in te stellen voor begrippen en erop te wijzen dat taal discriminatoire processen in de maatschappij kan versterken.’

    Bijvoorbeeld wanneer in de publieke discussie bepaalde begrippen worden gebruikt die iemand als beledigend ervaart. Of wanneer een subtiele uitsluiting plaatsvindt omdat over bepaalde beroepen steeds alleen in de mannelijke vorm wordt gesproken, alsof daarin geen vrouwelijke representanten te vinden zijn. Het beslissende criterium is dus de subjectieve ervaring.

    ‘Maar wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden,’ zegt Kramer, ‘kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert, want bepaalde groepen vatten die op als een spreekverbod en hebben dan het gevoel niet aan het woord te komen. Zo groeit de verontwaardiging.’

    De beste oplossing

    Democratie heeft echter vrijheid van meningsuiting nodig, want, zo schrijft de plaatsvervangende voorzitter van de FDP Wolfgang Kubicki in zijn juist verschenen boek Meinungsunfreiheit. Das gefährliche Spiel met der Demokratie, ‘de beste oplossing is vrijwel nooit die welke je thuis in je eentje hebt bedacht, maar die welke in discussie met anderen ontwikkeld is.’

    Maar dat veronderstelt de bereidheid om te luisteren, zonder dat andersdenkenden monddood gemaakt worden. ‘Ontbreekt deze menselijke openheid ten aanzien van andere meningen,’ schrijft Kubicki, ‘dan ontbreekt ook de voorwaarde om de vrede bij ons te bewaren en onze vrijheid te behouden.’

    ‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen’

    De retoricaprofessor Kramer wil daarom nieuwe regels voor digitale communicatie. Belangrijk is enerzijds het ‘pedagogische uitgangspunt dat al op school gevoeligheid voor de omgang met anderen wordt aangekweekt en de consequenties duidelijk worden gemaakt’. Anderzijds zouden de platforms van de sociale media ook technische oplossingen moeten ontwikkelen. ‘De zuiver emotionele deelname aan een discussie met “duimpje omhoog” of “duimpje omlaag” is niet geschikt voor gecompliceerde politieke kwesties,’ zegt Kramer. ‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen.’

    Onmisbaar acht hij strenge juridische consequenties voor ‘hatespeech’ op het internet, ook al zou het in strijd zijn met het oorspronkelijke idee van het internet als een volledig vrije, open en ongecontroleerde ruimte. ‘Men zou – internationaal – kunnen afspreken dat handelingen op het internet dezelfde consequenties hebben als in de reële wereld. Misschien zou het internet dan weer het fantastische platform worden waarop iedereen met iedereen echt in gesprek kan komen.’

    En misschien zouden sociale media dan hun charme weer terug kunnen krijgen omdat men daar met prominenten als J.K. Rowling, Lisa Eckhart of Dieter Nuhr van gedachten kan wisselen over hun denkbeelden, verhalen en wie weet over hun provocaties. In plaats van ze met vervloekingen te bestoken.

  • Lachen werkt helend in crisistijd

    Lachen werkt helend in crisistijd

    Is lachen echt het beste medicijn? Het lijkt er wel op, gezien de aanhoudende populariteit van coronavirus-memes op sociale media. De Indiase journalist Charukesi Ramadurai zocht uit waarom mensen zo’n behoefte hebben aan humor in tijden van nood.

    Hoe langer de pandemie duurt, hoe creatiever, oneerbiediger, geestiger en soms ook aanstootgevender de coronamemes worden. Met alles wordt de spot gedreven, zoals het hamsteren van toiletpapier en de angst dat de buren een loopje nemen met hun quarantaine.

    Maar welke functie hebben grappen in een wereldwijde pandemie, waarvan een economische crisis en een eenzame dood op de intensive care de wrange kenmerken zijn?

    Lachen om flauwe grappen in tijden waarin slecht nieuws overheerst lijkt misschien wreed, maar is heel begrijpelijk. Zwarte humor is altijd een mechanisme geweest om somber stemmende situaties het hoofd te bieden.

    Van traumachirurgen tot soldaten: galgenhumor helpt hen om de druk van de ketel te halen. ‘Kilroy was here’, een populaire Amerikaanse graffitispreuk die in de Tweede Wereldoorlog opdook, is te beschouwen als ’s werelds eerste virale meme.

    Ontsnappingsroute

    Zelfs tijdens de Holocaust, toen Joodse gevangenen in concentratiekampen blootstonden aan onvoorstelbare gruwelen, bood humor een ontsnappingsroute, zoals blijkt uit de documentaire The Last Laugh. ‘Het was of we de nazi’s hun macht ontnamen door ze belachelijk te maken,’ zegt een overlevende in de film. Wetenschappelijk is aangetoond dat lachen positieve signalen naar de hersenen stuurt, waarbij endorfine vrijkomt die chemisch reageert met opioïde receptoren in de hersenen, waardoor fysieke pijn en stress worden verlicht.

    img 144413 harikrishnan 212007
    Meme over thuisblijven tijdens de lockdown (door meme-artiest Hari Krishnan). – © Hari Krishnan

    Er valt een parallel te trekken met de pandemie die de wereld nu in gijzeling houdt, waarbij mensen voornamelijk nog via smartphones en sociale media communiceren. Velen nemen het zekere voor het onzekere en blijven zo veel mogelijk thuis. ‘In die situatie is er meestal weinig meer te doen dan rondhangen op internet,’ zegt Matt Schimkowitz, senior redacteur bij de website Know Your Meme.

    Voor mensen die in angst, onzekerheid en isolement verkeren, zijn coronamemes een manier geworden om contact te houden met de buitenwereld en opluchting te ervaren dat anderen in hetzelfde schuitje zitten. Ik kan hierover meepraten, aangezien ik dit jaar van India naar Maleisië ben verhuisd, en daar nog maar een paar weken woonde toen de lockdown inging. Uiteraard had ik nog niet zo veel vrienden gemaakt in mijn nieuwe leefomgeving.

    Balsem voor de ziel

    Opgesloten in mijn nieuwe huis in Kuala Lumpur zocht ik mijn toevlucht tot humor om de angst en verveling de baas te blijven. Toen ontdekte ik dat sommige coronamemes die viraal gingen (sorry voor de woordspeling) balsem voor mijn ziel waren. Ze maakten me aan het lachen en zorgden voor afleiding.

    ‘Op dit moment hebben mensen het gevoel dat alles wat ze doen nutteloos is; ze vechten tegen een gevoel van zinloosheid. Humor werkt goed als uiting van woede en frustratie; het is als een naald die een strak opgeblazen ballon doet knappen en verlichting biedt,’ zegt mijn vriend en reclamemaker Hari Krishnan, maker van diverse populaire memes die inspelen op de lockdown in India. Ik merkte dat ik online ging zoeken naar memes die verband hielden met de pandemie, en dat ik troost vond in het feit dat anderen dezelfde angsten doormaakten als ik.

    ‘Humor is een volwassen manier om je tegen hulpeloosheid te verweren. Je zegt ermee dat je je niet laat kisten’

    Ashok Seshadri, psychiater bij de Mayo Clinic in de VS, bevestigt dit. ‘Gevoelens van hulpeloosheid als gevolg van de pandemie zijn authentiek, en er is geen ontsnapping mogelijk. Dus moeten we een manier vinden om die te verdragen, te doorstaan. Humor is een volwassen manier om je ertegen te verweren. Je zegt ermee dat je je niet klein laat krijgen.’

    Het is niet verwonderlijk dat er elke dag een trits nieuwe memes bij komt. De Reddit-thread CoronavirusMemes, die eind januari het licht zag, heeft nu ongeveer honderdduizend leden. Het doel van de geestelijke vaders: ‘Lachen om corona nu het nog kan, en vreugde verspreiden in tijden van nood.’ Op Twitter zijn tientallen accounts te vinden met namen als TheCoronaMemes en MemesCorona, en het sociale netwerk is zo vriendelijk geweest de beste te bundelen.

    https s3 ap northeast 1.amazonaws.com psh ex ftnikkei 3937bb4 images 6 5 2 1 29841256 1 eng GB 1015TL3
    Meme over thuiswerken (door meme-artiest Hari Krishnan). – © Hari Krishnan

    Na een eerste golf die vooral gericht was op voorlichting en veiligheidsadviezen, kozen coronamemes al snel de verveling van de lockdown en de chaos van het thuiswerken tot onderwerp. Daarna volgden claustrofobie, tirannieke bazen, eindeloze Zoom-vergaderingen en brullende kinderen – allemaal geknipt voor ijzersterke memes

    Richard Dawkins

    Wetenschapper Richard Dawkins gebruikte het woord ‘meme’ voor het eerst; dat deed hij in zijn boek The Selfish Gene uit 1976. Hij bedoelde ermee: elk verschijnsel dat culturele evolutie stimuleert – een dansvorm, een modeaccessoire, een slogan of een komisch personage. Tegenwoordig zijn memes levensvormen die zich na hun geboorte op internet snel verspreiden en muteren, en uiteindelijk een natuurlijke dood sterven.

    Een succesvolle meme moet actueel zijn en de sociaal-culturele tijdgeest weerspiegelen. Hij moet ook weerklank vinden binnen een gemeenschap en raken aan het collectieve bewustzijn van een groep. Daarom werken memes het best als er een herkenbaar personage in zit en er een zekere zelfkennis aan te pas komt. Wanneer het tot een verbijsterde Kento – een pop in de vorm van een aap uit de populaire Japanse tv-show Okiku Naru Ko – doordringt dat zijn routineuze leventje nu quarantaine heet, staat hij in die zin symbool voor ons allen. ‘Een meme is geslaagd als zijn boodschap onmiddellijk de aandacht weet te vangen van iemand die Instagram of Twitter afscrollt,’ merkt Schimkowitz op.

    Wanneer woorden tekortschieten, wanneer emoji’s en gifjes niet afdoende zijn om de ontzetting, frustratie of angst van deze tijden over te brengen, zijn er altijd nog memes om op terug te vallen. Misschien vat deze tweet van begin april het mooi samen: ‘Opdracht voor geschiedenisopstel in 2053: Leg het gebruik en de rol van memes uit als coping-mechanisme tijdens de coronapandemie van 2020.’

  • Hoe WhatsApp samenzweringstheorieën in de hand werkt

    Hoe WhatsApp samenzweringstheorieën in de hand werkt

    Naarmate sociale media onverdraagzamer worden, neemt de aantrekkingskracht van particuliere online groepen toe. Maar die hebben hun eigen gevaren. En niet alleen voor de deelnemers zelf.

    In het voorjaar, toen het virus zich over de wereld uitspreidde en miljarden mensen werden gedwongen thuis te blijven, steeg de populariteit van één sociale-media-app in het bijzonder. Eind maart was het gebruik van WhatsApp over de hele wereld met 40 procent gegroeid. In Spanje, waar de lockdown bijzonder streng was, steeg dit zelfs met 76 procent. In die eerste maanden was WhatsApp – dat het midden houdt tussen e-mail, Facebook en sms en waar groepen tekstberichten, links en foto’s met elkaar kunnen delen – een uitstekende manier om niet alleen nieuwsberichten en memes maar ook massale angst te verspreiden.

    Aanvankelijk waren veel van de nieuwe toepassingen bemoedigend. Er ontstonden onderlinge hulpgroepen om kwetsbaren te helpen. Families en vrienden gebruikten de app om contact te houden en hun angsten en zorgen in real time met elkaar te delen. Half april werd de rol die WhatsApp in de pandemie speelde al wat duisterder. Een complottheorie over de lancering van 5G, die al lang voordat Covid-19 opdook in omloop was, luidde nu dat de ziekte werd veroorzaakt door masten voor mobiele telefoons. Overal begonnen mensen 5G-masten in brand te steken steken. Alleen al in het paasweekend werden [in het VK] twintig branden gesticht.

    WhatsApp gold, samen met Facebook en YouTube, als een belangrijk kanaal om de complottheorie te verspreiden. Er werd gevreesd dat in diezelfde groepen die in maart massaal waren opgericht, nu de 5G-theorie volop werd gedeeld. Ondertussen werden via de app nepaudioclips verspreid, zoals de opname van iemand die in de zorg zei te werken en beweerde dat er niet langer ambulances zouden worden gestuurd om mensen met ademhalingsproblemen te helpen.

    Het was niet de eerste keer dat WhatsApp in een controverse verwikkeld raakte. Hoewel de ‘nepnieuws’-schandalen rondom de verkiezingen in 2016 in het VK en de VS meer op Facebook waren gericht – dat eigenaar is van WhatsApp – waren de latere verkiezingsoverwinningen voor Jair Bolsonaro in Brazilië en Narendra Modi in India mede te danken aan opruiende WhatsApp-berichten, waarbij gretig gebruik werd gemaakt van het enorme bereik dat de app in deze landen heeft. In India waren er bovendien meldingen van rellen en vielen er minstens dertig doden als gevolg van geruchten die op WhatsApp circuleren. Het Indiase ministerie van Informatie en Media heeft naar manieren gezocht om de WhatsApp-inhoud te reguleren, maar dat leidde enkel tot een nieuwe controverse vanwege de schending van burgerlijke vrijheden door de regering.

    WhatsApp lijkt een ongewoon effectief middel te zijn om wantrouwen te wekken in openbare instellingen en procedures

    Zoals altijd bestaat het risico dat in een complexe politieke crisis te veel schuld wordt gelegd bij het euvel van een technologie. WhatsApp heeft ook enkele stappen ondernomen om het gebruik van de app als doorgeefluik voor verkeerde informatie te beperken. In maart vertelde een woordvoerder van het bedrijf aan The Washington Post dat het ‘met ministeries van Volksgezondheid over de hele wereld had samengewerkt om burgers eenvoudige manieren te bieden voor het vergaren van accurate informatie over het virus’. Maar ook los van de zichtbare ophef lijkt WhatsApp een ongewoon effectief middel te zijn om wantrouwen te wekken in openbare instellingen en procedures.

    Een WhatsApp-groep kan bestaan ​​zonder dat iemand buiten de groep op de hoogte is van zijn bestaan, wie zijn leden zijn of wat er wordt gedeeld, terwijl end-to-end-codering de groep immuun maakt voor toezicht van buitenaf. Terug in de pre-Covid-19-dagen van Groot-Brittannië, toen Brexit en Jeremy Corbyn de twee onderwerpen vormden die [in het VK] de hevigste politieke discussies veroorzaakten, waren speculatie en paranoia in zulke groepen aan de orde van de dag. Mediacommentatoren die Corbyn verdedigden, werden er vaak van beschuldigd deel uit te maken van een WhatsApp-groep van ‘outriders’, gecoördineerd vanuit Corbyns burelen, die hen zogenaamd had opgedragen hoe ze zich op moesten stellen. Ondertussen zou de pro-Brexit European Research Group van de Conservatieve partij steun krijgen van een WhatsApp-groep waarvan het lidmaatschap nooit openbaar was. Dergelijke theorieën, of ze nou waar zijn of niet, zijn weinig bevorderlijk voor het vertrouwen in de democratie.

    WhatsApp-groepen wekken niet alleen argwaan bij het publiek, maar kunnen ook hun eigen deelnemers wantrouwend maken. Zoals blijkt uit gesloten Facebook-groepen, waar verontwaardigde deelnemers elkaar soms zonder al te veel onderbouwing in de privésfeer opruien, waarna ze in het openbaar overkoken. De eigenschap van zulke groepen om verkeerde informatie en beschuldigingen te verspreiden, begint aanweziger te worden dan de eigenschap om die verspreiding tegen te gaan.

    Er ontstaat een nieuw soort ‘gezond verstand’, gebaseerd op een instinctief wantrouwen jegens de wereld buiten de groep

    De politieke dreiging van WhatsApp is de keerzijde van haar psychologische aantrekkingskracht. In tegenstelling tot zoveel andere socialemediaplatforms, is WhatsApp erop gericht de privacy te beschermen. Positief hieraan is de mogelijkheid tot intimiteit met onze dierbaren en het vermogen om vrij te spreken, maar het werkt ook een ethos van geheimhouding en van wantrouwen in de publieke sfeer in de hand. Nu Facebook, Twitter en Instagram steeds theatraler worden – elk gebaar is bedoeld om indruk te maken dan wel af te schrikken – is WhatsApp een toevluchtsoord geworden binnen een verwarrende, onbetrouwbare wereld, waar gebruikers openhartiger kunnen spreken. De groei van het vertrouwen in zulke groepen gaat ten koste van het vertrouwen in openbare instellingen en ambtenaren. Zo ontstaat een nieuw soort ‘gezond verstand’, gebaseerd op een instinctief wantrouwen jegens de wereld buiten de groep.

    De immer groeiende populariteit van WhatsApp, die ten koste gaat van zowel officiële instellingen als de open sociale media, stelt ons voor een diepgravende politieke vraag: hoe behouden openbare instellingen en discussies legitimiteit en vertrouwen als mensen eenmaal georganiseerd zijn in gesloten en onzichtbare gemeenschappen? Het risico is dat er een vicieuze cirkel ontstaat, waarin privégroepen steeds meer informatie en desinformatie verspreiden om ambtenaren en publieke informatie in diskrediet te brengen, waardoor onze vervreemding van de democratie escaleert.

    Het standaardmiddel voor digitale communicatie

    Toen WhatsApp in 2014 voor $19 miljard door Facebook werd gekocht, was dit de prijzigste technologie-acquisitie uit de geschiedenis. Destijds bracht WhatsApp 450 miljoen gebruikers met zich mee. In februari van dit jaar bereikte het aantal 2 miljard gebruikers wereldwijd – en dat was nog vóór de lockdowns – waarmee het verreweg de meest gebruikte messenger-app is en de op een na meest gebruikte app, na Facebook zelf. In veel landen is WhatsApp het standaardmiddel voor digitale communicatie en sociale coördinatie, vooral onder jongeren.

    De functies die maken dat WhatsApp zich leent als kanaal voor samenzweringstheorieën en politieke conflicten, waren geen onderdeel van sms en hebben meer gemeen met e-mail: het aanmaken van groepen en de mogelijkheid om berichten door te sturen. Die laatste mogelijkheid – die recentelijk is beperkt als reactie op Covid-19-gerelateerde desinformatie – vormt een krachtig informatief wapen. Waren groepen aanvankelijk beperkt tot 100 deelnemers, later werden dit er 256. Dat is klein genoeg om je exclusief te voelen, maar als 256 mensen een bericht doorsturen naar nog eens 256 mensen, hebben al 65.536 het ontvangen.

    Groepen ontstaan ​​voor allerlei doeleinden – een feestje, een sportevent, een gedeelde interesse – maar gaan vervolgens een eigen leven leiden. Dat kan voortkomen uit anarchistische speelsheid, aangezien iedere groep zijn eigen grappen en gewoontes heeft. In een artikel van vorig jaar uit New York Magazine, met als kop ‘Groepschats maken het internet weer leuk’, betoogde technologiecriticus Max Read dat groepen ‘een regelrechte vervanging zijn geworden voor de manier waarop we ons het afgelopen decennium sociaal organiseren: het platformgerichte, op commentaar gebaseerde sociale netwerk.’

    Het is begrijpelijk dat gebruikers alleen op hun gemak zijn als ze weten dat er niemand meekijkt – maar dat heeft ook een minder speelse kant. Als groepen worden gezien als een plek om te zeggen wat je echt denkt, waar de beperkingen van het publieke oordeel of ‘politieke correctheid’ geen rol spelen, dan volgt daaruit automatisch dat dit de plek is waar mensen veroordelingen of meer hatelijke uitingen met elkaar delen, die elders onaanvaardbaar zijn, of zelfs illegaal. Santiago Abascal, de leider van de Spaanse extreemrechtse partij Vox, heeft zich geprofileerd als iemand die bereid is te ‘verdedigen wat de Spanjaarden op WhatsApp beweren’.

    Zo verschilt een WhatsApp-groep van een andere groep waarvan de leden allemaal dezelfde dienst gebruiken, zoals een school, een woonblok of een trainingsprogramma. Negatieve solidariteit kan een rol gaan spelen, waarbij gemeenschapsgevoelens worden versterkt doordat leden zich tegen de betreffende dienst gaan keren. Groepen van dit soort beginnen doorgaans met de wens om informatie te bundelen – studenten die bijvoorbeeld contact houden over deadlines – maar kunnen snel uitmonden in een middel om de instelling waar ze samenkomen in diskrediet te brengen. Een eerste uiting van ontevredenheid kan al snel escaleren, net zolang tot de groep een identiteit heeft opgebouwd gebaseerd op wrok en vervreemding, die onmogelijk nog met tegenargumenten kan worden verdreven.

    De leider van de Spaanse extreemrechtse partij Vox heeft zich geprofileerd als iemand die bereid is te ‘verdedigen wat de Spanjaarden op WhatsApp beweren’

    Met de opkomst van nieuwe technologieën hebben officiële organisaties en verenigingen de mogelijkheid mensen op hun favoriete platform tegemoet te komen. In maart introduceerde de regering [van het VK] een op WhatsApp gebaseerde informatiedienst over Covid-19, met een geautomatiseerde chatbot. Maar deze groepen zijn niet altijd de beste manier om cruciale informatie bij mensen te krijgen. Lokale politieke organisatoren en vakbondsvertegenwoordigers merkten dat hun werkdruk ondanks de aanvankelijke efficiëntie van WhatsApp-groepen doorgaans toeneemt vanwege het groeiende aantal subgemeenschappen, die elk afzonderlijk moeten worden gecontacteerd. Scholen proberen wanhopig informatie aan ouders te verstrekken, maar ontdekken dat deze niet wordt geregistreerd, tenzij in de juiste WhatsApp-groep gedeeld. Het tijdperk van het prikbord, of het nu fysiek of digitaal is, waar informatie eenmalig wordt geplaatst voor ieder die het aangaat, is voorbij.

    De ‘broadcast list’-functie van WhatsApp, waarmee berichten kunnen worden verzonden naar meerdere ontvangers die voor elkaar onzichtbaar zijn (zoals de ‘bcc’-regel van e-mail), verlicht het probleem van groepen die een eigen leven gaan leiden enigszins. Maar ook die lijsten kunnen alleen mensen bevatten die al een contact zijn van de lijsteigenaar. Voor dergelijke instellingen is het probleem kortom dat WhatsApp vooral lijkt te worden gebruikt voor informele, privécommunicatie. Universitaire docenten zijn vaak verbijsterd door de ontdekking dat veel studenten geen e-mail lezen. Als e-mail in verval raakt, lijkt WhatsApp geen haalbaar alternatief om geverifieerde informatie zo breed en inclusief mogelijk te delen.

    Groepen zijn geweldig voor korte uitbarstingen van humor of frustratie, maar lenen zich van nature veel minder goed om de verspreiding van openbare informatie te ondersteunen. Om te begrijpen hoe dit komt, moeten we nadenken over de manier waarop individuen worden beïnvloed en meegesleept zodra ze deel gaan uitmaken van een groep.

    Faux pas

    Het internet heeft zijn eigen litanie van sociale pathologieën en bedreigingen met zich meegebracht. Trolling [iemand die berichten plaatst om emotionele reacties te veroorzaken], flaming [het plaatsen van berichten op het internet die aanvallend of beledigend zijn], doxing [het vergaren en publiceren van beledigende informatie over een individu] en pile-ons [mensen die zich massaal en vaak onrechtmatig tegen iets of iemand keren] zijn stuk voor stuk symptomen die horen bij de omgang op een enorme open ontmoetingsplek. ‘Open’ platforms als Twitter herinneren eraan dat sociale interactie gericht op een kleine en selecte gemeenschap al snel belachelijk of beschamend overkomt als ze aan een andere gemeenschap worden blootgesteld.

    Zoals iedere frequente gebruiker van WhatsApp of een gesloten Facebook-groep weet, is de morele angst die met groepen gepaard gaat weer anders. Bestaat de zorg in een open netwerk erin beoordeeld te worden door een externe waarnemer, of dat nu de baas is of een ver familielid, in een gesloten groep is dat om iets te zeggen dat indruist tegen de codes die de identiteit van de groep bepalen. Groepen kunnen snel gedomineerd worden door een bepaalde toon of een wereldbeeld dat beter niet kan worden tegengesproken en vrijwel onverwoestbaar is. Berichten die in de feed blijven hangen, wachtend op een reactie, kunnen gevoelens van faux pas opwekken.

    Dit betekent dat hoewel groepen een hoge mate van solidariteit kunnen genereren, wat in principe een krachtig politiek effect kan hebben, het ook moeilijker wordt om binnen de groep onenigheid te uiten. Als bijvoorbeeld een uitgesproken en populair lid van een WhatsApp-groep verkeerde informatie begint te verspreiden over gezondheidsrisico’s, zullen deze vanwege de algemene drang naar solidariteit waarschijnlijk met dank en instemming worden ontvangen. Als in een groep een stelling of artikel wordt gedeeld, kunnen er nog zoveel leden zijn die het beweerde in twijfel trekken, maar ze zullen het niet gauw over durven brengen. Ondertussen heeft iemand die minder kritisch is, het bericht allang doorgestuurd. Zodoende is WhatsApp een krachtige distributeur van ‘nepnieuws’ en complottheorieën.

    Net als op open sociale platforms wordt solidariteit binnen een WhatsApp-groep vooral opgebouwd door een of ander onrecht op te werpen, of een vijand die een bedreiging vormt. In het oog springende voorbeelden zijn de complottheorieën over politieke tegenstanders, bijvoorbeeld dat ze pedofiel zijn of samenspannen met buitenlandse machten. Dergelijke geruchten, die makkelijk te weerleggen zijn, gingen op verschillende platforms volop rond tijdens de succesvolle verkiezingscampagnes van Modi, Bolsonaro en Donald Trump.

    Het plotseling uitroepen van bedreigingen en onrecht in een groep verloopt vaak volgens een bepaald patroon. Het begint meestal met één deelnemer die speculeert dat de groep wordt gedupeerd of het doelwit is van een instelling of een concurrerende groep – of het nu een openbare dienst, een bedrijf of een culturele gemeenschap is. Een tweede deelnemer stemt ermee in. In deze fase wordt het voor een derde al riskant om de instelling of groep in kwestie te verdedigen, en daarmee zijn een nieuwe vijand en een nieuwe wrok in het leven geroepen. Vrijwel meteen krijgen de waarschuwingen en aanklachten die nu binnen de groep rondgaan een niveau van authenticiteit die niet kan worden weerlegd door de persoon, instelling of gemeenschap in kwestie.

    Veel groepen hebben een instinctief scepticisme ontwikkeld tegenover alles wat uit de “mainstream” komt

    Maar wat als de eerste deelnemer iets verkeerd heeft begrepen of gelezen, of een stressvolle dag heeft gehad en stoom moet afblazen? En wat als de tweede alleen maar instemt om de eerste beter te laten voelen? En wat als de andere leden te afgeleid zijn, dan wel te geremd of te moe om iets te zeggen om diens verontwaardiging tegen te gaan? Natuurlijk hoeft zo’n proces niet te leiden tot samenzweringstheorieën die rellen of brandstichtingen veroorzaken. Maar zelfs in mildere vormen maakt deze gang van zaken het verstrekken van officiële – soms levensreddende – informatie veel moeilijker dan tien jaar geleden. Informatie over openbare diensten en gezondheidsrisico’s moet in steeds grotere mate door een opeenhoping van overlappende groepen heen zien te dringen, waarvan vele bovendien een instinctief scepticisme hebben ontwikkeld tegenover alles wat uit de ‘mainstream’ komt.

    Instellingen lopen er onder andere tegen aan dat er vaak een vreemde emotionele troost zit in het gedeelde gevoel van vervreemding en passiviteit. ‘Daar zijn we nooit van op de hoogte gebracht’, ‘niemand heeft ons iets gevraagd’, ‘we worden genegeerd’. Dit zijn de heersende opvattingen van onze politieke tijdgeest. Nu nieuws en informatie steeds vaker via WhatsApp worden verspreid, dreigt er een vicieuze cirkel te ontstaan: de openbare wereld schijnt ons steeds verder weg, onpersoonlijker en onechter toe, terwijl de privégroep de plek wordt voor sympathie en authenticiteit.

    Dit is een nieuwe wending in de evolutie van het sociale internet. Sinds de jaren negentig belooft het internet connectiviteit, openheid en inclusiviteit, waarna het te maken kreeg met de onvermijdelijke bedreiging van privacy, veiligheid en identiteit. Groepen daarentegen zorgen ervoor dat mensen zich veilig en verankerd voelen, maar dragen ook bij aan de opsplitsing van het maatschappelijk middenveld in afzonderlijke, elkaar onbekende kliekjes. Dit is het resultaat van meer dan twintig jaar ideologische strijd over wat voor soort sociale ruimte het internet zou moeten zijn.

    Web 2.0

    Aan het begin van het millennium vormden de O’Reilly Emerging Technology Conferences (of ETech) een paar jaar lang dé plek waar een nieuwe digitale wereld werd vormgegeven en besproken. Deze conferenties, gelanceerd door mediaondernemer Tim O’Reilly en jaarlijks georganiseerd in Californië, trokken een mix van nerds, goeroes, ontwerpers en ondernemers die meer door nieuwsgierigheid dan vanuit commerciële overwegingen bijeen werden gedreven. In 2005 bedacht O’Reilly de term ‘web 2.0’ om een ​​nieuwe golf van websites te beschrijven die gebruikers met elkaar verbonden, in plaats van met bestaande offline instellingen. Later dat jaar werd de domeinnaam facebook.com gekocht door een 21-jarige student van Harvard en was het tijdperk van de reusachtige socialemediaplatforms aangebroken.

    Binnen deze korte periode bestonden er concurrerende ideeën over hoe een wenselijke online community eruit zou kunnen zien. De meer idealistische techgoeroes die ETech bijwoonden, drongen erop aan dat het internet een open openbare ruimte zou blijven, zij het een waarin bepaalde gemeenschappen konden clusteren voor hun eigen specifieke doeleinden, zoals het creëren van open-source softwareprojecten of het opstellen van Wikipedia-vermeldingen. Het onbenutte potentieel van internet lag volgens hen in de bevordering van de democratie. Maar voor bedrijven als Facebook bood internet de mogelijkheid om massaal gegevens over gebruikers te verzamelen, en bood het de potentie van meer toezicht. De opkomst van de gigantische platforms vanaf 2005 suggereerde dat deze laatste opvatting had gewonnen. Toch zijn we door een vreemde wending nu ineens getuige van een heropleving van anarchistische, zelforganiserende digitale groepen – die eveneens in handen zijn van Facebook. De twee concurrerende visies zijn met elkaar in botsing gekomen.

    Om te zien hoe dat zo is ontstaan, is het interessant om terug te gaan naar 2003. Tijdens de ETech-conferentie dat jaar werd een belangrijke speech gehouden door webfanaat en schrijver Clay Shirky, nu academicus aan de New York University, die zijn publiek verraste door te verklaren dat de taak om succesvolle online communities te ontwerpen vrijwel niets met technologie te maken had. De lezing, waarin Shirky terugkeek op een van de meest vruchtbare periodes in de geschiedenis van de sociale psychologie, had als titel ‘Een groep is haar eigen ergste vijand’.

    Shirky putte uit het werk van de Britse psychoanalyticus en psycholoog Wilfred Bion, die samen met Kurt Lewin een van de pioniers was van de bestudering van ‘groepsdynamiek’ in de jaren veertig. De centrale stelling van deze school was dat groepen psychologische eigenschappen bezitten die onafhankelijk van hun individuele leden bestaan. In groepen merken mensen dat ze zich gedragen op manieren waarop ze zich nooit zouden gedragen als ze in hun eentje handelden.

    Evenals door Stanley Milgrams beruchte reeks experimenten in de vroege jaren zestig om gehoorzaamheid te testen – waarbij sommige deelnemers werden overgehaald om anderen schijnbaar pijnlijke elektrische schokken toe te dienen – groeide de bezorgdheid over de groepsdynamiek halverwege de twintigste eeuw in de schaduw van de politieke verschrikkingen van de jaren dertig en jaren veertig, die ernstige vragen hadden opgeworpen over hoe een individu afstand doet van zijn moreel besef. Lewin en Bion stelden dat groepen hun eigen persoonlijkheden bezitten, die organisch ontstaan ​​door de interactie van hun leden, ongeacht welke regels ze hebben meegekregen of wat ze normaliter rationeel zouden doen.

    Met het aanbreken van de jaren zestig, het tijdperk van meer individualistische politieke verwachtingen, begon de belangstelling van psychologen voor groepen af ​​te nemen. De veronderstelling dat individuen door conformisme worden geregeerd verloor aan kracht. Toen Shirky het werk van Bion op de O’Reilly-conferentie in 2003 opbracht, was dat controversieel. Wat hij terecht opmerkte was dat, bij gebrek aan expliciete structuren of regels, veel online gemeenschappen vochten tegen de ontwrichtende dynamiek die de psychologen van de jaren veertig fascineerde.

    Shirky benadrukte in het bijzonder één gebied van Bions werk: hoe groepen spontaan hun eigenhandig vastgestelde doelen saboteren. Het mooie van vroege online communities, zoals listservs, message boards en wiki’s, was de geest van egalitarisme, humor en informaliteit. Maar deze zelfde eigenschappen werkten hen vaak tegen als het erom ging iets constructiefs gedaan te krijgen, en konden hinderlijk en ergerniswekkend worden. Als binnen de ene groep de andere groep eenmaal werd bespot of als tegenstander beschouwd, was het heel moeilijk daarvan terug te komen.

    Net als een goed ontworpen park of straat, kan een goed ontworpen online ruimte gezonde gezelligheid bevorderen

    Bion maakte zich zorgen over de duistere impulsen van de mensheid. De visie die Shirky die dag aan zijn publiek voorlegde, was optimistischer. Als de ontwerpers van online ruimtes verstorende ‘groepsdynamiek’ zouden kunnen voorkomen, betoogde hij, dan zou het mogelijk worden om samenhangende, productieve online gemeenschappen te creëren die zowel open waren als constructief. Net als een goed ontworpen park of straat, kan een goed ontworpen online ruimte gezonde gezelligheid bevorderen zonder dat er beleid, toezicht of uitsluiting van buitenstaanders aan te pas hoeft te komen. Tussen het ene uiterste van anarchistische chaos (trollen) en het andere uiterste van strikte moderatie en regulering van de gesprekken (bij wijze van autoriteitsfiguur), hield het denken in termen van groepsdynamiek voor hem de belofte in van een sociaal web dat nog grotendeels zelforganiserend was, maar ook relatief overzichtelijk.

    Maar er diende zich nog een andere oplossing aan voor hetzelfde probleem, waarvan de gevolgen de wereld zouden veranderen: de groepsdynamiek werd vervangen door de reputatiedynamiek. Als iemand online bepaalde offline kenmerken heeft, zoals een functie, een album met getagde foto’s, een lijst met vrienden en een e-mailadres, zal diegene zich gedragen op een manier die past bij deze openbare identiteitsgegevens. Voeg steeds meer toezicht toe aan de mix, zowel door collega’s als door bedrijven, en het probleem van spontane groepsdynamiek verdwijnt. Als je openbaar zichtbaar bent is het gemakkelijker om je zelfbeheersing te bewaren en gewetensvol te zijn, zelfs tegenover vrienden, familie en collega’s.

    Voor veel van de Californische pioniers op het gebied van cybercultuur, die online gemeenschappen koesterden als een ontsnapping aan de waarden en beperkingen van de kapitalistische samenleving, betekent de overwinning van Zuckerberg een regelrechte nederlaag. Het was nooit de bedoeling dat bedrijven de controle over deze ruimte zouden krijgen. In 2005 hoopte men nog dat het sociale web zou worden opgebouwd rondom democratische principes en gemeenschappen van onderaf. Facebook heeft dat hele idee opgegeven door van internet simpelweg een multimediale telefoongids te maken.

    De laatste ETech vond plaats in 2009. Minder dan tien jaar later zou Facebook ervan worden beschuldigd de liberale democratie tot het uiterste te hebben gedreven en de waarheid zelf te hebben vernietigd. Maar nu de eisen van sociale media, waarop we allemaal een profiel hebben samengesteld en een identiteit opgebouwd, steeds zwaarder op ons drukken, is de verleiding van de autonome groep weer opgedoken. In sommige opzichten is de optimistische bezorgdheid van Shirky de pessimistische bezorgdheid van vandaag geworden. Mede dankzij WhatsApp is het ongemodereerde, zelfbesturende, amorele collectief – groter dan een gesprek, kleiner dan een publiek – een dominante en ontwrichtende politieke macht geworden in onze samenleving, zoals figuren als Bion en Lewin reeds vreesden.

    Het medium is de boodschap

    Conspiracytheorieën en paranoïde groepsdynamiek kenmerkten het politieke leven al lang voordat WhatsApp bestond. Het heeft geen zin om de app de schuld te geven van het bestaan ervan, net zo min als het logisch is om Facebook de schuld te geven van de Brexit. Maar door te kijken naar de soorten gedrag en sociale structuren die technologieën mogelijk maken en uitvergroten, krijgen we een beter beeld van bepaalde eigenschappen en kwalen van de samenleving. Wat zijn de neigingen die door WhatsApp worden versterkt?

    Allereerst is er het probleem van samenzweringen in het algemeen. WhatsApp is zonder twijfel een ongeëvenaard kanaal voor het circuleren van complottheorieën, maar we moeten ook onder ogen zien dat het een uitstekend hulpmiddel lijkt te zijn voor het faciliteren van echt samenzweringsgedrag. Een van de grote problemen bij het overwegen van een samenzweringstheorie in de wereld van vandaag is dat sommige samenzweringen waar blijken te zijn: denk aan het Libor-schandaal, het afluisteren van telefoons of de inspanningen van Labour-partijfunctionarissen om de electorale vooruitzichten van Jeremy Corbyn te dwarsbomen. Dat gebeurde allemaal echt, maar iemand die erover had gespeculeerd zou totdat het tegendeel werd bewezen als een complottheoreticus zijn weggezet.

    Een communicatiemedium dat groepen van maximaal 256 mensen verbindt, zonder enige publieke zichtbaarheid en wordt gebruikt op de telefoon in je zak, is van nature zeer geschikt om geheimhouding te ondersteunen. Uiteraard telt niet elke groepschat als een ‘samenzwering’. Maar het medium maakt dat de samenleving, wie met wie geassocieerd wordt, een kwestie wordt van speculatie – iets dat een zweem van samenzwering met zich meedraagt. In die zin is WhatsApp niet alleen een kanaal voor het verspreiden van complottheorieën, maar voedt het ze bovendien. Het medium is de boodschap.

    Het volledige politieke potentieel van WhatsApp is in het VK voor zover bekend nog niet benut. Tot op heden heeft het niet gediend als effectief instrument voor politieke campagnes, deels omdat gebruikers terughoudend lijken om zich aan te sluiten bij grote groepen mensen die ze niet kennen. De invloed – al dan niet reëel – van WhatsApp-groepen binnen Westminster en de media draagt ​​ongetwijfeld bij aan het gevoel dat het openbare leven een schijnvertoning is, waarachter onzichtbare netwerken schuilgaan die de macht coördineren. WhatsApp is een soort ‘backstage’ van het openbare leven geworden, waar mensen worden geacht onder woorden te brengen wat ze echt denken en heimelijk geloven. Dit is een kenmerk dat al lange tijd complottheorieën aanwakkert, vooral antisemitische. Onzichtbare WhatsApp-groepen kunnen in die zin dienen als een soort moderne variant op vrijmetselaarslodges of de Rothschilds.

    Binnen de veiligheid van de groep wordt het mogelijk om tegelijkertijd radicaal en orthodox te zijn, zowel sceptisch als volgzaam

    Voorbij de wereld van de partijpolitiek en nieuwsmedia, ligt een samenleving in het verschiet die een aaneenschakeling is van overlappende kliekjes, elk met hun eigen overtuigingen. Groepen zullen eerder geneigd zijn anders denken en het nemen van risico’s te ontmoedigen, en deelnemers aansporen tot conformiteit, zij het vaak aan de hand van normen die vijandig staan ​​tegenover die van de ‘mainstream’, of dat nu de media, de politiek of professionele ambtenaren zijn die gewoon hun werk doen. Binnen de veiligheid van de groep wordt het mogelijk om van beide walletjes te eten, om tegelijkertijd radicaal en orthodox te zijn, zowel sceptisch als volgzaam.

    Ondanks alle voordelen die WhatsApp biedt om mensen te helpen zich dicht bij anderen te voelen, is de snelle opkomst tegelijk een zoveelste teken van hoe een gemeenschappelijke openbare wereld – gebaseerd op geverifieerde feiten en erkende procedures – uit elkaar valt. WhatsApp is goed uitgerust om communicatie in de marge van instellingen en publieke discussie te ondersteunen: afkerigen die coups beramen, ouders die roddelen over leraren, vrienden die scherpe memes delen, journalisten die geruchten verspreiden, familieleden die onofficieel medisch advies doorsturen. Een samenleving die alleen in zulke marges eerlijk spreekt, zal het moeilijker vinden om de legitimiteit van deskundigen, ambtenaren en vertegenwoordigers die per definitie in de schijnwerpers staan, te erkennen. Ondertussen worden wantrouwen, vervreemding en samenzweringstheorieën de norm, waardoor de instellingen die ons bij elkaar zouden kunnen houden, steeds verder afbrokkelen.

  • Bestaat er een remedie tegen de allesoverheersende angst?

    Bestaat er een remedie tegen de allesoverheersende angst?

    Kenmerkend voor dit tijdsgewricht van opkomend populisme, klimaatverandering en politieke crisis is een allesoverheersende en verlammende angst. Wat zijn de gevolgen, en doen we ertegen? vraagt de Britse essayist Gavin Jacobson zich af.

    ‘Wij zien ons tijdsgewricht als een tijd van problemen, een eeuw van angst. De grond onder onze beschaving, onder onze zekerheid, verkruimelt onder onze voeten, en vertrouwde ideeën en instituties verdwijnen voor we ze kunnen vastgrijpen, als schaduwen in de invallende schemering.’

    Deze overpeinzing, geïnspireerd op het lange gedicht The Age of Anxiety van de Engels-Amerikaanse dichter W.H. Auden, komt uit het boek van de Amerikaanse historicus Arthur Schlesinger Jr., The Vital Center: The Politics of Freedom (1949). Hij schreef het in de gespannen periode vlak na de Tweede Wereldoorlog, waarin een nucleaire apocalyps voorstelbaar was, toen mensen zich zorgen maakten over de loop van de menselijke geschiedenis en politiek engagement moeilijk te vinden was en nog moeilijker vast te houden. Maar de passage had ook gemakkelijk in onze tijd geschreven kunnen zijn. Sinds de financiële crash van 2008 heerst er in Europa en de Verenigde Staten een ‘Sense of an ending’ (om de titel van het boek van literatuurcriticus Frank Kermode te lenen): een eindtijdgevoel. Liberale opvattingen hebben moeten wijken voor radicale twijfel. Populistische bewegingen staan op tegen de politieke en economische orde die de afgelopen vijftig jaar hebben geheerst. Electoraten staan voor een ongewisse toekomst.

    De grond onder de beschaving zal niet zozeer onder onze voeten verkruimelen, als wel wegzakken onder smeltende ijskappen en stijgende zeespiegels, terwijl de bekende indicatoren voor vooruitgang – levensverwachting, gelijkheid, geluk en vertrouwen in politieke instituties – in veel delen van de wereld afnemen. Krantenkoppen geven de stemming weer: ‘Geluk neemt af in de VS, volgens VN-rapport’ (The Guardian, maart 2017), ‘Vertrouwen daalt sterk in Amerika’, (The Atlantic, januari 2018), ‘Levensverwachting in Amerika twee achtereenvolgende jaren gedaald, (The Economist in januari 2018), ‘Neemt de ongelijkheid toe of af?’ (eveneens The Economist, maart 2018), allemaal ondersteund door de publicatie van het World Inequality Report Executive Summary, 2018 door Thomas Piketty et al. Ook de Wereldbank heeft gemeld dat er weliswaar minder mensen op de wereld in extreme armoede leven, maar dat de afname van de armoede is vertraagd.

    Naast dit verhaal van vermindering en verval zijn er ook meer positieve opvattingen, zoals die van psycholoog Steven Pinker, over een vreedzame en verlichte koers van de mensheid. Maar tot nu toe blijken de optimisten minder overtuigend: ze zijn er niet in geslaagd het tij van het doemdenken te keren.

    Lees ook:

    Lui lijfeigenschap

    We hoeven niet verbaasd te zijn over deze alarmistische verhalen. Al in de jaren negentig van de vorige eeuw luidde een hele verzameling van intellectuelen en commentatoren de alarmbel over toekomstige stormen (al werd dat geluid gedempt door een onstuitbare Amerikaanse hegemonie). Sommigen, zoals politiek wetenschapper John Mearsheimer, vreesden voor de terugkeer van nationale rivaliteiten die lang onderdrukt waren geweest door de bipolaire wereldorde van de Koude Oorlog. Anderen, onder wie historicus Paul Kennedy, grepen terug op malthusiaanse schrikbeelden zoals ‘demografische onevenwichtigheden over de hele wereld’.

    De vroegere nationale veiligheidsadviseur van Jimmy Carter, Zbigniew Brzezinski, voorzag ook een groot aantal gevaren voor de wereld en waarschuwde dat ‘mondiale verandering niet meer in de hand te houden is’, terwijl de mensheid afstevende op ‘politieke wanorde en filosofische verwarring’. Filosoof John Gray, politiek adviseur Edward Luttwak en miljardair George Soros wezen – vanuit verschillende invalshoeken en in verschillende toonaarden – op de schadelijke effecten van de vrije markt. Journalist Robert Kaplan fulmineerde tegen de kermis der ijdelheden van het rechtse Amerikaanse kapitalisme en voorspelde ‘The Coming Anarchy’, zoals hij het noemde (The Atlantic, maart 1994), een Mad Max-achtige wereld van welig tierende criminaliteit en ecologische afbraak.

    De meest verontrustende, maar minst begrepen waarschuwing kwam echter van Francis Fukuyama. Zijn essay The End of History?, dat hij in 1989 publiceerde in National Interest (en in 1992 uitwerkte tot een boek waarin het vraagteken nadrukkelijk was verdwenen), werd de oertekst van het post-Koude Oorlog-tijdperk. Fukuyama’s stelling – dat de liberale democratie het eindstation is van onze ideologische evolutie – wordt vaak gelezen als een verdediging van ongebreideld kapitalisme en van de Anglo-Amerikaanse interventies in het Midden-Oosten.

    Toch valt er weinig verlossing te verwachten van Fukuyama’s liberale eindstadium. Hij dacht zelfs dat de posthistorische toekomst gevaar liep een ‘leven van meesterloze slavernij’ te worden, een wereld van bederf en culturele verlamming, ontdaan van elke onzekerheid en gecompliceerdheid.

    ‘De laatste mens’ zou gereduceerd zijn tot homo economicus, die zich alleen liet leiden door de rituelen van consumptie, en ontdaan was van de bezielende deugden en heroïsche drijfveren die de geschiedenis hebben voortgestuwd. Hij waarschuwde dat mensen ofwel deze toestand zouden aanvaarden, ofwel, en dat was eerder te verwachten, in opstand zouden komen tegen de sleur van hun eigen bestaan: ‘Ik voel zelf en zie in anderen om me heen een sterke nostalgie naar de tijd dat de geschiedenis nog bestond (…) Misschien zal juist het vooruitzicht van eeuwige verveling aan het eind van de geschiedenis dienen om de geschiedenis weer op gang te brengen.’

    De idee dat angst, meer dan hoop of zekerheid, mensen tot daden aanzet, is vooral door klimaatdeskundigen en -activisten omarmd

    Het moderne Amerika vertoonde al tekenen van dit luie lijfeigenschap, klaagde Fukuyama, en andere landen, waaronder ook Groot-Brittannië volgden snel. Het verval van ideologieën ter linker- en rechterzijde dat was ingezet in de jaren zeventig, had in de jaren negentig zijn dieptepunt bereikt. De gevestigde politiek was niet meer zo geïnteresseerd in vragen over de verdeling van macht en hulpbronnen of over de strijd voor gelijkheid (deze kwamen bij partijen in de marge terecht) – zij richtte zich op het besturen en op technocratische aanpassingen vanuit het midden. Met zeldzaam retorische precisie schreef Slavoj Zizek in The Ticklish Subject: The absent centre of political ontology (1999) dat ‘het conflict van mondiale ideologische opvattingen, belichaamd in verschillende partijen die om de macht strijden, plaats heeft gemaakt voor de samenwerking van verlichte technocraten (economen, pr-specialisten…) en liberale multiculturalisten; via het proces van onderhandeling over belangen wordt een compromis bereikt vermomd als een min of meer algehele consensus.’ Tony Blairs idee over het Radicale Midden was volgens Zizek een volmaakte illustratie van deze verschuiving.

    Wankele moraliteit

    Met het verdwijnen van de politieke antagonismen, de grote verhalen van de geschiedenis en de labels ‘links’ en ‘rechts’, verdampte ook het fiere manifest van deugden en waarden dat burgers inspireerde. De samenleving leek al snel haar Sittlichkeit te hebben verloren, de morele en spirituele orde die dient als brandpunt voor eenheid en betrokkenheid. Zoals Frank Furedi betoogt in How Fear Works, Culture of Fear in the 21st century, is de dominante rol van de angst in ons leven nauw verbonden met deze ‘motivationele crisis die voortkomt uit de wankele staat van het moreel gezag’. Het gebrek aan positieve morele idealen, zoals moed, plicht, hoop, ideologie, liefde en solidariteit, heeft een ‘op angst gebaseerde, negatieve opvatting van gezag’ opgeleverd. (Het was natuurlijk dit gat dat de presidentscampagne van Barack Obama in 2008 blootlegde.)

    Furedi’s klaagzang volgt een vertrouwd pad. In een eerder boek, Culture of Fear: Risk taking and the morality of low expectation (1997), had hij al betoogd dat samenlevingen ‘die nog niet zo lang geleden hun triomf over de Sovjet-Unie vierden, nu te kampen hadden met een allesoverheersend gevoel van maatschappelijke malaise’. Overal zag hij ‘een groeiende aandacht voor risico’, terwijl veiligheid ‘de belangrijkste deugd van de samenleving’ werd, die elk facet van het leven kleurde, van de manier waarop we omgaan met nieuwe technologieën tot de manier waarop we omgaan met elkaar. In dit nieuwe boek keert Furedi terug naar dit thema en er klinkt een enigszins geërgerde toon in door, alsof het hem irriteert hoe angstig en verzwakt samenlevingen zijn geworden. Maar de verwarde en fragiele morele wereld die hij schetst (de wereld die Fukuyama heeft voorspeld), verklaart waarom een gevoel van angst ‘overal is’, opgewekt door de apocalyptische dreigingen, zoals klimaatverandering en kernoorlog, of door zorgen over schulden, eetpatronen, ouderschap en pedofilie.

    Furedi geeft een diagnose en een historische verklaring voor de bronnen van deze angst. Hij laat zien hoe angst in de klassieke wereld en tot aan het interbellum werd gezien als een morele kwestie die was gebaseerd op ideeën over goed en kwaad en werd bestreden met deugden zoals moed, en hoe vanaf de jaren twintig de intellectuele dominantie van de psychologie niet alleen leidde tot ‘het ont-moraliseren van angst’, maar ook ‘bijdroeg aan de vorming van een discours dat angst afschilderde als een onbeheersbare, autonome en verlammende kracht.’ De inaugurele rede van president Franklin D. Roosevelt in 1933 waarin hij zei: ‘het enige dat we te vrezen hebben (…) is de angst zelf’, koos bewust voor deze interpretatie door angst te beschrijven als ‘de onberedeneerde en ongerechtvaardigde doodsangst die mensen verlamde.’

    Sterker, angst is altijd opgevat als bron van politieke vitaliteit of, zoals John Locke het stelde ‘de belangrijkste, zo niet de enige prikkel voor de menselijke bedrijvigheid’. Vandaag echter gaat het bij de politiek van de angst niet zozeer om het leggen van een negatief moreel fundament waarop mensen in vrede samenleven, als wel over een groeiende afhankelijkheid van nationale verleiders die ons veiligheid beloven. Donald Trumps beweringen in januari 2017 dat ‘safety will be restored’ en dat ‘we will make America safe again’, zijn een voorbeeld van de manier waarop veiligheid de fundamentele waarde van het politieke leven blijft. Maar de oorspronkelijke idee dat angst, meer dan hoop of zekerheid, mensen tot daden aanzet, is in bepaalde regionen omarmd, vooral misschien wel door klimaatdeskundigen en -activisten. Het dramatische artikel van David Wallace-Wells in New York Magazine over ‘The Uninhabitable Earth’ (juli 2017), waarin hij beschrijft hoe het er aan het eind van deze eeuw met de planeet voor kan staan – hongersnoden, economische ineenstorting, besmettelijke ziekten en torenhoge temperaturen – is typerend voor het doemdenken van het klimaatactivisme, bedoeld om mensen uit angst milieubewust en veranderingsgezind te laten worden.

    Een belangrijk debat onder klimaatdeskundigen gaat niet zozeer over wetenschap, als wel over retorische stijl, en wordt gevoerd tussen mensen als Wallace-Wells en Guy McPherson (die in The New York Times een ‘apocalyptisch ecoloog’ werd genoemd) en mensen als Michael Mann die betogen dat er ‘een gevaar in zit om de wetenschap al te veel nadruk te geven op een manier die het probleem [van de klimaatverandering] voorstelt als onoplosbaar en een gevoel van noodlottigheid, onvermijdelijkheid en hopeloosheid voedt.’ Furedi is het daarmee eens en beschouwt het ecologische catastrofisme en andere verhalen over het einde van de wereld als bewijs dat ‘het uit de Verlichting stammende, optimistische geloof in het vermogen van de mensheid om het onbekende te bedwingen, heeft plaatsgemaakt voor een overtuiging dat de mensheid niet bij machte is af te rekenen met de gevaren die haar bedreigen.’

    © Jeff Sheldon
    © Jeff Sheldon

    Hoeveel van onze angsten worden gewekt door de media? Niet zo veel als vaak wordt gedacht, volgens Furedi. Het verband tussen de media en angst is niet nieuw. In de negentiende eeuw hielden commentatoren de massa-oplages van kranten en tabloids verantwoordelijk voor uitbarstingen van collectieve angst en hysterie. Mensen die de media ervan beschuldigen dat ze morele paniek zaaien met hun griezelverhalen, gebruiken daarvoor vaak dezelfde alarmistische retoriek die ze in anderen veroordelen, en zo maken ze van de media nóg een kwaadaardige kracht waar je bang voor moet zijn. Furedi twijfelt er niet aan dat media en sociale media inspelen op de angsten van mensen omdat ze daarmee hun aandacht kunnen trekken. Maar volgens hem is het al te simpel om met een beschuldigende vinger naar de media te wijzen.

    Om te beginnen zijn er ook nog directe ervaringen, persoonlijke omstandigheden en specifieke sociale verhoudingen die beïnvloeden hoe en wat we vrezen. ‘Sociale en culturele variabelen,’ zegt Furedi, ‘leiden tot een gedifferentieerde reactie op de dreigingen die de media ons voorspiegelen.’ Onderzoeken wijzen erop dat leeftijd, geslacht, sociale klasse en onderwijsniveau bepalend zijn voor de reactie van mensen op dreigingen als klimaatverandering en misdaad. Volgens Furedi creëren de media niet zozeer angst, maar kunnen ze een al bestaande fatalistische stemming wel versterken – en er munt uit slaan. De centrale rol van de media, schrijft Furedi, zit hem in het ‘normaliseren van een taal en een systeem van symbolen en betekenis voor het interpreteren van wat de samenleving ervaart’. Hij geeft als voorbeeld de toename van de angst voor pedofilie, waarbij de media die angst niet hebben veroorzaakt, maar wel ‘een belangrijke rol hebben gespeeld in het scheppen van de symbolen en beelden die door onze verbeelding spoken’.

    Furedi wijst ook op de belangrijke wisselwerking tussen tekst en beeld; gevoelens van dreigend gevaar en wanhoop worden volgens hem veroorzaakt door retorische hulpmiddelen en metaforen zoals tikkende tijdbommen en dozen van Pandora. Deze drukken waarschuwingen uit over een onzekere toekomst, en ‘moedigen de samenleving niet alleen aan om bang te zijn, maar om het ergste te vrezen’. Vooral de tijdbommetafoor is een illustratie van onze voorliefde voor het denken in worstcasescenario’s, net als de ‘Doomsday Clock’ die in het jaar dat Audens gedicht uitkwam begon te tikken. Zo ontstaat niet alleen de suggestie van een dreigende ontploffing, maar ook van de tijd die onverbiddelijk voort tikt naar een explosieve toekomst. Het leven lijkt een race om iets te doen voor het te laat is. Zo laat Sky News tijdens zijn uitzendingen bijvoorbeeld een ‘Brexit Deadline’-klok in beeld zien (nog 53 dagen, 5 uur, 34 minuten en 24 seconden op het moment dat ik dit schrijf), en New Yorkers kunnen omhoog kijken naar de National Debt Clock in Manhattan, om de (slechte) gezondheidstoestand van de economie van hun land te zien. Furedi noemt deze tijdwaarneming een ‘Manhattan-teleologie van het noodlot’ – een goede beschrijving voor de manier waarop wij over de relatie tussen het heden en de toekomst denken.

    Het gezag van de wetenschap wordt verpakt in het zelfgenoegzame idioom van goed en kwaad

    De cultuur van de angst wordt levend gehouden door een soort terugkerend vingerwijzen, waarbij degenen die de waarschuwingen van deskundigen in de wind slaan, gehekeld worden om hun zorgeloosheid of zelfs immoraliteit. Het gezag van de wetenschap wordt verpakt in het zelfgenoegzame idioom van goed en kwaad, en zo spreekt de samenleving mensen bestraffend toe omdat ze roken, zonnebaden, drinken, poedermelk gebruiken, ongezond eten en niet bewegen. Het gaat er Furedi niet om mee te zingen met het afgezaagde refrein van ‘te ver doorgedreven gezondheid en veiligheid’. Voor hem is het wezenlijke punt dat deze morele superioriteit erop gericht is om angst aan te jagen, anderen moreel te veroordelen, door gewone of dagelijkse ervaringen van het leven – zoals tegenwoordig ook het gebruik van plastic en wegwerp-koffiebekers – te veranderen in praktijken die voortdurend kritisch bekeken worden vanwege de risico’s die ze vormen voor mens en planeet.

    In deze opvatting van angst als een soort negatieve waarheid waaraan de politiek haar bestaansrecht ontleent, en in zijn beroep op deugden als ‘moed, verbeeldingskracht en idealisme’, om weer een meer positieve kijk op het leven te krijgen, komt het sociologische werk van Furedi overeen met Martha Nussbaums beknoptere filosofische verhandeling. Net als Furedi keert Nussbaum terug naar bekend terrein – de afgelopen jaren heeft zij zich vooral beziggehouden met emoties en met een poging om een nieuw stoïcisme te formuleren dat de kloof tussen gedachte en gevoel moet overbruggen – met een hernieuwd doelbewustzijn. Haar boek The Monarchy of fear: A philosopher looks at our political crisis kwam tot stand na de verkiezing van Trump, toen Nussbaum besefte dat ‘angst het probleem was, een wazige en veelvormige angst waarvan de samenleving doortrokken was.’

    Puttend uit de theorieën van de oude wijsgeren, met name filosoof-dichter Lucretius, zegt Nussbaum in essentie dat angst ook de wieg en medeplichtige is van die andere giftige emoties – woede, haat en jaloezie – waarvan we ooit dachten dat ze verdwenen waren uit de politieke organen van het Westen. ‘Angst,’ schrijft ze, ‘kaapt vaak het gevoel van verontwaardiging en protest en maakt daarvan een giftig verlangen naar genoegdoening. En angst voedt de uit walging ontstane aversie tegen sterfelijkheid en inlijving, door strategieën te produceren die uitsluiten en onderwerpen.’ Angst ligt ook aan de wortel van afgunst: ‘de angst om niet te hebben wat je erg nodig hebt.’

    Kraamkamers van hoop

    Zoals altijd schrijft Nussbaum in een koele, afstandelijke stijl, gehoorzaam aan haar eigen opdracht een stap terug te doen en ‘diep adem te halen (…) en dit moment van afstand te gebruiken om erachter te komen waar angst en aanverwante emoties vandaan komen en waar ze ons naartoe leiden.’ Ze gebruikt Martin Luther King en Nelson Mandela als leiders in morele actie, heroïsche voorbeelden van broederschap die hun kwelgeesten veroordeelden zonder in haat te vervallen. Nussbaum negeert niet de specifieke thema’s van dit politieke moment, maar ze toont hier een zekere dofheid; haar proza en zelfs haar ideeën lijken niet te passen bij de urgentie van deze tijd.

    Nussbaums punt over de socialiserende ‘ervaringen van kunst’, bijvoorbeeld, ‘wanneer mensen samenkomen om te zingen of dansen, of een toneelstuk op te voeren, of zelfs om mee te zingen met de cd van Hamilton’, mag dan op een enigszins naïeve manier aardig zijn, maar is nauwelijks serieus – zeker omdat Nussbaum niet echt uitlegt hoe kunst de kloof kan overbruggen tussen mensen die, tenminste in de VS, elkaar geregeld wegzetten als ‘fascist’ aan de ene kant, of ‘cultuurmarxist’ aan de andere. Wel wijst ze terecht op protestorganisaties en brede volksbewegingen zoals Black Lives Matter – als de kraamkamers van een meer hoopvolle politiek, waarin ideeën over het algemeen welzijn misschien in ere hersteld en versterkt kunnen worden, en waar gevoelens van individuele hulpeloosheid opgaan in collectieve macht. En ze is bereid afstand te nemen van haar poëtische visie op een politiek gebaseerd op liefde, hoop en vertrouwen, om een theorie te ontvouwen over rechtvaardigheid voor de liberaal-democratische staat gebaseerd op de kansen die alle burgers moeten krijgen – leven, fysieke gezondheid, ergens bij horen, spelen, controle over je omgeving, enzovoort – wil een land zich zelfs maar minimaal rechtvaardig kunnen beschouwen.

    Radicaler is misschien haar voorstel voor een driejarige nationale dienstplicht, waarbij jonge mensen uitgezonden worden door heel Amerika om nuttig werk te gaan doen – zorg voor ouderen, kinderopvang, infrastructurele projecten – om zo een gevoel voor solidariteit en het algemeen belang te krijgen (Fukuyama stelt dit trouwens ook voor in zijn nieuwe boek Identity: Contemporary identity politics and the demand for recognition). Nussbaums redenering dat ‘we in een tijd van een terugtredende overheid eenvoudigweg niet meer de mankracht hebben om veel essentiële diensten te verlenen’, doet misschien denken aan David Camerons Big Society-programma, maar het idee van een nationale dienstplicht past in een lange traditie van maatschappijfilosofie, van Locke en Rousseau met hun meer militair gerichte theorieën en William James met zijn ‘morele equivalent van oorlog’, tot John F. Kennedy en zijn Peace Corps.

    De vraag die Nussbaum echter ontwijkt is hoe te voorkomen is dat die gevoelens van solidariteit weer verdwijnen, zodra iemand klaar is met zijn dienstplicht en terugkeert naar het onpersoonlijke domein van de kapitalistische economie. Hoe voorkom je dat burgers weer eenlingen worden door het individualisme en het nuttigheidsdenken die horen bij de liberale staat? Uiteindelijk komen Nussbaums voorstellen om een tegenwicht te bieden aan de politiek van de angst neer op een filosofie van goede bedoelingen, en bevestigen ze alleen wat de meeste redelijk denkende mensen geacht worden te geloven – dat liefde beter is dan angst, dat een politiek van hoop beter klinkt dan een politiek die gebaseerd is op haat en dat Martin Luther King een voor de hand liggend rolmodel is. In die zin past het boek in een opkomende trend (getypeerd door bestsellergoeroes als Yuval Noah Harari) die pleiten voor ‘jezelf kennen’ en voor vormen van zelfonderzoek die meer lijken op strategieën om het in je eentje te redden dan op een politiek van solidariteit en collectieve strijd. Het doet ook denken aan de post-politieke tijdgeest van de jaren negentig en aan de ‘sentimentaliteit van het gebaar’ zoals journalist Alexander Cockburn het noemde, die zijn hoogtepunt bereikte tijdens het presidentschap van Bill Clinton en nu uit de politiek verdwenen lijkt.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/wat-er-te-doen-valt-%e2%80%a8tegen-angstzaaien/

    Eind jaren negentig viel Arthur Schlesinger in het blad Slate Clinton aan, omdat die zijn term ‘het vitale midden’ had misbruikt:

    ‘Toen ik het boek dat ik in 1949 schreef, The Vital Center noemde, was het “midden” waar ik op doelde de liberale democratie, afgezet tegen de internationale doodsvijanden daarvan – fascisme op rechts, communisme op links. Ik gebruikte die term in een mondiale context. President Clinton gebruikt hem in een binnenlandse context. Wat bedoelt hij ermee? Zijn bewonderaars [van de Democratic Leadership Council] hopen waarschijnlijk dat hij ‘de middenweg’ bedoelt, die voor hen dichter bij Ronald Reagan ligt dan bij Franklin D. Roosevelt. Zoals ik elders al heb gezegd is ‘de middenweg’ naar mijn idee bepaald niet het “vitale midden”. Het is het dode midden.’

    Nu, eenentwintig jaar later, lijkt dat dode midden nog steeds niet tot leven te komen. Nussbaums boek, met al zijn indrukwekkende filosofische vakmanschap en vriendelijke ethiek, vertegenwoordigt een soort zombie-liberalisme, zonder enige frisse of zelfs uitvoerbare politieke gedachte die rekening houdt met de ongelijkheden en materiële problemen – loonstagnatie, onbetaalbare woningen, onzekere banen, en bezuinigingen op publieke diensten, bijvoorbeeld – waar de 99 procent mee te kampen heeft. En hoe absurd, oneerlijk of stuitend kreten als ‘Bouw een muur’, ‘Weg met Obamacare!’, ‘350 miljoen dollar per week’ ‘Take back control’ ook zijn, ze zijn… iets, en electoraal wint iets het altijd van niets.

    Waarom zouden mensen überhaupt iets om de liberale democratie geven, waarom zouden deugden zoals liefde en normen van fatsoen en gelijkheid heilig zijn?

    Ook heeft Nussbaum geen poging gedaan om onder ogen te zien dat het de afgelopen paar jaar liberalen zijn geweest, en ook rechtse demagogen, die de politiek van de angst hebben aangewend, al was het maar omdat angst, net als terreur ‘een gemakkelijke begrijpelijkheid bezit’, zoals politiek denker Corey Robin uiteenzette in Fear: The history of a political idea (2004), en er ‘geen diepe filosofie, of verheven denkwerk voor nodig is om het kwade ervan vast te stellen: iedereen weet wat het is en dat het slecht is’. Maar als, zoals in de recente stroom boeken wordt betoogd, de democratie haar einde nadert, is het niet voldoende om te geloven dat we, met een beetje emotioneel lapwerk hier en daar, misschien kunnen terugkeren naar een paradijselijke tijd van vóór het populisme alles omvergooide. Liberalen zullen de moeilijkere vragen onder ogen moeten zien: waarom mensen überhaupt iets om de liberale democratie zouden geven, waarom deugden zoals liefde en normen van fatsoen en gelijkheid heilig zouden zijn en waarom we, in de woorden van John Milton, de voorkeur zouden geven aan ‘Moeilijke vrijheid boven het gemakkelijk juk/Van slaafse praal’.

  • 4. Jamal Khashoggi: 
een ander soort Saoedi

    4. Jamal Khashoggi: 
een ander soort Saoedi

    In Saoedi-Arabië ben je één socialmediabericht verwijderd van de dood, schrijft de hoofdredacteur van onlinenieuwsblad Middle East Eye. Het is zeker niet de eerste moord op een Saoedische balling, maar de moord op zijn collega Khashoggi kwam rechtstreeks binnen.

    Dit is de zwartste dag die ik als hoofdredacteur van Middle East Eye heb meegemaakt. Dat ligt niet meteen voor de hand. Jamal Khashoggi is niet de eerste vermoorde Saoedische balling. Niemand herinnert zich nu nog Nasser 
al-Said, die in 1979 uit Beiroet verdween en van wie sindsdien niets meer is vernomen. Prins Sultan bin Turki werd in 2003 ontvoerd uit Genève. Prins Turki bin Bandar al-Saoed, die in Frankrijk asiel had aangevraagd, verdween in 2015. Generaal-majoor Ali 
al-Qahtani, een officier van de Saoedische Nationale Garde, overleed terwijl hij nog in hechtenis zat en vertoonde tekenen van mishandeling: zijn nek leek te zijn verdraaid en zijn lichaam was ernstig opgezet. En er zijn vele, vele anderen.

    Duizenden kwijnen weg in de gevangenis. Als terroristen gebrandmerkte mensenrechtenactivisten zitten in de dodencel op grond van aanklachten die volgens Human Rights Watch ‘niet op erkende 
misdrijven lijken’. Ik weet van een zakenman die naakt aan zijn voeten werd opgehangen en gemarteld. Ook hij verdween. In Saoedi-Arabië ben je één socialmediabericht verwijderd van de dood.

    ‘Deal van de Eeuw’

    Een Saoedisch vliegtuig wierp een bom van Amerikaanse makelij af op een schoolbus in Jemen. Veertig jongens en elf volwassenen kwamen om. Ze waren op een schoolreisje. Dood per afstandsbediening, en geen westerse bondgenoot of wapenleverancier van Saoedi-Arabië die een verklaring eist. Geen contract dat wordt opgezegd, geen aandelenmarkt die zich het verrukkelijke vooruitzicht van de grootste beursgang in de geschiedenis laat ontzeggen. Wat maakt een dode Saoedi meer of minder uit?

    En toch is de dood van Khashoggi anders. Die komt rechtstreeks binnen. Eerst zit hij nog tegenover je aan de ontbijttafel, in een gekreukt overhemd, en verontschuldigt hij zich mompelend, in haastig gearticuleerd Engels, voor het feit dat hij verkouden is en je misschien aansteekt. Je knippert met je ogen en hoort dan een Turkse official vertellen wat er met zijn lichaam is gedaan in het consulaat in Istanboel: aan stukken gehakt.

    Saoedische functionarissen hebben iedere betrokkenheid bij zijn verdwijning krachtig tegengesproken. Hij zou het consulaat al snel na aankomst weer hebben 
verlaten. Voor deze bewering leverden ze geen enkel bewijs. De videocamera’s van het consulaat zouden op dat moment uit hebben gestaan.

    Enkele dagen voor zijn dood vertelde Khashoggi op een conferentie in Londen dat het koninkrijk besefte dat het te ver was gegaan in de wijze waarop het zich sterk had gemaakt voor Donald Trumps ‘Deal van de Eeuw’, die een einde moet maken aan het Israëlisch-Palestijnse conflict. In het kader van deze deal zouden de Saoedi’s de Palestijnen het dorp Aboe Dis, aan de rand van Jeruzalem, als hoofdstad van een toekomstige Palestijnse staat hebben willen opleggen, in plaats van Oost-Jeruzalem. Een uiterst controversieel voorstel vanuit Palestijns en dus ook Arabisch perspectief, waarvan Riyad zich toch maar distantieerde.

    ‘Dit toont iets heel belangrijks aan’, zei Khashoggi. ‘Alleen de Palestijnen beslissen. Niet de Saoedi’s, niet de Egyptenaren, hoeveel geld ze ook in de Palestijnse Autoriteit hebben gepompt. Niemand kan voor de Palestijnen beslissen.’ Een week later was hij voor altijd tot zwijgen gebracht.

    ‘Als jij je land hooghartig 
verlaat, brengen we je vernederd terug’, twitterde Faisal 
al-Shahrani

    In de Arabische wereld worden ze ‘elektronische insecten’ genoemd, de trollen die de Saoedi’s massaal inzetten wanneer het regime weer een van 
zijn routinematige misdaden heeft gepleegd. Nog vóór het nieuws over de veronderstelde moord op Khashoggi goed en wel bekend was, verkneukelden ze zich al over het lot van de man die ze als verrader beschouwden. ‘Als jij je land hooghartig verlaat, brengen we je vernederd terug’, twitterde Faisal 
al-Shahrani. Een regeringsgezinde trol nam niet eens de moeite te verhullen wat er op het consulaat was gebeurd. Prins Khalid bin Abdullah al-Saoed stuurde een bericht naar een andere Saoedische dissident: ‘Wilt u even langs de Saoedische ambassade gaan? Zij willen u persoonlijk spreken.’

    De tweets en artikelen van Khashoggi waren voor deze groezelige types niet te bevatten. Hij maakte zich zorgen over absolute waarden: waarheid, democratie, vrijheid. Khashoggi beschouwde zichzelf als journalist, niet als pleitbezorger of activist. ‘Ik ben een Saoedi, maar van een andere soort’, schreef hij.

    Als journalist had hij een hekel aan onzin. Het motto op zijn Twitterpagina luidt, vrij vertaald uit het Arabisch: ‘Zeg wat je te zeggen hebt en loop door.’ Dat was precies wat hij deed, tot woede van degenen die hem de mond wensten te snoeren.

    Waarom ze daarin zo ver wilden gaan, blijkt duidelijk uit zijn tweets. Hij dreef de spot met het idee dat er in Saoedi-Arabië onder Mohammed bin Salman een gevecht woedde om een ‘gematigde islam’. ‘Saoedi-Arabië, dat vandaag de dag 
de strijd aanbindt tegen de politieke islam, is de moeder en de vader van de politieke islam (…) het koninkrijk was van begin af aan gebaseerd op het idee van de politieke islam’, twitterde hij.

    Khashoggi werd gehekeld omdat hij met de 
Moslimbroederschap zou sympathiseren. ‘Twitter over vrijheid, en je bent lid van de Broederschap’, was zijn antwoord. ‘Twitter over rechten, en je bent lid van de Broederschap. Twitter over je vaderland, en je bent lid van de Broederschap. Twitter over machtsdeling en waardigheid, en je bent lid van de Broederschap. Verwerp despotisme, en je bent uiteraard lid van de Broederschap. Twitter over Gaza of Syrië, en 
je bent ongetwijfeld lid van de Broederschap. Tegen degenen die de Broederschap haten, zeg ik: door alle denkbare deugden aan hen toe te schrijven, hebben jullie ze volledig in de kaart gespeeld.’

    De Saoedische journalist Jamal Khashoggi tijdens het World Economic Forum in Davos, op 29 januari 2011. – © HH
    De Saoedische journalist Jamal Khashoggi tijdens het World Economic Forum in Davos, op 29 januari 2011. – © HH

    Khashoggi was een onversneden democraat: ‘Alleen door vrijheid van keuze bereikt het geloof de ziel en kan het de gelovige verheffen.’ Hij wond hij er geen doekjes om in de kwestie die leidde tot zijn definitieve breuk met Riyad: de kwestie-Trump. ‘Van tijd tot tijd twittert Trump dat hij ons beschermt en dat als we willen dat hij daarmee doorgaat, we daarvoor moeten betalen.

    Waartegen beschermt hij ons dan? En wie beschermt hij? Ik ben van mening dat de grootste bedreiging voor de Golfstaten en hun olie een president als Trump is, die niets anders in ons ziet dan de oliebronnen’, schreef hij.

    Khashoggi had gelijk. Niets van wat hem zou over-komen, had zonder Trump kunnen gebeuren. Onlangs deed Trump tot driemaal toe zijn uiterste best om het koninkrijk te vernederen, simpelweg omdat hij meent zich dat te kunnen veroorloven. Geen podium is hem hiervoor te openbaar. ‘We beschermen Saoedi-Arabië’, zei hij laatst op een 
campagnebijeenkomst in Southaven, Mississippi. ‘Zou je niet zeggen dat ze rijk zijn? Ik ben enorm gesteld op koning Salman, maar ik heb gezegd: koning, we beschermen je. Zonder ons blijf je 
misschien nog geen twee weken aan de macht. 
Dus moet je betalen voor je leger.’

    Op zijn beurt zei kroonprins Mohammed bin Salman: ‘Ik vind het geweldig om met hem samen te werken.’ Het is al te duidelijk waarom. Hij zou geen kroonprins – en dus heel dicht bij de troon – zijn geweest zonder Trump. Trump weet dit en denkt daarom dat hij alles kan zeggen wat hem voor de mond komt. Trump is de bullebak, de baas. Ondertussen kan zijn knecht doen wat hij wil, met wie hij maar wil. Zelfs een journalist die zich in Washington heeft gevestigd is niet veilig, want uiteindelijk weet Bin Salman dat Trump hem rugdekking geeft.

    Het motto op Khashoggi’s Twitterpagina luidt: ‘Zeg wat je te zeggen hebt en loop door’

    Khashoggi heeft het nooit echt met mij gehad over het gevaar dat hij liep. Als analist had hij een hekel aan hypotheses. Hij wist dat hij het bij dit regime had verbruid en nooit meer terug kon naar Saoedi-Arabië, en dus begon hij een nieuw leven, met een nieuwe baan als columnist voor The Washington Post.

    Hij zag het ook als zijn plicht zijn stem te laten 
horen en daarmee door te gaan, waar hij ook was.
 ‘De Arabische Lente heeft geen vernietiging gezaaid’, schreef hij. ‘Dat hebben degenen gedaan die ertegen streden en samenzwoeren. Anders had jij, jongeman, nu genoten van haar verkwikkende bries, van 
vrijheid, tolerantie, werk en welzijn. Ik durf te wedden dat de moord op Khashoggi geen gevolgen zal hebben. Bin Salman heeft van tevoren al bedacht dat Turkije te zwak is om te reageren. Het land moet immers 700 miljard dollar aan publieke en private schulden terugbetalen, terwijl de lira blijft dalen. Maar de miljoenen ponden die de Saoedische prins zojuist aan pr-bedrijven heeft betaald om zijn imago in het Westen als ‘een hervormer met haast’ op te poetsen, zijn nu verkwanseld door een moord die rechtstreeks uit een scène van Pulp Fiction lijkt te komen. Dus misschien zal ook hij een prijs betalen, wanneer de reacties van de media in Washington tot hem doordringen. Amerikanen die onverschillig stonden tegenover Saoedi-Arabië, weten nu wie Jamal Khashoggi is.

    ‘Als een prins zijn vrijheid met een 
miljard dollar kan terugkopen, hoeveel moet een gewetensgevangene dan betalen?’ twitterde

    Khashoggi. ‘Hoeveel kost de vrijheid ieder van ons?’

    We weten nu wat voor prijs een bescheiden journalist heeft moeten betalen, opdat Saoedi’s ooit hun 
fundamentele

    mensenrechten kunnen genieten. Hij betaalde met zijn leven. Moge hij in vrede rusten.

    David Hearst

    Auteur: David Hearst

    David Hearst is hoofdredacteur van Middle East Eye. Voor The Guardian was hij lange tijd de meest vooraanstaande auteur van hoofdartikelen over buitenlandse kwesties. De opvattingen in dit artikel zijn van de auteur en komen niet noodzakelijkerwijs overeen met het redactionele beleid van Middle East Eye.

    Middle East Eye
    Verenigd Koninkrijk | middleeasteye.net

    Journalistieke *website gericht op het Midden-Oosten, *onder leiding van David Hearst. De website werkt met lokale verslaggevers en bericht over de politieke, economische en sociale situatie in 
24 landen in de regio.

  • Gay in Gaza

    Gay in Gaza

    Hoe is het om homo te zijn in de Gazastrook? 
De Israëlische krant Haaretz sprak met Palestijnse homo’s over datingapps, Israëlische mannen, 
Hamas en de lokroep van het buitenland.

    Jamils avatar op een berichtenapp ziet eruit als een gelukkige man, jong, met een bril en een trendy kapsel. Maar Jamil (niet zijn echte naam) zegt dat hij voortdurend in angst leeft en dat zijn ultieme droom is om zijn vaderland achter zich te laten en zich los te maken van zijn familie. De 21-jarige student uit de Gazastrook is homo en leidt een dubbelleven. In zijn publieke bestaan is hij een ijverige student, de jongste telg van het gezin, en helpt hij zijn ouders, die al aardig op leeftijd zijn, om het huishouden draaiende te houden (door boodschappen 
te doen, te zorgen dat de elektrische generator het doet en dat er water in huis is). Daarnaast leidt hij een geheim leven, waarvan hij een groot deel doorbrengt op datingapps en nepaccounts op sociale netwerken.

    Jamil zegt dat hij zich op zijn veertiende voor het eerst realiseerde dat hij homo was. Hij was toen in het buitenland en ontmoette daar, voor het eerst van zijn leven, iemand die openlijk homo was. Bij thuiskomst ging hij, op internet en sociale netwerken, op zoek naar mensen zoals hijzelf. Naar eigen zeggen is hij er pas sinds een jaar of twee van overtuigd dat zijn homo-
seksualiteit niet ‘een of andere 
psychologische afwijking is’. Een paar homovrienden hebben hem ervan weten te overtuigen dat hij zichzelf moet accepteren zoals hij is.

    Op je tellen passen

    ‘Om te beginnen leg je contact op een nepaccount op social media, of op een app waar je identiteit geheim blijft,’ zegt Jamil tijdens een telefoongesprek. ‘Op zeker moment weet een van de twee voldoende moed bij elkaar te rapen om de eerste stap te zetten en wat foto’s te sturen. Nadat je een tijdje op die manier contact hebt, besluit je om elkaar al dan niet te ontmoeten. Maar degene met wie je contact hebt kan ook een [undercover]agent van Hamas in Gaza zijn. Je moet altijd op 
je tellen passen. Je moet zorgen dat je eerst met hem aan de praat raakt, 
bijvoorbeeld op Skype. En hij moet je ervan zien te overtuigen dat hij geen lid van Hamas is.’

    Jamil legt uit dat het voor iemand uit Gaza niet al te moeilijk is om agenten van Hamas te herkennen. Hoewel Hamas altijd zeer is gespitst op homo’s en de sociale media strak in de gaten houdt, heeft de organisatie een paar blinde vlekken – zo veronderstelt Jamil dat Hamas geen weet heeft van bepaalde apps die homomannen in 
de Gazastrook kunnen gebruiken om contact te leggen en te chatten, soms ook met Joden in Israël of op de 
Westelijke Jordaanoever.

    Op de vraag wat hij allemaal bespreekt met mensen uit Israël, antwoordt Jamil dat zij vaak van alles en nog wat willen weten over het leven in de Gazastrook, met name hoe het leven daar is voor een homo. Er komen natuurlijk ook politieke kwesties aan de orde. Een van degenen met wie hij contact heeft wil bijvoorbeeld weten wat Jamil ervan vindt dat Israël raketten afschiet op de Gazastrook. Jamil heeft gezegd het te betreuren dat er onschuldigen omkomen, vertelt hij.

    De moeder en zus van Hamascommandant Mahmoud Ishtiwi, die werd vermoord nadat hij was beschuldigd van homoseksualiteit.
 – © Wissam Nassar / The New York Times
    De moeder en zus van Hamascommandant Mahmoud Ishtiwi, die werd vermoord nadat hij was beschuldigd van homoseksualiteit.
 – © Wissam Nassar / The New York Times

    ‘Ik heb ooit iemand gesproken die me vertelde dat hij niet ver van Khan Yunis was geboren; dat was nog voor de Israëlische terugtrekking [uit Gaza] in 2005,’ zegt hij. ‘Hij vertelde me hoe dierbaar dat gebied hem was, en zei dat hij zich nog elk moment kon herinneren dat hij daar had doorgebracht. Hij zei dat hij nog altijd een geschenk had dat hij ooit van een vriend van zijn vader had gekregen, een Palestijn uit Gaza.’

    Een jonge Israëlische Jood die via een van de apps contact heeft gelegd met Jamil (en die me ook heeft verzocht zijn anonimiteit te waarborgen), vertelt 
me dat Jamil en hij het hadden over politiek, over Jamils leven en de verhoudingen binnen zijn familie – maar niet alleen daarover. ‘We hebben het ook gehad over de erotische aantrekkingskracht van soldaten,’ herinnert de Israëli zich. ‘Ik had rekening gehouden met een zeer vijandige en afwijzende reactie, maar als ik het me goed herinner zei Jamil dat hij wel met een Israëlische soldaat naar bed zou willen. En dan zijn er nog de gebruikelijke dingen waar homo’s het op dergelijke apps over hebben, wat we lekker vinden in bed en zo. En misschien sturen we elkaar wel een paar ondeugende foto’s.’

    Om maar vooral geen argwaan te wekken, beginnen homo’s in Gaza geen clubjes of groepen. Als ze elkaar ontmoeten, dan is het een op een, in een café of een restaurant, of op de promenade langs het strand. Ze zorgen dat 
ze niet vaker dan één keer op dezelfde plek worden gezien. Soms spreken 
ze ook thuis af – ervan uitgaande, natuurlijk, dat er geen familieleden 
in de buurt zijn.

    Jamil zegt dat hij geen lesbische vrouwen kent; hij denkt ook dat het voor vrouwen in de Gazastrook nog lastiger is om iets met elkaar te beginnen. ‘Voor vrouwen gelden zoveel meer beperkingen, ze worden veel meer aan banden gelegd,’ zegt hij. ‘Vrouwen durven niet over dit soort dingen te praten, ook niet onderling.’

    De negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit is niet per se terug te 
voeren op de islam, maar eerder op de cultuur en het beeld van mannelijkheid

    Zoals in alle abrahamitische godsdiensten zijn homoseksuele relaties binnen de islam verboden. De sharia, de islamitische wet, die is gebaseerd op de Koran en de Hadith (de overlevering van uitspraken die worden toegeschreven aan de profeet Mohammed en enkele mensen uit zijn nabije omgeving) wantrouwt alle homoseksuele handelingen, aldus dr. Nesia Shemer, verbonden aan de faculteit voor de Geschiedenis van het Midden-Oosten van de Bar-Ilan Universiteit. ‘Al sinds jaar en dag,’ zo licht ze toe, ‘bestaat er onenigheid onder islamitische geleerden over de vraag welke straf een homoseksueel moet krijgen. Volgens sommigen dient hij zijn daden te bekopen met de doodstraf, volgens anderen is dat niet per se noodzakelijk en moeten ook de omstandigheden worden meegewogen.’

    Tegenwoordig staat er volgens de meest invloedrijke islamitische soennigeleerde, sjeik Yusuf al-Qaradawi 
uit Qatar, dezelfde straf op homoseksualiteit als op prostitutie, benadrukt Shemer: de doodstraf. In veel moslimlanden, waaronder Iran en Saoedi-Arabië, worden homoseksuelen vervolgd. Wie schuldig wordt bevonden, wordt ter dood gebracht.

    In de moderne Palestijnse samenleving wordt homoseksualiteit in sterke mate gestigmatiseerd en veroordeeld. M., een Palestijnse psycholoog die in Duitsland woont en werkt, is bereid om met Ha’aretz te praten op voorwaarde dat hij anoniem blijft. Hij zegt dat de negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit niet per se is terug te 
voeren op de islam, maar eerder op de cultuur en het beeld van mannelijkheid. ‘De islam speelt natuurlijk wel een rol,’ aldus M., ‘maar ook mensen die volstrekt seculier zijn, wijzen homoseksualiteit af.’

    In geen enkele Arabische samenleving in het Midden-Oosten kun je openlijk homo zijn, en datzelfde geldt voor Gaza, de Westelijke Jordaanoever en 
de Arabische dorpen en steden binnen Israël. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat er in die samenlevingen geen homoseksuele mannen en vrouwen wonen.

    Sterker nog, volgens M. zorgt het taboe op seksuele activiteit buiten het huwelijk ervoor dat veel jongens en mannen hun eerste seksuele ervaring opdoen met een leeftijdgenoot van hetzelfde geslacht. ‘Het wordt verdoezeld, en zodra het naar buiten dreigt 
te komen zet de familie vaart achter een gearrangeerd huwelijk,’ zegt hij. Hij haast zich eraan toe te voegen dat er ook gevallen zijn van polygame mannen die hun vrouwen ertoe aanzetten seks met elkaar te hebben, teneinde hun eigen seksuele fantasieën 
te bevredigen – iets wat natuurlijk ook wordt veroordeeld door het geloof.

    In tegenstelling tot de Westelijke Jordaanoever, waar homoseksualiteit niet officieel bij wet verboden is, geldt in Gaza nog een wet die resteert uit de tijd van het Brits mandaatgebied, waarin homoseksualiteit officieel wordt verboden. Maar het sociale taboe, waardoor seksueel actieve homo’s zowel door hun familie als door de autoriteiten worden vervolgd, is veel sterker dan het wettelijke verbod. Vorig jaar werd een 
vooraanstaande Hamas-commandant, Mahmoud Ishtiwi, gemarteld en doodschoten nadat hij er onder meer van was beschuldigd homo te zijn.


    Jamil vertelt over een vriend die drie jaar heeft vastgezeten omdat hij homo is, na valselijk te zijn beschuldigd van zowel samenzwering met de Palestijnse Autoriteit als spionage. Zelf heeft Jamil twee jaar geleden een maand in de gevangenis gezeten – nadat hij iets op Facebook had gezet om te pleiten voor homorechten in Gaza. Hij werd ervan beschuldigd antioverheidspropaganda te verspreiden, moest voor de rechter komen en werd uiteindelijk vrijgelaten nadat hij een boete had betaald van 500 sjekel [ca. 117 euro]. Tijdens zijn gevangenschap, zo vertelt Jamil, kreeg hij te maken met seksueel geweld. ‘Een bewaker schold me uit 
en probeerde me te misbruiken. Ik dreigde het aan de grote klok te hangen. Uiteindelijk liet hij me met rust.’

    Ondanks de gevaren en de schande is er volgens Jamil een ‘immense’ homogemeenschap in Gaza. Hij zeg dat het aantal mensen dat in het geheim een homoseksuele relatie heeft, toeneemt. ‘Ik ken zo’n honderdvijftig homo’s in de Gazastrook. Ik heb ze in de afgelopen vier jaar allemaal ontmoet’, schrijft hij in een sms. Aan de telefoon vertelt hij er nog bij dat het moeilijk is om in Gaza iets geheim te houden; geruchten doen er snel de ronde en iedereen weet alles van iedereen. ‘In Gaza doet men niets liever dan roddelen. Het is een gesloten gemeenschap, mensen hebben weinig omhanden, dus ze zitten het grootste deel van de tijd over 
elkaar te kletsen,’ zegt Jamil.

    Desondanks probeert hij zijn eigen voorkeur geheim te houden en is hij ervan overtuigd dat zijn familie van niets weet – behalve een van zijn broers, die een tijdje geleden argwaan begon te koesteren. ‘Je mag niet dat soort gedachten koesteren,’ citeert Jamil de waarschuwende woorden 
van zijn broer. ‘Die gedachten passen hier niet. Ik probeer je te beschermen. De situatie in Gaza is niet goed.’

    ‘Ik ben voor allebei even bang’

    Uiteindelijk, vertelt Jamil verder, ging zijn broer hem bedreigen en pikte zijn mobieltje. Hij gaf het pas acht maanden later weer terug, nadat Jamil had moeten beloven dat hij alles wat homogerelateerd was eraf zou halen. De broer heeft het momenteel druk met zijn eigen leven en Jamil heeft het gevoel dat hij, in ieder geval voor even, wat meer ruimte heeft. Maar de situatie kan elk moment weer veranderen. ‘Ik probeer uit alle macht weg te komen uit Gaza,’ zegt Jamil. Op de vraag voor wie hij banger is – zijn broer of Hamas – antwoordt hij: ‘Ik ben voor allebei even bang.’

    Jamil kent een stuk of acht mannen 
die de afgelopen jaren zijn gevlucht uit de Gazastrook. Voor zover Jamil weet 
is zeker de helft van hen in Rafah de grens met Egypte overgestoken, na duizenden dollars smeergeld te hebben betaald aan de grenswachten, waarna ze over zee naar Europa zijn gegaan, met behulp van mensensmokkelaars. ‘Daar heb ik de moed niet voor,’ bekent Jamil. Hij droomt ervan om te ontkomen via de Israëlische grens, en dan naar Jordanië te gaan, totdat hij klaar 
is voor de volgende stap.

    Op de vraag of hij zich niet eenzaam 
en verloren zou voelen, zo ver van 
zijn familie en van alles wat hem vertrouwd is, legt hij uit dat zijn persoonlijke veiligheid zwaarder weegt dan 
het gevaar van eenzaamheid. ‘Het is 
zo triest dat mensen me niet kunnen accepteren,’ zegt hij. ‘Je krijgt bepaalde waarden mee van je familie en de samenleving waarin je opgroeit. Maar ik kan niet leven met waarden waarin ik niet als mens wordt beschouwd.’

    Auteur: Liza Rozovsky

  • Big data

    Big data

    De rumoerige entree van Donald Trump in het Witte Huis op 20 januari, en zijn vertrek over acht jaar (of over drie maanden), speelt zich af tegen de achtergrond van een betrekkelijk nieuw fenomeen: de ‘big data’, de gedigitaliseerde versie van Orwells Big Brother.

    In onze numerieke samenleving is de eenling op administratief niveau gereduceerd tot een cijfercode, die afwijkt van of correspondeert met andere cijfercodes, waaruit machines met bijna de snelheid van het licht een heel individueel mensbeeld samenstellen, compleet met alle afwijkingen en voorkeuren, gewoonten, leefomstandigheden, burgerlijke staat, inkomen, opleidingen, competenties, gedragingen in verleden en heden, meningen, lidmaatschappen, abonnementen, familieverbanden – kortom, met alles wat het individu uniek maakt, en vooral ook met alles waarin dit individu afwijkt van dan wel overeenkomt met anderen.

    Die big data verstrekken wij voor het overgrote deel zelf, misschien onbewust maar uit vrije wil, en in steeds overvloediger mate, voornamelijk, maar niet uitsluitend, via 
‘sociale’ media. Kijk om u heen, in de trein, in de wachtkamer bij de dokter, in het café, op het werk, kijk naar voorbijgangers, te voet, in de auto, op de fiets, iedereen kijkt vroeg of laat naar een oplichtend schermpje.

    Politico-journalist Jack Shafer noemde de vernieuwde verhouding tussen politiek en 
journalistiek “het grootste cadeau sinds de uitvinding van 
het declaratieformulier”

    Het beschikken over al die gegevens kan zijn nut hebben. In het medisch-wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld, en 
bij uitstek in de reclame zijn individuele gegevens, gebundeld tot consumentenclusters, goud waard – en dus ook in de 
politieke marketing, het aan de man/vrouw brengen van een 
partij of een kandidaat. In de Verenigde Staten, waar ondanks het tijdsverschil alles nog steeds een halfuur eerder gebeurt dan elders, bestaat een bedrijf dat beschikt over big data 
van 220 miljoen van de 320 miljoen Amerikaanse burgers. Directeur is grootste geldschieter en vriendje van de 
Amerikaanse president.

    Daar begint het griezelig te worden. Data kan worden (en wordt) gebruikt voor het beïnvloeden van de uitkomst van een politiek proces. Het kan conflicten tussen verschillende gemeenschappen aanwakkeren en 
het nieuws bepalen. Al was het maar om de aandacht te verleggen.

    Brrr. Gelukkig is de journalistieke lente aangekondigd. Oplagen stijgen. We willen niks missen. Politico-journalist Jack Shafer noemde de vernieuwde verhouding tussen politiek en 
journalistiek ‘het grootste cadeau sinds de uitvinding van 
het declaratieformulier’. Boven zijn artikel stond: ‘Trump Is Making Journalism Great Again’.

    Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

  • Rijst verkopen via Facebook

    Rijst verkopen via Facebook

    Boeren in het noorden van Thailand verdienen bijna niets aan hun hoogwaardige Hom Mali-rijst, omdat de rijstprijzen laag zijn en veel geld bij 
tussenpersonen blijft hangen. Daarom verkopen ze hun waar nu rechtstreeks via Facebook.

    Maytar Kochai (52) is geboren en getogen in het centrum van het Thaise district Surin, waar rijst wordt verbouwd. Er zijn twee dingen waar hij heel veel van afweet: de veelgeprezen Hom Mali-rijst [jasmijnrijst] en armoede.

    Maytar, die vroeger in Bangkok woonde maar op aandringen van zijn ouders naar huis terugkeerde, werd onlangs aangesteld als hoofdadministrateur van de Sakad Subdistrict Administrative Organisation (SAO). Hij is het beu dat rijstboeren het zo zwaar te verduren hebben én hij heeft oog voor de macht van sociale media. Daarom begon hij onlangs een Facebookpagina om boeren te helpen hun Hom Mali-rijst direct aan hun klanten te verkopen.

    Zijn pagina heeft een simpele, overtuigende boodschap: boeren hebben er genoeg van om onder druk te worden gezet door de marktprijzen. Met een beetje hulp van lokale media werd zijn posting door veel mensen bekeken en begon hij telefonisch honderden bestellingen te ontvangen. ‘Om eerlijk te zijn waren we absoluut niet voorbereid op al deze reacties,’ zei hij. ‘We hadden niemand om de rijst te verpakken. Sterker, we hadden niet eens zakken om de rijst in te doen. Ik blijf maar gebeld worden vanuit heel Thailand. Het is ongelooflijk dat zo veel mensen belangstelling hebben voor ons product.’

    Redelijke bedragen

    De kwestie van subsidie voor rijst en welke rol de regering moet spelen in de steun aan boeren die het moeilijk hebben, is weer terug in het nieuws. Onlangs ging het kabinet akkoord met een subsidie van 13.000 baht [ca. 350 euro] per ton Hom Mali-rijst om boeren in het noorden en noordoosten te helpen, aangezien de prijzen voor rijst op de wereldmarkt laag waren. Die subsidie gaat door tot eind februari 2017. Om de prijzen te verhogen kondigde het leger ook aan dat het soldaten zou inzetten om alle rijstpellerijen ‘om medewerking te vragen’ om boeren ‘redelijke’ bedragen te betalen voor hun rijst.

    Lokale politici zoals Maytar zijn zich bewust van de benarde situatie van de boeren en nemen een proactief standpunt in. Omdat Maytar nauw samenwerkt met boeren, snapt hij waarom ze niet genoeg verdienen aan hun kwaliteitsproducten. Hij vertelt dat hij een maand eerder een boer terug zag komen van een rijstpeller met grote zakken Hom Mali-rijst. De boer had hem de rijst aangeboden, maar de peller zei dat die niet voldeed aan de vereiste kwaliteit. Maytar vroeg de boer de rijst achter te laten op zijn kantoor en verzamelde alle rijstboeren uit zestien dorpen op een vergadering.

    ‘Vergeet de marktprijzen en reken niet op hulp van de centrale regering,’ zei hij tegen hen. ‘Ik neem alle rijst af die jullie deze oogst binnenhalen en verkoop het zonder dat jullie naar rijstpellerijen of tussenpersonen hoeven te gaan. Wie doet er mee?’

    Alle boeren gingen akkoord, ondanks het feit dat de marktprijs van rijst in tien jaar niet zo laag was geweest. Ze brachten hun ongepelde rijst naar het kantoor van Sakad SAO en hoopten dat het plan van Maytar zou werken. Als deze boeren hun rijst rechtstreeks aan de peller hadden verkocht, zouden ze er 17 cent per kilo voor hebben gekregen, of 170 euro per ton, na aftrek van het vochtigheidspercentage. Maar als de boeren hun ongepelde rijst naar Sakad SAO brengen, ontvangen ze een gegarandeerde prijs van 32 tot 34 cent per kilo, of 320 tot 340 euro per ton. Er is geen vochtigheidspercentage en ze krijgen het geld nadat de rijst is verkocht.

    Sinds hij zijn toevlucht heeft gezocht bij de sociale media, wordt Maytar van zes uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds gebeld voor bestellingen

    Sinds hij zijn toevlucht heeft gezocht bij de sociale media, wordt Maytar van zes uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds gebeld voor bestellingen. Sakad SAO heeft ook een afspraak gemaakt met een peller om drie ton rijst per dag te pellen, maar dagelijks arriveert er minstens vier ton. Ooit was Sakad een rustig subdistrict; nu is het een agrarisch centrum geworden voor boeren uit Surin.

    Wisut Sarapee, coördinator van het project, zei dat ze vaak aanvragen krijgen uit andere regio’s, maar geen budget hebben om de rijst te bezorgen. ‘We willen het proces niet nog kostbaarder maken,’ zei hij. ‘Als iemand geïnteresseerd is in onze rijst, dan moeten ze die voorlopig zelf komen afhalen.’ Er komen ook uitnodigingen binnen om hun rijst te verkopen op lokale handelsbeurzen.

    Na de rijst een week lang direct op de markt te hebben gebracht, leek het Maytar al een goed idee om volgend jaar zo door te gaan. Omdat boeren in het noordoosten maar één oogst per jaar kunnen verbouwen, denkt hij genoeg tijd te hebben om iets duurzamers te kunnen ontwikkelen.

    Rittikrai Deerob, wetenschapper en onderzoeker voor Sakad SAO, heeft voorgesteld een eigen rijstmerk te gaan opbouwen. Volgens hem is dat de beste manier om te profiteren van het succes op de sociale media, en zo een blijvend proces te kunnen opzetten. De rijst wordt nu verkocht onder de merknaam Sakad Kwan Kao. Omdat ze genoeg bestellingen hebben om het programma draaiende te houden, heeft Maytar een aantal gehandicapten ingehuurd om te helpen met het verpakken van de rijst.

    Die rijst wordt verkocht voor 71 cent per kilo en verpakt in zakken van één en vijf kilo. De boer ontvangt 53 cent per kilo, terwijl Sakad SAO 18 cent inhoudt voor de zakken en de inpakkers. Als er aan het eind nog iets over is van die 18 cent, betalen ze 2 cent per kilo terug aan de boeren.

    Rijstboeren worden uitbetaald door een rijstpeller in de Samrong-regio in het noordoosten van Thailand. – © Getty Images
    Rijstboeren worden uitbetaald door een rijstpeller in de Samrong-regio in het noordoosten van Thailand. – © Getty Images

    Sangwan Sankla (39), eigenares van een stuk land van iets meer dan een hectare, is heel tevreden met het plan. ‘Ik ben zo blij dat de heer Maytar dit project heeft opgezet om ons te helpen. Tot nu toe had ik nog nooit geld overgehouden als ik mijn rijst had verkocht. Welke regering er ook aan de macht was, zoiets als dit hebben ze ons nooit gegeven.’

    Udomsak ‘Peter’ Udomdee (34) werkt als pr-man voor de afdeling Ziektebestrijding van het ministerie van Volksgezondheid in Surin. Toen hij nog in Bangkok woonde, kon hij daar wel dure Hom Mali-rijst kopen, maar de smaak kon niet tippen aan de echte Hom Mali van thuis. Hij nam een zak rijst mee terug uit Surin om aan zijn collega’s te verkopen en kreeg enthousiaste reacties. Ze bestelden meer rijst en hij raakte ervan overtuigd dat dit de beste manier was om rijst zonder tussenkomst van anderen te verkopen. Sindsdien beheert Peter een Facebookpagina waarop hij de rijst van zijn familie verkoopt.

    De eerste twee jaar nam hij honderd kilo rijst mee naar Bangkok, nu neemt hij elke keer dat hij teruggaat minstens driehonderd kilo mee. Als zijn familie ongepelde rijst van hun drie hectare land aan een peller zou verkopen, zouden ze daar zo’n 1000 euro voor krijgen, na 1450 euro te hebben geïnvesteerd voor de hele oogst. Maar als Peter die laat pellen bij een naburige pellerij en de rijst direct verkoopt, kunnen ze dertien ton afzetten voor 2900 euro na een investering van 845 euro.

    Ik wil dat dit een simpele procedure blijft die iedereen thuis kan regelen

    Directe verkoop is het gesprek van de dag geworden in Sakad, en de bestellingen blijven binnenstromen. Toch heeft Maytar geen plannen om de productie op te voeren. ‘Ik wil dat dit een simpele procedure blijft die iedereen thuis kan regelen. De rijstprijzen zijn tegenwoordig zo laag omdat de verkoop in verschillende stadia verloopt, die allemaal eigen kosten met zich meebrengen. Als die ervan afgetrokken worden, blijft er vrijwel niets over voor de boer.’

    Zijn werkelijk doel, de stabilisatie van de prijs van Hom Mali-rijst uit Surin, is dichterbij aan het komen. In Thailand kan Hom Mali van hoge kwaliteit alleen in Surin, Buri Ram en Si Sa Kat worden verbouwd. Maytar vindt het oneerlijk dat de prijs van die hoogwaardige rijst wordt gedrukt door de algemene marktprijs.

    Als het merk Sakad Kwan Kao van de grond komt, wil hij dat gebruiken om het imago van Hom Mali uit Surin op te bouwen. Hij verwacht dat andere districten in de provincie hetzelfde gaan doen en hun rijst ook gaan onderbrengen bij het Kwan Kao-merk. ‘Ik ben nooit van plan geweest om een bedrijf op te zetten. Ik wilde alleen een nieuw bestaan mogelijk maken voor rijstboeren.’

    Auteur: Chaiyot Yongcharoenchai

    Bangkok Post
    Thailand | dagblad | oplage 55.000

    In 1946 opgericht onafhankelijk, Engelstalig dagblad dat wordt gemaakt door een team internationale redacteuren. Het richt zich op de stedelijke elite en expats.